Arrest Uittreksel
gepubliceerd op 05 maart 2010
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Uittreksel uit arrest nr. 7/2010 van 4 februari 2010 Rolnummer 4672 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 96, tweede streepje, van het Vlaamse decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 200 Het Grondw

bron
grondwettelijk hof
numac
2010200643
pub.
05/03/2010
prom.
--
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

Uittreksel uit arrest nr. 7/2010 van 4 februari 2010 Rolnummer 4672 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 96, tweede streepje, van het Vlaamse decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009, ingesteld door de nv « WIMI ».

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Bossuyt en P. Martens, en de rechters M. Melchior, R. Henneuse, E. De Groot, L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, J. Spreutels en T. Merckx-Van Goey, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Bossuyt, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 1 april 2009 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 2 april 2009, heeft de nv « WIMI », met maatschappelijke zetel te 9451 Haaltert, Wijngaardstraat 36, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 96, tweede streepje, van het Vlaamse decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009 (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 december 2008). (...) II. In rechte (...) Ten aanzien van de bestreden bepaling B.1. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen artikel 96, tweede streepje, van het Vlaamse decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009, dat bepaalt : « Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2009, met uitzondering van : [...] - artikel 21, dat uitwerking heeft met ingang van 30 december 2000; [...] ».

Het niet bestreden artikel 21 luidt : « In artikel 91 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen worden de woorden ' artikel 1 van de wet van 24 oktober 1902 betreffende het spel, aangevuld bij de wet van 19 april 1963 en bij artikel 1 van de wet van 22 november 1974 ' vervangen door de woorden ' de artikelen 4, 7 en 8 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers ' ».

Ten aanzien van het wettelijke kader B.2.1. Artikel 1 van de wet van 24 oktober 1902 betreffende het spel, aangevuld bij de wet van 19 april 1963 en bij artikel 1 van de wet van 22 november 1974, (hierna : de oude wet betreffende het spel) verbood in beginsel het opstellen en uitbaten van elk kansspel, tenzij die welke door of krachtens die bepaling limitatief werden opgesomd.

B.2.2. De oude wet betreffende het spel werd opgeheven door artikel 72 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers (hierna : de Wet Kansspelen). Krachtens artikel 9 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse III, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse C, trad die opheffing in werking op 30 december 2000. Met ingang van die datum bepalen de artikelen 4, 7 en 8 van de Wet Kansspelen welke kansspelen verboden zijn. Die artikelen luiden als volgt : «

Art. 4.Het is verboden, onder welke vorm, op welke plaats en op welke rechtstreekse of onrechtstreekse manier ook, één of meer kansspelen of kansspelinrichtingen te exploiteren tenzij die overeenkomstig deze wet zijn toegestaan.

Niemand mag zonder voorafgaande vergunning van de kansspelcommissie een of meer kansspelen of kansspelinrichtingen exploiteren ». «

Art. 7.De Koning bepaalt bij een in de Ministerraad overlegd besluit per klasse van kansspelinrichting de lijst van kansspelen en het aantal kansspelen waarvan de exploitatie is toegestaan onder de voorwaarden van deze wet. De kansspelcommissie geeft hiervoor een advies binnen een termijn van drie maanden.

Art. 8.De Koning bepaalt voor elk kansspel geëxploiteerd in een kansspelinrichting klasse II en III per speelkans het maximumbedrag van de inzet, het verlies en de winst van de spelers en gokkers. Hij kan tevens het maximumbedrag bepalen dat een speler of gokker mag verliezen per door Hem vastgestelde speelduur.

In de kansspelinrichtingen klasse II zijn alleen de kansspelen toegestaan waarvan vaststaat dat de speler of gokker gemiddeld per uur niet meer verlies kan lijden dan 25 euro.

In de kansspelinrichtingen klasse III zijn alleen de kansspelen toegestaan waarvan vaststaat dat de speler of gokker gemiddeld per uur niet meer verlies kan lijden dan 12,50 euro.

