Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 06 oktober 2006

Uittreksel uit arrest nr. 126/2006 van 28 juli 2006 Rolnummers 3786 en 3805 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 43 van het Vlaamse decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, vóór Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Mart(...)

bron
arbitragehof
numac
2006203143
pub.
06/10/2006
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Uittreksel uit arrest nr. 126/2006 van 28 juli 2006 Rolnummers 3786 en 3805 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 43 van het Vlaamse decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, vóór de wijziging ervan bij het decreet van 7 mei 2004, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters A. Arts en M. Melchior, en de rechters P. Martens, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Moerman en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Arts, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnissen van 26 september 2005 en van 25 oktober 2005 in zake respectievelijk R. Corveleyn en M. Vrijdags tegen het Vlaamse Gewest en S. Vandenbroeke tegen het Vlaamse Gewest, waarvan de expedities ter griffie van het Arbitragehof zijn ingekomen op 11 oktober 2005 en 8 november 2005, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel telkens de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Bevat artikel 43 van het [Vlaamse] decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, diverse malen gewijzigd, en zoals van toepassing voor de decreetwijziging van 7 mei 2004, een met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet strijdig, discriminerend onderscheid tussen enerzijds, de belastingplichtige die een bouwvergunning (thans, stedenbouwkundige vergunning) voorlegde waaruit blijkt dat hij de nodige renovatiewerken zou uitvoeren, hetgeen resulteerde in een schorsing van de heffing, en, anderzijds, de belastingplichtige die eveneens renovatiewerken uitvoerde of zou uitvoeren, maar geen stedenbouwkundige vergunning kan voorleggen omdat een stedenbouwkundige vergunning niet vereist was voor de geplande renovatiewerken, waardoor de heffing niet kan worden geschorst ? ».

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 3786 en 3805 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. (...) III. In rechte (...) B.1. In de prejudiciële vragen wordt het Hof gevraagd of artikel 43 van het Vlaamse decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat het uitsluitend voorziet in de schorsing van de leegstandsheffing indien de belastingplichtige een bouwvergunning voorlegt waaruit blijkt dat hij de nodige renovatiewerken gaat uitvoeren, terwijl die schorsing niet geldt indien de belastingplichtige renovatiewerken uitvoert waarvoor geen bouwvergunning is vereist.

B.2. Artikel 43 van het voormelde decreet, vervangen bij artikel 8 van het decreet van 8 juli 1997 « houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1997 » (Belgisch Staatsblad , 22 oktober 1997) en gewijzigd bij artikel 8 van het decreet van 7 juli 1998 « houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 1998 » (Belgisch Staatsblad , 28 augustus 1998), zoals het van toepassing is op de gedingen die aan het verwijzende rechtscollege zijn voorgelegd, luidt : « De heffing wordt geschorst van zodra de belastingplichtige een bouwvergunning voorlegt waaruit blijkt dat hij de nodige renovatiewerken gaat uitvoeren. Als de belastingplichtige tijdens de termijn van een maand na kennisgeving van de administratieve akte, bedoeld in de artikelen 32 en 33, een bouwvergunning voorlegt die dateert van voor de administratieve akte, op basis waarvan de eerste inventarisatie van het gebouw en/of de woning gebeurt, dan gaat de schorsing in op de datum van de administratieve akte in plaats van op de datum waarop de bouwvergunning voorgelegd wordt.

De periode van schorsing eindigt op het moment dat de renovatiewerkzaamheden beëindigd zijn. Zij kan niet langer duren dan 2 jaar, tenzij de renovatiewerkzaamheden betrekking hebben op 3 of meer gebouwen en/of woningen, of dermate omvangrijk zijn dat ze niet kunnen worden voltooid in 2 jaar, in welke gevallen de maximale periode 3 jaar bedraagt.

De schorsing geldt voor de heffingen die verschuldigd worden op de inventarisatiedata die vallen in de periode van schorsing.

De schorsing wordt ongedaan gemaakt als de in de bouwvergunning aangeduide renovatiewerken op het einde van de periode van schorsing niet beëindigd zijn, tenzij op dat ogenblik een periode van vrijstelling loopt op grond van artikel 41 of artikel 42, § 2.

