Arrest Uittreksel
gepubliceerd op 08 november 2019
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Uittreksel uit arrest nr. 43/2019 van 14 maart 2019 Rolnummer 6803 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 53quinquies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, gesteld door de Nederlandstalige Rechtbank van ee Het Grond

bron
grondwettelijk hof
numac
2019204820
pub.
08/11/2019
prom.
--
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

Numac : 2019204820

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 43/2019 van 14 maart 2019 Rolnummer 6803 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 53quinquies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, gesteld door de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet, J. Moerman en M. Pâques, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 16 oktober 2017 in zake de Orde van Vlaamse balies en anderen tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 27 december 2017, heeft de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schendt artikel 53quinquies W.BTW het artikel 22 van de gecoördineerde Grondwet, afzonderlijk of in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, doordat de advocaten in het kader van de indiening van een BTW-listing gegevens dienen mede te delen die onder het beroepsgeheim vallen ? 2. Schendt artikel 53quinquies W.BTW de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, afzonderlijk of in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, doordat de advocaten op een identieke wijze worden behandeld als de BTW-belastingplichtigen die geen advocaat zijn, terwijl advocaten gebonden zijn door het beroepsgeheim dat beschermd wordt door de artikelen 6 en 8 E.V.R.M. ? ». (...) III. In rechte (...) Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.1.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op artikel 53quinquies van het BTW-Wetboek, dat bepaalt : « De belastingplichtigen die overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 1°, met uitsluiting van de BTW-eenheden in de zin van artikel 4, § 2, artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd, de leden van een BTW-eenheid bedoeld in artikel 50, § 1, eerste lid, 6°, de niet in België gevestigde belastingplichtigen die voor de handelingen die zij hier te lande verrichten zijn vertegenwoordigd door een vooraf erkende persoon, overeenkomstig artikel 55, § 3, tweede lid, en de andere niet in België gevestigde belastingplichtigen bedoeld in artikel 50, § 3, zijn gehouden jaarlijks voor elk lid van een BTW-eenheid en voor iedere belastingplichtige die voor BTW-doeleinden moet geïdentificeerd zijn, behalve voor degenen die uitsluitend handelingen verrichten die krachtens artikel 44 van de belasting zijn vrijgesteld, en waaraan zij goederen hebben geleverd of diensten hebben verstrekt in de loop van het vorige jaar, de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde in kennis te stellen van het totale bedrag van die handelingen alsmede van het totale bedrag van de in rekening gebrachte belasting.

De leden van een BTW-eenheid in de zin van artikel 4, § 2, die overeenkomstig artikel 50, § 1, eerste lid, 1°, voor BTW-doeleinden is geïdentificeerd, zijn bovendien gehouden jaarlijks de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde in kennis te stellen van het totale bedrag van de in de loop van het vorige jaar voor elk van de andere leden van die BTW-eenheid verrichte handelingen.

De belastingplichtige op wie de in artikel 56bis bedoelde regeling van toepassing is en die geen enkele van de in het eerste lid bedoelde handelingen verricht, is niet gehouden de voornoemde administratie hiervan in kennis te stellen ».

B.1.2. Artikel 60 van de wet van 30 juli 2013Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/07/2013 pub. 01/08/2013 numac 2013204390 bron federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister federale overheidsdienst binnenlandse zaken, federale overheidsdienst sociale zekerheid, federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie, federale overheidsdienst justitie, federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg en federale overheidsdienst financien Wet houdende diverse bepalingen type wet prom. 30/07/2013 pub. 30/08/2013 numac 2013011419 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Wet tot versterking van de bescherming van de afnemers van financiële producten en diensten alsook van de bevoegdheden van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten en houdende diverse bepalingen (1) sluiten houdende diverse bepalingen heeft artikel 44, § 1, 1°, van het BTW-Wetboek vanaf 1 januari 2014 opgeheven, waardoor de diensten verricht door advocaten in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid niet meer vrijgesteld zijn van btw.

De regeling voor de voldoening van de btw is sedertdien van toepassing op advocaten. Krachtens de in het geding zijnde bepaling worden advocaten verplicht jaarlijks een lijst, met bepaalde informatie over de btw-plichtige cliënten aan wie zij diensten hebben verstrekt, door te geven aan de fiscale administratie.

