Besluit Van De Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 09 april 2004
gepubliceerd op 26 mei 2004
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende vaststelling van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening

bron
ministerie van het brussels hoofdstedelijk gewest
numac
2004031182
pub.
26/05/2004
prom.
09/04/2004
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

9 APRIL 2004. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende vaststelling van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening


ADVIES 36.651/4 36.652/4 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, vierde kamer, op 20 februari 2004 door de Minister-Voorzitter van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over : 1° een ontwerp van besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering "houdende vaststelling van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening" (36.651/4); 2° een voorontwerp van ordonnantie "houdende ratificatie van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende vaststelling van de Brusselse Code voor Ruimtelijke Ordening" (36.652/4), heeft op 15 maart 2004 het volgende advies gegeven : De machtiging tot codificatie, die aan de Brusselse Hoofdstedelijke Regering wordt verleend bij artikel 73 van de ordonnantie van 18 juli 2002 tot wijziging van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw, is als volgt geformuleerd : «

Art. 73.De regering kan de hieronder vermelde wetgevende bepalingen codificeren en met elkaar in overeenstemming brengen door er de wijzigingen in aan te brengen die aanbeveling verdienen met het oog op een formele vereenvoudiging, zonder dat er afbreuk kan worden gedaan aan de in deze bepalingen ingeschreven principes : -de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw en haar uitvoeringsbesluiten; - de ordonnantie van 4 maart 1993 inzake het behoud van het onroerend erfgoed en haar uitvoeringsbesluiten; - de ordonnantie van 13 april 1995 betreffende de herinrichting van de nietuitgebate of verlaten bedrijfsruimten en haar uitvoeringsbesluiten.

De onder het eerste lid bedoelde codificatie draagt de volgende titel : « Brussels Wetboek van de ruimtelijke ordening ». Zij treedt slechts in werking na haar ratificatie door de Raad.

De regering is eveneens gemachtigd tot het aanpassen van de verwijzingen naar de krachtens het eerste lid gecoördineerde en gecodificeerde bepalingen die in andere ordonnanties vervat zitten. » 1. Naleving van de machtiging wat betreft de teksten die gecodificeerd mogen worden Het ter fine van advies voorgelegde ontwerp neemt in de codificatie de ordonnantie van 18 juli 2002 houdende het voorkooprecht op, hoewel de machtiging daarin niet voorziet.In de brief waarmee om advies wordt verzocht, wordt als reden voor het opnemen ervan opgegeven dat de wet van 13 juni 1961Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/1961 pub. 27/07/2012 numac 2012000458 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de coördinatie en de codificatie van wetten. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de coördinatie en de codificatie van wetten (1) wordt toegepast. De codificatie wordt evenwel niet tot stand gebracht op basis van die wet, die impliceert dat aan het coördinatiebureau van de Raad van State een aanvraag tot codificatie wordt gericht, maar kracht ens een bijzondere machtiging. Ook al kan de ordonnantie houdende het voorkooprecht in het licht van de memorie van toelichting betreffende het voormelde artikel 73 gerekend worden tot de "aanverwante wetten" waaraan gedacht is (2), neemt zulks niet weg dat de regering, gelet op de keuze die ze heeft gemaakt, niet formeel gemachtigd was de ordonnantie houdende het voorkooprecht in de codificatie op te nemen.

In het ontwerp wordt eveneens, als artikel 282, artikel 70bis van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw overgenomen. Voor zulk een uitbreiding is evenmin een machtiging voorhanden.

Het staat aan de ordonnantiegever en aan hem alleen om zo nodig de werkingssfeer van de codificatie uit te breiden. De hiernavolgende opmerkingen worden dan ook gemaakt onder voorbehoud van die uitbreiding.

Overigens dient, voor de goede vorm, in het voormelde artikel 73 de vermelding van de ordonnantie van 13 april 1995 betreffende de herinrichting van de niet-uitgebate of verlaten bedrijfsruimten te worden vervangen door de vermelding van de regeling die daarvoor in de plaats is gekomen, namelijk de ordonnantie van 18 december 2003 betreffende de rehabilitatie en de herbestemming van de niet-uitgebate bedrijfsruimten.

Er moet nog een ander voorbehoud worden gemaakt, namelijk dat alleen bepalingen die reeds in werking zijn getreden, gecodificeerd kunnen worden, hetgeen thans nog niet het geval is met, ten eerste, de ordonnantie van 19 februari 2004 betreffende enkele bepalingen inzake ruimtelijke ordening en, ten tweede, de artikelen 35 en 64, 2°, van de ordonnantie van 18 juli 2002 tot wijziging van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw. 2. Naleving van de machtiging wat betreft de wijzigingen die aangebracht mogen worden De aan de regering verleende machtiging om in de bedoelde ordonnanties "de wijzigingen... aan te brengen die aanbeveling verdienen met het oog op een formele vereenvoudiging, zonder dat er afbreuk kan worden gedaan aan de in deze bepalingen ingeschreven principes", houdt geen machtiging in tot het aanbrengen van wijzigingen die op de inhoud betrekking hebben.

Teneinde in staat te zijn om te beoordelen of de aanpassingen van de tekst binnen de perken van de machtiging blijven, moet men niet alleen beschikken over voetnoten met verwijzingen naar de originele teksten, maar ook over verantwoordingen van de uitgevoerde aanpassingen wanneer de nieuwe tekst geen getrouwe weergave is van de originele tekst.

Die beide informatiebronnen (voetnoten en verantwoordingen) zijn uit de aard der zaak nodig, zelfs wanneer de voormelde wet van 13 juni 1961Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/06/1961 pub. 27/07/2012 numac 2012000458 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de coördinatie en de codificatie van wetten. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten niet van toepassing is. Ze zijn onontbeerlijk, niet alleen voor degenen tot wie de teksten van de codificatie gericht zijn (rechter en burger), maar ook om het, in een vroeger stadium, mogelijk te maken dat het ontwerp terdege wordt onderzocht zowel door de afdeling Wetgeving van de Raad van State als door de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, bij de ratificatie ervan.

Binnen de korte termijn is het niet mogelijk geweest de bepalingen van het ontwerp systematisch te onderzoeken. Er is dan ook steekproefsgewijs te werk gegaan.

Uit die steekproeven blijkt dat sommige bepalingen verder gaan dan de machtiging die door de Gewestraad is toegestaan. In dit verband moet er heel in het bijzonder op worden gewezen dat het corrigeren van andere vergissingen dan loutere verschrijvingen, zelfs als het om klaarblijkelijke vergissingen gaat, een zaak is van de ordonnantiegever alleen.

In dat verband worden alleen de volgende voorbeelden gegeven : - Artikel 3 van het ontwerp luidt als volgt : "Bij de tenuitvoerlegging van dit Wetboek, stellen de administratieve instanties alles in het werk om de sociale... vooruitgang... te verzoenen (...)". In de voetnoot wordt verwezen naar artikel 3 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, welk artikel als volgt luidt : "Bij de uitwerkingsprocedure van de plannen en bij de afgifte van de vergunningen en attesten, stellen de administratieve instanties alles in het werk om de sociale... vooruitgang... te verzoenen (...)".

Zulk een formulering zou aanvaardbaar zijn als elk van de gecodificeerde teksten, zelfs in enigszins verschillende bewoordingen, het principe zou overnemen dat in die bepaling verankerd is. Dat principe komt evenwel alleen voor in de ordonnantie van 29 augustus 1991, voor bepaalde handelingen die deze regelt. Het ontworpen artikel 3 brengt dus een inhoudelijke wijziging aan door de werkingssfeer van dat principe uit te breiden, wat verder reikt dan de machtiging. - Bij artikel 41, derde lid, van het ontwerp, welke bepaling geacht wordt de weergave te zijn van artikel 49, derde lid, van de ordonnantie van 29 augustus 1991, worden in die bepaling twee inhoudelijke wijzigingen aangebracht : ten eerste worden de begrippen "effectenverslag" en "effectenstudie" vervangen door het begrip "milieueffectenrapport" en ten tweede wordt de uitdrukking "van de hogere plannen" vervangen door de uitdrukking "van het gewestelijk bestemmingsplan". - In artikel 42, tweede lid, van het ontwerp komen in de plaats van de woorden "de bepalingen van de plannen" de woorden "de bepalingen van het gewestelijk bestemmingsplan". - Artikel 7 van de voormelde ordonnantie van 4 maart 1993 bevat een verwijzing naar artikel 38 van diezelfde ordonnantie; in artikel 210 van het ontwerp wordt dat artikel 7 overgenomen met een verwijzing naar de artikelen 307 en 310 (3), terwijl in de concordantietabel wordt aangegeven dat het voornoemde artikel 38 weer te vinden is in de artikelen 307 en 308 van de codificatie, terwijl artikel 310, volgens diezelfde bron, voortkomt uit artikel 38ter van de ordonnantie. - In artikel 46 van het ontwerp wordt artikel 54 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 overgenomen zoals het gewijzigd is bij de ordonnantie van 19 februari 2004, maar daarbij worden in paragraaf 3, derde lid, de woorden "het college van burgemeester en schepenen" vervangen door de woorden "de gemeenteraad". - Artikel 275, tweede lid, van het ontwerp bevat onderdelen 5° en 6°, die in het oorspronkelijke artikel niet voorkomen. - In de artikelen 307 en 310 van het ontwerp worden bepalingen opgenomen waarvan er sommige vervat zijn in de ordonnantie van 29 augustus 1991 en andere in de ordonnantie van 4 maart 1993. Die bepalingen worden in zulke bewoordingen overgenomen dat de oorspronkelijke werkingssfeer ervan op verschillende punten wordt gewijzigd, nu eens in uitbreidende zin, dan weer in beperkende zin. 3. Naleving van de machtiging wat de inwerkingtreding betreft De machtiging die vervat is in artikel 73, tweede lid, van de voormelde ordonnantie van 18 juli 2002 bepaalt dat de codificatie pas in werking treedt "na haar ratificatie door de Raad".Het is derhalve niet aanvaardbaar dat artikel 2 van het besluit zelf een datum van inwerkingtreding bepaalt, aangezien de inwerkingtreding wordt vastgesteld in de machtigingsbepaling zelf.

Deze bepaling dient te vervallen. 4. Noodzaak om te voldoen aan de verplichting inzake transparantie Een machtiging tot codificatie kan niet worden gelijkgesteld met een door de wetgever verleende blancovolmacht en de uitvoerende macht dient derhalve met de grootst mogelijke transparantie op te treden. Zoals hierboven reeds opgemerkt is, moeten in een codificatie (evenals in een coördinatie) alle tot stand gekomen wijzigingen worden vermeld, maar moet deze het ook mogelijk maken de gegrondheid ervan te beoordelen wat de naleving van de machtiging betreft. Het ontwerp vertoont in dit verband ernstige gebreken. Er kan onder meer op het volgende worden gewezen : - De wijzigingen die in de tekst zelf worden aangebracht, moeten duidelijk worden aangegeven, wat niet het geval is. Wanneer de voetnoten betrekking hebben op gewijzigde bepalingen, wordt de oorspronkelijke bepaling er gewoon in overgenomen, waarbij het aan de lezer wordt overgelaten zelf te ontdekken wat gewijzigd is. Zo bijvoorbeeld wordt in de voetnoot betreffende artikel 42 van het ontwerp artikel 50 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 gewoon overgenomen, zonder dat uitdrukkelijk wordt aangegeven welke wijzigingen door de codificatie worden aangebracht. Er dient duidelijk te worden aangegeven welk woord vervangen wordt door welk ander woord. - In paragraaf 2, derde lid, van artikel 46 van het ontwerp wordt het woord "raad" vervangen door het woord "gemeenteraad", zonder dat deze wijziging wordt vermeld.

Ook al kan deze wijziging worden gerechtvaardigd omwille van de eenheid van de terminologie, waarover dient te worden gewaakt, ze dient op zijn minst te worden aangegeven. De omstandigheid dat dit niet geschied is, kan bovendien de vraag doen rijzen of er eventueel geen andere wijzigingen bestaan waarvan geen gewag zou zijn gemaakt. - In artikel 79 van het ontwerp is sprake van de onteigeningsplannen die opgemaakt zijn krachtens "dit hoofdstuk", terwijl in artikel 77 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, dat het overneemt, sprake is van "deze ordonnantie".

Niets rechtvaardigt deze wijziging, die overigens pertinent is aangezien de plannen waarvan in de voornoemde ordonnantie van 29 augustus 1991 sprake is, geregeld worden door bepalingen van het vermelde hoofdstuk van het codificatiebesluit. De wijzigingen in de verwijzingen worden evenmin uitgelegd. - De wijzigingen in de interne verwijzingen worden nooit aangegeven.

Zo bijvoorbeeld wordt in de voetnoot betreffende artikel 43 van het ontwerp niet vermeld dat de verwijzing naar de artikelen 56 tot 58 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 vervangen wordt door een verwijzing naar de artikelen 48 tot 50. - In de codificatie komen de onderdelen 4°, 5°, 7° en 8° van artikel 2 van de ordonnantie van 4 maart 1993 inzake het behoud van het onroerende erfgoed niet meer voor. Ook al lijken deze weglatingen aanvaardbaar in het kader van een vereenvoudiging, ze zouden moeten worden gerechtvaardigd en op zijn minst moeten worden vermeld. - Wat betreft de gemachtigde ambtenaar, wordt niet uitgelegd waarom bijvoorbeeld in artikel 210 (4) de woorden "de gemachtigde ambtenaar die aangesteld is krachtens de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw" niet voorkomen, terwijl het opportuun zou zijn geweest te verwijzen naar artikel 5 van het ontwerp. - Het wegvallen, in artikel 258, van de definitie van "Regering", die voorkomt in artikel 2 van de ordonnantie van 18 juli 2002 houdende het voorkooprecht, wordt niet vermeld en nog minder gerechtvaardigd. - Wanneer een tekst wordt opgesplitst, dient nauwkeurig te worden aangegeven welk deel ervan overgenomen wordt (bijvoorbeeld: artikel 13 van het ontwerp).

De gegevens in de voetnoten (5) dienen dus systematisch te worden herzien en, in voorkomend geval, te worden herwerkt en hetzelfde dient te geschieden voor de concordantietabellen. 5. De samenhang bewaren ondanks de verscheidenheid van de bronnen De ordonnantie van 19 februari 2004 voegt in de ordonnantie van 29 augustus 1991 een artikel 15bis in, dat aan de Regering een ruime machtiging verleent voor de omzetting van Europese richtlijnen.Deze machtiging van algemene aard geldt zowel voor de bestaande bepalingen van de ordonnantie van 29 augustus 1991, als voor de wijzigingen van allerlei aard die daarin naderhand kunnen worden aangebracht.

Door het opnemen van deze bepaling, in artikel 314 van de codificatie, zoals ze geredigeerd is (6), wordt de strekking ervan gewijzigd, aangezien die bepaling aldus kan worden uitgelegd dat ze belet dat bepalingen die worden gewijzigd, onder meer door vervanging van een artikel, op hun beurt kunnen worden gewijzigd bij besluit van de Regering met het oog op een omzetting. Door te verwijzen naar "de bepalingen van de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw van 29 augustus 1991 zoals gecodificeerd in dit Wetboek", worden deze bepalingen immers als het ware vastgelegd zoals ze waren op het ogenblik van de codificatie.

Het zou derhalve opportuun zijn deze bepaling aldus te wijzigen dat sprake is van de "bepalingen inzake planning en stedenbouw van dit Wetboek", bewoordingen die beter overeenstemmen met de werkelijke strekking van artikel 15bis. 6. In de codificatie mogen geen bepalingen worden gehandhaafd die doelloos geworden zijn De codificatie bevat enerzijds in titel XI (7) verscheidene "slot- en overgangsbepalingen" van de gecodificeerde ordonnanties en anderzijds in een bijlage IV "niet-gecoördineerde bepalingen" (8) van dezelfde ordonnanties. Het onderzoek van de bepalingen die opgenomen zijn in titel XI doet de vraag rijzen of een aantal ervan niet kan worden overgebracht naar bijlage IV. Een oude opheffingsbepaling bijvoorbeeld, die haar werk gedaan heeft, of een overgangsbepaling die betrekking heeft op een situatie die niet meer bestaat, is niet op haar plaats in de eigenlijke codificatie.

Dit is inzonderheid het geval met : - artikel 315, dat een opheffingsbepaling is; - de artikelen 317, 318, 319 en 335, die eveneens opheffingsbepalingen zijn; - de artikelen 320 tot 324, waarin overgangsbepalingen opgenomen zijn die niet meer van toepassing kunnen zijn; hetzelfde geldt voor artikel 334.

De andere bepalingen dienen geheel of gedeeltelijk te worden gehandhaafd voorzover dit vereist is om bestaande situaties of situaties die zich nog kunnen voordoen, te regelen.

Voor deze aanpassingen dient een gepaste uitleg te worden verstrekt.

Er behoort eveneens te worden bepaald wat er dient te gebeuren met bepalingen zoals artikel 1, tweede lid, van de ordonnantie van 19 februari 2004, waarin verwezen wordt naar de richtlijnen die door die ordonnantie worden omgezet. Men kan zich scharen achter de stelling dat aangezien formeel voldaan is aan de verwijzingsverplichting die door de richtlijnen wordt opgelegd, het niet noodzakelijk is om die bepaling over te nemen in de codificatie, maar daarbij wordt uit het oog verloren dat zulk een verwijzing, die zeer terecht opgenomen is in het dispositief van de ordonnantie van 19 februari 2004, een duidelijke weergave is van de aard van de bepalingen waarop ze betrekking heeft. Door dat gegeven niet over te nemen, ontstaat het gevaar dat een aantal bepalingen van de codificatie niet rechtsregels van Europees recht lijken op te nemen in de wetgeving en dat de rechter bijvoorbeeld verzuimt om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, hetgeen indruist tegen de doelstelling van een uniforme toepassing van het Europees recht. 7. Vormaanpassingen van de voetnoten Naast de inhoudelijke opmerkingen die hiervoren geformuleerd zijn met betrekking tot de inhoud van de voetnoten, moeten deze ook herzien worden wat betreft een aantal vormelijke aspecten ervan : - Er moet worden nagegaan of het nog zin heeft om vermeldingen te behouden die doelloos geworden zijn.Bijvoorbeeld de verwijzingen met betrekking tot artikel 21 van het ontwerp, welke melding maken van de doelloos geworden wijzigingen die door de ordonnanties van 23 november 1993 en 19 december 1996 aangebracht zijn in artikel 23 van de ordonnantie van 29 augustus 1991; wat artikel 45 van het ontwerp betreft, dat artikel 53 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 overneemt, de andere wijzigingen dan de vervanging van die bepaling bij de ordonnantie van 19 februari 2004. - Er moet nagegaan worden of alle verwijzingen kloppen. Zo bijvoorbeeld moet de verwijzing in verband met artikel 6 melding maken van de ordonnantie van 23 november 1993 en niet van die van 16 juli 1998. - Overeenkomstig het beginsel dat is vastgelegd door de artikelen 33 en 39 van de wet van 12 januari 1989, dat bepaalt dat de Nederlandse en de Franse tekst tegenover elkaar worden bekendgemaakt, behoort hetzelfde te gedaan te worden met de voetnoten (9). 8. Aanpassing van de verwijzingen naar gecodificeerde bepalingen die vervat zijn in andere ordonnanties Artikel 73, derde lid, van de ordonnantie van 18 juli 2002 tot wijziging van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw machtigt de Regering in het bijzonder tot het aanpassen van de verwijzingen naar gecodificeerde bepalingen die in andere ordonnanties vervat zijn. Dat geldt bij voorbeeld voor de verwijzingen naar de ordonnantie van 29 augustus 1991 die vervat zijn in de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen.

Met het oog op de rechtszekerheid zou het nodig zijn dat de Regering de noodzakelijke aanpassingen doorvoert tegelijk met het opstellen van het ontworpen wetboek. 9. Conclusie Het ontwerp op zich lijkt, onder voorbehoud van een onderzoek dat door de toegemeten termijn slechts ten dele is kunnen worden gevoerd, de voornaamste kenmerken te vertonen die men terecht mag verwachten van een codificatie, namelijk een coherent, systematisch en volledig geheel vormen, op voorwaarde dat men in de voetnoten alle aangebrachte wijzigingen uitvoerig beschrijft en deze rechtvaardigt, hetgeen niet naar behoren is geschied. Een tweede vaststelling is evenwel onvermijdelijk, namelijk dat het ontwerp zich niet helemaal houdt aan de machtiging die is toegekend door artikel 73 van de ordonnantie van 18 juli 2002 tot wijziging van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw.

Immers, enerzijds is de codificatie uitgebreid is tot een tekst die door de wetgever niet was genoemd (de ordonnantie van 18 juli 2002 houdende het voorkooprecht) en anderzijds zijn wijzigingen aangebracht die niet beschouwd kunnen worden als een vereenvoudiging wat de vorm betreft.

Hoe kan in die omstandigheden een codificatie worden uitgewerkt die de noodzakelijke kwaliteiten heeft ? Die vraag moet worden ontleed in het licht van de verplichting gesteld in het voornoemde artikel 73, namelijk dat de codificatie bekrachtigd moet worden door een ordonnantie en dat ze pas in werking treedt na die bekrachtiging.

Er behoort derhalve te worden nagegaan of de bekrachtiging op zich een einde kan maken aan de wettigheidsbezwaren die eventueel kunnen worden geopperd tegen de bepalingen die niet in overeenstemming zijn met de machtiging, vanwege die niet-overeenstemming.

Het antwoord op deze vraag dient te worden genuanceerd.

Wanneer de wetgever een wetboek bekrachtigt, beoogt hij daaraan een onbetwistbare rechtszekerheid te verlenen. De bedoeling bestaat erin alle mogelijke twijfels weg te nemen die zouden kunnen bestaan wat betreft de overeenstemming van het wetboek met de machtiging die de wetgever verleend heeft aan de uitvoerende macht. Dat zal inzonderheid nuttig zijn wanneer er impliciete wijzigingen zijn, waarmee rekening behoort te worden gehouden in het kader van een machtiging tot coördinatie of codificatie (10).

De vraag of door die bekrachtiging onregelmatigheden gedekt kunnen worden, die als zodanig op deugdelijke wijze, aan de orde zijn gesteld, ligt moeilijker (11).

Er bestaan precedenten in die zin (12).

Er kan evenwel niet worden voorbijgegaan aan de principiële bezwaren waartoe zulk een oplossing aanleiding geeft en aan de risico's die ze inhoudt, noch aan het feit dat het in andere omstandigheden niet opportuun gebleken is om van die oplossing gebruik te maken (13).

Het eerste bezwaar is dat de wetgever op die manier weinig rekening houdt met de grenzen die hij zelf heeft gesteld aan het optreden van de uitvoerende macht, en die er net toe strekken dat geen afbreuk wordt gedaan aan de regels voor het vaststellen waarvan alleen de wetgever bevoegd is.

Het tweede bezwaar is dat de genoemde oplossing, die erin bestaat het gehele wetboek in globo te bekrachtigen, met inbegrip van de nieuwe inhoudelijke regels die in het wetboek zijn ingevoegd met schending van de machtiging die aan de uitvoerende macht is verleend, misleidend kan zijn omtrent de rol van de wetgever wat die regels betreft. Er mag in dat verband niet uit het oog worden verloren dat de wetgever, wanneer hij een wetboek met nieuwe inhoudelijke regels bekrachtigt, daarbij een nieuwe wil uit. Zoals het Arbitragehof heeft opgemerkt : "In een (...) geval van loutere coördinatie kan de bekrachtiging ervan, door een wet met een enig artikel, niet worden beschouwd als een uiting van de wil van de wetgever om in die materie opnieuw te legifereren. Het zou evenwel anders zijn gesteld indien (...) nieuwe bepalingen in het coördinatiebesluit zouden worden opgenomen of de coördinatie zelf een betekenisverandering van de oude teksten tot gevolg zou hebben. » (14).

Het is dan ook sterk aan te bevelen, zowel ter wille van de rechtszekerheid als om te zorgen voor de vereiste doorzichtigheid, zo nauwgezet mogelijk te werk te gaan en met andere bepalingen dan die welke, in de ordonnantie tot bekrachtiging van de codificatie, strekken tot de genoemde bekrachtiging, de wetgever de gelegenheid te bieden, uitdrukkelijk de vereiste aanpassingen aan te brengen in de gecodificeerde ordonnanties, zodat de bepaling van de ordonnantie die ertoe strekt de codificatie te bekrachtigen, verenigbaar is met de daartoe verstrekte machtiging.

Aldus aangebrachte wijzigingen openen weliswaar ook de weg naar eventuele beroepen, maar deze methode biedt de volgende twee voordelen : enerzijds wordt de wetgever op die wijze beter op de hoogte gebracht van de respectieve draagwijdte van de teksten tot wijziging van de gecodificeerde ordonnanties en van de bekrachtigingstekst; anderzijds zal het publiek aldus beter geïnformeerd worden over het bestaan van echt nieuwe bepalingen in de rechtsorde.

Bijgevolg dienen in de bekrachtigingsordonnantie : a) de machtiging vervat in het genoemde artikel 73 zo te worden aangevuld dat : 1° ze ook geldt voor de ordonnantie van 18 juli 2002 houdende het voorkooprecht en voor artikel 70bis van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw;2° ze wordt aangepast, zodat ze ook geldt voor de ordonnantie van 18 december 2003 betreffende de rehabilitatie en de herbestemming van niet-uitgebate bedrijfsruimten in plaats van voor de ordonnantie van 13 april 1995 betreffende de herinrichting van de niet-uitgebate of verlaten bedrijfsruimten, die door de eerstgenoemde ordonnantie vervangen is;3° de vermeldingen "en haar uitvoeringsbesluiten" worden geschrapt, die geen zin hebben aangezien het niet de bedoeling is om, en er overigens ook geen reden is om louter verordenende bepalingen in de codificatie op te nemen.b) met onderscheiden bepalingen in de betrokken ordonnanties de andere wijzigingen te worden aangebracht dan vereenvoudigingen van de vorm, die men in het kader van de codificatie wenst aan te brengen. Het zou bovendien raadzaam zijn in de bekrachtigingsordonnantie te bepalen dat, in afwachting van een harmonisering, de verwijzingen naar opgeheven regelingen die voorkomen in verordeningsbepalingen (15), formulieren en documenten, geacht worden te verwijzen naar de bepalingen van de codificatie overeenkomstig de concordantietabel die als bijlage bij de codificatie gaat.

Ten slotte moet de bekrachtiging slaan op de eigenlijke codificatie en niet op het codificatiesbesluit.

De kamer was samengesteld uit : Mevr. M.-L. WILLOT-THOMAS, kamervoorzitter, de heren : P. LIENARDY, P. VANDERNOOT, staatsraden, Mevr. C. GIGOT, griffier.

Het verslag werd uitgebracht door de HH. B. JADOT, eerste auditeur-afdelingshoofd en R. QUINTIN, referendaris.

De overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst werd nagezien onder toezicht van de H. P. LIENARDY. De griffier, C. GIGOT. De voorzitter, M.-L. WILLOT-THOMAS. _______ Nota's (1) Waarvan de artikelen 2 en 3 opgeheven zijn bij de wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/08/1996 pub. 24/07/1997 numac 1996015142 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Kaïro o type wet prom. 04/08/1996 pub. 08/06/2005 numac 2005015073 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Gabon tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, onderteken type wet prom. 04/08/1996 pub. 21/10/1999 numac 1999015088 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende het kraamgeld, ondertekend te Brussel op 26 april 1993 sluiten, terwijl de inhoud van die artikelen sedertdien in artikel 6bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State te vinden is.(2) Gedr.St. Brusselse Hoofdstedelijke Raad, zitting 2001-2002, nr.

A-284/1, blz. 32. (3) Die dubbele verwijzing komt ook elders voor, namelijk in artikel 229.(4) Dat artikel 7 van de ordonnantie van 4 maart 1993 betreffende het behoud van het onroerend erfgoed overneemt.(5) Als voorbeeld van de aanpassingen die in de voetnoten moeten worden aangebracht kan worden aangehaald de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.(6) Deze bepaling wordt ingevoegd in de zogenaamde "slot- en overgangsbepalingen", terwijl ze mede de kern van de ordonnantie van 29 augustus 1991 vormde.(7) En niet IX, zoals verkeerdelijk vermeld.(8) Eigenlijk "niet in de codificatie opgenomen bepalingen".(9) Teneinde de leesbaarheid van de voetnoten te verbeteren zou het veel meer geraden zijn om in plaats van een nummer van de voetnoot, het artikelnummer te vermelden, gevolgd door de uitleg.Daardoor zouden de Nederlandse en de Franse tekst perfect op elkaar afgestemd kunnen zijn en zouden die teksten niet meer ingeleid worden door onderscheiden nummers. Wat de formulering betreft, zou het overigens nodig zijn om naast de reeds gemaakte opmerkingen, zich te houden aan de aanbevelingen die door de Raad van State bekendgemaakt zijn inzake wetgevingstechniek (Circulaire betreffende de wetgevingstechniek - aanbevelingen en formules, november 2001 (http://www.raadvst-consetat.be). (10) Dat blijkt onder andere uit het verslag aan de Koning dat voorafgaat aan het koninklijk besluit van 24 juni 1988 tot codificatie van de gemeentewet onder het opschrift "Nieuwe gemeentewet" (Belgisch Staatsblad van 3 september 1988, blz.12465), waarin naar aanleiding van het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State, wordt gesteld dat om te constateren dat een wet stilzwijgend gewijzigd is door een andere wet een uitlegging van die twee teksten vereist is en dat een bekrachtiging verhindert dat een exceptie van onwettigheid in dat verband kan worden aangevoerd ten aanzien van de coördinatie. (11) Lees in dat verband D.RENDERS, "La consolidation législative de l'acte administratif unilatéral", Bruylant-L.G.D.J., 2003, blz. 228 en 229 (12) Zoals D.RENDERS, ibid. blz. 229, opmerkt over de wet van 9 januari 1995 tot bekrachtiging van het koninklijk besluit van 14 juli 1994 houdende coördinatie van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen en tot opheffing van een aantal niet in de coördinatie opgenomen bepalingen. Die wet "dekt" inderdaad sommige bepalingen waarvoor geen rechtsgrond voorhanden was.

Wel moet worden vastgesteld dat, zoals in het opschrift staat, dezelfde wet bepalingen die niet zijn opgenomen in de coördinatie, uitdrukkelijk opheft; dat die bepalingen vervallen zijn is dus niet zo maar aangenomen op grond van de bekrachtiging alleen. (13) Zie het verslag betreffende het wetsontwerp "tot bekrachtiging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gecoördineerd op 10 april 1992", waarin gesteld wordt dat aangehaakt wordt bij de mening van de afdeling Wetgeving van de Raad van State, luidens welke, zelfs in geval van bekrachtiging door de wetgever, geen inhoudelijke wijzigingen kunnen worden aangebracht, wat de grond is geweest om verscheidene bepalingen uit de codificatie te lichten (Gedr.St., Kamer, zitting 1991-1992, nr. 407/2, blz. 5). Zie ook de motivering voor een codificatie door de wetgever gegeven in de memorie van toelichting van het wetsontwerp houdende invoering van het Wetboek van Vennootschappen (Gedr. St. Kamer, zitting 1998-1999, nr. 1838/1, blz. 1 en 2). (14) Arrest nr.81/93 van 1 december 1993, B.3.1. Uit dat arrest blijkt dat de bekendmaking van nieuwe bepalingen een nieuwe termijn doet ingaan waarbinnen een beroep tot nietigverklaring tegen die bepalingen kan worden ingesteld. (15) Wat de wetsbepalingen betreft, wordt verwezen naar opmerking 8. 9 APRIL 2004. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering houdende vaststelling van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening De Brusselse Hoofdstedelijke Regering, Gelet op de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw;

Gelet op de ordonnantie van 4 maart 1993 inzake het behoud van het onroerend erfgoed;

Gelet op de ordonnantie van 18 juli 2002 inzake het voorkooprecht;

Gelet op de ordonnantie van 18 december 2003 houdende de rehabilitatie en de herbestemming van de niet-uitgebate bedrijfsruimten;

Gelet op artikel 70bis van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van ruimtelijke ordening en stedenbouw;

Gelet op de ordonnantie van 18 juli 2002 houdende wijziging van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw, inzonderheid artikel 73;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën van 16 februari 2004;

Gelet op het advies van de Raad van State van 15 maart 2004;

Op voordracht van de Minister-Voorzitter en van de Staatssecretaris die aan hem is toegevoegd, Besluit :

Artikel 1.De bepalingen van de ordonnanties van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw, van 4 maart 1993 inzake het behoud van het onroerend erfgoed, van 18 juli 2002 betreffende het voorkooprecht en van 18 december 2003 betreffende de rehabilitatie en de herbestemming van de niet-uitgebate bedrijfsruimten en artikel 70bis van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van ruimtelijke ordening en stedenbouw worden gecodificeerd conform de bij dit besluit bijgevoegde tekst.

Art. 2.De Minister-Voorzitter, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek wordt belast met de uitvoering van deze beslissing.

Brussel, 9 april 2004.

Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering : J. SIMONET, Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek

Bijlage I INHOUDSOPGAVE VAN DE BRUSSELSE CODE VOOR RUIMTELIJKE ORDENING TITEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN HOOFDSTUK I. - Doelstellingen HOOFDSTUK II. - Machtiging HOOFDSTUK III. - Openbaar onderzoek HOOFDSTUK IV. - Adviescommissies Afdeling I. - De Gewestelijke Ontwikkelingscommissie

Afdeling II. - De overlegcommissies

Afdeling III. - De Koninklijke Commissie voor Monumenten en

Landschappen HOOFDSTUK V. - Stedenbouwkundig College TITEL II. - PLANNING HOOFDSTUK I. - Algemeen HOOFDSTUK II. - Gewestelijk ontwikkelingsplan Afdeling I. - Algemeen

Afdeling II. - Inhoud

Afdeling III. - Uitwerkingsprocedure

Afdeling IV. - Wijzigingsprocedure

Afdeling V. - Gevolgen van het ontwerpplan en van het plan

Afdeling VI. - Opvolging van het plan

HOOFDSTUK III. - Gewestelijk bestemmingsplan Afdeling I. - Algemeen

Afdeling III. - Uitwerkingsprocedure

Afdeling IV. - Wijzigingsprocedure

Afdeling V. - Gevolgen van het plan

Afdeling VI. - Opvolging van het plan

HOOFDSTUK IV. - Gemeentelijk ontwikkelingsplan Afdeling I. - Algemeen

Afdeling II. - Inhoud

Afdeling III. - Uitwerkingsprocedure

Afdeling IV. - Wijzigingsprocedure

Afdeling V. - Gevolgen van het ontwerpplan en van het plan

Afdeling VI. - Opvolging van het plan

HOOFDSTUK V. - Bijzonder bestemmingsplan Afdeling I. - Algemeen

Afdeling II. - Inhoud

Afdeling III. - Uitwerkingsprocedure

Afdeling IV. - Wijzigingsprocedure

Afdeling V. - Opmaak en wijziging op initiatief van de Regering

Afdeling VI. - Opheffingsprocedure

Afdeling VII. - Gevolgen van het plan

Afdeling VIII. - Opvolging van het plan

HOOFDSTUK VI. - Onteigening en vergoeding Afdeling I. - Beginsel

Afdeling II. - Procedure

Afdeling III. - Vergoedingen

Afdeling IV. - Uitvoeringstermijn voor de onteigeningen

Afdeling V. - Vergoeding van de waardeverminderingen

HOOFDSTUK VII. - Ruilverkaveling en herverkaveling TITRE III. - STEDENBOUWKUNDIGE VERORDENINGEN Hoofdstuk I. - Algemeen Hoofdstuk II. - Gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen Hoofdstuk III. - Gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen Hoofdstuk III. - Gevolgen van de gewestelijke en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen Hoofdstuk IV. - Wijziging van de gewestelijke en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen TITEL IV. - VERGUNNINGEN EN ATTEST HOOFDSTUK I. - Stedenbouwkundige vergunning Afdeling I. - Handelingen en werken onderworpen aan een

stedenbouwkundige vergunning Afdeling II. - Stedenbouwkundige lasten

Afdeling III. - Verval en verlenging

Afdeling IV. - Vergunning van beperkte duur

HOOFDSTUK II. - Verkavelingsvergunning Afdeling I. - Handelingen onderworpen aan een verkavelingsvergunning

Afdeling Il. - Gevolgen van de verkavelingsvergunning

Afdeling III. - Stedenbouwkundige lasten

Afdeling IV. - Vervaltermijn

Afdeling V. - Wijziging van de verkavelingsvergunning

HOOFDSTUK III. - Indiening en behandeling van de vergunningsaanvragen en beroepen Afdeling I. - Indiening van de aanvraag

Afdeling II. - Voorafgaande effectenbeoordeling van bepaalde projecten

Onderafdeling 1. - Aanvragen onderworpen aan een effectenstudie Onderafdeling 2. - Aanvragen die onderworpen worden aan een effectenverslag Afdeling III. - Speciale regelen van openbaarmaking

Afdeling IV. - Beslissing van het college van burgemeester en

schepenen Afdeling V. - Schorsing en vernietiging van de vergunning

Afdeling VI. - Aanhangigmaking van de gemachtigde ambtenaar

Afdeling VII. - Beroep bij het Stedenbouwkundig College

Afdeling VIII. - Beroep bij de Regering

Afdeling IX. - Vergunningen aangevraagd door een publiekrechtelijk

rechtspersoon voor werken van openbaar nut of voor een beschermd of op de bewaarlijst ingeschreven goed of waarvoor de inschrijvings- of beschermingsprocedure geopend is, of voor een niet-uitgebate bedrijfsruimte Afdeling X. - Gezamenlijke bepalingen voor de beslissingen

Afdeling XI. - Bijzondere bepalingen voor de verkavelingsvergunning

HOOFDSTUK IV. - Stedenbouwkundig attest Afdeling I. - Begrip

Afdeling II. - Afgifteprocedure

Afdeling III. - Gevolgen van het stedenbouwkundig attest

TITEL V. - BESCHERMING VAN HET ONROERENDE ERFGOED HOOFDSTUK I. - Algemeen HOOFDSTUK II. - De inventaris en het register van het onroerend erfgoed HOOFDSTUK III. - De bewaarlijst Afdeling 1. - Het inschrijven op de bewaarlijst en het opleggen van

bijzondere behoudsvoorwaarden Afdeling 2. - Gevolgen

Afdeling 3. -Royering van de bewaarlijst en wijziging van de

behoudsvoorwaarden HOOFDSTUK IV. - De bescherming Afdeling 1. - Beschermingsprocedure.

Afdeling 2. - Gevolgen van de bescherming.

Afdeling 3. - Procedure tot opheffing van de bescherming.

HOOFDSTUK V. - Beheer, werken en toelagen.

HOOFDSTUK VI. - Onteigening.

HOOFDSTUK VII. - Opgravingen, peilingen en archeologische vondsten Afdeling 1. - De personen die ertoe gemachtigd zijn opgravingen en

peilingen uit te voeren Afdeling 2. - De opgravingen en peilingen van openbaar nut

Afdeling 3. - De opgravingen en peilingen naar aanleiding van een

vergunningsaanvraag Afdeling 4. - De archeologische vondsten

Afdeling 5. - De vergoedingen

Afdeling 6. - Het toezicht op de roerende archeologische goederen

Afdeling 7. - De toelagen

HOOFDSTUK VIII. - Bijzondere bepaling TITEL VI. - DE NIET-UITGEBATE BEDRIJFSRUIMTEN HOOFDSTUK I. - Algemeen HOOFDSTUK II. - De inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten HOOFDSTUK III. - Rehabilitatie en herbestemming HOOFDSTUK IV. - Onteigening TITEL VII. - Het voorkooprecht HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK II. - De aan het voorkooprecht onderhevige perimeter HOOFDSTUK III. - De houders van het voorkooprecht HOOFDSTUK IV. - De uitoefening van het voorkooprecht Afdeling 1. - De aan het voorkooprecht onderworpen vastgoedoperaties

Afdeling 2. - De onderhandse overdracht

Afdeling 3. - De openbare verkoop

Afdeling 4. - De onteigening

HOOFDSTUK V. - Formaliteiten en vordering tot nietigverklaring TITEL VIII. - INLICHTINGEN EN INFORMATIE HOOFDSTUK I. - Stedenbouwkundige inlichtingen HOOFDSTUK II. - Mededeling van inlichtingen en documenten inzake planning en stedenbouw HOOFDSTUK III. - De publiciteit voor de verkoop en de verhuring TITEL IX. - FISCALE MAATREGELEN HOOFDSTUK I. - Taksen op de niet-bebouwde percelen HOOFDSTUK II. - Taksen op de ruimten opgenomen in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten HOOFDSTUK III. - Immunisatie en vrijstelling betreffende bepaalde goederen die vallen onder het beschermd of op de bewaarlijst ingeschreven erfgoed TITEL X. - MISDRIJVEN EN STRAFBEPALINGEN HOOFDSTUK I. - Misdrijven Afdeling I. - Handelingen die als misdrijf gelden

Afdeling II. - Vaststelling van de misdrijven

Afdeling III. - Stopzettingsprocedure van de in overtreding

uitgevoerde handelingen en werken Afdeling IV. - Ambsthalve uitvoering

HOOFDSTUK II. - Strafbepalingen HOOFDSTUK III. - Overschrijving HOOFDSTUK IV. - Dading TITEL XI. - SLOTBEPALINGEN HOOFDSTUK I. - Slot- en overgangsbepalingen van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw Afdeling 1. - Implementatie van de Europese richtlijnen

Afdeling 2. - Opheffingsbepalingen

Afdeling 3. - Overgangs- en slotbepalingen

HOOFDSTUK II. - Overgangs- en eindbepalingen van de ordonnantie van 4 maart 1993 inzake het behoud van het onroerend erfgoed HOOFDSTUK III. - Overgangs- en eindbepalingen van de ordonnantie van 18 december 2003 betreffende de rehabilitatie en de herbestemming van de niet-uitgebate bedrijfruimten Bijlage A. - Aan een effectenstudie onderworpen projecten Bijlage B. - Aan een effectenrapport onderworpen projecten Bijlage C. - Inhoud van het milieueffectenrapport van de plannen Bijlage D. - Criteria voor de vaststelling van de mogelijke aanzienlijke effecten van plannen Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 april 200 4.

Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering : J. SIMONET, Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek

Bijlage II. - Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening TITEL I. - ALGEMENE BEPALINGEN HOOFDSTUK I. - Doelstellingen

Artikel 1.Dit wetboek regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 39 van de Grondwet. (2) Het integreert de ordonnantie van 19 februari 2004 betreffende sommige bepalingen inzake ruimtelijke ordening die met name bedoeld is om de richtlijn 96/82/EG van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, de richtlijn 97/11/EG van de Raad van 3 maart 1997 houdende wijziging van de richtlijn 85/337/EEG betreffende de evaluatie van de milieu-effectenbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten en de richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's, in zijn toepassingssfeer te verwerken.

Art. 2.De ontwikkeling van het Gewest, samen met de ordening van zijn grondgebied, wordt nagestreefd om, op een duurzame manier, tegemoet te komen aan de sociale, economische, patrimoniale en milieubehoeften van de gemeenschap door het kwalitatief beheer van het levenskader, door het zuinig gebruik van de bodem en zijn rijkdommen en door de instandhouding en de ontwikkeling van het cultureel, natuurlijk en landschappelijk erfgoed. (4)

Art. 3.Bij de tenuitvoerlegging van dit Wetboek, stellen de administratieve instanties alles in het werk om de sociale en economische vooruitgang met de kwaliteit van het leven te verzoenen, en de inwoners van het Gewest ervan te verzekeren dat een harmonieuze ordening in acht wordt genomen. (6)

Art. 4.Elk jaar bij de bespreking van de begroting en uiterlijk op 31 december legt de Regering op het bureau van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad een verslag neer over de stand van zaken en de vooruitzichten inzake de ontwikkeling en de stedebouw en over de uitvoering van de gewestelijke en gemeentelijke plannen voor. (8) HOOFDSTUK II. - Machtiging

Art. 5.De Regering duidt de ambtenaren aan van het Bestuur Ruimtelijke Ordening en Huisvesting hierna het Bestuur genoemd, welke gemachtigd worden voor de in dit Wetboek nader omschreven doelstellingen.

Zij worden "gemachtigde ambtenaren" genoemd. (10) HOOFDSTUK III. - Openbaar onderzoek

Art. 6.De Regering bepaalt de nadere regels van het openbaar onderzoek in naleving van de volgende beginselen : 1° de duur van een openbaar onderzoek mag niet korter dan vijftien dagen zijn;2° ten minste de helft van de voorgeschreven termijn van een openbaar onderzoek valt buiten de periode van de zomer-, Paas- en Kerstschoolvakanties;3° de dossiers zijn ten minste één werkdag per week tot 20 uur toegankelijk;4° iedereen kan technische uitleg krijgen volgens de door de Regering bepaalde regels;5° iedereen kan schriftelijk of, indien nodig, mondeling opmerkingen en bezwaren maken vóór de sluiting van het openbaar onderzoek. De Regering of de gemeenten kunnen zelf beslissen over bijkomende vormen van openbaarmaking en raadpleging.

De Regering bepaalt onder welke voorwaarden subsidies worden verleend voor het uitvoeren van de bepalingen van dit artikel. (12) HOOFDSTUK IV. - Adviescommissies Afdeling I. - De Gewestelijke Ontwikkelings Commissie

Art. 7.Er wordt een Gewestelijke Ontwikkelingscommissie opgericht, hierna de "Gewestelijke Commissie" genoemd.

De Gewestelijke Commissie is belast met het uitbrengen van een met redenen omkleed advies over de ontwerpen van gewestelijk ontwikkelingsplan, van gewestelijk bestemmingsplan, van gewestelijke stedenbouwkundigeverordeningen en over de ontwerpen van gemeentelijke ontwikkelingsplannen.

De Gewestelijke Commissie kan, inzake de uitvoering of de aanpassing van de plannen en verordeningen waarover zij zich moet uitspreken, opmerkingen maken of suggesties voordragen bij de Regering.

Zij stelt algemene richtlijnen voor in verband met het voorbereiden en het opmaken van ontwikkelings- en bestemmingsplannen alsmede van stedenbouwkundige verordeningen.

De Regering kan bovendien alle kwesties met betrekking tot de ontwikkeling van het Gewest aan de Gewestelijke Commissie voorleggen.

De adviezen, opmerkingen, suggesties en voorstellen van richtlijnen worden met eenparigheid van stemmen geformuleerd. Bij ontstentenis van eenparigheid bestaat het advies uit de weergave van alle standpunten die tijdens de werkzaamheden naar voor werden gebracht.

De Gewestelijke Commissie overhandigt de Regering, uiterlijk op 30 juni van elk jaar, een verslag over haar activiteiten.

De Regering bepaalt de regels voor de samenstelling en de werking van de gewestelijke Commissie in naleving van de volgende beginselen : 1. de vertegenwoordiging van de adviesorganen wier deskundigheid zich situeert op economisch en sociaal vlak, op dat van monumenten en landschappen, van het milieu en de mobiliteit, waarvan de lijst door de Regering wordt vastgesteld;2. de vertegenwoordiging van de gemeenten;3. de aanwijzing van onafhankelijke experts;4. het horen van de afgevaardigden van de Regering of van de gemeenten die de in het tweede lid bedoelde ontwerpen hebben uitgewerkt. De Gewestelijke Commissie kan onderverdeeld worden in gespecialiseerde secties.

De leden van de Gewestelijke Commissie worden door de Regering aangewezen bij elke volledige vernieuwing van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad en uiterlijk op de 1e januari die volgt op zijn installatie. (14)

Art. 8.De Gewestelijke Commissie wordt bijgestaan door een vast secretariaat. De opdrachten van dit secretariaat zijn onder meer : 1° de voorbereiding van het in artikel 7 bedoelde jaarverslag;2° een register met de door de Gewestelijke Commissie uitgebrachte adviezen ter beschikking van de bevolking houden.(16) Afdeling II. - De overlegcommissies

Art. 9.Voor elke gemeente van het Gewest wordt een overlegcommissie opgericht.

Alvorens een bijzonder bestemmingsplan, een onteigeningsplan dat in uitvoering van een dergelijk plan wordt opgesteld en een gemeentelijke stedenbouwkundigeverordening worden aangenomen, is een voorafgaand advies van de overlegcommissie vereist. Dergelijk advies is eveneens vereist alvorens een stedenbouwkundigevergunning, een verkavelingsvergunning of een stedebouwkundig attest wordt afgegeven, telkens dit bij verordening of bij een plan is voorzien, of wanneer deze vergunnings- of attestaanvragen aan de in artikelen 150 en 151 bedoelde speciale regelen van openbaarmaking werden onderworpen.

Op aanvraag van de Regering, de gemachtigde ambtenaar of het college van burgemeester en schepenen brengt de overlegcommissie advies uit over alle kwesties die betrekking hebben op de plaatselijke ordening en kan dienaangaande alle nuttige voorstellen formuleren.

De Regering bepaalt de samenstelling, de organisatie en de werking van de overlegcommissies in navolging van de volgende beginselen : 1° de vertegenwoordiging van de gemeenten;2° de vertegenwoordiging van de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij van Brussel;3° de aanwijzing van het bestuur van de stedebouw en de ruimtelijke ordening naast die van de betrokken gewestelijke besturen als leden van de commissies;4° het horen van de natuurlijke of rechtspersonen die erom vragen tijdens het openbaar onderzoek;5° de onthouding van de leden van de overlegcommissies over de vergunnings- of attestaanvragen die uitgaan van het orgaan dat zij vertegenwoordigen met uitzondering van de beambten van het bestuur van de stedebouw en de ruimtelijke ordening;6° de terbeschikkingstelling voor de bevolking van een register met de notulen van de vergaderingen en met de door de commissies uitgebrachte adviezen.(18)

Art. 10.De Regering bepaalt onder welke voorwaarden aan de gemeenten subsidies worden verleend voor de werking van de overlegcommissies. (20) Afdeling III. - De Koninklijke Commissie voor Monumenten en

Landschappen

Art. 11.§ 1. Er wordt een Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen opgericht.

Haar opdracht bestaat erin de adviezen te verstrekken die door of krachtens dit Wetboek (22) zijn vereist.

Zij kan eveneens de Regering op aanvraag van deze laatste of op eigen initiatief, van advies dienen over iedere aangelegenheid die betrekking heeft op een goed dat tot het onroerende erfgoed behoort.

Zij kan haar eveneens aanbevelingen doen voor het algemeen beleid inzake de problematiek van het behoud.

Ter uitvoering van de bevoegdheden inzake advies en aanbevelingen die haar krachtens de voorgaande leden zijn toegekend, verzekert de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen het behoud van de goederen die onder het onroerend erfgoed vallen, die ingeschreven zijn op de bewaarlijst of beschermd zijn te verzekeren en te waakt ze over hun herbestemming wanneer ze niet uitgebaat of niet gebruikt worden. § 2. De Regering stelt de samenstelling, de organisatie en de regels van onverenigbaarheid van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen vast en past daarbij de volgende principes toe : 1. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen is samengesteld uit 18 leden die door de Regering benoemd worden.Twaalf worden gekozen op basis van een dubbele lijst die door de Hoofdstedelijke Raad voorgelegd wordt en zes worden gekozen op de voordracht van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. 2. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen is samengesteld uit leden die afkomstig zijn van alle kringen die bij het behoud betrokken zijn, verenigingen inbegrepen. De leden van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen zijn bekend om hun bekwaamheid inzake het behoud van het onroerende erfgoed.

Elk van de volgende vakgebieden is vertegenwoordigd : natuurlijk erfgoed, archeologie, historisch onderzoek, architecturaal erfgoed, restauratietechnieken.

Bovendien omvat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen ten minste een licentiaat of doctor in de archeologie en kunstgeschiedenis, een licentiaat of doctor in de geschiedenis en een architect. 3. De leden van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen worden benoemd voor een vernieuwbaar mandaat van zes jaar.4. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen wordt om de drie jaar voor de helft vernieuwd. § 3. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen keurt een huishoudelijk reglement goed dat ze ter goedkeuring voorlegt aan de Regering.

De adviezen, de opmerkingen, aanbevelingen en suggesties van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, worden bij gewone meerderheid van de aanwezige leden geformuleerd.

Behalve voor adviezen mag de minderheid haar mening laten opnemen in de notulen. § 4. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen wordt bijgestaan door een vast secretariaat.

De Regering wijst de ambtenaren van de Administratie van het Erfgoed aan die belast worden met dit secretariaat.

Het secretariaat heeft met name als taak het secretariaat en de interne administratie van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen te verzekeren. (24) HOOFDSTUK V. - Stedenbouwkundig college

Art. 12.Er wordt een Stedenbouwkundig College opgericht dat bevoegd is voor de behandeling van beroepen tegen de beslissingen van het college van burgemeester en schepenen of van de gemachtigde ambtenaar, overeenkomstig afdeling VII van hoofdstuk III, titel IV. Het Stedenbouwkundig College bestaat uit negen deskundigen benoemd door de Regering op een dubbele lijst van kandidaten voorgedragen door de Brusselse Hoofdstedelijke Raad. De mandaten worden voor zes jaar toegekend en zijn hernieuwbaar. Het Stedenbouwkundig College wordt om de drie jaar vernieuwd voor de helft.

De Regering bepaalt de organisatie en de werking van het Stedenbouwkundig College, de vergoeding van zijn leden alsmede de onverenigbaarheidsregels. Het secretariaat wordt door ambtenaren van het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest waargenomen. (26) TITEL II. - PLANNING HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Art. 13.De ontwikkeling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de ordening van zijn grondgebied wordt bepaald voor de volgende plannen : 1. het gewestelijk ontwikkelingsplan;2. het gewestelijk bestemmingsplan;3. de gemeentelijke ontwikkelingsplannen;4. het bijzonder bestemmingsplan.(28)

Art. 14.De Regering erkent de natuurlijke dan wel privaat- of publiekrechtelijke rechtspersonen die door de gemeenteraad kunnen worden aangewezen om mee te werken aan het opmaken van de gemeentelijke ontwikkelingsplannen en van de bijzondere bestemmingsplannen en die in het kader van de uitwerking van een bijzonder bestemmingsplan of van een gemeentelijk ontwikkelingsplan belast kunnen worden met de evaluatie van de effecten.

Ze bepaalt de voorwaarden van deze erkenning. (30)

Art. 15.De Regering bepaalt onder welke voorwaarden door het Gewest subsidies worden verleend voor het uitwerken van de gemeentelijke plannen. (32) HOOFDSTUK II. - Gewestelijk ontwikkelingsplan Afdeling I. - Algemeen

Art. 16.De Brusselse Hoofdstedelijke Regering stelt een gewestelijk ontwikkelingsplan vast dat van toepassing is op het volledig Brussels Hoofdstedelijk grondgebied.

Binnen de zes maanden die volgen op de maand van de installatie van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad maakt de Regering een rapport over haar intentie om over te gaan tot een eventuele volledige of gedeeltelijke wijziging van het gewestelijk ontwikkelingsplan ter informatie over aan de Brusselse Hoofdstedelijke Raad. (34) Afdeling II. - Inhoud

Art. 17.Het gewestelijk ontwikkelingsplan is een instrument voor de globale planning van de gewestelijke ontwikkeling in het kader van de duurzame ontwikkeling.

Het bepaalt : 1° de algemene en sectorale doelstellingen evenals de ontwikkelingsprioriteiten, met inbegrip van die inzake ruimtelijke ordening, vereist door de economische, sociale, culturele behoeften en die inzake verplaatsingen en milieu;2° de transversaal en sectoraal in te zetten middelen om de alzo gedefinieerde doelstellingen en prioriteiten te bereiken, met name door de kaartsgewijze voorstelling van sommige van die maatregelen;3° de vaststelling van de prioritaire interventiegebieden van het Gewest;4° in voorkomend geval de aan de normatieve bepalingen, plannen en programma's die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kunnen worden toegepast in functie van de alzo gepreciseerde doelstellingen en middelen, aan te brengen wijzigingen.(36) Afdeling III. - Uitwerkingsprocedure

Art. 18.§ 1. De Regering maakt het ontwerp van gewestelijk ontwikkelingsplan op en maakt een milieu-effectenrapport.

Daartoe werkt de Regering een ontwerp-bestek van een milieueffectenrapport betreffende het geplande project uit. Het milieu-effectenrapport bevat de in bijlage C van dit Wetboek opgesomde informatie.

De Regering legt het ontwerp-bestek van het milieueffectenrapport voor advies voor aan de Gewestelijke Commissie, aan het Bestuur en aan het Brussels Instituut voor Milieubeheer. De adviezen slaan op de omvang en de nauwkeurigheid van de informatie die het rapport moet bevatten.

De adviezen worden overgemaakt binnen de dertig dagen na de aanvraag van de Regering. Bij ontstentenis worden de adviezen geacht gunstig voor het ontwerp-bestek te zijn.

In het licht van de over het ontwerp-bestek van het milieueffectenrapport uitgebrachte adviezen, legt de Regering het bestek van dit rapport vast rekening houdend met de informatie die redelijkerwijze gevraagd kan worden, met de bestaande know-how en evaluatiemethoden, met de nauwkeurigheidsgraad van het plan, en met het feit dat bepaalde aspecten ervan geïntegreerd moeten kunnen worden op een ander planologisch niveau waar het verkieslijk kan zijn de evaluatie te maken om een herhaling ervan te vermijden. § 2. Op verzoek van de Regering en binnen de door haar vastgestelde termijn, brengt elk gewestelijk bestuur en elke gewestelijke instelling van openbaar nut die elementen naar voren die tot haar bevoegdheid behoren met name ten aanzien van het ontwerp-bestek van het milieueffectenrapport. De Regering voegt aan het ontwerpplan de lijst van deze besturen en instellingen toe.

De Regering brengt de Gewestelijke Commissie regelmatig op de hoogte van de evolutie van de voorafgaande studies, en deelt haar de resultaten ervan mee. De Gewestelijke Commissie kan op elk ogenblik opmerkingen maken of suggesties voordragen die zij nuttig acht. § 3. De Regering stelt het ontwerp-plan en het milieueffectenrapport vast en deelt deze onverwijld mede aan de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, samen met de eventuele, onder de tweede paragraaf bedoelde opmerkingen of suggesties. Het ontwerp-plan treedt in werking vijftien dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. De Regering keurt het ontwerp van plan goed dat in werking treedt in de loop van het kalenderjaar dat volgt op dat van de installatie van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad. § 4. De Regering onderwerpt het ontwerp-plan en het milieueffectenrapport aan een openbaar onderzoek. De documenten die aan een openbaar onderzoek onderworpen worden omvatten de delen van het vigerende plan die niet gewijzigd zijn. Het openbaar onderzoek wordt aangekondigd door aanplakking in elke gemeente van het Gewest, door een bericht in het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie Nederlandstalige en drie Franstalige dagbladen die in het Gewest worden verspreid, alsmede door een mededeling op radio en televisie volgens de door de Regering bepaalde regels. In deze aankondiging worden de begin- en einddatum van het onderzoek vermeld.

Na deze aankondigingen wordt het ontwerp-plan en het milieueffectenrapport gedurende zestig dagen ter inzage van de bevolking neergelegd in het gemeentehuis van elke gemeente van het Gewest.

De bezwaren en opmerkingen, waarvan door de indiener een afschrift aan het college van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeenten kan worden gestuurd, worden aan de Regering toegezonden binnen de termijn van het onderzoek bij een ter post aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs. De Regering deelt aan de Brusselse Hoofdstedelijke Raad binnen dertig dagen na de sluiting van het openbaar onderzoek een afschrift van de bezwaren en opmerkingen mede.

De Regering legt, gelijktijdig met het onderzoek, het ontwerp-plan en het milieueffectenrapport voor advies voor aan het Bestuur en aan het Brussels Instituut voor Milieubeheer. Het advies wordt overgemaakt binnen de vijfenveertig dagen na de aanvraag van de Regering. Eens de termijn vervallen wordt het niet uitgebrachte advies geacht gunstig te zijn.

Na het verstrijken van de termijn van het onderzoek beschikken de gemeenteraden en de adviesorganen, waarvan de lijst door de Regering wordt vastgesteld, over een termijn van zestig dagen om hun advies uit te brengen en het aan de Regering mede te delen. Na deze termijn worden de niet uitgebrachte adviezen geacht gunstig te zijn. De Regering deelt aan de Brusselse Hoofdstedelijke Raad binnen de vijftien dagen na het verstrijken van deze termijn een exemplaar van deze adviezen mede. § 5. Samen met het milieueffectenrapport, de bezwaren, de opmerkingen en de adviezen wordt het ontwerp-plan door de Regering aan de Gewestelijke Commissie voorgelegd. De Gewestelijke Commissie brengt haar advies uit en deelt het mede aan de Regering binnen negentig dagen na ontvangst van het volledige dossier, bij ontstentenis waarvan haar advies gunstig wordt geacht. Indien op het ogenblik dat de Gewestelijke Commissie haar advies moet uitbrengen zij niet geldig samengesteld is bij gebreke van de aanwijzing van haar leden binnen de bij artikel 7 bepaalde termijn, gaat de termijn van negentig dagen in vanaf de aanwijzing van haar leden.

De Regering deelt aan de Brusselse Hoofdstedelijke Raad een exemplaar van dit advies mede binnen vijftien dagen na ontvangst ervan.

Minstens de helft van de termijn van negentig dagen valt buiten de schoolvakantieperioden. § 6. Wanneer het ontwerp-plan belangrijke gevolgen kan hebben voor het milieu van een ander Gewest, van een andere lid-Staat van de Europese Unie of van een andere Staat-medeondertekenaar van het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband, wordt het ontwerp-plan, samen met het milieueffectenrapport en de eventuele informatie over de grensoverschrijdende effecten overgemaakt aan de bevoegde autoriteiten van dit Gewest, van deze andere lid-Staat van de Europese Unie of van deze andere Staat-medeondertekenaar van het verdrag van Espoo.

De Regering bepaalt : 1° de instanties die belast zijn met het overmaken van de documenten aan de in voorgaand lid bedoelde autoriteiten;2° de modaliteiten volgens welke de bevoegde autoriteiten van Gewesten of Staten die getroffen kunnen worden, mogen deelnemen aan de evaluatieprocedure van de milieu-effecten;3° de modaliteiten volgens welke het plan, de onder paragraaf 4, vierde lid en in paragraaf 5, eerste lid van dit artikel bedoelde uitgebrachte adviezen en de in artikel 22 gedefinieerde afhandelingsmodaliteiten aan de onder voorgaand lid bedoelde autoriteiten worden overgemaakt.(38)

Art. 19.Binnen twaalf maanden volgend op de goedkeuring van het ontwerp-plan, stelt de Regering het plan definitief vast dat, in de motivering, samenvat hoe de milieuoverwegingen in het plan geïntegreerd werden en hoe het milieueffectenrapport en de adviezen, bezwaren en opmerkingen aangaande het ontwerp-plan in overweging werden genomen evenals de redenen die geleid hebben tot de keuze van het plan zoals het werd goedgekeurd, rekening houdend met de overwogen andere redelijke oplossingen. De Regering deelt het plan onverwijld aan de Brusselse Hoofdstedelijke Raad mede. Wanneer de Regering van het advies van de Gewestelijke Commissie afwijkt, wordt haar beslissing met redenen omkleed.

Het besluit van de Regering houdende goedkeuring van het plan wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt, waarbij tevens het advies van de Gewestelijke Commissie wordt afgedrukt, en de in artikel 22 (40) gedefinieerde afhandelingsmodaliteiten van het plan gepreciseerd worden.

Het plan treedt in werking vijftien dagen na zijn bekendmaking. Binnen drie dagen na deze bekendmaking ligt het volledige plan ter beschikking van de bevolking in elk gemeentehuis. Binnen dezelfde termijn wordt het plan overgemaakt aan de Gewestelijke Commissie en aan de in de uitwerkingsprocedure van het ontwerp-plan geraadpleegde organismen en besturen. (42) Afdeling IV. - Wijzigingsprocedure

Art. 20.§ 1. De Regering beslist over de wijziging van het gewestelijk ontwikkelingsplan bij een met redenen omkleed besluit. § 2. De wijzigingsprocedure is onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 18 en 19. § 3. Evenwel, wanneer zij meent dat de geplande wijzigingen van ondergeschikt belang zijn en niet van dien aard zijn dat ze een noemenswaardige weerslag op het milieu kunnen hebben rekening houdend met de in bijlage D van dit Wetboek opgesomde criteria, vraagt de Regering het advies van de Gewestelijke Commissie, van het Bestuur en van het Brussels Instituut voor Milieubeheer. De adviezen hebben betrekking op het ontbreken van aanzienlijke effecten van de geplande wijzigingen. De adviezen worden overgemaakt binnen dertig dagen na de aanvraag van de Regering. Bij ontstentenis worden de adviezen geacht gunstig te zijn.

Zijn niet van ondergeschikt belang, die wijzigingen die rechtstreeks betrekking hebben op een gebied dat een bestemming gekregen heeft overeenkomstig de richtlijnen 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 betreffende het behoud van de in het wild levende vogels en 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 betreffende het behoud van de natuurlijke habitat evenals van de ongerepte fauna en flora of die rechtstreeks betrekking hebben op gebieden waarin vestigingen kunnen komen die een risico van zware ongevallen inhouden waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken in de zin van de richtlijn 96/82/EEG van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren verbonden aan de zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, of die de inschrijving voorzien, in het plan, van gebieden die voor huisvesting bestemd zijn, door het publiek worden bezocht en een bijzonder natuurlijk belang inhouden, of die verbindingswegen omvatten en die in de nabijheid zijn gelegen van dergelijke vestigingen of van gebieden waarin ze zijn toegelaten.

In het licht van de uitgebrachte adviezen bepaalt de Regering, in een met redenen omklede beslissing, of de planwijziging het voorwerp van een milieu-effectenrapport moet zijn.

In die hypothese stelt de Regering het gewijzigd ontwerp-plan vast dat de weergave is van de onder het voorgaand lid bedoelde beslissing en van haar motivering. De Regering onderwerpt het gewijzigd ontwerp-plan aan een openbaar onderzoek en raadpleging overeenkomstig artikel 18, § 4, en vraagt vervolgens het advies van de Gewestelijke Commissie overeenkomstig artikel 18, § 5.

De Regering stelt het gewijzigd plan definitief vast volgens de modaliteiten van artikel 19 en gaat over tot de in dit artikel bepaalde formaliteiten inzake bekendmaking. (44) Afdeling V. - Gevolgen van het ontwerp-plan en van het plan

Art. 21.Alle bepalingen van het ontwerp-plan en van het plan zijn richtinggevend.

Het ontwerp van gewestelijk bestemmingsplan, het gewestelijk bestemmingsplan, het ontwerp van gemeentelijk ontwikkelingsplan, het gemeentelijk ontwikkelingsplan en het bijzonder bestemmingsplan kunnen er slechts van afwijken als de redenen hiervoor uitdrukkelijk worden vermeld.

Het toekennen door de Regering van hulp aan natuurlijke dan wel privaat- of publiekrechtelijke rechtspersonen mag slechts gebeuren in naleving van de bepalingen van het plan of van het ontwerp-plan.

Het gewestelijk ontwikkelingsplan houdt op te golden zodra het nieuwe ontwerp van gewestelijk ontwikkelingsplan in werking is getreden. (46) Afdeling VI. - Opvolging van het plan

Art. 22.De Regering duidt de gemachtigde ambtenaren van het Bestuur Ruimtelijke Ordening en Huisvesting aan, die haar jaarlijks een verslag voorleggen over de follow-up van de belangrijke effecten van de inwerkingtreding van het gewestelijk ontwikkelingsplan op het milieu om met name de onvoorziene negatieve gevolgen in een vroegtijdig stadium te identificeren en van de eventueel aan te brengen correcturen. Deze verslagen worden op het bureau van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad neergelegd en zijn het voorwerp van een voor het publiek toegankelijke publicatie. (48) HOOFDSTUK III. - Gewestelijk bestemmingsplan Afdeling I. - Algemeen

Art. 23.Het gewestelijk bestemmingsplan is van toepassing op het volledige grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. (50) Afdeling II. - Inhoud

Art. 24.Het gewestelijk bestemmingsplan gaat uit van de richtsnoeren van het gewestelijk ontwikkelingsplan dat van kracht is op de dag dat het wordt goedgekeurd.

Het vermeldt : 1° de bestaande rechts- en feitelijke toestand;2° de algemene bestemming van de verschillende delen van het grondgebied en de voorschriften die erop betrekking hebben;3° de maatregelen van aanleg voor de belangrijkste verkeerswegen;4° de delen waar een bijzondere bescherming gerechtvaardigd is om culturele, sociale, historische, esthetische of economische redenen of om redenen van milieubescherming. Het kan de wijzigingen vermelden die moeten worden aangebracht aan de gemeentelijke ontwikkelingsplannen en aan de bijzondere bestemmingsplannen. Het kan bovendien voorschriften betreffende de plaatsing en de omvang van de bouwwerken en voorschriften van esthetische aard bevatten. (52) Afdeling III. - Uitwerkingsprocedure

Art. 25.§ 1. De Regering maakt het ontwerp van gewestelijk bestemmingsplan op en maakt een milieueffectenrapport.

