Etaamb.openjustice.be
Arrest Van Het Grondwettelijk Hof
gepubliceerd op 15 april 1999

Arrest nr. 4/99 van 20 januari 1999 Rolnummers 1213 tot 1242, 1245 tot 1249 en 1289 In zake : de prejudiciële vragen betreffende : - de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 16 december 1996 « tot wijziging van de wet van 30 maar - de artikelen 11, 2°, en 12 van de wet van 13 juni 1997 « tot bekrachtiging van de koninklijke bes(...)

bron
arbitragehof
numac
1999021135
pub.
15/04/1999
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Arrest nr. 4/99 van 20 januari 1999 Rolnummers 1213 tot 1242, 1245 tot 1249 en 1289 In zake : de prejudiciële vragen betreffende : - de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 16 december 1996 « tot wijziging van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, met toepassing van de artikelen 15, 6°, en 49 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van de artikelen 2, § 1, en 3, § 1, 4°, en § 2, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie », - de artikelen 11, 2°, en 12 van de wet van 13 juni 1997 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, en [van] de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels », gesteld door de Arbeidsrechtbank te Doornik en de Arbeidsrechtbank te Brussel.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en L. De Grève, en de rechters L. François, P. Martens, J. Delruelle, H. Coremans en M. Bossuyt, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen a. Bij vonnissen van 18 november 1997 in zake diverse eisende partijen tegen de Rijksdienst voor Pensioenen, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 10 december 1997, heeft de Arbeidsrechtbank te Doornik de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Zijn artikel 2 van het koninklijk besluit van 16 december 1996 tot wijziging van de wet van 30 maart 1994 en de artikelen 11, 2°, en 12 van de wet van 13 juni 1997 tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wetten van 26 juli 1996 strijdig met de in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet verankerde beginselen, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, in zoverre zij de afhoudingen die van 1 januari 1995 tot 31 december 1996 zijn verricht met toepassing van artikel 68 van de wet van 30 maart 1994 en van het koninklijk besluit van 28 oktober 1994, geldig verklaren, terwijl er jurisdictionele beslissingen bestaan waarbij uitspraak is gedaan over de wettigheid van het koninklijk besluit van 28 oktober 1994 ? » Die zaken zijn ingeschreven onder de nummers 1213 tot 1242 en 1245 tot 1249 van de rol van het Hof. b. Bij vonnis van 26 januari 1998 in zake A.Maertens tegen de Rijksdienst voor Pensioenen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 februari 1998, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 11, 2°, en 12 van de wet van 13 juni 1997 en de artikelen 1 en 2 van het bijzonderemachtenbesluit van 16 december 1996 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang met de artikelen 6.1 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag ? » Die zaak is ingeschreven onder nummer 1289 van de rol van het Hof.

II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil In de zaken met rolnummers 1213 tot 1242 en 1245 tot 1249 De verzoekers vragen aan de Arbeidsrechtbank te Doornik dat voor recht wordt gezegd, enerzijds, dat de artikelen 11, 2°, en 12 van de wet van 13 juni 1997 en de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 16 december 1996 de artikelen 6.1 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag schenden en bijgevolg niet kunnen worden toegepast in die zaak krachtens artikel 159 van de Grondwet, om reden dat zij een onwettige inmenging vanwege de wetgever vormen in een aan de gang zijnde procedure en, anderzijds, dat het koninklijk besluit van 28 oktober 1994 onwettig is en niet kan worden toegepast krachtens artikel 159 van de Grondwet.

Zij vorderen tevens dat de Rijksdienst voor Pensioenen ertoe wordt veroordeeld hun het teveel te betalen van de afhoudingen die sinds de maand januari 1995 op hun wettelijk pensioen worden verricht krachtens de voormelde bepalingen, en vorderen, in ondergeschikte orde, dat aan het Hof zou worden gevraagd of de voormelde wetsbepalingen in overeenstemming zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, gelezen in samenhang met de voormelde bepalingen van internationaal recht.

De Rechtbank oordeelt dat het onderzoek van de bekritiseerde bepalingen van het koninklijk besluit van 16 december 1996 onlosmakelijk verbonden is met dat van de betrokken artikelen van de wet van 13 juni 1997 waarbij ze worden bekrachtigd en zou moeten worden verricht in het kader van een mogelijke verwijzing naar het Hof, aangezien een schending van de Grondwet wordt aangevoerd.