B.1.3. Krachtens artikel 53quinquies van het BTW-Wetboek moeten de belastingplichtigen jaarlijks voor elk lid van een btw-eenheid en voor iedere belastingplichtige die voor btw-doeleinden moet worden geïdentificeerd, en waaraan zij goederen hebben geleverd of diensten hebben verstrekt in de loop van het vorige jaar, de btw-administratie in kennis stellen van het totale bedrag van die handelingen alsmede van het totale bedrag van de in rekening gebrachte belasting.

Alle belastingplichtigen en leden van een btw-eenheid dienen de jaarlijkse opgave van hun belastingplichtige afnemers op te maken, met uitzondering van de belastingplichtigen die uitsluitend handelingen verrichten die krachtens artikel 44 van het BTW-Wetboek van de btw zijn vrijgesteld zonder enig recht op aftrek te doen ontstaan.

De jaarlijkse opgave moet alle afnemers in België vermelden, die krachtens artikel 50 van het BTW-Wetboek voor btw-doeleinden geïdentificeerd zijn, behalve diegenen die, ingevolge artikel 44 van het BTW-Wetboek, uitsluitend van de belasting vrijgestelde handelingen verrichten.

In de opgave van de belastingplichtige afnemers worden in principe alle leveringen van goederen en diensten voor een bedrag van meer dan 250 euro (exclusief btw) opgenomen, die tijdens het voorbije jaar, aan belastingplichtigen of aan leden van een btw-eenheid werden verstrekt en waarvoor de aangever aan zijn afnemer een factuur of het stuk bedoeld in artikel 53, § 3, van het BTW-Wetboek heeft moeten uitreiken.

De jaarlijkse opgave moet het btw-identificatienummer of, voor de leden van een btw-eenheid, het sub-btw-identificatienummer dat hen werd toegekend, bevatten. Tevens dient het totaalbedrag, exclusief btw, van de aan de afnemer geleverde goederen en de verstrekte diensten te worden vermeld, alsook het totaalbedrag van de aan de afnemer in rekening gebrachte belasting.

B.2. De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of artikel 53quinquies van het BTW-Wetboek bestaanbaar is met artikel 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het de advocaten verplicht aan de fiscale administratie bepaalde gegevens door te geven die door het beroepsgeheim zouden zijn beschermd (eerste prejudiciële vraag).

Daarnaast wenst de verwijzende rechter van het Hof te vernemen of artikel 53quinquies van het BTW-Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het de advocaten die gebonden zijn door het beroepsgeheim en de btw-belastingplichtigen die geen advocaat zijn, op dezelfde wijze behandelt (tweede prejudiciële vraag).

Wat betreft de bescherming van het beroepsgeheim B.3.1. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.

De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ».

B.3.2. Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privéleven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2).

De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen.

B.3.3. Artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Het vonnis moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd gedurende het gehele proces of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of 's lands veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van partijen bij het proces dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden ».

Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens beschermt het recht op een eerlijk proces en biedt daarmee ook de wettelijke grondslag voor het beroepsgeheim van advocaten in het bijzonder.

B.4.1. Het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals gewaarborgd in de voormelde grondwets- en verdragsbepalingen, heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven.

Dat recht heeft een ruime draagwijdte en omvat, onder meer, de bescherming van persoonsgegevens en van persoonlijke informatie. De rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens doet ervan blijken dat, onder meer, de volgende gegevens en informatie betreffende personen vallen onder de bescherming van dat recht : de naam, het adres, de professionele activiteiten, de persoonlijke relaties, digitale vingerafdrukken, camerabeelden, foto's, communicatiegegevens, DNA-gegevens, gerechtelijke gegevens (veroordeling of verdenking), financiële gegevens en informatie over bezittingen (zie onder meer EHRM, 26 maart 1987, Leander t. Zweden, § § 47-48; grote kamer, 4 december 2008, S. en Marper t. Verenigd Koninkrijk, § § 66-68; 17 december 2009, B.B. t. Frankrijk, § 57; 10 februari 2011, Dimitrov-Kazakov t. Bulgarije, § § 29-31; 18 oktober 2011, Khelili t. Zwitserland, § § 55-57; 18 april 2013, M.K. t.

Frankrijk, § 26; 18 september 2014, Brunet t. Frankrijk, § 31).

B.4.2. Daarnaast beschermt artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens het beroepsgeheim van advocaten. Zo oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens : « 35. Door het recht van ' eenieder ' op eerbiediging van zijn ' briefwisseling ' vast te leggen, beschermt artikel 8 van het Verdrag de vertrouwelijkheid van de communicatie, ongeacht de inhoud van de briefwisseling waarvan sprake en ongeacht de vorm die zij aanneemt (Michaud t. Frankrijk, reeds aangehaald, § 90, Frérot, reeds aangehaald, § 53). Het is dus de vertrouwelijkheid van alle uitwisselingen die individuen met het oog op communicatie kunnen verrichten die wordt gewaarborgd door artikel 8, ook wanneer de verzender of de ontvanger een gedetineerde is (Silver en anderen t.

