Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Vlaamse Regering van 03 juli 2015
gepubliceerd op 26 augustus 2015

Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu

bron
vlaamse overheid
numac
2015036083
pub.
26/08/2015
prom.
03/07/2015
ELI
eli/besluit/2015/07/03/2015036083/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

3 JULI 2015. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu


De Vlaamse Regering, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993;

Gelet op het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, artikel 16.1.1, eerste lid, 20°, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, vervangen bij het decreet van 30 april 2009 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2010, artikel 16.1.2, 1° en 4°, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en gewijzigd bij het decreet van 22 november 2013, artikel 16.2.7, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en vervangen bij het decreet van 25 april 2014, artikel 16.3.2, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en gewijzigd bij het decreet van 30 april 2009, artikel 16.3.4bis, ingevoegd bij het decreet van 30 april 2009 en gewijzigd bij het decreet van 23 december 2010, artikel 16.3.5, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, artikel 16.3.6, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, artikel 16.3.9, § 2, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, artikel 16.3.16, eerste lid, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, artikel 16.3.24, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en vervangen bij het decreet van 22 november 2013, artikel 16.4.5, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en gewijzigd bij de decreten van 25 mei 2012 en 22 november 2013, artikel 16.4.6, eerste lid, 3°, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, artikel 16.4.17, negende lid, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en vervangen bij het decreet van 22 november 2013, artikel 16.4.18, § 5, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, artikel 16.4.27, derde lid, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 3 april 2015;

Gelet op advies 57.537/1 van de Raad van State, gegeven op 15 juni 2015, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid

Artikel 1.Aan artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, worden een punt 47° en een punt 48° toegevoegd, die luiden als volgt: "47° lokale toezichthouder: een gemeentelijke toezichthouder, een toezichthouder van een intergemeentelijke vereniging of een toezichthouder van een politiezone; 48° lokale toezichthouder geluid: een gemeentelijke toezichthouder geluid, een toezichthouder geluid van een intergemeentelijke vereniging of een toezichthouder geluid van een politiezone.".

Art. 2.In artikel 2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, 28 oktober 2011, 17 februari 2012 en 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° punt 7° wordt vervangen door wat volgt: "7° verordening (EU) nr.517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006;"; 2° er worden een punt 18° tot en met 23° toegevoegd, die luiden als volgt: "18° verordening (EU) nr.1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten; 19° verordening (EG) nr.1497/2007 van de Commissie van 18 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) Nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire brandbeveiligingssystemen die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten; 20° verordening (EG) nr.1516/2007 van de Commissie van 19 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat; 21° verordening (EU) nr.142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn; 22° verordening (EU) nr.601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad; 23° verordening (EU) nr.1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1013/2006 en van Richtlijn 2009/16/EG; 24° verordening (EU) nr.1357/2014 van de Commissie van 18 december 2014 ter vervanging van bijlage III bij Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen.".

Art. 3.In artikel 3 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, wordt het tweede lid opgeheven.

Art. 4.Artikel 13 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2012, wordt vervangen door wat volgt: "

Art. 13.§ 1. Provinciale en lokale toezichthouders moeten beschikken over een bekwaamheidsbewijs `toezichthouder milieuhandhaving'.