Zij weert de vraag of die bepalingen in overeenstemming zijn met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dat, volgens de eisers, zou zijn geschonden, in zoverre de krachtens de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 16 december 1996 en krachtens de wet van 13 juni 1997 verrichte afhoudingen rekening houden met kapitalen van groepsverzekeringen of pensioenfondsen die zijn betaald vóór de inwerkingtreding van de desbetreffende afhouding en in zoverre diezelfde bepalingen de eiser een aanspraak op terugbetaling ontzeggen. Volgens de Rechtbank maakt de aangevoerde bepaling het immers mogelijk dat de Staten wetten in werking stellen die bestemd zijn om de betaling van sociale bijdragen (zoals die welke het voorwerp uitmaakt van het geschil) te verzekeren en berust het door de eiser aangevoerde beginsel van niet-retroactiviteit op artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, dat de wetgever niet verbindt.

Zij gaat echter in op de vraag of dezelfde bepalingen in overeenstemming zijn met de artikelen 6.1 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en oordeelt daarbij, in verband met de in het geding zijnde afhouding, dat de privaatrechtelijke aspecten dominerend zijn doordat het recht op pensioen geënt is op de arbeidsovereenkomst en de aan de gepensioneerden opgelegde verplichting van persoonlijke en vermogensrechtelijke aard is en zulks zelfs indien de ten aanzien van het betrokken recht aangebrachte beperkingen hoofdzakelijk voortvloeien uit overwegingen van openbare orde.

De Rechtbank, die de chronologische volgorde opstelt van de wettelijke en verordenende bepalingen in verband met de solidariteitsbijdrage en de geschillen waartoe die bijdrage aanleiding heeft gegeven, stelt vast dat op het ogenblik waarop het ontwerp van wat het koninklijk besluit van 16 december 1996 zou worden, is voorgelegd aan de Raad van State, op 8 november 1996, er rechterlijke beslissingen bestonden waarbij uitspraak was gedaan over de problematiek die voortvloeit uit het koninklijk besluit van 28 oktober 1994 (eerste maatregel in verband met die bijdrage) en waarbij de Rijksdienst voor Pensioenen tot terugbetalingen was veroordeeld. De Rechtbank, die de draagwijdte van de bekritiseerde bepalingen analyseert, is van oordeel dat het koninklijk besluit van 16 december 1996 tot een dubbele operatie overgaat : enerzijds, vervangt artikel 1 ervan de bepalingen van artikel 68 van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen door de artikelen 68 tot 68quinquies van die wet, waarbij de bepalingen van het koninklijk besluit van 28 oktober 1994 in die nieuwe artikelen worden opgenomen; anderzijds, verklaart artikel 2 ervan, voor de periode van 11 augustus tot 31 december 1996, de afhoudingen geldig die werden uitgevoerd krachtens artikel 68 van de wet van 30 maart 1994, zoals het oorspronkelijk was gesteld, en krachtens het uitvoeringsbesluit van 28 oktober 1994, zulks in zoverre de bedragen van de afhoudingen in overeenstemming zijn met de bepalingen van artikel 1.

De wet van 13 juni 1997 heeft tevens een dubbele doelstelling : het bekrachtigen, met gevolg op de datum van de inwerkingtreding ervan - dit wil zeggen op 1 januari 1997 -, van het koninklijk besluit van 16 december 1996 (artikel 11), en het geldig verklaren van de afhoudingen die, met toepassing van het oorspronkelijke artikel 68 van de wet van 30 maart 1994 en van het koninklijk besluit van 28 oktober 1994, zijn verricht tussen 1 januari 1995 en 10 augustus 1996, zulks in zoverre de bedragen van de afhoudingen in overeenstemming zijn met de bepalingen van artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 december 1996 (artikel 12).

De Rechtbank is van oordeel dat, gelet op die omstandigheden, de vraag rijst of de geldigverklaringen verricht bij het koninklijk besluit van 16 december 1996 en de wet van 13 juni 1997 geen inmenging vormen in jurisdictionele procedures, met andere woorden of de genoemde geldigverklaringen in overeenstemming zijn met de beginselen verankerd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6.1 en 14 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Zij heeft bijgevolg aan het Hof de hiervoor weergegeven vraag gesteld.

