Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 01 juni 2016

Uittreksel uit arrest nr. 45/2016 van 17 maart 2016 Rolnummer : 6273 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 62, achtste lid, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de recht(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2016202035
pub.
01/06/2016
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

Uittreksel uit arrest nr. 45/2016 van 17 maart 2016 Rolnummer : 6273 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 62, achtste lid, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968, gesteld door de Politierechtbank te Brussel.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de rechters J.-P. Snappe, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 16 september 2013 in zake het openbaar ministerie tegen Christophe Briand, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 30 oktober 2015, heeft de Politierechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 62, § 8 [lees : achtste lid], van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, in zoverre het bepaalt dat het afschrift van de processen-verbaal binnen een termijn van veertien dagen ' aan de overtreders ' en niet ' aan de overtreders en/of aan de houders van de nummerplaat ' moet worden toegezonden, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wanneer het in die zin wordt geïnterpreteerd dat enkel de processen-verbaal waarvan een afschrift binnen de termijn van veertien dagen vanaf de datum van de vaststelling van het misdrijf werd verstuurd naar de overtreder, zoals een natuurlijke persoon die houder is van de nummerplaat (en die zodoende wordt vermoed de ' overtreder ' te zijn aangezien hij krachtens artikel 67bis van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer wordt vermoed de overtreding te hebben begaan) of elke persoon van wie zou worden bevestigd dat hij de overtreder is, de in artikel 62, tweede lid, van de genoemde wet bedoelde bijzondere bewijswaarde hebben, terwijl de processen-verbaal waarvan een afschrift werd verstuurd naar een rechtspersoon die houder is van de nummerplaat, ten aanzien van wie er geen vermoeden van schuld bestaat, die bijzondere bewijswaarde niet zouden hebben ? ».

Op 19 november 2015 hebben de rechters-verslaggevers T. Giet en R. Leysen, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. (...) III. In rechte (...) B.1. Het Hof wordt verzocht zich uit te spreken over de bestaanbaarheid, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 62, achtste lid, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968.

B.2. Zoals het van toepassing is op het voor de verwijzende rechter hangende geschil, bepaalt artikel 62 van de voormelde wetten : « De overheidspersonen die door de Koning worden aangewezen om toezicht te houden op de naleving van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, stellen de overtredingen vast door processen-verbaal die bewijskracht hebben zolang het tegendeel niet is bewezen.

De vaststellingen gesteund op materiële bewijsmiddelen die door bemande automatisch werkende toestellen worden opgeleverd, hebben bewijskracht zolang het tegendeel niet is bewezen, wanneer het gaat om overtredingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten.

De vaststellingen gesteund op materiële bewijsmiddelen die door onbemande automatisch werkende toestellen worden opgeleverd, hebben bewijskracht zolang het tegendeel niet bewezen is, wanneer het gaat om overtredingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten vermeld in een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. Wanneer een overtreding werd vastgesteld door onbemande automatisch werkende toestellen, wordt er melding van gemaakt in het proces-verbaal.

De automatisch werkende toestellen, gebruikt om toezicht te houden op de naleving van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, moeten goedgekeurd of gehomologeerd worden, op kosten van de fabrikanten, invoerders of verdelers die de goedkeuring of homologatie aanvragen, overeenkomstig de bepalingen vastgesteld door een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, waarin bovendien bijzondere gebruiksmodaliteiten van deze toestellen kunnen worden vastgesteld.

De Koning kan, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de bijzondere voorwaarden voor het gebruik, de raadpleging en de bewaring van de gegevens die door deze toestellen worden opgeleverd, vaststellen. Wanneer de Commissie geen advies heeft uitgebracht binnen de haar wettelijk voorgeschreven termijnen, wordt zij geacht akkoord te gaan.

Onverminderd de bepalingen van artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering, mogen de toestellen en de inlichtingen die deze toestellen verstrekken, slechts worden gebruikt voor gerechtelijke doeleinden in verband met de bestraffing van de overtredingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, begaan op de openbare weg, alsook met het oog op de regeling van het wegverkeer.

