Etaamb.openjustice.be
Bericht
gepubliceerd op 20 juni 2001

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof a. Bij vonnis van 18 april 2001 in zake A. Kluev tegen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Kortrijk, waarvan de expeditie ter gr « Schendt artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra(...)

bron
arbitragehof
numac
2001021316
pub.
20/06/2001
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

ARBITRAGEHOF


Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof a. Bij vonnis van 18 april 2001 in zake A.Kluev tegen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Kortrijk, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 23 april 2001, heeft de Arbeidsrechtbank te Kortrijk de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 57, § 2, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn in de interpretatie dat de illegale vreemdeling, aan wie een bevel is betekend om het grondgebied te verlaten en die een aanvraag heeft gedaan tot regularisatie overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, geen recht heeft op maatschappelijke dienstverlening in de periode tussen zijn aanvraag tot regularisatie tot de dag waarop een negatieve beslissing wordt genomen ingevolge artikel 14 van voornoemde wet van 22 december 1999, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ? » b. Bij arrest van 27 april 2001 in zake M.Ahmeti tegen het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn te Brugge, waarvan de expeditie ter griffie van het Arbitragehof is ingekomen op 4 mei 2001, heeft het Arbeidshof te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 57, § 2, van de O.C.M.W.-wet al dan niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, vanaf het in werking treden van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, doordat het zonder duidelijke redelijke verantwoording personen die zich in verschillende situaties bevinden, op dezelfde wijze behandelt, enerzijds, vreemdelingen aan wie een uitvoerbaar bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend en tegen wie dat bevel goedschiks of kwaadschiks kan worden uitgevoerd en, anderzijds, vreemdelingen aan wie een uitvoerbaar bevel werd betekend en die niet met geweld zullen verwijderd worden tijdens het onderzoek van hun regularisatieaanvraag krachtens artikel 14 van de voornoemde wet van 22 december 1999 ? » Die zaken zijn ingeschreven onder de nummers 2163 en 2170 van de rol van het Hof en werden samengevoegd met de zaken met rolnummers 2130 en 2140.

De griffier, L. Potoms.

^