Als de renovatiewerkzaamheden worden uitgevoerd door een sociale woonorganisatie, de gemeente of het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn, dan kan de termijn van 2 of 3 jaar door de Vlaamse Regering worden verlengd op grond van een verslag over de voorbereiding of de vordering van de werkzaamheden ».

De in het geding zijnde bepaling voorziet derhalve uitsluitend in een schorsing van de leegstandsheffing voor geïnventariseerde gebouwen en/of woningen waarvoor door de belastingplichtige een bouwvergunning wordt voorgelegd waaruit blijkt dat hij de nodige renovatiewerken gaat uitvoeren. Op grond van het bij het decreet van 8 juli 1997 eveneens gewijzigde artikel 24 van het decreet van 22 december 1995 werden enkel vergunningsplichtige werken beschouwd als de bedoelde renovatiewerken.

B.3. De ratio legis van de schorsing van de leegstandsheffing in geval van renovatiewerken werd door de bevoegde minister tijdens de parlementaire voorbereiding van het oorspronkelijke decreet als volgt toegelicht : « Het betreft structurele ingrepen, zodat zelfs gedeeltelijke sloping met opbouw hieronder kan worden begrepen.

Voor renovatie is in een dubbele ontheffing voorzien : - schorsing van de heffing voor twee of drie jaar naargelang de omvang en de complexiteit van de werken; - na de renovatie is er een bijkomende vrijstelling voor twee heffingen op grond van leegstand ».

Daarbij beklemtoonde hij dat « die dubbele ontheffing past in het beleid dat renovatie wil aanmoedigen en consequent doorvoeren » (Parl.

St., Vlaams Parlement, 1995-1996, nr. 147/12, p. 26).

B.4. Bij de decreetswijziging van 8 juli 1997 werd het thans in het geding zijnde criterium van onderscheid in het leven geroepen, namelijk het al dan niet beschikken over een bouwvergunning, thans stedenbouwkundige vergunning. De doelstelling van die wijziging werd als volgt omschreven : « De meeste wijzigingen zijn interpretatief van aard en brengen verduidelijkingen aan op de bestaande tekst in het belang van de belastingplichtigen en naar aanleiding van concrete vragen van terreinwerkers (gewestelijke en gemeentelijke ambtenaren).

In artikel 1 [voormeld artikel 24] wordt vooreerst de definitie van renovatiewerkzaamheden gewijzigd. Voortaan komen enkel werken die in artikel 42 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, als bouwvergunningsplichtig opgesomd zijn, nog in aanmerking.

De voorwaarde dat de werken bouwvergunningsplichtig moeten zijn, was impliciet reeds in de vorige definitie vervat (' structurele ingrepen '), maar leidde toch tot discussies » (Parl. St., Vlaams Parlement, 1996-1997, nr. 660/6, p. 3).

Met betrekking tot de schorsing van de heffing werd verklaard : « Zoals reeds gezegd [...] wordt nu uitdrukkelijk voorzien dat een bouwvergunning nodig is om een schorsing te verkrijgen. Deze bouwvergunning moet alle structurele ingrepen omvatten die nodig zijn om het gebouw en/of de woning weer geschikt te maken voor gebruik overeenkomstig de oorspronkelijke bestemming of de nieuwe bestemming voorzover die verenigbaar is met de eisen van een goede plaatselijke ruimtelijke ordening » (ibid., p. 5).

Het probleem dat door de prejudiciële vragen aan het Hof wordt voorgelegd, werd uitdrukkelijk behandeld tijdens de parlementaire voorbereiding, waarbij erop werd gewezen « dat heel wat mensen renovatiewerken uitvoeren zonder dat zij daarvoor noodzakelijk over een vergunning dienen te beschikken » (ibid. ). Ter zake werd evenwel gesteld : « Wat het probleem van de bouwvergunning betreft, erkent de minister dat er kleine werken kunnen zijn die niet noodzakelijk onder de noemer renovatiewerken moeten vallen. Wel is het belangrijk dat er een duidelijke en eenvormige interpretatie voor het gehele Vlaamse Gewest wordt vastgesteld. Vandaar werd de koppeling gemaakt met wat in de stedenbouwwet is bepaald als zijnde bouwvergunningsplichtig. Men moet er ook over waken dat aan de eigenaars niet te veel ontsnappingsmogelijkheden worden aangeboden. Overigens is het meestal zo dat werken binnenin het gebouw een effect hebben op de buitenzijde van het gebouw. Er zijn slechts weinig gevallen gesignaleerd waarin het visuele aspect van de buitenzijde van het gebouw sterk verschilt van de kwaliteit die binnenin de woning aanwezig is. De minister vindt het wel een goede suggestie om de problematiek van de afstemming van verschillende regelgevingen grondig te onderzoeken » (ibid., p. 6).