Provinciale toezichthouders geluid en lokale toezichthouders geluid moeten beschikken over een bekwaamheidsbewijs `toezichthouder geluid'. § 2. Om met toepassing van artikel 15 een bekwaamheidsbewijs `toezichthouder milieuhandhaving' of een bekwaamheidsbewijs `toezichthouder geluid' te kunnen verkrijgen, moeten de provinciale en lokale toezichthouders de volgende vier certificaten behalen door de opleidingen te volgen en te slagen voor de bekwaamheidsproeven: 1° het certificaat algemene beginselen milieuregelgeving;2° het certificaat theorie en praktijk milieuhandhaving;3° het certificaat communicatievaardigheden en conflictbeheersing;4° het certificaat kijkstage. In afwijking van het eerste lid hoeven de toezichthouders van de politiezones en de toezichthouders geluid van de politiezones het certificaat communicatievaardigheden en conflictbeheersing, vermeld in het eerste lid, 3°, niet te behalen. § 3. De opleidingen die gericht zijn op het behalen van de certificaten, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, hebben de volgende leerdoelen: 1° opleiding algemene beginselen milieuregelgeving: a) onderscheid kunnen maken tussen de verschillende regelgevende niveaus en die kunnen situeren;b) de essentie van de toepasselijke regelgeving begrijpen;c) de instanties en hun bevoegdheden kennen;d) nuttige bronnen kunnen raadplegen;2° opleiding theorie en praktijk milieuhandhaving: a) goede kennis hebben van titel XVI van het decreet, van dit besluit en de toepassing ervan: 1) de eigen bevoegdheden kennen;2) weten welke rechten en verplichtingen er zijn en die correct en verantwoord kunnen toepassen;3) weten welke handhavingsinstrumenten er ter beschikking zijn en kunnen afwegen welke wanneer ingezet moeten worden;4) handhavingsdocumenten correct en volledig kunnen opstellen;b) goede kennis hebben van de regelgeving waarvoor de toezichthouder bevoegd is: 1) de regelgeving begrijpen en kunnen interpreteren;2) vergunningen begrijpen en kunnen interpreteren;3) monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses kunnen uitvoeren;4) meetresultaten correct kunnen interpreteren en aftoetsen aan de juiste normen;3° opleiding communicatievaardigheden en conflictbeheersing: a) beschikken over de vereiste schriftelijke en mondelinge communicatievaardigheden;b) praktijksituaties correct kunnen inschatten en beheersen;c) conflicten kunnen hanteren;4° opleiding kijkstage: inzicht hebben in de vereiste kennis, competenties en attitudes van een toezichthouder. § 4. Het aantal uren van de opleidingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, bedraagt voor de gemeentelijke toezichthouders en de toezichthouders van de intergemeentelijke verenigingen: 1° algemene beginselen milieuregelgeving: 18 uur;2° theorie en praktijk milieuhandhaving: 90 uur;3° communicatievaardigheden en conflictbeheersing: 12 uur;4° kijkstage: 12 uur. § 5. Het aantal uren van de opleidingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, bedraagt voor de toezichthouders van de politiezones: 1° algemene beginselen milieuregelgeving: 18 uur;2° theorie en praktijk milieuhandhaving: 90 uur;3° kijkstage: 12 uur. § 6. Het aantal uren van de opleidingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, bedraagt voor de provinciale toezichthouders milieuhandhaving: 1° algemene beginselen milieuregelgeving: 18 uur;2° theorie en praktijk milieuhandhaving: 42 uur;3° communicatievaardigheden en conflictbeheersing: 6 uur;4° kijkstage: 6 uur. § 7. Het aantal uren van de opleidingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, bedraagt voor de provinciale toezichthouders geluid, de gemeentelijke toezichthouders geluid en de toezichthouders geluid van de intergemeentelijke verenigingen: 1° algemene beginselen milieuregelgeving: 18 uur;2° theorie en praktijk milieuhandhaving: 30 uur;3° communicatievaardigheden en conflictbeheersing: 6 uur;4° kijkstage: 6 uur. § 8. Het aantal uren van de opleidingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, bedraagt voor de toezichthouders geluid van de politiezones: 1° algemene beginselen milieuregelgeving: 18 uur;2° theorie en praktijk milieuhandhaving: 30 uur;3° kijkstage: 6 uur. § 9. Om een certificaat te behalen, moeten de cursisten na het volgen van de toepasselijke opleiding slagen voor de bekwaamheidsproef door ten minste 50% van de punten te behalen.".

Art. 5.In artikel 14 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2011 en 7 september 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1 wordt de zinsnede "artikel 13, § 1, tweede en vierde lid, en § 2, tweede en vierde lid," vervangen door de zinsnede "artikel 13, § 2, eerste lid,";2° in paragraaf 2, 1°, wordt de zinsnede "beginselen, vermeld in artikel 13, § 1, tweede lid, hetzij minstens vijf jaar praktijkervaring hebben met die beginselen" vervangen door de zinsnede "leerdoelen, vermeld in artikel 13, § 3, hetzij minstens vijf jaar praktijkervaring hebben met die leerdoelen";3° aan paragraaf 2 worden een punt 3° en een punt 4° toegevoegd, die luiden als volgt: "3° over leerplannen beschikken die invulling geven aan de leerdoelen, vermeld in artikel 13, § 3; 4° over een evaluatiemethode beschikken waarbij wordt nagegaan in hoeverre de in de leerplannen geformuleerde doelstellingen met betrekking tot kennis en vaardigheden behaald zijn."; 4° er wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, die luidt als volgt: " § 2/1.De instellingen, vermeld in paragraaf 1, moeten zich richten naar de instructies van de afdeling, bevoegd voor erkenningen."; 5° in paragraaf 3 wordt voor het eerste lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt: "Wijzigingen van de leerplannen en de evaluatiemethode, vermeld in paragraaf 2, punten 3° en 4°, worden voorafgaand ter goedkeuring voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.".

Art. 6.In artikel 15 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2011 en 7 september 2012, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt: "De instelling, vermeld in artikel 14, § 1, levert de certificaten af aan de cursisten die de toepasselijke opleidingen, vermeld in artikel 13, § 2 tot en met § 8, hebben gevolgd en die geslaagd zijn voor de bekwaamheidsproef, vermeld in artikel 13, § 9. De certificaten worden, samen met het aanstellingsbesluit van het orgaan, vermeld in artikel 16.3.1, § 1, 2°, 3°, 4° en 5°, van het decreet, en een digitale pasfoto van de houder met een minimumgrootte van 20 mm op 30 mm met de post of digitaal bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.".

Art. 7.In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2014, wordt een artikel 15/1 ingevoegd, dat luidt als volgt: "

Art. 15/1.In de gevallen, vermeld in artikel 16.3.4bis, eerste lid, van het decreet, wordt de melding gedaan met een brief of een e-mail aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen, binnen vijftien dagen na de inwerkingtreding van de wijzigingen.".

Art. 8.In hoofdstuk V, afdeling I, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 april 2009, 19 november 2010, 28 oktober 2011, 17 februari 2012, 7 september 2012, 1 maart 2013 en 25 april 2014, wordt het opschrift van onderafdeling II vervangen door wat volgt: "Onderafdeling II. Lokale toezichthouders".

