Arrest Van Het Grondwettelijk Hof
gepubliceerd op 01 februari 2001
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Arrest nr. 113/2000 van 8 november 2000 Rolnummers 1991, 1992 en 1998 In zake : de vorderingen tot schorsing van de artikelen 8, 19, 27, 34, 36.3, 36.4, 37.3 en 71 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de besc Het Arbitr

bron
arbitragehof
numac
2001021054
pub.
01/02/2001
prom.
--
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

Arrest nr. 113/2000 van 8 november 2000 Rolnummers 1991, 1992 en 1998 In zake : de vorderingen tot schorsing van de artikelen 8, 19, 27, 34, 36.3, 36.4, 37.3 en 71 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, ingesteld door V. Bosquin en anderen.

Het Arbitragehof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en G. De Baets, en de rechters L. François, J. Delruelle, A. Arts, R. Henneuse en E. De Groot, bijgestaan door de griffier L. Potoms, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de vorderingen Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 27 en 29 juni 2000 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 28 en 30 juni 2000, is een vordering tot schorsing ingesteld van de artikelen 8, 10, 19, 25, 27, 34.2, 34.3, 34.4, 36.3, 36.4, 37.3, 37.5, 53, 54, §§ 1 en 2, 58 en 71 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 december 1999), door : a. V.Bosquin, wonende te 4845 Jalhay, Sart-lez-Spa, route de Stockay 8b (zaak nr. 1991); b. de n.v. Circus Guillemins, met maatschappelijke zetel te 4000 Luik, rue des Bayards 22-24 (zaak nr. 1992); c. de b.v.b.a. Amarco, met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Grasmarkt 37, de n.v. New Las Vegas, met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Anspachlaan 54, de n.v. Future Games, met maatschappelijke zetel te 6041 Gosselies, Aérodrome de Charleroi, BAT S7, local 1M, de b.v.b.a. VDW International, met maatschappelijke zetel te 2610 Wilrijk, Rucaplein 548, V. Van de Wege, wonende te 2610 Wilrijk, Acacialaan 55, en D. Blauwens, wonende te 1080 Brussel, Schoonslaapsterstraat 13 (zaak nr. 1998).

Bij dezelfde verzoekschriften vorderen voornoemde verzoekende partijen eveneens de vernietiging van voormelde wettelijke bepalingen.

II. De rechtspleging Bij beschikkingen van 28 en 30 juni 2000 heeft de voorzitter in functie de rechters van de respectieve zetels aangewezen overeenkomstig de artikelen 58 en 59 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof.

De rechters-verslaggevers hebben geoordeeld dat er geen aanleiding was om in die zaken artikel 71 of 72 van de organieke wet toe te passen.

Bij beschikking van 5 juli 2000 heeft het Hof de zaken samengevoegd.

Bij beschikking van 13 juli 2000 heeft het Hof de dag van de terechtzitting bepaald op 20 september 2000 na de partijen te hebben verzocht uiterlijk op 4 september 2000 schriftelijke opmerkingen te laten toekomen ter griffie, rekening houdende onder meer met de arresten nrs. 52/2000 en 74/2000 van het Hof.

Van die beschikking is kennisgegeven aan de in artikel 76 van de organieke wet vermelde autoriteiten evenals aan verzoekers en hun advocaten bij op 14 juli 2000 ter post aangetekende brieven.

Schriftelijke opmerkingen zijn ingediend door : - de n.v. Circus Guillemins, verzoekende partij in de zaak nr. 1992, bij op 1 september 2000 ter post aangetekende brief; - de verzoekende partijen in de zaak nr. 1998, bij op 1 september 2000 ter post aangetekende brief; - de verzoekende partij in de zaak nr. 1991, bij op 4 september 2000 ter post aangetekende brief.

Bij beschikking van 19 september 2000 heeft de voorzitter in functie vastgesteld dat de rechters E. Cerexhe en M. Bossuyt, wettig verhinderd, respectievelijk werden vervangen door de rechters R. Henneuse en E. De Groot.

Op de openbare terechtzitting van 20 september 2000 : - zijn verschenen : . Mr. J. Voisin, advocaat bij de balie te Verviers, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 1991; . Mr. V. Thiry en Mr. J.-F. Jeunehomme, advocaten bij de balie te Luik, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 1991 en voor de n.v.

Circus Guillemins; . Mr. A. Broder, Mr. M. Kaminski en Mr. T. Lambert, advocaten bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partijen in de zaak nr. 1998; . Mr. O. Vanhulst loco Mr. P. Hofströssler, advocaten bij de balie te Brussel, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers J. Delruelle en A. Arts verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - zijn de zaken in beraad genomen.

De rechtspleging is gevoerd overeenkomstig de artikelen 62 en volgende van de organieke wet, die betrekking hebben op het gebruik van de talen voor het Hof.

III. In rechte - A Ten aanzien van het belang om in rechte te treden A.1. De verzoeker in de zaak nr. 1991 bezit een aantal aandelen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen van de patrimoniumvennootschappen c.v.a. Infiso en c.v.a. Sofabo. Die patrimoniumvennootschappen bezitten zelf aandelen van verschillende vennootschappen die, rekening houdend met hun activiteit, houder zullen moeten zijn van verschillende vergunningen in de zin van artikel 25 van de bestreden wet.

A.2. De verzoekende partij in de zaak nr. 1992, de n.v. Circus Guillemins, heeft als maatschappelijk doel de uitbating van speelzalen. Zij doet gelden dat zij als naamloze vennootschap niet meer in staat is al haar aandeelhouders te identificeren. Zij stelt vast dat sommige van haar aandeelhouders daarnaast ook aandeelhouder zijn in vennootschappen die een vergunning van klasse E zullen moeten hebben, zodat zij geen vergunning van klasse B meer zal kunnen krijgen, gelet op het verbod van cumulatie waarin artikel 27 van de bestreden wet voorziet. De verzoekende partij doet overigens gelden dat haar belang wordt aangetoond door de overwegingen die zij aanvoert tot staving van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel (infra). Zij besluit dat zij er kennelijk belang bij heeft de schorsing te vorderen van de bepalingen die de cumulatie, zelfs indirect, van vergunningen verbieden en van de bepalingen die het verkrijgen en het behouden van vergunningen afhankelijk stellen van de transparantie en de mogelijkheid van permanente identificatie van de aandeelhouders.

A.3. De verzoekende partijen in de zaak nr. 1998 voeren ofwel hun maatschappelijk doel aan dat bestaat in de uitbating van een lunapark, de invoer en uitvoer, de aankoop, de verkoop, de fabricatie van kansspelautomaten, de plaatsing en verhuring van die apparaten in cafés, ofwel het feit dat zij aandeelhouder zijn van vennootschappen met een dergelijk doel. Zij verklaren het wettelijk vereiste belang te hebben om de wet aan te vechten omdat deze de voorwaarden waarin zij die activiteiten kunnen uitoefenen grondig wijzigt en de voortzetting ervan zelfs in het gedrang brengt.

Ten aanzien van de ernst van de middelen A.4. De verzoeker in de zaak nr. 1991 voert een middel aan dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk gelezen of in samenhang met de artikelen 16 en 27 ervan.

Hij klaagt aan dat artikel 27, eerste lid, van de bestreden wet de cumulatie verbiedt van de vergunningen van de klassen A, B, C en D, enerzijds, en de vergunning van klasse E, anderzijds. Hij merkt op dat de wetgever gelijktijdig drie doelstellingen heeft nagestreefd : de bescherming van de personen die zich aan kansspelen overgeven, de bestrijding van de mogelijke ongewenste secundaire gevolgen van kansspelen en de vrijwaring van de economische belangen van de sector.

De wetgever heeft tussen die doelstellingen een evenwicht willen vinden. De verzoeker ziet niet in op welke manier het verbod van elke cumulatie een pertinente maatregel is om de eerste twee doelstellingen te bereiken en hij is van mening dat de maatregel kennelijk onevenredig is. Die leidt immers tot een verbod de facto voor de verzoeker om het vermogen dat hij tijdens zijn beroepsloopbaan heeft opgebouwd geheel of gedeeltelijk te blijven behouden en vormt dus een discriminerende inbreuk op de vrijheid van vereniging, de vrijheid van handel en nijverheid en een flagrante inbreuk, zonder tegenprestatie, op het bij artikel 16 van de Grondwet erkende eigendomsrecht. De maatregel leidt er ook toe dat de verzoeker ipso facto en zonder enige regularisatiemogelijkheid in een situatie van strafrechtelijke overtreding wordt geplaatst, wat kennelijk in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, vanwege de absolute en definitieve onmogelijkheid om een vermogen te valoriseren.