In de zaak met rolnummer 1289 De eiser voor de Arbeidsrechtbank heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij de bedoeling had voor het Hof een beroep tot vernietiging in te stellen van de artikelen 11, 2°, en 12 van de voormelde wet van 13 juni 1997. De Rechtbank heeft ingestemd met de suggestie van de partijen om eveneens een prejudiciële vraag te stellen, die aan het Hof is gericht in de hiervoor weergegeven bewoordingen.

III. De rechtspleging voor het Hof a) In de zaken met rolnummers 1213 tot 1242 en 1245 tot 1249 Bij beschikkingen van 10, 11 en 12 december 1997 heeft de voorzitter in functie de rechters van de zetels aangewezen overeenkomstig de artikelen 58 en 59 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. De rechters-verslaggevers hebben geoordeeld dat er geen aanleiding was om artikel 71 of 72 van de organieke wet toe te passen.

Bij beschikking van 17 december 1997 heeft het Hof de zaken samengevoegd.

Van de verwijzingsbeslissingen is kennisgegeven overeenkomstig artikel 77 van de organieke wet bij op 13 januari 1998 ter post aangetekende brieven; bij dezelfde brieven is kennisgegeven van de beschikking tot samenvoeging.

Het bij artikel 74 van de organieke wet voorgeschreven bericht is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 februari 1998.

Memories zijn ingediend door : - de Rijksdienst voor Pensioenen, waarvan de kantoren zijn gevestigd te 1060 Brussel, Zuidertoren, Baraplein, bij op 23 februari 1998 ter post aangetekende brief; - A. Brotcorne, wonende te 7600 Péruwelz, rue Basse-Watine 17, M. Buisseret, wonende te 7321 Blaton, rue de la Station 34, A. Burgraeve, wonende te 7866 Lessenbos, rue de la Loge 115, R. Buyse, wonende te 7860 Lessen, chemin d'Egmont 24 B, G. Carette, wonende te 7500 Doornik, chemin de la Ramée 7, M. Caroyez, wonende te 7800 Aat, rue aux Fleurs 74, J. Codron, wonende te 7973 Grandglise, rue du Fayt 131, R. Colpaert, wonende te 7530 Gaurain-Ramecroix, rue Louvière 55, C. Cuvelier, wonende te 7866 Lessenbos, rue du Bois 70, P. Dechanxhe, wonende te 7811 Arbre-Aat, rue de la Tannerie 27, G. Deroose, wonende te 7500 Doornik, rue du 24 août 211, J. Didier, wonende te 7500 Doornik, rue de la Culture 139, G. Duhoux, wonende te 7880 Vloesberg, rue Emmuez 1, A. Dupire, wonende te 7860 Lessen, rue des Moulins 20, R. Fourmanoit, wonende te 7866 Lessenbos, rue du Bois 9, D. Gielis, wonende te 7760 Velaines, rue Dalvourgue 4, G. Glorieux, wonende te 7500 Doornik, boulevard Bara 37, R. Gosselin, wonende te 7500 Doornik, avenue Résidence St Marcq 2, R. Isenguerre, wonende te 7500 Doornik, rue Guillaume Charlier 91, M. Jouret, wonende te 7800 Aat, avenue Léon Jouret 19, R. Lemaire, wonende te 7500 Doornik, avenue des Etats-Unis 20, J. Leulier, wonende te 7540 Kain, place 11, J.-P. Liégois, wonende te 7971 Basècles, rue des Préaux 79, J. Meunier-Dejehansart, wonende te 7860 Lessen, rue François Watterman 8, J. Paeme, wonende te 7800 Aat, rue Fernand Felu 35, M. Pierre, wonende te 7800 Aat, rue de l'Abbaye 184, R. Rau, wonende te 7636 Vaulx, rue des Abliaux 82ter, A. Renard, wonende te 7866 Woelingen, rue des Combattants 99, M. Scutenaire, wonende te 7860 Lessen, rue Louis Renoir Scaillet 5, E. Simon, wonende te 7603 Bon-Secours, rue de la Basilique 71, T. Snyers, wonende te 7864 Lessen (Twee Akren), Chevauchoires de Viane 102, J. Spitaels, wonende te 7800 Aat, boulevard de la Jonction 5, G. Tonneau, wonende te 7800 Aat, rue Fernand Felu 60, J. Truc, wonende te 7912 Dergneau, Pont de Pierre 10, en R. Vanderhoudelingen, wonende te 7601 Péruwelz, rue Neuve 14, bij op 25 februari 1998 ter post aangetekende brief; - de Ministerraad, Wetstraat 16, 1000 Brussel, bij op 2 maart 1998 ter post aangetekende brief.