Daartoe werkt de Regering een ontwerp-bestek uit van een milieueffectenrapport betreffende het geplande project. Het milieueffectenrapport bevat de in bijlage C van dit Wetboek opgesomde informatie.

De Regering legt het ontwerp-bestek van het milieueffectenrapport voor advies voor aan de Gewestelijke Commissie, aan het Bestuur en aan het Brussels Instituut voor Milieubeheer. De adviezen slaan op de omvang en de nauwkeurigheid van de informatie die het rapport moet bevatten.

De adviezen worden overgemaakt binnen dertig dagen na de aanvraag van de Regering. Bij ontstentenis worden de adviezen geacht gunstig voor het ontwerp-bestek te zijn.

In het licht van de over het ontwerp-bestek van het milieueffectenrapport uitgebrachte adviezen, legt de Regering het bestek van dit rapport vast rekening houdend met de informatie die redelijkerwijze gevraagd kan worden, met de bestaande know-how en evaluatiemethoden, met de nauwkeurigheidsgraad van het plan, en met het feit dat bepaalde aspecten ervan geïntegreerd moeten kunnen worden op een ander planologisch niveau waar het verkieslijk kan zijn de evaluatie te maken om een herhaling ervan te vermijden. § 2. Op aanvraag van de Regering en binnen de door haar bepaalde termijn brengt elk gewestelijk bestuur en elke instelling van openbaar nut de elementen naar voren die tot zijn bevoegdheid behoren met name ten aanzien van het ontwerp-bestek van het milieu-effectenrapport.

De Regering brengt de Gewestelijke Commissie regelmatig op de hoogte van de evolutie van de voorafgaande studies, en deelt haar de resultaten ervan mee. De Gewestelijke Commissie kan op elk ogenblik opmerkingen maken of suggesties voordragen die zij nuttig acht. § 3. De Regering stelt het ontwerp-plan en het milieueffectenrapport vast en deelt ze onverwijld mede aan de Brusselse Hoofdstedelijke Raad samen met de in paragraaf 2 bedoelde eventuele opmerkingen of suggesties. Het ontwerp-plan wordt van kracht vijftien dagen nadat het in het Belgisch Staatsblad werd bekendgemaakt. § 4. De Regering onderwerpt het ontwerp-plan en het milieueffectenrapport aan een openbaar onderzoek. Dit onderzoek wordt aangekondigd door aanplakking in elke gemeente van het Gewest, door een bericht in het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie Nederlandstalige en drie Franstalige dagbladen die in het Gewest worden verspreid alsmede door een mededeling op radio en televisie volgens de door de Regering bepaalde regels. In deze aankondiging worden de begin- en einddatum van het onderzoek vermeld.

Na deze aankondigingen worden het ontwerp-plan en het milieueffectenrapport gedurende zestig dagen ter inzage van de bevolking gelegd in het gemeentehuis van elke gemeente van het Gewest.

De bezwaren en opmerkingen, waarvan door de indiener een afschrift aan het college van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeenten kan worden gestuurd, worden aan de Regering toegezonden binnen de termijn van het onderzoek bij een ter post aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs. De Regering deelt aan de Brusselse Hoofdstedelijke Raad binnen dertig dagen na de sluiting van het openbaar onderzoek een afschrift van de bezwaren en opmerkingen mede.

De Regering legt, gelijktijdig met het onderzoek, het ontwerp-plan en het milieueffectenrapport voor advies voor aan het Bestuur en aan het Brussels Instituut voor Milieubeheer. Het advies wordt overgemaakt binnen vijfenveertig dagen na de aanvraag van de Regering. Eens de termijn vervallen wordt het niet overgemaakt advies geacht gunstig te zijn.

Na het verstrijken van de termijn van het onderzoek beschikken de gemeenteraden en de adviesorganen, waarvan de lijst door de Regering wordt vastgesteld, over een termijn van zestig dagen om hun advies uit te brengen en het aan de Regering mede te delen. Na deze termijn worden de niet-uitgebrachte adviezen geacht gunstig te zijn. De Regering deelt aan de Brusselse Hoofdstedelijke Raad binnen vijftien dagen na het verstrijken van deze termijn een exemplaar van deze adviezen mede. § 5. Samen met het milieu-effectenrapport, de bezwaren, de opmerkingen en de adviezen wordt het ontwerp-plan door de Regering aan de Gewestelijke Commissie voorgelegd. De Gewestelijke Commissie brengt haar advies uit en deelt het mede aan de Regering binnen negentig dagen na ontvangst van het volledige dossier, bij ontstentenis waarvan haar advies gunstig wordt geacht. Indien op het ogenblik dat de Gewestelijke Commissie haar advies moet uitbrengen zij niet geldig is samengesteld bij gebreke aan de aanwijzing van haar leden binnen de bij artikel 7 bepaalde termijn gaat de termijn van negentig dagen in vanaf de aanwijzing van haar leden.

De Regering deelt aan de Brusselse Hoofdstedelijke Raad een exemplaar van dit advies mede binnen vijftien dagen na ontvangst ervan.

Minstens de helft van de termijn van negentig dagen valt buiten de schoolvakantieperioden. § 6. Wanneer het ontwerp-plan belangrijke gevolgen kan hebben voor het milieu van een ander Gewest, van een andere lid-Staat van de Europese Unie of van een andere Staat-medeondertekenaar van het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, wordt het ontwerp-plan, samen met het milieueffectenrapport en de eventuele informatie over de grensoverschrijdende effecten overgemaakt aan de bevoegde autoriteiten van dit Gewest, van deze andere lidstaat van de Europese Unie of van deze andere Staat-medeondertekenaar van het verdrag van Espoo.

De Regering bepaalt : 1° de instanties die belast zijn met het overmaken van de documenten aan de in voorgaand lid bedoelde autoriteiten;2° de modaliteiten volgens welke de bevoegde autoriteiten van Gewesten of Staten die getroffen kunnen worden, mogen deelnemen aan de evaluatieprocedure van de milieueffecten;3° de modaliteiten volgens welke het plan, de onder paragraaf 4, vierde lid en in paragraaf 5, eerste lid van dit artikel bedoelde uitgebrachte adviezen en de in artikel 30 bedoelde afhandelingsmodaliteiten aan de onder voorgaand lid bedoelde autoriteiten worden overgemaakt.(54)

Art. 26.Binnen twaalf maanden volgend op de vaststelling van het ontwerp-plan, stelt de Regering het plan definitief vast dat, in de motivering samenvat hoe de milieuoverwegingen in het plan geïntegreerd werden en hoe het milieueffectenrapport en de adviezen, bezwaren en opmerkingen aangaande het ontwerp-plan in overweging werden genomen evenals de redenen die geleid hebben tot de keuze van het plan zoals het werd goedgekeurd, rekening houdend met de overwogen andere redelijke oplossingen. De Regering deelt het plan onverwijld aan de Brusselse Hoofdstedelijke Raad mede. Wanneer de Regering van het advies van de Gewestelijke Commissie afwijkt, wordt haar beslissing met redenen omkleed.

Het besluit van de Regering houdende goedkeuring van het plan wordt, samen met het advies van de Gewestelijke Commissie, in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt en preciseert de in artikel 30 gedefinieerde afhandelingsmodaliteiten.

Het plan treedt in werking vijftien dagen na zijn bekendmaking. Binnen drie dagen na deze bekendmaking ligt het volledige plan ter beschikking van de bevolking in elk gemeentehuis. Binnen dezelfde termijn wordt het plan overgemaakt aan de Gewestelijke Commissie en aan de in de uitwerkingsprocedure van het ontwerpplan geraadpleegde besturen. (56) Afdeling IV. - Wijzigingsprocedure

Art. 27.§ 1 Wanneer het gewestelijk ontwikkelingsplan aanduidt dat het aangewezen is om het gewestelijk bestemmingsplan te wijzigen, wordt het ontwerp tot wijziging van dit plan aangenomen binnen twaalf maanden na de aanneming van het gewestelijk ontwikkelingsplan.

De wijzigingsprocedure is onderworpen aan de bepalingen van de artikelen 25 en 26. § 2. Evenwel, wanneer zij meent dat de geplande wijzigingen van ondergeschikt belang zijn en niet van dien aard zijn dat ze een noemenswaardige weerslag op het milieu kunnen hebben rekening houdend met de in bijlage D van dit Wetboek opgesomde criteria, vraagt de Regering het advies van de Gewestelijke Commissie en van het Brussels Instituut voor Milieubeheer. De adviezen hebben betrekking op het ontbreken van noemenswaardige effecten van de geplande wijzigingen. De adviezen worden overgemaakt binnen dertig dagen na de aanvraag van de Regering. Bij ontstentenis worden de adviezen geacht gunstig te zijn.

Zijn niet van ondergeschikt belang, die wijzigingen die betrekking hebben op een gebied dat een bestemming gekregen heeft overeenkomstig de richtlijnen 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 betreffende het behoud van de in het wild levende vogels en 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 betreffende het behoud van de natuurlijke habitat evenals van de ongerepte fauna en flora of die betrekking hebben op gebieden waarin vestigingen kunnen komen die een risico van zware ongevallen inhouden waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken in de zin van de richtlijn 96/82/EEG van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren verbonden aan de zwaarste ongevallen die gevaarlijke substanties inhouden, of die de inschrijving voorzien, in het plan, van gebieden die voor huisvesting bestemd zijn, door het publiek worden bezocht en een bijzonder natuurlijk belang inhouden, of die verbindingswegen omvatten en die in de nabijheid zijn gelegen van dergelijke vestigingen of van gebieden waarin ze zijn toegelaten.

In het licht van de uitgebrachte adviezen bepaalt de Regering, in een met redenen omklede beslissing, of de planwijziging het voorwerp van een milieu-effectenrapport moet zijn.

In die hypothese stelt de Regering het gewijzigd ontwerp-plan vast dat de weergave van de onder het voorgaand lid bedoelde beslissing en van haar motivering is. De Regering onderwerpt het gewijzigd ontwerp-plan aan een openbaar onderzoek en raadpleging overeenkomstig artikel 25, § 4, en vraagt vervolgens het advies van de Gewestelijke Commissie overeenkomstig artikel 25, § 5.

De Regering stelt het gewijzigd plan definitief vast volgens de modaliteiten van artikel 26 en gaat over tot de in dit artikel bepaalde formaliteiten inzake bekendmaking. (58) Afdeling V. - Gevolgen van het plan

Art. 28.Alle bepalingen van het gewestelijk bestemmingsplan hebben bindende kracht en verordenende waarde.

Het blijft van kracht tot wanneer het gedeeltelijk of geheel gewijzigd of opgeheven wordt. (60)

Art. 29.De bepalingen van het gewestelijk bestemmingsplan kunnen beperkingen op het gebruik van de eigendom inhouden, met inbegrip van bouwverbod. (62) Afdeling VI. - Opvolging van het plan

Art. 30.De Regering duidt de gemachtigde ambtenaren van het Bestuur Ruimtelijke Ordening en Huisvesting aan die haar jaarlijks een verslag voorleggen over de follow-up van de belangrijke effecten van de inwerkingtreding van het gewestelijk bestemmingsplan op het milieu om met name de onvoorziene negatieve gevolgen in een vroegtijdig stadium te identificeren en van de eventueel aan te brengen correcturen. Deze verslagen worden op het bureau van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad neergelegd en zijn het voorwerp van een voor het publiek toegankelijke publicatie. (64) HOOFDSTUK IV. - Gemeentelijk ontwikkelingsplan Afdeling I. - Algemeen

Art. 31.Elke gemeente van het Gewest stelt een gemeentelijk ontwikkelingsplan vast dat van toepassing is op haar volledig grondgebied.

Binnen zes maanden die volgen op de maand van de installatie van de gemeenteraad legt het college van burgemeester en schepenen een rapport over het nut van het overgaan tot een eventuele volledige of gedeeltelijke wijziging van het gemeentelijk ontwikkelingsplan voor aan de gemeenteraad. (66) Afdeling II. - Inhoud

Art. 32.Het gemeentelijk ontwikkelingsplan kadert, met inachtneming van het gewestelijk bestemmingsplan, in de oriëntaties van het gewestelijk ontwikkelingsplan en vormt een globaal instrument voor de planning van de gemeentelijke ontwikkeling in het kader van de duurzame ontwikkeling.

Het bepaalt : 1° de algemene en sectorale doelstellingen evenals de ontwikkelingsprioriteiten, met inbegrip van die inzake ruimtelijke ordening, vereist door de economische, sociale, culturele behoeften en die inzake verplaatsingen en milieu;2° de transversaal en sectoraal in te zetten middelen om de alzo gedefinieerde doelstellingen en prioriteiten te bereiken, met name door de kaartsgewijze uitdrukking van sommige van die maatregelen;3° de vaststelling van de prioritaire interventiegebieden van het gemeente;4° in voorkomend geval de aan de door de gemeente uitgewerkte normatieve bepalingen, plannen en programma's in functie van de alzo gepreciseerde doelstellingen en middelen, aan te brengen wijzigingen. De Regering bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten van dit artikel. (68) Afdeling III. - Uitwerkingsprocedure

Art. 33.De gemeenteraad duidt een erkend ontwerper aan en belast hem met het opmaken van het gemeentelijk ontwikkelingsplan en met het opmaken van het milieu-effectenrapport.

Hiertoe werkt de projectleider een ontwerp-bestek van een milieueffectenrapport betreffende het geplande project uit en maakt het over aan het college van burgemeester en schepenen. Het milieu-effectenrapport bevat de in bijlage C van dit Wetboek opgesomde informatie.

Het college van burgemeester en schepenen legt het ontwerp-bestek van het milieu-effectenrapport ter advies voor aan de Gewestelijke Commissie, aan het Bestuur en aan het Brussels Instituut voor Milieubeheer. De adviezen hebben betrekking op de omvang en de nauwkeurigheid van de informatie die het rapport moet bevatten. De adviezen worden binnen dertig dagen na de aanvraag aan het college van burgemeester en schepenen overgemaakt. Bij ontstentenis worden de adviezen geacht gunstig voor het ontwerp-bestek te zijn.

In het licht van de over het ontwerp-bestek van milieu-effectenrapport uitgebrachte adviezen, legt de gemeenteraad het bestek van het milieueffectenrapport vast rekening houdend met de informatie die redelijkerwijze gevraagd kan worden, met de bestaande know-how en evaluatiemethoden, met de nauwkeurigheidsgraad van het plan, en met het feit dat bepaalde aspecten ervan geïntegreerd moeten kunnen worden op een ander planologisch niveau waar het verkieslijk kan zijn de evaluatie te maken om een herhaling ervan te vermijden. Hij brengt die ter kennis van de projectleider. (70)

Art. 34.§ 1. De gemeenteraad neemt voorlopig het ontwerpplan en het milieu-effectenrapport aan en maakt ze over aan de Regering.

Het milieu-effectenrapport kan met name gegrond worden op nuttige informatie die tijdens andere, voorheen uitgevoerde milieuevaluaties bekomen werd en, in het bijzonder, ter gelegenheid van de vaststelling van het gewestelijk ontwikkelingsplan, het gewestelijk bestemmingsplan of van een bijzonder bestemmingsplan. § 2. De Regering keurt het ontwerpplan goed, of weigert dit te doen, binnen zestig dagen na ontvangst ervan. Wanneer zij haar goedkeuring weigert, of bijzondere voorwaarden aan haar goedkeuring verbindt, nodigt de Regering de gemeenteraad uit om haar een nieuw gewijzigd ontwerp-plan voor goedkeuring voor te leggen. Het besluit van de Regering houdende weigering van de goedkeuring wordt met redenen omkleed. Indien de regering binnen de voorgeschreven termijn geen beslissing neemt, wordt het ontwerp-plan geacht te zijn goedgekeurd.

Het besluit van de Regering tot goedkeuring van het ontwerpplan of naargelang het geval, het advies van de Regering tot vaststelling dat de goedkeuring van het ontwerpplan geacht wordt te hebben plaatsgevonden, worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het ontwerp-plan wordt van kracht vijftien dagen na deze bekendmaking. § 3. De gemeenteraad onderwerpt het ontwerp-plan en het milieueffectenrapport aan een openbaar onderzoek. De documenten die aan een openbaar onderzoek onderworpen worden omvatten de delen van het vigerende plan die niet gewijzigd zijn. Het openbaar onderzoek wordt aangekondigd zowel door aanplakking als door een bericht in het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie Nederlandstalige en drie Franstalige dagbladen, die in het Gewest worden verspreid volgens de door de Regering bepaalde regels.

Het ontwerp-plan en het milieueffectenrapport worden vervolgens gedurende vijfenveertig dagen in het gemeentehuis ter inzage gelegd van de bevolking. Het begin en het einde van deze termijn worden in de aankondiging aangegeven.

De bezwaren en opmerkingen worden binnen deze termijn aan het college van burgemeester en schepenen ter kennis gebracht en bij het proces-verbaal van sluiting van het onderzoek gevoegd. Dit proces-verbaal wordt door het college opgemaakt binnen vijftien dagen na het verstrijken van de termijn. (72)

Art. 35.§ 1. Het college van burgemeester en schepenen legt, gelijktijdig met het onderzoek, het ontwerpplan en het milieu-effectenrapport voor advies voor aan het Bestuur en aan het Brussels Instituut voor Milieubeheer. De adviezen worden overgemaakt binnen dertig dagen na de aanvraag van het college van burgemeester en schepenen. Eens de termijn vervallen worden de niet uitgebrachte adviezen geacht gunstig te zijn. § 2. Het ontwerp-plan, vergezeld van het milieu-effectenrapport, wordt samen met de bezwaren, opmerkingen en het proces-verbaal van afsluiting van het openbaar onderzoek, binnen twintig dagen na de afsluiting van het onderzoek aan de Gewestelijke Commissie voorgelegd.

Die raadpleegt de besturen en instanties waarvan de Regering de lijst vaststelt.

Die besturen en instanties brengen hun advies uit binnen dertig dagen na de aanvraag van de Gewestelijke Commissie. Bij ontstentenis van advies binnen die termijn, worden die besturen en instanties geacht een gunstig advies gegeven te hebben. Minstens de helft van de termijn van dertig dagen valt buiten de schoolvakantieperioden.

De Gewestelijke Commissie brengt advies uit binnen negentig dagen na ontvangst van het volledig dossier, zoniet wordt dit advies als gunstig beschouwd. Indien op het ogenblik dat de Gewestelijke Commissie haar advies moet uitbrengen, zij niet geldig is samengesteld bij gebreke van aanwijzing van haar leden binnen de onder artikel 7 voorgeschreven termijn, gaat de termijn van negentig dagen in vanaf de aanwijzing van haar leden. Ten minste de helft van de termijn van negentig dagen valt buiten de perioden van de schoolvakanties. § 3. Wanneer het ontwerp-plan belangrijke gevolgen kan hebben voor het milieu van een ander Gewest, van een andere lidstaat van de Europese Unie of van een andere Staat-medeondertekenaar van het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband, wordt het ontwerp-plan, samen met het milieueffectenrapport en de eventuele informatie over de grensoverschrijdende effecten overgemaakt aan de bevoegde autoriteiten van dit Gewest, van deze andere lid-Staat van de Europese Unie of van deze andere Staat-medeondertekenaar van het verdrag van Espoo.

De Regering bepaalt : 1° de instanties die belast zijn met het overmaken van de documenten aan de in voorgaand lid bedoelde autoriteiten;2° de modaliteiten volgens welke de bevoegde autoriteiten van Gewesten of Staten die getroffen kunnen worden, mogen deelnemen aan de evaluatieprocedure van de milieueffecten;3° de modaliteiten volgens welke het plan, de onder de paragrafen 1 en 2 van dit artikel bedoelde uitgebrachte adviezen en de in artikel 39 gedefinieerde afhandelingsmodaliteiten aan de onder het voorgaand lid bedoelde autoriteiten worden overgemaakt. § 4. Binnen zestig dagen na het advies van de Gewestelijke Commissie neemt de gemeenteraad, na kennis te hebben genomen van de uitslag van het onderzoek en van het advies, het plan definitief aan.

Wanneer de beslissing van de gemeenteraad van het advies van de Gewestelijke Commissie afwijkt, wordt deze met redenen omkleed.

In de motivering vat het plan samen hoe de milieuoverwegingen in het plan geïntegreerd werden en hoe het milieu-effectenrapport en de adviezen, bezwaren en opmerkingen aangaande het ontwerp-plan in overweging werden genomen evenals de redenen die geleid hebben tot de keuze van het plan zoals het werd goedgekeurd, rekening houdend met de overwogen andere redelijke oplossingen. (74)

Art. 36.Het gemeentelijk ontwikkelingsplan wordt goedgekeurd door de Regering.

De Regering verleent haar goedkeuring binnen twee maanden na ontvangst van het volledig dossier. Deze termijn kan door een met redenen omkleed besluit met twee maanden worden verlengd.

Bij ontstentenis van kennisgeving van de beslissing van de Regering binnen deze termijnen kan het college van burgemeester en schepenen bij een ter post aangetekende brief een aanmaning aan de Regering toezenden. Indien het college van burgemeester en schepenen na het verstrijken van een nieuwe termijn van twee maanden met ingang van de afgifte bij de post van de aangetekende brief met de aanmaning, geen kennisgeving van de beslissing van de Regering heeft ontvangen, wordt het plan geacht goedgekeurd te zijn.

Het besluit van de Regering houdende weigering van de goedkeuring wordt met redenen omkleed.

Het besluit van de Regering houdende goedkeuring van het plan wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

Het plan treedt in werking vijftien dagen na zijn bekendmaking. Het volledig plan en het advies van de Gewestelijke Commissie liggen, binnen drie dagen na die bekendmaking, ter beschikking van de bevolking in het gemeentehuis. Binnen diezelfde termijn wordt het volledig plan aan de Gewestelijke Commissie en aan de in de uitwerkingsprocedure van het ontwerpplan geraadpleegde instanties en besturen overgemaakt.

Het terbeschikkingstellen aan het publiek en het overmaken van de plannen aan de in het voorgaand lid bedoelde overheden preciseren de in artikel 39 gedefinieerde afhandelingsmodaliteiten. (76) Afdeling IV. - Wijzigingsprocedure

Art. 37.§ 1. De gemeenteraad wijzigt het gemeentelijk ontwikkelingsplan ofwel op eigen initiatief, mits toelating van de Regering, ofwel op een met redenen omkleed verzoek van deze laatste. § 2. De wijzigingsprocedure wordt aan de bepalingen van de artikelen 33 tot 36 onderworpen. § 3. Evenwel, wanneer zij meent dat de geplande wijzigingen van ondergeschikt belang zijn en niet van dien aard zijn dat ze een noemenswaardige weerslag op het milieu kunnen hebben rekening houdend met de in bijlage D van dit Wetboek opgesomde criteria, vraagt de gemeenteraad het advies van de Gewestelijke Commissie, van het Bestuur en van het Brussels Instituut voor Milieubeheer. De adviezen hebben betrekking op het ontbreken van aanzienlijke effecten van de geplande wijzigingen. De adviezen worden binnen dertig dagen na de aanvraag aan het college van burgemeester en schepenen overgemaakt. Bij ontstentenis worden de adviezen geacht gunstig te zijn.

Zijn niet van ondergeschikt belang, die wijzigingen die betrekking hebben op een gebied dat een bestemming gekregen heeft overeenkomstig de richtlijnen 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 betreffende het behoud van de in het wild levende vogels en 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 betreffende het behoud van de natuurlijke habitat evenals van de ongerepte fauna en flora of die betrekking hebben op gebieden waarin vestigingen kunnen komen die een risico voor zware ongevallen inhouden waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken in de zin van de richtlijn 96/82/EEG van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren verbonden aan de zwaarste ongevallen die gevaarlijke substanties inhouden of die de inschrijving voorzien, in het plan, van gebieden die voor huisvesting bestemd zijn, door het publiek worden bezocht en een natuurlijk belang inhouden, of die verbindingswegen omvatten en die in de nabijheid zijn gelegen van dergelijke vestigingen of van gebieden waarin ze zijn toegelaten.

In het licht van de uitgebrachte adviezen bepaalt de gemeenteraad, in een met redenen omklede beslissing, of het gewijzigde ontwerp-plan niet het voorwerp van een milieueffectenrapport moet zijn.

In die hypothese stelt de gemeenteraad het gewijzigd ontwerp-plan vast die de weergave is van de onder het voorgaand lid bedoelde beslissing en van haar motivering. Hij belast het college van burgemeester en schepenen ermee het te onderwerpen aan een openbaar onderzoek en raadpleging overeenkomstig artikelen 34, § 3 en 35, § 1, en vraagt vervolgens het advies van de Gewestelijke Commissie overeenkomstig artikel 35, § 2. (78) Binnen zestig dagen na het advies van de Gewestelijke Commissie stelt de gemeenteraad het gewijzigd plan definitief vast en motiveert zijn beslissing wanneer die afwijkt van het advies van de Gewestelijke Commissie.

De Regering keurt het gewijzigd plan goed overeenkomstig artikel 36.

Het besluit van de Regering en het gewijzigd plan zijn het voorwerp van de in dit artikel bepaalde formaliteiten inzake bekendmaking. (80) Afdeling V. - Gevolgen van het ontwerpplan en van het plan

Art. 38.Het ontwerp-plan en het plan zijn richtinggevend in al hun bepalingen.

Het bijzonder bestemmingsplan mag er slechts van afwijken als de redenen hiervoor uitdrukkelijk worden vermeld.

Het toekennen van hulp aan natuurlijke dan wel privaat- of publiekrechtelijke rechtspersonen mag slechts gebeuren in naleving van de bepalingen van het plan of van het ontwerp-plan.

Het gemeentelijke ontwikkelingsplan houdt op te gelden zodra het nieuwe ontwerp van gemeentelijk ontwikkelingsplan aangenomen door de gemeenteraad, in werking is getreden. (82) Afdeling VI. - Opvolging van het plan

Art. 39.Het college van burgemeester en schepenen legt om de drie jaar een rapport over de follow-up van de belangrijke effecten van de inwerkingtreding van de gemeentelijke ontwikkelingsplannen op het milieu voor aan de gemeenteraad om met name de onvoorziene negatieve gevolgen in een vroegtijdig stadium te identificeren en over de eventueel aan te brengen correcturen.

Het publiek wordt op de hoogte gebracht volgens de modaliteiten voorzien in artikel 112 van de nieuwe gemeentewet. (84) HOOFDSTUK V. - Bijzonder bestemmingsplan Afdeling I. - Algemeen

Art. 40.Elke gemeente van het Gewest neemt hetzij uit eigen beweging, hetzij binnen de termijn die haar door de Regering wordt opgelegd, bijzondere bestemmingsplannen aan. (86) Afdeling II. - Inhoud

Art. 41.Het bijzonder bestemmingsplan geeft een nadere omschrijving van het gewestelijk bestemmingsplan, gaat uit van de richtsnoeren van het gemeentelijk ontwikkelingsplan en vult ze aan. Het vermeldt onder meer voor het gedeelte van het gemeentelijk grondgebied dat het bestrijkt : 1° de bestaande rechts- en feitelijke toestand;2° de gedetailleerde bestemming van de verschillende gebieden en de voorschriften die erop betrekking hebben;3° de voorschriften met betrekking tot de plaatsing en de omvang van de bouwwerken;4° de voorschriften inzake de esthetische aard van de bouwwerken en hun omgeving;5° het tracé en de maatregelen van aanleg van de verkeerswegen en de voorschriften die erop betrekking hebben. Het plan kan de voor zijn realisatie noodzakelijke omstandigheden, de omvang en de bestemming van de stedenbouwkundige lasten bepalen, overeenkomstig de artikelen 100 en 112.

Bij het plan wordt een memorie van toelichting, zonder verordenende waarde gevoegd, en in voorkomend geval, het milieu-effectenrapport, en een bijlage die indien nodig de bepalingen vermeldt die krachtens artikel 42 van het gewestelijk bestemmingsplan (88) afwijken.

De Regering stelt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel vast. (90)

Art. 42.Het bijzonder bestemmingsplan mag afwijken van het vigerende gewestelijk bestemmingsplan, mits behoorlijk met redenen omkleed en onder de volgende voorwaarden : 1° er mag geen afbreuk worden gedaan aan de wezenlijke elementen van het gewestelijk bestemmingsplan noch aan de bepalingen van dit plan die de aan de bijzondere bestemmingsplannen aan te brengen wijzigingen aanduiden;2° de afwijking moet gegrond zijn op economische, sociale, culturele of milieubehoeften die niet bestonden op het ogenblik dat het gewestelijk bestemmingsplan werd vastgesteld of goedgekeurd;3° er moet worden aangetoond dat de nieuwe bestemming beantwoordt aan de bestaande feitelijke mogelijkheden van aanleg. In dergelijk geval houden de bepalingen van het gewestelijk bestemmingsplan waarvan wordt afgeweken op te gelden. (92) Afdeling III. - Uitwerkingsprocedure

Art. 43.§ 1. De ontwerpen van bijzondere bestemmingsplannen en de herziening ervan die aanzienlijk gevolgen kunnen hebben op het milieu, worden onderworpen aan een milieu-effectenrapport.

Het milieueffectenrapport bevat de in bijlage C van dit Wetboek opgesomde informatie. § 2. Evenwel wanneer hij, rekening houdend met de in bijlage D van dit Wetboek opgesomde criteria meent dat het geplande bijzonder bestemmingsplan of de herziening ervan niet van die aard is aanzienlijke gevolgen te kunnen hebben voor het milieu, kan de gemeenteraad, overeenkomstig de in artikel 44, vastgelegde procedure, beslissen dat het plan niet aan een milieu-effectenrapport onderworpen moet worden.

Wordt verondersteld aanzienlijk afbreuk te kunnen doen aan het milieu, het bijzonder bestemmingsplan voorzien in de perimeter waarbinnen een gebied gelegen is dat aangeduid is overeenkomstig de richtlijnen 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 betreffende het behoud van de in het wild levende vogels en 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 betreffende het behoud van de natuurlijke habitat evenals van de ongerepte fauna en flora of die betrekking hebben op gebieden waarin vestigingen kunnen komen die een belangrijk risico kunnen inhouden voor personen, goederen of het milieu in de zin van de richtlijn 96/82/EEG van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren verbonden aan de zwaarste ongevallen die gevaarlijke substanties inhouden of die de inschrijving voorzien, in het plan, van gebieden die voor huisvesting bestemd zijn, door het publiek worden bezocht en een natuurlijk belang inhouden, of die verbindingswegen omvatten en die in de nabijheid zijn gelegen van dergelijke vestigingen of van gebieden waarin ze zijn toegelaten. (94)

Art. 44.Wanneer hij meent, overeenkomstig artikel 43, § 2, eerste lid, dat het geplande bijzonder bestemmingsplan of de herziening ervan niet van dien aard zijn dat zij aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben, vraagt de gemeenteraad het advies van het Bestuur en van het Brussels Instituut voor Milieubeheer. De adviezen hebben betrekking op het ontbreken van aanzienlijke effecten van het geplande plan. De adviezen worden binnen dertig dagen van de aanvraag aan het college van burgemeester en schepenen overgemaakt. Bij ontstentenis worden de adviezen geacht gunstig te zijn.

In het licht van de uitgebrachte adviezen bepaalt de gemeenteraad, in een met redenen omklede beslissing, of het ontwerp-plan niet het voorwerp van een milieu-effectenrapport moet zijn. In die hypothese wordt de procedure voortgezet overeenkomstig de artikelen 48 tot 50. (96)

Art. 45.Wanneer het ontwerp-plan aan een effectenevaluatie onderworpen is, duidt de gemeenteraad een erkend projectleider aan die hij belast met de uitwerking en de realisatie van het milieu-effectenrapport.

De projectleider maakt een ontwerp-bestek op van het milieueffectenrapport betreffende het geplande project en maakt het over aan het college van burgemeester en schepenen. Het college van burgemeester en schepenen legt het voorontwerp van bestek van het milieu-effectenrapport voor advies voor aan de Gewestelijke Commissie, aan het Bestuur en aan het Brussels Instituut voor Milieubeheer. De adviezen slaan op de omvang en de nauwkeurigheid van de informatie die het rapport moet bevatten. De adviezen worden overgemaakt binnen dertig dagen na de aanvraag van het college van burgemeester en schepenen. Bij ontstentenis worden de adviezen geacht gunstig voor het voorontwerp van bestek te zijn.

In het licht van de over het ontwerp-bestek van het milieu-effectenrapport uitgebrachte adviezen, legt het college van burgemeester en schepenen het ontwerp-bestek van dit rapport vast rekening houdend met de informatie die redelijkerwijze gevraagd kan worden, met de bestaande know-how en evaluatiemethoden, met de nauwkeurigheidsgraad van het plan, en met het feit dat bepaalde aspecten ervan geïntegreerd moeten kunnen worden op een ander planologisch niveau waar het verkieslijk kan zijn de evaluatie te maken om een herhaling ervan te vermijden. (98)

Art. 46.§ 1. De Regering bepaalt de samenstelling van het begeleidingscomité waarin minstens één vertegenwoordiger van iedere gemeente op wier grondgebied het project moet worden uitgevoerd, één vertegenwoordiger van het Brussels Instituut voor Milieubeheer en één vertegenwoordiger van het Bestuur zetelt.

De Regering bepaalt de werking van het begeleidingscomité, alsook de onverenigbaarheidsregels.

Het begeleidingscomité wordt ermee belast de procedure tot uitvoering van de milieu-effectenrapport te volgen. Het secretariaat van het begeleidingscomité wordt door het Bestuur waargenomen. § 2. De Regering informeert het college van burgemeester en schepenen en het bestuur over de beslissing van samenstelling van het begeleidingscomité. Binnen tien dagen na ontvangst van die beslissing, roept het Bestuur het begeleidingscomité samen en deelt hem de beslissing van aanstelling van de projectleider en het ontwerp-bestek van het milieueffectenrapport mede.

Binnen tien dagen na ontvangst van deze documenten : 1° spreekt het begeleidingscomité zich uit over de keuze van de projectleider;2° legt het begeleidingscomité het bestek van het milieu-effectenrapport definitief vast rekening houdend met de informatie die redelijkerwijze gevraagd kan worden, met de bestaande know-how en evaluatiemethoden, met de nauwkeurigheidsgraad van het plan, en met het feit dat bepaalde aspecten ervan geïntegreerd moeten kunnen worden op een ander planologisch niveau waar het verkieslijk kan zijn de evaluatie te maken om een herhaling ervan te vermijden;3° bepaalt het begeleidingscomité de termijn waarbinnen het milieueffectenrapport moet worden verricht;4° deelt het begeleidingscomité zijn beslissing mede aan het college van burgemeester en schepenen. Indien het begeleidingscomité niet instemt met de keuze van de projectleider, verzoekt het de gemeenteraad (100) nieuwe voorstellen te doen. Het begeleidingscomité beslist over de keuze van de projectleider en brengt zijn beslissing ter kennis van het college van burgemeester en schepenen binnen vijftien dagen na ontvangst van de nieuwe voorstellen. § 3. Indien het begeleidingscomité zijn beslissing niet binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijn heeft medegedeeld, kan het college van burgemeester en schepenen het dossier bij de Regering aanhangig maken.

Binnen zestig dagen te rekenen vanaf de aanhangigmaking spreekt de Regering zich uit over de in § 2, 1° tot 3°, bedoelde punten en brengt haar beslissing ter kennis van het college van burgemeester en schepenen.

Wanneer de Regering de keuze van de projectleider niet goedkeurt, verzoekt zij de gemeenteraad (102) haar nieuwe voorstellen te doen. De Regering beslist over de keuze van de projectleider en maakt haar beslissing kenbaar aan het college van burgemeester en schepenen binnen vijftien dagen na de ontvangst van de nieuwe voorstellen.

Wanneer de Regering haar beslissing niet kenbaar maakt binnen de gestelde termijnen, kan het college van burgemeester en schepenen, per aangetekend schrijven, een rappelbrief richten aan de Regering.

Wanneer er opnieuw dertig dagen verstreken zijn na het verzenden van de bij ter post aangetekende rappelbrief en de Regering haar beslissing nog niet kenbaar heeft gemaakt, worden het ontwerp-bestek alsmede de keuze van de projectleider geacht bevestigd te zijn. De termijn binnen welke het milieu-effectenrapport uitgevoerd moet worden, bedraagt maximum zes maanden. § 4. Op basis van de beslissingen die overeenkomstig de §§ 2 of 3 getroffen worden, legt de gemeenteraad de nadere uitwerking van het ontwerp van bijzonder bestemmingsplan en van het milieu-effectenrapport in de handen van de projectleider.

Het effectenrapport kan met name gegrond worden op nuttige informatie die tijdens andere, voorheen uitgevoerde milieu-evaluaties bekomen werd en, in het bijzonder, ter gelegenheid van de goedkeuring van het gewestelijk ontwikkelingsplan, het gewestelijk bestemmingsplan of van een gemeentelijk ontwikkelingsplan. § 5. De projectleider brengt het begeleidingscomité geregeld op de hoogte van de evolutie van het milieu-effectenrapport. Hij geeft antwoord op de vragen en opmerkingen van het begeleidingscomité. (104)

Art. 47.§ 1. Wanneer de projectleider van oordeel is dat het milieu-effectenrapport volledig is, maakt het college van burgemeester en schepenen het ontwerp-plan, samen met het effectenrapport over aan het begeleidingscomité. § 2. Wanneer het begeleidingscomité van oordeel is dat het milieueffectenrapport volledig is, moet het binnen dertig dagen na ontvangst van bedoelde studie : 1° het milieueffectenrapport sluiten;2° de lijst vastleggen van de bij de effecten van het vooropgestelde plan betrokken gemeenten van het Gewest, van de andere Gewesten en van de lidstaten van de Europese Unie of van de andere Staten-medeondertekenaar van het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband;3° zijn beslissing aan het college van burgemeester en schepenen ter kennis brengen. Indien het begeleidingscomité beslist dat het milieueffectenrapport niet conform het bestek is, deelt het binnen dezelfde termijn aan het college van burgemeester en schepenen mede welke aanvullende elementen gerealiseerd moeten worden of welke wijzigingen moeten worden aangebracht en verantwoordt het zijn beslissing. In dit geval deelt het aan het college van burgemeester en schepenen mede binnen welke termijn deze hem toegezonden moeten worden.

Indien het begeleidingscomité de termijn bedoeld in het tweede en in het derde lid niet in acht neemt, kan het college van burgemeester en schepenen zijn dossier bij de Regering aanhangig maken. Deze mogelijkheid wordt hem eveneens geboden wanneer het begeleidingscomité verklaart dat het milieu-effectenrapport onvolledig is.

De Regering treedt in de plaats van het begeleidingscomité. De Regering deelt haar beslissing mede binnen dertig dagen na de aanhangigmaking. (106)

Art. 48.§ 1. De gemeenteraad stelt het ontwerp-plan voorlopig vast, samen met, in voorkomend geval, het milieu-effectenrapport wanneer dit rapport vereist is, en maakt het over aan de Regering.

Het milieu-effectenrapport kan meer bepaald gegrond worden op nuttige informatie die bekomen is naar aanleiding van eerder uitgevoerde milieuevaluaties en, meer bepaald, naar aanleiding van de goedkeuring van het gewestelijk ontwikkelingsplan, het gewestelijk bestemmingsplan of een gemeentelijk ontwikkelingsplan.

De Regering hecht al dan niet haar goedkeuring aan het ontwerp-plan binnen zestig dagen na ontvangst ervan. Zij weigert haar goedkeuring te geven wanneer het ontwerp niet verenigbaar is met een door de Regering vastgesteld ontwerp van gewestelijk bestemmingsplan. Wanneer zij haar goedkeuring weigert, of er bijzondere voorwaarden aan vastkoppelt, vraagt de Regering de gemeenteraad haar een nieuw ontwerp-plan, samen met het aan de aangebrachte aanpassingen aangepast milieu-effectenrapport wanneer dit rapport vereist is, ter goedkeuring voor te leggen. Het besluit van de Regering houdende weigering van goedkeuring wordt met redenen omkleed. Bij ontstentenis van beslissing van de Regering binnen de vastgestelde termijn, wordt het ontwerp-plan geacht te zijn goedgekeurd.

Het besluit van de Regering houdende goedkeuring van het ontwerp-plan of, naargelang het geval, het advies van de Regering houdende vaststelling dat het ontwerp-plan geacht is goedgekeurd te zijn, wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Het ontwerp-plan treedt in werking vijftien dagen na deze bekendmaking. § 2. De gemeenteraad onderwerpt het ontwerp-plan samen met, in voorkomend geval, het milieu-effectenrapport wanneer dit rapport vereist is, aan een openbaar onderzoek. Het openbaar onderzoek wordt aangekondigd zowel door aanplakking als door een bericht in het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie Nederlandstalige en drie Franstalige dagbladen die in het Gewest worden verspreid volgens de door de Regering bepaalde regels.

Het ontwerp-plan, in voorkomend geval vergezeld van het milieueffectenrapport, wordt vervolgens gedurende dertig dagen in het gemeentehuis ter inzage van de bevolking gelegd. Het begin en het einde van deze termijn worden in de aankondiging aangegeven.

Bezwaren en opmerkingen worden binnen deze termijn aan het college van burgemeester en schepenen ter kennis gebracht en bij het proces-verbaal van sluiting van het onderzoek gevoegd. Dit proces-verbaal wordt door het college opgemaakt binnen vijftien dagen na het verstrijken van de termijn. § 3. Het college van burgemeester en schepenen legt, gelijktijdig met het onderzoek, het ontwerp-plan en, in voorkomend geval, het milieu-effectenrapport voor advies voor aan het Bestuur en aan het Brussels Instituut voor Milieubeheer. De adviezen worden overgemaakt binnen dertig dagen na de aanvraag van het college van burgemeester en schepenen. Eens de termijn vervallen worden de niet uitgebrachte adviezen geacht gunstig te zijn. § 4. Daarenboven, wanneer het begeleidingscomité of de Regering bepaald heeft dat andere gemeenten bij de effecten van het vooropgestelde plan betrokken zijn, onderwerpt het college van burgemeester en schepenen van deze gemeenten het ontwerp-plan, vergezeld van het milieu-effectenrapport, aan een openbaar onderzoek van dertig dagen. De Regering stelt de datum vast waarop de openbare onderzoeken ten laatste dienen gesloten te zijn. § 5. Wanneer het ontwerp-plan belangrijke gevolgen kan hebben voor het milieu van een ander Gewest, van een andere lidstaat van de Europese Unie of van een andere Staat-medeondertekenaar van het Verdrag van Espoo van 25 februari 1991 inzake milieueffectrapportage in grensoverschrijdend verband, wordt het ontwerp-plan, samen met het milieu-effectenrapport en de eventuele informatie over de grensoverschrijdende effecten overgemaakt aan de bevoegde autoriteiten van dit andere Gewest, van deze andere lidstaat van de Europese Unie of van deze andere Staat-medeondertekenaar van het verdrag van Espoo.

De Regering bepaalt : 1° de instanties die belast zijn met het overmaken van de documenten aan de in voorgaand lid bedoelde autoriteiten;2° de modaliteiten volgens welke de bevoegde autoriteiten van Gewesten of Staten die getroffen kunnen worden, mogen deelnemen aan de evaluatieprocedure van de milieueffecten;3° de modaliteiten volgens welke het plan, de in § 3 en in artikel 49, tweede, vierde en vijfde lid, bedoelde uitgebrachte adviezen over het ontwerpplan en de in artikel 68 gedefinieerde afhandelingsmodaliteiten aan de onder voorgaand lid bedoelde autoriteiten worden overgemaakt. (108)

Art. 49.Het ontwerp-plan, in voorkomend geval vergezeld van het milieu-effectenrapport, wordt, samen met de bezwaren, de opmerkingen en het proces-verbaal van sluiting van het onderzoek, binnen twintig dagen na sluiting van het onderzoek aan de overlegcommissie voorgelegd. Die raadpleegt de besturen en instanties waarvan de Regering de lijst vaststelt.

Die besturen en instanties brengen hun advies uit binnen dertig dagen na de aanvraag van de gewestelijke commissie. Bij ontstentenis van advies binnen die termijn, worden die besturen en instanties geacht een gunstig advies gegeven te hebben.

Wanneer het begeleidingscomité of de Regering heeft bepaald dat andere gemeenten bij de effecten van de vooropgestelde aanleg betrokken zijn, zetelen ook hun vertegenwoordigers in de overlegcommissie.

De overlegcommissie brengt haar advies uit binnen de zestig dagen na ontvangst van de onder het eerste lid bedoelde documenten. Bij ontstentenis van advies binnen die termijn, wordt de overlegcommissie geacht een gunstig advies te hebben gegeven.

Wanneer het ontwerp-plan bepalingen bevat die afwijken van het gewestelijk bestemmingsplan, worden het volledig dossier en het advies van de overlegcommissie aan de Gewestelijke Commissie overgemaakt.

Deze laatste brengt advies uit over de gepastheid van de gevraagde afwijking binnen dertig dagen na ontvangst van het dossier. Bij ontstentenis van advies binnen die termijn, wordt de Gewestelijke Commissie geacht een gunstig advies te hebben gegeven. Indien op het ogenblik dat de Gewestelijke Commissie haar advies moet uitbrengen, zij niet geldig is samengesteld bij gebreke van de aanwijzing van haar leden binnen de onder artikel 7 voorgeschreven termijn, gaat de termijn van dertig dagen in vanaf de aanwijzing van haar leden.

Ten minste de helft van de termijnen van dertig en zestig dagen valt buiten de perioden van de schoolvakanties. (110)

Art. 50.§ 1. Na kennis te hebben genomen van de resultaten van het onderzoek en van het advies of de adviezen, uitgebracht overeenkomstig artikel 49, tweede, vierde en vijfde lid, kan de gemeenteraad, binnen zestig dagen na ontvangst van het advies van de overlegcommissie en, in voorkomend geval, het advies van de Gewestelijke Commissie, hetzij het plan definitief goedkeuren, hetzij beslissen het te wijzigen.

In het eerste geval omkleedt zij haar beslissing met redenen op elk punt waarop zij afwijkt van het advies of de adviezen of van de tijdens het onderzoek uitgebrachte bezwaren en opmerkingen.

In het tweede geval, behalve wanneer de wijziging van ondergeschikt belang is en niet van die aard is dat ze een noemenswaardige weerslag op het milieu kan hebben, wordt overgegaan tot een nieuw onderzoek overeenkomstig de in artikel 48 voorziene vormen en termijnen.

Het plan is, in zijn motivering, de samenvatting van hoe de milieuoverwegingen in het plan geïntegreerd werden en hoe het milieu-effectenrapport en de adviezen, bezwaren en opmerkingen aangaande het ontwerp-plan in overweging werden genomen evenals de redenen die geleid hebben tot de keuze van het plan zoals het werd goedgekeurd, rekening houdend met de overwogen andere redelijke oplossingen. Wanneer het bijzonder bestemmingsplan niet aan een effectenevaluatie onderworpen wordt, neemt het de in artikel 44, tweede lid bedoelde beslissing en haar motivering over. § 2. Het bijzonder bestemmingsplan wordt door de Regering goedgekeurd.

Zij weigert haar goedkeuring wanneer het plan niet verenigbaar is met een door de Regering vastgesteld ontwerp van gewestelijk bestemmingsplan. De Regering kan de goedkeuring van een bijzonder bestemmingsplan aan de goedkeuring van een onteigeningsplan onderwerpen.

De Regering verleent haar goedkeuring binnen zestig dagen na ontvangst van het volledig dossier. Deze termijn kan door een met redenen omkleed besluit met zestig dagen verlengd worden.

Bij ontstentenis van kennisgeving van de beslissing van de Regering binnen deze termijnen, kan het college van burgemeester en schepenen een herinnering bij een ter post aangetekende brief aan de Regering toezenden. Indien het college van burgemeester en schepenen na het verstrijken van een nieuwe termijn van twee maanden met ingang van de afgifte bij de post van de aangetekende brief met de aanmaning, de beslissing van de Regering niet heeft ontvangen, wordt het plan geacht te zijn geweigerd.

Het besluit van de Regering houdende weigering van de goedkeuring wordt met redenen omkleed. Het besluit houdende goedkeuring van het plan wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

Het plan treedt in werking vijftien dagen na zijn bekendmaking. Het volledig plan ligt, binnen drie dagen na die bekendmaking, ter beschikking van de bevolking in het gemeentehuis. Het volledig plan wordt aan de Gewestelijke Commissie en aan de in de uitwerkingsprocedure van het ontwerp-plan geraadpleegde instanties en besturen overgemaakt.

Het ter beschikking stellen voor het publiek en het overmaken van de plannen aan de in het voorgaand lid bedoelde overheden preciseren de in artikel 68 gedefinieerde afhandelingsmodaliteiten. § 3. Ten minste de helft van de in dit artikel voorgeschreven termijnen valt buiten de perioden van de schoolvakanties. (112)

Art. 51.Eén derde van de personen, die ten minste achttien jaar oud zijn en, eigenaar of niet, woonachtig binnen de perimeter die ze bepalen en in de belendende huizenblokken, kan de gemeenteraad verzoeken te beslissen over de opmaak van een bijzonder bestemmingsplan voor deze perimeter.

De aanvraag, die bij een ter post aangetekende brief aan het college van burgemeester en schepenen wordt gericht, dient in elk geval het volgende te bevatten : 1° de opgave van de perimeter van het voorgestelde plan;2° een uiteenzetting van de behoeften waaraan moet worden voldaan en van de doelstellingen van de vooropgestelde aanleg rekening houdend met deze behoeften. Het college van burgemeester en schepenen legt de aanvraag uiterlijk drie maanden na de indiening ervan aan de gemeenteraad voor.

Indien de gemeenteraad de aanvraag verwerpt, wordt zijn beslissing met redenen omkleed. Willigt hij haar in, dan wordt de procedure aangevat overeenkomstig de artikelen 43 tot 50. (114) Afdeling IV. - Wijzigingsprocedure

Art. 52.De gemeenteraad kan uit eigen beweging of op verzoek, geformuleerd overeenkomstig de bepalingen van artikel 51, beslissen een bijzonder bestemmingsplan te wijzigen.

De bepalingen tot regeling van de uitwerking van de bijzondere bestemmingsplannen gelden voor de wijziging ervan.

Het ontwerp tot wijziging dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de Regering bevat als bijlage de gecoördineerde grafische en woordelijke voorschriften van het gehele gewijzigde plan. (116) Afdeling V. - Opmaak en wijziging op initiatief van de Regering

Art. 53.De Regering kan bij een met redenen omkleed besluit tot het opmaken van een bijzonder bestemmingsplan besluiten : 1° in de omtrek van de in artikel 17 bedoelde prioritaire interventiegebieden van het Gewest;2° ter wijziging of ter vernietiging van een verkavelingsvergunning die niet overeenstemt met plannen die later van kracht zijn geworden, of die in tegenstrijd is met werken van openbaar nut;3° ter verduidelijking van bepalingen van het gewestelijk bestemmingsplan.(118)

Art. 54.De Regering kan bij een met redenen omkleed besluit beslissen een bijzonder bestemmingsplan te wijzigen wanneer één van de volgende voorwaarden is vervuld : 1° het plan stemt niet meer overeen met het gewestelijk bestemmingsplan;2° het plan is in tegenstrijd met werken van openbaar nut;3° het plan bevindt zich volledig of gedeeltelijk in een in artikel 17 bedoeld prioritair interventiegebied van het Gewest;4° ter verduidelijking van de bepalingen van het gewestelijk bestemmingsplan;5° de wijziging van het plan werd gepland door het gewestelijk of gemeentelijk ontwikkelingsplan. De Regering kan eveneens besluiten een bijzonder bestemmingsplan te wijzigen met als gevolg de vernietiging of de wijziging van een verkavelingsvergunning die overeenkomt met één van de in het eerste lid bedoelde gevallen. (120)

Art. 55.Wanneer de Regering besluit een bijzonder bestemmingsplan op te maken of te wijzigen, verzoekt zij de gemeenteraad op te treden overeenkomstig de bepalingen met betrekking tot de uitwerking of wijziging van bijzondere bestemmingsplannen.

Zij bepaalt de termijn waarbinnen de gemeenteraad haar het ontwerp-bestek van het milieueffectenrapport, wanneer er een gevraagd wordt, het ontwerp-plan en het plan ter goedkeuring moet voorleggen. (122)

Art. 56.Wanneer de gemeenteraad het verzoek van de Regering heeft verworpen of de termijnen die hem worden opgelegd niet heeft nageleefd, kan de Regering zich in de plaats van de gemeenteraad stellen om het bijzonder bestemmingsplan uit te werken of te wijzigen.

De Regering gaat vervolgens te werk in de plaats van de gemeenteraad of het college van burgemeester en schepenen in de vorm en binnen de termijnen bepaald in de bepalingen inzake de uitwerking of wijziging van bijzondere bestemmingsplannen. (124)

Art. 57.Hel bijzonder bestemmingsplan treedt in werking vijftien dagen nadat het bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt. Binnen drie dagen na deze bekendmaking ligt het volledige plan ter beschikking van de bevolking in het gemeentehuis. (126) Afdeling VI. - Opheffingsprocedure

Art. 58.De gemeenteraad kan op eigen initiatief of op verzoek gedaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 51 het geheel of een gedeelte van de perimeter van (128) een bijzonder bestemmingsplan opheffen. (129)

Art. 59.De gemeenteraad hecht zijn goedkeuring aan een ontwerpbeslissing om een bijzonder bestemmingsplan op te heffen, vergezeld van een verslag waarin de opheffing van het bijzonder bestemmingsplan wordt verantwoord in plaats van de wijziging ervan, en onderwerpt de beslissing aan een openbaar onderzoek.

Dit onderzoek wordt aangekondigd door middel van aanplakbiljetten en via een bericht in het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie Franstalige en drie Nederlandstalige kranten die in het Gewest worden verspreid, volgens de regels te stellen door de Regering.

Hel openbaar onderzoek duurt dertig dagen. De bezwaren en opmerkingen worden aan het college van burgemeester en schepenen gezonden binnen deze termijn en worden gevoegd bij het proces-verbaal van sluiting van het onderzoek. Dit proces-verbaal wordt opgesteld door het college van burgemeester en schepenen binnen vijftien dagen na het verstrijken van de termijn voor het openbaar onderzoek. (131)

Art. 60.De ontwerpbeslissing lot opheffing van het bijzonder bestemmingsplan, vergezeld van het verslag bedoeld in artikel 59, eerste lid, wordt samen met de bezwaren, de opmerkingen en het procesverbaal van sluiting van het onderzoek, binnen twintig dagen na de afsluiting van het onderzoek voorgelegd aan de overlegcommissie.

Deze commissie brengt binnen zestig dagen na de afsluiting van het onderzoek advies uit. Bij gebreke van advies binnen deze termijn, wordt de overlegcommissie geacht een gunstig advies te hebben uitgebracht.

Binnen zestig dagen nadat de overlegcommissie advies heeft uitgebracht, kan de gemeenteraad, na kennis te hebben genomen van de resultaten van het onderzoek, de beslissing tot opheffing definitief goedkeuren of ze wijzigen.

In het eerste geval motiveert hij zijn beslissing ten aanzien van de bezwaren en opmerkingen die gedurende het onderzoek zijn geformuleerd.

In het tweede geval wordt een nieuw onderzoek gehouden zoals bepaald in artikel 59. (133)

Art. 61.De beslissing tot opheffing van een bijzonder bestemmingsplan wordt door de Regering goedgekeurd.

De Regering verleent haar goedkeuring binnen drie maanden na de ontvangst van het volledige dossier. Bij gebreke van kennisgeving van de beslissing van de Regering binnen deze termijn, wordt de goedkeuring geacht te zijn geweigerd.

Het besluit tot goedkeuring of tot weigering van goedkeuring wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

Het treedt in werking 15 dagen na deze bekendmaking. (135)

Art. 62.§ 1. De gemeenteraad kan uit eigen beweging of op verzoek van de Regering, geformuleerd in een met redenen omkleed besluit, beslissen de impliciete opheffingen vast te stellen van de woordelijke en grafische bepalingen van een bijzonder bestemmingsplan indien die niet in overeenstemming zijn met het gewestelijk bestemmingsplan.

In geval van gedeeltelijke opheffing wordt het besluit van de gemeenteraad vergezeld van een gecoördineerde versie van de grafische en woordelijke voorschriften van het plan.

De Regering verleent haar goedkeuring binnen drie maanden na de ontvangst van het met reden omklede besluit. Bij gebrek aan kennisgeving van de beslissing van de Regering binnen deze termijn, wordt de goedkeuring geacht te zijn verleend.

Het besluit van de Regering tot goedkeuring van de beslissing van de gemeente raad of naargelang het geval, het advies van de Regering vaststellende dat de goedkeuring van de beslissing van de gemeenteraad geacht wordt te zijn goedgekeurd, worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. § 2. Indien de procedure tot vaststelling van de opheffingen werd ingesteld op verzoek van de Regering om de in paragraaf 1 bedoelde redenen en indien de gemeenteraad de aanvraag van de Regering heeft verworpen of er niet op heeft geantwoord binnen de gestelde termijn, kan de Regering in de plaats van de gemeenteraad treden.

In geval van gedeeltelijke opheffing het besluit van de Regering vergezeld van een gecoördineerde versie van de grafische en woordelijke voorschriften van het plan.

Uittreksel ervan wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. (137)

Art. 63.§ 1. Als de opheffing van een bijzonder bestemmingsplan voor de volledige perimeter of een deel ervan werd gepland door een gemeentelijk ontwikkelingsplan, dan keurt de gemeenteraad de opheffing goed binnen zes maanden na het in werking treden van het gemeentelijk ontwikkelingsplan.

De Regering verleent haar goedkeuring binnen drie maanden na ontvangst van de beslissing. Bij gebreke van kennisgeving van de beslissing van de Regering binnen deze termijn wordt de goedkeuring geacht te zijn verleend.

Het besluit van de Regering tot goedkeuring van de beslissing van de gemeenteraad of naar gelang van het geval, het bericht van de Regering dat vaststelt dat de goedkeuring van de beslissing van de gemeenteraad geacht wordt te zijn goedgekeurd, worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

Het besluit van de Regering of, naar gelang van het geval, de beslissing van de gemeenteraad treedt in werking binnen de termijn vastgesteld door de Regering, of bij gebrek daaraan, 15 dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. § 2. Als de gemeenteraad de beslissing tot opheffing niet heeft goedgekeurd binnen zes maanden na het in werking treden van het gemeentelijk ontwikkelingsplan, kan de Regering zich in de plaats van de gemeenteraad stellen en rechtstreeks overgaan tot opheffing.

Uittreksel van het besluit van de Regering wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het treedt in werking binnen de termijn vastgesteld door de Regering of bij gebreke daaraan binnen 15 dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. (139) Afdeling VII. - Gevolgen van het plan

Art. 64.Alle bepalingen van het bijzonder bestemmingsplan hebben bindende kracht en verordenende waarde.

Het blijft van kracht tot wanneer het volledig of gedeeltelijk gewijzigd of opgeheven wordt. (141)

Art. 65.De bepalingen van het gewestelijk bestemmingsplan kunnen beperkingen op het gebruik van de eigendom inhouden, met inbegrip van bouwverbod. (143)

Art. 67.Wanneer het bijzonder bestemmingsplan door de Regering wordt vastgesteld of goedgekeurd, is de gemeente ontslagen van elke andere wettelijke vormvereiste inzake rooiplannen. (145)

Art. 67.Tenzij de voorschriften van het bijzonder bestemmingsplan ze uitdrukkelijk opleggen, stelt dit plan, indien goedgekeurd na 1 januari 1981, de aanvragen om stedenbouwkundigevergunningen, om verkavelingsvergunningen en om stedenbouwkundigeattesten vrij van de speciale regelen van openbaarmaking, vereist door het gewestelijk bestemmingsplan.

De in het eerste lid bedoelde vrijstelling is evenwel niet van toepassing op de aanvragen betreffende de handelingen en werken strekkende tot de aanleg of de wijziging van verkeerswegen. (147) Afdeling VIII. - Opvolging van het plan

Art. 68.Het college van burgemeester en schepenen legt om de drie jaar een rapport over de follow-up van de belangrijke effecten van de inwerkingtreding van de bijzondere bestemmingsplannen op het milieu en over de eventueel aan te brengen correcturen voor aan de gemeenteraad.

Het publiek wordt op de hoogte gebracht volgens de modaliteiten voorzien in artikel 112 van de nieuwe gemeentewet. (149) HOOFDSTUK VI. - Onteigening en vergoeding Afdeling I. - Beginsel

Art. 69.Elke verwerving van onroerende goederen, vereist voor de uitvoering van de bepalingen met bindende kracht en verordenende waarde van de in deze titel bepaalde plannen, kan door onteigening ten algemenen nutte tot stand worden gebracht.

Ongeacht de bepalingen die andere overheden bevoegd verklaren tot onteigenen, kunnen als onteigenende instanties optreden : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de gemeenten van het Gewest en de openbare instellingen alsmede de organen die van het Gewest afhangen en bij ordonnantie bevoegd verklaard zijn om ten algemenen nutte te onteigenen. (151) Afdeling II. - Procedure

Art. 70.Om over te gaan tot de nodige onteigeningen voor de uitvoering van een plan, moet de onteigenende instantie in het bezit zijn van een door de Regering goedgekeurd onteigeningsplan dat geheel of gedeeltelijk toepasselijk is op het in het plan afgebeelde grondgebied.

Wanneer de onteigening in het kader van de uitvoering van een bijzonder bestemmingsplan wordt gevorderd, kan het besluit van de Regering tegelijk op het bijzondere plan en het desbetreffende onteigeningsplan betrekking hebben. (153)

Art. 71.Het onteigeningsplan moet de omtrek van de te onteigenen goederen aangeven, afzonderlijk of tot stroken samengevoegd, met kadastrale vermelding van de sectie, de nummers, de grootte en de aard der percelen, evenals van de naam der eigenaars.

Het moet eveneens de onteigenende instantie(s) vermelden.

Wat de uit te voeren werken en onroerende verrichtingen betreft, kan het onteigeningsplan zich tot het overnemen van de voorschriften van het plan beperken. (155)

Art. 72.§ 1. De gemeente onderwerpt het onteigeningsplan aan een openbaar onderzoek. Dit onderzoek wordt door aanplakking aangekondigd.

Het onteigeningsplan wordt gedurende dertig dagen ter inzage van de bevolking gelegd in het gemeentehuis. Het begin en het einde van deze termijn worden in de aankondiging vermeld.

Vóór de neerlegging van het ontwerp in het gemeentehuis worden de eigenaars van de goederen, gelegen binnen de omtrek van de te onteigenen goederen, er persoonlijk, schriftelijk en in hun woonplaats van in kennis gesteld.

Bezwaren en opmerkingen worden binnen de termijn van dertig dagen, bedoeld in het tweede lid, aan het college van burgemeester en schepenen ter kennis gebracht en bij het proces-verbaal van sluiting van het onderzoek gevoegd. Dit proces-verbaal wordt door het college opgemaakt binnen vijftien dagen na het verstrijken van deze termijn.

Het onteigeningsplan wordt samen met de bezwaren, de opmerkingen en het proces-verbaal van sluiting van het onderzoek binnen twintig dagen na de sluiting van het onderzoek aan de overlegcommissie voorgelegd.

Deze brengt haar advies uit binnen vijfenveertig dagen na de sluiting van het onderzoek. Bij ontstentenis van een advies binnen die termijn, wordt de overlegcommissie geacht een gunstig advies te hebben gegeven.

Ten minste de helft van de termijn van vijfenveertig dagen valt buiten de periodes van de schoolvakanties.

De Regering verleent haar goedkeuring binnen drie maanden na ontvangst van het volledige dossier. Deze termijn kan door een met redenen omkleed besluit met drie maanden worden verlengd.

Bij ontstentenis van kennisgeving van de beslissing van de Regering binnen deze termijnen kan de onteigenende instantie bij een ter post aangetekende brief een aanmaning aan de Regering toezenden. Indien de onteigenende instantie, na het verstrijken van een nieuwe termijn van twee maanden met ingang van de afgifte bij de post van de aangetekende brief met de aanmaning, de beslissing van de Regering niet heeft ontvangen, wordt het plan geacht te zijn geweigerd.

Het besluit van de Regering houdende weigering van de goedkeuring wordt met redenen omkleed.

Het besluit houdende goedkeuring wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. § 2. Wordt het onteigeningsplan evenwel terzelfder tijd met het bijzonder bestemmingsplan opgemaakt, dan wordt het onteigeningsplan onderworpen aan de formaliteiten, bepaald voor de uitwerking van dit plan, onverminderd de in § 1, derde lid, voorziene bepalingen.

Wordt tot de onteigening besloten door een andere instantie, openbare instelling of orgaan dan de gemeente waar de goederen gelegen zijn, dan komen de kosten van het door de gemeente gedane openbaar onderzoek ten laste van de onteigenaar. (157)

Art. 73.Wanneer de onteigening wordt gevorderd met het oog op de uitvoering van het gewestelijk bestemmingsplan, wordt het onteigeningsplan na het advies van de overlegcommissie en vóór de beslissing van de Regering aan de Gewestelijke Commissie ter advies voorgelegd. (159)

Art. 74.Wanneer de onteigenaar in het bezit is van een door de Regering goedgekeurd onteigeningsplan, is hij ontheven van de administratieve formaliteiten welke door alle andere wettelijke bepalingen op de onteigeningen ten algemenen nutte zijn voorgeschreven. (161)

Art. 75.Op verzoek van de onteigenende instantie worden de aankoopcomités van onroerende goederen ingesteld bij de Minister van Financiën, belast met alle aankopen en onteigeningen van goederen ter uitvoering van de plannen, evenals met het sluiten van alle overeenkomsten voor de ruilverkaveling of de herverkaveling van grondeigendommen. Die comités, alsmede de ontvangers van de Domeinen zijn, ongeacht de onteigenende goederen, bevoegd om de krachtens de plannen van aanleg aangekochte of onteigende percelen zonder bijzondere formaliteiten openbaar of onderhands te verkopen. Van de in dit artikel bedoelde akten kunnen grossen worden afgegeven.

De voorzitters van de aankoopcomités zijn bevoegd om de onteigenende instantie of instelling in rechte te vertegenwoordigen. (163)

Art. 76.De in dit hoofdstuk bedoelde onteigeningen zullen worden gevorderd met toepassing van de rechtspleging, ingesteld bij de wet van 17 april 1835 inzake de onteigening ten algemenen nutte, gewijzigd door de wetten van 27 mei 1870 en van 9 september 1907, of door de wet van 10 mei 1926 tot instelling van een rechtspleging bij dringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemenen nutte.

Wanneer het echter volstrekt noodzakelijk is onmiddellijk bezit te nemen van een onroerend goed of van een groep onroerende goederen, stelt de Regering dit vast in het besluit dat aan het onteigeningsplan bindende kracht verleent, of in een afzonderlijk besluit. In dat geval wordt de rechtspleging toegepast, ingesteld bij de wet van 29 maart 1962 inzake de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigeningen ten algemenen nutte. (165) Afdeling III. - Vergoedingen

Art. 77.Bij het bepalen van de waarde van het onteigende goed wordt geen rekening gehouden met de waardevermeerdering of -vermindering die voortvloeit uit de voorschriften van een bestemmingsplan voorzover de onteigening wordt gevorderd voor de uitvoering van de aanleg van dit plan.

Bij het bepalen van de waarde wordt eveneens geen rekening gehouden met de waardevermeerdering die het goed heeft verkregen door werken of veranderingen uitgevoerd met overtreding van de wettelijke en verordenende bepalingen inzake stedenbouw. (167)

Art. 78.Onteigeningen die achtereenvolgens worden verordend ter uitvoering van een plan met inbegrip van de uitvoering van een wijziging aan dit plan, worden voor de waardebepaling van de te onteigenen goederen geacht een geheel te vormen op de dag van het eerste onteigeningsbesluit. (169) Afdeling IV. - Uitvoeringstermijn voor de onteigeningen

Art. 79.De krachtens dit hoofdstuk genomen onteigeningsplannen houden op te gelden na een termijn van tien jaar.

Wanneer de bevoegde overheid de verwezenlijking van de in artikel 69 bedoelde bepalingen na de termijn van tien jaar wenst verder te zetten, wordt te werk gegaan overeenkomstig de artikelen 70 tot 76. (171) In dit geval kan de eigenaar een vergoeding aanvragen binnen de bij artikel 81 bepaalde grenzen onverminderd de vergoedingen die hem ter gelegenheid van de onteigening toekomen. (173)

Art. 80.De bepalingen van artikelen 70 tot 74, 77 en 78 zijn van toepassing op de aankopen van goederen, nodig voor de uitvoering van de rooiplannen.

Het besluit van de Regering kan evenwel bepalen dat het rooiplan slechts kan worden uitgevoerd naarmate de aanvragen om een stedebouwkundige- of verkavelingsvergunning worden ingediend; in dat geval zijn de bepalingen van artikel 79 niet van toepassing. (175) Afdeling V. - Vergoeding van de waardeverminderingen

Art. 81.§ 1. Schadevergoeding is al naar het geval verschuldigd door het Gewest of de gemeente, wanneer het verbod om te bouwen of te verkavelen voortvloeiend uit een bestemmingsplan met bindende kracht een einde maakt aan het gebruik waarvoor een goed normaal bestemd is op de dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van het plan in zoverre de bepalingen ervan verordenende waarde en bindende kracht hebben.