Art. 9.In hoofdstuk V, afdeling I, onderafdeling II, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 april 2009, 19 november 2010 en 25 april 2014, wordt een rubriek A, die bestaat uit artikel 15/2 ingevoegd, die luidt als volgt: "A. Bevoegdheid van lokale toezichthouders in een andere gemeente

Art. 15/2.Een gemeente die met toepassing van artikel 16.3.5 van het decreet toestemming heeft gegeven aan een gemeentelijke toezichthouder van een aangrenzende gemeente of van een andere gemeente van de intergemeentelijke vereniging of politiezone waarvan de eigen gemeente deel uitmaakt, om toezicht uit te oefenen in de eigen gemeente, brengt de afdeling, bevoegd voor erkenningen, daarvan op de hoogte.".

Art. 10.In hoofdstuk V, afdeling I, onderafdeling II, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 april 2009, 19 november 2010 en 25 april 2014, wordt het opschrift "A. Minimumaantal lokale toezichthouders" vervangen door het opschrift "A/1. Minimumaantal lokale toezichthouders".

Art. 11.In artikel 16, § 1, van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid wordt de zinsnede "één toezichthouder, hetzij een gemeentelijke toezichthouder, hetzij een toezichthouder van een intergemeentelijke vereniging, hetzij een toezichthouder van een politiezone" vervangen door de woorden "één lokale toezichthouder";2° in het tweede lid wordt de zinsnede "twee toezichthouders, hetzij gemeentelijke toezichthouders, hetzij toezichthouders van intergemeentelijke verenigingen, hetzij toezichthouders van politiezones" vervangen door de woorden "twee lokale toezichthouders".

Art. 12.In artikel 21 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 april 2009, 19 november 2010, 15 juli 2011, 23 september 2011, 28 oktober 2011, 17 februari 2012, 15 maart 2013 en 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° punt 13° wordt vervangen door wat volgt: "13° verordening (EU) nr.517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006;"; 2° er worden een punt 25° tot en met 29° toegevoegd, die luiden als volgt: "25° verordening (EG) nr.1497/2007 van de Commissie van 18 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) Nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire brandbeveiligingssystemen die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten; 26° verordening (EG) nr.1516/2007 van de Commissie van 19 december 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevat; 27° verordening (EU) nr.142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn; 28° verordening (EU) nr.601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad; 29° verordening (EU) nr.1257/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake scheepsrecycling, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1013/2006 en van Richtlijn 2009/16/EG.".

Art. 13.In artikel 23 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, 19 november 2010 en 1 maart 2013, wordt punt 7° vervangen door wat volgt: "7° verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006.".

Art. 14.Aan artikel 25 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, 15 maart 2013 en 25 april 2014, wordt een punt 16° toegevoegd, dat luidt als volgt: "16° verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten.".

Art. 15.In artikel 33, § 2, eerste lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2012, wordt de zinsnede "artikel 13, § 2, derde lid," vervangen door de zinsnede "artikel 13, § 1, tweede lid,".

Art. 16.In artikel 34 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 april 2009, 19 november 2010, 28 oktober 2011, 17 februari 2012, 7 september 2012 en 15 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede "De gemeentelijke toezichthouders, de toezichthouders van intergemeentelijke verenigingen en de toezichthouders van politiezones" vervangen door de woorden "De lokale toezichthouders";2° aan paragraaf 1, eerste lid, 3°, wordt de zinsnede ", en voor wat hoofdstuk IIter betreft" toegevoegd; 3° aan paragraaf 1, eerste lid, wordt een punt 8° /1 toegevoegd, dat luidt als volgt: "8° /1: Hoofdstuk 6.3 van deel 6 van titel II van het VLAREM;"; 4° aan paragraaf 1, eerste lid, wordt een punt 14° toegevoegd, dat luidt als volgt: "14° verordening (EU) nr.517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006."; 5° in paragraaf 2, eerste lid, wordt de zinsnede "artikel 13, § 1, derde lid," vervangen door de zinsnede "artikel 13, § 1, tweede lid,".

Art. 17.In artikel 35, tweede lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2012, wordt de zinsnede "artikel 13, § 1, eerste en derde lid, en § 2, eerste en derde lid" vervangen door de zinsnede "artikel 13, § 1 en artikel 19, tweede lid".

Art. 18.In hoofdstuk V, afdeling II, van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2014, wordt het opschrift van onderafdeling IV vervangen door wat volgt: "Onderafdeling IV. Taakverdeling tussen lokale toezichthouders en gewestelijke toezichthouders".

Art. 19.In artikel 54 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt: " § 3.Voor de toezichthouder conform paragraaf 2 overgaat tot de uitvoering van metingen of beproevingen of van de ijking van meetapparatuur, nodigt hij de exploitant of zijn vertegenwoordiger ter plaatse uit om die metingen of beproevingen of ijking bij te wonen."; 2° paragraaf 4 wordt opgeheven.

Art. 20.In artikel 58 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 april 2009, 19 november 2010 en 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt: " § 2.De toezichthouders melden schriftelijk aan het college van burgemeester en schepenen dat er een proces-verbaal is opgesteld.