Van die memories is kennisgegeven overeenkomstig artikel 89 van de organieke wet bij op 5 maart 1998 ter post aangetekende brieven.

Memories van antwoord zijn ingediend door : - de Rijksdienst voor Pensioenen, bij op 3 april 1998 ter post aangetekende brief; - A. Brotcorne en anderen, bij op 3 april 1998 ter post aangetekende brief; - de Ministerraad, bij op 3 april 1998 ter post aangetekende brief.

Bij beschikkingen van 27 mei 1998 en 26 november 1998 heeft het Hof de termijn waarbinnen het arrest moet worden gewezen, verlengd tot respectievelijk 10 december 1998 en 10 juni 1999. b) In de zaak met rolnummer 1289 Bij beschikking van 9 februari 1998 heeft de voorzitter in functie de rechters van de zetel aangewezen overeenkomstig de artikelen 58 en 59 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. De rechters-verslaggevers hebben geoordeeld dat er geen aanleiding was om artikel 71 of 72 van de organieke wet toe te passen.

Van de verwijzingsbeslissing is kennisgegeven overeenkomstig artikel 77 van de organieke wet bij op 20 februari 1998 ter post aangetekende brieven.

Het bij artikel 74 van de organieke wet voorgeschreven bericht is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 10 maart 1998.

Memories zijn ingediend door : - A. Maertens, wonende te 1160 Brussel, Invalidenlaan 185, bij op 3 april 1998 ter post aangetekende brief; - de Rijksdienst voor Pensioenen, bij op 3 april 1998 ter post aangetekende brief; - de Ministerraad, bij op 9 april 1998 ter post aangetekende brief.

Van die memories is kennisgegeven overeenkomstig artikel 89 van de organieke wet bij op 21 april 1998 ter post aangetekende brieven.

Memories van antwoord zijn ingediend door : - de Rijksdienst voor Pensioenen, bij op 18 mei 1998 ter post aangetekende brief; - de Ministerraad, bij op 20 mei 1998 ter post aangetekende brief; - A. Maertens, bij op 22 mei 1998 ter post aangetekende brief.

Bij beschikking van 30 juni 1998 heeft het Hof de termijn waarbinnen het arrest moet worden gewezen, verlengd tot 9 februari 1999. c) In alle zaken Bij beschikking van 15 juli 1998 heeft het Hof de zaak met rolnummer 1289 gevoegd bij de reeds samengevoegde zaken met rolnummers 1213 tot 1242 en 1245 tot 1249. Bij beschikking van 18 november 1998 heeft het Hof de zaken in gereedheid verklaard en de dag van de terechtzitting bepaald op 9 december 1998.

Van die beschikking is kennisgegeven aan de partijen en hun advocaten bij op 20 november 1998 ter post aangetekende brieven.

Bij beschikking van 26 november 1998 heeft het Hof de termijn waarbinnen het arrest moet worden gewezen, verlengd tot 10 juni 1999.

Op de openbare terechtzitting van 9 december 1998 : - zijn verschenen : . Mr. E. Kairis loco Mr. M. Vandemeulebroeke en Mr. J. Van Steenwinckel, advocaten bij de balie te Brussel, voor A. Brotcorne en anderen en A. Maertens; . Mr. E. Maron, advocaat bij de balie te Brussel, voor de Rijksdienst voor Pensioenen; . Mr. K. Winters loco Mr. J.-L. Jaspar, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers L. François en H. Coremans verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen.

De rechtspleging is gevoerd overeenkomstig de artikelen 62 en volgende van de organieke wet, die betrekking hebben op het gebruik van de talen voor het Hof.

IV. In rechte 1. De bepalingen waarop de prejudiciële vragen betrekking hebben zijn : - de artikelen 11, 2°, en 12 van de wet van 13 juni 1997 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, en [van] de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels », hierna genoemd « de wet van 13 juni 1997 »; - de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 16 december 1996 « tot wijziging van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, met toepassing van de artikelen 15, 6°, en 49 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van de artikelen 2, § 1, en 3, § 1, 4°, en § 2 van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie », hierna genoemd « het koninklijk besluit van 16 december 1996 ».

De artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 16 december 1996 zijn bekrachtigd bij artikel 11, 2°, van de wet van 13 juni 1997.