De waardevermindering die voor schadeloosstelling in aanmerking komt, dient te worden geraamd als het verschil tussen enerzijds de waarde van dat goed op het ogenblik van de verwerving, geactualiseerd tot op de dag van het ontstaan van het recht op schadevergoeding en verhoogd met de vóór de inwerkingtreding van het ontwerpplan of van het plan gedragen lasten en kosten, en anderzijds de waarde van dat goed op het ogenblik van het ontstaan van het recht op schadevergoeding na de inwerkingtreding van het plan. Enkel de waardevermindering voortvloeiend uit dat plan kan in aanmerking komen voor schadeloosstelling.

Het recht op schadevergoeding ontstaat ofwel bij de weigering van een stedenbouwkundigevergunning of van een verkavelingsvergunning, ofwel bij de afgifte van een negatief stedebouwkundig attest, waartegen de beroepen waarin voorzien in dit Wetboek niet meer kunnen worden ingesteld. Het kan eveneens ontstaan op het ogenblik van de verkoop van het goed.

De Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel, onder meer wat de vaststelling van de waarden van het goed en de actualisering ervan betreft.

De waardevermindering van het goed volgend uit het bouw- of verkavelingsverbod, moet evenwel zonder vergoeding gedoogd worden ten belope van twintig ten honderd van die waarde.

De vergoeding wordt verminderd of geweigerd indien en voorzover vaststaat dat de eiser op het grondgebied van het Gewest andere goederen bezit, die voordeel halen uit de inwerkingtreding van een plan of uit werken uitgevoerd op kosten van de overheid.

Aan de verplichting tot schadevergoeding kan worden voldaan door een met redenen omkleed besluit van de Regering waarin de wijziging of de gedeeltelijke of volledige opheffing van bedoeld plan beslist of toegestaan wordt, met als gevolg dat er een einde wordt gemaakt aan het verbod om te bouwen, te herbouwen of te verkavelen.

De gemeente kan niet overgaan tot een dergelijke gedeeltelijke of volledige opheffing als dat verbod eveneens ingesteld is door een hoger plan. § 2. Wanneer krachtens een plan met bindende kracht een bouwverbod kan worden ingeroepen tegen degene die een perceel in een verkaveling heeft aangekocht, kan het Gewest of de gemeente zich aan de verplichting tot vergoeding onttrekken door dat perceel van de betrokkene terug te kopen, mits de door hem betaalde koopprijs, verhoogd met de lasten en kosten, terug te betalen.

Indien de betrokkene slechts eigenaar is van het bovenvermelde perceel, kan hij de terugkoop door het Gewest of de gemeente eisen door zijn wil te doen kennen bij aangetekende brief, die binnen twaalf maanden volgend op de bekendmaking van het bovenvermeld plan moet worden verzonden. In dat geval moet het perceel worden teruggekocht en betaald binnen het jaar na de kennisgeving. De Regering bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van deze bepaling. § 3. Er is geen vergoeding verschuldigd in de volgende gevallen : 1° verbod te bouwen of te verkavelen als gevolg van een voorziene onteigening van het goed en zulks, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 79;2° verbod een grotere oppervlakte van een perceel te bebouwen dan het plan toelaat, of bij een verkaveling de door het plan bepaalde bebouwingsdichtheid te overschrijden;3° verbod de exploitatie van gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke bedrijven voort te zetten na het verstrijken van de termijn waarvoor de exploitatie was vergund;4° verbod te bouwen op een terrein dat de bij het bijzondere bestemmingsplan bepaalde minimumafmetingen niet heeft;5° verbod om een terrein dat, rekening houdend met de plaatselijke toestand, geen toegang heeft tot een voldoende uitgeruste weg, te verkavelen of te bebouwen;6° verbod een terrein te verkavelen waarvoor een vroeger afgegeven verkavelingsvergunning vervallen was op de datum van de inwerkingtreding van het plan dat bedoeld verbod inhoudt;7° voor de gebouwen of vaststaande inrichtingen vernield door een natuurramp, als het verbod van hun wederopbouw voortvloeit uit de bepalingen, voorgeschreven in de wetgeving en in de reglementering betreffende de schade veroorzaakt door natuurrampen.(177)

Art. 82.De aanvragen tot betaling van vergoedingen, ongeacht het bedrag ervan, behoren tot de bevoegdheid van de rechtbanken van eerste aanleg. Alle op dat stuk gewezen vonnissen, behalve de voorbereidende, zijn vatbaar voor hoger beroep.

De aanvragen vervallen één jaar na de dag waarop het recht op schadevergoeding ontstaat overeenkomstig artikel 81, § 1, derde lid.

Indien geen vergunning wordt aangevraagd is de termijn tien jaar te rekenen van de datum van inwerkingtreding van het plan. Deze termijn wordt op vijftien jaar gesteld voor de vordering (179) tot vergoeding als bedoeld in artikel 79. (180) HOOFDSTUK VII. - Ruilverkaveling en herverkaveling

Art. 83.Bij ruilverkaveling of herverkaveling treedt het ruilverkaveld goed of de nieuwe kavel werkelijk in de plaats van het vorig goed. Mits de hierna voorgeschreven formaliteiten van openbaarmaking vervuld worden en onder voorbehoud van de uit bijzondere overeenkomsten voortvloeiende wijzigingen : 1° gaan de voorrechten en hypotheken en alle zakelijke rechten, erfdienstbaarheden uitgezonderd, die het vorige goed bezwaarden, de oorzaken van vernietiging, herroeping of ontbinding van de titel van de eigenaar van bedoeld goed, alsmede de rechtsvorderingen van alle aard betreffende dat goed, van rechtswege over op het hele ruilverkaveld goed, met inbegrip van de erbij gevoegde nieuwe delen, of op de nieuwe kavel die in de plaats treedt van het vorige goed alsook in voorkomend geval op de prijs, de opleg of het saldo van de opleggen die aan de eigenaar van het vorige goed mochten toekomen ten gevolge van de ruilverkaveling of herverkaveling in hun geheel beschouwd;2° worden het goed of de delen ervan die krachtens de ruilverkaveling of de herverkaveling in het vermogen komen van één of meer andere eigenaars, vrij van alle hierboven bedoelde rechten, oorzaken van vernietiging, herroeping of ontbinding en rechtsvorderingen in dat vermogen opgenomen. De overbedeelde kwijt zich op geldige wijze door de prijs of de opleg in de Deposito- en Consignatiekas te storten. (182)

Art. 84.In geval van vernietiging, herroeping of ontbinding heeft de overdracht van ambtswege plaats onverminderd de vergoedingsregeling die tussen partijen moet worden getroffen telkens als het ruilverkaveld perceel of de nieuwe kavel meer waard is dan het vorige perceel. (184)

Art. 85.De gevolgen van de ruilverkaveling, zoals deze in artikel 83 zijn omschreven, kunnen slechts tegen derden worden ingeroepen nadat de akte tot vaststelling van de ruilverkaveling of herverkaveling op het hypotheekkantoor van de goederen is overgeschreven, en bovendien, wat de overdracht of het tenietgaan van de voorrechten en hypotheken betreft, pas vanaf de dag dat op de kant van de inschrijving betreffende die rechten melding is gemaakt van de tot stand gekomen overeenkomst.

Die kanttekening geschiedt op verzoek van het aankoopcomité of de onteigenende instantie, tegen overlegging van de akte van ruil- of herverkaveling en van een borderel in tweevoud, dat benevens de op de kant te maken aantekeningen nog vermeldt : 1° de naam, de voornamen, het beroep en de woonplaats van partijen, alsmede van de schuldeiser;2° de akten krachtens welke de voorrechten of hypotheken worden overgedragen;3° de nieuwe beschrijving van het ruilverkaveld of herverkaveld goed;4° de vermeldingen voorgeschreven bij de wetgeving inzake hypotheken. De bewaarder overhandigt aan de verzoeker de akte en één van de borderellen, waarop hij onderaan verklaart de melding te hebben gemaakt.

Indien het Gewest de onroerende verrichtingen voor eigen rekening neemt, draagt het de kosten van de hypotheekformaliteiten ten aanzien van de rechten die de ruilverkavelde of herverkavelde goederen bezwaren. (186)

Art. 86.Het recht van huur betreffende ruilverkavelde of herverkavelde goederen, met uitzondering van de pacht, gaat over op de nieuwe kavel die aan de verhuurder is toebedeeld, behoudens verlaging of verhoging van de huurprijs en tenzij de huurder de huurovereenkomst wenst op te zeggen. (188) TITEL III. - STEDENBOUWKUNDIGE VERORDENINGEN HOOFDSTUK I. - Algemeen

Art. 87.De stedenbouw van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt door de voldende verordeningen vastgelegd : 1. de gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen;2. de gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen.(190) HOOFDSTUK II. - Gewestelijke stedenbouwkundigeverordeningen

Art. 88.De Regering kan één of meer gewestelijke stedenbouwkundigeverordeningen vaststellen, die bepalingen bevatten om onder meer te voorzien in : 1° de gezondheid, de instandhouding, de stevigheid en de fraaiheid van de bouwwerken, de installaties en hun omgeving, aismede hun veiligheid, met name de beveiliging tegen brand en overstroming;2° de thermische en akoestische kwaliteit van de bouwwerken, de energiebesparingen en de energieterugwinning;3° de instandhouding, de gezondheid, de veiligheid, de bruikbaarheid en de schoonheid van de wegen, de toegangen en de omgeving ervan;4° de aanleg van voorzieningen van openbaar nut ten behoeve van de gebouwen, met name wat betreft de water-, gas- en elektriciteitsvoorziening, de verwarming, de telecommunicatie en de vuilophaling;5° de minimumnormen inzake bewoonbaarheid van de woningen;6° de woonkwaliteit en het gemak van het langzaam verkeer met name door voorkoming van lawaai, stof en rook bij de uitvoering van werken, en door deze werken op bepaalde uren en dagen te verbieden;7° de toegang voor de personen met verminderde beweeglijkheid tot al dan niet bebouwde onroerende goederen of delen ervan toegankelijk voor het publiek, tot installaties en wegen;8° de gebruiksveiligheid van een voor het publiek toegankelijk goed. Deze verordeningen kunnen betrekking hebben op de bouwwerken en installaties boven en onder de grond, op de uithangborden en de reclame-inrichtingen, de antennes, de leidingen, de afsluitingen, de opslagplaatsen en onbebouwde terreinen, de beplantingen, de wijziging van het reliëf van de bodem, en de inrichting van ruimten ten behoeve van het verkeer en het parkeren van voertuigen buiten de openbare weg.

Deze stedenbouwkundigeverordeningen mogen niet afwijken van de opgelegde voorschriften inzake de grote wegen.

Zij zijn van toepassing op het gehele grondgebied van het gewest, of op een deel ervan waarvan zij de grenzen bepalen. (192)

Art. 89.§ 1. De Regering stelt het ontwerp van gewestelijke stedenbouwkundigeverordening vast en organiseert een openbaar onderzoek. Dit onderzoek wordt aangekondigd door aanplakking in elke gemeente van het Gewest, door een bericht in het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie Nederlandstalige en drie Franstalige dagbladen die in het Gewest worden verspreid alsmede door een mededeling op radio en televisie volgens de door de Regering bepaalde regels. In deze aankondiging worden de begin- en einddatum van het onderzoek vermeld.

Na deze aankondigingen wordt het ontwerp van verordening gedurende dertig dagen ter inzage van de bevolking gelegd in het gemeentehuis van elke gemeente van het Gewest.

Wanneer het ontwerp van verordening slechts voor een deel van het grondgebied van het gewest van toepassing is, beperkt het openbaar onderzoek zich tot de betrokken gemeenten. § 2. Wanneer het ontwerp van verordening op het hele grondgebied van het gewest van toepassing is, worden de bezwaren en opmerkingen binnen de termijn van het onderzoek bij een ter post aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de Regering.

Na het verstrijken van de onderzoekstermijn beschikken de gemeenteraden en de adviesorganen, waarvan de lijst door de Regering werd vastgelegd, over een termijn van dertig dagen om hun advies te geven. De adviezen die niet uitgebracht werden binnen die termijn worden gunstig geacht.

Het ontwerp van verordening wordt samen met de bezwaren en opmerkingen en adviezen aan de Gewestelijke Commissie voorgelegd. De Gewestelijke Commissie brengt binnen dertig dagen na ontvangst van het volledige dossier advies uit. Bij ontstentenis van een advies binnen die termijn, wordt de Gewestelijke Commissie geacht een gunstig advies te hebben gegeven. Indien op het ogenblik dat de Commissie haar advies moet uitbrengen zij niet geldig is samengesteld bij gebreke aan de aanwijzing van haar leden binnen de bij artikel 7 bepaalde termijn, gaat de termijn van dertig dagen in vanaf de aanwijzing van haar leden. (194) Ten minste de helft van de in het tweede en derde lid van deze paragraaf bedoelde termijnen valt buiten de periodes van de schoolvakanties. § 3. Wanneer het ontwerp van verordening slechts op een deel van het grondgebied van het gewest van toepassing is, worden de bezwaren en opmerkingen - waarvan door de indiener een afschrift aan het college van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeente kan worden gestuurd - aan de Regering toegezonden binnen de termijn van het onderzoek bij een ter post aangetekende brief of tegen ontvangstbewijs.

De opmerkingen en bezwaren worden binnen twintig dagen na de sluiting van het onderzoek aan de betrokken overlegcommissie voorgelegd. Deze raadpleegt de besturen en organen waarvan de Regering de lijst vastlegt.

Deze besturen en organen brengen hun advies uit binnen dertig dagen na de aanvraag van de overlegcommissie. Bij ontstentenis van een advies binnen die termijn worden deze besturen en organen geacht een gunstig advies te hebben gegeven.

De overlegcommissie brengt binnen zestig dagen na ontvangst van het dossier advies uit. Bij ontstentenis van een advies binnen die termijn wordt de overlegcommissie geacht een gunstig advies te hebben gegeven.

Ten minste de helft van de in lid 3 en 4 voorgeschreven termijnen valt buiten de periodes van de schoolvakanties. § 4. Het advies van de Gewestelijke Commissie of van de overlegcommissie wordt aan de Regering toegezonden die de gewestelijke stedenbouwkundigeverordening definitief vaststelt. Wanneer de beslissing van de Regering afwijkt van het advies van de Gewestelijke Commissie of van de overlegcommissie wordt deze met redenen omkleed. (196)

Art. 90.De Gewestelijke Stedenbouwkundige Verordening treedt in werking binnen de door de Regering vastgestelde termijn, of bij ontstentenis daarvan, vijftien dagen na haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

De gewestelijke stedenbouwkundigeverordening ligt ter beschikking van de bevolking in elk gemeentehuis, of in het betrokken gemeentehuis, indien de verordening enkel een deel van het grondgebied van het gewest betreft, binnen drie dagen na de bekendmaking ervan. (198) HOOFDSTUK III. - Gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen

Art. 91.De gemeenteraad kan stedenbouwkundigeverordeningen vaststellen voor het gemeentelijk grondgebied of een deel ervan.

De gemeentelijke stedenbouwkundigeverordeningen hebben betrekking op dezelfde materies als deze die geregeld worden door de gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen, die ze kunnen aanvullen. Zij kunnen, overeenkomstig de artikelen 100, § 3, 2e lid en 112, § 3, 2e lid, de omstandigheden vaststellen waarin stedenbouwkundige lasten kunnen worden opgelegd bij het afleveren van een stedenbouwkundigevergunning, alsook de omvang van deze lasten. (200)

Art. 92.De gemeenteraad neemt voorlopig het ontwerp van gemeentelijke stedenbouwkundigeverordening aan en onderwerpt het aan een openbaar onderzoek. Dit onderzoek wordt door aanplakking aangekondigd.

Het ontwerp van verordening wordt gedurende dertig dagen ter inzage van de bevolking gelegd in het gemeentehuis. Het begin en het einde van deze termijn worden in de aankondiging vermeld.

Bezwaren en opmerkingen worden binnen deze termijn ter kennis gebracht van het college van burgemeester en schepenen en bij het proces-verbaal van sluiting van het onderzoek gevoegd. Dit proces-verbaal wordt door het college opgemaakt binnen vijftien dagen na het verstrijken van deze termijn.

Het ontwerp van verordening wordt samen met de bezwaren, de opmerkingen en het proces-verbaal van sluiting van het onderzoek binnen twintig dagen na de sluiting van het onderzoek aan de overlegcommissie voorgelegd. Deze brengt haar advies uit binnen vijfenveertig dagen na de sluiting van het onderzoek. Bij ontstentenis van een advies binnen die termijn, wordt de overlegcommissie geacht een gunstig advies te hebben gegeven.

De gemeenteraad heeft, na het advies van de overlegcommissie, dertig dagen tijd om kennis te nemen van de resultaten van het onderzoek en van het advies, en neemt de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening definitief aan.

Ten minste de helft van de termijn toebedeeld aan de overlegcommissie om advies uit te brengen en aan de gemeenteraad om de verordening definitief aan te nemen, valt buiten de periodes van de schoolvakanties.

Wanneer de gemeenteraad van de bezwaren en opmerkingen, uitgebracht gedurende het onderzoek of van het advies van de overlegcommissie afwijkt, wordt zijn beslissing met redenen omkleed. (202)

Art. 93.De gemeentelijke stedenbouwkundigeverordening wordt door de Regering goedgekeurd.

De Regering verleent haar goedkeuring binnen een termijn van drie maanden gerekend vanaf de ontvangst van het dossier. Deze termijn kan door een met redenen omkleed besluit met drie maanden worden verlengd.

Bij ontstentenis van een beslissing van de Regering binnen de voorgeschreven termijnen, wordt de gemeentelijke stedenbouwkundigeverordening geacht te zijn goedgekeurd.

Wanneer de goedkeuring wordt geweigerd, wordt het besluit van de Regering met redenen omkleed.

Onverminderd de andere vigerende wijzen van bekendmaking wordt het besluit houdende goedkeuring van de gemeentelijke stedenbouwkundigeverordening of het advies tot vaststelling van de goedkeuring van de verordening bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt, op initiatief van de meest gerede betrokken partij. De gemeentelijke stedenbouwkundigeverordening ligt ter beschikking van de bevolking in het gemeentehuis binnen drie dagen van de bekendmaking ervan. (204) HOOFDSTUK III. - Gevolgen van de gewestelijke en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen

Art. 94.De voorschriften van de vigerende gewestelijke en gemeentelijke verordeningen zijn enkel van toepassing op het grondgebied gedekt door een overeenkomstig titel II opgemaakt plan in de mate dat ze niet strijdig zijn met de verordenende voorschriften van deze plannen. (206)

Art. 95.De gewestelijke stedenbouwkundige verordening heft de niet-conforme bepalingen van de gemeentelijke verordeningen op.

Wanneer een gewestelijke verordening in werking treedt, past de gemeenteraad op eigen initiatief of binnen de hem door de Regering opgelegde termijn, de gemeentelijke verordening aan de bepalingen van de gewestelijke verordening aan. (208)

Art. 96.De gewestelijke en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen kunnen een vergunning opleggen voor de uitvoering van handelingen en werken die niet in artikel 98, § 1, worden vermeld.

Deze handelingen en werken worden echter van een dergelijke vergunning vrijgesteld indien zij op de in artikel 98, § 2, bedoelde lijst staan. (210) HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de gewestelijke en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen

Art. 97.De regels met betrekking tot het opstellen van de gewestelijke en gemeentelijke verordeningen zijn van toepassing op de wijziging ervan. (212) TITEL IV. - VERGUNNINGEN EN ATTEST HOOFDSTUK I. - Stedenbouwkundige vergunning Afdeling I. - Handelingen en werken onderworpen aan een

stedenbouwkundige vergunning

Art. 98.§ 1. Niemand mag zonder voorafgaande schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen : 1° bouwen, een grond gebruiken voor het plaatsen van één of meer vaste inrichtingen, reclame-inrichtingen en uithangborden inbegrepen; onder bouwen en plaatsen van vaste inrichtingen wordt verstaan het oprichten van een gebouw of een kunstwerk of het plaatsen van een inrichting, zelfs uit niet duurzame materialen, die in de grond is ingebouwd, op de grond of op een bestaand bouwwerk is bevestigd of op de grond steun vindt ten behoeve van de stabiliteit en bestemd is om ter plaatse te blijven staan, al kan zij ook uit elkaar genomen of verplaatst worden; 2° verbouwen van een bestaand bouwwerk met uitzondering van instandhoudings- en onderhoudswerken;onder verbouwen wordt verstaan de wijziging - binnen of buiten - van een gebouw, kunstwerk of een inrichting, door onder meer toevoeging of afschaffing van een plaats, een dak, wijziging van het aspect van het bouwwerk of het gebruik van andere materialen, zelfs als deze werken de omvang van het bestaande gebouw niet wijzigen; 3° een bouwwerk afbreken;4° herbouwen;5° de bestemming van een goed geheel of gedeeltelijk wijzigen, zelfs als deze wijziging geen werken vereist; het gebruik van een goed geheel of gedeeltelijk wijzigen, zelfs als die wijziging geen werken vereist, maar voorzover die wijziging is opgenomen in een door de regering vastgestelde lijst.

Men bedoelt met : a) « gebruik », het feitelijk gebruik van een onbebouwd goed of van één of meer vertrekken van een bebouwd goed;b) « bestemming », de bestemming van een onbebouwd goed of van één of meer vertrekken van een bebouwd goed, zoals aangegeven in de bouw- of stedebouwkundigevergunning of, bij gebrek aan dergelijke vergunning of aanduiding in deze vergunning, de bestemming aangegeven in de bestemmingsplannen;6° het reliëf van de bodem aanzienlijk wijzigen;7° ontbossen;8° hoogstammige bomen vellen;9° ontginnen of de vegetatie wijzigen van elk gebied waarvan de bescherming noodzakelijk wordt geacht door de Regering;10° een grond gewoonlijk gebruiken voor : a) het opslaan van één of meer gebruikte voertuigen, van schroot, van materialen of afval;b) het parkeren van voertuigen, wagens of aanhangwagens voor reclamedoeleinden inbegrepen;c) het plaatsen van één of meer verplaatsbare inrichtingen die voor bewoning kunnen worden gebruikt, zoals woonwagens, kampeerwagens, afgedankte voertuigen, tenten.Er is evenwel geen vergunning vereist voor het kamperen met verplaatsbare inrichtingen op een kampeerterrein in de zin van de wetgeving op het kamperen; 11° handelingen en werken ondernemen of laten ondernemen voor de restauratie, de uitvoering van opgravingen of wijziging van het uitzicht van delen of van het geheel van een goed dat is beschermd of ingeschreven op de bewaarlijst, of waarvoor de inschrijvings- of beschermingsprocedure geopend is of over te gaan tot het verplaatsen van een dergelijk goed. De Regering stelt de nadere regels voor de toepassing van deze paragraaf vast. § 2. De Regering kan de lijst vaststellen van de werken en handelingen waarvoor, wegens hun geringe omvang, geen vergunning vereist is. De lijst is evenwel niet van toepassing op de handelingen en werken aan een goed dat is beschermd of ingeschreven op de bewaarlijst of waarvoor de inschrijvings- of beschermingsprocedure geopend is. § 3. De bepalingen van dit Wetboek zijn van toepassing op de niet in § 1 opgesomde handelingen en werken, wanneer een stedenbouwkundige verordening voor de uitvoering ervan een vergunning voorschrijft.

Dergelijke verordening kan evenwel geen betrekking hebben op handelingen en werken die voorkomen op de in § 2 bedoelde lijst. (214)

Art. 99.De notaris vermeldt in alle akten van verkoop of van verhuring voor meer dan negen jaar, van een bebouwd of ongebouwd goed, alsmede in alle akten van vestiging van erfpacht of van opstal, de voorziene bestemming in de bestemmingsplannen op het ogenblik dat de akte wordt verleden en de verklaring van de verkoper, van de verhuurder of van de erfpachtof opstalgever, hetzij dat voor het goed een stedenbouwkundige vergunning is verleend of een stedenbouwkundig attest dat laat voorzien dat een dergelijke vergunning zou kunnen worden verkregen, hetzij, bij ontstentenis van die vergunning of dat attest, dat geen verzekering kan worden gegeven omtrent de mogelijkheid om op het goed een van de werken en handelingen bedoeld in artikel 98, § 1, te verrichten.

Hij vermeldt bovendien dat geen van de werken en handelingen bedoeld in artikel 98, § 1 mogen worden verricht op het goed waarop de akte betrekking heeft, zolang de stedenbouwkundige vergunning niet is verkregen.

De onderhandse akten waarin die verrichtingen worden vastgelegd, bevatten dezelfde verklaring. (216) Afdeling II. - Stedenbouwkundige lasten

Art. 100.§ 1. Het college van burgemeester en schepenen, de gemachtigde ambtenaar, het Stedenbouwkundig College en de Regering kunnen, in naleving van het evenredigheidsbeginsel, aan de afgifte van de vergunningen lasten verbinden die zij aan de aanvrager menen te moeten opleggen. Deze lasten bevatten onder meer, buiten de nodige financiële waarborgen voor de uitvoering ervan, de kosteloze verwezenlijking, verbouwing of renovatie van wegen, groene ruimten, openbare gebouwen, nutsvoorzieningen en woongebouwen.

Zij kunnen bovendien de afgifte van de vergunning doen afhangen van een verklaring, waarbij de aanvrager zich ertoe verbindt, wanneer de werken zijn begonnen, aan de gemeente kosteloos, vrij en onbelast en zonder kosten voor haar, de eigendom over te dragen van openbare wegen, openbare groene ruimten, openbare gebouwen, openbare nutsvoorzieningen, en woonblokken evenals de gronden waarop deze worden of zullen worden aangelegd.

Zij kunnen, in de plaats van of als aanvulling op de uitvoering van de hogerop vermelde lasten en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, de afgifte van de vergunning afhankelijk maken van een storting van een geldsom tot financiering van handelingen en werken die zij bepalen en die de verwezenlijking, de verbouwing en de renovatie van wegen, groene ruimten, openbare gebouwen, nutsvoorzieningen of woningen tot doel heeft.

De lasten worden vermeld in de stedebouwkundigevergunning. § 2. De Regering kan de prioriteiten op vlak van de bestemming van de stedebouwkundigelasten vastleggen, alsook het bedrag van de financiële garanties die geëist kunnen worden en de termijnen binnen welke de lasten gerealiseerd moeten worden. § 3. De Regering bepaalt de omstandigheden onder welke het opleggen van de stedenbouwkundige lasten verplicht is en legt tevens de minimale waarde van de stedenbouwkundige lasten die in die omstandigheden opgelegd worden, vast. De Regering kan eveneens de omstandigheden bepalen onder welke het opleggen van zowel verplichte als facultatieve stedenbouwkundige lasten uitgesloten is.

In overeenstemming met het voorafgaande lid, kan de gemeenteraad, door middel van een bijzonder bestemmingsplan of een gemeentelijke verordening, hetzij de waarde van de verplichte stedenbouwkundige lasten bedoeld in het voorgaande lid verhogen, hetzij andere omstandigheden bepalen waaronder het opleggen van stedenbouwkundige lasten verplicht is en hun waarde vastleggen.

Binnen de perimeters en in de omstandigheden waaronder de gemeenteraad gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden beschreven in het voorafgaande lid, kunnen het college van burgemeester en schepenen, de gemachtigde ambtenaar, het Stedenbouwkundig College en de Regering geen stedenbouwkundige lasten opleggen die van een andere omvang zijn dan die voorzien door de gemeenteraad. § 4. Er wordt een voor het publiek toegankelijk en door het bestuur beheerd register van de stedenbouwkundige lasten opgericht.

De Regering kan de vorm, de inhoud en de totstandkomingsprocedure van dit register bepalen. (218) Afdeling III. - Verval en verlenging

Art. 101.§ 1. De vergunning vervalt indien de vergunninghouder binnen twee jaar na afgifte niet duidelijk met de verwezenlijking van de vergunning van start is gegaan of wanneer hij in de bij artikel 98, § 1, 1°, 2° en 4° bepaalde gevallen niet met de ruwbouw is begonnen of indien hij in voorkomend geval de bij toepassing van artikel 100 opgelegde lasten niet heeft uitgevoerd.

Bij onderbreking van de werken gedurende meer dan een jaar, vervalt de vergunning eveneens.

Het verval van de vergunning geschiedt van rechtswege. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde termijn van twee jaar kan evenwel, op verzoek van de houder, voor een periode van één jaar verlegd worden.

De verlenging kan eveneens jaarlijks hernieuwd worden, telkens wanneer de aanvrager aantoont dat hij zijn vergunning door overmacht niet heeft kunnen aanwenden of wanneer hij zich beroept op een tegen zijn vergunning bij de afdeling administratie van de Raad van State ingesteld beroep tot nietigverklaring waarover nog geen uitspraak is gedaan.

De aanvraag om verlenging of hernieuwing moet, op straffe van verval, minstens twee maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke of verlengde vervaltermijn gebeuren.

De verlenging wordt door het college van burgemeester en schepenen verleend indien dit laatste de vergunning heeft verleend. In de andere gevallen, daarbij inbegrepen het geval voorzien in artikel 187, wordt de verlenging toegekend door de gemachtigde ambtenaar.

Bij ontstentenis van een beslissing van de bevoegde overheid na het verstrijken van de termijn van twee jaar, wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd.

De beslissing tot weigering van de verlenging van de vergunning kan geen voorwerp zijn van de in artikelen 165, 169, 180 en 184 bedoelde beroepen. § 3. In het geval van een gemengd project, in de zin van artikel 124, § 2, wordt de stedenbouwkundige vergunning geschorst zolang er geen definitieve milieuvergunning werd verkregen.

De definitieve weigeringsbeslissing over de aanvraag om milieuvergunning houdt van rechtswege de nietigheid van de stedenbouwkundige vergunning in.

Voor de toepassing van dit Wetboek is een beslissing slechts definitief wanneer alle openstaande administratieve beroepen tegen deze beslissing door dit Wetboek of door de ordonnantie betreffende de milieuvergunning uitgeput zijn of de termijnen om deze in te stellen verstreken zijn.

Het in paragraaf 1 bedoelde verval begint maar te lopen zodra de houder van de stedenbouwkundige vergunning de milieuvergunning gekregen heeft. (220) Afdeling IV. - Vergunning van beperkte duur

Art. 102.De geldigheidsduur van de vergunning is beperkt voor de handelingen en werken waarvan de aard en het voorwerp zulks vereisen.

De regering stelt de lijst vast van de handelingen en werken waarvoor de geldigheidsduur van de vergunning beperkt is.

De geldigheidsduur van de vergunning loopt vanaf de dag waarop de overheid, die ze heeft verleend, ofwel de vergunning zelf ofwel een attest waaruit blijkt dat de afgifte van de vergunning is verleend, aan de aanvrager ter kennis brengt.

Het feit dat de verwezenlijking van de vergunning niet van start is gegaan, leidt niet tot het verval ervan.

De onderbreking gedurende meer dan een jaar van de toegestane handelingen of werken leidt niet tot het verval van de vergunning.

De vergunning kan niet worden verlengd.

Na het verstrijken van de termijn is de vergunninghouder verplicht om de plaats te herstellen in de staat waarin deze zich vóór de uitvoering van de vergunning bevond.

De Regering stelt de nadere regels voor de toepassing van dit artikel vast. (222) HOOFDSTUK II. - Verkavelingsvergunning Afdeling I. - Handelingen onderworpen aan een verkavelingsvergunning

Art. 103.Niemand mag zonder voorafgaande schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning van het college van burgemeester en schepenen een stuk grond verkavelen.

Onder "verkavelen" wordt verstaan een goed verdelen in één of meer kavels teneinde ten minste een van deze kavels te verkopen of te verhuren voor meer dan negen jaar, een erfpacht of een opstalrecht over te dragen of een van deze overdrachtsvormen aan te bieden voor woningbouw of voor het opstellen van vaste en verplaatsbare inrichtingen die voor bewoning kunnen worden gebruikt. (224) Art.104. Bij verdeling van een goed waarvoor geen verkavelingsvergunning is afgegeven wordt door de notaris het plan van de verdeling alsmede een attest waarin de aard van de akte en de in de akte te vermelden bestemming van de kavels nader wordt aangegeven aan het college van burgemeester en schepenen en aan de gemachtigde ambtenaar medegedeeld en dit twintig dagen vóór de datum die voor de openbare verkoping of voor de ondertekening van de akte is vastgesteld.

Het college van burgemeester en schepenen en de gemachtigde ambtenaar geven eventueel, ter inlichting, kennis van hun opmerkingen. Deze moeten in de akte worden vermeld, evenals een verklaring van de verdeler dat voor de verdeling geen verkavelingsvergunning of stedenbouwkundigevergunning werd afgegeven en, behoudens overlegging van een stedenbouwkundig attest dat laat voorzien dat een dergelijke vergunning zou kunnen worden verkregen, dat hij geen enkele verbintenis aangaat betreffende de mogelijkheid om een van de handelingen en werken bedoeld in artikel 98, § 1 op het goed te verrichten.

De notaris vermeldt bovendien in de akte dat geen van de handelingen en werken bedoeld in artikel 98, § 1, mogen worden verricht op het goed waarop de akte betrekking heeft, zolang de stedenbouwkundigevergunning niet is verkregen.

De onderhandse akten waarin die verrichtingen worden vastgelegd, bevatten dezelfde verklaring.

Dit artikel geldt voor alle akten van eigendomsoverdracht of eigendomsverklaring, genot, erfpacht of opstal, van een ongebouwd gedeelte van een goed, met uitzondering van de akten waarbij een landpacht wordt geregeld. (226) Afdeling Il. - Gevolgen van de verkavelingsvergunning

Art. 105.De verkavelingsvergunning heeft verordenende waarde. (228)

Art. 106.De niet-vervallen verkavelingsvergunning, afgegeven na 1 januari 1981, stelt de aanvragen om stedenbouwkundige vergunningen en om stedenbouwkundigeattesten vrij van de speciale regelen van openbaarmaking, vereist door de plannen.

De in het eerste lid bedoelde vrijstelling is evenwel niet van toepassing op de aanvragen betreffende de handelingen en werken strekkende tot de aanleg of de wijziging van verkeerswegen. (230)

Art. 107.Vóór de vervreemding, verhuring voor meer dan negen jaar of vestiging van een zakelijk recht, met inbegrip van bezwaring met hypotheek, aangaande een in een verkavelingsvergunning vermelde kavel, moet op verzoek van de eigenaar of eigenaars van de stukken grond, door een notaris akte van de verdeling van die stukken grond en van de aan de verkaveling verbonden lasten worden verleden. De akte moet de kadastrale omschrijving van de goederen vermelden, de eigenaars identificeren in de vorm bepaald in de wetgeving inzake hypotheken, en hun titel van eigendom aangeven.

De verkavelingsvergunning en het verkavelingsplan worden als bijlagen bij die akte gevoegd om, samen met de akte en ten verzoeke van de notaris die de akte heeft verleden, binnen twee maanden na het verlijden ervan, te worden overgeschreven op het hypotheekkantoor van het arrondissement Brussel. De overschrijving van het verkavelingsplan mag worden vervangen door de neerlegging op het hypotheekkantoor van een door de notaris gewaarmerkte afdruk van dat plan. (232)

Art. 108.De notaris geeft aan de partijen kennis van de akte van verdeling en van het bestek der verkaveling, van de bepalingen der verkavelingsvergunning, alsook in voorkomend geval van de wijzigingsbepalingen. Hij maakt in de akte van verkoop, van verhuring, van erfpacht of opstal melding van die kennisgeving, alsook van de datum der vergunning.

Hij vermeldt ook in de akte dat geen van de handelingen en werken bedoeld in artikel 98, § 1, mogen verricht worden op het goed waarop de akte betrekking heeft, zolang de stedenbouwkundige vergunning niet is verkregen.

De onderhandse akten waarin die verrichtingen worden vastgelegd, bevatten dezelfde vermeldingen. (234)

Art. 109.Niemand mag een kavel, begrepen in een verkavelingsvergunning of in een fase ervan, die de aanleg van nieuwe verkeerswegen, de tracéwijziging, de verbreding of de opheffing van bestaande gemeentelijke verkeerswegen bevat, vrijwillig te koop stellen of verkopen, voor meer dan negen jaar te huur stellen of verhuren, alvorens de houder van de vergunning de voorgeschreven werken en lasten heeft uitgevoerd, of de nodige financiële waarborgen voor de uitvoering ervan heeft verstrekt. De vervulling van deze formaliteit wordt geconstateerd door een bewijs dat door het college van burgemeester en schepenen afgegeven en bij ter post aangetekende brief aan de verkavelaar medegedeeld wordt. Het college van burgermeester en schepenen deelt aan de gemachtigde ambtenaar een afschrift van dat bewijs mede.

Behalve wanneer de uitrusting door de overheid is uitgevoerd, blijft de houder van de verkavelingsvergunning met de aannemer en de architect tien jaar lang voor de krachtens de verkavelingsvergunning uitgevoerde uitrusting hoofdelijk aansprakelijk tegenover het Gewest, de gemeente en de kopers van de percelen, binnen de bij de artikelen 1792 en 2270 van het Burgerlijk Wetboek bepaalde perken. (236)

Art. 110.Reclame met betrekking tot een verkavelingsvergunning mag niet worden gemaakt dan met vermelding van de gemeente waar het goed, dat het voorwerp van een vergunning uitmaakt, gelegen is, alsmede van de datum en het nummer van de vergunning. (238)

Art. 111.Indien de inhoud van de verkavelingsaanvraag strijdig is met door >s mens toedoen gevestigde erfdienstbaarheden of met bij overeenkomst vastgestelde verplichtingen en indien de modaliteiten van artikel 196 in acht werden genomen, doet de vergunning deze erfdienstbaarheden en verplichtingen teniet, onverminderd de schadeloosstelling van de houders van deze rechten, ten laste van de aanvrager. (240) Afdeling III. - Stedenbouwkundige lasten

Art. 112.§ 1. Het college van burgemeester en schepenen, de gemachtigde ambtenaar, het Stedenbouwkundig College en de Regering kunnen, in naleving van het evenredigheidsbeginsel, aan de afgifte van de vergunningen lasten verbinden die zij aan de aanvrager menen te moeten opleggen. Deze lasten bevatten onder meer, buiten de nodige financiële waarborgen voor de uitvoering ervan, de kosteloze verwezenlijking, verbouwing of renovatie van wegen, groene ruimten, openbare gebouwen, nutsvoorzieningen en woongebouwen.

Zij kunnen bovendien de afgifte van de vergunningen doen afhangen van een verklaring, waarbij de aanvrager zich ertoe verbindt, wanneer de werken zijn begonnen aan de gemeente kosteloos, vrij en onbelast en zonder kosten voor haar, de eigendom over te dragen van openbare wegen, openbare groene ruimten, openbare gebouwen en nutsvoorzieningen, woongebouwen evenals de gronden waarop deze worden of zullen worden aangelegd.

Zij kunnen, in de plaats van of als aanvulling op de uitvoering van de hogerop vermelde lasten en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, de afgifte van de vergunning afhankelijk maken van een storting van een geldsom tot financiering van handelingen en werken die zij bepalen en die de verwezenlijking, de verbouwing of de renovatie van wegen, groene ruimten, openbare gebouwen, nutsvoorzieningen of woongebouwen tot doel heeft.

De lasten staan vermeld in de verkavelingsvergunning. § 2. De Regering kan de prioriteiten op vlak van de bestemming van de stedenbouwkundige lasten vastleggen, alsook het bedrag van de financiële garanties die geëist kunnen worden en de termijnen binnen welke de lasten gerealiseerd moeten worden. § 3. De Regering bepaalt de omstandigheden onder welke het opleggen van de stedenbouwkundige lasten verplicht is en legt tevens de minimale waarde van de stedenbouwkundige lasten die in die omstandigheden opgelegd worden vast. De Regering kan eveneens de omstandigheden bepalen in welke het opleggen van zowel verplichte als facultatieve stedenbouwkundige lasten uitgesloten is.

In overeenstemming met het voorafgaande lid, kan de gemeenteraad, door middel van een bijzonder bestemmingsplan of een gemeentelijke verordening, of de omvang van de verplichte stedenbouwkundige lasten bedoeld in het vorige lid verhogen, of andere omstandigheden bepalen onder welke het opleggen van stedenbouwkundige lasten verplicht is en de waarde ervan vastleggen.

Binnen de perimeters en in de omstandigheden waaronder de gemeenteraad gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheden beschreven in het voorafgaande lid, kunnen het college van burgemeester en schepenen, de gemachtigde ambtenaar, het Stedenbouwkundig College en de Regering geen stedenbouwkundige lasten opleggen die van een andere waarde zijn dan die voorzien door de gemeenteraad. § 4. Er wordt een voor het publiek toegankelijk en door het bestuur beheerd register van de stedenbouwkundige lasten opgericht.

De Regering kan de vorm, de inhoud en de totstandkomingsprocedure van dit register bepalen. (242) Afdeling IV. - Vervaltermijn

Art. 113.Indien de verkavelingsvergunning geen aanleg van nieuwe verkeerswegen, noch tracéwijziging, verbreding of opheffing van bestaande gemeentelijke verkeerswegen bevat, vervalt de vergunning voor het overige gedeelte, indien binnen vijf jaar na de afgifte ervan, de verkoop of de verhuring voor meer dan negen jaar, de vestiging van een erfpachtof opstalrecht van ten minste één derde van de kavels niet is geregistreerd.

De vergunning vervalt eveneens indien de houder ervan binnen deze termijn de bij toepassing van artikel 112 opgelegde lasten niet heeft uitgevoerd of de financiële waarborgen niet heeft verstrekt. Het bewijs van de verkopen of de verhuringen wordt geleverd door kennisgeving aan het college van burgemeester en schepenen en aan de gemachtigde ambtenaar van de uittreksels uit de akten, die door de notaris of de ontvanger van de registratie gewaarmerkt zijn vóór het verstrijken van voormelde termijn van vijf jaar. (244)

Art. 114.Indien de verkavelingsvergunning de aanleg van nieuwe verkeerswegen, een tracéwijziging, de verbreding of de opheffing van bestaande gemeentelijke verkeerswegen bevat, vervalt de vergunning indien de houder ervan de voorgeschreven werken en lasten binnen vijf jaar na de afgifte niet heeft uitgevoerd of de vereiste financiële waarborgen niet heeft verstrekt. (246)

Art. 115.Indien de verkavelingsvergunning in fasen mag worden uitgevoerd, bepaalt de vergunning het tijdstip waarop de vijfjarige vervaltermijn ingaat voor elke fase buiten de eerste. (248)

Art. 116.De verkavelingsvergunning vervalt van rechtswege.

Het college van burgemeester en schepenen constateert echter het verval door een proces-verbaal, dat bij een ter post aangetekende zending aan de verkavelaar wordt medegedeeld.

Het college van burgemeester en schepenen zendt naar de gemachtigde ambtenaar een afschrift van het proces-verbaal.

Heeft het college van burgemeester en schepenen twee maanden na het verstrijken van de termijn het verval niet geconstateerd, dan wordt het proces-verbaal tot vaststelling van het verval opgemaakt door de gemachtigde ambtenaar en dit bij een ter post aangetekende brief betekend aan de verkavelaar en aan het college van burgemeester en schepenen. (250)

Art. 117.Op verzoek van de vergunninghouder kan de vergunning met één jaar worden verlengd.

De verlenging kan eveneens jaarlijks hernieuwd worden, telkens wanneer de aanvrager aantoont dat hij zijn vergunning door overmacht niet heeft kunnen aanwenden of wanneer hij zich beroept op met een tegen zijn vergunning bij de afdeling administratie van de Raad van State ingesteld beroep tot nietigverklaring waarover nog geen uitspraak is gedaan.

De aanvraag om verlenging of hernieuwing moet, op straffe van verval, minstens twee maanden vóór het verstrijken van de oorspronkelijke of verlengde vervaltermijn gebeuren.

De verlenging wordt door het college van burgemeester en schepenen verleend indien dit laatste de vergunning heeft verleend.

In de overige gevallen, met inbegrip van het in artikel 187 bedoelde geval, wordt de verlenging door de gemachtigde ambtenaar verleend.

Bij ontstentenis van een beslissing van de in het vierde en vijfde lid bedoelde overheden na het verstrijken van de termijn van vijf jaar, wordt de verlenging geacht te zijn goedgekeurd.

De beslissing tot weigering van de verlenging van de vergunning kan geen voorwerp zijn van de in de artikelen 165, 169, 180 en 184 bedoelde beroepen.

De verlenging kan jaarlijks verleend worden, volgens dezelfde modaliteiten, telkens wanneer de aanvrager aantoont dat hij zijn vergunning door overmacht niet heeft kunnen tenuitvoerleggen of wanneer hij zich beroept op een beroep tot nietigverklaring voor de afdeling administratie van de Raad van State ingesteld tegen zijn vergunning en waarover nog geen uitspraak is gedaan. De aanvraag om verlenging moet gebeuren minstens twee maanden vóór het verstrijken van de in de artikelen 113, 114 en 115 bedoelde termijn, zoals eventueel verlengd krachtens deze bepaling, op straffe van verval. (252) Afdeling V. - Wijziging van de verkavelings vergunning

Art. 118.Een wijziging van een in een verkavelingsvergunning begrepen kavel kan op verzoek van de eigenaar van deze kavel worden toegestaan voor zover zij geen afbreuk doet aan de rechten ontstaan uit overeenkomsten tussen partijen. (254)

Art. 119.De bepalingen tot regeling van de verkavelingsvergunning zijn van toepassing op de wijziging ervan, onverminderd de vervulling van de navolgende formaliteiten.

Alvorens zijn aanvraag in te dienen, zendt de eigenaar een eensluidend afschrift ervan, bij een ter post aangetekende brief, aan alle eigenaars van een kavel die de aanvraag niet medeondertekend hebben.

De postbewijzen van afgifte der aangetekende zendingen worden bij het dossier van de aanvraag gevoegd. De bezwaren worden schriftelijk bij het college van burgemeester en schepenen ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de datum van afgifte der aangetekende zendingen bij de post.

De wijziging wordt geweigerd indien de eigenaar of eigenaars van meer dan een vierde van de in de oorspronkelijke vergunning toegestane kavels hun verzet aan het college van burgemeester en schepenen te kennen geven bij een ter post aangetekende brief die binnen de in het tweede lid bedoelde termijn is verzonden.

De beslissing tot verlening of weigering van de wijzigingsvergunning wordt met redenen omkleed. (256)

Art. 120.De verkavelingsvergunning kan eveneens worden gewijzigd onder de voorwaarden en volgens de nadere regels bepaald bij artikelen 53 tot 57. (258)

Art. 121.De wijziging van de verkavelingsvergunning heeft geen gevolg op de vervaltermijn van de verkavelingsvergunning waarvan de wijziging is aangevraagd. (260)

Art. 122.Heeft een eigenaar van een kavel een wijziging van de verkavelingsvergunning verkregen, dan moet, op zijn verzoek, door een notaris akte worden verleden van de wijzigingen die werden aangebracht in de verdeling van de terreinen of in de lasten van de verkaveling.

De akte moet de kadastrale omschrijving van de goederen op het tijdstip van het verlijden vermelden, alle eigenaars van de in de verkavelingsvergunning vermelde percelen identificeren in de vorm bepaald in de wetgeving inzake hypotheken en hun titel van eigendom aangeven; zij moet eveneens een nauwkeurige opgave van de overschrijving der verdelingsakte van de terreinen bevatten. De beslissing tot wijziging van de verkavelingsvergunning en, in voorkomend geval, het nieuwe verkavelingsplan worden als bijlage bij deze akte gevoegd, om samen met deze akte te worden overgeschreven zoals in artikel 167 is bepaald. (262)

Art. 123.Wanneer de Regering beslist dat de verkavelingsvergunning dient te worden gewijzigd overeenkomstig artikel 54 kan zij in het belang van de goede plaatselijke aanleg bij een met redenen omkleed besluit de schorsing gelasten van de verkoop of van de verhuring voor meer dan negen jaar, van de vestiging van een erfpacht of opstalrecht van het geheel of van een gedeelte van de in de verkavelingsvergunning begrepen percelen. (264) HOOFDSTUK III. - Indiening en behandeling van de vergunningsaanvragen en beroepen Afdeling I. - Indiening van de aanvraag

Art. 124.§ 1. De Regering bepaalt aan welke voorwaarden een dossier over een vergunningsaanvraag moet voldoen om als volledig te worden beschouwd.

Het aanvraagdossier bevat het voorafgaand advies van de Dienst Brandweer en Dringende Medische Hulp, tenzij het betrekking heeft op handelingen en werken die er door de Regering van zijn vrijgesteld wegens hun geringe omvang. § 2. In het geval van een gemengd project, met name een project dat op het ogenblik van zijn indiening zowel een milieuvergunning met betrekking tot de installatie van klasse 1 A of 1 B als een stedenbouwkundige vergunning vereist : 1° moeten de aanvragen om stedenbouwkundig attest of om stedenbouwkundige vergunning en om milieu-attest en milieuvergunning gelijktijdig worden ingediend, hetzij in de vorm van een milieuattest en stedenbouwkundig attest, hetzij in de vorm van een milieuvergunning en een stedenbouwkundige vergunning;2° is het dossier van de aanvraag om stedenbouwkundig attest of om stedenbouwkundige vergunning onvolledig bij gebrek aan indiening van de overeenkomstige aanvraag om milieu-attest of milieuvergunning, vereist door de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen;3° de aanvragen om stedenbouwkundige vergunning of stedenbouwkundig attest en milieuvergunning en milieu-attest worden door de bevoegde overheid gelijktijdig om advies voorgelegd aan de personen of de diensten bedoeld in artikel 156, § 4, wanneer de geraadpleegde personen of diensten dezelfde zijn voor de twee procédures;4° de aanvragen om stedenbouwkundige vergunning of stedenbouwkundig attest en milieu-attest of milieuvergunning worden gezamenlijk onderworpen aan de speciale regelen van openbaarmaking;5° de aanvragen om stedenbouwkundig attest of om milieuvergunning en milieu- attest of milieuvergunning maken, naargelang het geval, het voorwerp uit van een voorbereidende nota op de effectenstudie, van een bestek, een effectenverslag of een studie van eenmalige effecten;6° de bevoegde overheden gaan, krachtens dit Wetboek en de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen, gezamenlijk over tot het onderzoek van de aanvragen om stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning en milieu-attest of -vergunning;de Regering regelt de modaliteiten van deze samenwerking. 7° een ontvangbewijs van het dossier van de aanvraag om stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning mag niet worden afgegeven bij gebrek aan ontvangbewijs van de aanvraag om milieu-attest of -vergunning. Een afschrift van alle administratieve stukken of documenten die door de gemeente of de gemachtigde ambtenaar naar de aanvrager worden verstuurd, wordt tegelijkertijd door hen verzonden naar het Brusselse Instituut voor Milieubeheer dat bevoegd is om de milieu-attesten en milieuvergunningen af te geven. (266)

Art. 125.De aanvraag kan op het gemeentehuis worden ingediend. Een indieningsbewijs ervan wordt dadelijk afgegeven.

De aanvraag kan ook bij een ter post aangetekende brief worden gericht aan het college van burgemeester en schepenen.

Binnen twintig dagen na ontvangst van de aanvraag zendt de gemeente aan de aanvrager bij een ter post aangetekende brief een ontvangstbewijs indien zijn dossier volledig is. Is dit niet het geval, deelt ze hem op dezelfde wijze mede dat zijn dossier niet volledig is met vermelding van de ontbrekende documenten of inlichtingen; de gemeente geeft het ontvangstbewijs af binnen twintig dagen na ontvangst van deze documenten of inlichtingen.

Een kopie van de brief die de gemeente met toepassing van het derde lid van de aanvrager zendt, wordt gelijktijdig verzonden naar de gemachtigde ambtenaar.

Bij ontstentenis van afgifte van het ontvangstbewijs of de kennisgeving dat het dossier niet volledig is, worden de bij artikel 156 bepaalde proceduretermijnen berekend vanaf de eenentwintigste dag na ontvangst, naargelang van het geval, van de aanvraag of van de documenten of inlichtingen bedoeld in het derde lid.

Wanneer de aanvraag aanleiding geeft tot de raadpleging van besturen of instellingen, zendt het college van burgemeester en schepenen aan deze laatste een afschrift van het volledige dossier binnen tien dagen na de verzending van het ontvangbewijs bedoeld in het derde lid.

Wanneer de aanvraag aan de overlegcommissie om advies wordt voorgelegd, verstuurt het college van burgemeester en schepenen aan de instellingen vertegenwoordigd in de overlegcommissie de documenten die bepaald zijn door de Regering, binnen tien dagen na de verzending van het ontvangbewijs bedoeld in het derde lid.

Wanneer de aanvraag om vergunning betrekking heeft op een goed in de nabijheid van een gebied waarin vestigingen kunnen komen die een zwaar risico inhouden voor de personen, de goederen of het milieu in de zin van de richtlijn 96/82/EG, of in de nabijheid van een dergelijke vestiging of ook nog betrekking heeft op een dergelijke vestiging, wordt het advies van het Brussels Instituut voor Milieubeheer gevraagd. (268)

Art. 126.§ 1. In het geval van artikel 153, wanneer de aanvraag niet aan de speciale regelen van openbaarmaking wordt onderworpen, verstuurt het college van burgemeester en schepenen aan de gemachtigde ambtenaar alle documenten die bepaald zijn door de Regering, waaronder het verslag van het college van burgemeester en schepenen, binnen dertig dagen na het in artikel 125 bedoelde ontvangstbewijs en dit bij een ter post aangetekende brief of bij eenvoudige afgifte.

In het geval van artikel 153 en dat van artikel 155, § 2, wanneer de aanvraag aan de speciale regelen van openbaarmaking wordt onderworpen, verstuurt het college van burgemeester en schepenen aan de gemachtigde ambtenaar alle documenten die bepaald zijn door de Regering, waaronder het verslag van het college van burgemeester en schepenen, binnen tien dagen na het in artikel 151 bedoelde advies van de overlegcommissie of binnen tien dagen na het verstrijken van de termijn van dertig dagen om dit advies uit te brengen. § 2. Het college van burgemeester en schepenen geeft de aanvrager kennis van de datum waarop de documenten vermeld in § 1 werden toegezonden aan de gemachtigde ambtenaar.

Wanneer de documenten vermeld in de §§ 1 en 3 worden neergelegd op het bureau van de gemachtigde ambtenaar, wordt er onmiddellijk een indieningsbewijs afgegeven. § 3. Wanneer de in § 1 bedoelde documenten niet aan de gemachtigde ambtenaar toegezonden worden binnen de in § 1, eerste lid, gestelde termijn van dertig dagen of binnen de in § 1, tweede lid, gestelde termijn van tien dagen, geeft de gemachtigde ambtenaar kennis van het in artikel 153, § 1, bedoelde advies of de in artikel 155, § 2, bepaalde beslissing zonder nog langer te wachten totdat de gemeente ze hem toezendt.

Hiertoe nodigt hij de aanvrager uit hem de documenten die hij aanduidt, toe te zenden. Zij worden hem toegezonden bij een ter post aangetekende brief of worden neergelegd op zijn bureau. § 4. De gemachtigde ambtenaar gaat na of de documenten die hem worden toegezonden met toepassing van § 1 of van § 3, volledig zijn. Stelt hij vast dat aan die voorwaarde niet is voldaan, dan geeft hij kennis van die vaststelling binnen vijftien dagen te rekenen van de ontvangst van het dossier en de documenten aan de aanvrager en aan het college van burgemeester en schepenen, waarbij hij in voorkomend geval aangeeft welke stukken ontbreken en er op wijst dat de termijn van vijfenveertig dagen, gesteld in artikelen 153, § 1, en 155, § 2, berekend wordt vanaf de datum waarop hij alle stukken heeft ontvangen waarvan hij heeft vastgesteld dat ze ontbreken. § 5. Wanneer de gemachtigde ambtenaar kennis geeft van het onvolledige karakter van de in de §§ 1 en 3 bedoelde documenten binnen de termijn en onder de voorwaarden gesteld in § 4, wordt de in de artikelen 153, § 1, en 155, § 2, gestelde termijn van vijfenveertig dagen berekend vanaf de ontvangst door de gemachtigde ambtenaar van alle documenten waarvan hij heeft vastgesteld dat ze ontbreken.

Wanneer de gemachtigde ambtenaar geen kennis geeft van het onvolledige karakter van de in de §§ 1 en 3 bedoelde documenten binnen de termijn en voorwaarden gesteld in § 4, wordt de in de artikelen 153, § 1, en 155, § 2 gestelde termijn van vijfenveertig dagen berekend vanaf de ontvangst ervan. (270) Afdeling II

Voorafgaande effectenbeoordeling van bepaalde projecten

Art. 127.§ 1. Een voorafgaande effectenbeoordeling is vereist voor de openbare en particulière projecten die onder meer door hun omvang, aard of ligging het leefmilieu of het stedelijk milieu ingrijpend kunnen aantasten, of die belangrijke sociale of economische gevolgen kunnen hebben. § 2. Onder "effecten van een project" verstaat men de rechtstreekse en indirecte, tijdelijke, toevallige en permanente effecten op korte en lange termijn van een project op : 1° de mens, de fauna en de flora;2° de bodem, het water, de lucht, het klimaat, het geluid en het landschap;3° de stedenbouw en het onroerend erfgoed;4° het sociale en economische vlak;5° de globale mobiliteit;6° de wisselwerking tussen deze factoren. § 3. Vóór de gemeente het ontvangbewijs van de vergunningsaanvraag afgeeft, gaat zij na of de aanvraag aan een effectenstudie of een effectenverslag onderworpen is.

Het dossier van de aanvraag om een vergunning of een attest is onvolledig bij ontstentenis van de door de artikelen 129 en 143, vereiste documenten. (272) Onderafdeling 1. - Aanvragen onderworpen aan een effectenstudie

Art. 128.§ 1. Voor de projecten vermeld in bijlage A van dit Wetboek is een effectenstudie vereist. § 2. De aanvragen om stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning die volgen op een niet-vervallen stedenbouwkundig attest dat door een effectenstudie is voorafgegaan, worden vrijgesteld van een dergelijke studie, voorzover ze overeenstemmen met de afgegeven attesten.

Wanneer de aanvragen om stedenbouwkundig attest, stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning gelegen zijn in de perimeter van een bijzonder bestemmingsplan waaraan een milieueffectenrapport is voorafgegaan, of in de perimeter van een niet vervallen verkavelingsvergunning waaraan, bij toepassing van dit Wetboek, een effectenstudie is voorafgegaan en deze aanvragen conform het bijzonder bestemmingsplan of de verkavelingsvergunning zijn, beperkt de onder artikel 129 bedoelde effectenstudie zich tot de specifieke aspecten van de aanvraag om attest of vergunning waarmee geen rekening werd gehouden door het milieueffectenrapport dat aan de goedkeuring van het bijzonder bestemmingsplan is voorafgegaan, of door de effectenstudie die aan de verkavelingsvergunning is voorafgegaan. (274)

Art. 129.§ 1. Bij de aanvraag om stedenbouwkundig attest of om stedenbouwkundige vergunning voor ieder in bijlage A van dit Wetboek vermeld project, wordt een voorbereidende nota gevoegd, die ten minste uit de volgende elementen bestaat : 1° de verantwoording van het project, de beschrijving van de doelstellingen en het tijdschema voor de uitvoering;2° de aanduiding van de elementen en het geografische gebied waarvoor het project gevolgen kan hebben;3° een eerste inventaris van de voorspelbare effecten van het project en van het bouwterrein;4° de opsomming van de wettelijke en reglementaire bepalingen en voorschriften die van toepassing zijn;5° de beschrijving van de voornaamste geplande maatregelen om de negatieve effecten van het project en van het bouwterrein te vermijden, weg te werken of af te remmen;6° voorstellen in verband met de inhoud van het bestek van de effectenstudie en met de keuze van de opdrachthouder;7° een niet-technische samenvatting van de bovenvermelde elementen. De Regering kan de in het eerste lid bedoelde elementen nader bepalen en aanvullen; ze kan tevens de voorstellingsmodaliteiten van de voorbereidende nota bepalen.

De aanvrager kan, voorafgaandelijk aan de indiening van de aanvraag om attest of vergunning, de bevoegde overheid om advies vragen over de in het kader van de effectenevaluatieprocedure te verschaffen inlichtingen. Daartoe raadpleegt de bevoegde overheid het bestuur over de aard en de omvang van de vereiste inlichtingen. Het bestuur maakt zijn advies over aan de aanvrager en aan de bevoegde overheid binnen dertig dagen na de overdracht van de aanvraag en de bevoegde overheid brengt haar advies uit binnen vijfenveertig dagen van de aanvraag. Bij ontstentenis van een advies van de bevoegde overheid binnen de toegestane termijn, baseert de aanvrager zich op het advies van het bestuur.

Het feit dat de bevoegde overheid een advies heeft uitgebracht over de in het kader van de effectenevaluatieprocedure te verschaffen inlichtingen, belet de bevoegde overheid of de bestuursorganen die in de effectenevaluatieprocedure tussenbeide komen niet om de bouwheer later te vragen bijkomende inlichtingen voor te leggen. § 2. De aanvraag om stedenbouwkundig attest of om stedenbouwkundige vergunning wordt samen met de voorbereidende nota ingediend overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 125 en 176.

De overheid die het ontvangbewijs aflevert wanneer het dossier volledig is, stuurt tegelijk een exemplaar van het dossier naar het Bestuur. (276)

Art. 130.§ 1. Binnen een termijn van dertig dagen na de afgifte van het ontvangbewijs of na het verstrijken van de termijn bedoeld in de artikelen 125 en 176 stelt het Bestuur het ontwerp van bestek op van de effectenstudie die hij de aanvrager toestuurt en verzendt het hele dossier, samen met eventuele opmerkingen, naar het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op wier grondgebied het belangrijkste deel van het project uitgevoerd moet worden.

Binnen een termijn van tien dagen na het verzenden van het ontvangbewijs of na het verstrijken van de in de artikelen 125 en 176 bedoelde termijn roept het Bestuur het begeleidingscomité bijeen nadat het, naast de in het artikel 131, aangewezen leden, er de samenstelling van heeft bepaald. Het Bestuur houdt het begeleidingscomité regelmatig op de hoogte van de evolutie van de opmaak van het ontwerp van bestek.

Binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de ontvangst van het dossier onderwerpt het college van burgemeester en schepenen het dossier aan de speciale regelen van openbaarmaking. Het openbaar onderzoek duurt vijftien dagen.

Bij het niet-naleven door het college van de in het derde lid bepaalde termijn, maant het Bestuur het collège aan over te gaan tot de speciale regelen van openbaarmaking.

Binnen dertig dagen volgend op het einde van het openbaar onderzoek, moet de overlegcommissie : 1° advies uitbrengen over het ontwerp van bestek;2° advies uitbrengen over de voorstellen inzake de keuze van de opdrachthouder van de studie;3° in voorkomend geval de volledige samenstelling van het begeleidingscomité, zoals vastgesteld door het Bestuur, vervolledigen. De in het vorige lid bedoelde adviezen worden aan het Bestuur betekend binnen tien dagen te rekenen vanaf de vergaderdatum van de overlegcommissie. Binnen vijf dagen na ontvangst van de betekeningen, roept het Bestuur het begeleidingscomité opnieuw samen.

Indien de overlegcommissie haar adviezen over de in het vijfde lid bedoelde punten 1° tot 2°, niet heeft bekendgemaakt binnen de vereiste termijn, wordt de procedure voortgezet zonder dat er rekening wordt gehouden met de adviezen die worden uitgebracht meer dan dertig dagen na het verstrijken van de voormelde termijn van dertig dagen. Het Bestuur roept het begeleidingscomité bijeen overeenkomstig artikel 132, na de definitieve samenstelling ervan te hebben bepaald. § 2. De Regering kan een typebestek opstellen voor elke categorie van de in bijlage A en B van dit Wetboek bedoelde projecten. (278)

Art. 131.§ 1. Het begeleidingscomité wordt ermee belast de procedure tot uitvoering van de effectenstudie te volgen.

Het bestaat uit minstens één vertegenwoordiger van iedere gemeente op wier grondgebied het project moet worden uitgevoerd, één vertegenwoordiger van het Brussels Instituut voor Milieubeheer en één vertegenwoordiger van het Bestuur.

Het secretariaat van het begeleidingscomité wordt door het Bestuur waargenomen.

In geval van gemengd project wordt het secretariaat gezamenlijk verzorgd door het Bestuur en het Brussels Instituut voor Milieubeheer. § 2. De Regering bepaalt de samenstelling en de werking van het begeleidingscomité, alsook de onverenigbaarheidsregels. (280)

Art. 132.§ 1. Binnen vijf dagen na de ontvangst van de adviezen van de overlegcommissie of na het verstrijken van de aan de commissie opgelegde termijn om haar adviezen kenbaar te maken, roept het Bestuur het comité bijeen. Binnen de tien daaropvolgende dagen : 1° stelt het begeleidingscomité het bestek van de effectenstudie definitief vast;2° bepaalt het begeleidingscomité de termijn waarbinnen de effectenstudie moet worden verricht;3° spreekt het begeleidingscomité zich uit over de keuze van de opdrachthouder;4° deelt het begeleidingscomité zijn beslissing mode aan de aanvrager. § 2. Indien het begeleidingscomité niet instemt met de keuze van de opdrachthouder, verzoekt het de aanvrager nieuwe voorstellen te doen.

Het begeleidingscomité spreekt zich uit over de keuze van de opdrachthouder en brengt zijn beslissing ter kennis van de aanvrager, binnen vijftien dagen na de ontvangst van de nieuwe voorstellen. § 3. De Regering erkent, met toepassing van artikel 70 en volgende van de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunning, de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke natuurlijke of rechtspersonen die als opdrachthouder kunnen worden aangewezen. (282)

Art. 133.Indien het begeleidingscomité zijn beslissing binnen de in artikel 132, bedoelde termijn van tien dagen niet heeft medegedeeld, kan de aanvrager het dossier bij de Regering aanhangig maken.

Binnen zestig dagen te rekenen vanaf de aanhangigmaking spreekt de Regering zich uit over de in artikel 132, § 1, 1 tot 3, bedoelde punten en brengt zij haar beslissing ter kennis van de aanvrager.

Wanneer de Regering de keuze van de opdrachthouder niet goedkeurt, verzoekt zij de aanvrager haar nieuwe voorstellen te laten geworden.

De Regering beslist over de keuze van opdrachthouder en maakt haar beslissing kenbaar aan de aanvrager binnen vijftien dagen na de ontvangst van de nieuwe voorstellen.

Wanneer de Regering haar beslissing niet kenbaar maakt binnen de termijnen, kan de aanvrager, per aangetekend schrijven, een rappelbrief richten aan de Regering. Wanneer er opnieuw dertig dagen verstreken zijn na het verzenden van de bij ter post aangetekende rappelbrief en de Regering haar beslissing nog niet kenbaar heeft gemaakt, dan worden het ontwerp van bestek alsmede de keuze van de opdrachthouder door de aanvrager geacht bevestigd te zijn. De termijnen binnen welke de effectenstudie moet uitgevoerd worden, bedraagt maximum zes maanden. (284)

Art. 134.In de overeenkomst tussen de aanvrager en de opdrachthouder moeten de beslissingen die overeenkomstig artikel 132, of artikel 133, zijn genomen, worden nageleefd.

De kosten van de effectenstudie komen ten laste van de aanvrager. (286)

Art. 135.De effectenstudie moet uit volgende elementen bestaan : 1° de door de aanvrager verstrekte gegevens met betrekking tot de verantwoording van het project, de beschrijving van de doelstellingen en het tijdschema voor de uitvoering;2° de opgave van de voltooide prestaties, de vermelding van de gebruikte analysemethodes en de beschrijving van de ondervonden moeilijkheden met inbegrip van de gegevens gevraagd door de opdrachthouder en die door de aanvrager, zonder enige rechtvaardiging, niet werden meegedeeld;3° de gedetailleerde en nauwkeurige beschrijving en beoordeling van de elementen waarop het project gevolgen kan hebben binnen het geografische gebied zoals afgebakend in het bestek;4° de inventaris en de gedetailleerde en nauwkeurige beoordeling van de effecten van het project en van het bouwterrein;5° de door de aanvrager verstrekte gegevens omtrent maatregelen die worden gepland om de negatieve effecten van het project en van het bouwterrein te vermijden, weg te werken of af te remmen;6° de beoordeling van de doelmatigheid van de in punt 5° vermelde maatregelen onder meer ten opzichte van de bestaande normen;7° de vergelijking met vervangingsoplossingen die redelijkerwijs in aanmerking kunnen komen, met inbegrip, in voorkomend geval, van het verzaken aan het project, alsmede een beoordeling van hun effecten;8° een niet-technische samenvatting van de bovenvermelde elementen. De Regering kan de in het eerste lid bedoelde elementen nader bepalen en aan vullen. Ze kan tevens de voorstellingsmodaliteiten van de effectenstudie bepalen. (288)

Art. 136.§ 1. De opdrachthouder houdt het begeleidingscomité regelmatig op de hoogte van het verloop van de effectenstudie.

Hij beantwoordt de vragen en de opmerkingen van het begeleidingscomité.