Daarin melden ze minstens de concrete locatie van het milieumisdrijf en, als die bekend is, de naam van vermoedelijke overtreder en de datum van de vaststelling.

Voor de inrichtingen die overeenkomstig bijlage 1 van titel I van het VLAREM zijn ingedeeld als inrichtingen van klasse 1, 2 en 3, wordt van elk proces-verbaal een kopie bezorgd aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, en aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving.

Voor de bedrijven die vallen onder het samenwerkingsakkoord van 21 juni 1999 tussen de Federale Staat, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn, wordt die melding gedaan aan de betrokken deputatie en aan de provinciegouverneur.

De melding, vermeld in het eerste en het tweede lid, wordt gedaan binnen een termijn van veertien dagen na de datum van de afsluiting van het proces-verbaal."; 2° aan paragraaf 3 wordt een punt 6° toegevoegd, dat luidt als volgt: "6° wegens het wijzigen van de vegetaties, vermeld in artikel 7, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 juli 1998 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, als ze gelegen zijn in een beschermd landschap, aan de afdeling Inspectie van het Agentschap Inspectie Ruimtelijke Ordening, Woonbeleid en Onroerend Erfgoed."; 3° in paragraaf 4 worden de woorden "de gemeentelijke en intergemeentelijke toezichthouders en de toezichthouders van een politiezone" vervangen door de woorden "de lokale toezichthouders";4° in paragraaf 5 worden de woorden "de gemeentelijke en intergemeentelijke toezichthouders en de toezichthouders van een politiezone" vervangen door de woorden "de lokale toezichthouders".

Art. 21.In artikel 60 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 en 25 april 2014, wordt punt 1° vervangen door wat volgt: "1° er een overtreding is van artikel 2, of van hoofdstuk IIter van de wet Oppervlaktewateren;".

Art. 22.Artikel 61 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 en 23 mei 2014, wordt vervangen door wat volgt: "

Art. 61.§ 1. Bij de vaststelling van een milieumisdrijf dat de schending inhoudt van een milieuvoorwaarde voor geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, voor voorkoming of beperking van emissies in lucht, water en bodem of voor voorkoming van het ontstaan van afvalstoffen bij een GPBV-installatie als vermeld in artikel 1, 16°, van titel I van het VLAREM of in rubriek 59 van de indelingslijst van titel I van het VLAREM, manen de toezichthouders, vermeld in artikel 12, 1° en 7°, van dit besluit, tot de toezichtsopdracht van wie het toezicht op de milieuvoorwaarde in kwestie behoort, de exploitant aan onmiddellijk de nodige maatregelen te nemen opdat op een zo kort mogelijke termijn weer aan de geschonden milieuvoorwaarde wordt voldaan.

Als de exploitant geen gevolg geeft aan die aanmaning of als de door de exploitant genomen maatregelen ontoereikend zijn, bevelen de toezichthouders, vermeld in artikel 12, 1° en 7°, van dit besluit, tot de toezichtsopdracht van wie het toezicht op de milieuvoorwaarde in kwestie behoort, bij het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen, vermeld in artikel 16.4.10 van het decreet, de exploitant alle passende aanvullende maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat weer aan de geschonden milieuvoorwaarde wordt voldaan. § 2. Als de schending van de milieuvoorwaarden, vermeld in paragraaf 1, een direct gevaar voor de menselijke gezondheid oplevert of als ze onmiddellijke en aanzienlijk nadelige gevolgen voor het milieu dreigt te hebben, bevelen de toezichthouders, vermeld in artikel 12, 1° en 7°, van dit besluit, tot de toezichtsopdracht van wie het toezicht op de milieuvoorwaarde in kwestie behoort, bij het besluit houdende de bestuurlijke maatregelen, vermeld in artikel 16.4.10 van het decreet, de exploitant de exploitatie van de GPBV-installatie in kwestie of het deel ervan stop te zetten, zolang niet kan worden gegarandeerd dat aan de geschonden milieuvoorwaarde wordt voldaan. § 3. Dit artikel voorziet in de gedeeltelijke omzetting van artikel 8 van richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging)".

Art. 23.In artikel 62, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2011, worden de woorden "de vermoedelijke overtreder" vervangen door de woorden "degene ten aanzien van wie de bestuurlijke maatregelen zijn opgelegd".

Art. 24.In artikel 63 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 en 25 april 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in paragraaf 3 worden de woorden "de vermoedelijke overtreder" vervangen door de woorden "degene die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het opleggen van de bestuurlijke maatregelen";2° in paragraaf 4, eerste lid, worden de woorden "de vermoedelijke overtreder" vervangen door de woorden "degene die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het opleggen van de bestuurlijke maatregelen";3° in paragraaf 4, vijfde lid, worden de woorden "de vermoedelijke overtreder" vervangen door de woorden "degene die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het opleggen van de bestuurlijke maatregelen".