Wat betreft : 1°) artikel 2 van het koninklijk besluit van 16 december 1996; 2°) artikel 11, 2°, van de wet van 13 juni 1997 in zoverre het artikel 2 van het koninklijk besluit van 16 december 1996 bekrachtigt; 3°) artikel 12 van de wet van 13 juni 1997. 2.1. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 8 december 1997 ter post aangetekende brief, is een beroep tot vernietiging ingesteld tegen die bepalingen.

Overeenkomstig artikel 78 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, heeft het Hof eerst uitspraak gedaan over het beroep tot vernietiging. 2.2. Bij zijn arrest nr. 86/98 van 15 juli 1998 heeft het Hof die bepalingen vernietigd.

Wegens de terugwerkende kracht van de vernietigingsarresten, zijn de prejudiciële vragen gesteld in de zaken ingeschreven onder de nummers 1213 tot 1242 en 1245 tot 1249 van de rol van het Hof en, in zoverre zij betrekking heeft op de voormelde bepalingen, de prejudiciële vraag gesteld in de zaak ingeschreven onder nummer 1289 van de rol van het Hof zonder voorwerp geworden.

Wat betreft : 1°) artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 december 1996; 2°) artikel 11, 2°, van de wet van 13 juni 1997 in zoverre het artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 december 1996 bekrachtigt. 3.1. Het Hof stelt vast dat de verwijzende rechter, in de rechtspleging betreffende de prejudiciële vraag ingeschreven onder nummer 1289 van de rol van het Hof, niet aangeeft hoe die bepalingen strijdig zouden zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Uit de stukken van de rechtspleging in het bodemgeschil en uit de door de eiser ten gronde ingediende memories blijkt dat deze de in het geding zijnde bepalingen verwijt, enerzijds, dat ze het mogelijk maken dat in de berekeningsbasis van de solidariteitsbijdrage de vóór 1 januari 1995 betaalde kapitalen worden ingesloten waardoor aldus een discriminatie in het leven wordt geroepen - die voortvloeit uit de keuze van een verouderde schaal, leidende tot aanzienlijk overdreven fictieve renten in verhouding tot de werkelijke rente die de betrokkenen hadden kunnen genieten in plaats van een kapitaal - onder de begunstigden van voordelen geldend als aanvullend pensioen naargelang het genoemde voordeel is betaald in de vorm van een kapitaal of van een lijfrente, ten nadele van diegenen die het genoemde voordeel hebben geïnd in de vorm van een kapitaal en, anderzijds, dat die bepalingen op discriminerende wijze afbreuk doen aan het eigendomsrecht, gewaarborgd bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, doordat zij een afhouding opleggen bij de berekening waarvan rekening is gehouden met een fictieve rente die geacht wordt overeen te stemmen met een kapitaal van een groepsverzekering dat vóór 1 januari 1995 is uitbetaald. 3.2. Wat de begunstigden van kapitalen van groepsverzekeringen of pensioenfondsen die vóór 1 januari 1995 zijn uitbetaald betreft, merkt het Hof op : a) dat de solidariteitsafhoudingen niet geschieden op die kapitalen, maar enkel op de eventueel aan de begunstigden ervan maandelijks uitgekeerde wettelijke pensioenen;er is immers geen afhouding indien er geen maandelijks wettelijk pensioen wordt toegekend, hoe groot ook het ontvangen kapitaal moge zijn geweest; b) dat de door de wet van 30 maart 1994 ingevoerde solidariteitsafhoudingen voor de begunstigden van publieke pensioenen en voor de begunstigden van private pensioenen aan wie geen kapitalen werden uitgekeerd, evenmin voorzienbaar waren als de inaanmerkingneming (koninklijk besluit van 16 december 1996) - voor de berekening van een solidariteitsafhouding op de maandelijks uitbetaalde wettelijke pensioenen aan de begunstigden van private pensioenen aan wie kapitalen van groepsverzekeringen of pensioenfondsen werden uitbetaald - van een fictieve rente die overeenstemt met de hun voordien uitgekeerde kapitalen;c) dat de wetgever vermocht te oordelen dat het onbillijk zou zijn indien de begunstigden van private pensioenen aan wie kapitalen van groepsverzekeringen of pensioenfondsen werden uitbetaald, blijvend zouden worden vrijgesteld van de nieuw ingevoerde solidariteitsverplichting, alhoewel zij naast hun wettelijk pensioen ook de voordelen genieten die voortvloeien uit die reeds uitgekeerde kapitalen, die trouwens uitdrukkelijk bestemd zijn om hun wettelijk pensioen aan te vullen. Rekening houdend met die elementen oordeelt het Hof dat het beginsel van het in aanmerking nemen van een fictieve rente die overeenstemt met vroeger uitbetaalde kapitalen van groepsverzekeringen of pensioenfondsen voor het berekenen, vanaf 1 januari 1997, van de solidariteitsafhoudingen die worden toegepast op de maandelijks uitbetaalde wettelijke pensioenen op zich niet strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. 3.3. Er zou een discriminatie zijn ingevoerd, vanwege de in aanmerking genomen omzettingsschaal, tussen de begunstigden van een voordeel dat als aanvullend pensioen dient en in kapitaal is betaald, en diegenen die het in de vorm van een lijfrente innen.