B.5. Het in de prejudiciële vraag aangehaalde verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het al dan niet kunnen voorleggen, door de belastingplichtige, van een stedenbouwkundige vergunning waaruit blijkt dat hij de nodige renovatiewerken gaat uitvoeren.

B.6. Wat de pertinentie van het gehanteerde criterium van onderscheid betreft, dient allereerst te worden opgemerkt dat een wetgever de verscheidenheid van toestanden slechts met een zekere graad van benadering kan opvangen. Een aldus in het leven geroepen verschil in behandeling is op zich niet ongrondwettig op voorwaarde dat de criteria redelijkerwijs kunnen worden verantwoord ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.7. Rekening houdend met dat beginsel kan worden aangenomen dat de omstandigheid dat de renovatiewerken aan een vergunning en het toezicht dat zij impliceert, zijn onderworpen, voldoende relevant is om de ernst aan te tonen van de werkzaamheden die een schorsing van de leegstandsheffing verantwoordt. Het is ongetwijfeld juist dat ook niet-vergunningsplichtige renovatiewerken ingrijpend, structureel en duur kunnen zijn, kunnen bijdragen tot het opnieuw voor bewoning geschikt maken van een pand en de verdere bewoning ervan tijdelijk kunnen bemoeilijken of zelfs onmogelijk maken. Maar anders dan vergunningsplichtige werken kunnen die meestal binnen een beperkte periode worden uitgevoerd. De decreetgever vermocht dan ook te oordelen dat een schorsing van de leegstandsheffing niet aangewezen was om misbruiken te voorkomen. Hij heeft derhalve een pertinent criterium aangewend voor het verschil in behandeling.

B.8. De door de decreetgever ingestelde leegstandsheffing is, onder de gelding van de toepasselijke regelgeving, bovendien eerst verschuldigd nadat de leegstand reeds gedurende twaalf maanden heeft geduurd en het gebouw of de woning is opgenomen op de inventaris van de leegstaande gebouwen en woningen. Die termijn moet in beginsel voldoende worden geacht om de niet-vergunnningsplichtige renovatiewerken uit te voeren, zodat de niet-schorsing van de leegstandsheffing in dergelijke gevallen niet kan worden beschouwd als een onevenredige maatregel.

B.9. De vaststelling dat door de wijziging bij het decreet van 7 mei 2004 « houdende wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996 en van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, wat betreft de bestrijding van de leegstand en verkrotting en onbewoonbaarheid van gebouwen en/of woningen » (Belgisch Staatsblad , 5 augustus 2004, eerste editie) eveneens is voorzien in de mogelijkheid van schorsing van de leegstandsheffing in geval van niet-vergunningsplichtige renovatiewerken - zij het onder strikte voorwaarden die misbruiken dienen te voorkomen - doet geen afbreuk aan hetgeen voorafgaat. Het staat de decreetgever vrij, ingevolge nieuwe inzichten, zoals die onder meer zijn gebleken uit de hoorzittingen die aan de decreetswijziging zijn voorafgegaan (Parl. St., Vlaams Parlement, 2002-2003, nr. 1678/2), te voorzien in een nieuwe schorsingsgrond voor de leegstandsheffing. Die beleidswijziging hield niet in dat de vroegere schorsingsregeling noodzakelijk een discriminerend karakter had, wanneer, zoals te dezen, was aangetoond dat het vroegere beleid zelf de toets aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet kon doorstaan omdat het destijds gecreëerde verschil in behandeling objectief en redelijk was verantwoord.

B.10. De prejudiciële vragen dienen ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 43 van het Vlaamse decreet van 22 december 1995 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1996, vóór de wijziging ervan bij het decreet van 7 mei 2004, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus uitgesproken in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 28 juli 2006.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter, A. Arts.

^