Art. 25.Artikel 64 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 november 2011 en 28 oktober 2011, wordt vervangen door wat volgt: "

Art. 64.Op straffe van onontvankelijkheid wordt het beroep tegen de beslissing, vermeld in artikel 16.4.18, § 4, van het decreet, ingesteld bij de minister binnen een termijn van veertien dagen na de verzending van de beslissing, vermeld in artikel 63, § 4, van dit besluit. Het beroep wordt ingesteld met een aangetekende brief naar of door afgifte tegen ontvangstbewijs op het adres van het Departement, Koning Albert II-laan 20 bus 8, 1000 Brussel.".

Art. 26.In artikel 66 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 28 oktober 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in het eerste lid, 1°, worden de woorden "de vermoedelijke overtreder" vervangen door de zinsnede "degene die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het opleggen van de bestuurlijke maatregelen,";2° in het eerste lid, 2°, worden de woorden "de vermoedelijke overtreder" vervangen door de zinsnede "degene die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het opleggen van de bestuurlijke maatregelen,";3° in het vierde lid worden de woorden "de vermoedelijke overtreder" vervangen door de zinsnede "degene die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het opleggen van de bestuurlijke maatregelen,".

Art. 27.In hetzelfde besluit worden de volgende artikelen opgeheven: 1° artikel 88 en 89, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2012;2° artikel 90 en 91;3° artikel 91/1 en 91/2, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2012.

Art. 28.Artikel 91/3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2012, wordt vervangen door wat volgt: "

Art. 91/3.De instellingen die voor 1 januari 2013 erkend waren voor het geven van de opleiding voor de lokale en provinciale toezichthouders, zijn vanaf 1 januari 2013 van rechtswege erkend voor het geven van de opleiding voor de lokale en provinciale toezichthouders geluid. Zij leggen de leerplannen en evaluatiemethode, vermeld in artikel 14, § 2, punten 3° en 4°, ter goedkeuring voor aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen".

Art. 29.Artikel 91/4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 september 2012, wordt opgeheven.

Art. 30.In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2014, worden een artikel 91/5 tot en met 91/7 ingevoegd, die luiden als volgt: "

Art. 91/5.Personen die voor 1 september 2015 gestart zijn met de opleiding lokale of provinciale toezichthouder of toezichthouder geluid, maar nog niet voor alle onderdelen de bekwaamheidsproef met gunstig gevolg hebben afgelegd, kunnen tot en met 1 september 2017 bij de instellingen, vermeld in artikel 14, § 1, een vrijstelling aanvragen voor de overeenkomstige certificaten, vermeld in artikel 13, § 2, eerste lid. De instellingen doen binnen dertig dagen een uitspraak over de aanvraag.

Art. 91/6.Bekwaamheidsbewijzen die voor 1 september 2015 met toepassing van artikel 15 zijn verleend, overeenkomstig de bepalingen die van kracht waren op het moment van het verlenen van die bekwaamheidsbewijzen, blijven ook na 1 september 2015 geldig.

Art. 91/7.De toezichthouders die op 1 september 2015 nog niet over het bekwaamheidsbewijs beschikken en die met gunstig resultaat de opleiding voor het verkrijgen van een bekwaamheidsbewijs voor lokale of provinciale toezichthouder of voor lokale of provinciale toezichthouder geluid, zoals van kracht op het moment van het volgen van de opleiding, hebben gevolgd, moeten, om het bekwaamheidsbewijs te verkrijgen, het behaalde getuigschrift voorleggen aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.

Het getuigschrift wordt samen met het aanstellingsbesluit van het bevoegde orgaan en, in voorkomend geval, met de verleende vrijstellingen van onderricht, voorgelegd aan de afdeling, bevoegd voor erkenningen.

De afdeling, bevoegd voor erkenningen, levert conform artikel 15 het bekwaamheidsbewijs af.".

Art. 31.Bijlage I bij hetzelfde besluit wordt vervangen door bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 32.Bijlage III bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, wordt vervangen door bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 33.Bijlage VII bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt vervangen door bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 34.Bijlage X bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, wordt vervangen door bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 35.Bijlage XII bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, wordt vervangen door bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 36.Bijlage XIII bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, wordt vervangen door bijlage 6, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 37.Bijlage XV bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, wordt vervangen door bijlage 7, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 38.Bijlage XVI bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009, wordt vervangen door bijlage 8, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 39.Bijlage XVII bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009, wordt vervangen door bijlage 9, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 40.Bijlage XVIII bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009, wordt vervangen door bijlage 10, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 41.Bijlage XXII bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, wordt vervangen door bijlage 11, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 42.Bijlage XXIV bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juli 2011, wordt vervangen door bijlage 12, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 43.Bijlage XXIX bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, wordt vervangen door bijlage 13, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 44.Bijlage XXXI bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014, wordt vervangen door bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 45.Bijlage XXXIV bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014, wordt vervangen door bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd.

Het opschrift van deze bijlage wordt vervangen door het opschrift "bijlage XXXII". HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu

Art. 46.In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° in punt 3°, e), worden de woorden "diensthoofd handhaving mestbank en beheersovereenkomsten van de Vlaamse Landmaatschappij" vervangen door de zinsnede "diensthoofd handhaving Vlaamse Landmaatschappij - afdeling Mestbank";2° in punt 4°, a), worden de woorden "Inspectie RWO" vervangen door de woorden "Ruimte Vlaanderen". HOOFDSTUK 3. - Slotbepalingen

Art. 47.De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, de Vlaamse minister, bevoegd voor de landinrichting en het natuurbehoud, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de natuurlijke rijkdommen, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 3 juli 2015.