A.5. De verzoekende partij in de zaak nr. 1992 voert een middel aan dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk of in samenhang gelezen met artikel 27 ervan en met artikel 43 van het E.G.-Verdrag. Zij brengt ook de pertinentie en de evenredigheid van de bepaling in het geding. De toepassingssfeer van de vergunning van klasse E is immers uiterst ruim zodat een persoon die aandeelhouder is van een onderneming die aan die vergunning onderworpen is, zelfs geen aandeelhouder kan zijn van een vennootschap die bijvoorbeeld de uitbating van een speelautomatenhal tot doel heeft. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt nochtans dat de wetgever van mening was dat geen bijzondere preventieve maatregel nodig was in de sector van de speelautomatenhallen die in België functioneert met beperkte inzetten en winsten. Het verbod van cumulatie is overigens fundamenteel in tegenstrijd met de doelstelling de economische activiteit van de sector te vrijwaren. Het verbod van cumulatie heeft dus een onaanvaardbaar gevolg. De betrokken personen hebben geen andere keuze dan elke beroepsactiviteit stop te zetten of een overtreding te begaan. De wet maakt derhalve een discriminerende inbreuk op de vrijheid van vereniging die bij artikel 27 van de Grondwet wordt gewaarborgd, op de vrijheid van handel en nijverheid, de vrijheid van vestiging en de concurrentievoorwaarden die in het E.G.-Verdrag, met name in artikel 43 ervan, worden gewaarborgd. De inbreuk is onevenredig en fundamenteel omdat de wet modaliteiten voorschrijft die verder gaan dan wat noodzakelijk is om het nagestreefde doel te bereiken.

Om dezelfde motieven schenden de artikelen 36.3 en 37.3 van de bestreden wet ook de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, afzonderlijk of in samenhang gelezen met de in het middel beoogde bepalingen, doordat zij het toekennen of behouden van vergunningen afhankelijk stellen van de verplichting de aandeelhouders van de aanvrager of de begunstigde van de vergunning te identificeren.

A.6.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 1998 vorderen de schorsing van de artikelen 8, 19 en 71 samen, 27, 34 en 36.4 van de bestreden wet.

A.6.2. Tegen artikel 8 voeren zij een middel aan dat is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij klagen aan dat de bepaling een discriminatie invoert tussen de inrichtingen van de klassen II en I, enerzijds, en II en III, anderzijds, en tussen de inrichtingen van klasse II en de Nationale Loterij, in de uitoefening van de vrijheid van handel en nijverheid zoals die is gewaarborgd in artikel 7 van het revolutionair decreet van 2-17 maart 1791 (decreet d'Allarde) en van het eigendomsrecht zoals het is gewaarborgd bij artikel 16 van de Grondwet en bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Zij klagen aan dat artikel 8 in de inrichtingen van klasse II slechts de kansspelen toestaat waarvan vaststaat dat de speler gemiddeld niet meer verlies kan lijden dan 500 frank per uur. Die wettelijke beperking heeft evenwel geen betrekking op de casino's. Zij zijn de mening toegedaan dat die discriminatie op geen enkel objectief criterium berust, dat het bedrag van de door de wetgever opgelegde beperking, dat op een volkomen willekeurige manier en zonder enige technische verantwoording werd vastgesteld, door alle specialisten, en gelet op de ervaring in het buitenland, als overdreven restrictief wordt beschouwd en tegelijkertijd een verstikking van de sector en een versterking van de clandestiniteit kan veroorzaken.

Vervolgens klagen zij aan dat die bepaling de kansspelen die in de inrichtingen van klasse II worden uitgebaat en die welke in de cafés worden uitgebaat, aan dezelfde beperking onderwerpt wat het maximaal toegestaan gemiddeld verlies per uur betreft. Zij voeren aan dat de situatie van die twee types van inrichtingen, zowel inzake de cliënteel als inzake de financiële structuur en de winstmarges, uitermate verschillend is : de exploitatie van kansspelen is voor de caféhouders een accessorium van hun hoofdactiviteit, wat niet het geval is voor de uitbaters van lunaparken. Overigens moet de cliënteel van cafés, dat minder gewaarschuwd en gecontroleerd wordt dan dat van lunaparken, kennelijk beter worden beschermd. Zij verwijten de wetgever dat hij de gelijke behandeling niet heeft verantwoord.

Tot slot verwijten de verzoekende partijen de wetgever dat hij geen verantwoording heeft gegeven voor het feit dat de Nationale Loterij aan geen enkele beperking is onderworpen wat het verlies betreft dat de spelers die haar producten kopen, kunnen lijden.

A.6.3. De verzoekende partijen klagen aan dat artikel 19 van de bestreden wet de artikelen 172 en 177, eerste lid, van de Grondwet schendt. Zij zijn van mening dat dit artikel in werkelijkheid een belasting instelt als bedoeld in artikel 3 van de bijzondere financieringswet, die onder de bevoegdheid van de gewesten en niet van de federale Staat ressorteert. Bovendien is dat artikel in strijd met het beginsel van de universaliteit dat is ingeschreven in artikel 3 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit, en dus met het beginsel van de gelijkheid van de Belgen voor de belastingswet. Tot staving van die stelling voeren zij het advies van de Raad van State aan. Zij zijn van mening dat artikel 71 van de bestreden wet op grond van dezelfde motieven moet worden vernietigd omdat de waarborg waarin het voorziet, bestemd is voor de betaling van de « valse retributie » die is voorgeschreven bij artikel 19. Bovendien zijn zij de mening toegedaan dat dat artikel 71, met name ten opzichte van de « handelaars in goederen » die een waarborg moeten stellen ten voordele van de belastingsadministratie, een discriminatie bevat in de uitoefening van het eigendomsrecht zoals dat is gewaarborgd bij artikel 16 van de Grondwet en bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Het verplicht de betrokken personen immers de waarborg te storten bij de Deposito- en Consignatiekas, en maakt aldus een discriminerende inbreuk op het eigendomsrecht van de houders van vergunningen op de interesten die die gedwongen belegging zou kunnen opleveren. Andere economische operatoren die een gelijkwaardige waarborg moeten stellen, hebben de vrijheid om die waarborg te stellen bij een bank die hun de marktinterest biedt. Gelet op het hoge bedrag van de waarborg ondergaan de houders van vergunningen een aanzienlijk financieel verlies, dat een discriminatie vormt bij ontstentenis van een objectief criterium en van een verantwoording.

A.6.4. De verzoekende partijen klagen aan dat artikel 27, eerste lid, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt door tussen de uitbaters van kansspelen en de uitbaters van alle andere soorten apparaten waarvoor een dergelijk cumulatieverbod niet geldt, een discriminatie in het leven te roepen in de uitoefening van de vrijheid van handel en nijverheid zoals die is gewaarborgd bij artikel 7 van het reeds geciteerde decreet d'Allarde, en van het eigendomsrecht zoals het is gewaarborgd bij artikel 16 van de Grondwet en bij artikel 1 van het reeds geciteerde Eerste Protocol. Zij verwijten de wetgever eens te meer dat een verantwoording en een objectief criterium van onderscheid ontbreken.

A.6.5. De verzoekende partijen klagen aan dat artikel 34, tweede lid, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt door een discriminatie teweeg te brengen tussen de inrichtingen van de klassen II en I, enerzijds, en II en III, anderzijds, in de uitoefening van de vrijheid van handel en nijverheid en van het eigendomsrecht, die gewaarborgd zijn bij de reeds geciteerde bepalingen. Krachtens de artikelen 29 en 76 samen, genieten de bestaande casino's de waarborg dat zij gedurende ten minste twintig jaar kunnen blijven bestaan, op voorwaarde dat zij zich naar de nieuwe wettelijke voorwaarden schikken. Bovendien is voorzien in de opening van een nieuw casino in Brussel. Het aantal inrichtingen van klasse II wordt daarentegen willekeurig beperkt tot 180, zonder enig recht op behoud voor de bestaande lunaparken die zich naar de nieuwe wettelijke voorwaarden zouden schikken. De verzoekende partijen verwijten de wetgever dat hij voor die discriminatie geen verantwoording heeft gegeven, terwijl de Raad van State de Regering om uitleg had verzocht. Voor de inrichtingen van klasse III geldt geen beperking van het aantal. De wetgever heeft voor die discriminatie evenmin een verantwoording gegeven.

A.6.6. De verzoekende partijen klagen aan dat artikel 34, derde lid, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt door een nieuwe discriminatie in te voeren tussen de inrichtingen van de klassen II en I, enerzijds, en II en III, anderzijds, in de uitoefening van de vrijheid van handel en nijverheid en van het eigendomsrecht zoals die bij de reeds geciteerde bepalingen zijn gewaarborgd. Noch de inrichtingen van klasse I, noch de inrichtingen van klasse III zijn aan een discretionaire bevoegdheid van de gemeente onderworpen. De verzoekende partijen voeren eens te meer het gebrek aan enige objectieve verantwoording aan.