De Regering bepaalt de nadere regels voor de toepassing van deze paragraaf. § 2. Wanneer de opdrachthouder van oordeel is dat de effectenstudie volledig is, bezorgt de aanvrager een exemplaar ervan aan het begeleidingscomité. (290)

Art. 137.Wanneer het begeleidingscomité van oordeel is dat de effectenstudie volledig is, moet het binnen dertig dagen na ontvangst van bedoelde studie : 1° de effectenstudie sluiten : 2° de lijst vastleggen van de bij de effecten van het project betrokken gemeenten van het Gewest en waarin het openbaar onderzoek moet plaatshebben;3° zijn beslissing aan de aanvrager ter kennis brengen met opgave van het aantal exemplaren van het in artikel 140, tweede lid, bedoelde dossier die aan het Bestuur geleverd moeten worden met het oog op het openbaar onderzoek. Indien het begeleidingscomité beslist dat de effectenstudie niet in overeenstemming is met het bestek, deelt het binnen dezelfde termijn aan de aanvrager mede welke aanvullende elementen bestudeerd moeten worden of welke wijzigingen in de studie moeten worden aangebracht en verantwoordt het zijn beslissing. In dit geval deelt het aan de aanvrager de termijn mee binnen welke deze overgezonden moeten worden.

Indien het begeleidingscomité de termijn bedoeld in het eerste en in het tweede lid niet in acht neemt, kan de aanvrager zijn dossier bij de Regering aanhangig maken. Hij kan dit eveneens wanneer de beslissing van het begeleidingscomité de effectenstudie onvolledig verklaart. De Regering treedt in de plaats van het begeleidingscomité.

De Regering deelt haar beslissing mede binnen dertig dagen na de aanhangigmaking. (292)

Art. 138.De aanvrager wordt geacht zijn aanvraag te behouden tenzij hij, binnen vijftien dagen na de bekendmaking van de beslissing van het begeleidingscomité, of bij ontstentenis de Regering om de studie te sluiten, het Bestuur op de hoogte brengt van zijn beslissing : 1° hetzij om zijn aanvraag in te trekken;2° hetzij om ze te wijzigen zodat het project verenigbaar is met de besluiten van de effectenstudie.(294) Art. 139 In het geval bedoeld in artikel 138, eerste lid, 3°, zendt de aanvrager de wijzigingen in zijn aanvraag om stedenbouwkundig attest of om stedenbouwkundige vergunning over aan het begeleidingscomité of aan de Regering alsook aan het Bestuur en aan de afleverende overheid, binnen zes maanden na de in artikel 137, bedoelde kennisgeving van de sluiting van de effectenstudie.

Indien de aanvrager de wijzigingen in zijn aanvraag om stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning niet binnen de in het eerste lid bepaalde termijn heeft bezorgd, wordt hij geacht zijn aanvraag te hebben ingetrokken. (296)

Art. 140.Vanaf de ontvangst van de door de aanvrager geleverde exemplaren van het dossier dat in voorkomend geval overeenkomstig artikel 138, eerste lid, 3°, werd gewijzigd, zendt het Bestuur of in het geval bedoeld in artikel 137, derde lid, de Regering een exemplaar over aan het college van burgemeester en schepenen van elke gemeente die bij de effecten van het project betrokken is en waar het dossier aan de speciale regelen van openbaarmaking onderworpen dient te worden.

Het aan het openbaar onderzoek onderworpen dossier moet bestaan uit : 1° de aanvraag om stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning;2° het bestek van de effectenstudie;3° de effectenstudie;4° de beslissing tot afsluiting van de effectenstudie;5° in voorkomend geval, de beslissing van de aanvrager om de aanvraag om stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning te bevestigen of te wijzigen of de vaststelling dat de in artikel 138, eerste lid bedoelde termijn van vijftien dagen overschreden is;6° de eventuele wijzigingen in de in artikel 139, bedoelde aanvraag om stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning.(298)

Art. 141.§ 1. Het college van burgemeester en schepenen van elke betrokken gemeente onderwerpt het dossier aan de speciale regelen van openbaarmaking.

Het openbaar onderzoek verloopt in elke gemeente en duurt dertig dagen.

Het Bestuur bepaalt de datum waarop de verschillende openbare onderzoeken uiterlijk moeten worden gesloten. § 2. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op wier grondgebied het belangrijkste gedeelte van het project moet worden uitgevoerd, maakt het dossier aanhangig bij de overlegcommissie die uitgebreid wordt met de vertegenwoordigers van elke gemeente die betrokken is bij de effecten van het project, binnen vijftien dagen na de sluiting van het openbaar onderzoek.

De overlegcommissie brengt haar advies uit bij het Bestuur en bij het college van burgemeester en schepenen binnen dertig dagen na de beëindiging van het openbaar onderzoek.

Wanneer de overlegcommissie haar advies niet kenbaar heeft gemaakt binnen de gestelde termijn, wordt de procedure voortgezet zonder dat er rekening wordt gehouden met het advies dat wordt uitgebracht meer dan dertig dagen na het verstrijken van de in het vorig lid bedoelde termijn. (300) Onderafdeling 2 Aanvragen die onderworpen worden aan een effectenverslag

Art. 142.§ 1. Aan een effectenverslag worden onderworpen, de projecten vermeld in bijlage B van dit Wetboek. § 2. De aanvragen om stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning, die volgen op een niet-vervallen stedenbouwkundig attest dat door een effectenverslag is voorafgegaan, worden vrijgesteld van een dergelijk verslag, voorzover ze overeenstemmen met de afgegeven attesten.

Wanneer de aanvragen om stedenbouwkundig attest, stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning gelegen zijn in de perimeter van een bijzonder bestemmingsplan waaraan een milieueffectenrapport is voorafgegaan, of in de perimeter van een niet vervallen verkavelingsvergunning waaraan, bij toepassing van dit Wetboek, een effectenverslag is voorafgegaan en deze aanvragen conform het bijzonder bestemmingsplan of de verkavelingsvergunning zijn, beperkt de onder artikel 143 bedoelde effectenverslag zich tot de specifieke aspecten van de aanvraag om attest of vergunning waarmee geen rekening werd gehouden door het milieueffectenrapport dat aan de goedkeuring van het bijzonder bestemmingsplan is voorafgegaan, of door de effectenverslag die aan de verkavelingsvergunning is voorafgegaan. (302)

Art. 143.Bij de attest- of vergunningsaanvraag voor ieder in bijlage B van dit Wetboek vermeld project, wordt een effectenverslag gevoegd dat ten minste uit volgende elementen bestaat : 1° de verantwoording van het project, de beschrijving van de doelstellingen en het tijdschema voor de uitvoering;2° de synthese van de in aanmerking genomen oplossingen die ten grondslag hebben gelegen aan de keuze van het door de aanvrager ingediende project, gelet op het milieu;3° de beschrijving van de elementen en het geografische gebied waarvoor het project gevolgen kan hebben, met name aan de hand van plannen;4° de inventaris van de voorspelbare effecten van het project en van het bouwterrein;5° de beoordeling van deze effecten in vergelijking met de bestaande toestand;6° de opsomming van de wettelijke en reglementaire bepalingen en voorschriften die van toepassing zijn;7° de beschrijving van de geplande maatregelen om de negatieve effecten van het project en van het bouwterrein te vermijden, weg te werken of af te remmen, onder meer ten opzichte van de bestaande normen;8° een niet-technische samenvatting van de voormelde elementen. De Regering kan de in het eerste lid bedoelde elementen nader bepalen en aanvullen; ze kan tevens de voorstellingsmodaliteiten van het effectenverslag bepalen.

De aanvrager kan, voorafgaandelijk aan de indiening van de aanvraag om attest of vergunning, de bevoegde overheid om advies vragen over de in het kader van de effectenevaluatieprocedure te verschaffen inlichtingen. Daartoe raadpleegt de bevoegde overheid het bestuur over de aard en de omvang van de vereiste inlichtingen. Het bestuur maakt zijn advies over aan de aanvrager en aan de bevoegde overheid binnen dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag en de bevoegde overheid brengt haar advies uit binnen de vijfenveertig dagen na de ontvangst van de aanvraag. Bij ontstentenis van een advies van de bevoegde overheid binnen de toegestane termijn, baseert de aanvrager zich op het advies van het Bestuur.

Het feit dat de bevoegde overheid een advies heeft uitgebracht over de in het kader van de effectenevaluatieprocedure te verschaffen inlichtingen, belet de bevoegde overheid of de bestuursorganen die in de effectenevaluatieprocedure tussenbeide komen niet om de bouwheer later te vragen bijkomende inlichtingen voor te leggen. (304)

Art. 144.De aanvraag om stedenbouwkundig attest of om stedenbouwkundige vergunning en het effectenverslag worden samen ingediend, overeenkomstig de artikelen 125 of 176.

De overheid, waarbij de aanvraag werd ingediend, stuurt gelijktijdig met het verzenden van het ontvangbewijs of na het verstrijken van de in artikel 125 of in artikel 176 bedoelde termijn, een exemplaar van het dossier naar het Bestuur als het dossier niet bij haar aanhangig gemaakt is. (306)

Art. 145.§ 1. Binnen dertig dagen na het verzenden van het ontvangbewijs of na het verstrijken van de in de artikelen 125 of 176 bedoelde termijn, gaat het Bestuur over tot : 1° het onderzoeken van het effectenversiag;2° het vastleggen van de lijst van de bij de effecten van het project betrokken gemeenten van het Gewest en waarin het openbaar onderzoek moet plaatshebben;3° het aanwijzen van de gemeente die ermee belast wordt de overlegcommissie bijeen te roepen overeenkomstig artikel 147, § 2;4° het mededelen aan de aanvrager van het aantal hem te leveren exemplaren van het in artikel 146, tweede lid, bedoelde dossier met het oog op het houden van het openbaar onderzoek. § 2. Wanneer het Bestuur oordeelt dat het effectenverslag aangevuld dient te worden, betekent het deze beslissing aan de aanvrager binnen de in § 1 bedoelde termijnen, met de vermelding van de ontbrekende stukken of inlichtingen.

Binnen tien dagen na de ontvangst ervan, verricht het Bestuur de in § 1 bepaalde handelingen. § 3. Wanneer het Bestuur, bij het verstrijken van de in § 2 bedoelde termijnen, haar beslissing niet kenbaar heeft gemaakt, kan de aanvrager het dossier bij de Regering aanhangig maken.

Binnen zestig dagen na de aanhangigmaking verricht de Regering de in § 1 bedoelde handelingen. (308)

Art. 146.Vanaf de ontvangst van de exemplaren van het dossier geleverd door de aanvrager, zendt het Bestuur er een exemplaar van aan het college van burgemeester en schepenen van elke gemeente van het Gewest die bij de effecten van het project betrokken is en waar het openbaar onderzoek moet worden gevoerd.

Het aan het openbaar onderzoek onderworpen dossier moet bestaan uit : 1° de aanvraag om stedenbouwkundig attest of stedenbouwkundige vergunning;2° het effectenverslag;3° de stukken of inlichtingen die de aanvrager heeft verstrekt met toepassing van artikel 145, § 2.(310)

Art. 147.§ 1. Het college van burgemeester en schepenen van elke betrokken gemeente onderwerpt het dossier aan de speciale regelen van openbaarmaking binnen vijftien dagen na de ontvangst van het dossier.

Het openbaar onderzoek wordt in elke gemeente gehouden en duurt vijftien dagen.

Het Bestuur bepaalt de datum waarop de verschillende openbare onderzoeken uiterlijk moeten gesloten worden. § 2. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op wier grondgebied het belangrijkste gedeelte van het project moet worden uitgevoerd, maakt binnen vijftien dagen na de sluiting van het openbaar onderzoek het dossier aanhangig bij de overlegcommissie die uitgebreid wordt tot de vertegenwoordigers van elke gemeente die betrokken is bij de effecten van het project.

De overlegcommissie brengt haar advies uit bij het Bestuur en bij het college van burgemeester en schepenen binnen dertig dagen na het beëindigen van het openbaar onderzoek.

Wanneer de overlegcommissie haar advies niet kenbaar heeft gemaakt binnen de gestelde termijn, wordt de procedure voortgezet zonder dat er rekening wordt gehouden met de adviezen die worden uitgebracht meer dan dertig dagen na het verstrijken van de in het vorig lid bedoelde termijn. (312)

Art. 148.§ 1. In uitzonderlijke omstandigheden kan de overlegcommissie in een bijzonder met redenen omkleed advies, de Regering aanbevelen een effectenstudie te laten verrichten. § 2. Wanneer de Regering van mening is dat een effectenstudie dient te worden verricht, brengt ze haar beslissing ter kennis van de aanvrager binnen dertig dagen vanaf de ontvangst van het dossier.

In dit geval : 1° verzoekt de Regering de aanvrager om één of meer voorstellen betreffende de keuze van de opdrachthouder aan het Bestuur te doen toekomen;2° belast de Regering het Bestuur met het opstellen van het ontwerp van bestek voor de effectenstudie binnen dertig dagen.In geval van gemengd project regelt de Regering de wijze van samenwerking tussen het Bestuur en het Brussels Instituut voor Milieubeheer; 3° bepaalt de Regering, naast de leden aangesteld overeenkomstig artikel 131, de samenstelling van het begeleidingscomité en brengt dit ter kennis van het Bestuur. Na de opmaak van het in § 2, tweede lid, 2° bedoelde ontwerp van bestek, zendt het Bestuur het dossier, samen met de eventuele opmerkingen, naar de aanvrager en naar het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op wier grondgebied het belangrijkste deel van het project moet worden uitgevoerd.

Binnen tien dagen na de ontvangst van de samenstelling van het begeleidingscomité roept het Bestuur dit laatste bijeen. Het Bestuur houdt het begeleidingscomité regelmatig op de hoogte van de evolutie van de opmaak van het ontwerp van bestek van de effectenstudie.

Binnen vijf dagen na het opmaken van het ontwerp van bestek, roept het Bestuur het begeleidingscomité opnieuw bijeen en wordt de procedure overeenkomstig de artikelen 132 tot 141, voortgezet.

Wanneer de Regering een dergelijke studie niet geraden acht, omkleedt zij haar beslissing met redenen en zendt ze het dossier binnen de in het eerste lid van § 2, bedoelde termijn aan de afleverende overheid. § 3. Het stilzwijgen van de Regering na het verstrijken van de in § 2 bedoelde termijn geldt als een weigering om de effectenstudie te laten uitvoeren. § 4. Wanneer de effectenstudie is uitgevoerd, moet het dossier dat overeenkomstig artikel 140, aan het openbaar onderzoek wordt onderworpen, bovendien volgende gegevens bevatten : 1° de bezwaren en de opmerkingen die in het kader van het in artikelen 146, en 147, bedoelde openbaar onderzoek aan het college van burgemeester en schepenen werden gericht, alsmede het proces-verbaal van sluiting van dit onderzoek;2° de notulen van de overlegcommissie;3° het in § 1 bedoeld advies van de overlegcommissie.(314) Afdeling III. - Speciale regelen van openbaarmaking

Art. 149.In het gewestelijk bestemmingsplan, een gewestelijke stedenbouwkundige verordening, een bijzonder bestemmingsplan alsook een gemeentelijke stedenbouwkundige verordening kan de behandeling van sommige aanvragen om een vergunning of een attest afhankelijk worden gesteld van speciale regelen van openbaarmaking. (316)

Art. 150.Wanneer speciale regelen van openbaarmaking worden voorgeschreven, organiseert het college van burgemeester en schepenen een openbaar onderzoek op eigen initiatief, binnen vijftien dagen na de verzending van het ontvangstbewijs van het volledige dossier bedoeld in artikel 125, of binnen vijftien dagen na de aanvraag van het Stedenbouwkundig College, wanneer het beslist op basis van de artikelen 167 en 183, van de gemachtigde ambtenaar wanneer hij beslist op basis van de artikelen 164 en 175 en van de Regering, wanneer ze beslist op basis van de artikelen 172 en 187.

Het dossier van de aanvraag kan door de bevolking op het gemeentebestuur worden geraadpleegd tijdens de duur van het onderzoek waarvan het begin en het einde op de berichten van onderzoek staan vermeld.

Bezwaren en opmerkingen worden gericht aan het college van burgemeester en schepenen binnen de bepaalde termijn en worden bij het proces-verbaal van sluiting van het onderzoek gevoegd. Dit proces-verbaal wordt door het college van burgemeester en schepenen binnen acht dagen na het verstrijken van de termijn opgemaakt. (318)

Art. 151.De aanvraag wordt samen met de bezwaren en opmerkingen en het procesverbaal van sluiting van het onderzoek binnen vijftien dagen na de sluiting van het onderzoek aan de overlegcommissie voorgelegd.

Deze brengt binnen dertig dagen na de sluiting van het onderzoek haar advies uit.

Een kopie van het advies van de overlegcommissie wordt door de gemeente aan de gemachtigde ambtenaar verzonden.

Bij ontstentenis van advies van de overlegcommissie binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van dertig dagen, zet het college van burgemeester en schepenen de behandeling van de aanvraag voort overeenkomstig artikel 126 en volgende, zonder dat er rekening wordt gehouden met de adviezen die uitgebracht worden meer dan dertig dagen na het verstrijken van de in het vorig lid bedoelde termijn. (320)

Art. 152.Het Stedenbouwkundig College, wanneer het beslist op basis van de artikelen 167 en 183, de gemachtigde ambtenaar, wanneer hij beslist op basis van de artikelen 164 en 175 en de Regering, wanneer ze beslist op basis van de artikelen 172 en 187 kunnen, na een schriftelijke herinnering, een ambtenaar van het Bestuur ermee belasten zich naar het bevoegd gemeentebestuur te begeven om, op kosten van deze laatste, de in de artikelen 150 en 151 bedoelde wettelijke verplichtingen, die nog niet nagekomen zouden zijn binnen vijftien dagen na de herinnering, te laten uitvoeren.

Tot de inning van de kosten wordt overgegaan op initiatief van het Bestuur, bij een ter post aangetekende brief. Wanneer het gemeentebestuur verzuimt de kosten te betalen, kan de terugvordering ervan worden toevertrouwd aan de ontvanger van het Bestuur van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. (322) Afdeling IV

Beslissing van het college van burgemeester en schepenen

Art. 153.§ 1. Wanneer voor het grondgebied waar het goed gelegen is, geen geldend bijzonder bestemmingsplan of nietvervallen verkavelingsvergunning bestaat, wordt de aanvraag om advies voorgelegd aan de gemachtigde ambtenaar.

De gemachtigde ambtenaar geeft kennis van zijn advies aan het college van burgemeester en schepenen binnen vijfenveertig dagen na de datum die volgt uit de toepassing van artikel 126, § 5.

Indien van het advies van de gemachtigde ambtenaar kennis wordt gegeven aan het college van burgemeester en schepenen binnen de in het tweede lid bepaalde termijn van vijfenveertig dagen, dan kan het collège de vergunning enkel afgeven na eensluidend en uitdrukkelijk advies van de gemachtigde ambtenaar, daar de vergunning het beschikkende gedeelte moet omvatten van het advies van de gemachtigde ambtenaar.

Indien bij het verstrijken van de in het tweede lid bepaalde termijn van vijfenveertig dagen, de gemachtigde ambtenaar geen kennis heeft gegeven van zijn advies aan het college van burgemeester en schepenen, dan wordt zijn advies over de aanvraag geacht gunstig te zijn. Het college van burgemeester en schepenen spreekt zich uit over de aanvraag zonder rekening te houden met het advies van de gemachtigde ambtenaar wanneer het later zou worden verleend, zonder evenwel de afwijkingen te kunnen toestaan bedoeld in artikel 153, § 2.

Wanneer de aanvraag afwijkingen inhoudt bepaald in artikel 153, § 2, dan zal het ontbreken van een kennisgeving van de beslissing van de gemachtigde ambtenaar binnen de in het tweede lid bepaalde termijn van vijfenveertig dagen neerkomen op een weigering van deze afwijkingen.

Wanneer de gemachtigde ambtenaar tot de bevinding komt dat de aanvraag aanleiding geeft tot de raadpleging van besturen of instellingen en dat het college van burgemeester en schepenen hiertoe niet is overgegaan, raadpleegt hij deze zelf en geeft hij kennis hiervan aan het collège en aan de aanvrager. In dat geval wordt de in het tweede lid bepaalde termijn van vijfenveertig dagen verlengd met dertig dagen.

Wanneer de gemachtigde ambtenaar tot de bevinding komt dat de aanvraag aan de speciale regelen van openbaarmaking wordt onderworpen en dat het college van burgemeester en schepenen zulks niet heeft gedaan, nodigt hij het collège uit deze regelen in te stellen binnen tien dagen na zijn aanvraag. In dat geval wordt de in het tweede lid bepaalde termijn van vijfenveertig dagen verlengd met dertig dagen.

Wanneer de speciale regelen van openbaarmaking ingesteld worden tijdens de schoolvakanties, wordt de termijn die volgt uit de toepassing van het zevende lid, verlengd met : 1° tien dagen voor de Paas- of Kerstvakantie;2° vijfenveertig dagen voor de zomervakantie. § 2. Wanneer de gemachtigde ambtenaar een gunstig advies uitbrengt, kan hij aan de afgifte van de vergunning voorwaarden verbinden om een goede plaatselijke aanleg te waarborgen.

De gemachtigde ambtenaar kan afwijken van de voorschriften van de stedenbouwkundige verordeningen, van de bouwverordeningen of van de verordeningen betreffende de achteruitbouwstroken, hetzij in het geval bedoeld in het eerste lid, hetzij wanneer de afwijking wordt gevraagd in de aanvraag.

Wanneer de afwijking de omvang, de plaatsing en de esthetische aard van de bouwwerken betreft, wordt de aanvraag aan de in de artikelen 150 en 151 bedoelde speciale regelen van openbaarmaking onderworpen.

De aanvrager is gehouden de in het advies van de gemachtigde ambtenaar gestelde voorwaarden in acht te nemen. § 3. Het advies van de gemachtigde ambtenaar kan, mits behoorlijk met redenen omkleed, tot weigering van de vergunning besluiten. § 4. De gemachtigde ambtenaar steunt zijn ongunstig advies op één van volgende redenen : 1° de aanvraag is niet conform een in werking getreden ontwerp van bijzonder bestemmingsplan.2° de aanvraag is niet conform een in werking getreden ontwerp van gewestelijk bestemmingsplan. Hij kan tevens een met redenen omkleed ongunstig advies uitbrengen wanneer de regering besloten heeft het gewestelijk bestemmingsplan te wijzigen, zo nodig in afwijking van de bepalingen waarvan tot wijziging is besloten. § 5. De beslissing waarbij de vergunning wordt geweigerd, wordt met redenen omkleed. (324)

Art. 154.De Regering kan de lijst vaststellen van de werken en handelingen waarvoor, wegens hun geringe omvang, het advies van een gemachtigde ambtenaar niet is vereist. In dat geval is artikel 155 van toepassing.

De werken en de handelingen die ontheven zijn van het advies van een gemachtigde ambtenaar worden ook ontheven van de bijzondere maatregelen tot openbaarmaking bedoeld onder artikel 149 en van het advies van de overlegcommissie bedoeld in artikel 151. (326)

Art. 155.§ 1. Wanneer voor het gebied waarin het goed gelegen is, een vigerend bijzonder bestemmingsplan of een niet-vervallen verkavelingsvergunning bestaat, beslist het college van burgemeester en schepenen over de aanvraag. § 2. De gemachtigde ambtenaar kan, op een met redenen omkleed voorstel van het college van burgemeester en schepenen, afwijkingen van de voorschriften van een bijzonder bestemmingsplan of van een verkavelingsvergunning toestaan, alleen wat de perceelsafmetingen, de omvang, de plaatsing en de esthetische aard van de bouwwerken betreft, voor zover deze afwijkingen geen afbreuk doen aan de wezenlijke gegevens van het plan of van de vergunning en de vergunningsaanvraag voorafgaandelijk aan de in de artikelen 150 en 151 bedoelde speciale regelen van openbaarmaking werd onderworpen.

Een afwijking met betrekking tot de plaatsing of de omvang van de bouwwerken in een gebied kan een afwijking van de bestemming van een aangrenzend gebied met zich meebrengen, in zoverre zij de wezenlijke kenmerken van het aangrenzend gebied niet in gevaar brengt.

De gemachtigde ambtenaar kan ook afwijken van de voorschriften van de stedenbouwkundigeverordeningen, de bouwverordeningen of van de verordeningen betreffende de achteruitbouwstroken.

De gemachtigde ambtenaar geeft kennis van zijn beslissing over het voorstel van afwijking aan het college van burgemeester en schepenen binnen vijfenveertig dagen na de datum die volgt uit de toepassing van artikel 126, § 5.

Het ontbreken van kennisgeving van de beslissing van de gemachtigde ambtenaar over het voorstel van afwijking binnen de in het vierde lid gestelde termijn van vijfenveertig dagen, komt neer op een weigering van deze afwijking. (328)

Art. 156.§ 1. De beslissing van het college van burgemeester en schepenen tot verlening of weigering van de vergunning wordt gelijktijdig aan de aanvrager en aan de gemachtigde ambtenaar bij een ter post aangetekende brief betekend. § 2. Deze kennisgeving geschiedt binnen de volgende termijnen te rekenen vanaf de datum van het in artikel 125 voorgeschreven ontvangbewijs : 1° vijfenveertig dagen indien de aanvraag het voorafgaand advies van de gemachtigde ambtenaar noch speciale regelen van openbaarmaking bedoeld in artikelen 150 en 151 vereist;2° vijfenzeventig dagen indien de aanvraag speciale regelen van openbaarmaking vereist, maar niet het voorafgaand advies van de gemachtigde ambtenaar;3° negentig dagen indien de aanvraag het voorafgaand advies van de gemachtigde ambtenaar vereist, maar geen speciale regelen van openbaarmaking;4° honderdtwintig dagen wanneer de aanvraag het eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar vereist en speciale regelen van openbaarmaking. Indien de aanvraag speciale regelen van openbaarmaking vereist en haar behandeling gedeeltelijk tijdens de schoolvakanties plaatsvindt, worden de termijnen verlengd met : 1° tien dagen voor de Paas- of Kerstvakantie;2° vijfenveertig dagen voor de zomervakantie. Wanneer de aanvraag speciale regelen van openbaarmaking vereist en de overlegcommissie haar advies niet heeft uitgebracht binnen de in artikel 151, eerste lid, bedoelde termijn van dertig dagen, worden de termijnen verlengd met dertig dagen. § 3. Wanneer de vergunningsaanvraag voorafgegaan wordt door een effectenstudie, bedoeld in artikel 128, of vergezeld is van een effectenverslag, bedoeld in artikel 142 geschiedt de kennisgeving van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen tot verlening of weigering van de vergunning binnen volgende termijnen, te rekenen vanaf de datum waarop de overlegcommissie haar advies heeft gegeven binnen de termijn bedoeld in artikel 141, § 2, derde lid, of in artikel 147, § 2, derde lid of bij ontstentenis vanaf het verstrijken van deze termijn : 1° vijfenveertig dagen indien de aanvraag het voorafgaand advies van de gemachtigde ambtenaar niet vereist;2° negentig dagen indien de aanvraag het voorafgaand advies van de gemachtigde ambtenaar vereist. Wanneer de overlegcommissie echter, met toepassing van artikel 148, de Regering aanbeveelt een effectenstudie te laten verrichten, dan begint de termijn bedoeld in het eerste lid te lopen vanaf : 1° hetzij de dag van de kennisgeving van de beslissing van de Regering bedoeld in artikel 148, § 2, zesde lid, waarbij zij meent dat een dergelijke studie niet geraden is;2° hetzij de dag van het advies van de overlegcommissie uitgebracht binnen de termijn bedoeld in artikel 141, § 2, derde lid, of bij ontstentenis, na het verstrijken van deze termijn. § 4. Indien de aanvraag aanleiding geeft tot de raadpleging van betrokken besturen of instellingen, worden de in §§ 2 en 3 bedoelde termijnen met dertig dagen verlengd.

Wanneer voor de afgifte van de vergunning een afwijking overeenkomstig artikel 155, § 2, nodig is, worden de termijnen met vijfenveertig dagen verlengd. § 5. De Regering stelt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel vast. (330)

Art. 157.§ 1. Van de met toepassing van artikel 153 afgegeven vergunning mag gebruik worden gemaakt indien de gemachtigde ambtenaar binnen twintig dagen te rekenen vanaf de kennisgeving ervan, geen met redenen omklede beslissing tot schorsing van de vergunning ter kennis van de aanvrager heeft gebracht.

De in het eerste lid bedoelde termijn begint te lopen op de dag waarop de schorsing bedoeld in artikel 101, § 2 opgeheven wordt.

De tekst van het eerste lid moet in de vergunning worden opgenomen. § 2. Van de met toepassing van artikel 155 afgegeven vergunning mag gebruik worden gemaakt indien de gemachtigde ambtenaar binnen dertig dagen te rekenen vanaf de kennisgeving ervan, geen met reden omklede beslissing tot schorsing van de vergunning ter kennis van de aanvrager heeft gebracht.

De in het eerste lid bedoelde termijn begint te lopen op de dag waarop de schorsing bedoeld in artikel 101, § 2 opgeheven wordt.

De tekst van het eerste lid moet in de vergunning worden opgenomen. (332)

Art. 158.Een mededeling die te kennen geeft dat de vergunning afgegeven is, moet op het terrein worden aangeplakt door de aanvrager, hetzij, wanneer het werken betreft, vóór de aanvang van de werken en tijdens de hele duur ervan, hetzij, in de overige gevallen, vanaf de voorbereidingen voor de handeling of handelingen en tijdens de hele uitvoering ervan.

Gedurende die tijd moet de vergunning en het bijbehorende dossier, of een door het gemeentebestuur of de gemachtigde ambtenaar gewaarmerkt afschrift van deze stukken, voortdurend ter beschikking van de in artikel 301 aangewezen ambtenaren liggen, op de plaats waar de werken worden uitgevoerd en de handeling of handelingen verricht.

De Regering stelt de nadere regels voor de toepassing van dit artikel vast. (334)

Art. 159.De plaatsing van de nieuwe gebouwen wordt ter plaatse aangegeven door het college van burgemeester en schepenen, dat zich gedraagt naar het advies van de gemachtigde ambtenaar en bovendien, zo het een bouwwerk aan een grote weg betreft, naar de reglementen en adviezen van het betrokken bestuur. (336) Afdeling V. - Schorsing en vernietiging van de vergunning

Art. 160.In het in artikel 153, § 1, derde lid, bedoelde geval gaat de gemachtigde ambtenaar na of de procedure regelmatig was en of zijn advies in acht werd genomen.

In het in artikel 153, § 1, vierde lid, bedoelde geval gaat de gemachtigde ambtenaar na of de procedure regelmatig was.

Zoniet schorst hij de beslissing van het college van burgemeester en schepenen en geeft aan dit laatste alsook aan de aanvrager en aan het Stedebouwkundig College kennis ervan binnen twintig dagen na ontvangst van de vergunning. (338)

Art. 161.§ 1. In het in artikel 155 bedoelde geval wordt een afschrift van de vergunning samen met het dossier gezonden aan de gemachtigde ambtenaar, die nagaat of de vergunning overeenstemt met het bijzonder bestemmingsplan of met de verkavelingsvergunning.

De Regering bepaalt welke documenten het college van burgemeester en schepenen voegt bij het afschrift van de beslissing waarbij de vergunning, waarvan zij kennis geeft aan de gemachtigde ambtenaar, afgegeven wordt.

Bovendien gaat de gemachtigde ambtenaar na of de vergunning met de vigerende reglementering overeenstemt.

In geval van niet-overeenstemming schorst de gemachtigde ambtenaar de beslissing van het college van burgemeester en schepenen en stelt dit laatste alsook de aanvrager en het Stedebouwkundig College daarvan in kennis binnen dertig dagen na ontvangst van de vergunning. § 2. De gemachtigde ambtenaar schorst de vergunning die, hoewel steunende op een bijzonder bestemmingsplan of op een niet-vervallen verkavelingsvergunning, niet overeenstemt met de voorschriften van een ontwerp van gewestelijk bestemmingsplan dat in werking is getreden.

De gemachtige ambtenaar kan eveneens de vergunning schorsen wanneer hij meent dat de overeenkomstig de vergunning of het bijgevoegde dossier geplande werken een goede plaatselijke aanleg in gevaar kunnen brengen, zodra de Regering heeft besloten tot de wijziging van het bijzonder bestemmingsplan of het opmaken van een bijzonder bestemmingsplan strekkende tot de wijziging of de vernietiging van de verkavelingsvergunning. (340)

Art. 162.Binnen zestig dagen na de kennisgeving van de schorsing bedoeld in artikelen 160 en 161 vernietigt de Regering op advies van het Stedebouwkundig College indien nodig de vergunning en geeft van haar beslissing gelijktijdig kennis aan het college van burgemeester en schepenen en aan de aanvrager.

Het college van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde en de vergunninghouder of zijn raadsman worden, op hun verzoek, door het Stedebouwkundig College gehoord. Wanneer een partij vraagt om te worden gehoord, worden ook de andere partij en de gemachtigde ambtenaar opgeroepen. In dit geval wordt de termijn met vijftien dagen verlengd.

Bij ontstentenis van kennisgeving van de vernietiging binnen voornoemde termijnen wordt de schorsing opgeheven.

De tekst van artikelen 160 en 161, alsmede het eerste en het tweede lid van dit artikel worden in de vergunning opgenomen.

De Regering stelt de nadere regels voor de toepassing van dit artikel vast. (342)

Art. 163.De vernietiging van de vergunning om de redenen bepaald in § 4 van artikel 153 en in § 2 van artikel 161 vervalt onder dezelfde voorwaarden als die bedoeld in artikel 194, § 2. (344) Afdeling VI. - Aanhangigmaking van de gemachtigde ambtenaar

Art. 164.De aanvrager die na verloop van de in artikel 156 bepaalde termijn, geen kennisgeving van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen heeft ontvangen, kan de gemachtigde ambtenaar bij een ter post aangetekende brief verzoeken over zijn vergunningsaanvraag te beschikken; bij zijn brief, waarvan hij een afschrift aan het college van burgemeester en schepenen zendt, voegt hij een eensluidend afschrift van het dossier dat hij oorspronkelijk aan dit laatste heeft gericht.

Wanneer de gemachtigde ambtenaar vaststelt dat de aanvraag aanleiding geeft tot de raadpleging van besturen of instellingen en dat het college van burgemeester en schepenen zulks niet heeft gedaan, raadpleegt hij ze zelf en brengt hij het collège en de aanvrager hiervan in kennis. In dat geval wordt de in het vijfde lid gestelde termijn van vijfenveertig dagen verlengd met dertig dagen.

Wanneer de gemachtigde ambtenaar vaststelt dat de aanvraag aan de speciale regelen van openbaarmaking wordt onderworpen en dat het college van burgemeester en schepenen zulks niet heeft gedaan, verzoekt hij het college de voormelde regelen binnen tien dagen na zijn aanvraag in te stellen. In dat geval wordt de in het vijfde lid gestelde termijn van vijfenveertig dagen verlengd met dertig dagen.

Wanneer de speciale regelen van openbaarmaking ingesteld worden tijdens de schoolvakanties, wordt de termijn die volgt uit de toepassing van het derde lid, verlengd met : 1° tien dagen voor de Paas- of Kerstvakantie;2° vijfenveertig dagen voor de zomervakantie. De gemachtigde ambtenaar betekent gelijktijdig aan de aanvrager en aan het college van burgemeester en schepenen zijn beslissing over de verlening of de weigering van de vergunning binnen vijfenveertig dagen te rekenen vanaf ontvangst van de aangetekende brief. Bij ontstentenis van een binnen die termijn betekende beslissing wordt de vergunning geacht te zijn geweigerd.

De weigeringsbeslissing van de gemachtigde ambtenaar kan onder meer op de in de artikel 153, § 4, vermelde redenen gegrond zijn.

De vergunning kan worden verleend onder voorwaarden om een goede plaatselijke aanleg te waarborgen. Hij kan eveneens afwijkingen toestaan overeenkomstig artikel 153, § 2, en artikel 155, § 2, zonder dat in het tweede geval het college van burgemeester en schepenen hem een voorstel in die zin moet hebben gedaan. (346) Afdeling VII. - Beroep bij het Stedenbouwkundig College

Art. 165.§ 1. De aanvrager kan binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen of van de beslissing van de gemachtigde ambtenaar bedoeld in artikel 164, tegen die beslissing in beroep gaan bij het Stedebouwkundig College.

Bij ontstentenis van een beslissing kan hij eveneens in beroep gaan binnen dertig dagen na het verstrijken van de in artikel 164, tweede lid, bedoelde termijn.

Binnen vijf dagen na ontvangst zendt het Stedebouwkundig College een afschrift van de beroepsakte aan de gemeente en aan de gemachtigde ambtenaar.

De gemeente zendt het Stedenbouwkundig College een afschrift van het dossier binnen tien dagen na de ontvangst van het afschrift van het beroep. § 2. Het college van burgemeester en schepenen kan, binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van de gemachtigde ambtenaar tot verlening van een vergunning bedoeld in artikel 164, in beroep gaan bij het Stedenbouwkundig College tegen die beslissing indien een afwijking bedoeld onder artikel 155, § 2, eerste lid, werd toegestaan bij ontstentenis van een met redenen omkleed voorstel van het college van burgemeester en schepenen.

Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep schorst de vergunning. Het wordt terzelfder tijd bij een ter post aangetekende brief naar de aanvrager gestuurd. (348)

Art. 166.De aanvrager of zijn raadsman, het college van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde, alsook de gemachtigde ambtenaar worden op hun verzoek door het Stedebouwkundig College gehoord.

Wanneer een partij vraagt om te worden gehoord, worden ook de andere partijen opgeroepen. (350)

Art. 167.Van de beslissing van het Stedebouwkundig College wordt aan de aanvrager, aan het college van burgemeester en schepenen en aan de gemachtigde ambtenaar kennis gegeven binnen zestig dagen na de datum van afgifte bij de post van de aangetekende zending die het beroep bevat. Ingeval de partijen worden gehoord, wordt de termijn met vijftien dagen verlengd.

Indien de behandeling van het dossier vereist dat de aanvraag aan de speciale regelen van openbaarmaking en/of aan het advies van de overlegcommissie wordt onderworpen, wordt de in het eerste lid voorziene termijn met dertig dagen verlengd. (352)

Art. 168.Het Stedebouwkundig College kan de vergunning afgeven, de afgifte ervan afhankelijk stellen van voorwaarden om een goede plaatselijke aanleg te waarborgen of de vergunning weigeren.

Het Stedenbouwkundig College kan eveneens afwijkingen toestaan overeenkomstig artikel 153, § 2, en artikel 155, § 2, zonder dat in het tweede geval het college van burgemeester en schepenen dat collège een voorstel in die zin moet hebben gedaan. In dat laatste geval kan de afwijking echter pas worden toegestaan door het Stedenbouwkundig College als bij dat college een beroep wordt ingesteld tegen een vroegere beslissing van het college van burgemeester en schepenen tot weigering van de afwijking.

De beslissingen van het Stedebouwkundig College worden met redenen omkleed. (354) Afdeling VIII. - Beroep bij de Regering

Art. 169.Het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar kunnen bij de Regering in beroep gaan binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van het Stedebouwkundig College tot verlening van een vergunning.

Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt terzelfder tijd bij een ter post aangetekende brief naar de aanvrager en naar de Regering gestuurd. Gaat de gemachtigde ambtenaar in beroep, dan stelt hij daar eveneens het college van burgemeester en schepenen in kennis van. (356)

Art. 170.De aanvrager kan bij de Regering in beroep gaan binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van het Stedebouwkundig Collège of, bij ontstentenis van die ontvangst, na het verstrijken van de termijn waarbinnen deze plaats moest hebben. Dit beroep wordt bij een ter post aangetekende brief aan de Regering gezonden, die binnen vijf dagen na ontvangst het college van burgemeester en schepenen er een afschrift van stuurt. (358)

Art. 171.De Regering of de persoon die zij machtigt, hoort, op hun verzoek, de verzoeker of zijn raadsman, het college van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde, en de gemachtigde ambtenaar. Wanneer een partij vraagt om gehoord te worden, worden ook de andere partijen opgeroepen. (360)

Art. 172.De beslissing van de Regering wordt aan de partijen betekend binnen zestig dagen na afgifte bij de post van de aangetekende zending die het beroep bevat. Ingeval de partijen worden gehoord, wordt de termijn met vijftien dagen verlengd.

Wanneer het onderzoek van het dossier vereist dat de aanvraag aan de speciale regelen van openbaarmaking en/of het advies van de overlegcommissie onderworpen wordt, wordt de termijn daarenboven met dertig dagen verlengd. (362)

Art. 173.Bij ontstentenis van kennisgeving van de beslissing binnen de bij artikel 172 bepaalde termijn, kan de aanvrager bij aangetekend schrijven de Regering een rappel sturen.

Heeft de aanvrager geen beslissing ontvangen bij het verstrijken van een nieuwe termijn van dertig dagen met ingang op de dag waarop de rappelbrief ter post is afgegeven, wordt de beslissing van het Stedenbouwkundig College die het voorwerp is van het beroep of, bij ontstentenis van een dergelijke beslissing, de beslissing van het college van burgemeester en schepenen of van de gemachtigde ambtenaar, die het voorwerp is geweest van het beroep bij het Stedenbouwkundig College, bevestigd.

De Regering stelt de nadere regels voor de toepassing van dit artikel vast. (364)

Art. 174.De Regering kan de vergunning afgeven, de afgifte ervan afhankelijk stellen van voorwaarden om een goede plaatselijke aanleg te waarborgen of de vergunning weigeren.

Hij kan eveneens afwijkingen toestaan overeenkomstig artikel 153, § 2, en artikel 155, § 2, zonder dat in het tweede geval het college van burgemeester en schepenen hem een voorstel in die zin moet hebben gedaan.

De beslissingen van de Regering worden met redenen omkleed. (366) Afdeling IX. - Vergunningen aangevraagd door een publiekrechtelijk

rechtspersoon voor werken van openbaar nut of voor een beschermd of op de bewaarlijst ingeschreven goed of waarvoor de inschrijvings- of beschermingsprocedure geopend is of aangaande niet-uitgebate bedrijfsruimte

Art. 175.In afwijking van de artikelen 98 en 108 wordt de vergunning afgegeven door de gemachtigde ambtenaar in de volgende gevallen : 1° wanneer zij wordt aangevraagd door een door de regering aangewezen publiekrechtelijk rechtspersoon op voorwaarde dat de handelingen en werken in rechtstreeks verband staan met de uitoefening van zijn opdrachten;2° wanneer zij betrekking heeft op handelingen en werken van openbaar nut, bepaald door de regering;3° wanneer zij betrekking heeft op een beschermd, of op de bewaarlijst ingeschreven goed of waarvoor de inschrijvings- of beschermingsprocedure geopend is;4° wanneer het een in de inventaris opgenomen niet-uitgebate bedrijfsruimte betreft.(368)

Art. 176.De vergunningsaanvraag alsmede een volledig dossier worden bij een ter post aangetekende brief aan de gemachtigde ambtenaar toegezonden overeenkomstig artikel 124.

Het dossier van de vergunningsaanvraag is niet volledig ingeval de in voorkomend geval krachtens artikel 129, of artikel 143, derhalve vereiste documenten ontbreken.

Binnen twintig dagen na ontvangst van de aanvraag zendt de gemachtigde ambtenaar, nadat hij nagezien heeft als de aanvraag onderworpen is aan een effectenstudie zoals bedoeld in artikel 128, of aan een effectenverslag zoals bedoeld in artikel 142, aan de aanvrager bij een ter post aangetekende brief een ontvangstbewijs indien zijn dossier volledig is. Is dit niet het geval, dan deelt hij hem op dezelfde wijze mede dat zijn dossier niet volledig is met vermelding van de ontbrekende documenten of inlichtingen; de gemachtigde ambtenaar geeft het ontvangstbewijs af binnen twintig dagen na ontvangst van deze documenten of inlichtingen.

Bij ontstentenis van afgifte van het ontvangstbewijs of de kennisgeving dat het dossier niet volledig is, worden de bij de artikelen 177, § 2, eerste lid, en 178 bepaalde proceduretermijnen berekend vanaf de eenentwintigste dag na ontvangst, naar gelang van het geval, van de aanvraag of van de documenten of inlichtingen bedoeld in het derde lid.

In geval van gemengd project, een afschrift van alle administratieve stukken of documenten die door de gemachtigde ambtenaar naar de aanvrager worden verstuurd, wordt tegelijkertijd door hem verzonden naar het Brusselse Instituut voor Milieubeheer, dat bevoegd is om de milieu-attesten en milieuvergunningen af te geven.

Wanneer de aanvraag om vergunning betrekking heeft op een goed in de nabijheid van een gebied waarin vestigingen kunnen komen die een zwaar risico inhouden voor de personen, de goederen of het milieu in de zin van de richtlijn 96/82/EG, of in de nabijheid van een dergelijke vestiging of ook nog betrekking heeft op een dergelijke vestiging, wordt het advies van het Brussels Instituut voor Milieubeheer gevraagd. (370)

Art. 177.§ 1. De vergunningsaanvraag wordt onderworpen aan het voorafgaand advies van het college van burgemeester en schepenen. Het college van burgemeester en schepenen brengt advies uit binnen dertig dagen vanaf de kennisgeving door de gemachtigde ambtenaar van de aanvraag of binnen dertig dagen na de sluiting van het openbaar onderzoek wanneer de aanvraag onderworpen is aan de speciale regelen van openbaarmaking. Wordt die termijn niet in acht genomen, dan wordt het advies geacht gunstig te zijn.

Wanneer het gaat om een in artikel 68 bedoeld project, kan de gemachtigde ambtenaar de vergunning slechts afgeven op eensluidend advies van het college van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeente.

Wanneer de aanvraag betrekking heeft op handelingen en werken aan een goed dat beschermd is of ingeschreven is op de bewaarlijst of waarvoor de inschrijvings- of beschermingsprocedure geopend is of op een onroerend goed dat ingeschreven is in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten en voor zover die aanvraag niet behandeld kan worden op basis van een van de andere gevallen bedoeld in artikel 175, is het advies van het college van burgemeester en schepenen eensluidend wat de bestemmingswijzigingen van het goed in kwestie betreft. § 2. Wanneer de aanvraag betrekking heeft op handelingen en werken aan een goed dat is beschermd of ingeschreven op de bewaarlijst of waarvoor de inschrijvings of beschermingsprocedure geopend is, wordt deze, wat betreft de tussenkomsten die op dit goed betrekking hebben, onderworpen aan het voorafgaand advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen binnen de vijftien dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de vergunningsaanvraag.

De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen brengt haar advies uit binnen de dertig dagen na de kennisgeving van de aanvraag door de gemachtigde ambtenaar.

Wordt die termijn niet in acht genomen, dan wordt het advies geacht gunstig te zijn, tenzij de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen binnen die termijn beslist heeft om een bijkomende studio te laten uitvoeren. n dat geval beschikt zij over een bijkomende termijn van zestig dagen om haar advies uit te brengen. Wordt die termijn niet in acht genomen, dan wordt het advies geacht gunstig te zijn.

De gemachtigde ambtenaar mag, wat de onder het eerste lid bedoelde tussenkomsten betreft, de vergunning slechts afgeven op het eensluidend advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. § 3. De regering kan de lijst vaststellen van de handelingen en werken waarvoor, wegens hun geringe omvang, het voorafgaand advies van het college van burgemeester en schepenen niet vereist is.

Na het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen te hebben ingewonnen, kan de regering eveneens de lijst vaststellen van de handelingen en werken aan een beschermd goed of aan een op de bewaarlijst ingeschreven goed waarvoor, wegens hun geringe omvang, noch het voorgaand advies van het college van burgemeester en schepenen noch het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen vereist is.

De handelingen en werken die vrijgesteld zijn van het voorafgaand advies van het college van burgemeester en schepenen of van het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen zijn eveneens vrijgesteld van de speciale regelen van openbaarmaking bedoeld in artikel 149 en van het advies van de overlegcommissie bedoeld in artikel 151. (372)

Art. 178.§ 1. De beslissing van de gemachtigde ambtenaar tot verlening of weigering van de vergunning wordt gelijktijdig aan de aanvrager en aan de gemeente bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht. § 2. Deze kennisgeving geschiedt binnen volgende termijnen te rekenen vanaf de datum van het ontvangstbewijs : 1° vijfenzeventig dagen indien de aanvraag de speciale regelen van openbaarmaking bedoeld in artikelen 150 tot 151 niet vereist;2° honderd en vijf dagen indien de aanvraag dergelijke regelen vereist. Indien de aanvraag speciale regelen van openbaarmaking vereist en haar behandeling gedeeltelijk tijdens de schoolvakanties plaatsvindt, worden de termijnen verlengd met : 1° tien dagen voor de Paas- of Kerstvakantie;2° vijfenveertig dagen voor de zomervakantie. Wanneer de aanvraag speciale regelen van openbaarmaking vereist en de overlegcommissie haar advies niet heeft uitgebracht binnen de in het artikel 151, eerste lid, gestelde termijn van dertig dagen, worden de termijnen verlengd met dertig dagen. § 3. Wanneer de vergunningsaanvraag voorafgegaan wordt door een effectenstudie, bedoeld in artikel 128, of vergezeld is van een effectenverslag bedoeld in artikel 142, geschiedt de kennisgeving van de beslissing van de gemachtigde ambtenaar tot verlening of weigering van de vergunning binnen vijfenzeventig dagen te rekenen vanaf de datum waarop de overlegcommissie haar advies heeft gegeven binnen de termijn gesteld in artikel 141, § 2, derde lid, of in artikel 147, § 2, derde lid, of bij ontstentenis na het verstrijken van deze termijn.

Wanneer de overlegcommissie echter, met toepassing van artikel 148, de Regering aanbeveelt een effectenstudie te laten verrichten, dan begint de termijn bedoeld in het eerste lid te lopen vanaf : 1° hetzij de dag van de kennisgeving van de beslissing van de Regering bedoeld in artikel 148, § 2, zesde lid, waarbij zij meent dat een dergelijke studie niet geraden is;2° hetzij de dag van het advies van de overlegcommissie dat zij uitbrengt binnen de termijn gesteld in artikel 141, § 2, derde lid, of bij ontstentenis na het verstrijken van deze termijn. § 4. Indien de aanvraag aanleiding geeft tot de raadpleging van betrokken besturen of instellingen, worden de in §§ 2 en 3 bedoelde termijnen met dertig dagen verlengd.

Wanneer de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen heeft besloten om een bijkomende studie te laten uitvoeren, worden de termijnen bedoeld in §§ 2 en 3 verlengd met zestig dagen. § 5. De Regering stelt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel vast. (374)

Art. 179.De afgegeven vergunning dient te worden aangeplakt overeenkomstig artikel 158. (376)

Art. 180.De aanvrager kan na het verstrijken van de bij artikel 178 bepaalde termijn of binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van de gemachtigde ambtenaar met een ter post aangetekende brief bij het Stedenbouwkundig College in beroep gaan.

Afschrift van het beroep wordt door het Stedebouwkundig College aan de gemachtigde ambtenaar toegezonden. (378)

Art. 181.Het college van burgemeester en schepenen kan bij het Stedebouwkundig College in beroep gaan binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van de gemachtigde ambtenaar tot verlening van de vergunning.

Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt terzelfder tijd bij een ter post aangetekende brief naar de aanvrager en naar het Stedenbouwkundig College gestuurd. (380)

Art. 182.De aanvrager of zijn raadsman, het college van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde, alsook de gemachtigde ambtenaar worden op hun verzoek door het Stedenbouwkundig College gehoord.

Wanneer een partij vraagt om te worden gehoord, worden ook de andere partijen opgeroepen. (382)

Art. 183.De beslissing van het Stedenbouwkundig College wordt aan de aanvrager, aan het college van burgemeester en schepenen en aan de gemachtigde ambtenaar betekend binnen zestig dagen na de datum van afgifte bij de post van de aangetekende zending die het beroep bevat.

Ingeval de partijen worden gehoord, wordt de termijn met vijftien dagen verlengd.

Wanneer het onderzoek van het dossier vereist dat de aanvraag aan de speciale regelen van openbaarmaking en/of het advies van de overlegcommissie onderworpen wordt, wordt de termijn daarenboven met dertig dagen verlengd. (384)

Art. 184.De aanvrager kan na het verstrijken van de bij artikel 183 bepaalde termijn of binnen dertig dagen na ontvangst van de beslissing van het Stedenbouwkundig College met een ter post aangetekende brief bij de regering in beroep gaan.

Afschrift van het beroep wordt door de Regering aan de gemachtigde ambtenaar toegezonden. (386)

Art. 185.Het college van burgemeester en schepenen alsook de gemachtigde ambtenaar kunnen bij de Regering in beroep gaan dertig dagen na ontvangst van de beslissing van het Stedenbouwkundig College tot verlening van de vergunning.

Dit beroep, evenals de termijn voor instelling van het beroep, schorst de vergunning. Het wordt terzelfder tijd bij een ter post aangetekende brief naar de aanvrager en naar de Regering gestuurd.

Gaat het college van burgemeester en schepenen in beroep, dan geeft dit daarvan bovendien kennis aan de gemachtigde ambtenaar. (388)

Art. 186.Onverminderd de delegaties die ze in haar schoot of ten voordele van een Staatssecretaris organiseert, hoort de Regering, op hun verzoek, de aanvrager of zijn raadsman, het college van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde en de gemachtigde ambtenaar. Wanneer een partij verzoekt om te worden gehoord, worden ook de andere partijen opgeroepen. (390)

Art. 187.De beslissing van de Regering wordt aan de partijen betekend binnen zestig dagen na afgifte bij de post van de aangetekende zending die het beroep bevat. Ingeval de partijen worden gehoord, wordt de termijn met vijftien dagen verlengd. Wanneer het onderzoek van het dossier vereist dat de aanvraag aan de speciale regelen van openbaarmaking en/of het advies van de overlegcommissie onderworpen wordt, wordt de termijn daarenboven met dertig dagen verlengd.

Bij ontstentenis van kennisgeving van de beslissing binnen de bij het eerste lid bepaalde termijn, kan de aanvrager bij aangetekend schrijven de Regering een rappel sturen.

Heeft de aanvrager geen beslissing ontvangen bij het verstrijken van een nieuwe termijn van dertig dagen met ingang op de dag waarop de rappelbrief ter post is afgegeven, wordt de beslissing van het Stedenbouwkundig College die het voorwerp is van het beroep of, bij ontstentenis van een dergelijke beslissing, de beslissing van de gemachtigde ambtenaar, die het voorwerp is geweest van het beroep bij het Stedenbouwkundig College, als bevestigd beschouwd. Wanneer noch het Stedenbouwkundig College, noch de gemachtigde ambtenaar over de aanvraag hebben beslist, staat de ontstentenis van beslissing van de Regering binnen die termijn gelijk met de weigering van de vergunning. (392)

Art. 188.De gemachtigde ambtenaar, het Stedenbouwkundig College en de Regering kunnen de vergunning afgeven, de afgifte ervan afhankelijk stellen van voorwaarden om een goede plaatselijke aanleg te waarborgen of de vergunning weigeren.

Zij kunnen eveneens afwijkingen toestaan overeenkomstig artikel 153, § 2, en artikel 155, § 2, zonder dat in het tweede geval het college van burgemeester en schepenen hen een voorstel in die zin moet hebben gedaan.

De beslissingen van de gemachtigde ambtenaar, het Stedenbouwkundig College en de Regering worden met redenen omkleed.

Daarenboven kunnen de gemachtigde ambtenaar, het Stedenbouwkundig College en de Regering de vergunning toekennen in afwijking van de verordenende voorschriften van de in Titel II bedoelde plannen van zodra er beslist werd die plannen te wijzigen met het oog op de verwezenlijking van handelingen en werken van openbaar nut die het voorwerp zijn van de aanvraag, voorzover de bevoegde overheid, in de beslissing tot wijziging van het plan, aangetoond heeft dat de wijziging enkel betrekking heeft op de bestemming van kleine gebieden op plaatselijk vlak en niet van die aard is dat ze een noemenswaardige weerslag op het milieu kan hebben rekening houdend met de in bijlage D van dit Wetboek opgesomde criteria. In dat geval is de aanvraag om vergunning onderworpen aan de in de artikelen 150 en 151 bedoelde speciale regelen van openbaarmaking. (394) Afdeling X. - Gezamenlijke bepalingen voor de beslissingen

Art. 189.Onverminderd de bepalingen van artikel 153, §§ 3 en 4, mag de vergunning niet worden afgegeven, wanneer gevraagd wordt te bouwen of te herbouwen op het gedeelte van een stuk grond waarvoor een rooilijn geldt of andere dan instandhoudings en onderhoudswerkzaamheden uit te voeren aan een gebouw waarvoor een rooilijn geldt.

In dit geval mag de vergunning niettemin worden afgegeven, als uit de adviezen van de bevoegde instanties blijkt dat de rooilijn ter hoogte van het gebouw niet zal kunnen worden tot stand gebracht vóór ten minste vijf jaar, na de afgifte van de vergunning. In geval van onteigening na het verstrijken van die termijn, wordt bij het bepalen van de vergoeding geen rekening gehouden met de waardevermeerdering die uit de vergunde werken voortvloeit.

De vergunning kan ook worden geweigerd voor het bouwen op een terrein dat, rekening houdend met de plaatselijke toestand, geen toegang heeft tot een voldoende uitgeruste weg. (396)

Art. 190.Wanneer de aanvraag om vergunning onderworpen is aan een effectenstudie in de zin van het artikel 128, of aan een effectenverslag in de zin van het artikel 142, wordt de beslissing tot verlening of weigering van de vergunning met redenen omkleed, onder meer ten opzichte van de gevoelige aantastingen van het leefmilieu of het stedelijk milieu die het project kan veroorzaken en de belangrijke sociale of economische gevolgen die het kan hebben. (398)

Art. 191.De overheid waarbij een vergunningsaanvraag is ingediend of één van de in dit hoofdstuk bedoelde beroepen is ingesteld, kan voorwaarden opleggen die wijzigingen impliceren van de plannen die tot staving van de aanvraag zijn ingediend.

In dit geval, voorzover de wijzigingen het voorwerp van de aanvraag niet aantasten, van bijkomstig belang zijn en tegemoetkomen aan de bezwaren die de oorspronkelijke plannen opwierpen of de afwijkingen van de aanvraag, bedoeld in de artikelen 153, § 2, en 155, § 2, willen doen schrappen, zonder eventueel afbreuk te doen aan het voorwerp van de aanvraag, kan de vergunning worden afgegeven vanaf de ontvangst van de wijzigingen zonder deze terug te moeten onderwerpen aan de behandelingsprocedure waartoe de aanvraag aanleiding gaf. (400)

Art. 192.Aan de vergunning kan een planning worden gekoppeld waarin de volgorde wordt opgelegd waarin de toegelaten werken, daarin begrepen de eventuele stedenbouwkundige lasten, moeten worden uitgevoerd en de termijn waarin aan de voorwaarden van de vergunning en de stedenbouwkundige lasten moet worden voldaan.

De naleving van de planning kan worden verzekerd door financiële waarborgen. Wanneer de planning niet wordt nageleefd, zijn de financiële waarborgen verworven door de overheid die de vergunning heeft afgegeven. In dat geval zal het bedrag van deze waarborg bij voorrang worden gebruikt op de site van het prijsgegeven project, in overleg met de betrokken gemeente.

In geval van onvoorziene omstandigheden en op een met redenen omkleed verzoek van de vergunninghouder, kan de planning worden herzien door de overheid die de vergunning heeft afgegeven.

De regering kan de toepassingsmodaliteiten van dit artikel bepalen. (402)

Art. 193.Het college van burgemeester en schepenen, de gemachtigde ambtenaar, het Stedenbouwkundig College en de Regering leggen de naleving op van de bij advies van de Dienst Brandweer en Dringende Medische Hulp opgelegde voorwaarden, tenzij deze voorwaarden afbreuk doen aan het patrimoniaal belang van een onroerend goed dat beschermd is, ingeschreven is op de bewaarlijst, of waarvan de bescherming of inschrijving hangende is.

Van zodra de aan stedenbouwkundige vergunning onderworpen handelingen en werken voltooid zijn en vóór alle gebruik, brengt de Dienst Brandweer en Dringende Medische Hulp een controlebezoek dat al dan niet bezegeld wordt met een eenvormigheidsattest, tenzij het gaat om handelingen en werken die ervan zijn vrijgesteld door de Regering. (404)

Art. 194.§ 1. Het college van burgemeester en schepenen, de gemachtigde ambtenaar, het Stedenbouwkundig College en de Regering weigeren de vergunning : 1° wanneer de aanvraag niet conform een in werking getreden ontwerp van gewestelijk bestemmingsplan is;2° wanneer er, voor het grondgebied waar het goed gelegen is, geen geldend bijzonder bestemmingsplan of niet-vervallen verkavelingsvergunning bestaat en de aanvraag niet conform een in werking getreden ontwerp van gewestelijk bestemmingsplan is. Zij kunnen de vergunning weigeren met name : 1° wanneer de Regering beslist heeft het gewestelijk bestemmingsplan te wijzigen door, indien nodig, af te wijken van de bepalingen die men beslist heeft te wijzigen en er, voor het grondgebied waarop het goed gelegen is, geen geldend bijzonder bestemmingsplan of niet-vervallen verkavelingsvergunning bestaat;2° wanneer zij van mening zijn dat de in de vergunningsaanvraag voorziene werken van die aard zijn dat ze de goede plaatselijke ordening in het gedrang brengen, van zodra de Regering beslist heeft het bijzonder bestemmingsplan te wijzigen of een bijzonder bestemmingsplan op te maken met als gevolg dat de op de vergunningsaanvraag toepasselijke verkavelingsvergunning gewijzigd of vernietigd wordt. § 2. De op de voorgaande motieven gebaseerde weigering van vergunning vervalt : 1° in het geval bedoeld in 1° van het eerste lid van de eerste paragraaf, wanneer dit plan niet in werking is getreden binnen de twaalf maanden die volgen op de inwerkingtreding van het besluit van de Regering houdende vaststelling van het ontwerp;2° in het geval bedoeld in 2° van het eerste lid van de eerste paragraaf, wanneer dit plan niet in werking is getreden binnen de drie jaar na de goedkeuring door de Regering van het ontwerp-plan;3° in het geval bedoeld in 1° van het tweede lid van de eerste paragraaf, wanneer het nieuw plan niet in werking is getreden binnen de twee jaar vanaf de inwerkingtreding van het besluit van de Regering houdende beslissing tot wijziging ervan;4° in het geval bedoeld in 2° van het tweede lid van de eerste paragraaf, wanneer het ontwerp-plan niet is goedgekeurd door de Regering binnen de twaalf maanden die volgen op het besluit van de Regering houdende beslissing tot wijziging van het bijzonder bestemmingsplan of tot het opmaken van een dergelijk plan of wanneer dit plan niet in werking is getreden binnen de drie jaar na de goedkeuring van dit ontwerp-plan door de Regering. In dat geval is het oorspronkelijk verzoek, op aanvraag van de verzoeker, het voorwerp van een nieuwe beslissing die, in het geval van een weigering, niet meer op voormeld motief gegrond kan worden. (406)

Art. 195.De Regering bepaalt de vorm van de vergunningen, van de beslissingen tot weigering van de vergunning, van de schorsingsbeslissingen en van de vernietigingsbeslissingen van de vergunning. (408) Afdeling XI. - Bijzondere bepalingen voor de verkavelingsvergunning

Art. 196.Indien de inhoud van de aanvraag om verkavelingsvergunning strijdig is met door 's mensen toedoen gevestigde erfdienstbaarheden of met bij overeenkomst vastgestelde verplichtingen met betrekking tot het grondgebruik, wordt het bestaan hiervan in de aanvraag vermeld.

In dit geval wordt de aanvraag onderworpen aan de speciale regelen van openbaarmaking bedoeld in de artikelen 150 en 151. De eigenaars van de goederen waarop de vermelde erfdienstbaarheden of verplichtingen betrekking hebben, worden door de aanvrager per aangetekende brief op de hoogte gesteld van de indiening van de aanvraag. Deze kennisgeving geschiedt voor de indiening van het dossier. De afgiftebewijzen van de aangetekende brieven worden bij het dossier van de aanvraag gevoegd.

De bezwaren worden, schriftelijk en binnen dertig dagen na de datum van de ter post aangetekende brieven, bij het college van burgemeester en schepenen, ingediend. (410)

Art. 197.§ 1. Indien een aanvraag om verkavelingsvergunning de aanleg van nieuwe verkeerswegen, de tracéwijziging, verbreding of opheffing van bestaande gemeentelijke verkeerswegen omvat en het college van burgemeester en schepenen bevindt dat de vergunning zijnentwege kan worden verleend, gelden voor de behandeling van de aanvraag de volgende bijkomende formaliteiten : 1° de aanvraag wordt onderworpen aan de speciale regelen van openbaarmaking bedoeld in artikelen 150 en 151;2° de gemeenteraad neemt kennis van het resultaat van het onderzoek en neemt een besluit over de zaak van de wegen alvorens het college van burgemeester en schepenen over de vergunningsaanvraag beslist. § 2. Heeft de gemeenteraad over de zaak van de wegen geen beslissing moeten nemen of zich van beslissing over de zaak van de wegen onthouden en is beroep ingesteld, dan roept de Regering de gemeenteraad samen, in voorkomend geval op verzoek van het Stedenbouwkundig College. De gemeenteraad moet dan over de zaak van de wegen een beslissing nemen en ze mededelen binnen een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de samenroeping; zo nodig gaat het college van burgemeester en schepenen over tot het in § 1, 1° bedoelde openbaar onderzoek.

In dat geval wordt de termijn die aan het Stedenbouwkundig College of de Regering voor de mededeling van hun beslissing over het beroep is voorgeschreven, verlengd met de tijd die de gemeenteraad werkelijk heeft gebruikt om zijn besluit over de zaak van de wegen mede te delen. (412) HOOFDSTUK IV. - Stedenbouwkundig attest Afdeling I. - Begrip

Art. 198.Het stedebouwkundig attest is een document dat mag aangevraagd worden vóór de stedenbouwkundigevergunning of vóór de verkavelingsvergunning en dat niet tot vrijstelling van het verkrijgen van deze vergunningen leidt. (414) Afdeling II. - Afgifteprocedure

Art. 199.De Regering stelt de samenstelling van het aanvraagdossier en de vorm van de beslissingen inzake het stedenbouwkundig attest vast. (416)

Art. 200.Het stedebouwkundig attest wordt afgegeven volgens dezelfde procedure, binnen dezelfde termijnen en door dezelfde overheid als die voorzien in de artikelen 125 tot 151, 153 tot 156, 175 tot 178, 189 tot 191, 193 en 194 voor de vergunningen.

Wanneer het stedenbouwkundig attest evenwel krachtens artikel 128 of artikel 142 aan een voorafgaande effectenbeoordeling is onderworpen, wordt het afgegeven binnen de volgende termijnen te rekenen vanaf de datum dat de overlegcommissie haar advies uitbracht binnen de termijn bedoeld in artikel 141, § 2, derde lid of in artikel 147, § 2, derde lid, of bij ontstentenis na het verstrijken van deze termijn : 1° vijfenveertig dagen indien de aanvraag het voorafgaand advies van de gemachtigde ambtenaar niet vereist;2° negentig dagen indien de aanvraag niet het voorafgaand advies van de gemachtigde ambtenaar vereist. Wanneer de aanvraag om een verkavelingsvergunning echter vermeldt dat haar inhoud in strijd is met door 's mensens toedoen vastgestelde erfdienstbaarheden of met bij overeenkomst vastgestelde verplichtingen betreffende het gebruik van de grond, worden de eigenaars van de goederen waarop de voornoemde erfdienstbaarheden of verplichtingen betrekking hebben door de aanvrager per aangetekende brief op de hoogte gebracht van de indiening van de aanvraag. Deze kennisgeving geschiedt vóór de indiening van het dossier. De afgiftebewijzen van de aangetekende brieven worden bij het dossier van de aanvraag gevoegd.

De bezwaren worden, schriftelijk en binnen dertig dagen na de datum van de aangetekende brieven, bij het college van burgemeester en schepenen, ingediend. (418)

Art. 201.Een stedenbouwkundig attest, afgegeven door het college van burgemeester en schepenen, kan door de gemachtigde ambtenaar worden geschorst en door de Regering worden vernietigd in de vorm en binnen de termijnen voorzien in artikelen 160 tot 163 voor de schorsing en de vernietiging van de vergunningen. (420)

Art. 202.De aanvrager die na verloop van de in artikel 156 bepaalde termijn geen kennisgeving van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen heeft ontvangen, kan zich wenden tot de gemachtigde ambtenaar onder de voorwaarden bepaald bij artikel 164.

De aanvrager, het college van burgemeester en schepenen en de gemachtigde ambtenaar kunnen in beroep gaan tegen een afgegeven attest, onder de voorwaarden voorzien in artikelen 164 tot 174 en 180 tot 188.