De minister-president van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, J. SCHAUVLIEGE

Bijlage 1 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu Bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Bijlage I. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen, vermeld in titel III van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:

Artikel

Wettelijke verplichting

3.2.1, § 4, tweede lid

Wanneer dit geen afbreuk doet aan een goede taakvervulling kan, met instemming van de door de Vlaamse Regering aangewezen afdeling, voor twee of meer inrichtingen gezamenlijk een milieucoördinator worden aangesteld of kan een beroep worden gedaan op de diensten van een persoon die geen werknemer is van de exploitant.

3.2.2, § 2

De milieucoördinator geeft zijn advies over elke voorgenomen investering die vanuit milieu-oogpunt relevant kan zijn. Zijn advies wordt tijdig ingewonnen en het wordt voorgelegd aan het orgaan dat de beslissing neemt.

3.2.2, § 3

De milieucoördinator stelt ten behoeve van de bedrijfsleiding en, in voorkomend geval, ten behoeve van de ondernemingsraad en het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing der werkplaatsen, of bij ontstentenis van deze organen, van de vakbondsafvaardiging jaarlijks een verslag op over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld.

Dit verslag bevat onder meer een overzicht van de door hem uitgebrachte adviezen en het gevolg dat eraan werd gegeven.

3.2.3, § 3

De exploitant brengt de aanstelling van de milieucoördinator ter kennis van de door de Vlaamse Regering aangewezen afdeling.

3.2.5, tweede lid

De aanwijzing en de vervanging van een milieucoördinator-werknemer, de verwijdering uit zijn functie en de aanstelling van een tijdelijke plaatsvervanger, worden door de exploitant, onverminderd het bepaalde in artikel 3.2.3, § 3, uitgevoerd na voorafgaand akkoord van het comité voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen of, bij ontstentenis ervan, van de vakbondsafvaardiging. In geval van blijvende onenigheid in de schoot van het comité of met de vakbondsafvaardiging, wordt het advies ingewonnen van de door de Vlaamse Regering aangewezen afdeling.

Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.

Brussel, 3 juli 2015.

De minister-president van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, J. SCHAUVLIEGE

Bijlage 2 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu Bijlage III bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Bijlage III. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Enig artikel. Het niet-voldoen aan de onderstaande wettelijke verplichtingen, vermeld in het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:

Artikel

Wettelijke verplichting

27, § 1, eerste lid

Bij vaststelling van een gemengde bodemverontreiniging maakt de bodemsaneringsdeskundige naar alle redelijkheid een zo accuraat mogelijke verdeling van de bodemverontreiniging in een deel dat vóór 29 oktober 1995 en een deel dat na 28 oktober 1995 tot stand gekomen is.

28, § 2, eerste lid

Een oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.

28, § 2, tweede lid

De resultaten van het oriënterend bodemonderzoek worden aan de OVAM meegedeeld binnen dertig dagen na het afsluiten ervan.

28bis, tweede lid, eerste volzin

Als de OVAM aanvullende onderzoeksverrichtingen oplegt, kan ze een termijn bepalen waarin de aanvullende onderzoeksverrichtingen worden uitgevoerd en het verslag ervan bij haar wordt ingediend.

29

Een oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op initiatief en op kosten van de overdrager of de gemandateerde voor de overdracht van een risicogrond.

30

In afwijking van artikel 29, 102 en 103 moet voor de overdracht van een privatief deel van een onroerend goed dat valt onder het stelsel van gedwongen mede-eigendom, vermeld in artikel 577-3 van het Burgerlijk Wetboek, enkel in de volgende gevallen een oriënterend bodemonderzoek worden uitgevoerd en de melding van overdracht gebeuren: 1° in dat privatieve deel is of was een risico-inrichting gevestigd;2° in de gemeenschappelijke delen is of was een risico-inrichting gevestigd die uitsluitend bestemd is of was voor dat privatieve deel. Het oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op initiatief en op kosten van de overdrager of desgevallend de gemandateerde.

30bis

In de volgende gevallen moet voor een onroerend geheel dat valt onder het stelsel van gedwongen mede-eigendom, vermeld in artikel 577-3 van het Burgerlijk Wetboek, een oriënterend bodemonderzoek worden uitgevoerd op initiatief en op kosten van de vereniging van mede-eigenaars voor 31 december 2014: 1° voor de vestiging van de gedwongen mede-eigendom was een risico-inrichting gevestigd op de grond waarop de gedwongen mede-eigendom gevestigd is;2° in de gemeenschappelijke delen was een risico-inrichting gevestigd die bestemd was ten behoeve van de gedwongen mede-eigendom. Bij afwezigheid van een vereniging van mede-eigenaars wordt het oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op initiatief en op kosten van de mede-eigenaars.

32

Een oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd op initiatief en op kosten van de exploitant naar aanleiding van de sluiting van een risico-inrichting.

33, eerste volzin

De Vlaamse Regering kan bij algemene regel bepalen dat de exploitanten van bepaalde categorieën van risico-inrichtingen binnen een door haar bepaalde termijn en vervolgens periodiek volgens de door haar bepaalde periodiciteit op eigen initiatief en op eigen kosten een oriënterend bodemonderzoek moeten uitvoeren.