A.6.7. De verzoekende partijen klagen aan dat artikel 36.4 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt door een discriminatie in te stellen tussen de inrichtingen van de klassen II en I, enerzijds, en II en III, anderzijds, in de uitoefening van de vrijheid van handel en nijverheid en van het eigendomsrecht zoals die bij de reeds geciteerde bepalingen zijn gewaarborgd. De beperking waarin de bepaling voorziet, bestaat niet voor de inrichtingen van klasse III, noch voor de casino's, terwijl zij oorspronkelijk bedoeld was voor de inrichtingen van klasse I. De discriminatie is bijzonder flagrant ten opzichte van de drankslijterijen die vaak dicht bij scholen gevestigd zijn, of traditioneel tegenover kerken en naast ziekenhuizen. De verzoekende partijen klagen eens te meer aan dat er geen objectieve verantwoording is en dat voor de bestaande lunaparken geen overgangsmaatregelen werden genomen.

A.6.8. De verzoekende partijen zijn van mening dat al die middelen ernstig zijn.

Ten aanzien van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel A.7. De verzoeker in de zaak nr. 1991, die thans met pensioen is, heeft in twee familiale patrimoniumvennootschappen nagenoeg de totaliteit van het vermogen verzameld dat hij gedurende zijn beroepsloopbaan heeft verworven; tijdens die loopbaan werd hij ertoe gebracht deel te nemen aan de oprichting van verschillende vennootschappen, deel te nemen aan hun activiteit en/of een participatie in hun kapitaal te nemen. Die verschillende vennootschappen zullen houder moeten zijn van de bij artikel 25 van de bestreden wet voorgeschreven vergunningen. Om niet in overtreding te zijn met artikel 27, dat de cumulering van vergunningen verbiedt, dient hij een belangrijk gedeelte van het verworven vermogen van de hand te doen, wat hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Bovendien is het de verzoeker hoe dan ook volkomen onmogelijk de aandelen die hij in de twee familiale patrimoniumvennootschappen bezit, af te staan aan enige natuurlijke persoon of rechtspersoon omdat elk van die aandelen van de c.v.a.

Infiso en c.v.a. Sofabo « in se » de cumulatie inhoudt die bij artikel 27 van de bestreden wet verboden is, zodat elk aandeel in feite « onverhandelbaar » wordt aangezien het intrinsiek onwettig is en dus onoverdraagbaar. Het is de verzoeker dus volkomen onmogelijk zich naar de wet te schikken. De vernietiging van die wet zou daaraan niets afdoen vermits de verzoeker, vanaf de inwerkingtreding van de wet, niet anders kan dan zich in de onwettigheid bevinden en dus zou kunnen worden vervolgd en veroordeeld op grond van de strafrechtelijke bepalingen van de wet.

A.8. De verzoekende partij in de zaak nr. 1992 voert tot staving van haar nadeel de talrijke moeilijkheden aan die thans bestaan in verband met de identificatie van de aandeelhouders en met de verboden cumulatie. Zij toont met concrete voorbeelden de onontwarbare situatie aan van de verboden cumulatie waarmee zij wordt geconfronteerd. Zij voert aan dat het haar onmogelijk is alle aandeelhouders te identificeren en indirecte cumulatie te vermijden. Zij is van oordeel dat zij niet bij machte is de indirecte cumulatie te verhinderen die onafhankelijk van haar wil is en blijft. Aangezien zij niet in staat is elke verboden cumulatie te vermijden, zal zij ervan moeten afzien de vergunning van klasse B te krijgen. Zij voert ook aan dat zij niet bij machte is te beantwoorden aan de vereisten van transparantie waarin artikel 36.3 van de bestreden wet voorziet. De verzoekende partij zal dus elke activiteit moeten stopzetten vermits zij geen vergunning van klasse B kan krijgen, en zij zal verplicht zijn al haar personeel te ontslaan, alle lopende contracten op te zeggen en per slot van rekening haar activiteit volledig stop te zetten. Zij voert derhalve de rechtspraak van het Hof aan (arresten nrs. 21/89, 60/92 en 30/93) om de schorsing van de artikelen 27, eerste lid, 36.3 en 37.3 van de bestreden wet te vorderen.

A.9.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 1998 zijn van oordeel dat de inwerkingtreding van artikel 8 van de bestreden wet hun een uitermate ernstig en zeer moeilijk te herstellen nadeel zou berokkenen omdat het gehanteerde criterium volkomen onbruikbaar en het bedrag van 500 Belgische frank overdreven streng is. De bestaande machines beschikken niet over een programma waarmee het gemiddelde verlies per uur kan worden berekend en beperkt; ze zouden dus onbruikbaar worden.

De praktijk heeft aangetoond dat de politieoverheden de zeer strikte opdracht hebben gekregen alle machines te verzegelen die hun niet met de wet in overeenstemming lijken. De verzoekende partijen kunnen dus onmogelijk hun activiteit voortzetten, terwijl zij maandelijks belangrijke vaste kosten moeten dragen, onder meer voor huur of afschrijving van die machines, en terwijl zij voor elk van die machines een heffing van 72.000 Belgische frank hebben betaald. Indien zij, met zeer hoge investeringskosten, machines zouden moeten aanschaffen die aan het criterium beantwoorden, dan zouden die, volgens de unanieme mening van de specialisten, zodanig lang onrendabel zijn dat zulks zou leiden tot een verstikking van de sector en tot clandestiniteit.

A.9.2. Het nadeel dat volgt uit de artikelen 19 en 71 samen, vloeit voort uit de volkomen ongrondwettige belasting die door die bepalingen wordt opgelegd, met een extreem hoog bedrag, een belasting die op een volkomen ongrondwettige wijze zou worden besteed voor de oprichtings-, personeels- en werkingskosten van de kansspelcommissie en van haar secretariaat, zodat de terugbetaling van de miljoenen, of zelfs miljarden frank die zouden zijn betaald, achteraf uiterst zwaar zou zijn voor de gemeenschap.

A.9.3. Het nadeel dat uit artikel 27 van de bestreden wet voortvloeit, houdt verband met de verplichting voor de verzoekende partijen om een van hun activiteiten zonder meer stop te zetten of hun aandelen onder slechte voorwaarden over te dragen.

A.9.4. Het nadeel dat uit artikel 34 van de bestreden wet voortvloeit, houdt verband met het risico, vanwege de beperking van het aantal lunaparken en de discretionaire bevoegdheid van de gemeente, dat de lunaparken worden uitgebaat door de verzoekende partijen die in hun bestaan worden bedreigd, wat meer is dan een gewoon financieel nadeel.

Bovendien lopen de vaste kosten voor die verschillende lunaparken zo hoog op dat de verzoekende partijen, in geval van weigering van een vergunning, niet verschillende maanden zouden kunnen wachten op het resultaat van het beroep tot vernietiging en definitief hun exploitatie zouden moeten sluiten.

A.9.5. Het nadeel dat uit artikel 36.4 van de bestreden wet voortvloeit, houdt verband met de mogelijkheid dat de lunaparken in hun bestaan worden bedreigd, gelet op hun vestigingsplaats zoals die bijvoorbeeld uit een plattegrond van Brussel blijkt. De verzoekende partijen voeren opnieuw het feit aan dat de te dragen kosten van die aard zijn dat zij niet de afloop van een beroep tot vernietiging zouden kunnen afwachten.

A.10. Bij beschikking van 13 juli 2000 heeft het Hof de partijen verzocht ter griffie schriftelijke opmerkingen neer te leggen, rekening houdend inzonderheid met de arresten nrs. 52/2000 en 74/2000 van het Hof.

A.11. De verzoeker in de zaak nr. 1991 verduidelijkt dat de grondslag van zijn vordering volkomen verschillend en specifiek is, zodanig dat de motivering van de twee arresten niet op zijn beroep lijkt te kunnen worden toegepast. Artikel 27, eerste lid, van de bestreden wet plaatst hem immers ipso facto en zonder enige mogelijkheid tot regularisering in een situatie van strafrechtelijke overtreding. Die bepaling houdt voor hem ook een feitelijk verbod in om het vermogen dat hij gedurende zijn beroepsloopbaan heeft opgebouwd, geheel of gedeeltelijk te behouden. Zich opnieuw baserend op de elementen die reeds in zijn vordering tot schorsing zijn uiteengezet, legt de verzoeker de nadruk op het specifieke karakter van zijn situatie en besluit dat er in zijn geval werkelijk een risico van moeilijk te herstellen ernstig nadeel bestaat vermits, zelfs mocht de wet later worden vernietigd, hij ondertussen zou kunnen worden vervolgd en veroordeeld, zelfs zonder maar enige mogelijkheid te hebben gehad om uit de illegaliteit te treden.

A.12. De n.v. Circus Guillemins, verzoekende partij in de zaak nr. 1992, merkt in de eerste plaats op dat zij niet rechtstreeks de schending van artikel 27 van de Grondwet en van artikel 43 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap aanvoert, maar dat zij die artikelen in verband brengt met de beweerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Vervolgens voert zij aan dat artikel 1 van de wet van 24 oktober 1902 « concernant le jeu » in zijn eerste lid weliswaar het beginsel van het verbod van de exploitatie van kansspelen bevatte, maar dat het tweede lid van die bepaling is uitgelegd in de wet van 14 augustus 1978 die de Koning heeft ertoe gemachtigd de lijst van de kansspeltoestellen vast te leggen waarvan de exploitatie vergund blijft niettegenstaande de voorafgaande bepalingen. In de parlementaire voorbereiding van die wet wordt bevestigd dat de exploitatie van de door de Koning opgesomde toestellen toegestaan blijft. Overigens blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 mei 1999 dat artikel 305 van het Strafwetboek niet van toepassing is op de spelen waarop artikel 1 van de wet van 24 oktober 1902 van toepassing is.