Verenigd Koninkrijk, 25 maart 1983, § 84, reeks A nr. 61, Mehmet Nuri Özen en anderen t. Turkije, nrs. 15672/08 en 10 andere, § 41, 11 januari 2011, en Yefimenko t. Rusland, nr. 152/04, § 144, 12 februari 2013). [...] 44. [...] Toch genieten de uitwisselingen tussen een advocaat en zijn gedetineerde cliënt een bevoorrecht statuut krachtens artikel 8. [...] 45. Het begrip ' noodzaak ', in de zin van artikel 8 van het Verdrag, houdt het bestaan in van een dwingende maatschappelijke behoefte en, in het bijzonder, de evenredigheid van de inmenging met het nagestreefde legitieme doel (zie, onder meer, Campbell, reeds aangehaald, § 44) » (EHRM, 24 mei 2018, Laurent t.Frankrijk).

B.5. De rechten die bij artikel 22 van de Grondwet en bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens worden gewaarborgd, zijn evenwel niet absoluut. Zij sluiten een overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven niet uit, maar vereisen dat zij wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij beantwoordt aan een dwingende maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving en dat zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling. Die bepalingen houden voor de overheid bovendien de positieve verplichting in om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven verzekeren, zelfs in de sfeer van de onderlinge verhoudingen tussen individuen (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e.a. t.

Nederland, § 31; grote kamer, 12 november 2013, Söderman t. Zweden, § 78).

B.6. Zoals de verwijzende rechter stelt, wordt de informatie die advocaten over hun btw-plichtige cliënten aan de fiscale administratie moeten doorgeven, door het beroepsgeheim beschermd. Het loutere feit een beroep te hebben gedaan op een advocaat, valt immers onder de bescherming van het beroepsgeheim. Hetzelfde geldt a fortiori voor de identiteit van de cliënten van een advocaat.

B.7.1. De effectiviteit van de rechten van de verdediging van iedere rechtzoekende veronderstelt noodzakelijkerwijs dat een vertrouwensrelatie tot stand kan komen tussen hem en de advocaat die hem raad geeft en hem verdedigt. Die noodzakelijke vertrouwensrelatie kan alleen tot stand komen en behouden blijven indien de rechtzoekende de waarborg heeft dat wat hij aan zijn advocaat toevertrouwt, door die laatstgenoemde niet openbaar zal worden gemaakt.

B.7.2. Weliswaar moet de regel van het beroepsgeheim wijken wanneer dat noodzakelijk blijkt of wanneer een hoger geachte waarde ermee in conflict treedt. De opheffing van het beroepsgeheim van de advocaat moet evenwel, om met de fundamentele beginselen van de Belgische rechtsorde verenigbaar te zijn, door een dwingende reden worden verantwoord en strikt evenredig zijn.

B.7.3. De grondwettigheid van de in het geding zijnde bepaling dient derhalve te worden beoordeeld rekening houdend met het feit dat het beroepsgeheim van de advocaat een algemeen beginsel is dat verband houdt met de naleving van de fundamentele rechten. Aldus kunnen de regels die van dat geheim afwijken slechts strikt worden geïnterpreteerd, rekening houdend met de wijze waarop het beroep van advocaat in de interne rechtsorde is geregeld. De regel van het beroepsgeheim moet enkel wijken indien zulks kan worden verantwoord door een dwingende reden van algemeen belang en indien de opheffing van het geheim strikt evenredig is gezien dat doel.

Bovendien heeft de geheimhoudingsplicht, die door de wetgever aan de houder van het beroepsgeheim is opgelegd, hoofdzakelijk tot doel het fundamentele recht op eerbiediging van het privéleven te beschermen van diegene die iemand in vertrouwen neemt.

B.8. Overeenkomstig de parlementaire voorbereiding van de wet van 3 juli 1969Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1969 pub. 02/05/2013 numac 2013000278 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde type wet prom. 03/07/1969 pub. 11/04/2016 numac 2016000216 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, is de verplichting om een btw-listing in te dienen, ingegeven door de bedoeling « om de heffing van de belasting te verzekeren » (Parl. St., Kamer, B.Z. 1968, nr. 88/1, p. 47).