33bis, § 1

Naar aanleiding van de aanvang van de exploitatie van de door de Vlaamse Regering aangewezen risico-inrichtingen die vergunningsplichtig zijn overeenkomstig artikel 4, § 1, van het Milieuvergunningsdecreet, wordt op initiatief en op kosten van de exploitant een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd. Het oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd en het verslag daarvan wordt aan de OVAM bezorgd vóór de milieuvergunningsaanvraag voor de exploitatie van de risico-inrichting bij de vergunningverlenende overheid wordt ingediend.

33bis, § 2

Voor de risico-inrichtingen, vermeld in artikel 33bis, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, waarvoor op het moment van de aanvang van de exploitatie de onderzoeksplicht, vermeld in § 1, niet van toepassing was, wordt op initiatief en op kosten van de exploitant eenmalig een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd.

De Vlaamse Regering bepaalt voor welke van die risico-inrichtingen het oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd en het verslag daarvan aan de OVAM wordt bezorgd vóór 7 januari 2014, en voor welke van die risico-inrichtingen die verplichtingen worden uitgevoerd vóór 7 juli 2015.

34

Als een handelaar of een vennootschap die eigenaar is van risicogrond, failliet wordt verklaard, wordt op initiatief van de curator een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op de risicogrond.

35, eerste lid

Als de OVAM van oordeel is dat er aanwijzingen zijn voor een ernstige bodemverontreiniging op een grond, kan ze de personen, vermeld in artikel 11 of 22 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, de verplichting opleggen om binnen een bepaalde termijn een oriënterend bodemonderzoek op de grond uit te voeren en het verslag ervan aan haar te bezorgen.

38, § 2

Een beschrijvend bodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het beschrijvend bodemonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.

44, tweede lid

Een oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het oriënterend en beschrijvend bodemonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.

47, § 2

Een bodemsaneringsproject wordt opgesteld onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het bodemsaneringsproject opgesteld volgens een code van goede praktijk.

67, § 3

Een eindevaluatieonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vastgesteld door de Vlaamse Regering op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan dergelijke standaardprocedure wordt het eindevaluatieonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.

69, § 2

Een bodemsaneringsdeskundige die in het kader van de uitvoering van een opdracht krachtens titel III van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 van oordeel is dat bodemverontreiniging een onmiddellijk gevaar vormt en veiligheidsmaatregelen noodzakelijk zijn, maakt hiervan op gemotiveerde wijze onverwijld melding aan de OVAM.

70, § 2, eerste volzin

Een bodemsaneringsdeskundige die in het kader van de uitvoering van een opdracht krachtens titel III van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 van oordeel is dat voorzorgsmaatregelen noodzakelijk zijn, maakt hiervan op gemotiveerde wijze onverwijld melding aan de OVAM.

78, tweede volzin

Het evaluatierapport wordt aan de bevoegde overheid en de OVAM overgemaakt.

91, § 2, eerste volzin

Het individueel bodempreventie- en bodembeheersplan dat overeenkomstig artikel 91, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, moet worden opgesteld, bevat minstens een opgave van de maatregelen die diegene die de activiteit verricht, zal nemen ter voorkoming en beheersing van bodemverontreiniging die het gevolg is van de activiteit, vermeld in § 1.

91, § 3, eerste vier volzinnen

De erkende bodemsaneringsorganisatie, vermeld in titel III, hoofdstuk VII, afdeling II, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, moet voor degenen die er een beroep op doen voor het voldoen van de verplichting, vermeld in artikel 91, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, een sectoraal bodempreventie- en bodembeheersplan opstellen. Een dergelijk sectoraal bodempreventie- en bodembeheersplan moet een algemeen en een individueel deel bevatten. Het algemene deel bevat minstens de algemene maatregelen ter voorkoming en beheersing van bodemverontreiniging die het gevolg is van de in § 1 vermelde activiteit. Het individuele deel bevat de eventuele afwijkende of aanvullende maatregelen voor iedereen op wie deze paragraaf van toepassing is.

96

Een erkende bodemsaneringsorganisatie heeft minstens de volgende taken met betrekking tot de activiteit waarvoor ze is opgericht: 1° het opmaken van een sectoraal bodempreventie-en bodembeheersplan overeenkomstig artikel 91, § 3, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006;2° het stimuleren en optimaliseren van onderzoeks-en saneringsconcepten;3° het verlenen van advies inzake preventie, beheersing, bodemonderzoek en bodemsanering van de bodemverontreiniging, alsook inzake de voorbereiding en opvolging van voorzorgsmaatregelen, aan diegenen die voor de vervulling van hun verplichting, vermeld in artikel 91, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, een beroep doen op de erkende bodemsaneringsorganisatie. 97, § 2, eerste twee volzinnen

De erkende bodemsaneringsorganisatie voert de beschrijvende bodemonderzoeken (...) waarvoor ze conform artikel 97, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, een overeenkomst heeft gesloten uit overeenkomstig de termijnen die opgenomen zijn in het saneringsprogramma dat jaarlijks aan de OVAM ter goedkeuring moet worden voorgelegd. Dat saneringsprogramma omvat minstens de lijst en de prioriteit van alle beschrijvende bodemonderzoeken en bodemsaneringen waartoe de erkende bodemsaneringsorganisatie zich verbonden heeft overeenkomstig § 1.