Wat de doelstellingen van de wet betreft, doet de partij gelden dat de bestreden wet, naast de twee doelstellingen waarmee het Hof in zijn arresten rekening houdt, een derde doelstelling heeft die erin bestaat de economische belangen van de sector te vrijwaren. De wetgever heeft tussen die drie doelstellingen een evenwicht gezocht.

Ten aanzien van het verbod van cumulatie van vergunningen signaleert de partij dat zij tegen de wetsbepaling nieuwe grieven formuleert en dat zij in haar vordering het nadeel dat zij ondergaat concreet aantoont.

In verband met de inbreuk op de vrijheid van handel en nijverheid, op de vrijheid van vestiging en op de vrijheid van vereniging is de partij ook van oordeel dat het Hof nog niet de gelegenheid heeft gehad te antwoorden op de argumenten die zijn uiteengezet ten aanzien van de onevenredigheid van de beperkingen. Tot slot is de partij van mening dat zij heeft aangetoond dat zij niet bij machte is te beantwoorden aan de eisen die zijn opgelegd bij de artikelen 36.3 en 37.3, en het ook nooit zal kunnen. Bijgevolg zal zij geen vergunning klasse B kunnen krijgen en zal zij gedwongen zijn elke activiteit stop te zetten en haar personeel te ontslaan.

A.13. De verzoekende partijen in de zaak nr. 1998 signaleren in de eerste plaats dat het middel dat zij tegen artikel 19 van de bestreden wet aanvoeren een nieuw middel is waarop in de arresten nrs. 52/2000 en 74/2000 niet is geantwoord.

Ten aanzien van artikel 8 van de bestreden wet merken de partijen op dat het Hof in zijn arrest nr. 52/2000 niet is ingegaan op het tweede en het derde onderdeel van hun middel. Wat het eerste onderdeel betreft, namelijk de discriminatie tussen de inrichtingen van de klassen II en I, wordt de wetgever niet zozeer kwalijk genomen dat hij een verschillende behandeling tussen die twee categorieën van inrichtingen heeft ingesteld, maar wel dat hij de drempel op een willekeurige en niet redelijk verantwoorde manier heeft vastgesteld, zonder dat er een redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Het eerste onderdeel van het eerste middel heeft dus niets uit te staan met het middel dat door het Hof in B.9.2 van het arrest nr. 52/2000 is behandeld.

Met betrekking tot artikel 27, eerste lid, handhaven de partijen hun standpunt volgens hetwelk de wetgever zich niet heeft verklaard over de verantwoording van het verbod van cumulatie. Men ziet geenszins in op welke manier de cumulatie, door eenzelfde persoon, van de activiteiten van exploitant van kansspelinrichtingen en van de fabricatie, invoer of uitvoer van diezelfde spelen, een groter gevaar zou inhouden dan de niet-cumulatie van die activiteiten (en zulks inzonderheid als voor elk van die activiteiten een strikte en specifieke reglementering en controle bestaat).

Ten aanzien van het tweede en derde lid van artikel 34 voeren de partijen aan dat de twee onderdelen van hun middel geenszins aan de orde zijn geweest in de arresten nrs. 52/2000 en 74/2000. Zij nemen de argumentatie over die reeds is uiteengezet in hun vordering tot schorsing en beklemtonen het feit dat de discriminatie tussen de inrichtingen van de klassen II en III des te gevoeliger ligt daar speelautomaten in drankgelegenheden meer gevaar inhouden dan de spelen die in lunaparken zijn geïnstalleerd.

Met betrekking tot artikel 36.4 merken de partijen op dat hun middel volkomen verschilt van datgene dat in het kader van het arrest nr. 52/2000 is opgeworpen en onderzocht.

Ten aanzien van artikel 71 voeren de partijen aan dat het Hof in zijn arrest nr. 52/2000 het middel van de verzoekende partijen onontvankelijk heeft verklaard; het heeft dus niet de gelegenheid gehad te antwoorden op het middel dat in deze procedure wordt opgeworpen.

Standpunt van de Ministerraad Ten aanzien van de zaak nr. 1991 A.14. De Ministerraad betwist in de eerste plaats de ontvankelijkheid van het beroep dat door de verzoeker in de zaak nr. 1991 is ingesteld.

Hij is van mening dat die verzoeker niet van een voldoende belang doet blijken : hij bewijst niet zijn huidige hoedanigheid van aandeelhouder van de vennootschappen c.v.a. Infiso en c.v.a. Sofabo; hij voert ook geen bewijsstukken aan betreffende de samenstelling van de aandelenportefeuille die die maatschappijen bezitten; het maatschappelijk doel van de vennootschappen waarin de patrimoniumvennootschap aandelen bezit, vertoont geen rechtstreeks verband met de aangevochten wetgeving het is veel ruimer en vertoont geen verband met het spel. De Ministerraad doet ook gelden dat het de vennootschappen zijn waarvan het maatschappelijk doel bestaat in de uitbating van kansspelen, die een procedure tot vernietiging en tot schorsing moeten instellen : enkel het bevoegde orgaan kan daarover een beslissing nemen, vermits de verzoeker niet over de hoedanigheid beschikt om in rechte te treden.

A.15. De Ministerraad betwist vervolgens het feit dat de verzoeker in de zaak nr. 1991 een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zou ondergaan. Hij merkt in dat verband op dat de bestreden bepaling thans geen kracht van wet heeft, aangezien de wetgever aan alle betrokken personen de mogelijkheid heeft geboden zich naar die bepalingen te schikken. Subsidiair merkt hij op dat de verzoeker steeds zijn aandelen kan verkopen onder het beding dat het hem vrij zal staan die tegen dezelfde voorwaarden terug te kopen in geval van vernietiging, zodat zijn rechten gevrijwaard zouden blijven. Tot slot merkt hij op dat het de verzoeker niet volkomen onmogelijk is zich naar de wet te schikken vermits hij de aandelen die de cumulatie veroorzaken, kan verkopen aan een persoon die zich niet in een dergelijke situatie bevindt.

Tot slot is de Ministerraad van mening dat het door de verzoeker aangevoerde middel niet ernstig is. In dat verband herinnert hij aan de arresten van het Hof nrs. 52/2000, 74/2000 en 88/2000 en besluit dat het verbod verantwoord is in het licht van het door de wetgever nagestreefde doel, het algemeen belang en de bescherming van de volksgezondheid. De door de verzoeker aangevoerde inbreuken op de vrijheden, die geen absolute vrijheden zijn, zijn in dat opzicht verantwoord. Er is ook geen sprake van eigendomsberoving vermits de aangevochten maatregel geen eigendomsoverdracht teweegbrengt.

Ten aanzien van de zaak nr. 1992 A.16. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het beroep wegens het ontbreken van een belang. Uit het onderzoek van de statuten van de verzoekende partij blijkt dat haar maatschappelijk doel veel ruimer is en niet beperkt is tot de spelen. Wat daarnaast het vermeende commerciële belang betreft, dient de verzoekende partij het bewijs te leveren van haar belang op grond van de invloed van de aangevochten normen op de werkelijk uitgeoefende handelsactiviteiten, wat zij niet doet. Het belang dat zou voortvloeien uit de uitbating van speelzalen is overigens een ongeoorloofd belang gelet op het verbod vervat in artikel 1 van de wet van 24 oktober 1902 en in artikel 305 van het Strafwetboek.

Vervolgens meent de Ministerraad dat de verzoekende partij niet bewijst dat zij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat.

De aangevochten bepaling beoogt het verbieden van rechtstreekse of indirecte cumulatie van vergunningen. Dat begrip, dat aan het vennootschapsrecht ontleend is, moet in zijn gewone betekenis worden opgevat : een vennootschap bezit een andere rechtstreeks of indirect indien zij in staat is die te controleren (meerderheid in de algemene vergadering, de raad van bestuur, enz.). De door de verzoekende partij bedoelde situaties vallen niet binnen de toepassingssfeer van die bepaling. Het nadeel is dus niet aangetoond. Subsidiair merkt de Ministerraad op dat op grond van de artikelen 190ter en 190quater van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen een einde kan worden gemaakt aan de verboden cumulatie en zulks om wettige redenen, dat de in het geding zijnde wet betrekking heeft op de openbare orde en dat gelet op de interpretatie die door de rechtspraak aan de « wettige reden » wordt gegeven, moet worden vastgesteld dat het feit dat de verzoekende partij strafsancties kan oplopen, onbetwistbaar een wettige reden vormt. Op grond van artikel 190ter kunnen de vennoten dus eisen dat degene die aan de oorsprong ligt van de verboden cumulatie, zijn aandelen van de hand doet en, door de bij artikel 190quater voorgeschreven procedure, heeft de persoon die aan de oorsprong ligt van de verboden cumulatie het recht van de andere vennoten te eisen dat zij zijn aandelen opkopen. De Ministerraad doet overigens opmerken dat de wetgever de artikelen 36 en 37 van de aangevochten wet juist heeft aangenomen om de identificatie van de aandeelhouders van de vennootschappen mogelijk te maken. Hij besluit dat de verzoekende partij niet duidelijk stelt welk nadeel zij zou ondergaan indien die artikelen, die, in tegenstelling met artikel 27, niet strafrechtelijk worden gesanctioneerd, niet worden geschorst.