Volgens de eiser voor de verwijzende rechter zou die schaal « verouderd zijn en tot aanzienlijk buitensporige fictieve renten leiden in vergelijking met de reële rente die de betrokkenen zouden hebben genoten in plaats van een kapitaal (vgl. het beroep tot vernietiging en de memorie van de verzoekers in de zaak nr. 1211) ». In de geciteerde zaak met rolnummer 1211 was gewag gemaakt van het feit dat de vervanging, vanaf 1 juli 1997, van de in het geding zijnde schaal door een nieuwe schaal die voordeliger wordt geacht voor de betrokkenen, erop wees dat de oorspronkelijke schaal slecht gekozen was; de vervanging had bijgevolg met terugwerkende kracht moeten worden uitgevoerd, om het mogelijk te maken dat de tussen 1 januari 1995 en 30 juni 1997 verrichte afhoudingen worden herberekend. 3.4. Het Hof merkt op dat de oorspronkelijke keuze van de omzettingsschaal die van toepassing is inzake arbeidsongevallen in de openbare sector overeenstemt met de keuze van een reeds toegepaste schaal op het vlak van de pensioenen, namelijk die van de openbare sector (artikel 1 van het koninklijk besluit van 24 maart 1994).

De artikelen 10 en 11 van de Grondwet vereisen niet dat terugwerkende kracht wordt gegeven aan nieuwe bepalingen die in de plaats treden van bestaande bepalingen.

De keuze van de omzettingsschaal behoort tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever, behoudens klaarblijkelijke vergissing, wat te dezen niet blijkt. 3.5. Het argument dat is afgeleid uit de schending van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens kan niet worden aangenomen wat betreft de vóór 1 januari 1995 gestorte kapitalen : het recht van vrije beschikking hierover wordt niet aangetast en het gaat niet om de ontneming van de eigendom zelf. Die kapitalen dienen immers slechts als basis voor het bepalen van een fictieve rente op grond waarvan de solidariteitsafhoudingen met ingang van 1 januari 1997 worden gedaan en het voormelde artikel erkent uitdrukkelijk de bevoegdheid voor de nationale overheden om belastingen en andere heffingen op te leggen.

Om die redenen, het Hof - stelt vast dat de prejudiciële vragen gesteld in de zaken met rolnummers 1213 tot 1242 en 1245 tot 1249 zonder voorwerp zijn; - stelt vast dat de prejudiciële vraag gesteld in de zaak met rolnummer 1289 zonder voorwerp is, in zoverre zij betrekking heeft op : a) artikel 11, 2°, van de wet van 13 juni 1997 « tot bekrachtiging van de koninklijke besluiten genomen met toepassing van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, en [van] de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels », doordat het genoemde artikel 11, 2°, artikel 2 van het koninklijk besluit van 16 december 1996 tot wijziging van de wet van 30 maart 1994 bekrachtigt, met toepassing van de twee voormelde wetten, b) artikel 2 van het voormelde koninklijk besluit van 16 december 1996, bekrachtigd bij de voormelde wet van 13 juni 1997, c) artikel 12 van de voormelde wet van 13 juni 1997; - zegt voor recht : 1. Artikel 11, 2°, van voormelde wet van 13 juni 1997, in zoverre het artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 december 1996 tot wijziging van de wet van 30 maart 1994 bekrachtigt, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.2. Artikel 1 van het voormelde koninklijk besluit van 16 december 1996, bekrachtigd bij de voormelde wet van 13 juni 1997, schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 20 januari 1999.

De griffier, L. Potoms.

De voorzitter, M. Melchior.

^