In de in artikel 173, tweede lid, en 187, derde lid, bedoelde hypothese, en bij ontstentenis van een beslissing van de Regering binnen de vastgestelde termijn wordt de beslissing van het Stedenbouwkundig College die het voorwerp is van het beroep of, bij ontstentenis van een dergelijke beslissing, de beslissing van het college van burgemeester en schepenen of van de gemachtigde ambtenaar die het voorwerp is geweest van het beroep bij het Stedenbouwkundig College, als bevestigd beschouwd. Wanneer noch het Stedenbouwkundig College noch de gemachtigde ambtenaar over de aanvraag beslist hebben, komt de ontstentenis van beslissing van de Regering overeen met een geweigerd attest. (422) Afdeling III. - Gevolgen van het stedenbouwkundig attest

Art. 203.Onder voorbehoud van de resultaten van de grondige behandeling die zou plaatsvinden indien een vergunningsaanvraag zou worden ingediend, duidt het stedenbouwkundig attest aan in welke mate de voorgenomen bestemming voor het goed en de handelingen en werken die erop zouden worden uitgevoerd, kunnen worden aanvaard. (424)

Art. 204.§ 1. Het stedenbouwkundig attest vervalt wanneer er, binnen de twee jaar na de afgifte ervan, geen enkele aanvraag om vergunning is ingediend of wanneer de binnen die termijn ingediende aanvraag om vergunning achteraf het voorwerp is van een definitieve beslissing tot weigering. § 2. Betreft het een gemengd project, dan wordt het stedenbouwkundig attest geschorst zolang geen definitief milieu-attest verkregen werd.

Het afgeven van een negatief milieu- attest houdt van rechtswege de nietigheid van het stedenbouwkundig attest in.

De in § 1 bedoelde termijn van twee jaar wordt geschorst zolang het overeenkomstige definitieve milieu-attest niet is verkregen. (426)

Art. 205.Wanneer de aanvraag om een stedenbouwkundig attest aan speciale regelen van openbaarmaking is onderworpen, is de vergunningsaanvraag daarvan vrijgesteld, op voorwaarde dat er geen nieuwe redenen die dergelijke maatregelen zouden rechtvaardigen, zijn ontstaan. Het advies van de overlegcommissie blijft evenwel vereist indien dat wordt voorgeschreven door een in een plan, of in een stedenbouwkundigeverordening opgenomen bepaling. (428) TITEL V. - BESCHERMING VAN HET ONROERENDE ERFGOED HOOFDSTUK I. - Algemeen

Art. 206.Voor de toepassing van deze titel (430) moet worden verstaan onder : 1° onroerend erfgoed : het geheel van de onroerende goederen met een historische, archeologische, artistieke, esthetische, wetenschappelijke, sociale, technische of volkskundige waarde, te weten : a) als monument : elk merkwaardig werk, met inbegrip van de uitrusting of decoratieve elementen die er integrerend deel van uitmaken;b) als geheel : iedere groep van onroerende goederen die een stedelijk geheel of een dorpsgeheel vormt dat voldoende samenhangend is om topografisch te worden afgebakend en merkwaardig is door zijn homogeniteit of doordat het in zijn omgeving is geïntegreerd;c) als landschap : elk werk van de natuur of van de mens of van beide samen, met geen of gedeeltelijke bebouwing en dat een ruimtelijke samenhang vertoont;d) als archeologische vindplaats : elk terrein, geologische formatie, gebouw, geheel of landschap dat archeologische goederen bevat of kan bevatten;2° behoud : het geheel van de maatregelen gericht op het identificeren, de studie, de bewaring, de vrijwaring, de bescherming, het onderhoud, het beheer, de restauratie, het verstevigen, de herbestemming en het tot zijn recht doen komen van het onroerende erfgoed, teneinde het te integreren in het hedendaagse leven en het te behouden in een passende omgeving;3° vrijwaringszone van het onroerende erfgoed : de zone rondom een monument, een geheel, een landschap of een archeologische vindplaats, waarvan de omtrek wordt vastgesteld volgens de vereisten van de vrijwaring van de omgeving van het onroerende erfgoed;4° eigenaar : de natuurlijke persoon, de privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon, houder van een eigendomsrecht, van een vruchtgebruik, van een erfpacht of een recht van opstal op een goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, of indien een vrijwaringszone wordt afgebakend, op een onroerend goed gelegen in deze zone;5° archeologische goederen : alle overblijfselen, voorwerpen en andere sporen van de mens, van zijn activiteiten of van zijn natuurlijke habitat, die een getuige zijn van vervlogen tijden of beschavingen en waarvoor de voornaamste of één van de voornaamste wetenschappelijke informatiebronnen uit de archeologische onderzoeksmethoden afkomstig is;6° prospectie : handeling bestemd om een archeologische site te lokaliseren zonder er wijzigingen aan aan te brengen;7° peiling : handeling die een wijziging van de toestand van een site inhoudt, om zich een beeld te vormen van het bestaan, de aard, de uitgestrektheid of de toestand van een archeologische site;8° opgravingen : het geheel van de handelingen en werken met het oog op de exploratie, de analyse en de studie in situ van het geheel of een deel van een archeologische site;9° ontdekkingen : het blootleggen van archeologische goederen op een andere manier dan via opgravingen of peilingen.(432) HOOFDSTUK II. - De inventaris en het register van het onroerende erfgoed

Art. 207.§ 1.De Regering maakt een inventaris op van het onroerend erfgoed van het Gewest, houdt hem bij en maakt hem bekend.

De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (434) of het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het goed gelegen is kan voorstellen dat een goed wordt ingeschreven in de inventaris van het onroerend erfgoed.

De Regering legt de procedure vast betreffende het opmaken, het bijhouden en het bekendmaken van de inventaris van het onroerend erfgoed.

Elke aanvraag van stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning of stedenbouwkundig attest die betrekking heeft op een goed dat is ingeschreven op de inventaris van het onroerend erfgoed, is onderworpen aan het advies van de overlegcommissie. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen wordt slechts geraadpleegd op verzoek van de overlegcommissie.

De regering kan de lijst bepalen van de handelingen en werken die door hun geringe omvang vrijgesteld zijn van het voorafgaand advies van de overlegcommissie. De handelingen en werken die vrijgesteld zijn van het advies van de overlegcommissie, zijn ook vrijgesteld van de speciale regelen van openbaarmaking. § 2. De Regering maakt een register op van het onroerende erfgoed, dat ingeschreven is op de bewaarlijst, beschermd is of dat het voorwerp van een beschermingsprocedure is, en houdt dit register bij. (436)

Art. 208.De Regering legt de vorm van de inventaris en van het register van het onroerend erfgoed vast, en bepaalt welke vermeldingen erin moeten voorkomen.

Zij doet aan iedere gemeente een uittreksel uit de inventaris en het register toekomen betreffende de goederen die tot het onroerende erfgoed behoren en die gelegen zijn op het grondgebied van die gemeente.

De inschrijving in de inventaris van een goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, heeft uitwerking vanaf de dag waarop het bij wege van vermelding in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt wordt. (438)

Art. 209.Eenieder kan op eenvoudig verzoek bij de Gewestelijke Administratie of bij het gemeentebestuur inzage nemen van de inventaris en van het register van het onroerend erfgoed, en er op eigen kosten een afschrift van krijgen. (440) HOOFDSTUK III. - De bewaarlijst Afdeling 1. - Het inschrijven op de bewaarlijst en het opleggen van

bijzondere behoudsvoorwaarden

Art. 210.§ 1. De Regering stelt de bewaarlijst op van de goederen die behoren tot het onroerende erfgoed. Ze vat de procedure voor de inschrijving op de bewaarlijst aan hetzij op eigen initiatief, hetzij op voorstel van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen. (442) § 2. Nadat ze, als ze dat nuttig acht, advies gevraagd heeft aan de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, kan de Regering eveneens de procedure voor de inschrijving op de bewaarlijst aanvatten van elk goed dat tot het onroerende erfgoed behoort : 1° hetzij op verzoek van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het goed gelegen is;2° hetzij op verzoek van een vereniging zonder winstoogmerk die de handtekeningen verzameld heeft van honderd vijftig personen die ten minste achttien jaar oud zijn en hun woonplaats hebben in het Gewest. Deze vereniging moet het behoud van het erfgoed tot doel hebben en haar statuten moeten ten minste drie jaar voordien in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt zijn; 3° hetzij op verzoek van de eigenaar. De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de in het eerste lid bedoelde verzoeken.

De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen brengt haar advies uit binnen negentig dagen nadat zij hierom verzocht is. Na het verstrijken van die termijn wordt de procedure voortgezet. § 3.De Regering deelt haar beslissing om de procedure voor de inschrijving op de bewaarlijst aan te vatten mee aan de gemachtigde ambtenaar. (444) Zij geeft bij een ter post aangetekende brief kennis van deze beslissing aan : 1° de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen;2° de gemeente waar het goed gelegen is;3° de eigenaar;4° de vereniging zonder winstoogmerk bedoeld bij § 2, 2°;5° alle andere personen van wie de Regering het nuttig acht dat zij worden ingelicht. De kennisgeving bevat volgende elementen : 1° een korte beschrijving alsmede de eventuele benaming van het goed;2° de kadastrale aanduiding van het goed;3° de waarde van het goed, volgens de maatstaven bepaald in artikel 206, 1°. De kennisgeving aan de eigenaar die vermeldt staat op de kadastrale legger en op het hierop vermelde adres, wordt geacht geldig te zijn.

Het besluit van de Regering dat de procedure voor de inschrijving op de bewaarlijst aanvat, wordt bovendien bij wege van vermelding in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. § 4. Binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing om de procedure voor de inschrijving op de bewaarlijst aan te vatten, is de eigenaar verplicht om hiervan kennis te geven aan de huurder, de bewoner, alsook elke persoon die de eigenaar, huurder of bewoner zou hebben gelast of toegestaan om werken uit te voeren aan het goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, op straffe van aansprakelijk te worden gesteld voor de herstelling van het goed, bevolen door de rechtbank krachtens artikelen 307 et 310 (446). Deze verplichting dient te worden vermeld in de akte van kennisgeving van de beslissing. § 5. Binnen vijfenveertig dagen na de kennisgeving van de beslissing om de procedure voor de inschrijving op de bewaarlijst aan te vatten, kan de eigenaar zijn opmerkingen betreffende het ontwerp van inschrijving op de bewaarlijst, bij een ter post aangetekende brief aan de Regering kenbaar maken. Na het verstrijken van die termijn wordt de procedure voortgezet. § 6.De Regering neemt het besluit tot inschrijving op de bewaarlijst van een goed dat behoort tot het onroerende erfgoed binnen twee jaar van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de beslissing om de procedure aan te vatten. Na het verstrijken van die termijn vervalt de procedure. § 7. Wanneer de aanvraag om inschrijving op de bewaarlijst van de eigenaar uitgaat of wanneer ze, in het geval van mede-eigendom of van splitsing van het eigendomsrecht, unaniem gebeurt, kan de Regering, in plaats van de beslissing de in § 3 bedoelde inschrijvingsprocedure te openen, het besluit tot inschrijving op de bewaarlijst rechtstreeks goedkeuren zoals voorzien in de artikelen 211 tot 213 na het advies van het college van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeente en van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen te hebben ingewonnen.

De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen brengt haar advies uit binnen negentig dagen na de aanhangigmaking van de aanvraag. Bij ongunstig advies binnen deze termijn, wordt de procedure voortgezet in naleving van de in de §§ 3 tot 6 van dit artikel vastgelegde modaliteiten. (448)

Art. 211.§ 1. Het besluit tot inschrijving op de bewaarlijst van een goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, moet met redenen worden omkleed, om, in voorkomend geval, tegemoet te komen aan de opmerkingen van de eigenaar en moet de volgende gegevens bevatten : 1° een korte beschrijving alsook de eventuele benaming van het goed;2° de kadastrale aanduiging van het goed;3° de waarde van het goed, volgens de maatstaven bepaald in artikel 206, 1°. Met betrekking tot de gehelen, landschappen en archeologische vindplaatsen wordt bij dit besluit een plan van afbakening gevoegd. § 2. Het besluit tot inschrijving op de bewaarlijst van een goed dat tot het onroerende erfgoed kan bovendien de bijzondere voorwaarden voor het behoud bepalen waaraan het op de bewaarlijst ingeschreven onroerende goed is gebonden.

Deze voorwaarden kunnen beperkingen betreffende het eigendomsrecht inhouden, met inbegrip van het volledig of gedeeltelijk bouwverbod, verbouwverbod of afbraakverbod. (450)

Art. 212.§ 1.De Regering doet het besluit tot inschrijving op de bewaarlijst toekomen aan de gemachtigde ambtenaar.

Bovendien brengt zij dit ter kennis, bij een ter post aangetekende brief, van : 1° de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (452);2° de gemeente;3° de eigenaar;4° de vereniging zonder winstoogmerk bedoeld bij artikel 210, § 2, 2°;5° eenieder van wie de Regering het nuttig acht dat hij wordt ingelicht. De kennisgeving aan de eigenaar die vermeld staat op de kadastrale legger en op het hierop vermelde adres, wordt geacht geldig te zijn. § 2. Binnen vijftien dagen na de kennisgeving van het besluit is de eigenaar verplicht hiervan kennis te geven aan de huurder, de bewoner en aan elke persoon die de eigenaar, de huurder of de bewoner zou hebben gelast of toegestaan om werken uit te voeren aan het goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, op straffe van aansprakelijk te worden gesteld voor de herstelling van het goed, bevolen door de rechtbank krachtens artikelen 301 en 310. (454) Deze verplichting dient te worden vermeld in de akte van kennisgeving van het besluit. (456)

Art. 213.Het besluit tot inschrijving op de bewaarlijst wordt gelijktijdig naar het Belgisch Staatsblad en het Kantoor van Bewaring der Hypotheken gestuurd. Het is bindend te rekenen van de dag waarop het bij wege van vermelding in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Ten aanzien van de overheden en personen bedoeld in artikel 212, § 1, is het besluit bindend te rekenen van de kennisgeving ervan, indien deze aan de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad voorafgaat. (458) Afdeling II. - Gevolgen

Art. 214.De eigenaar van een goed behorend tot het op de bewaarlijst ingeschreven onroerende erfgoed is verplicht om dit in goede staat te houden en om de bijzondere behoudsvoorwaarden, die eventueel werden voorgeschreven, na te leven. (460)

Art. 215.In afwijking van de artikelen 133 en 135 van de nieuwe gemeentewet en artikel 67 van het koninklijk besluit van 10 december 1970 houdende de Huisvestingscode, kan de burgemeester het gedeeltelijk of volledig afbreken van een goed dat ingeschreven is op de bewaarlijst, niet bevelen zonder kennis te geven van zijn beslissing aan de Regering.

De beslissing van de burgemeester behoeft de goedkeuring van de Regering.

Deze beslissing van de burgemeester wordt van rechtswege uitvoerbaar als er binnen veertig dagen te rekenen vanaf de ontvangst van kennisgeving van de burgemeester geen tegenstrijdige beslissing uitgebracht werd. (462)

Art. 216.Het goed behorend tot het op de bewaarlijst ingeschreven onroerende erfgoed wordt automatisch opgenomen in de inventaris. (464)

Art. 217.§ 1. De gevolgen van de inschrijving op de bewaarlijst volgen de goederen die tot het onroerende erfgoed behoren in welke handen ze ook overgaan. § 2. In geval van overdracht van een goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, moet de instrumenterende ambtenaar bij de gemeentebesturen alle informatie verzamelen met betrekking tot de eventuele inschrijving van dit goed op de bewaarlijst.

Hij maakt melding van die inschrijving in de akte die de overdracht vaststelt.

Bij de publiciteit die met een verkoop van een op de bewaarlijst ingeschreven goed gepaard gaat, is de instrumenterende ambtenaar en eenieder die, voor eigen rekening of als tussenpersoon, verkoopt, verplicht te vermelden dat dit onroerende erfgoed op de bewaarlijst is ingeschreven. (466)

Art. 218.De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (468) moet om advies worden gevraagd alvorens de vergunningen worden afgegeven die krachtens bepalingen van wetgevende aard, vastgesteld in de aangelegenheden bedoeld in artikel 38 van de Grondwet, vereist zijn voor een goed dat behoort tot het op de bewaarlijst ingeschreven onroerende erfgoed. Uitgezonderd de gevallen waarin dit advies reeds vereist en georganiseerd is krachtens bovengenoemde bepalingen van wetgevende aard, organiseert de regering de adviesprocedure met de duidelijke vermelding dat bij ontstentenis van een uitspraak, binnen een bepaalde termijn, de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen geacht wordt een gunstig advies te hebben uitgebracht. (470)

Art. 219.Alle gevolgen van de inschrijving op de bewaarlijst zijn van toepassing op de tot het onroerende erfgoed behorende goederen die het voorwerp uitmaken van een procedure voor de inschrijving op de bewaarlijst, en dit voor de duur van deze procedure en vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de beslissing van de Regering om deze procedure aan te vatten of vanaf de datum van kennisgeving van deze beslissing als dit vroeger gebeurde, tot het einde van deze procedure. (472) Afdeling III. - Royering van de bewaarlijst en wijziging van de

behoudsvoorwaarden

Art. 220.§ 1. Indien vaststaat dat nieuwe omstandigheden sedert de datum van het besluit dat het goed inschrijft op de bewaarlijst de waarde van het goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, verminderen volgens de maatstaven vastgesteld in artikel 206, 1°, kan de Regering, na gunstig advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (474), een goed behorend tot het onroerende erfgoed van de bewaarlijst royeren of de bijzondere behoudsvoorwaarden waaraan het goed gebonden is, wijzigen.

De Regering stelt de procedure in hetzij op eigen initiatief, hetzij op voorstel van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (476), hetzij op aanvraag van : 1° het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het goed gelegen is;2° een vereniging zonder winstoogmerk die de handtekening verzameld heeft van honderd vijftig personen die ten minste achttien jaar oud zijn en hun woonplaats hebben in het Gewest.Deze vereniging moet het behoud van het erfgoed tot doel hebben en haar statuten moeten ten minste drie jaar voordien in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt zijn; 3° de eigenaar, wanneer hem een stedenbouwkundigevergunning of stedebouwkundig attest geweigerd is louter omdat zijn goed is ingeschreven op de bewaarlijst en aan bijzondere behoudsvoorwaarden gebonden is. § 2. De aanvraag tot royering van de bewaarlijst of tot wijziging van de bijzondere behoudsvoorwaarden wordt onderzocht volgens de vormen en procedures voorzien voor de inschrijving op de bewaarlijst. § 3. De in § 1, tweede lid, bedoelde overheden en personen aan wie de royering of de wijziging van de voorwaarden inzake behoud werd geweigerd, mogen geen nieuwe aanvraag indienen betreffende hetzelfde goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, tenzij andere nieuwe omstandigheden zich voorgedaan hebben. § 4. Het tot het onroerende erfgoed behorende goed dat van de lijst geroyeerd werd blijft ingeschreven in de inventaris. (478)

Art. 221.Wanneer een aanvraag tot bescherming ingediend wordt door een particulier die eigenaar is van een op de bewaarlijst ingeschreven goed, schrapt de Regering dit goed van de bewaarlijst aan het einde van de beschermingsprocedure.

In geval het goed niet in zijn geheel of gedeeltelijk beschermd zou worden, blijft het ingeschreven in de inventaris van het onroerend erfgoed. (480) HOOFDSTUK IV. - De bescherming Afdeling I. - Beschermingsprocedure

Art. 222.§ 1. De Regering beschermt de goederen die tot het onroerende erfgoed behoren en stelt, in voorkomend geval de afbakening van een vrijwaringszone vast. Zij zet de beschermingsprocedure in gang op eigen initiatief, op voorstel van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen of op verzoek van de eigenaar wanneer zijn goed ingeschreven is op de bewaarlijst. § 2. Na een gunstig advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen gekregen te hebben, zet de Regering bovendien de beschermingsprocedure in gang voor ieder goed dat tot het onroerende erfgoed behoort : 1° hetzij op verzoek van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het goed gelegen is;2° hetzij op verzoek van een vereniging zonder winstoogmerk die de handtekening ingezameld heeft van honderdvijftig personen die ten minste achttien jaar oud zijn en hun woonplaats hebben in het Gewest. Deze vereniging moet als sociaal doel het behoud van het erfgoed hebben en haar statuten moeten minstens drie jaar voordien in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt zijn; 3° op verzoek van de eigenaar wanneer zijn goed niet ingeschreven is op de bewaarlijst. De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de in het eerste lid bedoelde verzoeken. § 3. De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen brengt haar advies uit binnen de negentig dagen nadat zij hierom is verzocht.

Na het verstrijken van die termijn wordt het advies geacht ongunstig te zijn. (482)

Art. 223.§ 1. De Regering brengt haar besluit om de beschermingsprocedure in gang te zetten ter kennis van de gemachtigde ambtenaar. (484) Bovendien geeft zij er bij een ter post aangetekende brief kennis van aan : 1° de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (486);2° de gemeente;3° de eigenaar;4° de vereniging zonder winstoogmerk bedoeld in artikel 222, § 2, 2°;5° alle andere personen van wie de Regering het nuttig acht dat zij worden ingelicht. De kennisgeving neemt de in artikel 211 bedoelde vermeldingen over.

De kennisgeving aan de eigenaar die vermeld staat op de kadastrale legger en op het hierop vermelde adres wordt geacht geldig te zijn.

Wordt toegevoegd aan het besluit, een plan dat het monument, het geheel, het landschap of de archeologische vindplaats, elk met hun eventuele beschermingsperimeter, afbakent.

Het besluit van de Regering om de beschermingsprocedure in gang te zetten, wordt bovendien bij wege van vermelding in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. § 2. Binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing is de eigenaar verplicht hiervan kennis te geven aan de huurder, de bewoner en aan elke persoon die de eigenaar, huurder of bewoner zou hebben gelast of toegestaan om werken uit te voeren aan het goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, op straffe van hoofdelijk aansprakelijk te worden gesteld voor herstelling van het goed bevolen door de rechtbank krachtens artikelen 307 en 310. (488) Deze verplichting dient te worden vermeld in de akte van de kennisgeving van de beslissing. (490)

Art. 224.Binnen vijfenveertig dagen na de kennisgeving kan de eigenaar zijn opmerkingen betreffende het beschermingsontwerp bij een ter post aangetekende brief aan de Regering meedelen. Na het verstrijken van deze termijn, wordt de procedure voortgezet. (492)

Art. 225.§ 1. Binnen vijfenveertig dagen na de kennisgeving, moet het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het goed dat deel uitmaakt van het onroerende erfgoed gelegen is, zijn advies uitbrengen omtrent het beschermingsontwerp. Na het verstrijken van deze termijn, wordt de procedure voortgezet. § 2. Na het verstrijken van de termijn bedoeld in § 1, legt de Regering het beschermingsontwerp om advies voor aan de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen en geeft zij kennis van de eventuele opmerkingen van de eigenaar en van het advies van het college van burgemeester en schepenen.

De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen dient van advies binnen vijfenveertig dagen na de aanvraag. Na die termijn wordt de procedure voortgezet. (494)

Art. 226.De Regering neemt het beschermingsbesluit van het goed dat tot het onroerende erfgoed behoort uiterlijk binnen twee jaar te rekenen vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit om de beschermingsprocedure in gang te zetten of vanaf de kennisgeving ervan aan de eigenaar, indien deze eraan voorafgaat. Na deze termijn vervalt de procedure. (496)

Art. 227.Wanneer de aanvraag om inschrijving op de bescherming van de eigenaar uitgaat of wanneer ze, in het geval van mede-eigendom of van splitsing van het eigendomsrecht, unaniem gebeurt, kan de Regering, in plaats van de beslissing van de in artikel 223 bedoelde beschermingsprocedure te openen, het besluit tot bescherming rechtstreeks goedkeuren zoals voorzien in de artikelen 228 tot 230 na het advies van het college van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeente en van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen te hebben ingewonnen.

Het college van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeente geeft zijn advies binnen de negentig dagen na de aanhangigmaking van de aanvraag.

De Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen brengt haar advies uit binnen negentig dagen na de aanhangigmaking van de aanvraag. Eens deze termijn voorbij wordt het advies als ongunstig beschouwd. Wanneer het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen ongunstig is of als dusdanig beschouwd wordt, wordt de procedure voortgezet in naleving van de in de artikelen 223 tot 226 vastgelegde modaliteiten. (498)

Art. 228.Het beschermingsbesluit neemt de verplichte vermeldingen bedoeld in artikel 211 over. Het besluit stelt, in voorkomend geval rondom ieder beschermd goed een vrijwaringszone vast, waarvan het de grenzen bepaalt. Wordt toegevoegd aan het besluit, een plan dat het monument, het geheel, het landschap of de archeologische vindplaats, elk met hun eventuele beschermingsperimeter, afbakent. (500)

Art. 229.§ 1. De Regering brengt het beschermingsbesluit ter kennis van de gemachtigde ambtenaar.

Bovendien geeft de Regering binnen de termijn die zij bepaalt bij een ter post aangetekende brief kennis van dit besluit aan : 1° de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (502);2° de gemeente;3° de eigenaar;4° de vereniging zonder winstoogmerk bedoeld bij artikel 222, § 2, 2°;5° alle andere personen van wie de Regering het nuttig acht dat zij worden ingelicht. De kennisgeving aan de eigenaar die vermeld staat op de kadastrale legger en op het hierop vermelde adres, wordt geacht geldig te zijn. § 2. Binnen vijftien dagen na de kennisgeving van het beschermingsbesluit is de eigenaar verplicht hiervan kennis te geven aan de huurder, de bewoner en aan elke persoon die de eigenaar, huurder of bewoner zou hebben gelast of toegestaan om werken uit te voeren aan het goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, op straffe van aansprakelijk te worden gesteld voor de herstelling van het goed bevolen door de rechtbank krachtens artikelen 307 en 310. (504) Deze verplichting dient te worden vermeld in de akte van de kennisgeving van het beschermingsbesluit. (506)

Art. 230.Het beschermingsbesluit wordt tegelijk gezonden aan het Belgisch Staatsblad en aan het Kantoor voor Bewaring der Hypotheken.

Het wordt bindend de dag waarop het bij wege van vermelding wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Ten aanzien van de overheden en personen bedoeld in artikel 229, § 1, is het besluit bindend te rekenen van de kennisgeving ervan, indien deze aan de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad voorafgaat.

Het plan tot afbakening van de vrijwaringszone wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. Dit geldt eveneens voor het plan tot afbakening van het geheel, van het landschap of van de archeologische vindplaats. (508) Afdeling II. - Gevolgen van de bescherming

Art. 231.De artikelen 214, 217 en 218 zijn van toepassing op de gevolgen van de bescherming. (510)

Art. 232.Het is verboden : 1° een goed dat behoort tot het beschermde onroerende erfgoed gedeeltelijk of volledig af te breken;2° een dergelijk goed te gebruiken of het gebruik ervan zodanig te wijzigen dat het zijn waarde verliest volgens de maatstaven bepaald in artikel 206, 1°;3° in een dergelijk goed werkzaamheden uit te voeren zonder rekening te houden met bijzondere behoudsvoorwaarden;4° een goed dat behoort tot het beschermd onroerend erfgoed gedeeltelijk of volledig te verplaatsen, tenzij de materiële vrijwaring van het goed dit absoluut vereist en op voorwaarde dat de nodige garanties voor de afbraak, het overbrengen en de wederopbouw ervan op een geschikte plaats genomen zijn.(512)

Art. 233.De erfdienstbaarheden die ontstaan uit wets- of verordeningsbepalingen inzake de wegen- en bouwpolitie zijn niet van toepassing op de goederen van het beschermde onroerende erfgoed indien zij maatregelen ten gevolge kunnen hebben die verboden zijn uit hoofde van artikel 232. (514)

Art. 234.In afwijking van de artikelen 133 en 135 van de nieuwe gemeentewet en artikel 67 van het koninklijk besluit van 10 december 1970 houdende de Huisvestingscode, kan de burgemeester het gedeeltelijk of volledig afbreken van het beschermde goed niet bevelen zonder kennis te geven van zijn beslissing aan de Regering.

De beslissing van de burgemeester behoeft de goedkeuring van de Regering.

De beslissing van de burgemeester wordt van rechtswege uitvoerbaar als er binnen veertig dagen te rekenen vanaf de ontvangst van kennisgeving van de burgemeester geen tegenstrijdige beslissing uitgebracht werd.

Wanneer deze termijn volledig of deels binnen de schoolvakantieperioden valt, vervalt hij 30 dagen na de schoolvakantieperiode. (516)

Art. 235.Het goed behorende tot het beschermde onroerende erfgoed wordt automatisch opgenomen in de inventaris van het onroerend erfgoed. (518)

Art. 236.Alle gevolgen van de bescherming gelden voor de goederen die behoren tot het onroerende erfgoed waarvoor een beschermingsprocedure aan de gang is, tijdens de duur van die procedure en te rekenen vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het besluit tot het instellen van de beschermingsprocedure of de kennisgeving ervan aan de eigenaar, indien deze eraan voorafgaat. (520)

Art. 237.§ 1 In de vrijwaringszone bedoeld in artikel 228 zijn alle handelingen en werkzaamheden, die van die aard zijn dat ze het uitzicht op het goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, of vanaf dat goed wijzigen, gebonden aan het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, evenals aan het advies van de overlegcommissie. § 2. De Regering kan, na het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen te hebben ingewonnen, de lijst vaststellen van de handelingen en werken die, wegens hun gering omvang, geen advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen vereisen.

De handelingen en werken die zijn vrijgesteld van het voorafgaand advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, zijn eveneens vrijgesteld van de speciale regelen van openbaarmaking en van het advies van de overlegcommissie. (522)

Art. 238.Het beschermde goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, kan worden geïdentificeerd.

De Regering bepaalt de grafische vormgeving, de afmetingen en de plaats van de kentekens en borden die kunnen dienen om het beschermde goed te identificeren. (524) Afdeling III. - Procedure tot opheffing van de bescherming

Art. 239.§ 1. Indien vaststaat dat nieuwe omstandigheden sedert de datum van de ondertekening van het beschermingsbesluit de waarde van het goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, vermindert volgens de maatstaven vastgesteld in artikel 206, 1°, kan de Regering na gunstig advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen de bescherming van het goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, opheffen of de in artikel 228 bedoelde vrijwaringszone wijzigen.

De Regering stelt de procedure in hetzij op eigen initiatief, hetzij op voorstel van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen, hetzij op verzoek van : 1° het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het goed gelegen is;2° een vereniging zonder winstoogmerk die de handtekening verzameld heeft van honderdvijftig personen die ten minste achttien jaar oud zijn en hun woonplaats hebben in het Gewest.Deze vereniging moet het behoud van het erfgoed tot doel hebben en haar statuten moeten ten minste drie jaar voordien in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt zijn; 3° de eigenaar, wanneer hem een stedenbouwkundigevergunning of attest geweigerd is louter omdat zijn goed beschermd of zich in een vrijwaringszone bevindt. § 2. De aanvraag tot opheffing van de bescherming of tot wijziging van de vrijwaringszone is gebonden aan de speciale regels van openbaarmaking. De duur van het openbaar onderzoek wordt vastgesteld op vijftien dagen.

De procedure tot opheffing van de bescherming of tot wijziging van de vrijwaringszone wordt voortgezet volgens de vormen voorzien voor de bescherming.

Het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen wordt geacht ongunstig te zijn in geval van aanhouden stilzwijgen na het verstrijken van de in artikel 225, § 2.

De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de documenten die aan het openbaar onderzoek onderworpen zijn. § 3. De in § 1, lid 2, bedoelde overheden en personen aan wie de opheffing van de bescherming of de wijziging van de vrijwaringszone werd geweigerd, mogen geen nieuwe aanvraag indienen betreffende hetzelfde goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, tenzij andere nieuwe omstandigheden zich hebben voorgedaan. (526) HOOFDSTUK V. - Beheer, werken en toelagen

Art. 240.§ 1. Indien werken tot behoud in de zin van artikel 206, 2°, moeten worden uitgevoerd aan een beschermd goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, kan het Gewest en de gemeente die erbij betrokken zijn bijdragen in de kosten van deze werken, volgens de voorwaarden die door de Regering worden vastgesteld. § 2. Ingeval de eigenaar weigert de nodige werken bedoeld in § 1 te doen uitvoeren, kan het Gewest of de gemeente in zijn plaats treden.

De gemeente krijgt de toelagen die door het Gewest worden toegekend.

Bij gebrek aan overeenstemming met de eigenaar, kunnen het Gewest, de provincie of de gemeente de gedane kosten terugvorderen.

De terugbetaling van deze kosten wordt door het Bestuur gevraagd bij een ter post aangetekende brief.

Wanneer de eigenaar in gebreke van betaling blijft, kan de invordering van de kosten verder door de ontvanger van het bestuur van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behandeld worden. § 3. Wanneer het goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, eigendom is van een natuurlijke persoon of privaatrechtelijk rechtspersoon, kan die, in plaats van de werkzaamheden uit te voeren die nodig zijn voor het behoud van de integriteit van het goed eisen dat het Gewest zijn goed onteigent. Tenzij anders is overeengekomen tussen de betrokken partijen geldt de onteigening voor het gehele goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, ook al is het slechts voor een deel op de bewaarlijst ingeschreven of beschermd, voorzover het op de bewaarlijst ingeschreven of beschermde deel een wezenlijk bestanddeel van het onroerende erfgoed uitmaakt, en voor het terrein dat er noodzakelijk bij behoort. (528)

Art. 241.De Regering stelt de voorwaarden voor de toekenning van de in artikel 240 bedoelde toelage vast, de samenstelling van het dossier voor de toelageaanvraag, de procedure, alsmede de financiële bijdragen van het Gewest en de gemeente.

Bij het bepalen van de maatstaven die zij hanteert bij het verlenen van een toelage, kan de Regering erkenning houden met, ondermeer, de uitvoering van de werken volgens de vrijwaringsvoorschriften en de voorschriften van het door de Regering goedgekeurde bestek, de onderhoudswerken die in het verleden door de eigenaar werden uitgevoerd, de rechtspersoonlijkheid van de aanvrager, de inkomsten van de privé-eigenaar en met de mate waarin het beschermd goed toegankelijk is voor het publiek.

De Regering kan aan de toekenning van toelagen een terugbetalingsclausule verbinden, indien het goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, wordt verkocht of verhuurd binnen een door haar te bepalen termijn. (530) HOOFDSTUK VI. - Onteigening

Art. 242.De Regering kan, ofwel op eigen initiatief, ofwel op voorstel van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (532) of van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar het goed gelegen is, besluiten tot de onteigening ten algemenen nutte van een goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, en dat op de bewaarlijst is ingeschreven of beschermd is en waarvoor er gevaar zou bestaan voor afbraak of zware beschadiging. Op aanvraag van het college van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeente kan de Regering aan deze gemeente machtiging verlenen om onder dezelfde voorwaarden een dergelijk goed ten algemenen nutte te onteigenen. (534) HOOFDSTUK VII. - Opgravingen, peilingen en archeologische vondsten Afdeling I. - De personen die ertoe gemachtigd zijn opgravingen en

peilingen uit te voeren

Art. 243.§ 1. De Regering erkent, volgens de voorwaarden en procedure die ze vaststelt, de natuurlijke of rechtspersonen, publiek of privaat, die ertoe gemachtigd zijn opgravingen of peilingen uit te voeren. Het Gewest is van ambtswege erkend. § 2. De opgravingen en peilingen die niet zijn ondernomen bij toepassing van de artikelen 244 tot 246 mogen niet worden uitgevoerd zonder voorafgaande toelating van de Regering of haar afgevaardigde.

De toelating kan met name onderworpen worden aan voorwaarden die te maken hebben met de bevoegdheid van de aanvrager, met de in te zetten menselijke en technische middelen, met het bewijs van een akkoord met de eigenaar over de devolutie van de archeologische goederen en hun bewaargeving of met de verplichting tussentijdse verslagen over de stand van zaken op te maken en een eindeverslag dat binnen een welbepaalde termijn neergelegd moet worden.

Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarin de opgravingen of de peilingen zullen worden uitgevoerd, en de commissie worden, tegelijk met de aanvrager, ingelicht over de afgegeven toelatingen en over de desbetreffende voorwaarden. (536) Afdeling II. - De opgravingen en peilingen van openbaar nut

Art. 244.§ 1. De Regering kan verklaren dat het van openbaar nut is een vindplaats te bezetten om tot peilingen of opgravingen over te gaan.

Zij bepaalt de omstandigheden waarin tot deze handelingen kan worden overgegaan, bakent het terrein of de ruimte af die bezet moet worden en bepaalt de datum waarop de operaties zullen starten en de tijd die ze in beslag zullen nemen.

Van het besluit wordt kennisgegeven aan de eigenaar bij een ter post aangetekende brief.

Binnen vijf dagen na ontvangst van de kennisgeving brengt de eigenaar de huurder of de gebruiker van het onroerend goed ervan op de hoogte bij een ter post aangetekende brief. De aan de eigenaar gerichte kennisgeving vermeldt die verplichting.

De door het besluit bedoelde peilingen en opgravingen kunnen door het Gewest ondernomen worden binnen vijftien dagen na de kennisgeving van het besluit aan de betrokken eigenaar. § 2. Wanneer de peilingen of opgravingen archeologische goederen van uitzonderlijke waarde aan het licht brengen, kan de Regering het van openbaar nut verklaren de duur van de onder § 1 bedoelde termijn te verlengen voor een periode die ze vaststelt en die tegen dezelfde voorwaarden verlengbaar is, om over te gaan tot bijkomende peilingen of opgravingen en/of om de procedure tot inschrijving op de bewaarlijst of tot bescherming van de archeologische vindplaats te starten.

Van het besluit wordt kennis gegeven aan de eigenaar bij een ter post aangetekende brief. Binnen vijf dagen na ontvangst van de kennisgeving geeft de eigenaar hiervan kennis, per aangetekend schrijven, aan de huurder of gebruiker van het onroerend goed. De aan de eigenaar gerichte kennisgeving vermeldt die verplichting. § 3. Bij het verstrijken van de termijn om de opgravingen en peilingen uit te voeren moet de archeologische vindplaats hersteld worden in de staat waarin zij zich bevond vóór ertoe werd overgegaan, tenzij een procedure tot inschrijving op de bewaarlijst of tot bescherming van de vindplaats geopend werd. (538) Afdeling III. - De opgravingen en peilingen naar aanleiding van een

vergunningsaanvraag

Art. 245.§ 1. De afgifte van een stedenbouwkundige vergunning of van een verkavelingsvergunning kan worden onderworpen aan bijzondere voorwaarden die verbonden zijn aan de bescherming van het archeologisch erfgoed. § 2. Zij kan eveneens afhankelijk worden gemaakt van de voorwaarde om, voorafgaand aan of gelijktijdig met de tenuitvoerlegging van de vergunning, het Gewest of de gemeente de mogelijkheid te geven opgravingen of peilingen uit te voeren.

De vergunning bepaalt de voorwaarden waarin deze handelingen mogen worden uitgevoerd, bakent het terrein of de ruimte af die bezet moet worden en bepaalt de datum waarop de operaties zullen starten en de tijd die ze in beslag zullen nemen, zonder 21 dagen te overschrijden en, in voorkomend geval, de planning van de volgorde waarin de toegelaten opgravingen of peilingen en de handelingen en werken uitgevoerd moeten worden.

De termijn waarin de peilingen en opgravingen uitgevoerd moeten worden, wordt opgeschort wanneer ze niet haalbaar zijn door overmacht of door de schuld van de houder van de vergunning. Het Gewest of de gemeente geven kennis, aan de houder van de vergunning, op straffe van verval, van de feiten die de opschorting van bovengenoemde termijn rechtvaardigen, binnen een termijn van 5 dagen nadat ze zich hebben voorgedaan.

De aan de toegelaten handelingen en werken voorgeschreven voorafgaande peilingen en opgravingen kunnen ondernomen worden van zodra de vergunning afgegeven is. § 3. Wanneer de peilingen of opgravingen archeologische goederen van uitzonderlijke waarde aan het licht brengen, kan de Regering het van openbaar nut verklaren de onder § 2 bedoelde verrichtingen te verlengen, voor periode die ze vaststelt en die tegen dezelfde voorwaarden verlengbaar is, om over te gaan tot bijkomende peilingen of opgravingen en/of om de procedure tot inschrijving op de bewaarlijst of tot bescherming van de archeologische vindplaats te starten.

Van het besluit wordt kennisgegeven aan de houder van de vergunning bij een ter post aangetekende brief.

Binnen vijf dagen na ontvangst van de kennisgeving brengt de houder van de vergunning de eigenaar, de huurder of de gebruiker van het onroerend goed evenals elkeen die belast zou zijn geweest met de uitvoering van de door de vergunning bedoelde handelingen en werken ervan op de hoogte bij een ter post aangetekende brief. De aan de houder van de vergunning gerichte kennisgeving vermeldt die verplichting.

De stedenbouwkundige vergunningen of verkavelingsvergunningen waarvan de tenuitvoerlegging de volledige of gedeeltelijke vernieling van de archeologische goederen dreigt in te houden, worden opgeschort tijdens de aanvullende peilingen of opgravingen of voor de duur van de procedure tot inschrijving op de bewaarlijst of tot bescherming van de vindplaats. Wanneer de vindplaats ingeschreven of beschermd wordt, vervallen zij. § 4. Het Gewest en de gemeente hebben, van bij de indiening van de vergunningsaanvraag, toegang tot de vindplaats waar de handelingen en werken ondernomen moeten worden. Zij kunnen op eigen initiatief prospecties uitvoeren, tijdens het onderzoek van de aanvraag om vergunning, om de onder de §§ 1 en 2 bedoelde voorwaarden te bepalen. (540) Afdeling IV. - De archeologische vondsten

Art. 246 § 1. Elke ontdekking van archeologische goederen moet binnen de drie dagen door de vinder aan de eigenaar van de archeologische vindplaats en aan het Gewest worden medegedeeld en, in het geval van een ontdekking naar aanleiding van de tenuitvoerlegging van een stedenbouwkundige vergunning of van een verkavelingsvergunning, aan de houder van deze vergunning.

De archeologische goederen en hun vindplaats worden in hun toestand behouden, gevrijwaard van schade en vernielingen en toegankelijk gemaakt om het Gewest in staat te stellen de ontdekkingen te onderzoeken en over te gaan tot peilingen of opgravingen op de vindplaats gedurende een termijn die niet meer mag bedragen dan 21 dagen vanaf de verklaring.

De termijn waarin de peilingen en opgravingen uitgevoerd moeten worden, wordt opgeschort wanneer ze niet haalbaar zijn door overmacht of door de schuld van de eigenaar of van de houder van de vergunning.

Het Gewest geeft kennis, in het geval van een ontdekking naar aanleiding van de tenuitvoerlegging van een stedenbouwkundige vergunning, aan de houder van de vergunning, op straffe van verval, van de feiten die de opschorting van bovengenoemde termijn rechtvaardigen, binnen een termijn van 5 dagen nadat ze zich hebben voorgedaan. § 2. Wanneer de peilingen of opgravingen archeologische goederen van uitzonderlijke waarde aan het licht brengen, kan de Regering het van openbaar nut verklaren de onder § 1 bedoelde termijn verlengen voor een periode die ze vaststelt en die tegen dezelfde voorwaarden verlengbaar is, om over te gaan tot bijkomende peilingen of opgravingen en/of om de procedure tot inschrijving op de bewaarlijst of tot bescherming van de archeologische vindplaats te starten.

Van het besluit wordt kennisgegeven, bij een ter post aangetekende brief, aan de eigenaar van de vindplaats en, in het geval van een ontdekking tijdens de tenuitvoerlegging van de stedenbouwkundige vergunning of de verkavelingsvergunning, aan de houder van die vergunning.

Binnen vijf dagen na ontvangst van de kennisgeving brengt de eigenaar de huurder of de gebruiker van het onroerend goed ervan op de hoogte bij een ter post aangetekende brief en, in het geval van een ontdekking tijdens de tenuitvoerlegging van een stedenbouwkundige vergunning of een verkavelingsvergunning doet de houder van de vergunning dit bij elkeen die belast zou zijn geweest met de uitvoering van de door de vergunning bedoelde handelingen. De aan de houder van de vergunning gerichte kennisgeving vermeldt die verplichting. § 3. In het geval van toevallige ontdekkingen van archeologische goederen, tijdens de tenuitvoerlegging van een stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning, wordt de vergunning waarvan de tenuitvoerlegging de volledige of gedeeltelijke vernieling van de archeologische goederen dreigt in te houden, opgeschort tijdens de onder de §§ 1 en 2 bedoelde termijnen of voor de duur van de procedure tot inschrijving op de bewaarlijst of tot bescherming van de vindplaats. Wanneer de vindplaats ingeschreven of beschermd wordt, vervalt de vergunning. § 4. De archeologische vindplaats moet hersteld worden in de staat waarin zij zich bevond vóór het uitvoeren van de peilingen of opgravingen, tenzij een procedure tot inschrijving op de bewaarlijst of tot bescherming van de vindplaats geopend werd. (542) Afdeling V. - De vergoedingen

Art. 247.Schade voortvloeiend uit bij toepassing van de artikelen 244, 245, § 3, en 246, § 2, van openbaar nut verklaarde archeologische opgravingen en peilingen of uit het opschorten en het vervallen van de in de artikelen 245, § 3, en 246, § 3, bedoelde stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning moet worden vergoed.

De Regering bepaalt de vergoeding, en kent ze toe nadat de reclamant het bewijs van de opgelopen schade geleverd heeft. (544) Afdeling VI. - Het toezicht op de roerende archeologische goederen

Art. 248.De ontdekte of naar aanleiding van peilingen of opgravingen blootgelegde archeologische goederen worden aan het toezicht van het Gewest toevertrouwd tot aan hun definitieve devolutie. (546) Afdeling VII. - De toelagen

Art. 249.De Regering kan toelagen toekennen voor : 1° bodemonderzoek, peilingen en opgravingen;2° het maken of verspreiden van publicaties betreffende de bodemonderzoeken, peilingen, opgravingen en archeologische vondsten;3° de bescherming, het herstellen en het opwaarderen van de landschappen en archeologische goederen;4° de organisatie van colloquia, wetenschappelijke of populair-wetenschappelijke manifestaties gewijd aan de opgravingen en aan de archeologische vondsten. Het toekennen van toelagen kan gekoppeld worden aan de verplichting tussentijdse rapporten op te maken over de stand van zaken en een eindrapport neer te leggen binnen een welbepaalde termijn. (548) HOOFDSTUK VIII. - Bijzondere bepaling

Art. 250.Wanneer deze titel en een andere wettekst van toepassing zijn op een goed dat behoort tot het onroerende erfgoed, zijn de gevolgen en verplichtingen van beide van toepassing. (550) TITEL VI. - NIET-UITGEBATE BEDRIJFSRUIMTEN HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Art. 251.Voor de toepassing van deze titel dient te worden verstaan onder : 1° « niet-uitgebate ruimte » of « site » : een onroerend goed, al dan niet bebouwd, of een geheel van zulke goederen, met een totale grondoppervlakte van ten minste drie en een halve are, waarop een activiteit is uitgeoefend, en dat sedert ten minste één jaar niet meer wordt uitgebaat.Als het gaat over een kantoorgebouw bedraagt deze termijn ten minste tien jaar.

Een onroerend goed is een niet-uitgebate ruimte wanneer het niet gebruikt wordt of wanneer het gebruik ervan niet meer beantwoordt aan de mogelijkheden van de bebouwing.

Een onroerend goed is geen niet-uitgebate ruimte wanneer een nieuwe uitbating geen enkele andere voorafgaande verbouwing of verbetering zou vereisen, en wanneer het werkelijk en op actieve wijze te koop of te huur wordt aangeboden; het bewijs ervan moet door de eigenaar geleverd worden. 2° « activiteit » : elke activiteit, behalve het gebruik van een goed voor huisvesting, ongeacht of ze commercieel, industrieel, ambachtelijk, van een opslagbedrijf, administratief is, of tot de diensten-, kantoor-, zorgen-, ziekenhuis-, onderwijs- of een andere sector behoort, alsook de goederen die bestemd werden voor de activiteit of die daaraan bijkomstig waren met inbegrip van de huisvesting van het veiligheidspersoneel, de ambtswoning evenals de bijhorende groene en gemeenschappelijke sites.3° « rehabilitatie » : de werken die het mogelijk maken een site opnieuw esthetisch aantrekkelijk te maken en ervoor te zorgen dat deze direct geschikt is om wederom in gebruik te worden herbestemd of waar bouwwerken kunnen worden uitgevoerd met het oog op de herbestemming ervan.4° « herbestemming » : ofwel een nieuwe, daadwerkelijke en duurzame uitbating van de site ofwel het werkelijk en actief te koop of te huur aanbieden van een site die geschikt is om onmiddellijk en normaal te worden gebruikt op een daadwerkelijke en duurzame manier.5° « eigenaar » : de privaat- of publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon, houder van een eigendoms- of ander zakelijk recht op de site bedoeld onder 1° van dit artikel.6° « de Regie » : de Grondregie opgericht bij de ordonnantie van 8 september 1994 houdende oprichting van de « Grondregie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ».7° « de minimis-steun » : elke steunmaatregel die wordt toegekend binnen de voorwaarden van de Verordening nr.69/2001 (EG) van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de minimis-steun. 8° « onderneming » : iedere natuurlijke of rechtspersoon die goederen of diensten op de markt aanbiedt.(552)

Art. 252.De site wordt begrensd door het geheel van de kadastrale percelen waarop zich de onder artikel 251, 1° van deze ordonnantie bedoelde goederen bevinden. (554) HOOFDSTUK II. - De inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten

Art. 253.§ 1. De Regie maakt een globale inventaris op van de op het Brussels Hoofdstedelijk Grondgebied gelegen niet-uitgebate bedrijfsruimten en houdt die inventaris bij.

De Regering stelt de vorm van de inventaris van de niet uitgebate bedrijfsruimten vast en bepaalt de vermeldingen die erin moeten voorkomen. § 2. De Regie opent de procedure tot opname in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten : 1° op voorstel van de gemeente waarin het goed gelegen is;2° of op eigen initiatief. De Regie geeft kennis van de intentie tot opname van de site in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten bij een ter post aangetekende brief aan de eigenaar van de site evenals aan de betrokken gemeente. Tevens wordt in deze betekening vermeld dat de Regie van mening is dat een rehabilitatie van de site noodzakelijk is.

Binnen de 60 dagen na de kennisgeving kan de eigenaar bij een ter post aangetekende brief zijn bemerkingen aangaande de opname aan de Regie bezorgen; in voorkomend geval, voegt hij er een gedetailleerd voorstel bij tot rehabilitatie van de site, als dit nodig is, en tot de herbestemming ervan om zo, indien dat het geval is, het niet opnemen van de site in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimtene rechtvaardigen. Eens deze termijn overschreden wordt de eigenaar geacht geen opmerkingen te hebben wat betreft de opname van het goed in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten.

Binnen de 60 dagen na de kennisgeving brengt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waarin het goed gelegen is advies uit over de opname. Eens deze termijn overschreden wordt de gemeente geacht geen opmerkingen te hebben wat betreft de opname van het goed in de inventaris van de niet-uitbegate bedrijfsruimten.

De beslissing tot opname in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten moet door de Regering genomen worden binnen het jaar na de kennisgeving aan de eigenaar van hogerop bedoeld voorstel tot opname. Als opmerkingen gericht werden tot de Regie, zal de Regering daarop antwoorden in de motivering van haar beslissing tot opname in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten. De beslissing tot opname van de site in de inventaris preciseert tevens of de rehabilitatie van de site noodzakelijk is.

Indien de Regering niet overgaat tot de opname van de site in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten binnen het jaar na de kennisgeving aan de eigenaar van de intentie tot opname kan de Regering niet overgaan tot de inschrijving zonder de gehele procedure te herbeginnen.

Binnen de dertig dagen na de opname van een site in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten geeft de Regering kennis van haar beslissing, bij een ter post aangetekende brief, aan de eigenaar, aan de Regie en aan de gemeente waarin het goed gelegen is. § 3. De Regering stelt de modaliteiten van de opname in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten vast, evenals die van de raadpleging van de informatie die erin is opgenomen. (556) HOOFDSTUK III. - Rehabilitatie en herbestemming

Art. 254.§ 1. De eigenaar van een in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten opgenomen site moet overgaan tot de rehabilitatie van de site en, indien nodig tot de herbestemming.

Daartoe kan de Regie tussenkomen om de eigenaars van de in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten opgenomen sites te helpen om deze te rehabiliteren en/of te herbestemmen, en dit, zoals in de volgende paragrafen uiteengezet is. § 2. De Regie onderzoekt het gedetailleerd voorstel tot rehabilitatie, als dit nodig is en tot herinrichting van de site dat haar door de eigenaar werd overgemaakt of tijdens de onder artikel 253 bedoelde procedure tot opname in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten of later. In voorkomend geval, wanneer het om een complex project gaat, stelt de Regie een begeleidingscomité aan dat belast wordt met het onderzoek van de uitvoerbaarheid van het project op het vlak van stedenbouw, milieu en financiën.

De Regering bepaalt de samenstelling en de regels voor de werking van het begeleidingscomité. § 3. De Regie of het begeleidingscomité formuleren desgevallend voorstellen tot aanpassing of tot wijziging van het project.

Wanneer het rehabilitatieproject en/of herbestemmingsproject is goedgekeurd, naargelang het geval door de Regie of door het begeleidingscomité, wordt aan de eigenaar voorgesteld de voor de realisatie van zijn project noodzakelijke vergunningen aan te vragen en wordt deze, op zijn aanvraag, bijgestaan bij het nemen van de nodige stappen tot het verkrijgen van de nodige toelatingen. § 4. Wanneer de eigenaar van een in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten opgenomen site geen gedetailleerd voorstel tot rehabilitatie en/of herbestemmingsproject van zijn site aan de Regie mededeelt, neemt deze laatste contact met hem op om hem voor te stellen met hem een dergelijk voorstel uit te werken.

Wanneer de eigenaar hiermee instemt, duidt de Regie een projectontwerper aan en wordt desgevallend een begeleidingscomité aangesteld. De Regie stelt de eigenaar een rehabilitatieproject en/of herbestemmingsproject voor.

Wanneer de eigenaar het rehabilitatievoorstel van de Regie aanvaardt, stelt deze laatste hem voor de voor de realisatie van het project noodzakelijke vergunningen aan te vragen en wordt deze, op zijn aanvraag, bijgestaan bij het nemen van de nodige stappen tot het verkrijgen van de vereiste toelatingen. § 5. Wanneer een site een gedeelde eigendom is, zal aan de eigenaars gevraagd worden een gemachtigde aan te duiden die belast zal zijn met de betrekkingen met de Regie. § 6. De Regering bepaalt de procedures, voorwaarden en modaliteiten inzake de tussenkomsten van de Regie waaronder meer bepaald de voorwaarden en de modaliteiten voor evaluatie en tenlasteneming door de Regie van de vaststellingskost van een project voor rehabilitatie en/of herinrichting van een site en van de eventuele terugbetaling van deze financiële hulp. (558)

Art. 255.Indien de geplande bestemming(en) niet strookt/stroken met deze van het geldend bijzonder bestemmingsplan, kan de Regering beslissen het plan te wijzigen overeenkomstig artikel 54 alinea 1, 2°. (560)

Art. 256.§ 1. Wanneer de rehabilitatiewerken aan de site uitgevoerd zijn, geeft de eigenaar kennis aan de Regie van het proces-verbaal van hun voorlopige oplevering.

Binnen de dertig dagen na ontvangst van deze kennisgeving, maakt de Regie één van de volgende stukken op : 1° hetzij een proces-verbaal van vaststelling van de rehabilitatie;2° hetzij een proces-verbaal van onvermogen. De Regie geeft, binnen de dertig dagen na datum, kennis van het proces-verbaal van vaststelling van de rehabilitatie of van het proces-verbaal van onvermogen bij een ter post aangetekende zending.

Een kopie van het proces-verbaal wordt tegelijkertijd ter informatie overgemaakt aan de betrokken gemeente.

Het proces-verbaal tot vaststelling van de rehabilitatie wordt bij de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten gevoegd. Het proces-verbaal tot vaststelling van de rehabilitatie houdt van ambtswege de opheffing in van de belasting zoals voorzien onder artikel 295, § 1. § 2. Wanneer de herbestemming van de site een feit is, geeft de eigenaar hiervan kennis aan de Regie.

Binnen de dertig dagen na ontvangst van deze kennisgeving, maakt de Regie één van de volgende stukken op : 1° hetzij een proces-verbaal van vaststelling van de herbestemming;2° hetzij een proces-verbaal van onvermogen. De Regie geeft, binnen de dertig dagen na datum, kennis van het proces-verbaal van vaststelling van de herbestemming of van het proces-verbaal van onvermogen bij een ter post aangetekende zending.

Een kopie van het proces-verbaal wordt tegelijkertijd ter informatie overgemaakt aan de betrokken gemeente.

Het proces-verbaal tot vaststelling van de herbestemming van de site leidt tot het schrappen van deze uit de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten op datum van de herbestemming. (562) HOOFDSTUK IV. - Onteigening

Art. 257.De rehabilitatie en de herbestemming van de sites ingeschreven in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten zijn geacht van openbaar nut te zijn.

De Regering kan de onteigening verordenen van alle goederen of delen ervan die gelegen zijn in een in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten opgenomen site evenals van belendende percelen die nodig zijn voor de rehabilitatie en/of herbestemming van de site.

De onteigening verloopt volgens de regels voorzien in de wet van 26 juli 1962Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/07/1962 pub. 26/02/2010 numac 2010000080 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte. (564) TITEL VII. - HET VOORKOOPRECHT HOOFDSTUK I. - Algemeen

Art. 258.Voor de toepassing van deze titel wordt begrepen onder : 1° Woningen van het sociale type : woningen waarvan de huur of de verkoop bestemd is voor een bevolkingsgroep waarvan de inkomens geen 20 % hoger zijn dan deze die recht geven op een sociale woning.2° Aan het voorkooprecht onderhevige perimeter : de door de Regering vastgelegde perimeter die de verschillende onroerende goederen omvat die zijn onderworpen aan het door deze titel ingevoerde voorkooprecht.3° Grondregie : de Grondregie die werd opgericht door de ordonnantie van 8 september 1994 houdende de oprichting van de Grondregie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.4° Prioritaire voorkooprechthebbende overheid : de voorkooprechthebbende overheid die, van de verschillende voorkooprechthebbende overheden die hun beslissing te kennen hebben gegeven om hun voorkooprecht uit te oefenen, het best geplaatst is volgens de orde van prioriteit, bepaald door de Regering in het besluit ter bepaling van de aan het voorkooprecht onderhevige perimeter.(566)

Art. 259.De krachtens deze titel ingevoerde voorkooprechten worden uitgeoefend in het algemeen belang, met het oog op : 1. de realisatie van voorzieningen van collectief belang en van openbaar nut die onder de bevoegdheden van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vallen;2. de bestrijding van de leegstand en de onbewoonbaarheid van gebouwen;3. het behoud of de opwaardering van het op de bewaarlijst ingeschreven of beschermde erfgoed;4. de realisatie van woningen van het sociale type.(568) HOOFDSTUK II. - De aan het voorkooprecht onderhevige perimeter

Art. 260.Elke aan het voorkooprecht onderhevige perimeter wordt bepaald door de Regering uit eigen beweging of op aanvraag van een van de onder artikel 262 vermelde voorkooprechthebbende overheden.

In dat laatst geval beslist de Regering binnen de zestig dagen vanaf de neerlegging bij de post van de aanvraag van de voorkooprechthebbende overheid. Bij ontstentenis van beslissing binnen die termijn kan de voorkooprechthebbende overheid die de aanvraag geformuleerd heeft een herinnering richten aan de Regering. Indien de Regering, na het verstrijken van een nieuwe termijn van 30 dagen, geen beslissing genomen heeft, wordt de aanvraag beschouwd als zijnde geweigerd.

Het besluit van de Regering wordt speciaal met redenen omkleed wat één of meerdere van de in artikel 259 bedoelde doelstellingen van algemeen nut betreft.

Het Regeringsbesluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het wordt in zijn geheel betekend aan elke eigenaar wiens goed is gelegen in de aan het voorkooprecht onderhevige perimeter. Een uittreksel ervan wordt overgenomen in het register van de hypotheekbewaring.

De Regering bepaalt de toepassingsmodaliteiten van onderhavig artikel, met inbegrip van het model van de aanvraag en van de herinneringsbrief. (570)

Art. 261.Het besluit ter bepaling van de aan het voorkooprecht onderhevige perimeter stipuleert de geldigheidsduur ervan, die niet meer dan zeven jaar mag bedragen met ingang vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

De Regering kan, onder dezelfde voorwaarden als deze die gelden voor de invoering ervan, één keer het besluit ter bepaling van de aan het voorkooprecht onderhevige perimeter verlengen voor een maximumduur van vijf jaar, het wijzigen of opheffen.

De omstandigheden die de wijziging, verlenging of opheffing van de aan het voorkooprecht onderhevige perimeter verantwoorden, worden met speciale redenen omkleed in het besluit, aan de hand van de in artikel 259 vastgelegde doelstellingen van openbaar nut.

Het Regeringsbesluit ter verlenging, wijziging of opheffing van de aan het voorkooprecht onderhevige perimeter wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het wordt in zijn geheel betekend aan elke eigenaar wiens goed is gelegen in de aan het voorkooprecht onderhevige perimeter.

Het besluit ter verlenging van de aan het voorkooprecht onderhevige perimeter moet 6 maand vóór het verstrijken van de perimeter die het verlengt, worden goedgekeurd.

Het besluit ter wijziging van de aan het voorkooprecht onderhevige perimeter houdt op te gelden op dezelfde dag als het aanvankelijk besluit. (572) HOOFDSTUK III. - De houders van het voorkooprecht

Art. 262.De voorkooprechthebbende overheden die de Regering kan aanstellen in het besluit ter bepaling van de aan het voorkooprecht onderhevige perimeter zijn : 1. het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dat handelt voor eigen rekening of voor rekening van een instelling van openbaar nut dat ervan afhangt en dat niet bedoeld is onder 3, 4 en 5;2. de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, die handelen voor eigen rekening of voor rekening van hun openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;3. de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;4. de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij die handelt voor eigen rekening, voor rekening van een openbare vastgoedmaatschappij, bedoeld door de ordonnantie van 9 september 1993 ter wijziging van de Wooncode voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en aangaande de sector van de sociale woningen of voor rekening van het woningfonds van de gezinnen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;5. de Gewestelijke Havenmaatschappij van Brussel. Wanneer het besluit ter bepaling van de aan het voorkooprecht onderhevige perimeter meerdere voorkooprechthebbende overheden aanduidt, bepaalt het hun orde van prioriteit.

De Regering bepaalt de uitvoeringsmodaliteiten van dit artikel, met inbegrip van de modaliteiten volgens dewelke het Gewest, de gemeenten en de Brusselse Gewestelijke Huisvestingsmaatschappij het voorkooprecht uitoefenen voor rekening van de hogerop aangeduide personen die geen rechtstreekse voorkoopbevoegdheid hebben. (574) HOOFDSTUK IV. - De uitoefening van het voorkooprecht Afdeling I

De aan het voorkooprecht onderworpen vastgoedoperaties

Art. 263.Wanneer een voorkooprecht is bepaald overeenkomstig de onderhavige titel, dan is dat van toepassing op alle overdrachten, tegen vergoeding, van de volle eigendom van onroerende goederen of delen van onroerende goederen, al dan niet bebouwd.

Vallen niet onder het toepassingsgebied van deze titel : 1° de overdrachten van onverdeelde rechten tussen mede-eigenaars en de verdelingen;2° eigendomsoverdrachten tussen echtgenoten of samenwonenden evenals tussen bloed- en aanverwanten tot in de derde graad;3° de verkoop van onroerende goederen die als nieuw worden beschouwd krachtens het Wetboek van de Belasting op de Toegevoegde Waarde;4° ruiloperaties met of zonder opleg;5° de overdracht van onroerende goederen in uitvoering van een verkoopbelofte die is opgenomen in een huurkoopcontract voor onroerende goederen, voorzover dat contract een vaste dagtekening stipuleert op de datum van inwerkingtreding van het besluit ter bepaling van de aan het voorkooprecht onderhevige perimeter die erop betrekking heeft;6° de goederen die het voorwerp uitmaken van een besluit dat hun onteigening afkondigt ten algemenen nutte;7° de goederen van het openbaar of privé-domein van de federale staat van de gewesten, van de gemeenten, van de krachtens Titel III van de grondwet ingestelde gemeenschapscommissies en van de onder artikel 262 vermelde voorkooprechthebbende overheden.8° de overdracht van onroerende goederen ingevolge fusies, splitsingen, liquidaties van ondernemingen, of ingevolge de verkoop aan ondernemingen waarvan de verkoper of zijn/haar echtgeno(o)t(e), alleen of met bloed- of aanverwanten tot in de derde graad, minstens vijftig percent van de maatschappelijke aandelen bezit;9° de overdracht van goederen binnen drie jaar na de afgifte van een stedenbouwkundig attest of vergunning;10° de vestiging van een lijfrente;11° de overdrachten aan een van de in het besluit tot vaststelling van de aan het voorkooprecht onderhevige perimeter aangeduide voorkooprechthebbende overheden;12° het uitoefenen van een ontstaan contractueel voorkooprecht met een vaste dagtekening op de dag van de bekendmaking van het besluit ter bepaling van de aan het voorkooprecht onderhevige perimeter.(576)

Art. 264.Het voorkooprecht is uitsluitend van toepassing op de overdrachten die tot stand zijn gekomen na de inwerkingtreding van het besluit ter bepaling van de aan het voorkooprecht onderhevige perimeter.

Wanneer het besluit tot vaststelling van de aan het voorkooprecht onderhevige perimeter ophoudt te werken, beschik(t)(ken) de eigenaar(s) van de binnen deze perimeter gelegen onroerende goederen vrij over zijn (hun) goed, tenzij de prioritair voorkooprechthoudende overheid vóór deze datum van zijn aanvaarding van de overdrachtprijzen Ben voorwaarden, overeenkomstig artikel 267, heeft kennisgegeven. (578) Afdeling II. - De onderhandse overdracht

Art. 265.Iedere schriftelijke of mondelinge overeenkomst die betrekking heeft op een overeenkomstig artikel 263 aan het voorkooprecht onderworpen overdracht wordt onweerlegbaar geacht te zijn gesloten onder de opschortende voorwaarde van de niet-uitoefening van het voorkooprecht dat krachtens deze titel is uitgevoerd.

De notaris die belast is met het verlijden van de authentieke akte, dient uiterlijk twee maand vóór het verlijden van de authentieke akte aan de Regie een kopie te betekenen van het compromis of van het ontwerp van akte van overdracht. Bij ontstentenis zal de notaris een administratieve boete van 10.000 euro worden opgelegd.

De Regering bepaalt de toepassingsmodaliteiten van dit artikel, met inbegrip van de informatie die bij het compromis of het ontwerp van akte van overdracht moet worden gevoegd. (580)

Art. 266.Binnen de acht dagen na de betekening in toepassing van artikel 265, bezorgt de Regie de notaris een bewijs van ontvangst, op voorwaarde dat het dossier volledig is, en maakt zij tegelijkertijd een kopie ervan over aan de houders van het voorkooprecht in de aan het voorkooprecht onderhevige perimeter.

Indien het dossier niet volledig is, deelt de Regie dit binnen dezelfde termijn mee aan de notaris, met indicatie van de ontbrekende elementen. Binnen de acht dagen na de ontvangst van de ontbrekende elementen geeft de Regie het bewijs van ontvangst af en maakt tegelijkertijd een kopie van het volledige dossier over aan de houders van het voorkooprecht in de aan het voorkooprecht onderhevige perimeter.

Bij ontstentenis van een bewijs van ontvangst of betekening van het onvolledige karakter van het dossier binnen de voornoemde termijnen, wordt het dossier verondersteld volledig te zijn en kan de verkoper of de notaris niet meer het onvolledige karakter van het dossier worden verweten. (582)

Art. 267.Elke houder van het voorkooprecht richt, uiterlijk binnen twee maanden na de betekening van een volledig of als volledig beschouwd dossier door de notaris, aan de verkoper en aan de Regie een document met daarin : 1. hetzij zijn beslissing om af te zien van de uitoefening van zijn voorkooprecht aan de in het dossier vermelde prijs en voorwaarden;2. hetzij zijn beslissing om gebruik te maken van zijn voorkooprecht aan de prijs en tegen de voorwaarden die vermeld staan in het dossier. Het uitblijven van een betekening van een houder van het voorkooprecht binnen de vastgelegde termijn geldt als een afstand van de uitoefening van het voorkooprecht. (584)

Art. 268.§ 1. Wanneer één of meerdere houders van het voorkooprecht hun voorkooprecht uitoefenen binnen de wettelijke termijn, betekent de Grondregie, binnen de acht dagen na het verstrijken van die termijn, aan de notaris, aan de verkoper en aan de verschillende houders van het voorkooprecht die hun voorkooprecht hebben uitgeoefend, de identiteit van de prioritaire voorkooprechthebbende overheid.

Het aanvaarden door de prioritaire voorkooprechthebbende overheid van de in de overeenkomst of in de onderhandse akte vermelde prijs en voorwaarden, geldt als overdracht.