A.17. De Ministerraad is tot slot van mening dat het aangevoerde middel niet ernstig is. Het verbod van cumulatie is erop gericht misbruiken te vermijden en is niet onevenredig met de doelstelling van algemeen belang die door de wetgever wordt nagestreefd. De verzoekende partij kan zich overigens naar de bepaling schikken via de reeds geciteerde artikelen 190ter en 190quater. Om de reeds vermelde redenen is er geen schending van de vrijheid van vereniging, noch van de vrijheid van handel en nijverheid. Inzake de inbreuk op de vrijheid van vestiging en op artikel 43 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap moet worden opgemerkt dat, volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie, in de sector van de geldspelen, de nationale overheden over een voldoende beoordelingsvrijheid beschikken om de vereisten inzake bescherming van de sociale orde vast te stellen en dat het hen toekomt te oordelen of het noodzakelijk is die activiteiten te beperken of te verbieden, zonder evenwel inbreuk te maken op het gemeenschapsrecht. De bepalingen van de aangevochten wet blijven binnen de perken van die beoordelingsvrijheid vermits zij gemotiveerd zijn door de strijd tegen een maatschappelijk gevaar en geen enkele discriminatie bevatten.

De Ministerraad wijst ook nog op het doel van de wetgever - de bescherming van de zwaksten en op de specifieke aard van de sector waarin de verzoekende partij opereert, die een potentieel gevaar voor de maatschappij betekent. De Ministerraad merkt ook op dat in andere rechtsdomeinen, bijvoorbeeld de kredietinstellingen, de wetgever maatregelen neemt om het aandeelhoudersbezit doorzichtiger te maken en om te vermijden dat de aandeelhouders zich in de anonimiteit kunnen verschansen.

Ten aanzien van de zaak nr. 1998 A.18. De Ministerraad is van oordeel dat het belang van de verzoekende partijen onvoldoende is : de aangevochten wet legaliseert in sommige omstandigheden activiteiten die vroeger onwettig waren. De verzoekende partijen kunnen zich daarop niet beroepen zonder een ongeoorloofd belang aan te voeren.

Vervolgens meent de Ministerraad dat het aangevoerde nadeel niet ernstig en moeilijk te herstellen is. Ten aanzien van artikel 8 voeren de verzoekende partijen slechts een louter financieel nadeel aan; zij blijven overigens in gebreke om aan te tonen dat de bestaande machines het gemiddelde verlies niet kunnen berekenen. Tot slot is hij van mening dat de wetgever er niet toe gehouden was het « gemiddelde » te bepalen vermits hij de woorden slechts moet definiëren wanneer zij een andere draagwijdte hebben dan hun gewone betekenis.

Met betrekking tot de artikelen 19 en 71 stelt de Ministerraad dat het aangevoerde nadeel niet kan worden aanvaard omdat het om het algemeen belang gaat, wat erop zou neerkomen de actio popularis te aanvaarden.

Het enige nadeel waarop de verzoekende partijen zich persoonlijk kunnen beroepen is een financieel nadeel, dat niet voldoende is.

Inzake het nadeel dat voortvloeit uit artikel 27 verwijst de Ministerraad naar zijn argumentatie in de andere zaken.

Wat het nadeel betreft dat voortvloeit uit de artikelen 34 en 36.4 is de Ministerraad opnieuw van mening dat het om een financieel nadeel gaat.

A.19. De Ministerraad is tot slot van mening dat de verzoekende partijen geen enkel ernstig middel aanvoeren.

Op het eerste onderdeel van het eerste middel antwoordt de Ministerraad dat de aangevochten bepaling de Koning toestaat de toepassingssfeer van de wet uit te breiden tot de casino's. Dat verschil kan worden verantwoord rekening houdend met de objectieve verschillen die tussen de twee categorieën bestaan : om tot een casino te worden toegelaten moet men ingeschreven zijn op de lijst van het betrokken casino, een keuze die de toegang tot een andere inrichting van klasse I belet; het beperkte aantal casino's is een andere rem (8 tegen 180 lunaparken). Uit de ervaring in het buitenland blijkt dat hoe meer speelinrichtingen er zijn, hoe meer spelers er zullen zijn; het is dus noodzakelijk een striktere reglementering te hebben. De Ministerraad merkt op dat de wetgever zich heeft gebaseerd op objectieve elementen, de aard en het aantal kansspelen die door de inrichtingen kunnen worden uitgebaat, het maximumbedrag van de inzet, van het verlies en van de winst van de spelers, alsmede de aard van de toegestane aanverwante activiteiten. Hij heeft ook geoordeeld dat de drempel van de toegankelijkheid een van de aan de kansspelen inherente factoren is die de afhankelijkheid bevorderen. Op grond daarvan kan het door de verzoekende partijen betwiste verschil in behandeling worden verantwoord. Met betrekking tot het bedrag van het gemiddeld maximaal verlies per uur verwijst de Ministerraad naar het arrest van het Hof nr. 52/2000. Hij is ook van mening dat de wetgever niet de verplichting had een woord te definiëren dat een gewone betekenis heeft. Tot slot verwijst hij naar zijn argumentatie in de andere zaken.

A.20. Met betrekking tot het tweede onderdeel van het eerste middel merkt de Ministerraad op dat, in tegenstelling met de inrichtingen van categorie II, de inrichtingen van categorie III onderworpen zijn aan een beperking wat het aantal toestellen betreft (maximum twee kansspelen). De verzoekende partijen kunnen niet worden gevolgd wanneer zij van oordeel zijn dat de wetgever de cliënteel van de drankslijterijen beter zou moeten beschermen vanwege het fundamentele verschil dat tussen die inrichtingen en de lunaparken bestaat. De mensen die een lunapark binnenstappen hebben als enig doel op de speelautomaten te spelen, terwijl zulks slechts een nevenactiviteit is in de drankgelegenheden. Bovendien moet worden opgemerkt dat, mocht de wetgever geen bedrag in aanmerking hebben genomen met betrekking tot het maximaal toegestane verlies per uur, de spelers, dat wil zeggen de personen die de wetgever wil beschermen, zich zouden begeven naar de inrichtingen die voor hen het voordeligst is, zodat het nagestreefde doel niet zou kunnen worden bereikt.

Met betrekking tot het derde onderdeel van het eerste middel merkt de Ministerraad in de eerste plaats op dat de Nationale Loterij een openbare instelling is die onder de controle van de Minister van Financiën is geplaatst, waaraan de wetgever bepaalde opdrachten heeft opgelegd en waarvan de winsten aan de hele gemeenschap ten goede komen, wat haar van de andere inrichtingen onderscheidt. Vervolgens merkt hij op dat een groot gedeelte van de producten die door de Nationale Loterij op de markt worden gebracht, volkomen verschilt van de producten die in de lunaparken worden aangeboden indien men het risico van afhankelijkheid in overweging neemt. Zij zijn bovendien minder toegankelijk vermits zij gebonden zijn aan de openingsuren van de krantenwinkels of van de post, terwijl de lunaparken gedurende een gedeelte van de nacht en op zon- en feestdagen open zijn.

Met betrekking tot het tweede middel voert de Ministerraad, in verband met het argument dat steunt op de schending van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit, aan dat de wetgever van een vroegere wet mag afwijken. Te dezen heeft de wetgever geoordeeld, gelet op het gevaar dat de kansspelen vertegenwoordigen, dat die sector aan een specifieke controle zou worden onderworpen waarvan de kosten niet door de gemeenschap maar door de sector van de spelen zelf zou worden gedragen. De Ministerraad merkt vervolgens op dat artikel 6, § 1, VI, 2°, tweede lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 aan de federale wetgever de zorg toevertrouwt om de regels inzake de bescherming van de consument vast te stellen. Het doel dat te dezen wordt nagestreefd, bestaat erin de spelers te beschermen, die volwaardige consumenten zijn. Vervolgens stelt hij dat artikel 3 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 bepaalt dat de belasting op de spelen en weddenschappen, alsmede de belasting op de automatische ontspanningstoestellen gewestelijke belastingen zijn en dat die opsomming limitatief is. Subsidiair merkt hij op dat de Grondwetgever heeft bepaald dat de federale wetgever van de bevoegdheidverdelende regels kon afwijken op voorwaarde de noodzaak ervan aan te tonen. Nu is de sector van de kansspelen een specifieke sector die, zoals het Hof heeft opgemerkt, risico's voor de maatschappij inhoudt, inzonderheid voor de zwaksten, en een versterkte controle vanwege de overheid vereist, zodat de wetgever, krachtens artikel 35 van de Grondwet, aan de sector van de kansspelen terecht de belastingen kan opleggen die bestemd zijn om de kosten te dekken die door de aanwezigheid van die spelen worden veroorzaakt.