De Koning kan zulks ook bepalen voor kansspelen geëxploiteerd in een kansspelinrichting klasse I. Het is steeds verboden om twee of verschillende apparaten op elkaar aan te sluiten met het oog op het toekennen van één prijs ».

B.2.3. Ingevolge die bepalingen is een limitatieve lijst van de toegelaten kansspelen opgenomen in het koninklijk besluit van 19 juli 2001 tot vaststelling van de lijst van de kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse I, in het koninklijk besluit van 22 december 2000 tot vaststelling van de lijst van de automatische kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse II, vervangen bij het koninklijk besluit van 26 april 2004 met hetzelfde opschrift, en in het koninklijk besluit van 22 december 2000 tot vaststelling van de lijst van de kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse III, vervangen bij het koninklijk besluit van 2 maart 2004 met hetzelfde opschrift.

Elk kansspel dat niet in die koninklijke besluiten wordt vermeld, is een verboden kansspel in de zin van de artikelen 4, 7 en 8 van de Wet Kansspelen.

B.3. De artikelen 91 en 92 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (hierna : WIGB) bestraffen het opstellen van een verboden kansspel middels een aanslag van ambtswege. Vooraleer zij werden gewijzigd bij de artikelen 134 en 135 van de wet van 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen (III), luidden die artikelen als volgt : «

Art. 91.De bepalingen van titel IV, met uitzondering van de artikelen 76, 80, § 2, 87, 88 en 93 zijn niet van toepassing op de automatische kansspeltoestellen waarvan de exploitatie is verboden krachtens artikel 1 van de wet van 24 oktober 1902 betreffende het spel, aangevuld bij de wet van 19 april 1963 en bij artikel 1 van de wet van 22 november 1974.

Art. 92.Het opstellen van een in artikel 91 bedoeld toestel opgesteld in de bij artikel 76, § 1, omschreven plaatsen, geeft aanleiding tot een aanslag van ambtswege van 5 000 EUR ten name van de eigenaar van het toestel of, indien de eigenaar niet gekend is, ten name van de persoon die toestemming verleende om het toestel in de gezegde plaatsen op te stellen.

De eigenaar alsmede de persoon die toestemde in de opstelling van het toestel zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de aldus gevestigde belasting en van de bijhorigheden.

De ambtshalve gevestigde belasting is onmiddellijk te betalen. Zij kan worden gevestigd in een termijn van drie jaar vanaf 1 januari van het aanslagjaar waarvoor zij verschuldigd is ».

B.4.1. Na de vervanging van de oude wet betreffende het spel door de Wet Kansspelen, bleef in artikel 91 van het WIGB de verwijzing naar artikel 1 van de oude wet betreffende het spel behouden.

B.4.2. Artikel 134 van de wet van 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen (III) had als doel de tekst van artikel 91 van het WIGB in overeenstemming te brengen met de nieuwe wetgeving op de kansspelen.

Die bepaling luidde als volgt : « In artikel 91 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen worden de woorden ' artikel 1 van de wet van 24 oktober 1902 betreffende het spel, aangevuld bij de wet van 19 april 1963 en bij artikel 1 van de wet van 22 november 1974 ' vervangen door de woorden ' de artikelen 4, 7 en 8 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers ' ».

B.4.3. Artikel 135 van de wet van 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen (III) bepaalde dat artikel 134 uitwerking heeft met ingang van 30 december 2000. De parlementaire voorbereiding verklaart die terugwerkende kracht door te verwijzen naar de datum van inwerkingtreding van de Wet Kansspelen (Parl. St., Kamer, 2006-2007, DOC 51-2760/001, p. 178).

B.5. De verzoekende partij diende een beroep tot vernietiging van die bepalingen in.