Wanneer de toestellen bestemd zijn om te worden gebruikt als vaste uitrusting op de openbare weg, in afwezigheid van een bevoegd persoon, worden de plaatsing en de gebruiksomstandigheden bepaald tijdens overleg, georganiseerd door de bevoegde gerechtelijke, politionele en administratieve overheden, waaronder de wegbeheerders. De Koning bepaalt de bijzondere modaliteiten van dit overleg. De plaatsing op de openbare weg van vaste uitrustingen voor onbemand automatisch werkende toestellen, wordt uitgevoerd met instemming van de wegbeheerder.

Een afschrift van die processen-verbaal wordt aan de overtreders gezonden binnen een termijn van veertien dagen, te rekenen van de datum van vaststelling van de misdrijven. [...] ».

B.3. De verwijzende rechter vraagt het Hof of het in het geding zijnde artikel 62, achtste lid, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het een discriminatie zou doen ontstaan tussen de overtreders die als natuurlijke persoon houder zijn van een nummerplaat en de overtreders die rijden met een voertuig dat op naam van een rechtspersoon is ingeschreven. Enkel de processen-verbaal waarvan het afschrift binnen een termijn van veertien dagen vanaf de vaststelling van het misdrijf werd verstuurd naar de eerste categorie of naar elke persoon van wie zou worden bevestigd dat hij de overtreder is, zouden de bijzondere bewijswaarde hebben die het tweede lid van dezelfde bepaling eraan verleent, terwijl een dergelijk gevolg niet zou worden toegekend aan de processen-verbaal waarvan het afschrift naar de tweede categorie werd verstuurd.

B.4. Bij zijn arrest nr. 178/2013 van 19 december 2013, waarnaar de arresten nrs. 49/2014 van 20 maart 2014 en 123/2014 van 19 september 2014 verwijzen, heeft het Hof geoordeeld : « B.3. Zoals de Ministerraad opmerkt, dient het voormelde artikel 62 te worden gelezen in het licht van de artikelen 67bis en 67ter van dezelfde gecoördineerde wetten, die bepalen : '

Art. 67bis.Wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een motorvoertuig, ingeschreven op naam van een natuurlijke persoon, en de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet geïdentificeerd werd, wordt vermoed dat deze is begaan door de titularis van de nummerplaat van het voertuig. Het vermoeden van schuld kan worden weerlegd met elk middel.

Art. 67ter.Wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een motorvoertuig, ingeschreven op naam van een rechtspersoon, zijn de natuurlijke personen die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigen ertoe gehouden de identiteit van de bestuurder op het ogenblik van de feiten mee te delen of, indien zij die niet kennen, de identiteit van de persoon die het voertuig onder zich heeft.

De mededeling moet gebeuren binnen een termijn van 15 dagen te rekenen vanaf de datum waarop de vraag om inlichtingen gevoegd bij het afschrift van het proces-verbaal werd verstuurd.

Indien de persoon die het voertuig onder zich heeft niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten moet hij eveneens, op de wijze hierboven vermeld, de identiteit van de bestuurder meedelen.

De natuurlijke personen die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigen als titularis van de nummerplaat of als houder van het voertuig, zijn ertoe gehouden de nodige maatregelen te nemen om aan deze verplichting te voldoen '. [...] B.5.1. Artikel 62 van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer vindt zijn oorsprong in artikel 4 van de wet van 1 augustus 1899 houdende herziening der wetgeving en der reglementen op de politie van het vervoer (Belgisch Staatsblad, 25 augustus 1899), dat bepaalde : ' De ambtenaren en beambten der overheid, door de Regeering aangesteld om over de uitvoering dezer wet te waken, stellen de misdrijven tegen de wet en tegen de verordeningen vast door processen-verbaal, die volledig bewijs opleveren zoolang het tegendeel niet bewezen is.

Een afschrift van deze processen-verbaal wordt aan de overtreders gestuurd binnen de acht en veertig uren na de vaststelling der misdrijven. [...] '.