Met betrekking tot het derde middel verwijst de Ministerraad naar zijn argumentatie in de zaak nr. 1991.

Wat het eerste onderdeel van het vierde middel betreft verwijt de Ministerraad in de eerste plaats aan de verzoekende partijen dat zij niet hebben aangetoond dat de inrichtingen van klasse II in overtal zouden zijn, en dat zij geen gegevens hebben verstrekt over het aantal sluitingen die zich hebben voorgedaan. De Ministerraad merkt ook op dat de exploitanten van casino's geen automatische bescherming genieten maar dat de wet aan de gemeenten de mogelijkheid toekent ze voor een duur van maximum twintig jaar te handhaven. Voor de inrichtingen van klasse II bevat de wet geen beperkingen; het is dus mogelijk in de met de gemeente af te sluiten convenant in een langere duur te voorzien. In tegenstelling met de lunaparken maken de casino's ten slotte deel uit van het sociale leven van de gemeenten waar ze zijn gevestigd (tentoonstellingen, wedstrijden); die verwante activiteiten houden, in tegenstelling met het spel, geen risico op verslaving in.

Met betrekking tot het tweede onderdeel van het vierde middel beklemtoont de Ministerraad dat de onderscheiden categorieën die worden ingesteld, worden verantwoord door de sterk verschillende kenmerken van de inrichtingen en dat de wetgever rekening heeft gehouden met het risico van verslaving van de jongeren van 12 tot 18 jaar en de mannen tussen 18 en 35 jaar zonder betrekking en die weinig gekwalificeerd zijn, die als risicogroepen worden beschouwd.

Met betrekking tot het derde onderdeel van het vierde middel preciseert de Ministerraad dat artikel 29 in fine van de wet aan de exploitant van een casino de verplichting oplegt met de gemeente een overeenkomst te sluiten en dat er dus geen discriminatie is tussen de inrichtingen van de klassen I en II vermits het evident is dat de gemeenten de beginselen die aan de toekenning van vergunningen ten grondslag liggen, op die twee types van inrichtingen zullen toepassen.

De Ministerraad herinnert ook aan de verschillen tussen die twee inrichtingen, op grond waarvan een verschil in rechtsregeling kan worden verantwoord. Tot slot merkt hij op dat de aan de gemeente toegekende bevoegdheid geen arbitraire bevoegdheid is, vermits de gemeentelijke beslissingen onderworpen zijn aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en vermits de gemeenten de beginselen van vrijheid van handel, van nijverheid en van vestiging niet zouden kunnen uithollen.

Inzake het vijfde middel herinnert de Ministerraad aan het arrest nr. 52/2000, alsmede aan de objectieve verschillen die tussen de casino's en de inrichtingen van klasse II bestaan.

Met betrekking tot het zesde middel preciseert de Ministerraad dat de federale wetgever terecht de bij artikel 19 van de wet bepaalde belasting niet heeft ingevoerd, signaleert dat de Raad van State in dat opzicht geen enkel voorbehoud heeft gemaakt en vestigt ten slotte de aandacht van de verzoekende partijen op het specifieke karakter van de sector. - B B.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging en de schorsing van de artikelen 8, 19, 27, 34, 36.3, 36.4, 37.3 en 71 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers. Die bepalingen stellen : «

Art. 8.De Koning bepaalt voor elk kansspel geëxploiteerd in een kansspelinrichting klasse II en III per speelkans het maximumbedrag van de inzet, het verlies en de winst van de spelers en gokkers. Hij kan tevens het maximumbedrag bepalen dat een speler of gokker mag verliezen per door Hem vastgestelde speelduur.

In de kansspelinrichtingen klasse II en III zijn alleen de kansspelen toegestaan waarvan vaststaat dat de speler of gokker gemiddeld per uur niet meer verlies kan lijden dan 500 frank.

De Koning kan zulks ook bepalen voor kansspelen geëxploiteerd in een kansspelinrichting klasse I. Het is steeds verboden om twee of verschillende apparaten op elkaar aan te sluiten met het oog op het toekennen van één prijs. » «

Art. 19.De oprichtings-, personeels- en werkingskosten van de commissie en haar secretariaat komen volledig ten laste van de houders van de vergunningen klasse A, B, C en E. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de bijdrage van de houders van een vergunning klasse A, B, C en E in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van de kansspelcommissie.

De Koning legt aan de wetgevende kamers een ontwerp van wet voor dat gericht is op de bekrachtiging van het besluit uitgevaardigd ter uitvoering van het vorige lid. » Wat artikel 27 betreft, zijn de grieven uitsluitend gericht tegen het eerste lid : «

Art. 27.Het is een zelfde natuurlijke of rechtspersoon verboden de vergunningen klasse A, B, C en D enerzijds en de vergunning klasse E anderzijds rechtstreeks of onrechtstreeks, persoonlijk of door bemiddeling van een natuurlijke of rechtspersoon te cumuleren. «

Art. 34.De kansspelinrichtingen klasse II of speelautomatenhallen zijn inrichtingen waar uitsluitend de door de Koning toegestane kansspelen worden geëxploiteerd.

Er worden ten hoogste 180 kansspelinrichtingen klasse II toegestaan.

De uitbating van een kansspelinrichting klasse II moet geschieden krachtens een convenant dat voorafgaandelijk wordt gesloten tussen de gemeente van vestiging en de uitbater. De beslissing om een dergelijk convenant te sluiten, behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de gemeente. Het convenant bepaalt waar de kansspelinrichting wordt gevestigd alsook de nadere voorwaarden, de openings- en sluitingsuren, alsook de openings- en sluitingsdagen van de kansspelinrichtingen klasse II en wie het gemeentelijk toezicht waarneemt. » «

Art. 36.Om een vergunning klasse B te kunnen verkrijgen moet de aanvrager : 3. het bewijs leveren van zijn kredietwaardigheid en financiële draagkracht en de commissie te allen tijde nauwgezet alle inlichtingen verstrekken die haar de mogelijkheid bieden de transparantie van de exploitatie en de identiteit van de aandeelhouders, alsook de latere wijzigingen daaromtrent te controleren;4. ervoor zorgen dat de kansspelinrichting klasse II niet gevestigd wordt in de nabijheid van onderwijsinstellingen, ziekenhuizen, plaatsen die vooral door jongeren worden bezocht, plaatsen waar erediensten worden gehouden en gevangenissen; «

Art. 37.Om houder van een vergunning klasse B te kunnen blijven, moet de aanvrager : 3. aan de commissie alle inlichtingen verstrekken die haar te allen tijde de mogelijkheid bieden de transparantie van de exploitatie en de identiteit van de aandeelhouders, alsook de latere wijzigingen daaromtrent te controleren; «

Art. 71.Met uitzondering van de vergunning klasse D worden de vergunningen bedoeld in artikel 25 slechts afgeleverd na storting van een zakelijke waarborg die bestaat uit geld of effecten. De waarborg, die wordt aangewend bij wanbetaling van de kosten en de uitgaven bedoeld in de artikelen 19 en 72, moet ten laatste vijf dagen voor aanvang van de spelverrichtingen bij de Consignatiekas worden gestort.

Bij wanbetaling van de kosten wordt de waarborg aangewend om de verschuldigde bedragen te betalen.

Indien tijdens de uitoefening van de activiteiten blijkt dat de waarborg ontoereikend is om de kosten te dekken, eist de commissie dat binnen vijf dagen een bijkomend bedrag wordt betaald op straffe van schorsing van de vergunning tot het tijdstip van storting.

Het bedrag van de waarborg wordt bepaald op : 1. 10 miljoen frank voor een vergunning klasse A;2. 3 miljoen frank voor een vergunning klasse B;3. 20 000 frank voor een vergunning klasse C;4. het bedrag van 1 miljoen frank voor de houders van een vergunning klasse E die uitsluitend diensten leveren in het raam van het onderhoud, het herstel of de uitrusting van de kansspelen; het bedrag van 500 000 frank per aangevangen schijf van 50 toestellen voor alle andere houders van de vergunning klasse E. De Koning kan de bedragen van de waarborg bij een in Ministerraad overlegd besluit wijzigen.

De Koning legt aan de wetgevende kamers, een ontwerp van wet voor dat gericht is op de bekrachtiging van het besluit uitgevaardigd ter uitvoering van het vorige lid. » Ten aanzien van het belang om in rechte te treden B.2. Aangezien de vordering tot schorsing ondergeschikt is aan het beroep tot vernietiging, moet de ontvankelijkheid van het beroep met name het wettelijk vereiste belang om het beroep in te stellen reeds bij het onderzoek van de vordering tot schorsing worden betrokken.