Bij zijn arrest nr. 124/2008 van 1 september 2008 vernietigde het Hof de artikelen 134 en 135 van de voormelde wet wegens schending van de bevoegdheidverdelende regels.

B.6. Bij artikel 21 van het Vlaamse decreet van 19 december 2008 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2009 werd artikel 91 van het WIGB hersteld in de redactie eraan gegeven door het vernietigde artikel 134 van de voormelde wet van 1 maart 2007. Op grond van artikel 96, tweede streepje, van hetzelfde decreet van 19 december 2008 - de thans bestreden bepaling - heeft artikel 21 uitwerking met ingang van 30 december 2000.

Ten gronde B.7. De verzoekende partij voert een schending aan, door artikel 96, tweede streepje, van het decreet van 19 december 2008, van de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

De bestreden bepaling zou het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schenden door aan artikel 21 van hetzelfde decreet, met ingang van 30 december 2000, terugwerkende kracht te verlenen. Zo zouden belastingplichtigen wier belastingsschuld betrekking had op de aanslagjaren 2000 tot 2007 en reeds definitief was ontstaan op het ogenblik van de inwerkingtreding van het decreet, gelijk worden behandeld ten opzichte van belastingplichtigen wier belastingsschuld betrekking had op het aanslagjaar 2008 en bijgevolg nog niet definitief was ontstaan op het ogenblik van de inwerkingtreding van het decreet, terwijl de beide categorieën van belastingplichtigen zich in een verschillende situatie zouden bevinden. Die terugwerkende kracht zou volgens de verzoekende partij het grondbeginsel van de rechtszekerheid schenden. Bovendien zou die terugwerkende kracht de afloop van de 57 door de verzoekende partij ingestelde betwistingen van de ambtshalve aanslagen ongunstig beïnvloeden en zouden de rechtscolleges worden verhinderd zich over een welbepaalde rechtsvraag in een welbepaalde zin uit te spreken.

B.8. Artikel 21 van het decreet van 19 december 2008 vervangt in artikel 91 van het WIGB de verwijzing naar artikel 1 van de oude wet betreffende het spel door een verwijzing naar de artikelen 4, 7 en 8 van de Wet Kansspelen, die aan de Koning opdragen om limitatief te bepalen welke kansspelen zijn toegelaten. Aldus past het voormelde artikel 21 de heffingsgrondslag van de in artikel 92 van het WIGB bedoelde heffing van ambtswege voor het opstellen van een verboden kansspel aan, aan de gewijzigde wetgeving inzake kansspelen.

B.9. De bestreden bepaling doet het voormelde artikel 21 retroactief in werking treden op 30 december 2000 en beïnvloedt aldus de 57 geschillen tussen de verzoekende partij en de fiscale administratie betreffende het aanslagjaar 2001, waarin de verzoekende partij telkens een aanslag van ambtswege wegens het opstellen van een verboden kansspel betwistte. In elk van die zaken argumenteerde de verzoekende partij dat er, gelet op het fiscaal wettigheidsbeginsel, voor het aanslagjaar 2001 geen verboden kansspelen konden zijn, omdat artikel 91 van het WIGB toen voor de definitie van een verboden kansspel naar een opgeheven wet verwees. De retroactieve aanpassing van artikel 91 van het WIGB heeft als gevolg dat dit argument achterhaald is, en grijpt bijgevolg rechtstreeks in in de 57 procedures waarin de verzoekende partij betrokken is.

B.10.1. De terugwerkende kracht van een wettelijke bepaling kan enkel worden verantwoord wanneer zij onontbeerlijk is voor de verwezenlijking van een doelstelling van algemeen belang.

Indien bovendien blijkt dat de terugwerkende kracht tot doel heeft de afloop van een of meer gerechtelijke procedures in een bepaalde zin te beïnvloeden of de rechtscolleges te verhinderen zich uit te spreken over een rechtsvraag, vergt de aard van het in het geding zijnde beginsel dat uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang een verantwoording bieden voor het optreden van de bevoegde wetgever, dat ten nadele van een categorie van burgers inbreuk maakt op de jurisdictionele waarborgen die aan allen worden geboden.