Het eerste lid van dat artikel 62 is vervangen bij artikel 8 van de wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/08/1996 pub. 08/06/2005 numac 2005015073 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Gabon tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Brussel op 14 januari 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 24/07/1997 numac 1996015142 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Kaïro op 3 januari 1991 type wet prom. 04/08/1996 pub. 21/10/1999 numac 1999015088 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende het kraamgeld, ondertekend te Brussel op 26 april 1993 sluiten ' betreffende de erkenning en het gebruik van bemande en onbemande automatisch werkende toestellen in het wegverkeer ' (Belgisch Staatsblad, 12 september 1996), in de huidige redactie ervan.

B.5.2. Door de wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/08/1996 pub. 08/06/2005 numac 2005015073 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Gabon tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Brussel op 14 januari 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 24/07/1997 numac 1996015142 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Kaïro op 3 januari 1991 type wet prom. 04/08/1996 pub. 21/10/1999 numac 1999015088 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende het kraamgeld, ondertekend te Brussel op 26 april 1993 sluiten aan te nemen, wou de wetgever maatregelen nemen met het oog op een actieve aanpak van de verkeersonveiligheid. Aldus wou hij, uit zorg voor preventie, het onbemand verbaliseren juridisch-technisch mogelijk maken aangezien de pakkans de bestuurders aanzet tot inachtneming van de verkeersregels.

Hij wou eveneens een controletechniek invoeren die minder inzet van menselijke middelen met zich meebrengt (Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 577/1, pp. 1 en 2, en nr. 577/7, p. 4). Het is eveneens met het oog op het vermijden van de toename van de betwistingen van vaststellingen ' in de vlucht ' en om te voorkomen dat een aantal zware overtreders aan elke sanctie kan ontsnappen, dat de wetgever artikel 67bis in dezelfde gecoördineerde wetten heeft ingevoegd, door te voorzien in een ' vermoeden van schuld ' ten laste van de houder van de nummerplaat van een motorvoertuig waarmee een overtreding is begaan, alsook in het in artikel 67ter van dezelfde wetten bedoelde mechanisme voor de rechtspersonen die houder zijn van de nummerplaat (Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 577/2, pp. 9 en 10).

B.6. De termijn waarbinnen het afschrift van de processen-verbaal aan de overtreders moet worden toegezonden, werd bij artikel 29 van de wet van 7 februari 2003Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/02/2003 pub. 25/02/2003 numac 2003014044 bron federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer Wet houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid sluiten houdende verschillende bepalingen inzake verkeersveiligheid (Belgisch Staatsblad, 25 februari 2003) op veertien dagen gebracht ' omdat er verschillende partijen betrokken zijn bij de procedure ', waarbij een kortere termijn moeilijk na te leven leek (Parl. St., Kamer, 2001-2002, DOC 50-1915/001, p. 16).

B.7. Het bij artikel 67bis van de gecoördineerde wetten betreffende de politie over het wegverkeer ingevoerde vermoeden van schuld wijkt af van het beginsel volgens hetwelk de bewijslast op de vervolgende partij weegt. Die afwijking is echter verantwoord, in het licht van het in B.5.2 beschreven doel dat door de wetgever is nagestreefd, door de onmogelijkheid om, in een aangelegenheid waarin er talloze en vaak slechts vluchtig vast te stellen overtredingen zijn, de identiteit van de dader anders en met zekerheid vast te stellen. Dat vermoeden kan bovendien worden weerlegd aangezien het bewijs van het tegendeel met elk rechtsmiddel mogelijk is. Bij zijn arrest nr. 27/2000 van 21 maart 2000 heeft het Hof geoordeeld dat een dergelijk vermoeden geen inbreuk maakt op het vermoeden van onschuld dat onder meer is gewaarborgd door artikel 6.2 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.8. De bijzondere wettelijke bewijswaarde die bij het in het geding zijnde artikel 62 wordt verleend aan de processen-verbaal waarvan het afschrift aan de overtreder moet worden toegezonden binnen de termijn waarin het voorziet, vormt een uitzondering op de algemene regel dat een proces-verbaal geldt als loutere inlichting, alsook op de regel van de vrije bewijslevering in strafzaken, waarbij de rechter, naar eigen overtuiging, de bewijswaarde van een bepaald element beoordeelt.