B.3. Het belang van de verzoekende partijen om in rechte te treden wordt door de Ministerraad betwist.

B.4. De verzoeker in de zaak nr. 1991 is een natuurlijke persoon die, ter staving van zijn belang, zich op het feit beroept dat hij een aantal aandelen heeft die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen van patrimoniumvennootschappen die zelf aandelen hebben in verscheidene vennootschappen die door de bestreden bepalingen worden getroffen.

In zijn hoedanigheid van aandeelhouder van patrimoniumvennootschappen, waarvan hij niet aantoont dat hij ze controleert, wordt de verzoeker niet op een voldoende rechtstreekse wijze geraakt door artikel 27 van de bestreden wet die het voorwerp uitmaakt van zijn vordering tot schorsing.

Uit het onderzoek van de zaak waartoe het Hof kon overgaan in het kader van de vordering tot schorsing, blijkt dat het belang om in rechte te treden van de verzoeker in de zaak nr. 1991 niet vaststaat.

B.5. Om dezelfde redenen en in dezelfde mate lijkt het beroep dat door de vijfde verzoeker is ingediend in de zaak nr. 1998 niet ontvankelijk.

B.6. De beroepen van de verzoekende partijen lijken ontvankelijk rekening houdend met het feit dat het vennootschappen zijn waarvan het maatschappelijk doel de exploitatie van speelzalen omvat. De n.v.

Circus Guillemins lijkt echter niet rechtstreeks en ongunstig te worden geraakt door artikel 27, dat voorziet in het verbod van cumulering van vergunningen van de klassen A, B, C en D met een vergunning van klasse E, aangezien die vennootschap momenteel enkel kansspelen exploiteert en ter zitting heeft verklaard dat zij geen enkele activiteit wenste uit te oefenen in de door een vergunning van klasse E beoogde domeinen.

Ten aanzien van de schorsing B.7. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof dient aan twee grondvoorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten : - de middelen die worden aangevoerd moeten ernstig zijn; - de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen.

Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat één van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing.

Wat betreft het ernstige karakter van de middelen Ten aanzien van artikel 8 B.8.1. De verzoeksters in de zaak nr. 1998 verwijten artikel 8 van de aangevochten wet dat het in de inrichtingen van klasse II (speelautomatenhallen) en van klasse III (drankgelegenheden) het gebruik verbiedt van de kansspelen waarvan is vastgesteld dat de speler een verlies kan lijden van meer dan 500 frank per uur, terwijl de wet niet een dergelijk verbod vaststelt voor de inrichtingen van klasse I (casino's). Zij verwijten die bepaling eveneens dat zij de kansspelen die worden geëxploiteerd in de inrichtingen van klasse II en klasse III aan dezelfde beperking onderwerpt, terwijl de situatie van die beide types van inrichtingen wezenlijk verschillend is.

B.8.2. De aangevochten bepaling is voortgevloeid uit een parlementaire bespreking van verschillende amendementen waarvan een als volgt luidde : « Het verlies dat een speler kan lijden ingevolge het gebruik van of de deelname aan kansspelen die worden geëxploiteerd in een kansspelinrichting klasse II, moet duidelijk lager liggen dan het verlies dat hij kan lijden ingevolge het gebruik van of de deelname aan kansspelen die worden geëxploiteerd in een kansspelinrichting klasse I » (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1795/8, p. 32). Door overigens op te merken dat « kansspelautomaten [ . ] in tegenstelling tot casino's eerder laagdrempelig » zijn - die toegankelijkheidsdrempel wordt immers beschouwd als een van de inherente factoren van het kansspel die de verslaving bevorderen (Parl. St., Senaat, 1997-1998, nr. 1-419/7, pp. 6 en 7) - vermocht de wetgever te oordelen dat de casino's en degenen die ze bezoeken zich in een verschillende situatie bevinden ten opzichte van de andere inrichtingen en hun klanten en dat die situatie het in het geding zijnde verschil in behandeling verantwoordde.

B.8.3. Bovendien kunnen de loterijen het voorwerp uitmaken van gedifferentieerde maatregelen omdat zij bedoeld worden in de wet van 31 december 1851 op de loterijen en in de wet van 22 juli 1991 betreffende de Nationale Loterij, waarvan de wetgever heeft gemeend dat zij een « strenge specifieke wetgeving [vormen] die iedere [ . ] bepaling [ . ] overbodig maakt » (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1795/8, pp. 11 en 12). Bovendien zijn de uren van toegang en de nadere regels van die aard dat het risico van verslaving minder groot is dan datgene wat wordt gecreëerd door de in de bestreden wet bedoelde spelen. Ten slotte is opgemerkt dat de andere (verrichtingen van) loterijen dan die welke zijn bedoeld in de wetten van 1851 en 1991 aan de bestreden wet zijn onderworpen (idem, nr. 1-419/17, p. 67).

Bijgevolg lijkt de aangevochten bepaling niet discriminerend.

B.8.4. De gelijkheid van behandeling van de inrichtingen van klasse II (speelautomatenhallen) en van klasse III (drankgelegenheden) lijkt objectief en redelijkerwijze verantwoord ten aanzien van de nagestreefde doelstelling die erin bestaat de spelers te beschermen.

Een ongelijke behandeling zou het risico van verslaving enkel verplaatsen van de ene naar de andere categorie van inrichtingen.

Ten aanzien van artikel 34 B.9. De verzoeksters in de zaak nr. 1998 verwijten artikel 34, tweede lid, dat het het totale aantal speelautomatenhallen beperkt tot 180, zonder dat het eenzelfde beperking oplegt aan de andere kansspelinrichtingen, waardoor het aldus op discriminerende wijze afbreuk doet aan de vrijheid van handel en nijverheid en aan het eigendomsrecht.

B.10. De vrijheid van handel en nijverheid kan niet worden opgevat als een absolute vrijheid. Zij belet niet dat de wetgever de economische bedrijvigheid van personen en ondernemingen regelt. De wetgever zou alleen dan de vrijheid van handel en nijverheid schenden indien hij die vrijheid zou beperken zonder dat daartoe enige noodzaak bestaat of indien die beperking kennelijk onevenredig zou zijn met het nagestreefde doel.

De kansspelen die leiden tot een geldelijke winst of een geldelijk verlies, buiten een menselijke zwakheid uit die zeer ernstige gevolgen kan hebben voor sommige personen en hun familie; zij vormen een sociaal gevaar, zodat te dezen restrictieve maatregelen gemakkelijker te verantwoorden zijn dan permissieve maatregelen.

B.11. De in het geding zijnde bepalingen hebben tot doel op een redelijke manier ten opzichte van de omvang van de nationale bevolking, het sociale gevaar in te perken dat de kansspelinrichtingen kunnen betekenen. Gelet op het feit dat een absoluut verbod hem overdreven lijkt, heeft de wetgever op het principiële verbod dat hij handhaafde (artikel 305 van het Strafwetboek bestrafte het openhouden van een huis voor kansspelen en artikel 1 van de wet van 24 oktober 1902 verbood de uitbating van kansspelen) een uitzondering ingesteld die gebaseerd is op een vergunningsregeling, er daarbij over wakend in de toekomst geen onbezonnen ontwikkeling van dat soort inrichtingen toe te laten. Naast die doelstelling van sociale bescherming heeft de wetgever gewenst, via een sluitende controle « [de] mogelijke en ongewenste neveneffecten [van de kansspelen] (spelverslaving, witwassen van geld, criminaliteit, financiële en fiscale fraude) » in kaart te brengen, te voorkomen en te bestrijden (Parl. St., Senaat, 1997-1998, nr. 1-419/4, pp. 25, 26 en 36; idem, nr. 1-419/7, pp. 5 en 6; Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1795/8, p. 4).

B.12.1. In het licht van dergelijke doelstellingen lijkt de beperking van het aantal speelautomatenhallen tot 180 niet onredelijk, uitgaande zowel van een verhouding van een speelautomatenhal per vijftigduizend inwoners als van rendabiliteitsoverwegingen (Parl. St., Senaat, 1997-1998, nr. 419/7, pp. 22 en 23). Werd, zoals de verzoekende partijen opmerken, in het oorspronkelijke ontwerp de grens weliswaar op 200 inrichtingen vastgesteld, dan merkt het Hof op dat de grens werd teruggebracht tot 180 na een politioneel optreden : « Naar aanleiding van de gerechtelijke operatie ' Indian Summer ' van november 1998, waarbij alle lunaparken werden gecontroleerd, is gebleken dat hun werkelijke aantal [geen] 200 (zoals werd vermoed) maar 180 bedraagt. Het lijkt dan ook aangewezen de bestaande situatie te bevriezen. » (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1795/8, p. 54) B.12.2. Het komt het Hof, in het stadium van de vordering tot schorsing, niet voor dat de inrichtingen van klasse I en de inrichtingen van klasse III vergelijkbare categorieën kunnen vormen wanneer het erom gaat het aantal toegelaten inrichtingen te regelen.