De authentieke akte wordt opgesteld binnen een termijn van vier maanden na de overdracht.

De overdracht van de eigendom van het goed en de betaling van de prijs geschieden pas bij het ondertekenen van de authentieke akte. § 2. Wanneer geen enkele van de houders van het voorkooprecht te kennen heeft gegeven zijn voorkooprecht binnen de wettelijke termijn te willen uitoefenen, brengt de regie de verkoper hiervan op de hoogte.

De verkoper beschikt vrij over zijn goed voor zover de prijs van de overdracht niet lager is dan de prijs die voorkomt in het overeenkomstig artikel 265 betekend dossier. 586) Afdeling III. - De openbare verkoop

Art. 269.§ 1. In geval van een openbare toewijzing betekent de instrumenterende notaris uiterlijk één maand vóór de eerste zitting aan de Regie het lastenboek van de openbare verkoop.

Binnen de acht dagen na die betekening bezorgt de Regie het lastenboek aan de houders van het voorkooprecht met vermelding van de datum van de eerste zitting, waarop de houders van het voorkooprecht worden uitgenodigd.

De notaris en de regie zijn van deze verplichtingen ontslagen wanneer het besluit tot vaststelling van de aan het voorkooprecht onderhevige perimeter inwerking treedt binnen de maand die aan de eerste zitting voorafgaat. § 2. De instrumenterende notaris gaat over tot de veiling en vraagt openbaar, aan het eind van de zitting en vóór de toewijzing, of één van de houders van het voorkooprecht zijn recht wil uitoefenen tegen de prijs van het laatste bod.

In geval van een nieuwe zitting ingevolge de uitoefening van het recht op opbod, dient dezelfde vraag openbaar te worden gesteld op de desbetreffende zitting.

Het goed wordt toegewezen aan de best geplaatste houder van het voorkooprecht in orde van prioriteit die verklaart zijn voorkooprecht uit te oefenen tegen de prijs van het laatste bod of opbod. § 3. De houder van het voorkooprecht die tijdens de zitting van de openbare verkoop niet verklaart gebruik te willen maken van zijn recht, wordt verondersteld ervan af te zien.

Indien wordt afgezien van het gebruik van het voorkooprecht, verloopt de verkoop verder overeenkomstig de regels houdende de openbare verkopingen. (588) Afdeling IV. - De onteigening

Art. 270.De voorkooprechthebbende overheden die met het oog op de realisatie van hun opdracht onteigeningsbevoegdheid hebben en die in het besluit tot vaststelling van de aan het voorkooprecht onderhevige perimeter aangesteld zijn, kunnen overgaan tot de onteigening van de in deze perimeter opgenomen onroerende goederen voor de doelstellingen van openbaar nut die de goedkeuring ervan hebben gerechtvaardigd. (590)

Art. 271.Voor de berekening van de waarde van het onteigend onroerend goed, wordt geen rekening gehouden met : -de meerwaarde of minderwaarde die voortvloeit uit één of meerdere tussenkomsten ten algemenen nutte die de bepaling van de desbetreffende aan het voorkooprecht onderhevige perimeter verantwoord hebben; - de waardevermeerdering van het goed als gevolg van verbouwingswerken die werden uitgevoerd in strijd met de wettelijke en verordenende stedenbouwkundige bepalingen. (592)

Art. 272.De voorkooprechthebbende overheid die de onder artikel 270 bedoelde onteigeningsprocedure heeft ingeleid is ertoe gemachtigd ze voort te zetten tot na de datum waarop het besluit tot invoering van de aan het voorkooprecht onderhevige perimeter ophoudt te gelden. (594) HOOFDSTUK V. - Formaliteiten en vordering tot nietigverklaring

Art. 273.De kennisgevingen, aanvragen, offertes en beslissingen van de houders van het voorkooprecht, van de Regie, van de verkopers en de notarissen uitgevoerd bij toepassing van deze Titel worden, op straffe van nietigheid, betekend bij een ter post aangetekend schrijven met bewijs van ontvangst. (596)

Art. 274.De verwezenlijking van een overdracht in strijd met het voorkooprecht van een voorkooprechthebbende overheid geeft het recht om de nietigheid van de verkoop te vorderen voor elke benadeelde houder van het voorkooprecht.

Dat recht verjaart één jaar na de datum van de registratie van de akte van overdracht van het desbetreffende goed. (598) TITEL VIII. - INLICHTINGEN EN INFORMATIE HOOFDSTUK I. - Stedenbouwkundige inlichtingen

Art. 275.De gemeenten zijn gehouden aan degenen die erom verzoeken binnen dertig dagen de stedenbouwkundigeinlichtingen te verstrekken over de gewestelijke of gemeentelijke verordenende bepalingen betreffende een goed.

Deze inlichtingen vermelden onder meer : 1° de door deze verordenende bepalingen voorziene bestemming;2° in voorkomend geval, de voorwaarden waaraan een bouwproject moet voldoen;3° of, volgens de gemeente, het onroerend goed opgenomen is in een onteigeningsplan en, zo ja, de onteigenende instantie en de datum van het besluit tot goedkeuring van deze onteigening;4° of het gebouw gelegen is binnen de grenzen van een aan het voorkooprecht onderhevige perimeter en, in dat geval, de aanduiding van de voorkooprechthebbende overheid(heden) met haar (hun) orde van prioriteit en de datum van het besluit tot vaststelling van de grenzen van deze perimeter;5° of het gebouw ingeschreven staat op de bewaarlijst of beschermd is of waarvoor de procedure tot inschrijving of bescherming (600) lopende is;6° of het gebouw opgenomen is in de invenatirs van de niet-uitgebate bedrijfsruimten. De gemachtigde ambtenaar is gehouden dezelfde stedenbouwkundigeinlichtingen te verstrekken aan de in artikel 175 bedoelde publiekrechtelijke rechtspersonen. (602)

Art. 276.De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de in artikel 275 bedoelde stedenbouwkundigeinlichtingen. (604) HOOFDSTUK II. - Mededeling van inlichtingen en documenten inzake planning en stedenbouw

Art. 277.De gemeenten zijn gehouden aan wie erom verzoekt, afschriften of uittreksels van de in titel II bedoelde plannen en de bijhorende voorschriften, de niet-vervallen verkavelingsvergunningen, de rooiplannen en de stedenbouwkundige verordeningen te verstrekken evenals van de aan het voorkooprecht onderhevige perimeters alsook de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten. (606)

Art. 278.De gemeenten zijn gehouden informatie te verstrekken over de ingediende attest- en vergunningsaanvragen en over de inhoud van de verleende vergunningen en attesten.

De Regering bepaalt de elementen van het dossier waarvan de gemeenten kopieën moeten afleveren. (608)

Art. 279.De Regering stelt de nadere regels voor de toepassing van dit hoofdstuk vast. (610) HOOFDSTUK III. - De publiciteit voor de verkoop en de verhuring

Art. 280.In de reclame voor de verkoop of de verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed of het vestigen van een recht van erfpacht of opstal, moet de notaris de meest recente en de meest nauwkeurige stedenbouwkundigebestemming van die goederen ondubbelzinnig aangeven met gebruik van de benamingen voorzien in de verschillende bestemmingsplannen.

De notaris dient tevens melding te maken van de afgegeven stedenbouwkundigevergunningen verkavelingsvergunningen en stedenbouwkundigeattesten die op de te verkopen goederen betrekking hebben evenals het eventuele verval ervan evenals het eventuele bestaan van een voorkooprecht. Hij preciseert of de te verkopen goederen opgenomen zijn in een aan het voorkooprecht onderworpen perimeter, of ze het voorwerp zijn van een beschermingsbesluit of een inschrijving op de bewaarlijst, een besluit tot instelling van de procedure tot bescherming of inschrijving op de bewaarlijst of een besluit tot inschrijving in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten. (612)

Art. 281.ledereen die voor eigen rekening of als tussenpersoon een goed verkoopt, verhuurt, een erfpacht of een opstalrecht overdraagt, moet in de hieraan verbonden reclame de meest recente en de meest nauwkeurige stedenbouwkundigebestemming van dit goed ondubbelzinnig aangeven met gebruik van de benamingen voorzien in de verschillende bestemmingsplannen en, in voorkomend geval, overeenkomstig artikel 110. Hij/Zij preciseert of het goed opgenomen is in een aan het voorkooprecht onderworpen perimeter, of ze het voorwerp zijn van een beschermingsbesluit of een inschrijving op de bewaarlijst, een besluit tot instelling van de procedure tot bescherming of inschrijving op de bewaarlijst of een besluit tot inschrijving in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten.(614) TITEL IX. - FISCALE MAATREGELEN HOOFDSTUK I. - Taksen op de niet-bebouwde percelen Art. 282 § 1. De gemeenten kunnen buiten de opcentiemen op de onroerende voorheffing : 1. een jaarlijkse belasting heffen op de niet bebouwde percelen, begrepen in een niet vervallen verkaveling;2. een jaarlijkse belasting heffen op de niet bebouwde gronden, gelegen in het woongebied van een door de Regering goedgekeurd of vastgesteld bestemmingsplan en palende aan een openbare weg die, gelet op de plaatselijke toestand, voldoende is uitgerust. De goedkeuring van de desbetreffende gemeenteverordeningen valt onder toepassing artikel 13 van de ordonnantie van 14 mei 1998 houdende regeling van het administratief toezicht op de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. § 2. Ontheven zijn : a) van de in § 1, 1, bedoelde belasting, zij die eigenaar zijn van één enkel onbebouwd perceel bij uitsluiting van enig ander onroerend goed;b) van de in § 1, 2, bedoelde belasting, zij die eigenaar zijn van één enkele onbebouwde grond bij uitsluiting van enig ander onroerend goed;c) van de ene en de andere belasting, de gewestelijke en plaatselijke maatschappijen voor volkswoningbouw. De in letters a) en b) verleende ontheffing geldt slechts gedurende de vijf dienstjaren die volgen op de verwerving van het goed. Ze geldt gedurende de vijf dienstjaren die volgen op de inwerkingtreding van de belastingverordening, indien het goed op dat tijdstip reeds verworven is. § 3. De in § 1, 1, bedoelde belasting wordt niet geheven van de percelen die ingevolge de bepalingen van de wet op de landpacht, thans niet voor bebouwing kunnen worden bestemd.

De in § 1, 2, bedoelde belasting wordt niet geheven van de gronden waarop krachtens een overheidsbeslissing niet mag worden gebouwd, of wanneer daarop niet kan worden gebouwd, of wanneer de gronden werkelijk voor land- en tuinbouw worden gebruikt. (616) HOOFDSTUK II. - taksen op de ruimten opgenomen in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten

Art. 283.§ 1 De sites die opgenomen zijn in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten (618) zijn onderworpen aan een belasting die geheven wordt door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Vanaf het moment dat het Gewest effectief de sites belast bij toepassing van artikel 284, § 1, mogen de gemeenten uit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op deze goederen geen belastingen meer heffen die verschuldigd zijn wegens hun niet-uitbating.

De alzo door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest geïnde belasting wordt verdeeld tussen het Gewest en de gemeente waarin de site gelegen is waarbij 80 % naar de gemeente gaat en 20 % naar het Gewest. § 2 De belasting wordt hoofdelijk omgeslagen over de eigenaars van een site die, deels of volledig, de rehabilitatie en de herbestemming van de beschouwde site kunnen realiseren. Evenwel, wanneer het zakelijk recht slechts op een deel van de site slaat, waarvan de grondoppervlakte bepaalbaar is, zal de hoofdelijkheid van de houder ervan beperkt worden tot het aandeel van zijn recht in de totale oppervlakte van de site. § 3 De Regering legt de modaliteiten vast voor de teruggave van het deel van de belastingen dat aan de gemeenten toekomt. (620)

Art. 284.§ 1 Elke, in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten opgenomen site is aan de belasting onderworpen vanaf 1 januari van het kalenderjaar dat volgt op een termijn van 12 maand na de opname van de site in de inventaris. § 2 De in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten opgenomen sites zijn het voorwerp van een jaarlijkse belasting berekend op basis van het aantal m2 grondoppervlakte. Wanneer de site gebouwen omvat, wordt het aantal m2 grondoppervlakte van het gebouw vermenigvuldigd met het aantal bovengrondse verdiepingen. De som bedraagt : 1° twaalf euro per vierkante meter grondoppervlakte voor de eerste duizend vierkante meter;2° tien euro per vierkante meter grondoppervlakte voor de schijf van duizend en één tot tienduizend vierkante meter;3° acht euro per vierkante meter grondoppervlakte vanaf tienduizend vierkante meter. § 3 De hogerop voorziene bedragen worden jaarlijks aangepast aan de index van de consumptieprijzen van het Rijk. Deze aanpassing wordt bekomen door middel van de coëfficiënt die het resultaat is van de deling van de prijzenindex van de maand december van het jaar dat aan het boekjaar voorafgaat door de prijzenindex van de maand december van het voorafgaand jaar. Na het toepassen van de coëfficiënt, worden de bedragen naar de hogere schijf van vijfentwintig eurocent afgerond. (622) Art. 285 De Regering duidt de ambtenaren aan die belast worden met het ontvangen en het nakijken van de aangiften, de invordering en de inning van de belasting. (624) Art. 286, § 1. De dienst die aangewezen wordt door de Regering bezorgt de eigenaar jaarlijks voor 30 juni een aangifteformulier waarvan het model vastgesteld is door de Regering. § 2. De eigenaar moet deze aangifte zorgvuldig ingevuld en ondertekend terugsturen binnen 30 dagen na verzending. § 3. Elke eigenaar die op 1 oktober van het aanslagjaar geen aangifteformulier ontvangen heeft wordt geacht er een aan te vragen. (626)

Art. 287.§ 1. In geval van fouten of onvolledigheden in de aangifte van de eigenaar gaan de in artikel 285 bedoelde ambtenaren over tot de rechtzetting ervan; de met redenen omklede rechtzetting wordt aan de eigenaar overgemaakt binnen een termijn van acht maanden die aanvangt op de dag van ontvangst van de aangifte. § 2. In de maand die volgt op de verzending van deze betekening kan de eigenaar zijn opmerkingen schriftelijk meedelen, de belasting kan niet geheven worden voor het verstrijken van deze termijn. § 3. Indien de eigenaar geen aangifte doet binnen de termijn vastgesteld in artikel 286, gaan de ambtenaren, bedoeld in artikel 285, ambtshalve over tot de berekening van de verschuldigde belasting en baseren zich daarbij op de elementen waarover zij beschikken en dat binnen de termijn vastgesteld in artikel 288, § 1. § 4. Alvorens over te gaan tot de ambtshalve heffing brengen de ambtenaren de eigenaar schriftelijk en via aangetekende zending op de hoogte van de motieven voor de ambtshalve belasting en de elementen waarop de belasting zal gebaseerd zijn. § 5. In de maand die volgt op de verzending van deze kennisgeving kan de eigenaar zijn opmerkingen schriftelijk meedelen, de belasting kan niet geheven worden voor het verstrijken van deze termijn. § 6. Wanneer de eigenaar ambtshalve belast wordt komt het hem toe, in geval van betwisting, de bewijzen te leveren voor het foutief karakter van de belasting en de grondslag ervan. (628)

Art. 288.§ 1. Deze belasting wordt geheven via kohier.

De kohiers worden uitvoerbaar verklaard door de ambtenaar die daartoe wordt aangeduid door de Regering voor een periode van drie jaar lopende vanaf 1 januari van het jaar waarop de heffing van toepassing is.

De kohieren vermelden : 1° de naam van het Gewest;2° de naam, de voornamen en het adres van de belastingsplichtige;3° de verwijzing naar dit hoofdstuk;4° het bedrag van de belasting en het motief tot heffing;5° het aanslagjaar;6° het artikelnummer van het kohier. § 2. Het aanslagbiljet wordt op straffe van verval binnen de zes maanden na de datum van uitvoerbaarheidverklaring aan de eigenaar overgemaakt. Het aanslagbiljet is gedateerd en draagt de vermeldingen aangeduid in de eerste paragraaf. § 3. De belasting moet ten laatste twee maanden na de toezending van het aanslagbiljet betaald worden. § 4. Bij uitblijvende betaling wordt een herinneringsbrief gestuurd. § 5. Bij uitblijvende betaling binnen de dertig dagen vanaf de verzending van de herinneringsbrief vermeld in de vorige paragraaf wordt een tweede herinneringsbrief aangetekend verstuurd. (630)

Art. 289.§ 1. Indien de belasting niet binnen de termijn betaald werd is van rechtswege een interest eisbaar; deze wordt maandlijks berekend tegen het tarief van 0,8 % op het totaal van de verschuldigde belastingen afgerond naar de lagere eenheid in euro. Ieder gedeelte van de maand wordt voor een volledige maand gerekend. De interest wordt enkel gevorderd indien hij minstens twee euro bedraagt. § 2. Bij terugbetaling van belasting is van rechtswege een interest verschuldigd : hij wordt berekend aan het tarief van 0,8 % per maand op het bedrag van de terug te geven belasting, afgerond naar de lagere eenheid in euro. Ieder gedeelte van de maand wordt voor een volledige maand gerekend. De interest wordt enkel teruggestort indien hij minstens twee euro bedraagt. (632)

Art. 290.De verjaringstermijn voor de inning van de belasting, de interesten en de toebehoren wordt vastgelegd op vijf jaar na de dag waarop zij ontstaan is. (354) Art. 291 De oplossing van de moeilijkheden die kunnen rijzen met betrekking tot de inning van de belasting, vooraleer het geding aanhangig gemaakt wordt, komt toe aan de ambtenaren bedoeld in artikel 285. (636) Art.292 § 1. Indien de belasting, de interesten en de toebehoren niet betaald worden vaardigt de ambtenaar belast met de inning van de belasting een dwangbevel uit.

Het wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de ambtenaar daartoe aangewezen door de Regering. Het wordt aan de belastingplichtige eigenaar betekend bij de gerechtsdeurwaarderexploot. § 2. Deze betekening : 1° stuit de verjaringstermijn voor de inning van de belasting, de interesten en de toebehoren;2° laat de inschrijving toe van de wettelijke hypotheek bedoeld in artikel 294, § 3.(638)

Art. 293.Na de betekening bedoeld in artikel 292 § 1, kan de ambtenaar belast met de inning van de belasting, bij gerechtsdeurwaarderexploot, uitvoerend beslag laten leggen op de sommen en goederen verschuldigd aan de belastingplichtige. Het derdenbeslag moet eveneens aan de belastingplichtige worden betekend bij gerechtsdeurwaarderexploot.

Dit beslag heeft uitwerking vanaf de betekening van het exploot aan de derde-beslagene.

Het geeft aanleiding tot het opmaken en het verzenden door de ambtenaar belast met de inning van de belasting, van een bericht van beslag zoals voorzien in artikel 1390 van het Gerechtelijk Wetboek. (640)

Art. 294.§ 1. Voor de inning van de belasting, de interesten en de kosten, beschikt het Brussels Hoofdstedelijk Gewest over een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de belastingsplichtige met uitzondering van binnenschepen en zeeschepen, en over een wettelijke hypotheek op alle goederen toebehorend aan de belastingsplichtige en gelegen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarop hypotheek kan worden gevestigd. § 2. Het voorrecht neemt rang na alle reeds bestaande wettelijke voorrechten. § 3. De wettelijke hypotheek neemt rang vanaf de dag van de inschrijving ervan krachtens het uitgevaardigde dwangbevel, uitvoerbaar verklaard en betekend aan de belastingsplichtige overeenkomstig artikel 292, § 1.

De inschrijving heeft plaats op verzoek van de ambtenaar belast met de inning niettegenstaande verzet, betwisting of beroep. Zij wordt gedaan op vertoon van een door dezelfde ambtenaar eensluitend verklaard afschrift van het dwangbevel waarop de betekeningsdatum is vermeld. § 4. De uitvoering van het dwangbevel of van het derdenbeslag waarvan sprake in artikel 292 kan slechts onderbroken worden door een met redenen omkleed verzet door de belastingsplichtige, met dagvaarding voor het gerecht; dit verzet gebeurt door middel van een exploot betekend aan het Gewest, op het kabinet van de Minister-Voorzitter. (642)

Art. 295.De inning van de in artikel 284 bedoelde belasting wordt in de volgende gevallen opgeschort : § 1. Voor de in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten opgenomen sites die geen of geen verdere rehabilitatie meer nodig hebben wordt de inning van de jaarlijkse belasting opgeschort tijdens de drie boekjaren die volgen op de rehabilitatie van de site of op de opname ervan in de inventaris als geen enkele rehabilitatie nodig is.

Wanneer geen herbestemming volgt binnen de 3 jaar, is de belasting opnieuw verschuldigd. § 2. Voor de sites waarvoor een stedenbouwkundige vergunning is afgegeven voor het uitvoeren van werken die hun herbestemming moeten mogelijk maken voor zover de werken werden opgestart op aanzienlijke wijze. In de veronderstelling dat de toegelaten werken niet werden uitgevoerd zonder onderbreking tot aan de herbestemming van de site, is de belasting opnieuw verschuldigd. § 3. Voor de sites waarvan de redelijkerwijze geraamde kostprijs voor hun rehabilitatie 75 % van de handelswaarde van de site na rehabilitatie overschrijdt, en voor zover de eigenaar niet verantwoordelijk is voor de oorzaken die tot de noodzaak van de rehabilitatie van de site geleid hebben, wordt de inning van de belasting gedurende 3 jaar opgeschort. De Regering kan daarenboven, in dat geval, de eigenaar een financiële tegemoetkoming toestaan voor de sanering van de site, voor zover de eigenaar niet verantwoordelijk is voor de vastgestelde vervuiling.

Deze opschortingstermijn van 3 jaar is hernieuwbaar indien de vertraging in de rehabilitatie van de site te wijten is aan het uitstel van betaling van de financiële tegemoetkoming die toegestaan geweest zou zijn. Bij ontstentenis van rehabilitatie van de site binnen de vastgestelde termijn, is de belasting opnieuw verschuldigd. § 4. Voor de veronderstellingen bedoeld in §§ 2 en 3 moet de eigenaar van de site een aanvraag tot opschorting indienen bij de Regie. § 5. De Regering stelt de procedure vast voor de aanvraag tot opschorting van de belasting evenals de voorwaarden en de modaliteiten voor toekenning, de modaliteiten voor evaluatie, toekenning en terugbetaling van de financiële tegemoetkomingen ten laste van Fonds voor Stedenbouw en Grondbeheer. (644)

Art. 296.Op aanvraag van de eigenaar van een site zal de Regering hem van de belasting vrijstellen in de volgende gevallen : 1° wanneer het een site betreft waarvan de rehabilitatie of de herbestemming onmogelijk is geworden door een beslissing van de overheid om andere redenen van openbaar nut dan deze die in Titel VI van dit Wetboek worden nagestreefd;2° in geval van overmacht los van de wil van de eigenaar, wat deze verhindert over te gaan tot de noodzakelijke werken voor de rehabilitatie van een site met het oog op haar herbestemming. De Regering stelt de procedure en de modaliteiten voor de vrijstelling van de belasting vast. (646)

Art. 297.§ 1. De financiële steun voor het schoonmaken van de site, voorzien in artikel 295, § 3, kan ten opzichte van de ondernemingen, steun van overheidswege vormen in de zin van artikel 87, § 1, van het EG-Verdrag. § 2. Ten einde Verordening nr. 69/2001 (EG) van de Commissie van 12 januari 2001 na te leven, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag voor de minimis-steun, mag het totale bedrag van de krachtens artikel 295, § 3, van dit Wetboek toegekende steun van overheidswege per begunstigde onderneming nooit hoger liggen dan 100.000 euro over een periode van drie jaar, berekend overeenkomstig artikel 2 van deze Verordening.

Wat dat betreft, wordt voor het berekenen van het bedrag van de steun die kan toegekend worden krachtens artikel 295, § 3, rekening gehouden met het bedrag van alle andere steun die ontvangen werd gedurende de laatste drie jaar door iedere begunstigde onderneming.

Iedere begunstigde onderneming verbindt er zich toe om alle minimis-steun die reeds verkregen werd gedurende de laatste drie jaar aan te geven en dit voor het verkrijgen van de steun bedoeld in artikel 295, § 3. (648) HOOFDSTUK III. - Immunisatie en vrijstelling betreffende bepaalde goederen die vallen onder het beschermd of op de bewaarlijst ingeschreven erfgoed

Art. 298.Voor de goederen die behoren tot het onroerend erfgoed dat volledig of deels beschermd is of ingeschreven op de bewaarlijst, en die uitsluitend gebruikt worden als woning en niet worden verhuurd, of als voorziening inzake scholen, cultuur, sport, sociale aangelegenheden, gezondheid, erkende erediensten of lekenmoraal, geldt vrijstelling van onroerende voorheffing. (650)

Art. 299.De goederen die behoren tot het beschermde onroerende erfgoed en die worden geschonken aan het Gewest of aan de stichtingen die het statuut hebben van instelling van openbaar nut, zoals bedoeld in de wet van 27 juli 1921, worden vrijgesteld van rechten van successie, en van overgang bij overlijden, op voorwaarde dat ze in het Gewest zijn gelegen en volgens de criteria van artikel 5 van de bijzondere wet van 16 januari 1989 op de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten.

In geval van ontbinding van de instelling van openbaar nut, worden de tot het onroerende erfgoed behorende goederen die aan die instelling zijn vermaakt eigendom van het Gewest, niettegenstaande de eventuele statutaire bepalingen.

De krachtens de vorige leden vermaakte goederen zijn onvervreemdbaar en onoverdraagbaar. (652) TITEL X. - MISDRIJVEN EN STRAFBEPALINGEN HOOFDSTUK I. - Misdrijven Afdeling I - Handelingen die als misdrijf gelden

Art. 300.Volgende handelingen gelden als misdrijf : 1° zonder voorafgaande vergunning de bij artikelen 98 en 103 bepaalde handelingen en werken uitvoeren of ze aan te vatten na verval van de vergunning;2° handelingen voortzetten en werken in stand houden die zonder vergunning of na het verstrijken van de geldigheidsduur of na de vernietiging van deze vergunning werden uitgevoerd;3° hoe dan ook inbreuk plegen op de voorschriften van de bijzondere bestemmingsplannen, van de stedenbouwkundigevergunningen, de verkavelingsvergunningen en de stedenbouwkundigeverordeningen of reclame te voeren die niet overeenstemt met de bepalingen van artikel 281;4° de bepalingen van de artikelen 158 en 179 niet in acht nemen.5° hij die werken uitvoert met overtreding van artikel 232;6° hij die verzuimt, overeenkomstig de artikelen 214 en 237, de bijzondere voorwaarden na te leven betreffende het behoud of de vrijwaringszone waaraan het goed gebonden is, dat is ingeschreven op de bewaarlijst, beschermd is, het voorwerp is van een beschermingsprocedure of dat gelegen is in een vrijwaringszone;7° de instrumenterende ambtenaar of elke persoon die voor eigen rekening of als tussenpersoon, verkoopt die bij overdracht van een goed dat tot het onroerende erfgoed behoort dat op de bewaarlijst is ingeschreven, beschermd is of het voorwerp is van een procedure tot bescherming, verzuimt om, overeenkomstig artikel 217, de kwalificaties te vermelden in de akte die de overdracht vaststelt;8° de eigenaar die de verplichting voorgeschreven in de artikelen 212, § 2, 223, § 2 en 229, § 2, niet nakomt om aan de huurder of de bewoner alsmede aan elke persoon die zou zijn gelast werkzaamheden uit te voeren, in overtreding met de bepalingen van dit Wetboek, kennis te geven van : - het besluit dat de procedure voor de inschrijving op de bewaarlijst in gang zet; - het besluit tot inschrijving van zijn goed op de bewaarlijst; - het besluit om de beschermingsprocedure in gang te zetten; - het besluit tot bescherming; 9° hij die, zonder de erkenning bedoeld in artikel 243, § 1, of zonder de in artikel 243, § 2, bedoelde voorafgaande machtiging of met overtreding van de in deze machtiging gestelde voorwaarden, peilingen of opgravingen uitvoert;10° hij die de in toepassing van de artikelen 244 tot 246 uit te voeren peilingen of opgravingen verhindert;11° de ontdekker die de in artikel 246 bedoelde aangifte vergeet te doen;12° de eigenaar of de houder van de vergunning die de in de artikelen 244 § 1, vierde lid en § 2, tweede lid, 245 § 3, derde lid en 246, § 2, bedoelde kennisgevingen vergeet te doen;13° het feit de bepalingen van hoofdstuk II van Titel IX betreffende de belasting op de sites die ingeschreven zijn in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten niet in acht te nemen met frauduleuze bedoelingen of met de bedoeling schade te berokkenen.(654) Afdeling II. - Vaststelling van de misdrijven

Art. 301.Behalve de ambtenaren van gerechtelijke politie, zijn de ambtenaren en beambten belast met het beheer en de politie over de wegen, de door de Regering aangewezen technische ambtenaren en beambten van de gemeenten en van het Gewest, bevoegd om de in de artikelen 300 en 304 omschreven misdrijven op te sporen en bij proces-verbaal vast te stellen.

De genoemde ambtenaren en beambten hebben toegang tot de bouwplaats en de gebouwen om alle nodige opsporingen en vaststellingen te verrichten.

Wanneer deze verrichtingen de kenmerken van een huiszoeking dragen, mogen ze door de ambtenaren en beambten enkel worden uitgevoerd indien er aanwijzingen voor het bestaan van een misdrijf zijn en op voorwaarde dat de politierechter hen daartoe heeft gemachtigd.

Onverminderd de toepassing van de strengere straffen die in de artikelen 269 en 275 van het Strafwetboek zijn bepaald, wordt al wie zich tegen de uitoefening van het hierboven bedoelde recht van huiszoeking heeft verzet, gestraft met een geldboete van 1 tot 10 euro en een gevangenisstraf van acht tot vijftien dagen. (656) Afdeling III. - Vaststelling van de misdrijven

Art. 302.De in artikel 301, eerste lid, bedoelde ambtenaren en beambten kunnen mondeling ter plaatse de onmiddellijke staking van de werken of van het invoeren van handelingen gelasten wanneer zij vaststellen dat deze een misdrijf vormen in toepassing van artikel 300.

Het bevel tot staking van de handelingen of van de werken moet op straffe van verval bekrachtigd worden door de burgemeester of de gemachtigde ambtenaar.

Het in artikel 301, eerste lid, bedoeide proces-verbaal van vaststelling en de bekrachtigingsbeslissing worden binnen tien dagen bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs of bij gerechtsdeurwaardersexploot ter kennis gebracht van de opdrachtgever en van de persoon of de aannemer die het werk of de handelingen uitvoert.

In voorkomend geval wordt een afschrift van deze documenten tegelijk naar de gemachtigde ambtenaar gezonden.

De betrokkene kan in kortgeding de opheffing van de maatregel vorderen tegen het Gewest of de gemeente, naargelang de bekrachtigingsbeslissing uitgaat van de gemachtigde ambtenaar of van de burgemeester. De vordering wordt gebracht voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in het ambtsgebied waarvan het werk en de handeling werden uitgevoerd. Boek II, Titel VI, van het Gerechtelijk Wetboek is van toepassing op de inleiding en de behandeling van de vordering. (658)

Art. 303.De voornoemde ambtenaren en beambten zijn gerechtigd tot het treffen van alle maatregelen, verzegeling inbegrepen, om te voorzien in de toepassing van het bevel tot staking of van de bekrachtigingsbeslissing. (660)

Art. 304.Eenieder die de werken of de handelingen heeft voortgezet in strijd met het bevel tot staking of de bekrachtigingsbeslissing, wordt onverminderd de in artikel 306 op de misdrijven gestelde straffen, met een gevangenisstraf van acht dagen tot een maand gestraft. (662) Afdeling IV. - Ambsthalve uitvoering

Art. 305.Bij het verstrijken van de geldigheidsduur van de bij artikel 102 bedoelde stedenbouwkundigevergunningen, of bij ontstentenis van een dergelijke vergunning is de aanvrager, die de plaats in de vorige staat niet heeft hersteld, gehouden dit op eenvoudige vordering van het college van burgemeester en schepenen of van de gemachtigde ambtenaar te doen.

Blijft de aanvrager in gebreke, dan kan het college van burgemeester en schepenen of de gemachtigde ambtenaar ambtshalve voorzien in de uitvoering van de werken ten laste van de in gebreke blijvende.

Het college van burgemeester en schepenen of de gemachtigde ambtenaar is gerechtigd materialen en voorwerpen die afkomstig zijn van de herstelling van de plaats te verkopen, te vervoeren, op te slaan en te vernietigen op een door hem gekozen plaats.

De overtreder is gehouden alle uitvoeringskosten, verminderd met de opbrengst van de verkoop van de materialen en voorwerpen, te vergoeden. De terugbetaling van de sommen die de veroordeelde aan het Bestuur schuldig is wordt op initiatief van het Bestuur bij een ter post aangetekende brief verhaald.

Wanneer de schuldenaar in gebreke van betaling blijft, kan de invordering van de kosten aan de ontvanger van het Bestuur van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest toevertrouwd worden. (664) HOOFDSTUK II. - Strafbepalingen

Art. 306.Met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en een geldboete van 2,50 tot 7.500 euro of met één van deze straffen alleen worden gestraft, zij die één van de bij artikel 300 bepaalde misdrijven hebben begaan.

De straffen zijn echter een gevangenisstraf van vijftien dagen tot zes maanden en geldboete van 500 tot 15.000 euro, of één van deze straffen alleen, indien de schuldigen aan de in het artikel 300 omschreven misdrijven, personen zijn die wegens hun beroep of activiteit onroerende goederen kopen, verkavelen, te koop of te huur stellen, verkopen of verhuren, bouwen of vaste of verplaatsbare inrichtingen opstellen. Hetzelfde geldt voor degenen die bij die verrichtingen als tussenpersoon optreden.

De misdrijven begaan bij het gebruik van een grond voor het opstellen van een vaste of verplaatsbare inrichting, kunnen ten laste worden gelegd van degene die ze heeft opgesteld, alsook van de eigenaar die de opstelling heeft toegestaan of gedoogd.

Aile bepalingen van het eerste boek van het Strafwetboek, met inbegrip van hoofdstuk VII en van artikel 85, zijn van toepassing op bovenbedoelde misdrijven evenals op die welke in de artikelen 300, 301 en 304 zijn omschreven. (666)

Art. 307.Benevens de straf beveelt de rechtbank, op vordering van de gemachtigde ambtenaar of van het college van burgemeester en schepenen, doch met hun gezamenlijk akkoord in de sub 2° en 3° bedoelde gevallen : 1° ofwel de plaats in de vorige staat te herstellen of de werken die nodig zijn om de plaats in de mate van het mogelijke haar vroegere uitzicht terug te geven of het ongeoorloofde gebruik te staken;2° ofwel bouwwerken of aanpassingswerken uit te voeren, behalve wanneer ze betrekking hebben op een goed dat ingeschreven staat op de bewaarlijst of beschermd is of waarvoor de procedure tot inschrijving of bescherming lopende is;3° ofwel een geldsom te betalen, gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen behalve wanneer het misdrijf een goed dat ingeschreven staat op de bewaarlijst of beschermd is of waarvoor de procedure tot inschrijving of bescherming lopende is betreft; De rechtbank bepaalt daarvoor een termijn, die in de sub 1° en 2° bedoelde gevallen één jaar niet mag overschrijden.

In geval van veroordeling tot de betaling van een geldsom, beveelt de rechtbank dat de veroordeelde zich op geldige wijze zal kunnen kwijten door de plaats binnen een jaar in de vorige staat te herstellen. De betaling van de som gebeurt op het daarvoor voorziene budgettair fonds van het Gewest. (668)

Art. 308.Voor het geval dat de plaats niet in de vorige staat wordt hersteld of dat de bouw- of aanpassingswerken niet binnen de voorgeschreven termijn worden uitgevoerd, beveelt het vonnis dat de gemachtigde ambtenaar, het college van burgemeester en schepenen en eventueel de burgerlijke partij van ambtswege in de uitvoering ervan kunnen voorzien.

De overheid of de particulier die het vonnis uitvoert, is gerechtigd de materialen en voorwerpen die afkomstig zijn van de herstelling van de plaats te verkopen, te vervoeren, op te slaan en te vernietigen op een door hem gekozen plaats.

De veroordeelde is gehouden alle uitvoeringskosten, verminderd met de opbrengst van de verkoop van de materialen en voorwerpen, te vergoeden. De terugbetaling wordt op initiatief van het Bestuur bij een ter post aangetekende brief verhaald. Wanneer de schuldenaar in gebreke van betaling blijft, kan de invordering van de kosten aan de ontvanger van het Bestuur van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest toevertrouwd worden.

De rechtbank kan, op vordering van de kopers of van de huurders, hun titel van eigendomsverkrijging of van huur op kosten van de veroordeelde vernietigen, onverminderd het recht om schadevergoeding te eisen van de schuldige. (670)

Art. 309.De rechten van de burgerlijke partij zijn in geval van rechtstreeks herstel tot de door de bevoegde overheid gekozen wijze van herstel beperkt overeenkomstig artikel 307, onverminderd het recht om schadevergoeding van de veroordeelde te eisen. (672)

Art. 310.De gemachtigde ambtenaar of het college van burgemeester en schepenen kan voor de burgerlijke rechtbank vorderen dat de plaats in de vorige staat wordt hersteld of de werken die nodig zijn om het, in de mate van het mogelijke, zijn oorspronkelijk aanzicht terug te bezorgen, vorderen. In gemeenschappelijk overleg kan de ene of de andere eveneens vorderen dat ofwel bouwwerken of aanpassingswerken worden uitgevoerd, ofwel een geldsom wordt betaald gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen behalve wanneer de werken of de inrichtingswerken betrekking hebben op een goed dat ingeschreven staat op de bewaarlijst, beschermd is of waarvoor de inschrijvings- of beschermingsprocedure lopende is.

De bepalingen van artikelen 307, tweede lid, 308 en 309 zijn ook van toepassing in geval van een voor de burgerlijke rechtbank ingestelde vordering.

De rechten van de derde benadeelde, die samen met de openbare overheid of afzonderlijk optreedt, zijn in geval van rechtstreeks herstel beperkt tot de door de bevoegde overheid gekozen wijze van herstel beperkt, onverminderd het recht om schadevergoeding van de veroordeelde te eisen. (674) HOOFDSTUK III. - Overschrijving

Art. 311.De dagvaarding voor de correctionele rechtbank op grond van artikel 307, of het exploot tot inleiding van het geding op grond van artikel 310, wordt in het hypotheekkantoor van het gebied waar de goederen gelegen zijn, overgeschreven ten verzoeke van de gerechtsdeurwaarder die het exploot heeft opgemaakt.

De dagvaarding of het exploot vermeldt de kadastrale omschrijving van het onroerende goed dat het voorwerp van het misdrijf is, en identificeert de eigenaar ervan in de vorm en onder de sanctie, voorgeschreven door de wetgeving inzake de hypotheken.

Elke beslissing die in de zaak wordt genomen wordt vermeld op de kant van de overschrijving van de dagvaarding of van het exploot, overeenkomstig de door de wetgeving inzake de hypotheken voorgeschreven procedure.

Hetzelfde geldt voor het certificaat van de gemachtigde ambtenaar, waarbij wordt vastgesteld dat het vonnis uitgevoerd is of dat de betrokkene de voorgeschreven vergunning definitief heeft verkregen en de werken overeenkomstig de verordenende bepalingen en de vergunning heeft uitgevoerd.

Wanneer openbare besturen of derden wegens het in gebreke blijven van de veroordeelde genoopt zijn in de tenuitvoerlegging van het vonnis te voorzien, wordt de daaruit te hunnen bate voortvloeiende schuldvordering gewaarborgd door een wettelijke hypotheek, die ingeschreven, vernieuwd, verminderd of geheel of gedeeltelijk geroyeerd wordt, overeenkomstig de bepalingen voorgeschreven door de wetgeving inzake de hypotheken.

Deze waarborg dekt ook de schuldvordering ten gevolge van de kosten der hypothecaire formaliteiten, die door hen zijn voorgeschoten en die ten laste van de veroordeelde zijn. (676)

Art. 312.De in artikel 305 bedoelde vordering dient in het hypotheekkantoor te worden overgeschreven onder dezelfde voorwaarden dan die bepaald bij artikel 311, eerste en tweede lid.

Hetzelfde geldt voor het attest van het college van burgemeester en schepenen of van de gemachtigde ambtenaar waarbij wordt vastgesteld dat de aanvrager de werken overeenkomstig de voorschriften van de vordering heeft uitgevoerd.

Wanneer het college van burgemeester en schepenen of de gemachtigde ambtenaar wegens het in gebreke blijven van de overtreder genoopt is in de tenuitvoerlegging van het vonnis te voorzien, wordt de daaruit te hunnen bate voortvloeiende schuldvordering gewaarborgd door een wettelijke hypotheek, die ingeschreven, vernieuwd, verminderd of geheel of gedeeltelijk geroyeerd wordt, overeenkomstig de bepalingen voorgeschreven door de wetgeving inzake de hypotheken.

Deze waarborg dekt ook de schuldvordering ten gevolge van de kosten der hypothecaire formaliteiten die door het college van burgemeester en schepenen of door de gemachtigde ambtenaar zijn voorgeschoten en die ten laste van de overtreder zijn. (678) HOOFDSTUK IV. - Dading

Art. 313.De Regering of de gemachtigde ambtenaar, in overleg met het college van burgemeester en schepenen, kunnen een vergelijk treffen met de overtreder.

De Regering en de gemachtigde ambtenaar kunnen slechts op geldige wijze een dading voorstellen indien de procureur des Konings niet de intentie te kennen heeft gegeven om te vervolgen of om de strafvordering te doen vervallen overeenkomstig de artikelen 216bis en ter van het Wetboek van strafvordering binnen de negentig dagen na het verzoek dat hem wordt gedaan en, wanneer het misdrijf voortdurend is, indien er een einde wordt gesteld aan de toestand van misdrijf.

De regering bepaalt de te betalen geldsommen per categorie van werken en handelingen.

De betaling van de geldsom geschiedt op het daarvoor voorzien begrotingsfonds van het Gewest. De publieke vordering en het recht van de overheid om enig verder herstel te eisen, vervallen door de betaling.b (680) TITEL XI. - SLOTBEPALINGEN HOOFDSTUK I. - Slot- en overgangsbepalingen van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw Afdeling I. - Implementatie van de Europese richtlijnen

Art. 314.De Regering kan de bepalingen inzake planning en stedenbouw van dit Wetboek opheffen, aanvullen of vervangen om de voor de omzetting van de uit de richtlijnen van de Europese Unie voortvloeiende verplichte bepalingen nodige maatregelen te nemen. (682) Afdeling II. - Opheffingsbepalingen

Art. 315.De wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedebouw is niet langer van toepassing op het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met uitzondering van artikel 70. (684)

Art. 316.De artikelen 1 tot 7 van de kaderwet van 15 juli 1970, houdende organisatie van de planning en de economische decentralisatie, zijn niet langer van toepassing op het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op het vlak van de gewestelijke planning. (686)

Art. 317.De Commissie van advies voor de ruimtelijke ordening van de Brusselse agglomeratie, bepaald bij artikel 19 van de organieke wet van 29 maart 1962, wordt opgeheven. (688)

Art. 318.De Commissie van deskundigen, ingesteld bij artikel 29 van de organieke wet van 29 maart 1962, wordt opgeheven. (690)

Art. 319.Het algemeen plan van aanleg van de gemeente Ganshoren, goedgekeurd bij het koninklijk besluit van 13 december 1958, evenals het algemeen plan van aanleg van de gemeente Jette, goedgekeurd bij het koninklijk besluit van 10 juni 1954, zoals het later werd gewijzigd, worden opgeheven.

Deze opheffing geeft geen aanleiding tot enige schadeloosstelling. (692) Afdeling III. - Overgangs- en slotbepalingen

Art. 320.§ 1. De beroepen tegen de beslissingen van het college van burgemeester en schepenen of van de gemachtigde ambtenaar, bij toepassing van de artikelen 165, 166, 167 en 168, worden bij de Bestendige Deputatie van de Provincie Brabant ingediend tot de installatie van het bij artikel 12 bedoelde Stedenbouwkundig College. § 2. De helft van de leden van het Stedebouwkundig College wordt voor de eerste keer voor een mandaat van drie jaar benoemd. (694)

Art. 321.De Régionale Commissie van advies voor ruimtelijke ordening, ingesteld bij artikel 7 van de organieke wet van 29 maart 1962, blijft in functie tot de installatie van de in artikel 7 bedoelde Gewestelijke Ontwikkelingscommissie, waarvan zij de taken uitoefent.

De Regering wijst de leden van de nieuwe commissie aan binnen zes maanden die volgen op de inwerkingtreding van afdelingen I en II, hoofdstuk V van titel I. (696)

Art. 322.De overlegcommissies, ingesteld bij het koninklijk besluit van 5 november 1979, tot bepaling, wat het Brusselse Gewest betreft, van de speciale regelen van openbaarmaking die moeten worden nageleefd inzake sommige bouw- en verkavelingsaanvragen en houdende instelling, voor elke gemeente van het Brusselse Gewest, van een overlegcommissie voor plaatselijke ordening blijven in functie tot de installatie van de in artikel 9 bedoelde overlegcommissies, waarvan zij de taken uitoefenen. (698)

Art. 323.§ 1. Het eerste gewestelijk ontwikkelingsplan wordt vastgesteld binnen twee jaar volgend op de inwerkingtreding van hoofdstuk II van titel II. § 2. In afwijking van artikel 21 kan de Regering bij een met redenen omkleed besluit beslissen dat het eerste gewestelijk ontwikkelingsplan blijft gelden gedurende de hele legislatuur volgend op degene waarin het plan werd vastgesteld.

Het gewestelijke ontwikkelingsplan dat op 3 maart 1995 werd vastgesteld, houdt op gevolg te hebben op de dag van de inwerkingtreding van een nieuw ontwerp van het gewestelijk ontwikkelingsplan en uiterlijk op 31 december 2001. § 3. De woordelijke stedenbouwkundige voorschriften van de verordenende kaart van de bodembestemming en de verordenende kaart van de bodembestemming van het eerste gewestelijk ontwikkelingsplan dat op 3 maart 1995 is goedgekeurd, welke bindende kracht en verordenende waarde hebben, worden opgeheven. (700)

Art. 324.§ 1. Het gewestplan van de Brusselse agglomeratie, vastgesteld bij het koninklijk besluit van 28 november 1979, blijft van kracht tot het wordt vervangen door een gewestelijk bestemmingsplan.

Voor de toepassing van de artikelen 17, 27, 28, 32, 41, 42, 45, 49, 53, 54, 67, 69, 70, 71, 73, 77, 78, 81, 94, 98, 99, 106, 149, 188, 275, 277, 280 en 281 wordt het gewestplan met het gewestelijk bestemmingsplan gelijkgesteld. § 2. Bij afwijking van de artikelen 24 en 25 kan de Regering het eerste gewestelijk bestemmingsplan goedkeuren zonder vooraf de impliciete opheffingen die uitwerking hebben op de bestaande bestemmingsplannen te hebben bepaald. Wat de bestemmingsplannen betreft, kan de bestaande rechtstoestand vereist door artikel 24, tweede lid, 1° worden beperkt tot de cartografische aanduiding van de perimeter van de bijzondere bestemmingsplannen die niet expliciet werden opgeheven. (702)

Art. 325.§ 1. De bijzondere plannen van aanleg, goedgekeurd onder de gelding van de besluitwet van 2 december 1946 betreffende de stedebouw en van de wet van 29 maart 1962, blijven van kracht. Ze worden "bijzondere bestemmingsplannen" genaamd.

In afwijking van artikel 155 is de procedure voor de afgifte van de vergunningen en attesten binnen de omtrek van de bijzondere plannen van aanleg, goedgekeurd bij toepassing van de besluitwet van 2 december 1946 betreffende de stedebouw en van artikel 17 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedebouw, evenwel de procedure voorzien in artikel 153. In die gevallen is artikel 67 niet van toepassing. § 2. De bijzondere plannen van aanleg kunnen worden gewijzigd door bijzondere bestemmingsplannen mits naleving van de procedure bepaald bij artikel 52. § 3. De uitwerkingsprocedure van de ontwerpen van bijzondere plannen van aanleg die door de gemeenteraden voorlopig werden aangenomen vóór de inwerkingtreding van hoofdstuk V van titel II, wordt voortgezet, naargelang het geval, overeenkomstig artikelen 48, 49 en 50.

Voor de ontwerpen die voorlopig werden aangenomen vóór de inwerkingtreding van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedebouw, moet er geen effectenverslag worden opgesteld. § 4. De bepalingen van de bijzondere bestemmingsplannen die impliciet werden opgeheven omdat zij niet overeenstemden met het gewestplan van de Brusselse Agglomeratie of met de verordenende bepalingen van het eerste gewestelijk ontwikkelingsplan die werden goedgekeurd nadat die bepalingen van kracht werden, krijgen hun aanvankelijke uitwerking terug in de mate waarin zij overeenstemmen met het eerste gewestelijk bestemmingsplan, tenzij zij intussen werden gewijzigd of uitdrukkelijk werden opgeheven. (704)

Art. 326.De onteigeningsplannen, goedgekeurd vóór 1 juli 1987 met toepassing van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedebouw, treden buiten werking op 1 januari 1997.

De onteigeningsplannen, goedgekeurd vanaf 1 juli 1987 met toepassing van voornoemde organieke wet, treden buiten werking na een termijn van tien jaar.

Wanneer de bevoegde overheid de onteigening na de in het eerste en het tweede lid bedoelde termijnen wenst voort te zetten, wordt tewerk gegaan overeenkomstig de artikelen 70, 71, 72, 73, 74 en 75. In dat geval is artikel 79, derde lid, van toepassing. (706)

Art. 327.Het prioritair actieprogramma « Kristal », gelegen op het grondgebied van Sint-Jans-Molenbeek en vastgesteld bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 28 oktober 1999 blijft gevolg hebben tot 30 oktober 2004, behoudens verlenging voor een maximumduur van vijf jaar. (708)

Art. 328.§ 1. De verkavelingen die op 22 april 1962 in uitvoering waren, mogen zonder vergunning worden voortgezet indien de verkavelaars het bewijs leveren van een voorafgaand akkoord van het bestuur van stedebouw.

Het akkoord vervalt evenwel, behoudens overmacht, indien op 1 oktober 1970 geen van de werken is aangevat, die in bedoeld akkoord zijn voorzien in verband met de geplande en in het akkoord aanvaarde aanleg van nieuwe verkeerswegen, wijziging of opheffing van bestaande verkeerswegen.

Zijn de werken aangevangen, dan vervalt de vergunning indien deze werken niet voltooid zijn vóór 31 december 1972.

Wanneer de verkavelingen langs een bestaande, voldoende uitgeruste weg moesten worden uitgevoerd, vervalt het akkoord eveneens indien de verkoop van minstens een derde van de percelen niet vóór 1 oktober 1970 is geregistreerd. § 2. Vervallen, behoudens overmacht : 1° de vóór 1 januari 1965 afgegeven verkavelingsvergunningen die de aanleg van nieuwe verkeerswegen of de wijziging of opheffing van bestaande verkeerswegen bevatten, indien op 1 oktober 1970 geen aanvang is gemaakt met enig in de vergunning voorgeschreven werk tot aanleg van die wegen.Zijn werken aangevangen, dan komt de vergunning te vervallen indien deze werken niet vbôr 31 december 1972 voltooid waren; 2° de met ingang van 1 januari 1965 afgegeven vergunningen waarvan de voorgeschreven werken van aanleg niet voltooid waren binnen drie jaar te rekenen vanaf 1 oktober 1970.Deze termijn wordt eventueel verlengd tot de vijfde verjaardag van de afgifte der vergunning.

De vergunninghouder kan de uitvoering in fasen aanvragen indien de omvang van de verkaveling zulks rechtvaardigt. Tegen de weigeringsbeslissingen kan beroep worden aangetekend zoals bepaald bij artikelen 164 tot 174. § 3. Vervallen eveneens : 1° de vóór 1 januari 1966 afgegeven vergunningen voor verkavelingen, uit te voeren langs een bestaande, voldoende uitgeruste weg, wanneer de verkoop van minstens één van de percelen niet vóór 1 oktober 1970 aan de registratieformaliteit is onderworpen geweest;2° de met ingang van 1 januari 1966 afgegeven vergunningen voor verkavelingen, uit te voeren langs een bestaande, voldoende uitgeruste weg, wanneer de verkoop of de verhuring voor meer dan negen jaar, van minstens één derde van de percelen niet binnen vijf jaar, te rekenen vanaf de datum der vergunning, aan de registratieformaliteit is onderworpen geweest. In beide gevallen dient het bewijs van de verkoop of van de verhuring te worden geleverd overeenkomstig het bepaalde in artikel 113. § 4. De vóór 1 juli 1992 afgegeven bouwvergunningen die, in de zin van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedebouw, gewijzigd bij de wetten van 22 april 1970, 22 december 1970, 25 juli 1974, 12 juli 1976, 28 juli 1976, 22 december 1977, 28 juni 1978 en 10 augustus 1978, het voorwerp waren van het begin der werken vóór deze datum, vervallen indien de werken na deze datum gedurende meer dan één jaar worden onderbroken.

De na 1 juli 1991 afgegeven bouwvergunningen hebben een geldigheidsduur van twee jaar en kunnen voor één jaar worden verlengd, volgens de in artikel 101 bedoelde nadere regels.

De vóór 1 juli 1991 afgegeven bouwvergunningen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een verlenging waarvan de termijn verstrijkt na 1 juli 1992, vervallen overeenkomstig artikel 101. § 5. De behandelingsprocedures van de vóór 1 juli 1992 ingediende aanvragen om bouw- en verkavelingsvergunningen worden voortgezet overeenkomstig artikelen 124 tot 164 en 176 tot 178 met uitzondering van de in artikel 156, § 2, eerste lid, 1°, bedoelde termijn, die in dit geval vijfenzeventig dagen bedraagt.

Worden behandeld overeenkomstig de bepalingen van voornoemde wet van 29 maart 1962 : de in artikelen 54 en 55 van deze wet bedoelde administratieve beroepen, die vóór 1 juli 1992 werden ingediend, alsmede deze bedoeld in artikel 320.

De behandelingsprocedures van de vóór 1 juli 1992 ingediende aanvragen om stedebouwkundig attest nr. 2 worden voortgezet overeenkomstig artikelen 199 tot 201 met uitzondering van de in artikelen 156, § 2, eerste lid, 1°, bedoelde termijn die in dit geval vijfenzeventig dagen bedraagt. (710)

Art. 329.§ 1. De algemene en gemeentelijke bouwverordeningen, genomen ter uitvoering van de organieke wet van 29 maart 1962 blijven van kracht.

De artikelen 53 tot 55 van Titel XIII « Preventiemaatregelen tegen brand » van de algemene bouwverordening van de Brusselse Agglomeratie van 17 maart 1976 worden opgeheven. § 2. De bepalingen van de bouwverordeningen van de Brusselse Agglomeratie die met dit Wetboek overeenstemmen, zijn gewestelijke stedenbouwkundigeverordeningen in de zin van artikel 88. § 3. De algemene en gemeentelijke bouwverordeningen kunnen worden gewijzigd bij gewestelijke en gemeentelijke stedenbouwkundigeverordeningen met inachtneming van de bij artikel 97 bepaalde procedure. § 4. De Regering is ertoe gemachtigd een gewestelijke stedenbouwkundige verordening goed te keuren, identiek aan de op 3 juni 1999 goedgekeurde, zonder te moeten overgaan tot de onder artikel 89 voorziene modaliteiten. Deze gewestelijke stedenbouwkundige verordening zal ophouden gevolg te hebben op het ogenblik van de volgens de onder artikel 89 voorziene modaliteiten goedgekeurde nieuwe gewestelijke stedenbouwkundige verordening en, uiterlijk binnen de drie jaar na de inwerkingtreding van deze ordonnantie.(712)

Art. 330.§ 1. De bouwvergunningen en administratieve machtigingen betreffende de reclame-inrichtingen en de uithangborden die vóór de inwerkingtreding van de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw werden afgegeven, vervallen ten laatste op 31 december 1994. Dit verval geeft aanleiding tot geen enkele schadeloosstelling. § 2. De vergunningen betreffende handelingen en werken opgenomen in de lijst van de regering, bedoeld in artikel 102, eerste lid, die voordien geen vergunningen van beperkte duur waren, vervallen binnen de door de regering vastgestelde termijn. § 3. De goederen die voor 1 juli 1992 het voorwerp zijn geweest van één van de handelingen en werken waarvoor overeenkomstig artikel 2, 2°, G, van Titel I van de Algemene Bouwverordening van de Brusselse Agglomeratie van 21 maart 1975 een bouwvergunning verplicht was, en die vergunningloos zijn gebleven, moeten het voorwerp van een stedenbouwkundige vergunning zijn.

Deze vergunning kan enkel worden geweigerd indien de onder het eerste lid bedoelde handelingen en werken niet in overeenstemming zijn met een bijzonder bestemmingsplan of een verkavelingsvergunning die van kracht zijn op het ogenblik dat ze werden uitgevoerd of indien de aanvrager er niet in slaagt aan te tonen dat de bestemming of het gebruik van het goed niet werd gewijzigd sedert 1 juli 1992. (714)

Art. 331.AIle de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en de stedebouw, gewijzigd door de wetten van 22 april 1970, 22 december 1970, 25 juli 1974, 12 juli 1976, 28 juli 1976, 22 december 1977, 28 juni 1978 en 10 augustus 1978 blijven van kracht voor zover ze niet tegenstrijdig zijn met de bepalingen van dit Wetboek en zolang ze niet door de Regering werden opgeheven. HOOFDSTUK II. - Overgangs- en eindbepalingen van de ordonnantie van 4 maart 1993 inzake het behoud van het onroerend erfgoed

Art. 332.§ 1. Met uitzondering van de bepalingen betreffende de roerende goederen, is de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen niet langer van toepassing op het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.

Gedurende een periode van zes maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze ordonnantie worden de beschermingsprocedures die aan de gang zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze ordonnantie tot het einde voortgezet overeenkomstig de bepalingen van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen. Na die termijn zullen de beschermingsprocedures die nog steeds aan de gang zijn worden voortgezet overeenkomstig de bepalingen van deze ordonnantie, zonder afbreuk te doen aan de reeds verworven elementen van de procedure met toepassing van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen. (716) § 2. De beschermingsbesluiten genomen met toepassing van de wet van 7 augustus 1931 blijven van kracht tot zij overeenkomstig dit Wetboek zouden worden gewijzigd of opgeheven.

De in dit Wetboek bepaalde gevolgen van de bescherming zijn verbonden aan de goederen die beschermd zijn met toepassing van de wet van 7 augustus 1931.

Art. 333.Zonder afbreuk te doen aan de met toepassing van artikel 332, § 2, van deze ordonnantie van kracht zijnde beschermingsmaatregelen die bepaald zijn door het gewestplan of het bijzonder plan van aanleg, het gewestelijk of bijzonder bestemmingsplan dat van kracht is, worden alle monumenten en gehelen waarvoor een bouwvergunning afgegeven werd of die voor 1 januari 1932 gebouwd werden, als overgangsmaatregel, en die tot de publikatie van de inventaris van het onroerende erfgoed van het Gewest, beschouwd als ingeschreven op die lijst.

Art. 334.Gedurende een periode van vijf jaar vanaf de inwerkingtreding van deze ordonnantie, kan de Commissie door haar beslissing met redenen te omkleden de door artikel 210, § 2, en artikel 222, § 3, bepaalde termijn met negentig dagen verlengen. (718) HOOFDSTUK III. - Overgangs- en eindbepalingen van de ordonnantie van 18 december 2003 betreffende de rehabilitatie en de herbestemming van de niet-uitgebate bedrijfruimten

Art. 335.De ordonnantie van 13 april 1995 betreffende de herinrichting van de niet-uitgebate of verlaten bedrijfsruimten wordt opgeheven. (720)

Bijlage A Aan een effectenstudie onderworpen projecten 1) kerncentrales en andere kernreactoren, met inbegrip van de ontmanteling of de declassering van deze centrales of reactoren (met uitzondering van de onderzoeksinstallaties voor de productie en verwerking van splijt- en kweekstoffen met een constant vermogen van ten hoogste 1 thermische KW);2) installaties voor de verwerking van al dan niet bestraalde kernbrandstof;3) installaties voor : - de productie of de verrijking van kernbrandstof; - de verwerking van bestraalde kernbrandstof of van hoogradioactief afval; - de definitieve opruiming van bestraalde kernbrandstof; - uitsluitend de definitieve opruiming van radioactief afval; - uitsluitend het opslaan (voorzien voor meer dan tien jaar) van bestraalde kernbrandstof of van radioactief afval in een andere site dan die van de productie; 4) aanleg van spoorwegen voor spoorverkeer over lange afstand evenals aanleg van luchthavens in de zin van de conventie van Chicago van 1944 tot oprichting van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (bijlage 14), waarvan de opstijg- en landingsbanen minstens 2 100 meter lang zijn;5) aanleg van nieuwe lijnen voor het spoorverkeer, of verbreding van bestaande beddingen, waardoor het aantal lijnen op drie of meer wordt gebracht;6) aanleg van autosnelwegen en expresswegen in de zin van het Europees akkoord van 15 november 1975 over de grote internationale verkeerswegen;7) aanleg van een nieuwe weg met twee of meer rijbanen van het interwijkennet of het primair net of verbreding van een bestaande weg om er een weg van vier of meer rijbanen van te maken;8) bouw van ondergrondse of bovengrondse kunstwerken met uitzondering van de kunstwerken die uitsluitend door voetgangers of tweewielers gebruikt worden;9) waterwegen en binnenhavens voor schepen van meer dan 1 350 ton;10) handelshavens, met het land verbonden laad- en loskaden en voorhavens (uitgezonderd de kaden voor overslagboten) voor schepen van meer dan 1 350 ton;11) bouwwerken voor de overheveling van watervoorraden tussen bekkens wanneer deze handeling bedoeld is om eventuele waterschaarste te voorkomen en het jaarlijks overgeheveld volume water 100 kubieke hectometer overschrijdt of bouwwerken voor de overheveling van watervoorraden wanneer het gemiddeld jaarlijks debiet, over verschillende jaren, van het onttrekkingsbekken 2 000 kubieke hectometer overschrijdt en het volume overgeheveld water 5 % van dat debiet overschrijdt;12) stuwdammen en andere installaties om het water permanent tegen te houden of op te slaan wanneer het nieuwe, of een bijkomend volume tegen te houden of op te slaan water 10 kubieke hectometer overschrijdt;13) kanaliseringen voor het transport van gas, aardolie of chemische producten, met een diameter van meer dan 800 millimeter en een lengte van meer dan 40 kilometer;14) bovenleidingen voor het overbrengen van elektriciteit met een spanning van 220 kV of meer en met een lengte van meer dan 15 kilometer;15) permanente race- en testbanen voor auto's en moto's;16) kantoorgebouwen waarvan de bovengrondse vloeroppervlakte groter is dan 20 000 m2;17) parkeerplaatsen in open lucht voor motorvoertuigen, buiten de openbare weg, waar meer dan 200 plaatsen zijn voor auto's; 18) garages, overdekte plaatsen waar motorvoertuigen worden geparkeerd (overdekte parkings, tentoonstellingsruimten, enz.) waarin men meer dan 200 voertuigen of aanhangwagens telt; 19) elke wijziging of uitbreiding van de in deze bijlage bedoelde projecten die op zich beantwoordt aan de eventuele drempels die erin vermeld staan. Bijlage B Aan een effectenrapport onderworpen projecten 1) projecten met betrekking tot de bestemming van woeste gronden of semi-natuurlijke gebieden voor intensieve landbouw;2) waterwerken voor de landbouw, met inbegrip van irrigatie- en drainageprojecten;3) eerste bosaanplanting en ontbossing met het oog op de bodemreconversie;4) diepteboringen, onder meer : - de geothermische boringen; - de boringen voor het opslaan van kernafval; - de boringen voor de waterbevoorrading; 5) industriële installaties voor het transport van gas, stoom en warm water;transport van elektrische energie via bovenleidingen (niet onder bijlage A bedoelde projecten); 6) installaties voor de verwerking en het opslaan van kernafval (andere dan deze bedoeld in bijlage A);7) aanleg van spoorweg- en intermodale platforms en intermodale terminals (niet onder bijlage A bedoelde projecten);8) bouw van luchthavens (niet onder bijlage A bedoelde projecten);9) aanleg van wegen, van havens en haveninstallaties, met inbegrip van vissershavens (niet onder bijlage A bedoelde projecten);10) aanleg van niet onder bijlage A bedoelde waterwegen, werkzaamheden voor de kanalisering en de normalisatie van de waterlopen;11) alle werken die het rivierenstelsel wijzigen of storen;12) stuwdammen en andere installaties om het water op een duurzame manier tegen te houden of op te slaan (niet onder bijlage A bedoelde projecten);13) aanleg van olie-, gas- of waterleidingen (niet onder bijlage A bedoelde projecten);14) skipisten, skiliften, kabelbanen en aanverwante inrichtingen;15) jachthavens;16) doorlopende camping- en caravanterreinen;17) aanleg van industriegebieden van meer dan vijf hectare;18) aanleg van een spoorweggebied van meer dan vijf hectare met verandering van bestemming;19) alle verkeersinfrastructuren die een wezenlijke wijziging van het verkeersstelsel van het stuk weg en of van het omliggende net meebrengen voor zover deze niet bedoeld zijn in bijlage A, uitgezonderd de wijzigingen die beperkt zijn tot verbeteringen van het voetgangers- en fietsverkeer;20) aanleg van een beplante eigendom van meer dan 5 000 m2;21) bouw van een kantoorgebouw waarvan de bovengrondse vloeroppervlakte tussen 5 000 en 20 000 m2 gelegen is;22) hotelinrichting met meer dan 100 kamers;23) scheppen van meer dan 1 000 m2 lokalen voor productieactiviteiten, handelszaken of opslagplaatsen in de hoofdzakelijk voor huisvesting bestemde gebieden;24) scheppen van sport-, culturele, vrijetijds-, school- en sociale voorzieningen waarin meer dan 200 m2 toegankelijk is voor het gebruik van die voorzieningen;25) parkeerplaatsen in open lucht voor motorvoertuigen, buiten de openbare weg, waar van 50 tot 200 plaatsen zijn voor auto's; 26) garages, overdekte plaatsen waar motorvoertuigen worden geparkeerd (overdekte parkings, tentoonstellingsruimten, enz.) die tussen 25 en 200 voertuigen of aanhangwagen tellen; 27) projecten uit bijlage A, die uitsluitend of hoofdzakelijk dienen voor het ontwikkelen en voor het testen van nieuwe methoden of producten en die gedurende meer dan een jaar niet worden gebruikt;28) elke wijziging of uitbreiding van de projecten die opgenomen zijn in bijlage A, of in bijlage B waarvoor reeds een toelating werd afgegeven of die reeds gerealiseerd zijn of die zich in de realisatiefase bevinden, die aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben (wijziging of uitbreiding die niet voorkomt in bijlage A). Bijlage C Inhoud van het milieu-effectenrapport van de plannen Het milieu-effectenrapport omvat de volgende informatie : 1° een samenvatting van de inhoud, een beschrijving van de doelstellingen van het plan evenals zijn banden met andere pertinente plannen en programma's;2° de pertinente aspecten van de milieutoestand en zijn waarschijnlijke evolutie als het plan niet in werking treedt;3° de milieukenmerken van de gebieden die waarschijnlijk aanzienlijk getroffen zullen worden;4° de aan het plan verbonden milieuproblemen meer bepaald deze die betrekking hebben op de gebieden die bijzonder belangrijk zijn voor het milieu zoals de gebieden die werden aangeduid overeenkomstig de richtlijnen 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 betreffende het behoud van de in het wild levende vogels en 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 betreffende het behoud van de natuurlijke habitat evenals van de ongerepte fauna en flora;5° de milieuproblemen die verbonden zijn aan de inschrijving op het plan, van de gebieden waarbinnen vestigingen toegelaten zijn die een risico van zware ongevallen inhouden waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken in de zin van de richtlijn 96/82/EEG van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren verbonden aan de zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, of, indien het plan geen dergelijke gebieden omwat, de milieuproblemen die verbonden zijn aan de inschrijving op het plan van gebieden die voor huisvesting zijn bestemd of door het publiek bezocht worden of een bijzondere natuurlijke waarde hebben, of die verbindingswegen bevatten en die gelegen zijn in de nabijheid van dergelijke etablissementen of gebieden waarin deze toegelaten zijn;6° de inzake milieubescherming relevante doelstellingen en de manier waarop ze overwogen worden in het kader van de uitwerking van het plan;7° de waarschijnlijk aanzienlijke effecten, te weten met name de bijkomstige, cumulatieve, synergetische effecten, de effecten op korte, middellange en lange termijn, permanent en tijdelijk, zowel positief als negatief, op het milieu evenals op de biodiversiteit, de bevolking, de volksgezondheid, de fauna en flora, de bodem, het water, de lucht, de klimatologische factoren, de mobiliteit, de materiële goederen, het cultureel erfgoed met inbegrip van het architecturaal en archeologisch erfgoed, de landschappen en de wisselwerkingen tussen deze factoren;8° de te nemen maatregelen om elk aanzienlijk negatief effect van de tenuitvoerlegging van het plan op het milieu te vermijden, te beperken en, in de mate van het mogelijke, te compenseren;9° de voorstelling van de mogelijke alternatieven, hun rechtvaardiging en de redenen voor de weerhouden keuzen;10° een beschrijving van de weerhouden evaluatiemethode en van de ontmoette moeilijkheden bij de inzameling van de vereiste informatie;11° de overwogen maatregelen om de follow-up van inwerkingtreding van het plan te verzekeren;12° een niet-technische samenvatting van de hogerop bedoelde informatie. Bijlage D Criteria voor de vaststelling van de mogelijke aanzienlijke effecten van plannen 1. De kenmerken van plannen, in het bijzonder : - de mate waarin het plan een kader vormt voor projecten en andere activiteiten met betrekking tot de ligging, aard, omvang en gebruiksvoorwaarden alsmede wat betreft de toewijzing van hulpbronnen; - de mate waarin het plan andere plannen en programma's, met inbegrip van die welke deel zijn van een hiërarchisch geheel, beïnvloedt; - de relevantie van het plan voor de integratie van milieuoverwegingen, vooral met het oog op de bevordering van duurzame ontwikkeling; - milieuproblemen die relevant zijn voor het plan; - de relevantie van het plan voor de toepassing van de milieuwetgeving van de Gemeenschap betreffende milieu (bijvoorbeeld de plannen en de programma's die verbonden zijn aan het beheer van afval en waterbescherming). 2. Kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed, in het bijzonder : - de waarschijnlijkheid, duur, frequentie en omkeerbaarheid van de effecten; - de cumulatieve aard van de effecten; - de grensoverschrijdende aard van de effecten; - de risico's voor de menselijke gezondheid of het milieu (bijv. door ongevallen); - de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden); - de waarde en kwetsbaarheid van het gebied dat kan worden beïnvloed gelet op : - bijzondere natuurlijke kenmerken of cultureel erfgoed; - de overschrijding van de milieukwaliteitsnormen of van grenswaarden; - intensief grondgebruik; - de effecten op gebieden en landschappen die door een lid-Staat, door de Gemeenschap, dan wel in internationaal verband als beschermd gebied zijn erkend.

Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 april 2004.

Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering : J. SIMONET, Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek

Nota's - Notes (1)Art. 1er de l'ordonnance du 29 août 1991, art. 1er de l'ordonnance du 4 mars 1993, art. 1er de 1'ordonnance du 18 décembre 2003, art. 1er de l'ordonnance du 18 juillet 2002, dans lesquels les termes « de la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « du présent Code ». (2) Art.1 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, art. 1 van de ordonnantie van 4 maart 1993, art. 1 van de ordonnantie van 18 december 2003, art. 1 van de ordonnantie van 18 juli 2002, waarin de woorden « van deze ordonnantie » vervangen worden door de woorden « van dit Wetboek ». (3) Art.2, al. 1er de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 16 juillet 1998 et remplacé par l'art. 2 l'ordonnance du 19 février 2004. (4) Art.2, 1e lid van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 16 juli 1998 en vervangen door art. 2 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (5) Art.3 de l'ordonnance du 29 août 1991 modifié par l'art. 2 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire, dont la version originale disposait : « Dans l'élaboration des plans lors de la délivrance des permis et certificats, les autorités administratives s'efforcent de concilier le progrès social et économique et la qualité de la vie en garantissant aux habitants de la Région le respect d'un aménagement harmonieux. » Art. 1erbis de l'ordonnance du 4 mars 1993, inséré par l'art. 22 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire, art. 1erbis de l'ordonnance du 18 juillet 2002, inséré par l'art. 29 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire, art. 1erbis de l'ordonnance du 18 décembre 2003, inséré par l'art. 30 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire. (6) Art.3 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijkie Ordening, waarvan de originele versie bepaalde dat : « Bij de uitwerkingsprocedure van de plannen en bij de afgifte van de vergunningen en attesten, stellen de administratieve instanties alles in het werk om de sociale en economische vooruitgang met de kwaliteiten van het leven te verzoenen, en de inwoners van het Gewest ervan te verzekeren dat een harmonieuze ordening in acht genomen wordt. » Art. 1erbis van de ordonnantie van 4 maart 1993, ingelast door art. 22 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, art. 1bis van de ordonnantie van 18 juli 2002, ingelast door art. 29 van de l'ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, art. 1bis van de ordonnantie van 18 december 2003, ingelast door art. 30 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening. (7) Art.4 alinéa 1er de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (8) Art.4, 1e lid van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993. (9) Art.7 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 5 juin 1997 et par l'art. 6 de l'ordonnance du 19 février 2004. Les termes « par la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « par le présent Code ». (10) Art.7 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 5 juni 1997 en door art. 6 van de ordonnantie van 19 februari 2004. De woorden « door deze ordonnnatie » worden vervangen door de woorden « door dit Wetboek ». (11) Art.8 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (12) Art.8 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993. (13) Art.9 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par les art. 2 et 3 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 5 de l'ordonnance du 16 juillet 1998, l'art. 3 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et l'art. 7 de l'ordonnance du 19 février 2004. (14) Art.9 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 en art. 3 van de ordonnantie van 23 november 1993, art. 5 van de ordonnantie van 16 juli 1998, art. 3 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en art. 7 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (15) Art.10 de l'ordonnance du 29 août 1991. (16) Art.10 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 (17) Art.11 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 30 juillet 1992 et par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (18) Art.11 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 30 juli 1992 en door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993. (19) Art.12 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (20) Art.12 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993. (21) Les termes « par la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « par le présent Code ».(22) De woorden « door deze ordonnantie » worden vervangen door de woorden « door dit Wetboek ».(23) Art.3 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 66 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et les art. 102 et 104 de l'ordonnance de février 2004. Les termes « la Commission » ont été remplacés par les termes « la Commission royale des monuments et des sites », afin d'éviter toute confusion avec d'autres commissions mentionnées dans le présent Code. (24) Art.3 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 66 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en de art. 102 en 104 van de ordonnantie van februari 2004. De woorden « de Commissie » werden vervangen door de woorden « de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen » om elke verwarring te vermijden met andere, in dit Wetboek vermelde commissies. (25) Art.13 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 8 de l'ordonnance du 19 février 2004. (26) Art.13 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzgd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 8 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (27) Art.2 alinéa 2 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 16 juillet 1998 et remplacé l'art. 2 de l'ordonnance du 19 février 2004 qui dispose : « Le développement de la Région de Bruxelles-Capitale est conçu et l'aménagement du territoire ainsi que l'urbanisme de la Région de Bruxelles-Capitale sont fixés par les plans et règlements suivants : 1. le plan régional de développement;2. le plan régional d'affectation du sol;3. les plans communaux de développement;4. le plan particulier d'affectation du sol;5. les règlements régionaux d'urbanisme;6. les règlements communaux d'urbanisme.» (28) Art.2, 2e lid van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 16 juli 1998 en vervangen door art. 2 van de ordonnantie van 19 februari 2004 dat bepaalt : » De ontwikkeling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de ordening van zijn grondgebied worden bepaald voor de volgende plannen : 1. het gewestelijk ontwikkelingsplan;2. het gewestelijk bestemmingsplan;3. de gemeentelijke ontwikkelingsplannen;4. het bijzonder bestemmingsplan;5. de gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen;6. de gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen.(29) Art.14 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 9 de l'ordonnance du 19 février 2004. (30) Art.14 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzgd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 9 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (31) Art.15 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (32) Art.15 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzgd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993 (33) Art.16 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que remplacé par l'art. 11 de l'ordonnance du 19 février 2004. (34) Art.16 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals vervangen door art. 11 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (35) Art.17 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 6 de l'ordonnance du 16 juillet 1998 et l'art. 4 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et remplacé par l'art. 12 de l'ordonnance du 19 février 2004. (36) Art.17 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzgd door art. 6 van de ordonnantie van 16 juli 1998 en art. 4 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en vervangen door art. 12 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (37) Art.18 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 2 de l'ordonnance du 19 décembre 1996, l'art. 7 de l'ordonnance du 16 juillet 1998 et l'art. 5 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et remplacé par l'art. 13 de l'ordonnance du 19 février 2004. Les termes « l'article 3 » sont remplacés par les termes « l'article 4 » à l'art. 18, § 6, 3° de l'ordonnance du 29 août 1991 suite à sa modification par l'art. 3 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire, afin de corriger une erreur de référence. Au § 1er, alinéa 2, les termes « par la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « par le présent Code ». (38) Art.18 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzgd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993, art. 2 van de ordonnantie van 19 december 1996, art. 7 van de ordonnantie van 16 juli 1998 en art. 5 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en vervangen door art. 13 van de ordonnantie van 19 februari 2004. De woorden « artikel 3 » worden vervangen door de woorden « artikel 4 » in art. 18, § 6, 3° van de ordonnantie van 29 augustus 1991 tengevolge van zijn wijziging door artikel 3 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening om een verwijzingsfout te verbeteren. In § 1, tweede lid, worden de woorden « door deze ordonnantie » vervangen door de woorden « door dit Wetboek ». (39) Les termes « l'article 3 » sont remplacés par les termes « l'article 4 » à l'art.19, alinéa 2 de l'ordonnance du 29 août 1991 suite à sa modification par l'art. 4 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire, afin de corriger une erreur de référence. (40) De woorden « artikel 3 » worden vervangen door de woorden « artikel 4 » in art.19, tweede lid van de ordonnantie van 29 augustus 1991 tengevolge van zijn wijziging door artikel 4 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, om een verwijzigingsfout te verbeteren. (41) Art.19 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 8 de l'ordonnance du 16 juillet 1998 et remplacé par l'art. 14 de l'ordonnance du 19 février 2004. (42) Art.19 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzgd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 8 van de ordonnantie van 16 juli 1998 en vervangen door art. 14 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (43) Art.20 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 9 de l'ordonnance du 16 juillet 1998 et l'art. 15 de l'ordonnance du 19 février 2004. Au § 3, les termes « de la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « du présent Code ». (44) Art.20 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzgd door art. 9 van de ordonnantie van 16 juli 1998 en art. 15 van de ordonnantie van 19 februari 2004. In § 3 worden de woorden « van deze ordonnantie » vervangen door de woorden « van dit Wetboek ». (45) Art.23 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 3 de l'ordonnance du 19 décembre 1996, l'art. 11 de l'ordonnance du 16 juillet 1998, l'art. 6 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et l'art. 16 de l'ordonnance du 19 février 2004. (46) Art.23 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzgd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993, art. 3 van de ordonnantie van 19 december 1996, art. 11 van de ordonnantie van 16 juli 1998, art. 6 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en art. 16 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (47) Art.4 al. 2 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 3 de l'ordonnance du 19 février 2004 qui dispose : « Le Gouvernement désigne les fonctionnaires de l'Administration de l'aménagement du territoire et du logement, ci-après dénommée l'Administration, qui déposent annuellement auprès de lui un rapport sur le suivi des incidences notables sur l'environnement de la mise en oeuvre du plan régional de développement et du plan régional d'affectation du sol afin d'identifier notamment à un stade précoce les impacts négatifs imprévus et les éventuelles mesures correctrices à engager. Ces rapports sont déposés sur le bureau du Conseil de la Région de Bruxelles-Capitale et font l'objet d'une publication accessible au public. » (48) Art.4, 2e lid van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 3 van de ordonnantie van 19 februari 2004 dat stelt : « De Regering duidt de gemachtigde ambtenaren van het Bestuur Ruimtelijke Ordening en Huisvesting, verder het Bestuur genoemd, aan, die haar jaarlijks een verslag voorleggen over de follow-up van de belangrijke effecten van de inwerkingtreding van het gewestelijk ontwikkelingsplan op het milieu om met name de onvoorziene negatieve gevolgen in een vroegtijdig stadium te identificeren en van de eventueel aan te brengen correcturen. Deze verslagen worden op het bureau van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad neergelegd en zijn het voorwerp van een voor het publiek toegankelijke publicatie ». (49) Art.25 de l'ordonnance du 29 août 1991. (50) Art.25 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (51) Art.26 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 3 de l'ordonnance du 14 décembre 2000 et par l'art. 7 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (52) Art.26 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 3 van de ordonnantie van 14 december 2000 en door art. 7 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (53) Art.28 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 13 de l'ordonnance du 16 juillet 1998 et remplacé par l'art. 17 de l'ordonnance du 19 février 2004. Les termes « l'article 3 » sont remplacés par les termes « l'article 4 » à l'art. 28, § 6, 3° de l'ordonnance du 29 août 1991 suite à sa modification par l'art. 5 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire, afin de corriger une erreur de référence. Au § 1er, alinéa 2, les termes « de la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « du présent Code ». (54) Art.28 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzgd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 13 van de ordonnantie van 16 juli 1998 en vervangen door art. 17 van de ordonnantie van 19 februari 2004. De woorden « art. 3 » worden vervangen door de woorden « art. 4 » in art. 28, § 6, 3° van de ordonnantie van 29 augustus 1991 tengevolge van zijn wijziging door artikel 5 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening om een verwijzingsfout te verbeteren.

In § 1, tweede lid, worden de woorden « van deze ordonnantie » vervangen door de woorden « van dit Wetboek ». (55) Art.29 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 14 de l'ordonnance du 16 juillet 1998 et remplacé par l'art. 18 de l'ordonnance du 19 février 2004. Les termes « l'article 3 » sont remplacés par les termes « l'article 4 » à l'art 29, alinéa 2 de l'ordonnance du 29 août 1991 suite à sa modification par l'art. 6 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire, afin de corriger une erreur de référence. (56) Art.29 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzgd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 14 van de ordonnantie van 16 juli 1998 en vervangen door art. 18 van de ordonnantie van 19 februari 2004. De woorden « artikel 3 » worden vervangen door de woorden « artikel 4 » in artikel 29, tweede lid van de ordonnantie van 29 augustus 1991 tengevolge van zijn wijziging door artikel 6 van de ordonnantie houdende ratificatie van van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, om een verwijzingsfout te verbeteren. (57) Art.30 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 15 de l'ordonnance du 16 juillet 1998 et l'art. 19 de l'ordonnance du 19 février 2004. Au § 2, alinéa 1er, les termes « de la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « du présent Code ». (58) Art.30 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzgd door art. 15 van de ordonnantie van 16 juli 1998 en art. 19 van de ordonnantie van 19 februari 2004. In § 2, eerste lid, worden de woorden « van deze ordonnantie vervangen door de woorden « van dit Wetboek ». (59) Art.5 de l'ordonnance du 29 août 1991 tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 26 mars 1998, l'art. 2 de l'ordonnance du 16 juillet 1998, l'art. 2 de l'ordonnance du 14 décembre 2000 et l'art. 18 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et remplacé par l'art. 4 de l'ordonnance du 19 février 2004 qui dispose : « Le Gouvernement confère force obligatoire et valeur réglementaire aux plans d'affectation du sol. Les plans demeurent en vigueur jusqu'au moment où ils sont en tout ou en partie modifiés ou abrogés. » Art. 33 de l'ordonnance du 29 août 1991, qui dispose « Le plan régional d'affectation du sol a force obligatoire et valeur réglementaire en toutes ses dispositions. » (60) Art.5 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 26 maart 1998, art. 2 van de ordonnantie van 16 juli 1998, art. 2 van de ordonnantie van december 2000 en art. 18 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en vervangen door art. 4 van de ordonnantie van 19 februari 2004 dat bepaalt : « De Regering verleent bindende kracht en verordenende waarde aan de bestemmingsplannen De plannen blijven van kracht tot op het ogenblik dat ze volledig of gedeeltelijk gewijzigd of opgeheven worden. ». Art. 33 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 dat bepaalt : « Het gewestelijk bestemmingsplan heeft bindende kracht en verordenende waarde in al zijn bepalingen. » (61) Art.6 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 4 de l'ordonnance du 16 juillet 1998 et l'art. 5 de l'ordonnance du 19 février 2004 qui dispose : « Les prescriptions des plans peuvent impliquer des restrictions à l'usage de la propriété, l'interdiction de bâtir y comprise. » (62) Art.6 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 4 van de ordonnantie van 16 juli 1998 en art. 5 van de ordonnantie van 19 februari 2004 dat stelt : « De bepalingen van de plannen kunnen beperkingen op vlak van het gebruik van de eigendom inhouden met inbegrip van bouwverbod. » (63) Art.4 al. 2 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 3 de l'ordonnance du 19 février 2004 qui dispose : « Le Gouvernement désigne les fonctionnaires de l'Administration de l'aménagement du territoire et du logement, ci-après dénommée l'Administration, qui déposent annuellement auprès de lui un rapport sur le suivi des incidences notables sur l'environnement de la mise en oeuvre du plan régional de développement et du plan régional d'affectation du sol afin d'identifier notamment à un stade précoce les impacts négatifs imprévus et les éventuelles mesures correctrices à engager. Ces rapports sont déposés sur le bureau du Conseil de la Région de Bruxelles-Capitale et font l'objet d'une publication accessible au public. » (64) Art.4, 2e lid van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 3 van de ordonnantie van 19 februari 2004 dat stelt : « De Regering duidt de gemachtigde ambtenaren van het Bestuur Ruimtelijke Ordening en Huisvesting aan, hieronder het Bestuur genoemd, die haar jaarlijks een verslag voorleggen over de follow-up van de belangrijke effecten van de inwerkingtreding van het gewestelijk ontwikkelingsplan en het gewestelijk bestemmingsplan op het milieu om met name de onvoorziene negatieve gevolgen in een vroegtijdig stadium te identificeren en van de eventueel aan te brengen correcturen. Deze verslagen worden op het bureau van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad neergelegd en zijn het voorwerp van een voor het publiek toegankelijke publicatie » (65) Art.35 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 10 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et remplacé par l'art. 23 de l'ordonnance du 19 février 2004. (66) Art.35 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 10 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en vervangen door art. 23 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (67) Art.36 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 11 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et remplacé par l'art. 24 de l'ordonnance du 19 février 2004. (68) Art.36 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 11 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en vervangen door art. 24 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (69) Art.38 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 3 de l'ordonnance du 30 juillet 1992, l'art. 12 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et l'art. 25 de l'ordonnance du 19 février 2004. A l'alinéa 2, les termes « de l'ordonnance » sont remplacés par les termes « du présent Code ». (70) Art.38 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 3 van de ordonnantie van 30 juli 1992, art. 12 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en art. 25 van de ordonnantie van 19 februari 2004. In § 2, worden de woorden « van deze ordonnantie vervangen door de woorden « van dit Wetboek ». (71) Art.42 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 13 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et remplacé par l'art. 26 de l'ordonnance du 19 février 2004. (72) Art.42 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 13 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en vervangen door art. 26 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (73) Art.43 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 14 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et remplacé par l'art. 27 de l'ordonnance du 19 février 2004. (74) Art.43 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 14 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en vervangen door art. 27 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (75) Art.44 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 15 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et l'art. 28 de l'ordonnance du 19 février 2004. (76) Art.44 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993, art. 15 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en art. 28 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (77) Les termes « à l'article 42, cinquième alinéa » sont remplacés par les termes « à l'article 42, § 3 » à l'art.45 de l'ordonnance du 29 août 1991 suite à sa modification par l'art. 7 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire, afin de corriger une erreur de référence. (78) De woorden « in artikel 42, vijfde lid » worden vervangen door de woorden « in artikel 42, § 3 » in art.45 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 tengevolge van zijn wijziging door art. 7 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, om een verwijzingsfout te verbeteren. (79) Art.45 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 16 de l'ordonnance du 18 juillet 2002, l'art. 29 de l'ordonnance du 19 février 2004 et l'art. 7 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire. Au § 3, les termes « de la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « du présent Code ». (80) Art.45 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993, art. 16 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en art. 29 van de ordonnantie van 19 februari 2004 en art. 7 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening. In § 3 worden de woorden « van deze ordonnantie » vervangen door de woorden « van dit Wetboek ». (81) Art.46 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 18 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et l'art. 30 de l'ordonnance du 19 février 2004. (82) Art.46 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 18 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en art. 30 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (83) Art.47 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que rétabli par l'art. 31 de l'ordonnance du 19 février 2004. (84) Art.47 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals hersteld door art. 31 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (85) Art.48 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (86) Art.48 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 zoals gewijzigd door art. l 2 van de ordonnantie van 23 november 1993. (87) Art.49, avant dernier alinéa, de l'ordonnance du 29 août 1991 tel que remplacé par l'art. 8 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire. L'avant dernier alinéa disposait : « Le plan est accompagné d'un exposé des motifs, sans valeur réglementaire, du rapport d'incidences ou, le cas échéant, de l'étude d'incidences, visés à l'article 56bis ou à l'article 58bis, C, ainsi que d'une annexe indiquant, s'il y a lieu, les dispositions qui, en vertu de l'article 50 dérogent aux plans supérieurs. » (88) Art.49, voorlaatste lid, van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals vervangen door art. 8 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening. Het voorlaatste lid stelde : « Bij het plan wordt een memorie van toelichting, zonder verordenende waarde gevoegd, en het effectenverslag of, in voorkomend geval, de effectenstudie, bedoeld in artikel 56bis of in artikel 58bis, c, alsmede, indien nodig, een bijlage die de bepalingen vermeldt die krachtens artikel 50 van de hogere plannen afwijken. » (89) Art.49 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 5 de l'ordonnance du 30 juillet 1992, l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 3 de l'ordonnance du 5 juin 1997, l'art. 17 de l'ordonnance du 16 juillet 1998, l'art. 19 de l'ordonnance du 18 juillet 2002, l'art. 32 de l'ordonnance du 19 février 2004 et l'art. 8 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire. (90) Art.49 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 zoals gewijzigd door art. 5 van de ordonnantie van 30 juli 1992, art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993, art. 3. van de ordonnantie van 5 juni 1997, art. 17 van de ordonnantie van 16 juli 1998, art. 19 van de ordonantie van 18 juli 2002 en art. 32 van de ordonnantie van 19 februari 2004 en art. 8 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening. (91) Art.50 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 18 de l'ordonnance du 16 juillet 1998, l'art. 20 de l'ordonnance du 18 juillet 2002, et l'art. 9 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire qui dispose : « les modifications suivantes sont apportées : 1° à l'alinéa 1er, 2°, les termes « ces plans ont été adoptés ou approuvés » sont remplacés par les termes « le plan régional d'affectation du sol a été adopté ou approuvé » 2° à l'alinéa 2, les termes « les dispositions des plans » sont remplacés par les termes « les dispositions du plan régional d'affectation du sol ». Ces modifications sont justifiées par la suppression des volets réglementaires du plan régional de développement et du plan communal de développement. (92) Art.50 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 18 van de ordonnantie van 16 juli 1998, art. 20 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en art. 9 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening dat stelt : « de volgende wijzigingen worden aangebracht : 1° in het eerste lid, 2° worden de woorden « deze plannen werden vastgesteld of goedgekeurd « vervangen door de woorden « het gewestelijk plan werd vastgesteld of goedgekeurd « 2° in het tweede lid worden de woorden « de bepalingen van de plannen » vervangen door de woorden « de bepalingen van het gewestelijk bestemmingsplan ». Deze wijzigingen zijn gerechtvaardigd door de opheffing van de verordenende luiken van het gewestelijk ontwikkelingsplan en van de gemeentelijke ontwikkelingsplannen. (93) Art.51 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 6 de l'ordonnance du 30 juillet 1992, l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 4 de l'ordonnance du 5 juin 1997 et l'art. 3 de l'ordonnance du 20 mai 1999 et remplacé par l'art. 33 de l'ordonnance du 19 février 2004. Aux §§1er et 2, les termes « de la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « du présent Code ». (94) Art.51 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 6 van de ordonnantie van 30 juli 1992, art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993, art. 4 van de ordonnantie van 5 juni 1997 en art. 3 van de ordonnantie van 20 mei 1999 en vervangen door art. 33 van de ordonnantie van 19 februari 2004. In de §§ 1 en 2, worden de woordedn « van deze ordonnantie » vervangen door de woorden « van dit Wetboek ». (95) Art.52 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 4 de l'ordonnance du 20 mai 1999 et l'art. 21 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et remplacé par l'art. 34 de l'ordonnance du 19 février 2004. (96) Art.52 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993, art. 4 van de ordonnantie van 20 mei 1999 en art. 21 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en vervangen door art. 34 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (97) Art.53 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 7 de l'ordonnance du 30 juillet 1992, les art. 2 et 5 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 5 de l'ordonnance du 5 juin 1997, l'art. 5 de l'ordonnance du 20 mai 1999 et l'art. 22 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et remplacé par l'art. 35 de l'ordonnance du 19 février 2004. (98) Art.53 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 7 van de ordonnantie van 30 juli 1992, art. 2 en 5 van de ordonnantie van 23 november 1993, art. 5 van de ordonnantie van 5 juni 1997, art. 5 van de ordonnantie van 20 mei 1999 en art. 22 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en vervangen door art. 35 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (99) Art.54, § 2, dernier alinéa, de l'ordonnance du 29 août 1991, le terme « communal » est inséré après le terme « conseil » par l'art. 10, alinéa 1er, 1° de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire, en vue de répartir de manière cohérente les compétences au niveau communal en matière d'élaboration d'un plan particulier d'affectation du sol. (100) Art 54, § 2, laatste lid, van de ordonnantie van 29 augustus 1991, wordt het woord « raad » vervangen door het woord « gemeenteraad » door art.10, eerste lid, 1° van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening om de bevoegdheden op gemeentelijk vlak inzake uitwerking van een bijzonder bestemmingsplan op coherente wijze te verdelen. (101) Art.54, § 3, alinéa 3, de l'ordonnance du 29 août 1991, les termes « le collège des bourgmestre et échevins » sont remplacés par les termes « le conseil communal » par l'art. 10, alinéa 1er, 2° de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire, en vue de répartir de manière cohérente les compétences au niveau communal en matière d'élaboration d'un plan particulier d'affectation du sol. (102) Art.54, § 3, derde lid, van de ordonnantie van 29 augustus 1991, worden de woorden « het college van burgemeester en schepenen vervangen door de woorden « de gemeenteraad » door art. 10, eerste lid, 2° van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening om de bevoegdheden op gemeentelijk vlak inzake uitwerking van een bijzonder bestemmingsplan op coherente wijze te verdelen. (103) Art.54 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 8 de l'ordonnance du 30 juillet 1992, l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 8 de l'ordonnance du 20 mai 1999 et remplacé par l'art. 37 de l'ordonnance du 19 février 2004. L'art. 54 § 3, al. 3 dispose : « Si le Gouvernement n'approuve pas le choix de l'auteur de projet, il invite le collège des bourgmestre et échevins à lui faire parvenir de nouvelles propositions. Le Gouvernement statue sur le choix de l'auteur de projet et notifie sa décision au collège des bourgmestre et échevins dans les quinze jours de la réception de nouvelles propositions. » (104) Art.54 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 8 van de ordonnantie van 30 juli 1992, art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 8 van de ordonnantie van 20 mei 1999 en vervangen door art. 37 van de ordonnantie van 19 februari 2004. Art.54 § 3, 3e lid stelt : « Wanneer de Regering de keuze van de projectleider niet goedkeurt, verzoekt zij het college van burgemeester en schepenen haar nieuwe voorstellen te doen toekomen. De Regering beslist over de keuze van de projectleider en maakt haar beslissing kenbaar aan het college van burgemeester en schepenen binnen vijftien dagen na de ontvangst van de nieuwe voorstellen. » (105) Art.55 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 9 de l'ordonnance du 20 mai 1999 et remplacé par l'art. 38 de l'ordonnance du 19 février 2004. (106) Art.55 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 9 van de ordonnantie van 20 mei 1999 en vervangen door art. 38 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (107) Art.56 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 9 de l'ordonnance du 30 juillet 1992, l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 21 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et remplacé par l'art. 39 de l'ordonnance du 19 février 2004. (108) Art.56 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 9 van de ordonnantie van 30 juli 1992, art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 21 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en vervangen door art. 39 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (109) Art.57 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 10 de l'ordonnance du 30 juillet 1992, l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 23 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et remplacé par l'art. 41 de l'ordonnance du 19 février 2004. (110) Art.57 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 10 van de ordonnantie van 30 juli 1992, art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 12 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en vervangen door art. 41 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (111) Art.58 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 11 de l'ordonnance du 20 mai 1999 et remplacé par l'art. 42 de l'ordonnance du 19 février 2004. (112) Art.58 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 11 van de ordonnantie van 20 mei 1999 en vervangen door art. 42 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (113) Art.58bis de l'ordonnance du 29 août 1991 remplacé par l'art. 44 de l'ordonnance du 19 février 2004 (qui reprend le texte de l'art. 55 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 9 de l'ordonnance du 20 mai 1999) . (114) Art.58bis van de ordonnantie van 29 augustus 1991 vervangen door art. 44 van de ordonnantie van 12 februari 2004 (dat de tekst herneemt van art. 55 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 9 van de ordonnantie van 20 mei 1999) . (115) Art.59 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 12 de l'ordonnance du 30 juillet 1992, l'art. 13 de l'ordonnance du 20 mai 1999, l'art. 7 de l'ordonnance du 14 décembre 2000 et l'art. 24 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et remplacé par l'art. 45 de l'ordonnance du 19 février 2004. (116) Art.59 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 12 van de ordonnantie van 30 juli 1992, art. 13 van de ordonnantie van 20 mei 1999, art. 7 van de ordonnantie van 14 december 2000 en art. 24 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en vervangen door art. 45 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (117) Art.60 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 25 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (118) Art.60 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 25 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (119) Art.61 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 26 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (120) Art.61 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 26 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (121) Art.62 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 13 de l'ordonnance du 30 juillet 1992, l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 14 de l'ordonnance du 20 mai 1999, l'art. 8 de l'ordonnance du 14 décembre 2000 et l'art. 46 de l'ordonnance du 19 février 2004. (122) Art.62 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 13 van de ordonnantie van 30 juli 1992, art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993, art. 14 van de ordonnantie van 20 mei 1999, art. 8 van de ordonnantie van 14 december 2000 en art. 46 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (123) Art.63 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 9 de l'ordonnance du 14 décembre 2000 et l'art. 47 de l'ordonnance du 19 février 2004. (124) Art.63 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993, art. 9 van de ordonnantie van 14 december 2000 en art. 47 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (125) Art.65 de l'ordonnance du 29 août 1991. (126) Art.65 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (127) Art.65bis de l'ordonnance du 29 août 1991, inséré par l'art. 19 de l'ordonnance du 16 juillet 1998 et modifié par l'art. 11 de l'ordonnance du 14 décembre 2000 et l'art. 48 de l'ordonnance du 19 février 2004. (128) Les termes de la version néerlandaise de l'art.65bis de l'ordonnance du 29 août 1991 « geheel of gedeelte van de perimeter van » sont remplacés par les termes « het geheel of een gedeelte van de perimeter van" ».

In art. 65bis van de ordonnantie van 29 augustus 1991 worden in de Nederlandse versie de woorden « geheel of gedeelte van de perimeter van » vervangen door de woorden « het geheel of een gedeeelte van de perimeter van » (129) Art.65bis van de ordonnantie van 29 augustus 1991, ingelast door art. 19 van de ordonnantie van 16 juli 1998 en gewijzigd door art. 11 van de ordonnantie van 14 december 2000 en art. 48 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (130) Art.65ter de l'ordonnance du 29 août 1991, inséré par l'art. 19 de l'ordonnance du 16 juillet 1998 et modifié par l'art. 21 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (131) Art.65ter van de ordonnantie van 29 augustus 1991, ingelast door art. 19 van de ordonnantie van 16 juli 1998 en gewijzigd door art. 21 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (132) Art.65quater de l'ordonnance du 29 août 1991, inséré par l'art. 19 de l'ordonnance du 16 juillet 1998. (133) Art.65quater van de ordonnantie van 29 augustus 1991, ingelast door art. 19 van de ordonnantie van 16 juli 1998. (134) Art.65quinquies de l'ordonnance du 29 août 1991, inséré par l'art. 19 de l'ordonnance du 16 juillet 1998. (135) Art.65quinquies van de ordonnantie van 29 augustus 1991, ingelast door art. 19 van de ordonnantie van 16 juli 1998. (136) Art.65sexies de l'ordonnance du 29 août 1991, inséré par l'art. 12 de l'ordonnance du 14 décembre 2000. (137) Art.65sexies van de ordonnantie van 29 augustus, ingelast door art. 12 van de ordonnantie van 14 december 2000. (138) Art.65septies de l'ordonnance du 29 août 1991, inséré par l'art. 12 de l'ordonnance du 14 décembre 2000. (139) Art.65sexies van de ordonnantie van 29 augustus 1991, ingelast door art. 12 van de ordonnantie van 14 december 2000 (140) Art.5 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 26 mars 1998, l'art. 2 de l'ordonnance du 16 juillet 1998, l'art. 2 de l'ordonnance du 14 décembre 2000 et l'art. 18 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et remplacé par l'art. 4 de l'ordonnance du 19 février 2004 qui dispose : « Le Gouvernement confère force obligatoire et valeur réglementaire aux plans d'affectation du sol. Les plans demeurent en vigueur jusqu'au moment où ils sont en tout ou en partie modifiés ou abrogés. » Art. 66 de l'ordonnance du 29 août 1991 qui dispose « Le plan particulier d'affectation du sol a force obligatoire et valeur réglementaire en toutes ses dispositions. » (141) Art.5 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 26 maart 1998, art. 2 van de ordonnantie van 16 juli 1998, art. 2 van de ordonnantie van 14 december 2000 en art. 18 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en vervangen door art. 4 van de ordonnantie van 19 februari 2004 dat stelt : « De Regering verleent bindende kracht en verordenende waarde aan de bestemmingsplannen De plannen blijven van kracht tot op het ogenblik dat ze volledig of gedeeltelijk gewijzigd of opgeheven worden. » Art. 66 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 dat stelt « Het gewestelijk bestemmingsplan heeft bindende kracht en verordenende waarde in al zijn bepalingen. » (142) Art.6 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 4 de l'ordonnance du 16 juillet 1998 et l'art. 5 de l'ordonnance du 19 février 2004 qui dispose : « Les prescriptions des plans peuvent impliquer des restrictions à l'usage de la propriété, l'interdiction de bâtir y comprise. » (143) Art.6 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 4 van de ordonnantie van 16 juli 1998 en art. 5 van de ordonnantie van 19 februari 2004 dat stelt : « De bepalingen van de plannen kunnen beperkingen op vlak van het gebruik van de eigendom inhouden met inbegrip van bouwverbod. » (144) Art.67 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (145) Art.67 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993. (146) Art.67bis de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 7 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et modifié par l'art. 27 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (147) Art.67bis van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 7 van de ordonnantie van 23 november 1993 en gewijzigd door art. 27 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (148) Art.67ter de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 20 de l'ordonnance du 16 juillet 1998 et remplacé par l'art. 50 de l'ordonnance du 19 février 2004. (149) Art.67ter van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 20 van de ordonnantie van 16 juli 1998 en vervangen door art. 50 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (150) Art.68 de l'ordonnance du 29 août 1991. A l'alinéa 2, les termes « de la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « du présent titre ». (151) Art.68 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. In het tweede lid worden de woorden « van deze ordonnantie » vervangen door de woorden « van dit Wetboek ». (152) Art.69 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (153) Art.69 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993. (154) Art.70 de l'ordonnance du 29 août. (155) Art.70 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (156) Art.71 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 8 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (157) Art.71 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 8 van de ordonnantie van 23 november 1993. (158) Art.72 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 21 de l'ordonnance du 16 juillet 1998 et l'art. 28 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (159) Art.72 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993, art. 21 van de ordonnantie van 16 juli 1998 en art. 28 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (160) Art.73 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (161) Art.73 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993. (162) Art.74 de l'ordonnance du 29 août 1991. (163) Art.74 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (164) Art.74bis de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 29 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (165) Art.74bis van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 29 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (166) Art.75 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 30 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (167) Art.75 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 30 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (168) Art.76 de l'ordonnance du 29 août 1991. (169) Art.76 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (170) Art.77 de l'ordonnance du 29 août 1991, à l'alinéa 2, les termes « aux articles 69, 70, 71, 72, 73 et 74 » sont remplacés par « aux articles 69 à 74bis » par l'art. 12 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire, afin de corriger l'oubli de l'art. 74bis de l'ordonnance du 29 août 1991 dans les références citées à l'art. 77, alinéa 2, de la même ordonnance. A l'alinéa 1er, les termes « de la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « du présent chapitre » (171) Art.77 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, in het tweede lid, worden de woorden « de artikelen 69, 70, 71, 72, 73 en 74 » vervangen door « de artikelen 69 tot 74bis » door art. 12 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, om de vergetelheid van art. 74bis van de ordonnantie van 29 augustus 1991 te verbeteren in de in art. 77, tweede lid, van dezelfde ordonnantie aangehaalde verwijzingen. In het eerste lid worden de woorden « van deze ordonnantie » vervangen door de woorden « van dit Wetboek ». (172) Art.77 de l'ordonnance du 29 août 1991 qui dispose : « Les plans d'expropriation pris en application de la présente ordonnance cessent de produire leurs effets au terme d'un délai de dix ans.

Lorsque l'autorité compétente souhaite poursuivre la réalisation de dispositions visées à l'article 68 au-delà du terme de dix ans, il est procédé conformément aux articles 69, 70, 71, 72, 73 et 74.

Dans ce cas, le propriétaire peut solliciter une indemnité dans les limites prévues à l'article 79 sans préjudice des indemnités lui revenant lors de l'expropriation. ». (173) Art.77 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 dat stelt « De krachtens deze ordonnantie genomen onteigeningsplannen houden op te gelden na een termijn van tien jaar » Wanneer de bevoegde overheid de verwezenlijking van de in artikel 68 bedoelde bepalingen na de termijn van tien jaar wenst verder te zetten, wordt te werk gegaan overeenkomstig de artikelen 69,70,71,72,73 en 74.

In dit geval kan de eigenaar eeen vergoeding aanvragen binnen de bij artikel 79 bepaalde grenzen onverminderd de vergoedingen die hem ter gelegenheid van de onteigening toekomen. » (174) Art.78 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (175) Art.78 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993. (176) Art.79 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 31 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. Au § 1er, alinéa 3, les termes « de la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « du présent Code ». (177) Art.79 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 31 van de ordonnantie van 18 juli 2002. In § 1, derde lid, worden de woorden « van deze ordonnantie » vervangen door de woorden « van dit Wetboek ». (178) Art.79bis de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 32 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (179) Les termes de la version néerlandaise de l'art.79bis de l'ordonnance du 29 août 1991 « de verordeningen » sont remplacés par les termes « de vorderingen ».

In art. 79bis van de ordonnantie van 29 augustus 1991 worden in de Nederlandse versie de woorden « de verordeningen » vervangen door de woorden « de vorderingen ». (180) Art.79bis van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 32 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (181) Art.80 de l'ordonnance du 29 août 1991. (182) Art.80 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (183) Art.81 de l'ordonnance du 29 août 1991. (184) Art.81 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (185) Art.82 de l'ordonnance du 29 août 1991. (186) Art.82 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (187) Art.83 de l'ordonnance du 29 août 1991. (188) Art.83 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (189) Art.2 alinéa 2 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 16 juillet 1998 et l'art. 2 de l'ordonnance du 19 février 2004 qui dispose : « Le développement de la Région de Bruxelles-Capitale est conçu et l'aménagement du territoire ainsi que l'urbanisme de la Région de Bruxelles-Capitale sont fixés par les plans et règlements suivants : 1. le plan régional de développement;2. le plan régional d'affectation du sol;3. les plans communaux de développement;4. le plan particulier d'affectation du sol;5. les règlements régionaux d'urbanisme;6. les règlements communaux d'urbanisme.». (190) Art.2, 2e lid van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 16 juli 1998 en vervangen door art. 2 van de ordonnantie van 19 februari 2004 dat stelt dat « De ontwikkeling van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de ordening van zijn grondgebied worden bepaald voor de volgende plannen : 1. het gewestelijk ontwikkelingsplan;2. het gewestelijk bestemmingsplan;3. de gemeentelijke ontwikkelingsplannen;4. het bijzonder bestemmingsplan 5.de gewestelijke stedenbouwkundige verordeningen; 6. de gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen ».(191) Art.164 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (192) Art.164 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993. (193) Le terme « soixante » a été remplacé par le terme « trente » à l'art.165, § 2, alinéa 3, de l'ordonnance du 29 août 1991, par l'art. 15 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire. (194) Het woord « zestig » werd vervangen door het woord « dertig » in art.165, § 2, derde lid, van de ordonnantie van 29 augustus 1991, door art. 15 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening. (195) Art.165 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 34 de l'ordonnance du 30 juillet 1992, l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 54 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (196) Art.165 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 34 van de ordonnantie van 30 juli 1992, art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 54 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (197) Art.166 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 10 décembre 1999. (198) Art.166 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 10 december 1999. (199) Art.167 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 87 de l'ordonnance du 19 février 2004. (200) Art.167 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 87 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (201) Art.168 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 29 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (202) Art.168 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 29 van de ordonnantie van 23 november 1993. (203) Art.169 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (204) Art.169 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993. (205) Art.170 de l'ordonnance du 29 août 1991. (206) Art.170 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (207) Art.171 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 30 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (208) Art.171 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 30 van de ordonnantie van 23 november 1993. (209) Art.172 de l'ordonnance du 29 août 1991. (210) Art.172 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (211) Art.173 de l'ordonnance du 29 août 1991. (212) Art.173 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (213) Art.84 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 15 de l'ordonnance du 30 juillet 1992, l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 18 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et l'art. 51 de l'ordonnance du 19 février 2004. Au § 3, les termes « de la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « du présent Code ». (214) Art.84 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 15 van de ordonnantie van 30 juli 1992, art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993, art. 18 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en art. 51 van de ordonnantie van 19 februari 2004. In § 3 worden de woorden « van deze ordonnantie » vervangen door de woorden « van dit Wetboek ». (215) Art.85 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 33 de l'ordonnance du 16 juillet 1998 et l'art. 52 de l'ordonnance du 19 février 2004. (216) Art.85 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 33 van de ordonnantie van 16 juli 1998 en art. 52 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (217) Art.86 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que remplacé par l'art. 34 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et remplacé par l'art. 53 de l'ordonnance du 19 février 2004. (218) Art.86 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals vervangen door art. 34 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en vervangen door art. 53 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (219) Art.87 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 17 de l'ordonnance du 30 juillet 1992, les art. 2 et 12 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 10 de l'ordonnance du 5 juin 1997 et remplacé par l'art. 54 de l'ordonnance du 19 février 2004. Au § 3, les termes « de la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « du présent Code ».(220) Art.87 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 17 van de ordonnantie van 30 juli 1992, de art. 2 en 12 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 10 van de ordonnantie van 5 juni 1997 en vervangen door art. 54 van de ordonnantie van 19 februari 2004. In § 3 worden de woorden « van deze ordonnantie » vervangen door de woorden « van dit Wetboek ». (221) Art.88 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 18 de l'ordonnance du 30 juillet 1992, l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 35 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (222) Art.88 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 18 van de ordonnantie van 30 juli 1992, art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 35 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (223) Art.89 de l'ordonnance du 29 août 1991. (224) Art.89 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (225) Art.90 de l'ordonnance du 29 août 1991. (226) Art.90 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (227) Art.91 de l'ordonnance du 29 août 1991. (228) Art 91 van de ordonnantie van 29 augustus 1991.(229) Art.91bis de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 13 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (230) Art.91bis van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 13 van de ordonnantie van 23 november 1993. (231) Art.92 de l'ordonnance du 29 août 1991. (232) Art.92 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (233) Art.93 de l'ordonnance du 29 août 1991. (234) Art.93 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (235) Art.94 de l'ordonnance du 29 août 1991. (236) Art.94 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (237) Art.95 de l'ordonnance du 29 août 1991. (238) Art.95 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (239) Art.96 de l'ordonnance du 29 août 1991. (240) Art.96 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (241) Art.97 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que remplacé par l'art. 36 de l'ordonnance du 18 juillet 2003 et remplacé par l'art. 55 de l'ordonnance du 19 février 2004. (242) Art.97 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals vervangen door art. 36 van de ordonnantie van 18 juli 2003 en vervangen door art. 55 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (243) Art.98 de l'ordonnance du 29 août 1991. (244) Art.98 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (245) Art.99 de l'ordonnance du 29 août 1991. (246) Art.99 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (247) Art.100 de l'ordonnance du 29 août 1991. (248) Art.100 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (249) Art.101 de l'ordonnance du 29 août 1991. (250) Art.101 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (251) Art.101bis de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 56 de l'ordonnance du 19 février 2004. (252) Art.101bis van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 56 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (253) Art.102 de l'ordonnance du 29 août 1991. (254) Art.102 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (255) Art.103 de l'ordonnance du 29 août 1991. (256) Art.103 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (257) Art.104 de l'ordonnance du 29 août 1991. (258) Art.104 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (259) Art.105 de l'ordonnance du 29 août 1991. (260) Art.105 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (261) Art.106 de l'ordonnance du 29 août 1991. (262) Art.106 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (263) Art.107 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (264) Art.107 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993. (265) Art.108 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 20 de l'ordonnance du 30 juillet 1992, les art. 2 et 14 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 11 de l'ordonnance du 5 juin 1997 et l'art. 57 de l'ordonnance du 19 février 2004. (266) Art.108 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 20 van de ordonnantie van 30 juli 1992, de art. 2 en 14 van de ordonnantie van 23 november 1993, art. 11 van de ordonnantie van 5 juni 1997 en art. 57 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (267) Art.109 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 21 de l'ordonnance du 30 juillet 1992, l'art. 15 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 2 de l'ordonnance du 4 avril 1996, l'art. 37 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et l'art. 58 de l'ordonnance du 19 février 2004. (268) Art.109 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 21 van de ordonnantie van 30 juli 1992, art. 15 van de ordonnantie van 23 november 1993, art. 2 van de ordonnantie van 4 april 1996, art. 37 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en art. 58 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (269) Art.110 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 3 de l'ordonnance du 4 avril 1996 et l'art. 59 de l'ordonnance du 19 février 2004. (270) Art.110 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 3 van de ordonnantie van 4 april 1996 en art. 59 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (271) Art.111 A de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 12 de l'ordonnance du 5 juin 1997 et l'art. 60 de l'ordonnance du 19 février 2004. (272) Art.111 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art.12 van de ordonnantie van 5 juni 1997 en art. 60 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (273) Art.111 B de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 12 de l'ordonnance du 5 juin 1997 et modifié par l'art. 24 de l'ordonnance du 16 juillet 1998 et l'art. 61 de l'ordonnance du 19 février 2004. Au § 1er et § 2, alinéa 2, les termes « de la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « du présent Code ». (274) Art.111 B van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art.12 van de ordonnantie van 5 juni 1997 en gewijzigd door art. 24 van de ordonnantie van 16 juli 1998 en art. 61 van de ordonnantie van 19 februari 2004. In de §§ 1 en 2, tweede lid, worden de woorden « van deze ordonnantie » vervangen door de woorden « van dit Wetboek ». (275) Art.111 C de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 12 de l'ordonnance du 5 juin 1997 et modifié par l'art. 62 de l'ordonnance du 19 février 2004. Au § 1er, alinéa 1, les termes « du présent Code », sont ajoutés après les termes « annexe A ». (276) Art.111 C van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art.12 van de ordonnantie van 5 juni 1997 en gewijzigd door art. 62 van de ordonnantie van 19 februari 2004. In § 1, eerste lid, worden de woorden « van dit Wetboek » toegevoegd na de woorden « bijlage A ». (277) Art.111 D de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 12 de l'ordonnance du 5 juin 1997. Au § 2, les termes « du présent Code », sont ajoutés après les termes « annexes A et B ». (278) Art.111 D van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 12 van de ordonnantie van 5 juni 1997. In § 2, worden de woorden « van dit Wetboek » toegevoegd na de woorden « bijlagen A en B ». (279) Art.111 E de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 12 de l'ordonnance du 5 juin 1997. (280) Art.111 E van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 12 van de ordonnantie van 5 juni 1997. (281) Art.111 F de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 12 de l'ordonnance du 5 juin 1997. (282) Art.111 F van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 12 van de ordonnantie van 5 juni 1997. (283) Art.111 G de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 12 de l'ordonnance du 5 juin 1997. (284) Art.111 G van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art.12 van de ordonnantie van 5 juni 1997. (285) Art.111 H de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 12 de l'ordonnance du 5 juin 1997. (286) Art.111 H van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 12 van de ordonnantie van 5 juni 1997. (287) Art.111 I de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 12 de l'ordonnance du 5 juin 1997. (288) Art.111 I van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 12 van de ordonnantie van 5 juni 1997. (289) Art.111 J de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 12 de l'ordonnance du 5 juin 1997. (290) Art.111 J van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 12 van de ordonnantie van 5 juni 1997. (291) Art.111 K de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 12 de l'ordonnance du 5 juin 1997. (292) Art.111 K van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art.12 van de ordonnantie van 5 juni 1997. (293) Art.111 L de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 12 de l'ordonnance du 5 juin 1997. (294) Art.111 L van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art.12 van de ordonnantie van 5 juni 1997. (295) Art.111 M de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 12 de l'ordonnance du 5 juin 1997. (296) Art.111 M van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art.12 van de ordonnantie van 5 juni 1997. (297) Art.111 N de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 12 de l'ordonnance du 5 juin 1997. (298) Art.111 N van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art.12 van de ordonnantie van 5 juni 1997. (299) Art.111 O de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 12 de l'ordonnance du 5 juin 1997. (300) Art.111 O van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art.12 van de ordonnantie van 5 juni 1997. (301) Art.111 P de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 12 de l'ordonnance du 5 juin 1997 et modifié par l'art. 26 de l'ordonnance du 16 juillet 1998 et l'art. 63 de l'ordonnance du 19 février 2004. Au § 1er et § 2, alinéa 2, les termes « de la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « du présent Code ». (302) Art.111 P van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 12 van de ordonnantie van 5 juni 1997 en gewijzigd door art. 26 van de ordonnantie van 16 juli 1998 en art. 63 van de ordonnantie van 19 februari 2004. In de §§ 1 en 2, tweede lid, worden de woorden « van deze ordonnantie » vervangen door de woorden « van dit Wetboek ». (303) Art.111 Q de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 12 de l'ordonnance du 5 juin 1997 et modifié par l'art. 64 de l'ordonnance du 19 février 2004. A l'alinéa 1er, les termes « du présent Code », sont ajoutés après les termes « annexe B ». (304) Art.111 Q van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 12 van de ordonnantie van 5 juni 1997 en gewijzigd door art. 64 van de ordonnantie van 19 februari 2004. In het eerste lid, worden de woorden « van dit Wetboek » toegevoegd na de woorden « bijlage B ». (305) Art.111 R de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 12 de l'ordonnance du 5 juin 1997. (306) Art.111 R van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 12 van de ordonnantie van 5 juni 1997. (307) Art.111 S de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 12 de l'ordonnance du 5 juin 1997. (308) Art.111 S van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 12 van de ordonnantie van 5 juni 1997. (309) Art.111 T de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 12 de l'ordonnance du 5 juin 1997. (310) Art.111 T van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 12 van de ordonnantie van 5 juni 1997. (311) Art.111 U de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 12 de l'ordonnance du 5 juin 1997. (312) Art.111 U van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 12 van de ordonnantie van 5 juni 1997. (313) Art.111 V de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 12 de l'ordonnance du 5 juin 1997. (314) Art.111 V van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 12 van de ordonnantie van 5 juni 1997. (15) Art.112 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 26 de l'ordonnance du 16 juillet 1998, l'art. 38 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et l'art. 65 de l'ordonnance du 19 février 2004. (316) Art.112 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 26 van de ordonnantie van 16 juli 1998, art. 38 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en art. 65 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (317) Art.113 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 4 de l'ordonnance du 4 avril 1996 et l'art. 66 de l'ordonnance du 19 février 2004. (318) Art.113 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 4 van de ordonnantie van 4 april 1996 en art. 66 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (319) Art.114 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 5 de l'ordonnance du 4 avril 1996 et l'art. 13 de l'ordonnance du 5 juin 1997. (320) Art.114 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 5 van de ordonnantie van 4 april 1996 en art. 13 van de ordonnantie van 5 juni 1997. (321) Art.115 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et remplacé par l'art. 67 de l'ordonnance du 19 février 2004. (322) Art.115 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art.2 van de ordonnantie van 23 november 1993 en vervangen door art. 67 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (323) Art.116 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 23 de l'ordonnance du 30 juillet 1992, les art. 2 et 16 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 6 de l'ordonnance du 4 avril 1996, l'art. 27 de l'ordonnance du 16 juillet 1998, l'art. 15 de l'ordonnance du 20 mai 1999, l'art. 39 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et l'art. 68 de l'ordonnance du 19 février 2004. (324) Art.116 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 23 van de ordonnantie van 30 juli 1992, art. 2 en 16 van de ordonnantie van 23 november 1993 art. 6 van de ordonnantie van 4 april 1996, art. 27 van de ordonnantie van 16 juli 1998, art. 15 van de ordonnantie van 20 mei 1999, art. 39 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en art. 68 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (325) Art.117 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 14 de l'ordonnance du 14 décembre 2000. (326) Art.117 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 14 van de ordonnantie van 14 december 2002. (327) Art.118 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 24 de l'ordonnance du 30 juillet 1992, les art. 2 et 17 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 7 de l'ordonnance du 4 avril 1996, l'art. 29 de l'ordonnance du 16 juillet 1998, l'art. 16 de l'ordonnance du 20 mai 1999 et l'art. 69 de l'ordonnance du 19 février 2004. (328) Art.118 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 24 van de ordonnantie van 30 juli 1992, de art. 2 en 17 van de ordonnantie van 23 november 1993, art. 7 van de ordonnantie van 4 april 1996, art. 29 van de ordonnantie van 16 juli 1998, art. 16 van de ordonnantie van 20 mei 1999 en art. 69 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (329) Art.119 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 25 de l'ordonnance du 30 juillet 1992, les art. 2 et 18 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 8 de l'ordonnance du 4 avril 1996 et l'art. 14 de l'ordonnance du 5 juin 1997. (330) Art.119 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 25 van de ordonnantie van 30 juli 1992, de art. 2 en 18 van de ordonnantie van 23 november 1993, art. 8 van de ordonnantie van 4 april 1996 en art. 14 van de ordonnantie van 5 juni 1997. (331) Art.120 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 5 de l'ordonnance du 14 décembre 2000. (332) Art.120 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 15 van de ordonnantie van 14 december 2000. (333) Art.121 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (334) Art.121 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993. (335) Art.122 de l'ordonnance du 29 août 1991. (336) Art.122 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (337) Art.124 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que remplacé par l'art. 9 de l'ordonnance du 4 avril 1996. (338) Art.124 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals vervangen door art. 9 van de ordonnantie van 4 april 1996. (339) Art.125 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 10 de l'ordonnance du 4 avril 1996, l'art. 29 de l'ordonnance du 16 juillet 1998, l'art. 18 de l'ordonnance du 20 mai 1999, l'art.16 de l'ordonnance du 14 décembre 2000 et l'art. 71 de l'ordonnance du 19 février 2004. (340) Art.125 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993, art. 10 van de ordonnantie van 4 april 1996, art. 29 van de ordonnantie van 16 juli 1998, art. 18 van de ordonnantie van 20 mei 1999, art. 16 van de ordonnantie van 14 december 2000 en art. 71 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (341) Art.126 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (342) Art.126 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993. (343) Art.127 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 27 de l'ordonnance du 30 juillet 1992, l'art. 72 de l'ordonnance du 19 février 2004, et l'art. 14 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire qui remplace les termes « 152,sexies, § 2 » par les termes « 152septies, § 2 », afin d'opérer une correction due à l'insertion par l'ordonnance du 19 février 2004 portant certaines mesures en matière d'aménagement du territoire d'un art. 152sexies relatif à l'avis du Service d'incendie et d'aide médicale urgente. L'art. 152sexies est en effet devenu l'art. 152septies. (344) Art.127 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 27 van de ordonnantie van 30 juli 1992, art. 72 van de ordonnantie van 19 februari 2004 en art. 14 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening, dat de woorden « 152,sexies, § 2 » vervangt door de woorden « 152septies, § 2 », om een verbetering aan te brengen tengevolge van de inlassing, door de ordonnantie van 19 februari 2004 betreffende sommige maatregelen inzake ruimtelijke ordening, van een art. 152sexies betreffende het advies van de Dienst Brandweer en Dringende Medische Hulp. Art. 152sexies is inderdaad art. 152septies geworden. (345) Art.128 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 11 de l'ordonnance du 4 avril 1996 et l'art. 40 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (346) Art.128 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 11 van de ordonnantie van 4 april 1996 en art. 40 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (347) Art.129 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 15 de l'ordonnance du 5 juin 1997 et l'art. 41 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (348) Art.129 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 15 van de ordonnantie van 5 juni 1997 en art. 41 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (349) Art.130 de l'ordonnance du 29 août 1991. (350) Art.130 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (351) Art.131 de l'ordonnance du 29 août 1991. (352) Art.131 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (353) Art.132 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 42 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (354) Art.132 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 42 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (355) Art.133 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (356) Art.133 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993. (357) Art.134 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (358) Art.134 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993. (359) Art.135 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 16 de l'ordonnance du 5 juin 1997. (360) Art.135 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 16 van de ordonnantie van 5 juni 1997. (361) Art.136 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 73 de l'ordonnance du 19 février 2004. (362) Art.136 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 73 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (363) Art.137 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 74 de l'ordonnance du 19 février 2004. (364) Art.137 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 74 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (365) Art.138 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 43 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (366) Art.138 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 43 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (367) Art.139 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 45 de l'ordonnance du 18 juillet 2002, l'art. 76 de l'ordonnance du 19 février 2004 et l'art. 27 de l'ordonnance du 18 décembre 2003. Les termes « l'inventaire » ont été remplacés par les termes « l'inventaire des sites d'activité inexploités », afin d'éviter toute confusion avec d'autres inventaires mentionnés dans le présent Code. (368) Art.139 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 45 van de ordonnantie van 18 juli 2002, art. 76 van de ordonnantie van 19 februari 2004 en art. 27 van de ordonnantie van 18 december 2003. De woorden « de inventaris » werden vervangen door de woorden « de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten » om elke verrwarring te vermijden met andere, in dit Wetboek vermelde. (369) Art.140 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 29 de l'ordonnance du 30 juillet 1992, l'art. 21 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 17 de l'ordonnance du 5 juin 1997, l'art. 46 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et l'art. 77 de l'ordonnance du 19 février 2004. (370) Art.140 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 29 van de ordonnantie van 30 juli 1992, art. 21 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 17 van de ordonnantie van 5 juni 1997, art. 46 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en art. 77 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (371) Art.141 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 47 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et l'art. 28 de l'ordonnance du 18 décembre 2003. (372) Art.141 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 47 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en art. 28 van de ordonnantie van 18 december 2003. (373) Art.142 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 30 de l'ordonnance du 30 juillet 1992, les art. 2 et 22 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 18 de l'ordonnance du 5 juin 1997, l'art. 31 de l'ordonnance du 16 juillet 1998 et l'art. 48 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (374) Art.142 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 30 van de ordonnantie van 30 juli 1992, de art. 2 en 22 van de ordonnantie van 23 november 1993, art. 18 van de ordonnantie van 5 juni 1997, art. 31 van de ordonnantie van 16 juli 1998 en art. 48 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (375) Art.143 de l'ordonnance du 29 août 1991. (376) Art.143 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (377) Art.144 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 49 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (378) Art.144 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 49 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (379) Art.145 de l'ordonnance du 29 août 1991. (380) Art.145 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (381) Art.146 de l'ordonnance du 29 août 1991. (382) Art.146 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (383) Art.147 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 78 de l'ordonnance du 19 février 2004. (384) Art.147 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 78 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (385) Art.148 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 50 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (386) Art.148 van de ordonnantie van 29 augustus, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 50 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (387) Art.149 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (388) Art.149 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993. (389) Art.150 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par les art. 2 et 23 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (390) Art.150 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 en 23 van de ordonnantie van 23 november 1993. (391) Art.151 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 79 de l'ordonnance du 19 février 2004. (392) Art.151 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 79 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (393) Art.152 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 51 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et l'art. 80 de l'ordonnance du 19 février 2004. A l'alinéa 4, les termes « de la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « du présent Code ». (394) Art.152 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993, art. 51 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en art. 80 van de ordonnantie van 19 februari 2004. In het vierde lid, worden de woorden « van deze ordonnantie » vervangen door de woorden « van dit Wetboek ». (395) Art.152bis de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 25 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (396) Art.152bis van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 25 van de ordonnantie van 23 november 1993. (397) Art.152 ter de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 25 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et modifié par l'art 19 de l'ordonnance du 5 juin 1997. (398) Art.152ter van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 25 van de ordonnantie van 23 november 1993 en gewijzigd door art. 19 van de ordonnantie van 5 juni 1997. (399) Art.152quater de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 25 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et modifié par l'art. 12 de l'ordonnance du 4 avril 1996. (400) Art.152 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 25 van de ordonnantie van 23 november 1993 en gewijzigd door art. 12 van de ordonnantie van 4 april 1996. (401) Art.152quinquies de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 52 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (402) Art.152quinquies van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 52 de ordonnantie van 18 juli 2002. (403) Art.152sexies de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 81 de l'ordonnance du 19 février 2004. (404) Art.152sexies van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 81 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (405) Art.152septies de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 82 de l'ordonnance du 19 février 2004. (406) Art.152septies van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 82 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (407) Art.153 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (408) Art.153 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993. (409) Art.154 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 13 de l'ordonnance du 4 avril 1996. (410) Art.154 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 13 van de ordonnantie van 4 april 1996. (411) Art.155 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (412) Art.155 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993. (413) Art.156 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 20 de l'ordonnance du 5 juin 1997. (414) Art.156 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 20 van de ordonnantie van 5 juni 1997. (415) Art.157 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (416) Art.157 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993. (417) Art.158 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 32 de l'ordonnance du 30 juillet 1992, l'art. 27 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 14 de l'ordonnance du 4 avril 1996, l'art. 21 de l'ordonnance du 5 juin 1997 et l'art. 83 de l'ordonnance du 19 février 2004. (418) Art.158 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 32 van de ordonnantie van 30 juli 1992, art. 27 van de ordonnantie van 23 november 1993, art. 14 van de ordonnantie van 4 april 1996, art. 21 van de ordonnantie van 5 juni 1997 en art. 83 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (419) Art.159 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (420) Art.159 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993. (421) Art.160 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 33 de l'ordonnance du 30 juillet 1992, l'art. 53 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et l'art. 84 de l'ordonnance du 19 février 2004. (422) Art.160 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 33 van de ordonnantie van 30 juli 1992, art. 53 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en art. 84 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (423) Art.161 de l'ordonnance du 29 août 1991. (424) Art.161 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (425) Art.162 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 28 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 22 de l'ordonnance du 5 juin 1997 et l'art. 85 de l'ordonnance du 19 février 2004. (426) Art.162 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 28 van de ordonnantie van 23 november 1993, art. 22 van de ordonnantie van 5 juni 1997 en art. 85 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (427) Art.163 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 32 de l'ordonnance du 16 juillet 1998 et l'art. 86 de l'ordonnance du 19 février 2004. (428) Art.163 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 32 van de ordonnantie van 16 juli 1998 en art. 86 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (429) Les termes « de la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « du présent titre ».(430) De woorden « van deze ordonnantie » worden vervangen door de woorden « van deze Titel ».(431) Art.2 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 103 de l'ordonnance du 19 février 2004. Les définitions 4°, 5°, 7° et 8° de l'art.2 ont été supprimées étant devenues sans objet en raison de la présente codification. (432) Art.2 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 103 van de ordonnantie van 19 februari 2004. De definities 4), 5°, 7° en 8° werden geschrapt, door deze codificatie hadden ze immers geen reden van bestaan meer. (433) Les termes « la Commission » ont été remplacés par les termes « la Commission royale des monuments et des sites », afin d'éviter toute confusion avec d'autres commissions mentionnées dans le présent Code.(434) De woorden « de Commissie » werden vervangen door de woorden « de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen » om elke verwarring te vermijden met andere, in dit Wetboek vermelde commissies.(435) Art.4 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 67 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et l'art. 102 de l'ordonnance du 19 février 2004. Les termes « l'inventaire » ont été remplacés par les termes « l'inventaire du patrimoine immobilier », afin d'éviter toute confusion avec d'autres inventaires mentionnés dans le présent Code. (436) Art.4 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 67 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en art. 102 van de ordonnantie van 19 februari 2004. De woorden « de inventaris » werden vervangen door de woorden « de inventaris van het onroerend erfgoed » om elke verwarring te vermijden met andere, in dit Wetboek vermelde inventarissen. (437) Art.5 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 102 de l'ordonnance du 19 février 2004. (438) Art.5 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 102 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (439) Art.6 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 105 de l'ordonnance du 19 février 2004. (440) Art.6 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 105 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (441) Les termes « la Commission » ont été remplacés par les termes « la Commission royale des monuments et des sites », afin d'éviter toute confusion avec d'autres commissions mentionnées dans le présent Code.(442) De woorden « de Commissie » werden vervangen door de woorden « de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen » om elke verwarring te vermijden met andere, in dit Wetboek vermelde commissies.(443) Les termes « fonctionnaire délégué désigné en exécution de l'ordonnance du 29 août 1991 organique de la planification et de l'urbanisme » ont été remplacés par les termes « fonctionnaire délégué » (444) De woorden « gemachtigde ambtenaar aangesteld bij uitvoering van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw » werden vervangen door de woorden « gemachtigde ambtenaar ».(445) Art.7, § 4, de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 23 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire : les termes « en vertu de l'article 38 », sont remplacés par les termes « en vertu des articles 38, alinéas 1er et 2 et 38ter ». Cette disposition vise à insérer l'art. 38ter dans les articles de l'ordonnance faisant référence à la procédure de remise en état des lieux suite à une infraction pour les biens inscrits sur la liste de sauvegarde. Elle vise également à préciser que seuls sont visés les alinéas 1er et 2 de l'art. 38. (446) Art.7, § 4, van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 23 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening : de woorden « krachtens artikel 38 », worden vervangen door de woorden « krachtens de artikelen 38, eerste en tweede lid en 38ter ». Deze bepaling is bedoeld om art. 38ter in te lassen in de artikelen van de ordonnantie die verwijzen naar de procedure voor het herstellen in de oorspronkelijke staat tengevolge van een misdrijf voor goederen die op de bewaarlijst ingeschreven staan. Zij is eveneens bedoeld om te preciseren dat enkel het eerste en het tweed lid van art. 38 bedoeld zijn. (447) Art.7 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par les art. 102 et 106 de l'ordonnance du 19 février 2004, et l'art. 23 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire. L'art. 7 § 3 alinéa 1er et § 4 disposent : « § 3 alinéa 1er. Le Gouvernement communique sa décision d'entamer la procédure d'inscription sur la liste de sauvegarde au fonctionnaire-délégué désigné en exécution de l'ordonnance du 29 août 1991 organique de la planification et de l'urbanisme. (Y) § 4. Dans les quinze jours de la notification de la décision d'entamer la procédure d'inscription sur la liste de sauvegarde, le propriétaire est tenu d'en informer le locataire, l'occupant ainsi que toute personne que le propriétaire, le locataire ou l'occupant aurait chargée ou autorisée à effectuer des travaux dans le bien relevant du patrimoine immobilier, sous peine d'être tenu pour responsable de la remise en état des lieux ordonnée par le tribunal en vertu de l'article 38. Mention de cette obligation doit apparaître dans l'acte de notification de la décision. » (448) Art.7 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 102 en 106 van de ordonnantie van 19 februari 2004 en art. 23 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening. Art. 7 § 3 1e lid en § 4 bepalen : « § 3 1e lid.

De Regering deelt haar beslissing om de procedure voor de inschrijving op de bewaarlijst aan te vatten mee aan de gemachtigde ambtenaar die aangesteld is krachtens de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedebouw (Y) § 4. Binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing om de procedure voor de inschrijving op de bewaarlijst aan te vatten, is de eigenaar verplicht om hiervan kennis te geven aan de huurder, de bewoner, alsook elke persoon die de eigenaar, huurder of bewoner zou hebben gelast of toegestaan om werken uit te voeren aan het goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, op straffe van aansprakelijk te worden gesteld voor de herstelling van het goed, bevolen door de rechtbank krachtens artikel 38. Deze verplichting dient te worden vermeldt in de akte van kennisgeving van de beslissing. » (449) Art.8 de l'ordonnance du 4 mars 1993. (450) Art.8 van de ordonnantie van 4 maart 1993. (451) Les termes « la Commission » ont été remplacés par les termes « la Commission royale des monuments et des sites », afin d'éviter toute confusion avec d'autres commissions mentionnées dans le présent Code.(452) De woorden « de Commissie » werden vervangen door de woorden « de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen » om elke verwarring te vermijden met andere, in dit Wetboek vermelde commissies.(453) Art.9, § 2, de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 24 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire : les termes « en vertu de l'article 38 », sont remplacés par les termes « en vertu des articles 38, alinéas 1er et 2 et 38ter ». Cette disposition vise à insérer l'art. 38ter dans les articles de l'ordonnance faisant référence à la procédure de remise en état des lieux suite à une infraction pour les biens inscrits sur la liste de sauvegarde. Elle vise également à préciser que seuls sont visés les alinéas 1er et 2 de l'art. 38. (454) Art.9, § 2, van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 24 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening : de woorden « krachtens artikel 38 », worden vervangen door de woorden « krachtens de artikelen 38, eerste en tweede lid en 38ter ». Deze bepaling is bedoeld om art. 38ter in te lassen in de artikelen van de ordonnantie die verwijzen naar de procedure voor het herstellen in de oorspronkelijke staat tengevolge van een misdrijf voor goederen die op de bewaarlijst ingeschreven staan. Zij is eveneens bedoeld om te preciseren dat enkel het eerste en het tweed lid van art. 38 bedoeld zijn. (455) Art.9 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 102 de l'ordonnance du 19 février 2004 et l'art. 24 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire. L'art. 9, § 1er, alinéa 1er et § 2 dispose : « § 1er.

