Etaamb.openjustice.be
Bericht
gepubliceerd op 19 april 2000

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 februari 2000 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 maart 2000, Die zaak is ingeschreven onder nummer 1897 van de rol van het Hof. De griffier, L. Potoms.

bron
arbitragehof
numac
2000021198
pub.
19/04/2000
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 29 februari 2000 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 1 maart 2000, heeft het Gemeenschapsonderwijs, met zetel te 1000 Brussel, E. Jacqmainlaan 20, beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van artikel 25 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 18 mei 1999 betreffende het onderwijs XI (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 augustus 1999), wegens schending van de artikelen 10, 11 en 24 van de Grondwet.

Die zaak is ingeschreven onder nummer 1897 van de rol van het Hof.

De griffier, L. Potoms.

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij vonnis van 3 maart 2000 in zake de arbeidsauditeur tegen F. Hala en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 8 maart 2000, heeft de Correctionele Rechtbank te Luik de prejudiciële vraag gesteld: « Schendt artikel 35, derde lid, van de wet van 27 juni 1969, zo geïnterpreteerd dat het de strafrechter, naast het tweede lid, dat hem de verplichting oplegt de werkgever ambtshalve te veroordelen tot betaling aan de R.S.Z. van het bedrag van de bijdragen, bijdrageopslagen en verwijlinteresten die niet aan de Dienst zijn gestort, verplicht de werkgever ambtshalve te veroordelen tot betaling aan de R.S.Z. van een vergoeding gelijk aan het drievoud van de bedrieglijk aangegeven bijdragen als een sanctie van burgerlijke aard, met als gevolg de onmogelijkheid ze vergezeld te laten gaan van een maatregel van opschorting of uitstel, ze te weren wanneer de uitgesproken straf die is waarin een andere tekst voorziet met toepassing van artikel 65 van het Strafwetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in verhouding tot de situatie van elke andere beklaagde die kan worden veroordeeld op het strafrechtelijk vlak sensu stricto en tot de verplichting om de schadelijke gevolgen van het strafbaar feit te herstellen, en ten aanzien van iedere werkgever die voor de burgerlijke rechter niet zou zijn veroordeeld tot betaling aan de R.S.Z. van de ontdoken bijdragen, bijdrageopslagen en verwijlinteresten ? » Die zaak is ingeschreven onder nummer 1902 van de rol van het Hof.

De griffier, L. Potoms.

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof Bij beslissing van 29 februari 2000 in zake M. Vandenabeele, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 9 maart 2000, heeft de Commissie van beroep ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering de volgende prejudiciële vragen gesteld : « - Schendt artikel 156, laatste lid, in fine, van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, doordat het bepaalt dat `enkel het beschikkend gedeelte der beslissingen (van de beperkte kamer en van de commissie van beroep) wordt bekendgemaakt', de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, terwijl met toepassing van die bepaling alleen het R.I.Z.I.V., vervolgende partij in het proces, kennis heeft van de rechtspraak van de commissie van beroep en de appellant daar wettelijk geen kennis van kan krijgen via de bekendmaking van die rechtspraak, in het bijzonder wat het middel van de verjaring betreft, zoals door de commissie van beroep geïnterpreteerd in een recente beslissing, afgeleid uit de toepassing van artikel 174, eerste lid, 10°, van de wet van 14 juli 1994 en in het licht van wat hiervoor is uiteengezet ? - Schendt artikel 174, derde lid, tweede deel, van de wet van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, doordat het bepaalt dat `voor de feiten die aan de in artikel 141, § 2, bedoelde beperkte kamers en aan de in artikel 155, derde lid, bedoelde commissies van beroep zijn voorgelegd, [ . ] de in 6° bepaalde verjaring pas [ingaat] op de datum waarop een definitieve beslissing van die beperkte kamers of commissies van beroep is genomen' de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie bedoeld in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? » Die zaak is ingeschreven onder nummer 1904 van de rol van het Hof en werd samengevoegd met de zaak met rolnummer 1836.

De griffier, L. Potoms.

^