Die processen-verbaal hebben dan ook tot gevolg dat de beklaagde in een situatie wordt gebracht die verschilt van die welke de regel is in het strafprocesrecht.

Een dergelijke maatregel wordt verantwoord door de moeilijke bewijsbaarheid van het begaan van overtredingen die, zoals het Hof in B.7 heeft aangegeven, vaak slechts vluchtig vast te stellen zijn en waarvan de vaststelling wordt bemoeilijkt door de mobiliteit van het voertuig. De in het achtste lid van de in het geding zijnde bepaling vastgelegde termijn van veertien dagen maakt het de overtreder mogelijk het tegenbewijs te leveren, waarbij dat bewijs kan worden geleverd door alle wettelijke bewijsmiddelen die door de rechter worden beoordeeld. Indien aldus het bewijs wordt geleverd dat de natuurlijke persoon die houder is van de nummerplaat, niet de dader van het misdrijf is, zal het proces-verbaal de bewijswaarde verliezen die artikel 62, tweede lid, van de gecoördineerde wetten eraan geeft om enkel als inlichting door de rechter te worden beoordeeld.

B.9. De kenmerken zelf van de rechtspersoon staan eraan in de weg dat een vermoeden van schuld wordt ingesteld zoals datgene dat bij artikel 67bis van de gecoördineerde wetten betreffende de politie over het wegverkeer is ingevoerd. Het is overigens om reden van de onmogelijkheid om een rechtstreeks verband vast te stellen tussen het voertuig waarmee de overtreding is begaan, wanneer dat voertuig is ingeschreven op naam van een rechtspersoon, en de dader van de overtreding dat de wetgever in artikel 67ter van de gecoördineerde wetten heeft voorzien in de verplichting om de identiteit mee te delen van de bestuurder of van de persoon die het voertuig onder zich heeft op het ogenblik van de overtreding, op straffe van sanctie.

Zoals het Hof eveneens bij zijn arrest nr. 5/2007 van 11 januari 2007 heeft geoordeeld, heeft de ontstentenis van een wettelijk vermoeden van toerekenbaarheid in artikel 67ter niet tot gevolg dat wordt verhinderd dat de verkeersovertredingen ten laste worden gelegd van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon, aangezien die tenlastelegging dient te gebeuren door de rechter volgens de regels van het gemeen recht.

B.10. Aangezien verschillende regels van toerekenbaarheid van verkeersovertredingen moeten gelden ten aanzien van rechtspersonen, in zoverre het onmogelijk is een rechtstreeks verband te leggen tussen het voertuig waarmee ze zijn begaan en de dader ervan, is het redelijk verantwoord dat het proces-verbaal dat met toepassing van artikel 67ter aan die dader wordt toegezonden via de rechtspersoon die houder is van de nummerplaat, te zijnen aanzien niet de bewijswaarde heeft die wordt toegekend aan de processen-verbaal die zijn toegezonden aan de natuurlijke persoon, dader van het misdrijf dat is gepleegd met een voertuig waarvan hij de houder van de nummerplaat is.

Voor het overige bevindt de overtreder die rijdt met een voertuig dat op naam van een rechtspersoon is ingeschreven en aan wie een dergelijk proces-verbaal wordt toegezonden, zich in een situatie die identiek is aan die van de overtreder die een verkeersovertreding heeft begaan met een voertuig waarvan de houder van de nummerplaat een andere natuurlijke persoon dan de dader van het misdrijf is. In beide gevallen gelden de processen-verbaal waarbij de gepleegde misdrijven worden vastgesteld, wat hen betreft, immers als gewone inlichtingen.

B.11. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord ».

B.5. Om dezelfde redenen dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 62, achtste lid, van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 16 maart 1968, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, op 17 maart 2016.

De griffier, De voorzitter, P.-Y. Dutilleux J. Spreutels

^