Le Gouvernement communique l'arrêté portant inscription sur la liste de sauvegarde au fonctionnaire délégué désigné en exécution de l'ordonnance du 29 août 1991 organique de la planification et de l'urbanisme. (Y) § 2. Dans les quinze jours suivant la notification de l'arrêté, le propriétaire est tenu d'en informer le locataire, l'occupant ainsi que toute personne que le propriétaire, le locataire ou l'occupant aurait chargée ou autorisée à effectuer des travaux dans le bien relevant du patrimoine immobilier, sous peine d'être tenu pour responsable de la remise en état des lieux ordonnée par le tribunal en vertu de l'article 38. » (456) Art.9 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 102 van de ordonnantie van 19 februari 2004 en art. 24 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening. Art. 9 § 1, 1e lid en § 6 stelt : « 1.De Regering doet het besluit tot inschrijving op de bewaarlijst toekomen aan de gemachtigde ambtenaar aangewezen ingevolge de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende de organisatie van de planning en de stedebouw. (..) § 2. Binnen vijftien dagen na de kennisgeving van het besluit is de eigenaar verplicht hiervan kennis te geven aan de huurder, de bewoner en aan elke persoon die de eigenaar, de huurder of de bewoner zou hebben gelast of toegestaan om werken uit te voeren aan het goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, op straffe van aansprakelijk te worden gesteld voor de herstelling van het goed, bevolen door de rechtbank krachtens artikel 38. » (457) Art.10 de l'ordonnance du 4 mars 1993. (458) Art.10 van de ordonnantie van 4 maart 1993. (459) Art.11 de l'ordonnance du 4 mars 1993. (460) Art.11 van de ordonnantie van 4 maart 1993. (461) Art.12 § 7 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art.102 de l'ordonnance du 19 février 2004. (462) Art.12 § 7 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 102 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (463) Art.12 § 8 de l'ordonnance du 4 mars 1993. Les termes « l'inventaire » ont été remplacés par les termes « l'inventaire du patrimoine immobilier », afin d'éviter toute confusion avec d'autres inventaires mentionnés dans le présent Code. (464) Art.13 § 8 van de ordonnantie van 4 maart 1993. De woorden « de inventaris » werden vervangen door de woorden « de inventaris van het onroerend erfgoed » om elke verwarring te vermijden met andere, in dit Wetboek vermelde inventarissen. (465) Art.13 de l'ordonnance du 4 mars 1993. (466) Art.13 van de ordonnantie van 4 maart 1993. (467) Les termes « la Commission » ont été remplacés par les termes « la Commission royale des monuments et des sites », afin d'éviter toute confusion avec d'autres commissions mentionnées dans le présent Code.(468) De woorden « de Commissie » werden vervangen door de woorden « de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen » om elke verwarring te vermijden met andere, in dit Wetboek vermelde commissies.(469) Art.14 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 69 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (470) Art.14 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 69 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (471) Art.15 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 102 de l'ordonnance du 19 février 2004. (472) Art.15 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 102 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (473) Les termes « la Commission » ont été remplacés par les termes « la Commission royale des monuments et des sites », afin d'éviter toute confusion avec d'autres commissions mentionnées dans le présent Code.(474) De woorden « de Commissie » werden vervangen door de woorden « de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen » om elke verwarring te vermijden met andere, in dit Wetboek vermelde commissies.(475) Les termes « la Commission » ont été remplacés par les termes « la Commission royale des monuments et des sites », afin d'éviter toute confusion avec d'autres commissions mentionnées dans le présent Code.(476) De woorden « de Commissie » werden vervangen door de woorden « de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen » om elke verwarring te vermijden met andere, in dit Wetboek vermelde commissies.(477) Art.16 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 102 de l'ordonnance du 19 février 2004. Les termes « l'inventaire » ont été remplacés par les termes « l'inventaire du patrimoine immobilier », afin d'éviter toute confusion avec d'autres inventaires mentionnés dans le présent Code. (478) Art.16 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 102 van de ordonnantie van 19 februari 2004. De woorden « de inventaris » werden vervangen door de woorden « de inventaris van het onroerend erfgoed » om elke verwarring te vermijden met andere, in dit Wetboek vermelde inventarissen. (479) Art.17 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 102 de l'ordonnance du 19 février 2004. Les termes « l'inventaire » ont été remplacés par les termes « l'inventaire du patrimoine immobilier », afin d'éviter toute confusion avec d'autres inventaires mentionnés dans le présent Code. (480) Art.17 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 102 van de ordonnantie van 19 februari 2004. De woorden « de inventaris » werden vervangen door de woorden « de inventaris van het onroerend erfgoed » om elke verwarring te vermijden met andere, in dit Wetboek vermelde inventarissen. (481) Art.18 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par les art. 102 et 107 de l'ordonnance du 19 février 2004. Les termes « la Commission » ont été remplacés par les termes « la Commission royale des monuments et des sites », afin d'éviter toute confusion avec d'autres commissions mentionnées dans le présent Code. (482) Art.18 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 102 en 107 van de ordonnantie van 19 februari 2004. De woorden « de Commissie » werden vervangen door de woorden « de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen » om elke verwarring te vermijden met andere, in dit Wetboek vermelde commissies. (483) Les termes « fonctionnaire délégué désigné en exécution de l'ordonnance du 29 août 1991 organique de la planification et de l'urbanisme » ont été remplacés par les termes « fonctionnaire délégué ».(484) De woorden « gemachtigd ambtenaar aangesteld bij uitvoering van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw » werden vervangen door de woorden « gemachtigd ambtenaar ».(485) Les termes « la Commission » ont été remplacés par les termes « la Commission royale des monuments et des sites », afin d'éviter toute confusion avec d'autres commissions mentionnées dans le présent Code.(486) De woorden « de Commissie » werden vervangen door de woorden « de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen » om elke verwarring te vermijden met andere, in dit Wetboek vermelde commissies.(487) Art.19, § 2, de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 25 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire : les termes « en vertu de l'article 38 », sont remplacés par les termes « en vertu des articles 38, alinéas 1er et 2 et 38ter ». Cette disposition vise à insérer l'art. 38ter dans les articles de l'ordonnance faisant référence à la procédure de remise en état des lieux suite à une infraction pour les biens classés. Elle vise également à préciser que seuls sont visés les alinéas 1er et 2 de l'art. 38. (488) Art.19, § 4, van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 25 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening : de woorden « krachtens artikel 38 », worden vervangen door de woorden « krachtens de artikelen 38, eerste en tweede lid en 38ter ». Deze bepaling is bedoeld om art. 38ter in te lassen in de artikelen van de ordonnantie die verwijzen naar de procedure voor het herstellen in de oorspronkelijke staat tengevolge van een misdrijf voor goederen die op de bewaarlijst ingeschreven staan. Zij is eveneens bedoeld om te preciseren dat enkel het eerste en het tweed lid van art. 38 bedoeld zijn. (489) Art.19 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par les art. 102 et 108 de l'ordonnance du 19 février 2004, et l'art. 25 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire. L'art. 19 § 1er, alinéa 1er et § 2 disposent : « § 1er.

Le Gouvernement communique l'arrêté ouvrant la procédure de classement au fonctionnaire délégué désigné en exécution de l'ordonnance du 29 août 1991 organique de la planification et de l'urbanisme. (...) § 2. Dans les quinze jours suivant la notification de la décision, le propriétaire est tenu d'en informer le locataire, l'occupant ainsi que toute personne que le propriétaire, le locataire ou l'occupant aurait chargée ou autorisée à effectuer des travaux dans le bien relevant du patrimoine immobilier, sous peine d'être tenu pour responsable de la remise en état des lieux ordonnée par le tribunal en vertu de l'article 38. » (490) Art.19 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 102 en 108 van de ordonnantie van 19 februari 2004 en art. 25 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening. Art. 19 § 1, 1e lid en § 2 stellen : « § 1 De Regering brengt haar besluit om de beschermingsprocedure in gang te zetten ter kennis van de gemachtigde ambtenaar aangewezen ingevolge de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedebouw.(..) § 2 Binnen vijftien dagen na de kennisgeving van de beslissing is de eigenaar verplicht hiervan kennis te geven aan de huurder, de bewoner en aan elke persoon die de eigenaar, huurder of bewoner zou hebben gelast of toegestaan om werken uit te voeren aan het goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, op straffe van hoofdelijk aansprakelijk te worden gesteld voor herstelling van het goed bevolen door de rechtbank krachtens artikel 38. » (491) Art.20 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 102 de l'ordonnance du 19 février 2004. (492) Art.20 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 102 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (493) Art.21 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 102 de l'ordonnance du 19 février 2004. Les termes « la Commission » ont été remplacés par les termes « la Commission royale des monuments et des sites », afin d'éviter toute confusion avec d'autres commissions mentionnées dans le présent Code. (494) Art.21 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 102 van de ordonnantie van 19 februari 2004. De woorden « de Commissie » werden vervangen door de woorden « de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen » om elke verwarring te vermijden met andere, in dit Wetboek vermelde commissies. (495) Art.22 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 102 de l'ordonnance du 19 février 2004. (496) Art.22 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 102 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (497) Art.21bis de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel qu'inséré par l'art. 109 de l'ordonnance du 19 février 2004. (498) Art.21bis van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals ingelast door art. 109 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (499) Art.23 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 110 de l'ordonnance du 19 février 2004. (500) Art.23 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 110 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (501) Les termes « la Commission » ont été remplacés par les termes « la Commission royale des monuments et des sites », afin d'éviter toute confusion avec d'autres commissions mentionnées dans le présent Code.(502) De woorden « de Commissie » werden vervangen door de woorden « de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen » om elke verwarring te vermijden met andere, in dit Wetboek vermelde commissies.(503) Art.24, § 2, de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 26 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire : les termes « en vertu de l'article 38 », sont remplacés par les termes « en vertu des articles 38, alinéas 1er et 2 et 38ter ». Cette disposition vise à insérer l'art. 38ter dans les articles de l'ordonnance faisant référence à la procédure de remise en état des lieux suite à une infraction pour les biens classés. Elle vise également à préciser que seuls sont visés les alinéas 1er et 2 de l'art. 38. (504) Art.24, § 2, van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 26 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening : de woorden « krachtens artikel 38 », worden vervangen door de woorden « krachtens de artikelen 38, eerste en tweede lid en 38ter ». Deze bepaling is bedoeld om art. 38ter in te lassen in de artikelen van de ordonnantie die verwijzen naar de procedure voor het herstellen in de oorspronkelijke staat tengevolge van een misdrijf voor goederen die op de bewaarlijst ingeschreven staan. Zij is eveneens bedoeld om te preciseren dat enkel het eerste en het tweed lid van art. 38 bedoeld zijn. (505) Art.24 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 102 de l'ordonnance du 19 février 2004, et l'art. 26 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire. L'art. 24 § 1er alinéa 1er et § 2 disposent : « § 1er.

Le Gouvernement communique l'arrêté de classement au fonctionnaire délégué désigné en exécution de l'ordonnance du 29 août 1991 organique de la planification et de l'urbanisme. (...) § 2. Dans les quinze jours suivant la notification de l'arrêté de classement, le propriétaire est tenu d'en informer le locataire, l'occupant ainsi que toute personne que le propriétaire, le locataire ou l'occupant aurait chargée ou autorisée à effectuer des travaux dans le bien relevant du patrimoine immobilier, sous peine d'être tenu pour responsable de la remise en état des lieux ordonnée par le tribunal en vertu de l'article 38. » (506) Art.24 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 102 van de ordonnantie van 19 februari 2004 en art. 26 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening. Art. 24 § 1, 1e lid en § 2 stellen : « § 1 De Regering brengt het beschermingsbesluit ter kennis van de gemachtigde ambtenaar aangewezen ingevolge de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedebouw. (...) § 2 Binnen vijftien dagen na de kennisgeving van het beschermigsbesluit is de eigenaar verplicht hiervan kennis te geven aan de huurder, de bewoner en aan elke persoon die de eigenaar, huurder of bewoner zou hebben gelast of toegestaan om werken uit te voeren aan het goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, op straffe van aansprakelijk te worden gesteld voor de herstelling van het goed bevolen door de rechtbank krachtens artikel 38. » (507) Art.25 de l'ordonnance du 4 mars 1993. (508) Art.25 van de ordonnantie van 4 maart 1993. (509) Art.26 de l'ordonnance du 4 mars 1993. (510) Art.26 van de ordonnantie van 4 maart 1993. (511) Art.27 § 1er de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 70 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (512) Art.27 § 1 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 70 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (513) Art.27 § 5 de l'ordonnance du 4 mars 1993. (514) Art.27 § 5 van de ordonnantie van 4 maart 1993. (515) Art.27 § 8 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par les art. 102 et 111 de l'ordonnance du 19 février 2004. (516) Art.27 § 8 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 102 en 111 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (517) Art.27 § 9 de l'ordonnance du 4 mars 1993. Les termes « l'inventaire » ont été remplacés par les termes « l'inventaire du patrimoine immobilier », afin d'éviter toute confusion avec d'autres inventaires mentionnés dans le présent Code. (518) Art.27 § 9 van de ordonnantie van 4 maart 1993. De woorden « de inventaris » werden vervangen door de woorden « de inventaris van het onroerend erfgoed » om elke verwarring te vermijden met andere, in dit Wetboek vermelde inventarissen. (519) Art.28 de l'ordonnance du 4 mars 1993. (520) Art.28 van de ordonnantie van 4 maart 1993. (521) Art.29 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 112 de l'ordonnance du 19 février 2004. Les termes « la Commission » ont été remplacés par les termes « la Commission royale des monuments et des sites », afin d'éviter toute confusion avec d'autres commissions mentionnées dans le présent Code. (522) Art.29 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 112 van de ordonnantie van 19 februari 2004. De woorden « de Commissie » werden vervangen door de woorden « de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen » om elke verwarring te vermijden met andere, in dit Wetboek vermelde commissies. (523) Art.30 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 112 de l'ordonnance du 19 février 2004. (524) Art.30 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 112 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (525) Art.31 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 102 de l'ordonnance du 19 février 2004. Les termes « la Commission » ont été remplacés par les termes « la Commission royale des monuments et des sites », afin d'éviter toute confusion avec d'autres commissions mentionnées dans le présent Code. (526) Art.31 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 102 van de ordonnantie van 19 februari 2004. De woorden « de Commissie » werden vervangen door de woorden « de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen » om elke verwarring te vermijden met andere, in dit Wetboek vermelde commissies. (527) Art.32 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par les art. 102 et 113 de l'ordonnance du 19 février 2004. (528) Art.32 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 102 en 113 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (529) Art.33 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par les art. 102 et 114 de l'ordonnance du 19 février 2004. (530) Art.33 van de ordonnantie van 4 maart1993, zoals gewijzigd door art. 102 en 114 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (531) Les termes « la Commission » ont été remplacés par les termes « la Commission royale des monuments et des sites », afin d'éviter toute confusion avec d'autres commissions mentionnées dans le présent Code.(532) De woorden « de Commissie » werden vervangen door de woorden « de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen » om elke verwarring te vermijden met andere, in dit Wetboek vermelde commissies.(533) Art.34 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 102 de l'ordonnance du 19 février 2004. (534) Art.34 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 102 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (535) Art.34bis de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel qu'inséré par l'art. 115 de l'ordonnance du 19 février 2004. (536) Art.34bis van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals ingelast door art. 115 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (537) Art.34ter de l'ordonnance du 4 mars 1993 tel qu'inséré par l'art. 115 de l'ordonnance du 19 février 2004. (538) Art.34ter van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals ingelast door art. 115 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (539) Art.34quater de l'ordonnance du 4 mars 1993 tel qu'inséré par l'art. 115 de l'ordonnance du 19 février 2004. (540) Art.34quater van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals ingelast door art. 115 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (541) Art.34quinquies de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel qu'inséré par l'art. 115 de l'ordonnance du 19 février 2004. (542) Art.34quinquies van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals ingelast door art. 115 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (543) Art.34sexies de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel qu'inséré par l'art. 115 de l'ordonnance du 19 février 2004. (544) Art.34sexies van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals ingelast door art. 115 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (545) Art.34septies de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel qu'inséré par l'art. 115 de l'ordonnance du 19 février 2004. (546) Art.34septies van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals ingelast door art. 115 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (547) Art.34octies de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel qu'inséré par l'art. 115 de l'ordonnance du 19 février 2004. (548) Art.34octies van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals ingelast door art. 115 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (549) Art.45 de l'ordonnance du 4 mars 1993. A l'alinéa 1er, les termes « la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « le présent Titre ». (550) Art.45 van de ordonnantie van 4 maart 1993. In het eerste lid worden de woorden « van deze ordonnantie » vervangen door de woorden « van deze Titel ». (551) Art.2 de l'ordonnance du 18 décembre 2003. A l'alinéa 1er, les termes « de la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « du présent Titre ». (552) Art.2 van de ordonnantie van 18 december 2003. In het eerste lid worden de woorden « van deze ordonnantie » vervangen door de woorden « van deze Titel ». (553) Art.3 de l'ordonnance du 18 décembre. Les termes « de la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « du présent Titre ». (554) Art.3 van de ordonnantie van 18 december 2003. In het eerste lid worden de woorden « van deze ordonnantie » vervangen door de woorden « van deze Titel ». (555) Art.4 de l'ordonnance du 18 décembre 2003. Les termes « l'inventaire » ont été remplacés par les termes « l'inventaire des sites d'activité inexploités », afin d'éviter toute confusion avec d'autres inventaires mentionnés dans le présent Code. (556) Art.4 van de ordonnantie van 18 december 2003. De woorden « de inventaris » werden vervangen door de woorden « de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten » om elke verwarring te vermijden met andere, in dit Wetboek vermelde inventarissen. (557) Art.5 de l'ordonnance du 18 décembre 2003. Les termes « l'inventaire » ont été remplacés par les termes « l'inventaire des sites d'activité inexploités », afin d'éviter toute confusion avec d'autres inventaires mentionnés dans le présent Code. (558) Art.5 van de ordonnantie van 18 december 2003. De woorden « de inventaris » werden vervangen door de woorden « de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten » om elke verwarring te vermijden met andere, in dit Wetboek vermelde inventarissen. (559) Art.6 de l'ordonnance du 18 décembre 2003. (560) Art.6 van de ordonnantie van 18 december 2003. (561) Art.7 de l'ordonnance du 18 décembre 2003. Les termes « l'inventaire » ont été remplacés par les termes « l'inventaire des sites d'activité inexploités », afin d'éviter toute confusion avec d'autres inventaires mentionnés dans le présent Code. (562) Art.7 van de ordonnantie van 18 december 2003. De woorden « de inventaris » werden vervangen door de woorden « de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten » om elke verwarring te vermijden met andere, in dit Wetboek vermelde inventarissen. (563) Art.23 de l'ordonnance du 18 décembre 2003. Les termes « l'inventaire » ont été remplacés par les termes « l'inventaire des sites d'activité inexploités », afin d'éviter toute confusion avec d'autres inventaires mentionnés dans le présent Code. (564) Art.23 van de ordonnantie van 18 december 2003. De woorden « de inventaris » werden vervangen door de woorden « de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten » om elke verwarring te vermijden met andere, in dit Wetboek vermelde inventarissen. (565) Art.2 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. Les termes « de la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « du présent Titre ». La définition 1° de l'art. 2 a été supprimée étant devenue sans objet en raison de la présente codification. (566) Art.2 van de ordonnantie van 18 juli 2002. De woorden « van deze ordonnantie » worden vervangen door de woorden « van deze Titel ». De definitie 1° van art. 2 werd geschrapt aangezien ze door deze codificatie geen reden van bestaan meer had. (567) Art.3 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. Les termes « de la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « du présent Titre ». (568) Art.3 van de ordonnantie van 18 juli 2002. De woorden « van deze ordonnantie » worden vervangen door de woorden « van deze Titel ». (569) Art.4 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (570) Art.4 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (571) Art.5 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (572) Art.5 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (273) Art.6 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (574) Art.6 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (575) Art.7 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et art. 24 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 qui dispose : « Le droit de préemption instauré en vertu d'un périmètre soumis au droit de préemption ne peut porter atteinte aux droits de préemption contractuels nés et ayant une date certaine au jour de la publication de l'arrêté déterminant le périmètre soumis au droit de préemption. » Cet article a été intégré au niveau de l'alinéa 2, 12° de l'art. 263 du présent Code. Les termes « de la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « du présent Titre ». (576) Art.7 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en art. 24 van de ordonnantie van 18 juli 2002 dat bepaalt : « Het voorkooprecht dat wordt ingevoerd krachtens een aan het voorkooprecht onderhevige perimeter, mag geen afbreuk doen aan de vooraf bestaande voorkooprechten met een vaste dagtekening op de dag van de bekendmaking van het besluit ter bepaling van de aan het voorkooprecht onderhevige perimeter » Dit artikel werd geïntegreerd in het 2e lid, 12° van art.263 van dit Wetboek. De woorden « van deze ordonnantie » worden vervangen door de woorden « van deze Titel ». (577) Art.8 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (578) Art.8 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (579) Art.9 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. Les termes « de la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « du présent Titre ». (580) Art.9 van de ordonnantie van 18 juli 2002. De woorden « van deze ordonnantie » worden vervangen door de woorden « van deze Titel ». (581) Art.10 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (582) Art.10 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (583) Art.11 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (584) Art.11 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (585) Art.12 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (586) Art.12 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (587) Art.13 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (588) Art.13 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (589) Art.14 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (590) Art.14 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (591) Art.15 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (592) Art.15 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (593) Art.16 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (594) Art.16 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (595) Art.17 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. Les termes « de la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « du présent Titre ». (596) Art.17 van de ordonnantie van 18 juli 2002. De woorden « van deze ordonnantie » worden vervangen door de woorden « van deze Titel ». (597) Art.18 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (598) Art.18 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (599) Les points 5° et 6° de l'art.174, alinéa 2, de l'ordonnance du 29 août 1991 ont été ajoutés par l'art. 16 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire. (600) De punten 5° en 6° van art.174, tweede lid, van de ordonnantie van 29 augustus 1991 werden toegevoegd door art. 16 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening. (601) Art.174 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 19 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 relative au droit de préemption qui dispose : « Les communes sont tenues de délivrer dans les trente jours aux personnes qui le demandent les renseignements urbanistiques sur les dispositions réglementaires, régionales ou communales, qui s'appliquent à un bien.

Ces renseignements indiquent notamment : : 1° la destination prévue par ces dispositions réglementaires;2° le cas échéant, les conditions auxquelles un projet de construction est soumis;3° si, à la connaissance de la commune, l'immeuble est repris dans les limites d'un plan d'expropriation et dans ce cas, la désignation du pouvoir expropriant et la date de l'arrêté autorisant cette expropriation;4° si l'immeuble est repris dans les limites d'un périmètre soumis au droit de préemption et, dans ce cas, la désignation du ou des pouvoirs préemptants et leur ordre de priorité et la date de l'arrêté fixant les limites dudit périmètre. Le fonctionnaire délégué est tenu de délivrer les mêmes renseignements urbanistiques aux personnes de droit public visées à l'article 139. » Art. 13, § 3 de l'ordonnance du 4 mars 1993 qui dispose : « Lorsqu'un bien relevant du patrimoine immobilier est inscrit sur la site de sauvegarde, les administrations communales sont tenues, lors de la délivrance d'un certificat d'urbanisme ou des renseignements urbanistiques visés à l'art. 174 de l'ordonnance du 29 août 1991, de la préciser. ». Art. 26 de l'ordonnance du 4 mars 1993 qui dispose : « Les articles 11, 13 et 14 s'appliquent aux effets du classement. » (602) Art.174 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 19 van de ordonnantie van 18 juli dat bepaalt : « De gemeenten zijn gehouden aan degenen die erom verzoeken binnen dertig dagen de stedenbouwkundigeinlichtingen te verstrekken over de gewestelijke of gemeentelijke verordenende bepalingen betreffende een goed.

Deze inlichtingen vermelden onder meer : 1. de door deze verordenende bepalingen voorziene bestemming;2. in voorkomend geval, de voorwaarden waaraan een bouwproject moet voldoen;3. of, volgens de gemeente, het onroerende goed opgenomen is in een onteigeningsplan en, zo ja, de onteigenende instantie en de datum van het besluit tot goedkeuring van deze onteigening.4. of het gebouw gelegen is binnen de grenzen van een aan het voorkooprecht onderhevige perimeter en, in dat geval, de aanduiding van de voorkooprechthebbende overheid(heden) met haar (hun) orde van prioriteit en de datum van het besluit tot vaststelling van de grenzen van deze perimeter De gemachtigde ambtenaar is gehouden dezelfde stedenbouwkundigeinlichtingen te verstrekken aan de in artikel 139 bedoelde publiekrechtelijke rechtpersonen.» Art. 13 § 3 van de ordonnantie van 4 maart 1993 dat bepaalt : « Wanneer een goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, ingeschreven wordt op de bewaarlijst, moeten de gemeentebesturen dit vermelden bij de afgifte van het stedebouwkundig attest of bij het verstrekken van de stedenbouwkundigeinlichtingen bedoeld in artikel 174 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. ». Art. 26 van de ordonnantie van 4 maart 1993 dat bepaalt : « De artikelen 11, 13 en 14 zijn van toepassing op de gevolgen van de bescherming. » (603) Art.175 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (604) Art.175 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993. (605) Art.176 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 33 de l'ordonnance du 16 juillet 1998, l'art. 20 de l'ordonnance du 18 juillet 2002, l'art. 88 de l'ordonnance du 19 février 2004, et l'art 17 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire par lequel les termes « ainsi que des périmètres soumis au droit de préemption » sont remplacés par « des périmètres soumis au droit de préemption, ainsi que de l'inventaire des sites inexploités », en vue de compléter les renseignements urbanistiques par la mention de l'inscription de l'immeuble à l'inventaire des sites inexploités. (606) Art.176 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 33 van de ordonnantie van 16 juli 1998, art. 20 van de ordonnantie van 18 juli 2002, art. 88 van de ordonnantie van 19 februari 2004, en art. 17 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening waardoor de woorden « evenals van de aan het voorkooprecht onderhevige perimeters » vervangen worden door « van de aan het voorkooprecht onderhevige perimeters evenals van de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfszetels », om de stedenbouwkundige gegevens aan te vullen met de vermelding van de inschrijving van het gebouw in de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfszetels. (607) Art.177 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (608) Art.177 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993. (609) Art.178 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. Les termes « de la présente section » sont remplacés par les termes « du présent chapitre ». (610) Art.178 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993. De woorden « van deze afdeling » worden vervangen door de woorden « van dit hoofdstuk ». (611) Art.180 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 35 de l'ordonnance du 30 juillet 1992, l'art. 34 de l'ordonnance du 16 juillet 1998, l'art. 55 de l'ordonnance du 18 juillet 2002, art. 21 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et l'art. 89 de l'ordonnance du 19 février 2004 qui dispose : « Dans la publicité relative à la vente ou à la location pour plus de neuf ans d'un bien immobilier ou relative à la constitution d'un droit d'emphytéose ou de superficie, le notaire doit indiquer sans équivoque la destination urbanistique la plus récente et la plus précise de ces biens, en utilisant la dénomination prévue aux différents plans d'affectation du sol.

Le notaire doit également faire mention détaillée des permis d'urbanisme, des permis de lotir et des certificats d'urbanisme délivrés relatifs aux biens à vendre et de leur éventuelle péremption ainsi que l'existence éventuelle d'un droit de préemption. ».

L'alinéa 2 a été modifié par l'art. 18 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire, qui a abrogé les termes « ainsi que l'existence éventuelle d'un droit de préemption » et a complété l'alinéa 2 par la phrase : « Il précise si les biens à vendre sont repris dans un périmètre soumis au droit de préemption, font l'objet d'un arrêté de classement ou d'inscription sur la liste de sauvegarde, d'un arrêté ouvrant la procédure de classement ou d'inscription sur la liste de sauvegarde ou d'un arrêté d'inscription à l'inventaire des sites inexploités », en vue de compléter les renseignements urbanistiques. (612) Art.180 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 35 van de ordonnantie van 30 juli 1992, art. 34 van de ordonnantie van 16 juli 1998, art. 55 van de ordonnantie van 18 juli 2002, art. 21 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en art. 89 van de ordonnantie van 19 februari 2004 dat bepaalt : « In de reclame voor de verkoop of de verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed of het vestigen van een recht van erfpacht of opstal, moet de notaris de meest recente en de meest nauwkeurig stedenbouwkundigebestemming van die goederen ondubbelzinnig aangeven met gebruik van de benamingen voorzien in de verschillende bestemmingsplannen. De notaris dient tevens omstandig melding te maken van de afgegeven stedenbouwkundigevergunningen, verkavelingsvergunningen en stedenbouwkundigeattesten die op de te verkopen goederen betrekking hebben evenals het eventuele verval ervan evenals het eventuele bestaan van een voorkooprecht. » Het tweede lid werd gewijzigd door art. 18 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening dat de woorden « evenals het eventuele bestaan van een voorkooprecht » opgeheven heeft en het tweede lid aangevuld heeft met de zin : « Hij verduidelijkt of de te verkopen goederen in een aan het voorkooprecht onderhevige perimeter gelegen zijn, het voorwerp zijn van een beschermingsbesluit, van een inschrijving op de bewaarlijst, van een besluit tot instelling van de procedure tot bescherming of inschrijving op de bewaarlijst of van een besluit tot inschrijving op de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfszetels » om de stedenbouwkundige gegevens aan te vullen. (613) Art.181 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 31 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 55 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et l'art. 22 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 qui dispose : « Toute personne qui, pour son compte ou à titre d'intermédiaire, met en vente, offre en location, offre en emphytéose ou en superficie un bien immobilier, doit indiquer, sans équivoque, dans la publicité y relative la destination urbanistique la plus récente et la plus précise de ce bien, en utilisant la dénomination prévue aux différents plans d'affectation du sol et, le cas échéant, en se conformant à l'article 95. Elle doit également faire mention de l'existence d'un droit de préemption accordé en vertu de l'ordonnance du 18 juillet 2002 relative au droit de préemption. » La dernière phrase de l'art. 181 a été remplacée par l'art. 19 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire. (614) Art.181 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 31 van de ordonnantie van 23 november 1993, art. 55 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en art. 22 van de ordonnantie van 18 juli 2002 dat bepaalt : « Iedereen die voor eigen rekening of als tussenpersoon een goed verkoopt, verhuurt, een erfpacht of een opstalrecht overdraagt, moet in de hieraan verbonden reclame de meest recente en de meest nauwkeurige stedenbouwkundigebestemming van dit goed ondubbelzinnig aangeven met gebruik van de benamingen voorzien in de verschillende bestemmingsplannen en, in voorkomend geval, overeenkomstig artikel 95. Iedereen dient ook het bestaan van een voorkooprecht dat verleend werd krachtens de ordonnantie van 18 juli 2002 inzake het voorkooprecht, te vermelden. » De laatste zin van art. 181 werd vervangen door art. 19 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening. (615) Art.70bis de la loi du 29 mars 1962 telle que modifié par l'art. 26 de la loi du 22 décembre 1970. La terminologie a été actualisée « plan d'affectation du sol » au lieu de « plan d'aménagement », la référence aux sociétés « régionales » au lieu de « nationales » et la référence à « l'article 13 de l'ordonnance du 14 mai 1998 organisant la tutelle administrative sur les communes de la Région de Bruxelles-Capitale » en lieu et place de celle antérieurement utilisée. (616) Art.70bis van de wet van 29 maart 1962 zoals gewijzigd door art. 26 van de wet van 22 december 1970. De terminologie werd geactualiseerd « bodenbestemmingsplan » i.p.v. « bestemmingsplan », de de verwijzing naar de « gewestelijke » i.p.v. « nationale » maatschappijen en de verwijzing naar « artikel 13 van de ordonnantie van 14 mei 1998 houdende organisatie van de administratieve voogdij op de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest » i.p.v. de voorheen gebruikte. (617) Les termes « l'inventaire » ont été remplacés par les termes « l'inventaire des sites d'activité inexploités », afin d'éviter toute confusion avec d'autres inventaires mentionnés dans le présent Code.(618) De woorden « de inventaris » werden vervangen door de woorden « de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten » om elke verwarring te vermijden met andere, in dit Wetboek vermelde inventarissen.(619) Art.8 de l'ordonnance du 18 décembre 2003. (620) Art.8 van de ordonnantie van 18 december 2003. (621) Art.9 de l'ordonnance du 18 décembre 2003. Les termes « l'inventaire » ont été remplacés par les termes « l'inventaire des sites d'activité inexploités », afin d'éviter toute confusion avec d'autres inventaires mentionnés dans le présent Code. (622) Art.9 van de ordonnantie van 18 december 2003 De woorden « de inventaris » werden vervangen door de woorden « de inventaris van de niet-uitgebate bedrijfsruimten » om elke verwarring te vermijden met andere, in dit Wetboek vermelde inventarissen. (623) Art.10 de l'ordonnance du 18 décembre 2003. (624) Art.10 van de ordonnantie van 18 december 2003. (625) Art.11 de l'ordonnance du 18 décembre 2003. (626) Art.11 van de ordonnantie van 18 december 2003. (627) Art.12 de l'ordonnance du 18 décembre 2003. (628) Art.12 van de ordonnantie van 18 december 2003. (629) Art.13 de l'ordonnance du 18 décembre 2003. Les termes « à la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « au présent chapitre ». (630) Art.13 van de ordonnantie van 18 december. De woorden « in deze ordonnantie » worden vervangen door de woorden « in dit hoofdstuk ». (631) Art.14 de l'ordonnance du 18 décembre 2003. (632) Art.14 van de ordonnantie van 18 december 2003. (633) Art.15 de l'ordonnance du 18 décembre 2003. (634) Art.15 van de ordonnantie van 18 december 2003. (625) Art.16 de l'ordonnance du 18 décembre 2003. (636) Art.16 van de ordonnantie van 18 december 2003. (637) Art.17 de l'ordonnance du 18 décembre 2003. (638) Art.17 van de ordonnantie van 18 december 2003. (639) Art.18 de l'ordonnance du 18 décembre 2003. (640) Art.18 van de ordonnantie van 18 december 2003. (641) Art.19 de l'ordonnance du 18 décembre 2003. (642) Art.19 van de ordonnantie van 18 december 2003. (643) Art.20 de l'ordonnance du 18 décembre 2003. (644) Art.20 van de ordonnantie van 18 december 2003. (645) Art.21 de l'ordonnance du 18 décembre 2003. Les termes « par la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « par le Titre VI du présent Code ». (646) Art.21 van de ordonnantie van 18 december 2003. De woorden « door deze ordonnantie » worden vervangen door de woorden « door Titel VI van dit Wetboek ». (647) Art.22 de l'ordonnance du 18 décembre 2003. Les termes « de la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « du présent Code ».

Cette disposition a été réécrite en vue de sa simplification. L'art. 22 disposait : « § 1er. La mesure suivante est suceptible de constituer, vis-à-vis des entreprises, des aides d'Etat au sens de l'article 87, § 1er du Traité CE : - l'aide financière pour la dépollution du site, prévue à l'article 20, § 3 de l'ordonnance; § 2. Afin de se conformer au Règlement n° 69/2001 (CE) de la Commission du 12 janvier 2001, concernant l'application des articles 87 et 88 du Traité CE aux aides dites de « minimis », le montant total de l'aide d'Etat octroyée en vertu de l'article 20, § 3 de la présente ordonnance, ne pourra, en aucun cas, dépasser, par entreprise bénéficiaire, le seuil de 100.000 euros sur une période de trois ans, calculé conformément à l'article 2 de ce Règlement.

A cet égard, pour calculer le montant de l'aide qui peut être attribuée en vertu de la présente ordonnance, il est tenu compte du montant de toutes les autres aides reçues au cours des trois dernières années par chaque entreprise bénéficiaire.

Chaque entreprise bénéficiaire s'engage à déclarer toutes aides déjà obtenues au cours des trois dernières années, et ce, avant l'obtention de l'aide prévue à l'article 20, § 3 ». (648) Art.22 van de ordonnantie van 18 december 2003. De woorden « van deze ordonnantie » worden vervangen door de woorden « van dit Wetboek ».

Deze bepaling werd herschreven met het oog op de vereenvoudiging ervan. Art. 22 stelde : § 1. De volgende maatregelen kunnen ten opzichte van de ondernemingen, steun van overheidswege vormen in de zin van artikel 87, § 1 van het EG-Verdrag : - de financiële steun voor het saneren van de site, waarin voorzien in artikel 20, § 3 van de ordonnantie; § 2. Ten einde Verordening nr. 69/2001 (EG) van de Commissie van 12 januari 2001 na te leven, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag voor de minimis-steun, mag het totale bedrag van de krachtens artikel 20, § 3 van de ordonnantie toegekende steun van overheidswege per begunstigde onderneming nooit hoger liggen dan 100 000 euro over een periode van drie jaar, berekend overeenkomstig artikel 2 van deze Verordening.

Wat dat betreft, wordt voor het berekenen van het bedrag van de steun die kan toegekend worden krachtens deze ordonnantie, rekening gehouden met het bedrag van alle andere steun die ontvangen werd gedurende de laatste drie jaar door iedere begunstigde onderneming.

Iedere begunstigde onderneming verbindt er zich toe om alle steun die reeds verkregen werd gedurende de laatste drie jaar aan te geven en dit vóór het verkrijgen van de steun bedoeld in artikel 20, § 3. (649) Art.39 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art.122 de l'ordonnance du 19 février 2004. (650) Art.39 van de ordonnantie van 4 maart 2003, zoals gewijzigd door art. 122 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (651) Art.40 de l'ordonnance du 4 mars 1993. (652) Art.40 van de ordonnantie van 4 maart 1993. (653) Art.182 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 36 de l'ordonnance du 30 juillet 1992, l'art. 32 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 90 de l'ordonnance du 19 février 2004. Art. 37 § 1er 1° à 9° ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 71 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et l'art. 118 de l'ordonnance du 19 février 2004. Art. 24 de l'ordonnance du 18 décembre 2003 qui dispose : « Constitue une infraction le fait de contrevenir aux dispositions de la présente ordonnance en matière de taxe dans une intention frauduleuse ou à dessein de nuire. » (654) Art.182 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 36 van de ordonnantie van 30 juli 1992, art. 32 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 90 van de ordonnantie van 19 februari 2004. Art. 37 § 1 1° tot 9° van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 71 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en art. 118 van de ordonnantie van 19 februari 2004. Art. 24 van de ordonnantie van 18 december 2003 dat bepaalt : « Is een misdrijf, het ingaan tegen de bepalingen van deze ordonnantie wat betreft de belasting met de bedoeling fraude te plegen of schade te berokkenen. » (655) Art.183 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 56 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. Art. 35 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que remplacé par l'art. 116 de l'ordonnance du 19 février 2004. Art.25 de l'ordonnance du 18 décembre 2003. (656) Art.183 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 56 van de ordonnantie van 18 juli 2002. Art. 35 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals vervangen door art. 116 van de ordonnantie van 19 februari 2004. Art. 25 van de ordonnantie van 18 december 2003. (657) Art.184 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 33 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 57 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. Art. 36, § 1er et § 2 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 117 de l'ordonnance du 19 février 2004. (658) Art.184 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 33 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 57 van de ordonnantie van 18 juli 2002. Art. 36, § 1 en § 2 van de ordonnantie van 4 maart 1993 houdende het behoud van het onroerend erfgoed, zoals gewijzigd door art. 117 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (659) Art.185 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 58 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. Art. 36, § 3 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel qu'inséré par l'art. 117 de l'ordonnance du 19 février 2004. (660) Art.185 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 58 van de ordonnantie van 18 juli 2002. Art. 36, § 3 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals ingelast door art. 117 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (661) Art.186 de l'ordonnance du 29 août 1991. Art. 36, § 4 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel qu'inséré par l'art.117 de l'ordonnance du 19 février 2004. (662) Art.186 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. Art. 36, § 4 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals ingelast door art. 117 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (663) Art.187 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 91 de l'ordonnance du 19 février 2004. (664) Art.187 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 91 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (665) Art.188 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 59 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. Art. 37 § 1er phrase introductive et § 2 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 118 de l'ordonnance du 19 février 2004. Art. 28 de l'ordonnance du 18 décembre 2003. (666) Art.188 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 59 van de ordonnantie van 18 juli 2002. Art. 37, § 1 inleidende zin en § 2 van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 118 van de ordonnantie van 19 februari 2004. Art. 28 van de ordonnantie van 18 december 2003. (667) Art.189 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 60 de l'ordonnance du 18 juillet 2002, art. 92 de l'ordonnance du 19 février 2004 qui dispose : « Outre la pénalité, le tribunal ordonne, à la demande du fonctionnaire délégué ou du collège des bourgmestre et échevins, mais moyennant leur commun accord dans les cas visés aux 2° et 3° : 1° soit la remise en état des lieux ou la cessation de l'utilisation illicite;2° soit l'exécution d'ouvrages ou de travaux d'aménagement;3° soit le paiement d'une somme représentative de la plus-value acquise par le bien à la suite de l'infraction. Le tribunal fixe à cette fin un délai qui, dans les cas visés aux 1° et 2°, ne peut dépasser un an.

En cas de condamnation au paiement d'une somme, le tribunal ordonne que le condamné pourra s'exécuter valablement en remettant les lieux en état dans le délai d'un an. Le payement de la somme se fait sur le fonds budgétaire de la Région prévu à cet effet. », et par l'art. 20 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du teritoire qui dispose : « A l'alinéa 1er, 1°, de l'article 189 de l'ordonnance du 29 août 1991 organique de la planification et de l'urbanisme sont insérés entre les mots « lieux » et « ou la cessation », les termes « dans leur état antérieur ou les travaux nécessaires pour leur rendre, dans la mesure du possible, leur aspect antérieur ».

Art. 38, al. 1er et 2 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 119 de l'ordonnance du 19 février 2004 qui dispose : « Outre la pénalité, le tribunal ordonne à la demande du fonctionnaire délégué ou du collège des bourgmestre et échevins, le rétablissement du bien relevant du patrimoine immobilier dans son état antérieur ou les travaux nécessaires pour lui rendre, dans la mesure du possible, son aspect antérieur.

Le tribunal fixe à cette fin un délai qui ne peut dépasser un an. », et par l'art. 27 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du teritoire qui dispose : « l'alinéa 1er de l'article 38 de l'ordonnance du 4 mars 1993 relative à la conservation du patrimoine immobilier est complété comme suit : « Toutefois, il ne peut ordonner l'exécution d'ouvrages ou de travaux d'aménagement lorsqu'il s'agit d'un bien inscrit sur la liste de sauvegarde ou classé ou en cours d'inscription ou de classement. De même, il ne peut ordonner le paiement d'une somme représentative de la plus-value acquise par le bien à la suite de l'infraction ». (668) Art.189 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 60 van de ordonnantie van 18 juli 2002, art. 92 van de ordonnantie van 19 februari 2004 dat bepaalt : « Benevens de straf beveelt de rechtbank, op vordering van de gemachtigde ambtenaar of van het college van burgemeester en schepenen, doch met hun gezamenlijk akkoord in de sub 2. en 3. bedoelde gevallen : 1. ofwel de plaats in de vorige staat te herstellen of het ongeoorloofde gebruik te staken;2. ofwel bouwwerken of aanpassingswerken uit te voeren;3. ofwel een geldsom betalen, gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen ten gevolge het misdrijf.De rechtbank bepaalt daarvoor een termijn, die in de sub 1 en 2 bedoelde gevallen één jaar niet mag overschrijden In geval van veroordeling tot de betaling van een geldsom, beveelt de rechtbank dat de veroordeelde zich op geldige wijze zal kunnen kwijten door de plaats binnen een jaar in de vorige staat te herstellen. De betaling van de geldsom geschiedt in handen van de ontvanger der registratie, op een speciale rekening van het Gewest. » en door art. 20 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening dat stelt : « In het eerste lid, 1°, van artikel 189 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw, worden de woorden « ,de werken uit te voeren om ze, in de mate van het mogelijke, hun vroegere aanblik terug te geven » ingelast tussen de woorden « in de vorige staat te herstellen » en de woorden « of het ongeoorloofde gebruik te staken ».

Art. 38, 1e en 2e lid van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals gewijzigd door art. 119 van de ordonnantie van 19 februari 2004 dat bepaalt : « Naast elk vonnis van veroordeling beveelt de rechtbank, op verzoek van de gemachtigde ambtenaar of van het college van burgemeester en schepenen, dat het goed dat tot het onroerende erfgoed behoort, in zijn vroegere staat wordt hersteld of dat de nodige werkzaamheden worden uitgevoerd, om het, voor zover mogelijk, zijn vroeger uitzicht terug te geven, op kosten van de veroordeelde, onverminderd de schadevergoeding.

De rechtbank bepaalt daartoe een termijn die niet meer dan een jaar mag bedragen . » en door art. 20 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening dat stelt : Het eerste lid van artikel 38 van de ordonnantie van 4 maart 1993 inzake het behoud van het onroerend erfgoed wordt als volgt aangevuld : « Het kan evenwel de uitvoering van werken niet opleggen wanneer het gaat om een goed dat op de bewaarlijst ingeschreven of beschermd is of waarvan de inschrijving hangende is. Het kan evenmin de betaling bevelen van een som die representatief is voor de meerwaarde die het goed door het misdrijf bekomen heeft ». (669) Art.190 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 61 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et l'art 93 de l'ordonnance du 19 février 2004. Art. 38 al. 3 à 6 de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel que modifié par l'art. 119 de l'ordonnance du 19 février 2004. (670) Art.190 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 61 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en art. 93 van de ordonnantie van 19 februari 2004. Art. 38 3e tot 6e lid van de ordonnantie van 4 maart, zoals gewijzigd door art. 119 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (671) Art.191 de l'ordonnance du 29 août 1991. Art.38bis de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel qu'inséré par l'art.120 de l'ordonnance du 19 février 2004. (672) Art.191 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. Art. 38bis van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals ingelast door art. 120 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (673) Art.192 de l'ordonnance du 29 août 1991 qui dispose : « Le fonctionnaire délégué ou le collège des bourgmestre et échevins peut poursuivre, devant le tribunal civil, la remise en état des lieux.

Chacun d'eux peut, avec l'accord de l'autre, demander, soit l'exécution d'ouvrages ou de travaux d'aménagement, soit le paiement d'une somme représentant la plus-value acquise par le bien à la suite de l'infraction.

Les dispositions des articles 189, alinéa 2, 190 et 191 sont également applicables en cas d'action introduite devant le tribunal civil.

Les droits du tiers lésé agissant soit concurremment avec les autorités publiques, soit séparément d'elles sont limités pour la réparation directe à celle choisie par l'autorité compétente, sans préjudice du droit à l'indemnisation à charge du condamné. », tel que modifié par l'art. 21 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire qui dispose que « à l'alinéa 1er de l'article 192 de l'ordonnance du 29 août 1991 organique de la planification et de l'urbanisme, la première phrase est complétée comme suit : « dans leur état antérieur ou les travaux nécessaires pour leur rendre, dans la mesure du possible, leur aspect antérieur ».

Art. 38ter de l'ordonnance du 4 mars 1993, tel qu'inséré par l'art. 120 de l'ordonnance du 19 février 2004 qui dispose : « Le fonctionnaire délégué ou le collège des bourgmestre et échevins peut poursuivre, devant le tribunal civil, le rétablissement du bien relevant du patrimoine immobilier dans son état antérieur ou les travaux nécessaires pour lui rendre, dans la mesure du possible, son aspect antérieur.

Les dispositions des articles 38 et 38bis sont également applicables en cas d'action introduite devant le tribunal civil.

Les droits du tiers lésé agissant soit concurremment avec les autorités publiques, soit séparément d'elles sont limités pour la réparation directe à celle choisie par l'autorité compétente, sans préjudice du droit à l'indemnisation à charge du condamné. » et tel que modifié par l'art. 28 de l'ordonnance portant ratification du code bruxellois de l'aménagement du territoire qui dispose : « L'alinéa 1er de l'article 38ter de l'ordonnance du 4 mars 1993 relative à la conservation du patrimoine immobilier est complété comme suit : « Toutefois, ils ne peuvent demander l'exécution d'ouvrages ou de travaux d'aménagement ou le paiement d'une somme représentant la plus-value acquise par le bien à la suite de l'infraction lorsqu'il s'agit d'un bien inscrit sur la liste de sauvegarde ou classé ou en cours d'inscription ou de classement ». (674) Art.192 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 dat bepaalt : »De gemachtigde ambtenaar of het college van burgemeester en schepenen kan bij de burgerlijke rechtbank vorderen dat de plaats in de vorige staat wordt hersteld. In gemeenschappelijk overleg kan de ene of de andere eveneens vorderen dat ofwel bouwwerken of aanpassingswerken worden uitgevoerd, ofwel een geldsom wordt betaald gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen.

De bepalingen van artikelen 189, tweede lid, 190 en 191 zijn ook van toepassing in geval van een bij de burgerlijke rechtbank ingestelde vordering.

De rechten van de derde benadeelde, die samen met de openbare overheid of afzonderlijk optreedt, zijn in geval van rechtstreeks herstel tot de door de bevoegde overheid gekozen wijze van herstel beperkt, onverminderd het recht om schadevergoeding van de veroordeelde te eisen. », zoals gewijzigd door art. 21 van de ordonnantie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening dat stelt dat « In het eerste lid van artikel 192 van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw, wordt de zin als volgt aangevuld : « of dat de werken worden uitgevoerd om ze, in de mate van het mogelijke, hun vroegere aanblik terug te geven ».

Art. 38ter van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals ingelast door art.120 van de ordonnantie van 12 februari 2004 dat bepaalt : « De gemachtigde ambtenaar of het College van burgemeester en schepenen kan, voor de burgerlijke rechtbank, de herstelling in zijn oorspronkelijke staat van het goed dat tot het onroerend erfgoed behoort of de werken die nodig zijn om het, in de mate van het mogelijke, zijn oorspronkelijk aanzicht terug te bezorgen, vorderen.

De bepalingen van de artikelen 38 en 38bis zijn eveneens van toepassing bij een voor de burgerlijke rechtbank ingeleide actie.

De rechten van de benadeelde partij die hetzij gezamenlijk met de overheden hetzij alleen handelt zijn, wat het rechtstreeks herstel betreft, beperkt tot het door de bevoegde overheid gekozen herstel, onverminderd het recht op vergoeding ten laste van de schuldige. » en zoals gewijzigd door art. 28 van de ordonnnatie houdende ratificatie van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening dat stelt : « Het eerste lid van artikel 38ter van de ordonnantie van 4 maart 1993 inzake het behoud van het onroerend erfgoed wordt als volgt aangevuld : « Zij kunnen evenwel niet vragen om de uitvoering van werken of ordeningswerken of om de betaling van een som die de meerwaarde vertegenwoordigt die het goed door het misdrijf bekomen heeft, wanneer het gaat om een goed dat op de bewaarlijst ingeschreven of beschermd is of waarvan de inschrijving of bescherming hangende is ». (675) Art.193 de l'ordonnance du 29 août 1991. Art. 38quater de l'ordonnance du 4 mars 1993 tel qu'inséré par l'art. 120 de l'ordonnance du 19 février 2004. (676) Art.193 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. Art. 38quater van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals ingelast door art. 120 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (677) Art.194 de l'ordonnance du 29 août 1991. (678) Art 194 van de ordonnantie van 29 augustus 1991.(679) Art.194bis de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 62 de l'ordonnance du 18 juillet 2002 et modifié par l'art. 94 de l'ordonnance du 19 février 2004. Art. 38quinquies de l'ordonnance du 4 mars 1993 tel qu'inséré par l'art. 121 de l'ordonnance du 19 février 2004. (680) Art.194bis van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 62 van de ordonnantie van 18 juli 2002 en gewijzigd door art. 94 van de ordonnantie van 19 februari 2004. Art. 38quinquies van de ordonnantie van 4 maart 1993, zoals ingelast door art. 120 van de ordonnantie van 19 februari 2004. (681) Art.15bis de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 10 de l'ordonnance du 19 février 2004. Les termes « de la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « dans le présent Code ». (682) Art.15bis van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 10 van de ordonnantie van 19 februari 2004. De woorden « van deze ordonnantie » worden vervangen door de woorden « van dit Wetboek ». (683) Art.195 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 63 de l'ordonnance du 18 juillet 2002. (684) Art.195 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 63 van de ordonnantie van 18 juli 2002. (685) Art.196 de l'ordonnance du 29 août 1991. (686) Art.196 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (687) Art.197 de l'ordonnance du 29 août 1991. (688) Art.197 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (689) Art.198 de l'ordonnance du 29 août 1991. (690) Art.198 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (691) Art.199 de l'ordonnance du 29 août 1991. (692) Art.199 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (693) Art.200 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 37 de l'ordonnance du 30 juillet 1992. (694) Art.200 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 37 van de ordonnantie van 30 juli 1992. (695) Art.201 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (696) Art.201 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993. (697) Art.202 de l'ordonnance du 29 août 1991. (698) Art.202 van de ordonnantie van 29 augustus 1991. (699) Art.203 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 35 de l'ordonnance du 16 juillet 1998, l'art. 19 de l'ordonnance du 20 mai 1999 et l'art. 2 de l'ordonnance du 22 décembre 2000. (700) Art.203 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993, art. 35 van de ordonnantie van 16 juli 1998, art. 19 van de ordonnantie van 20 mei 1999 en art. 2 van de ordonnantie van 22 december 2000. (701) Art.204 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 34 de l'ordonnance du 23 novembre 1993, l'art. 17 de l'ordonnance du 14 décembre 2000. (702) Art.204 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 34 van de ordonnantie van 23 november 1993, art. 17 van de ordonnantie van 14 december 2000. (703) Art.205 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 38 de l'ordonnance du 30 juillet 1992, l'art. 35 de l'ordonnance du 23 novembre 1993 et l'art. 18 de l'ordonnance du 14 décembre 2000. (704) Art.205 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 38 van de ordonnantie van 30 juli 1992, art. 35 van de ordonnantie van 23 november 1993 en art. 18 van de ordonnantie van 14 december 2000. (705) Art.205bis de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 36 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (706) Art.205bis van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 36 van de ordonnantie van 23 november 1993. (707) Art.205ter alinéa 1er de l'ordonnance du 29 août 1991, tel qu'inséré par l'art. 97, al. 1er de l'ordonnance du 19 février 2004. (708) Art.205ter 1e lid van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals ingelast door art. 97, 1e lid van de ordonnantie van 19 februari 2004. (709) Art.206 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 39 de l'ordonnance du 30 juillet 1992. (710) Art.206 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 39 van de ordonnantie van 30 juli 1992. (711) Art.207 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 13 mars 2003 et l'art. 96 de l'ordonnance du 19 février 2004. Au § 2, les termes « à la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « au présent Code ». (712) Art.207 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 13 maart 2003 en art. 96 van de ordonnantie van 19 februari 2004. In § 2, worden de woorden « in deze ordonnantie » vervangen door de woorden « in dit Wetboek ». (713) Art.209 de l'ordonnance du 29 août 1991, tel que modifié par l'art. 2 de l'ordonnance du 23 novembre 1993. (714) Art.209 van de ordonnantie van 29 augustus 1991, zoals gewijzigd door art. 2 van de ordonnantie van 23 november 1993. (715) Art.41 de l'ordonnance du 4 mars 1993. Au § 2, les termes « à la présente ordonnance » sont remplacés par les termes « au présent Code ». (716) Art.41 van de ordonnantie van 4 maart 1993. In § 2, worden de woorden « in deze ordonnantie » vervangen door de woorden « in dit Wetboek ». (717) Art.43 de l'ordonnance du 4 mars 1993. (718) Art.43 van de ordonnantie van 4 maart 1993. (719) Art.32 de l'ordonnance du 18 décembre 2003. (720) Art.32 van de ordonnantie van 18 december 2003.

Bijlage III Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 april 2004.

Brussel, 9 april 2004.

Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering : J. SIMONET, Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek

Bijlage IV Niet-gecoördineerde bepalingen A. Ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw 1. Ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw Art.210. De bepalingen van deze ordonnantie worden van kracht op de door de Regering bepaalde data en uiterlijk op 1 juli 1992. 2. Ordonnantie van 30 juli 1992 Art.40. Deze ordonnantie heeft uitwerking met ingang van 1 juli 1992, met uitzondering van de artikelen 5, 6, 1°, 7, 1°, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 20, 22, 25, 29, 1°, 2° en 4°, 30, 31 en 32, 2°, die op de door de Regering bepaalde datum en uiterlijk op 1 december 1993 in werking treden. 3. Ordonnantie van 15 juli 1993 Art.3. Deze ordonnantie heeft uitwerking met ingang op 30 juni 1993. 4. Ordonnantie van 23 november 1993 Art.37. Deze ordonnantie treedt in werking op 1 december 1993. 5. Ordonnantie van 4 april 1996 Art.16. De bepalingen van deze ordonnantie zijn niet van toepassing op de aanvragen om stedenbouwkundig attest, stedenbouwkundige vergunning of verkavelingsvergunning die werden ingediend voor de inwerkingtreding van deze ordonnantie.

Art. 17.Deze ordonnantie treedt in werking de dag dat zij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. 6. Ordonnantie van 19 december 1996 Art.7. Deze ordonnantie heeft uitwerking met ingang van 1 juli 1992. 7. Ordonnantie van 5 juni 1997 Art.23. De bepalingen van deze ordonnantie zijn niet van toepassing op de aanvragen om stedenbouwkundig attest, om stedenbouwkundige vergunning of om verkavelingsvergunning als deze werden ingediend voor de inwerkingtreding ervan.

Art. 24.De ordonnantie van 30 juli 1992 betreffende de voorafgaande effectenbeoordeling van bepaalde projecten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt opgeheven. 7. Ordonnantie van 26 maart 1998 Art.3. Deze ordonnantie heeft uitwerking met ingang van 11 april 1995. 8. Ordonnantie van 16 juli 1998 Art.37. De Regering stelt de datum vast waarop de artikelen 9 tot 12; 15 tot 18; 27, 29 en 35 in werking treden. 9. Ordonnantie van 10 december 1999 Art.3. Deze ordonnantie treedt in werking op 3 juni 1999. 10. Ordonnantie van 14 december 2000 Art.19. Deze ordonnantie treedt in werking de dag dat zij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van artikel 17 dat op 30 augustus 1999 in werking treedt. 11. Ordonnantie van 22 december 2000 Art.3. Deze ordonnantie treedt uiterlijk op 31 december 2000 in werking. 12. Ordonnantie van 18 juli 2002 Art.37. alinéa 2, Dit artikel is enkel van toepassing op aanvragen die worden ingediend na de inwerkingtreding ervan.

Art. 46.alinéa 2, De onder 1° en 3° bedoelde wijzigingen zijn slechts van toepassing op de aanvragen ingediend na hun van kracht worden.

Art. 73.De regering kan de hieronder vermelde wetgevende bepalingen codificeren en met elkaar in overeenstemming brengen door er de wijzigingen in aan te brengen die aanbeveling verdienen met het oog op een formele vereenvoudiging, zonder dat er afbreuk kan worden gedaan aan de in deze bepalingen ingeschreven principes : : -de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw en haar uitvoeringsbesluiten; - de ordonnantie van 4 maart 1993 inzake het behoud van het onroerend erfgoed en haar uitvoeringsbesluiten; - de ordonnantie van 13 april 1995 betreffende de herinrichting van de niet-uitgebate of verlaten bedrijfsruimten en haar uitvoeringsbesluiten.

De onder het eerste lid bedoelde codificatie draagt de volgende titel : « Brussels Wetboek van de ruimtelijke ordening ». Zij treedt slechts in werking na haar ratificatie door de Raad.

De regering is eveneens gemachtigd tot het aanpassen van de verwijzingen naar de krachtens het eerste lid gecoördineerde en gecodificeerde bepalingen die in andere ordonnanties vervat zitten.

Art. 74, § 1. Deze ordonnantie treedt in werking op de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van de artikelen 33, 35, 44, 45, 46, 2°, 47, 48, 1°, 64. 2° en 66, 68 tot 72 die op de door de regering bepaalde datum in werking treden. § 2. De artikelen 2, 3, 6, 1°, 8 tot 20, 22 tot 28, 30, 38, 39 en 55 zijn niet toepasbaar op de gemeentelijke ontwikkelingsplannen waarvan het basisdossier vóór het van kracht worden van deze ordonnantie werd goedgekeurd. 13. Ordonnantie van 18 juli 2002 houdende het voorkooprecht Art.25. Deze ordonnantie wordt van kracht op de door de Regering vastgelegde datum. 14. Ordonnantie van 13 maart 2003 Art.3. Deze ordonnantie treedt in werking op de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. 15. Ordonnantie van 23 mei 2003 Art.2. Na paragraaf 1 van artikel 74 van de ordonnantie van 18 juli 2002 houdende wijziging van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw, wordt een als volgt opgestelde paragraaf ingelast : « § 2. De artikelen 33, 2, 33, 3°, 44, 46, 2°, 47, 48, 1° 66 en 68 tot 71 van deze ordonnantie, evenals artikel 45, in de zin dat het artikel 139, 3°, van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw wijzigt, zijn niet van toepassing op de projecten waarvoor een aanvraag om stedenbouwkundige vergunning of om toelating van de Regering, bedoeld in de artikelen 12 en 27 van de ordonnantie van 4 maart 1993 inzake het behoud van het onroerend erfgoed, werd ingediend vóór hun inwerkingtreding, evenals op de projecten waarvoor een stedenbouwkundige vergunning of een toelating van de Regering, bedoeld in de artikelen 12 en 27 van de ordonnantie van 4 maart 1993 inzake het behoud van het onroerend erfgoed, werd afgegeven vóór hun inwerkingtreding.

Artikel 72 van deze ordonnantie, in de zin dat het artikel 14, eerste lid, 3°, van de ordonnantie van 5 juni 1997 inzake de milieuvergunning wijzigt, is niet van toepassing op de projecten waarvoor een aanvraag om stedenbouwkundige vergunning werd ingediend vóór zijn inwerkingtreding. »

Art. 3.Paragraaf 2 van de ordonnantie van 18 juli 2002 houdende wijziging van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw wordt § 3.

Art. 4.Deze ordonnantie treedt in werking op 30 mei 2003. 16. Ordonnantie van 18 december 2003 betreffende de rehabilitatie en de herbestemming van de niet-uitgebate bedrijfsruimten Art.33. Deze ordonnantie treedt in werking de dag van haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. 17. Ordonnance du 19 février 2004 Artikel 97 tweede lid.De bepalingen van de artikelen 4, 1°; 5; 7, 1°; 16, 1°; 30, 1°; 49; 51; 52; 61; 63; 65; 75; 76; 86; 88; 89; 125 en 126 van deze ordonnantie zijn niet van toepassing op dit prioritair actieprogramma.

Artikel 127 De artikelen 13 à 19, 25 à 30, 33 à 47, 98 en 100 van deze ordonnantie zijn niet van toepassing op het gewestelijk ontwikkelingsplan en op het gewestelijk bestemmingsplan waarvan het ontwerp werd goedgekeurd vóór de inwerkingtreding van deze ordonnantie, noch op de gemeentelijke ontwikkelingsplannen en de bijzondere bestemmingsplannen waarvan het basisdossier of het ontwerp voorlopig door de gemeenteraad werd goedgekeurd overeenkomstig artikelen 42, 52 of 56 vóór de inwerkingtreding van deze ordonnantie, voor zover het definitieve plan uiterlijk op 21 juli 2006 is goedgekeurd. Wanneer dit plan nog niet is goedgekeurd op die vervaldag, is het onderworpen aan de artikelen 13 tot 19, 25 tot 30, 33 tot 47, 98 tot 100 van deze ordonnantie, tenzij de Regering beslist, geval per geval en bij met redenen omklede en in het Belgisch Staatsblad verschenen beslissing, dat het niet mogelijk is over te gaan tot de milieuevaluatie.

De in het eerste lid bedoelde planwijzigingen waartoe beslist wordt na de inwerkingtreding van deze ordonnantie, worden aan de bepalingen van deze laatste onderworpen.

De artikelen 76 en 112 van deze ordonnantie zijn niet van toepassing op de aanvragen om attesten en vergunningen waarvoor een ontvangstbewijs werd afgegeven, overeenkomstig de artikelen 109 en 140 van de ordonnantie houdende organisatie van de planning en de stedenbouw, vóór de inwerkingtreding van deze ordonnantie.

B. Ordonnantie van 4 maart 1993 inzake het behoud van het onroerend erfgoed 1. Ordonnantie van 4 maart 1993 inzake het behoud van het onroerend erfgoed Art.46. Deze ordonnantie treedt in werking op door de regering vastgestelde data en uiterlijk op 1 november 1993 met uitzondering van de artikelen 27, §1, 28, 41, §2, en 45, die vanaf 1 maart 1993 uitwerking zullen hebben. 2. Ordonnantie van 18 juli 2002 Art.74 § 1. Deze ordonnantie treedt in werking op de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van de artikelen 33, 35, 44, 45, 46, 2°, 47, 48, 1°, 64, 2° en 66, 68 tot 72 die op de door de regering bepaalde datum in werking treden. 3. Ordonnantie van 23 mei 2003 Art.2. Na paragraaf 1 van artikel 74 van de ordonnantie van 18 juli 2002 houdende wijziging van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw, wordt een als volgt opgestelde paragraaf ingelast : « § 2. De artikelen 33, 2, 33, 3°, 44, 46, 2°, 47, 48, 1°, 66 en 68 tot 71 van deze ordonnantie, evenals artikel 45, in de zin dat het artikel 139, 3°, van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw wijzigt, zijn niet van toepassing op de projecten waarvoor een aanvraag om stedenbouwkundige vergunning of om toelating van de Regering, bedoeld in de artikelen 12 en 27 van de onroerende van 4 maart 1993 inzake het behoud van het onroerend erfgoed, werd ingediend vóór hun inwerkingtreding, evenals op de projecten waarvoor een stedenbouwkundige vergunning of een toelating van de Regering, bedoeld in de artikelen 12 en 27 van de ordonnantie van 4 maart 1993 inzake het behoud van het onroerend erfgoed, werd afgegeven vóór hun inwerkingtreding.

Artikel 72 van deze ordonnantie, in de zin dat het artikel 14, eerste lid, 3°, van de ordonnantie van 5 juni 1997 inzake de milieuvergunning wijzigt, is niet van toepassing op de projecten waarvoor een aanvraag om stedenbouwkundige vergunning werd ingediend vóór zijn inwerkingtreding. »

Art. 3.Paragraaf 2 van de ordonnantie van 18 juli 2002 houdende wijziging van de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw wordt § 3.

Art. 4.Deze ordonnantie treedt in werking op 30 mei 2003. 4. Ordonnantie van 19 februari 2004 Artikel 128 De peilingen of opgravingen die aan de gang zijn op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze ordonnantie moeten het voorwerp zijn, binnen zes maanden na de inwerkingtreding van deze ordonnantie, van een aanvraag om toelating.Gedurende deze termijn mogen de peilingen en opgravingen worden verder gezet tot aan de kennisgeving van de beslissing betreffende de aanvraag om toelating.

De natuurlijke of rechtspersonen, publiek of privaat, die opgravingen of peilingen uitvoeren op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze ordonnantie moeten een aanvraag om erkenning indienen binnen zes maanden na de inwerkingtreding van deze ordonnantie. Tijdens die periode mogen zij de opgravingen en peilingen voortzetten tot aan de kennisgeving van de beslissing betreffende de aanvraag om erkenning.

Artikel 129.De artikelen 106 en 109 van deze ordonnantie zijn niet van toepassing op de procedures voor de inschrijving op de bewaarlijst of voor de bescherming die geopend werden voor de inwerkingtreding van deze ordonnantie.

C. Ordonnantie van 18 juli 2002 houdende het voorkooprecht

Art. 25.Deze ordonnantie wordt van kracht op de door de Regering vastgelegde datum.

D. Ordonnantie van 18 december 2003 betreffende de rehabilitatie en de herbestemming van de niet-uitgebate bedrijfsruimten

Art. 33.Deze ordonnantie treedt in werking de dag van haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.

Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 9 april 2004.

Voor de Brusselse Hoofdstedelijke Regering : J. SIMONET Minister-Voorzitter van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, belast met Plaatselijke Besturen, Ruimtelijke Ordening, Monumenten en Landschappen, Stadsvernieuwing en Wetenschappelijk Onderzoek

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^