Het is « een onontbeerlijk middel [...] in de strijd tegen de belastingontduiking » (Parl. St., Senaat, 1968-1969, nr. 455, p. 170), hetgeen een gewettigde doelstelling van algemeen belang is.

B.9.1. De advocaat is enkel ertoe gehouden in de btw-listing zijn cliënten op te nemen die een Belgisch btw-identificatienummer hebben of moeten hebben, en met wie hij handelingen heeft verricht voor een totaalbedrag (exclusief btw) van meer dan 250 euro, met uitzondering van de belastingplichtige cliënten die uitsluitend handelingen verrichten die, krachtens artikel 44 van het BTW-Wetboek, van de belasting zijn vrijgesteld maar die evenwel over een BE-nummer beschikken. Wanneer de advocaat nalaat bepaalde cliënten op te nemen, heeft dit niet tot gevolg dat die cliënten hun recht op aftrek van de btw wordt ontnomen. Het bestaan van een recht op aftrek is immers alleen afhankelijk van de hoedanigheid waarin de desbetreffende persoon op dat tijdstip handelt. De belastingplichtige die goederen of diensten voor zijn belaste handelingen gebruikt, mag de voor die goederen of diensten verschuldigde of voldane btw aftrekken.

B.9.2. Daarnaast bepaalt artikel 93bis van het BTW-Wetboek dat de btw-ambtenaar verplicht is « tot de meest volstrekte geheimhouding aangaande alle zaken waarvan hij wegens de uitvoering van zijn opdracht kennis heeft ». Voormelde maatregel van het beroepsgeheim is een maatregel ter bescherming van het privéleven van de belastingplichtige, en houdt in dat gegevens betreffende de fiscale toestand van een belastingplichtige niet aan derden mogen worden openbaar gemaakt.

B.9.3. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de gegevens, opgenomen in de btw-listing, die de advocaat dient door te geven aan de btw-administratie, inherent verbonden zijn aan de vaststelling dat hij, sedert 1 januari 2014, btw-plichtig is. Die btw-listing heeft tot doel de invordering van de btw te verzekeren en belastingontduiking te vermijden.

Het is niet zonder redelijke verantwoording een advocaat te verplichten de, in de btw-listing vermelde, beperkte gegevens ter kennis te brengen van de btw-administratie, gelet op de in B.8 gestelde doelstelling van de wetgever.

Ten slotte verhindert de geheimhoudingsplicht die ten aanzien van de btw-administratie bestaat (artikel 93bis van het BTW-Wetboek) dat de administratie die informatie doorgeeft aan derden, hetgeen een bijkomende waarborg op bescherming van het privéleven van de btw-plichtige cliënten is.

B.9.4. De in geding zijnde bepaling is niet onbestaanbaar met het beginsel van het beroepsgeheim van de advocaat.

De omstandigheid dat de btw mede wordt beheerst door het recht van de Europese Unie, leidt niet tot een ander besluit, nu de artikelen 7 en 47, tweede alinea, voor wat de waarborgen in die laatste bepaling betreft, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, overeenkomstig artikel 52, lid 3, van dat Handvest, in de zin van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens moeten worden uitgelegd.

B.10. De eerste prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Wat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie betreft B.11. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen, die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.

Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.

B.12. Zoals blijkt uit de in B.8 vermelde parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling had de wetgever de bedoeling de invordering van de btw te verzekeren en belastingontduiking te vermijden. De verplichting tot het indienen van een btw-listing geldt voor alle belastingplichtigen, ongeacht de al dan niet toepassing van een beroepsgeheim op een bepaalde categorie van belastingplichtigen.

B.13. De vaststelling in B.9.4 dat het jaarlijks doorgeven van een btw-listing niet onbestaanbaar is met het beroepsgeheim van de advocaat en dat de gegevens, opgenomen in de btw-listing, in se geen betrekking hebben op activiteiten die de kern uitmaken van de opdracht van de advocaat, aangezien ze geen betrekking hebben op vertrouwelijke informatie die door een cliënt aan zijn advocaat wordt meegedeeld en mogelijk voor de cliënt incriminerend is, heeft tot gevolg dat de in het geding zijnde bepaling niet onbestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.14. De tweede prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 53quinquies van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde schendt niet de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, op 14 maart 2019.

De griffier, P.-Y. Dutilleux De voorzitter, A. Alen


begin


Publicatie : 2019-11-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^