B.10.2. Aangezien de bestreden bepaling hangende rechtsgedingen beïnvloedt, moet het Hof onderzoeken of de terugwerkende kracht waarin die bepaling voorziet, is verantwoord door uitzonderlijke omstandigheden of dwingende motieven van algemeen belang.

B.11. In de parlementaire voorbereiding wordt uiteengezet : « Artikel 135 van de wet van 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen (III) bepaalt dat artikel 134 uitwerking heeft met ingang van 30 december 2000. De parlementaire voorbereiding verklaart die terugwerkende kracht door te verwijzen naar de datum van inwerkingtreding van de Wet Kansspelen (Parl. St. Kamer, 2006-2007, DOC 51-2760/001, p. 178).

Aangezien artikel 91 van het WIGB sinds 1 januari 1989 tot de bevoegdheden van de gewesten behoort en enkel de gewesten bevoegd zijn om in die bepaling legistieke correcties aan te brengen, alsook om de inwerkingtreding hiervan te bepalen, vernietigt het Grondwettelijk Hof de artikelen 134 en 135 van de wet van 1 maart 2007.

Door deze vernietiging bevat artikel 91 van het WIGB opnieuw de verwijzing naar artikel 1 van de opgeheven oude wet betreffende het spel. Tegelijkertijd vervalt hiermee de mogelijkheid om het opstellen van een verboden kansspel te bestraffen middels een aanslag van ambtswege.

De voorgestelde wijziging remedieert deze vernietiging door terug te verwijzen naar de nieuwe wet van 7 mei 1999 en komt tegemoet aan de bemerkingen van het Grondwettelijk Hof.

Dit artikel herneemt het doel van artikel 134 van de wet van 1 maart 2007 houdende diverse bepalingen (III).

Hierdoor wordt artikel 91 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (WIGB) in overeenstemming gebracht met de nieuwe wetgeving op de kansspelen (wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, B.S. 30 december 1999).

De datum van inwerkingtreding, op 30 december 2000, stemt overeen met de datum van inwerkingtreding van de artikelen 4, 7 en 8 van de voormelde wet overeenkomstig artikel 9 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de werking en het beheer van de kansspelinrichtingen klasse III, de wijze van aanvraag en de vorm van de vergunning klasse C » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 1894/1, pp. 6-7; zie ook : ibid., nr. 1894/6, pp. 5-6).

B.12. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de decreetgever, door het voormelde artikel 21 aan te nemen, beoogde een bevoegdheidsoverschrijding te verhelpen die door de federale wetgever werd begaan, en die het Hof in zijn arrest nr. 124/2008 van 1 september 2008 heeft vastgesteld. Ten gevolge van de vernietiging die in dat arrest werd uitgesproken, bevatte artikel 91 van het WIGB opnieuw de verwijzing naar de opgeheven wet van 24 oktober 1902, in plaats van de Wet Kansspelen van 7 mei 1999. Om die situatie te verhelpen, heeft de decreetgever de datum van uitwerking van het voormelde artikel 21 op 30 december 2000 vastgesteld, datum die overeenstemt met de datum van inwerkingtreding van die wet.

De bestreden maatregel doet evenmin rechtsonzekerheid ontstaan en past eveneens in het kader van de zorg voor een coherente regelgeving.

B.13. Om die redenen wordt de terugwerkende kracht waarin de bestreden bepaling voorziet, door dwingende motieven van algemeen belang verantwoord.

De toetsing aan artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, gesteld dat het van toepassing zou zijn, leidt niet tot een andere conclusie.

B.14. Het middel is niet gegrond.

Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep.

Aldus uitgesproken in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 4 februari 2010.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter, M. Bossuyt.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^