Het aantal ervan, de toegankelijkheid ervan en de beperkingen die eruit voortvloeien op het vlak van de spelen die worden aangeboden aan het publiek dat de wetgever wenst te beschermen, maken het mogelijk te besluiten tot de niet-vergelijkbaarheid ervan.

B.13. De verzoekende partijen in de zaak nr. 1998 verwijten artikel 34, derde lid, dat het de speelautomatenhallen discrimineert, aangezien zij de enige kansspelinrichtingen zijn die onderworpen zijn aan een discretionaire bevoegdheid van de gemeente.

B.14. Wanneer een activiteit een gevaar voor de maatschappij inhoudt indien zij niet aan voorwaarden wordt onderworpen, neemt de wetgever een maatregel die adequaat lijkt door haar te onderwerpen aan regels die afwijken van het stelsel dat van toepassing is op de gewone handelsactiviteiten. In zijn onderzoek van de in het geding zijnde bepalingen merkte de Raad van State op dat de vergunningsregeling waarin die bepalingen voorzien « niet tot gevolg [heeft] dat aan de gemeentelijke autonomie wordt geraakt, in zoverre de wetgever zelf ter zake politie over de kansspelen wil uitoefenen. Deze wetgeving tast de bevoegdheid van de gemeentelijke overheid niet aan, bij voorbeeld die inzake algemene politie en stedebouw » (Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-419/17, p. 251).

De vereisten van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zijn niet van die aard dat de wetgever sommige taken niet aan de gemeenten zou kunnen toevertrouwen, zelfs wanneer hij zelf de politie over de betrokken activiteiten wil uitoefenen.

De aangevochten bepaling, die uitgaat van het streven om « [door] de inschakeling van de gemeente [ . ] het controle-effect [te versterken] » (Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1-419/17, p. 138) en aan de gemeenten « een zekere beleidsvrijheid toe te staan » met betrekking tot de vestiging van dergelijke inrichtingen (Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1795/5, p. 12) en hun openingsuren (idem, nr. 1795/8, p. 55), vormt een maatregel die adequaat lijkt om het nagestreefde doel te bereiken.De in het geding zijnde bepaling mag niet alleen worden beoordeeld op grond van een eventuele onregelmatige toepassing ervan; de verzoekende partijen beschikken over gepaste jurisdictionele waarborgen ten aanzien van de beslissingen die door de bevoegde overheid worden genomen.

Het Hof merkt in het bijzonder op dat de « discretionaire bevoegdheid » van de gemeente bij het afsluiten van een convenant voor de uitbating van een kansspelinrichting van klasse II, in tegenstelling tot verklaringen uit de parlementaire voorbereiding (Hand., Senaat, 27 april 1999, p. 7713; Hand., Kamer, 31 maart 1999) onderworpen blijft aan de regels van toezicht en de beslissingen of weigering ervan jurisdictioneel aanvechtbaar zijn.

Het Hof stelt eveneens vast dat de vergelijking die door de verzoekers wordt gemaakt tussen inrichtingen van verschillende klassen niet in aanmerking kan worden genomen om de in B.12.2 aangegeven redenen.

Wat betreft artikel 27 B.15. De verzoeksters in de zaken nrs. 1992 en 1998 verwijten artikel 27, eerste lid, van de aangevochten wet dat het verbiedt een vergunning van klasse B (exploitatie van speelautomatenhallen) te cumuleren met een vergunning van klasse E (verkoop, invoer, verhuur, uitvoer en uitrusting van kansspelen) en aldus op discriminerende wijze afbreuk doet aan artikel 23 van de Grondwet, aan artikel 43 van het E.G.-Verdrag en aan de vrijheid van handel en nijverheid alsmede aan het eigendomsrecht.

B.16. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt weliswaar, enerzijds, dat « de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen » waarborgen en, anderzijds, dat die rechten « het recht op arbeid en op de vrije keuze van beroepsarbeid in het raam van een algemeen werkgelegenheidsbeleid dat onder meer gericht is op het waarborgen van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil » omvatten. Maar uit die bepalingen mag niet worden afgeleid dat de wetgever, wanneer hij een activiteit wil regelen die een gevaar voor de maatschappij inhoudt indien zij niet aan voorwaarden wordt onderworpen, geen beperkingen zou kunnen opleggen aan degenen die de activiteit uitoefenen.

Om de in B.10 uiteengezette redenen lijkt artikel 27 van de bestreden wet niet discriminerend.

Bovendien reikt het cumulatieverbod ten aanzien van de vennootschappen niet zo ver dat ieder aandeelhouderschap in meerdere vennootschappen verboden zou zijn. Zoals de Ministerraad heeft opgemerkt, beoogt de wetgever te voorkomen dat « belanghebbende » vennootschappen de controle behouden over de door de wet bedoelde vennootschappen die in verband staan met kansspel.

Noch de in artikel 27 van de Grondwet gewaarborgde vrijheid van vereniging, noch het eigendomsrecht verhinderen de wetgever evenmin een activiteit te reglementeren die een gevaar betekent voor de maatschappij. Dat optreden van de wetgever kan worden verantwoord door het feit dat het in een democratische samenleving noodzakelijk is dat de bescherming van de goede zeden en van de rechten van anderen wordt verzekerd.

B.17. Artikel 43 (oud artikel 52) van het E.G.-Verdrag verzet er zich niet tegen dat, om redenen van algemeen belang, regels worden vastgesteld met betrekking tot de organisatie, de bevoegdheid, de beroepsethiek en de controle, voor zover die beroepsregels worden toegepast op al degenen die gevestigd zijn op het grondgebied van de Staat waar de dienst wordt ingesteld.

Wat betreft artikel 36, 3 en 4 B.18.1. Artikel 36.3 verplicht de licentieaanvragers en -houders van klasse B alle nuttige inlichtingen bij te brengen om de transparantie van de uitbating en identificatie van de aandeelhouders na te gaan, onder meer aan de hand van de bij artikel 27 verboden cumuleringen.

De verzoekende partijen behandelen wel het moeilijk te herstellen nadeel dat zij, om te kunnen voldoen aan het voornoemde cumulatieverbod, bij overdracht van aandelen zouden kunnen ondergaan, maar ze voeren geen bijzondere argumenten aan met betrekking tot de beweerde ongrondwettigheid van die bepalingen.

De bewering moet niet worden onderzocht.

B.19.1. De verzoekende partijen in de zaak nr. 1998 verwijten artikel 36.4 dat het de inrichtingen van klasse II discrimineert ten opzichte van de inrichtingen van de klassen I en III. B.19.2. Artikel 36.4 van de bestreden wet stelt de toekenning, door de erin aangewezen overheid, van een uitbatingsvergunning voor speelautomatenhallen afhankelijk van voorwaarden die het mogelijk maken te vermijden dat personen die de wetgever in het bijzonder wil beschermen (scholieren, jongeren, gedetineerden die de gevangenis mogen verlaten) ertoe worden aangezet ze te bezoeken of die erop gericht zijn te beletten dat een frivole omgeving wordt gecreëerd in de buurt van ziekenhuizen en plaatsen waar erediensten worden gehouden, uit eerbied voor de geestesgesteldheid van diegenen die getuige zijn van leed of de behoefte voelen om zich te bezinnen.

De wetgever vermocht te oordelen dat die bekommernis van bescherming niet een identieke behandeling verantwoordde ten aanzien van de vestiging van inrichtingen van de klassen I en III, die zeer verschillend zijn van de speelautomatenhallen.

Ten aanzien van artikel 37.3 B.20.1. De verzoekers in de zaak nr. 1992 formuleren ten aanzien van artikel 37.3 dezelfde grieven als ten aanzien van artikel 27, eerste lid.

B.20.2. Die grieven moeten worden verworpen om de redenen uiteengezet in B.10 tot B.17. Het is in overeenstemming met het door de wetgever nagestreefde doel dat aan de betrokken sector regels inzake transparantie worden opgelegd.

Wat betreft het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel Ten aanzien van de artikelen 19 en 71 B.21. De verzoekende partijen in de zaak nr. 1998 voeren, ter staving van het nadeel dat is veroorzaakt door de artikelen 19 en 71 van de bestreden wet, de ongrondwettigheid van de taks en de moeilijkheden van terugbetaling aan.

B.22. De twee voorwaarden bedoeld in artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 zijn autonome voorwaarden : een aangevoerde ongrondwettigheid is op zichzelf niet van die aard dat ze het moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt in de zin van dat artikel.

Ten aanzien van het door de verzoekers aangevoerde financiële nadeel tonen zij niet op voldoende wijze, aan de hand van concrete feiten, aan dat het voor hen onherstelbaar is.

Om die redenen, het Hof verwerpt de vorderingen tot schorsing.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, op de openbare terechtzitting van 8 november 2000.

De griffier, L. Potoms.

De voorzitter, M. Melchior.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^