101, § 1

Voor het sluiten van een overeenkomst betreffende de overdracht van gronden moet de overdrager of desgevallend de gemandateerde bij de OVAM een bodemattest aanvragen en de inhoud ervan meedelen aan de verwerver.

101, § 2

De onderhandse akte waarin de overdracht van gronden wordt vastgelegd, bevat de inhoud van het bodemattest.

101, § 3, eerste volzin

In alle akten betreffende de overdracht van gronden neemt de instrumenterende ambtenaar de verklaring van de overdrager of desgevallend de gemandateerde op dat de verwerver voor het sluiten van de overeenkomst op de hoogte is gebracht van de inhoud van het bodemattest.

101, § 3, tweede volzin

De instrumenterende ambtenaar neemt tevens de inhoud van het bodemattest in de akte op.

102, § 1, eerste volzin

Risicogronden kunnen slechts overgedragen worden als er vooraf een oriënterend bodemonderzoek werd uitgevoerd en het verslag ervan aan de OVAM werd bezorgd.

117

In de akte houdende overdracht van de gronden vermeldt de instrumenterende ambtenaar dat de bepalingen, vermeld in titel III, hoofdstuk VIII, afdeling II, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, werden toegepast.

122, § 1

Binnen een termijn van negentig dagen na de sluiting van een risico-inrichting wordt een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op de grond waar de inrichting gevestigd is of was.

122, § 3, eerste volzin

De exploitant meldt aan de OVAM de sluiting van de risico-inrichting binnen de termijn, vermeld in artikel 122, § 1, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006.

123, § 1

Als een handelaar of een vennootschap die eigenaar is van een risicogrond, failliet wordt verklaard, wordt op initiatief van de curator een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd op de risicogrond.

De curator neemt het initiatief tot het uitvoeren van het oriënterend bodemonderzoek binnen een termijn van zestig dagen na zijn vaststelling dat de gefailleerde eigenaar is van een risicogrond.

124, § 1

De Vlaamse Regering wijst de waterbodems aan waar de beheerder binnen een door haar bepaalde termijn op eigen initiatief en op eigen kosten een waterbodemonderzoek moet uitvoeren.

125, § 3

Een waterbodemonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure vastgesteld door de Vlaamse Regering. Bij ontstentenis van dergelijke standaardprocedure wordt het waterbodemonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.

142, tweede lid

Een siteonderzoek wordt uitgevoerd onder leiding van een bodemsaneringsdeskundige conform de standaardprocedure, vermeld in artikel 44, tweede lid, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, voor de bodemverontreinigende activiteit waarvoor de site is vastgesteld.

Bij gebrek aan een dergelijke standaardprocedure wordt het siteonderzoek uitgevoerd volgens een code van goede praktijk.

Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.

Brussel, 3 juli 2015.

De minister-president van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, J. SCHAUVLIEGE

Bijlage 3 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu Bijlage VII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Bijlage VII. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid

Artikel 1.Het niet-voldoen aan de onderstaande wettelijke verplichtingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het laatst gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2014, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:

Artikel

Wettelijke verplichting

1.2.4.1, tweede lid

Deze besluiten dienen door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouders.

4.1.4.2

De exploitant houdt de gegevens met betrekking tot de door dit reglement of de milieuvergunning opgelegde meet- en registratieverplichtingen, met inbegrip van de registers en balansen, ter beschikking van de toezichthouder en bewaart ze gedurende ten minste 5 jaar.

4.1.5.2

Alle documenten en gegevens die in toepassing van dit besluit moeten bezorgd worden aan de overheid moeten tevens ter beschikking worden gesteld van de werknemersvertegenwoordiging in de ondernemingsraad en van het comité voor preventie en bescherming op het werk. Bij ontstentenis van deze beide organen worden de documenten en gegevens ter beschikking gesteld van de syndicale delegatie van de onderneming.

4.1.8.1, § 4

Bij de opmaak van het deelformulier "Luchtemissies" en het deelformulier "Wateremissies" van het milieujaarverslag moet er optimaal gebruik worden gemaakt van de resultaten van emissiemetingen die aan de exploitant zijn opgelegd door dit reglement, door de milieuvergunning en/of in het kader van de afvalwaterheffingen.

4.1.8.1, § 5

Het milieujaarverslag wordt ingediend door middel van de volgende deelformulieren van het integrale milieujaarverslag waarvan het model als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag, is gevoegd: 1° inrichtingen als vermeld in paragraaf 1, 1°, 2°, 4° en 5° : het deelformulier "Identificatiegegevens", het deelformulier "Luchtemissies", het relevante gedeelte van het deelformulier "Energiegegevens", deelformulier "Wateremissies", deelformulier "Afvalstoffenmelding voor producenten" en deelformulier "Bodememissies, verontreinigende stoffen uit afval"; 2° inrichtingen als vermeld in artikel 4.1.8.1, § 1, 3° : het deelformulier "Identificatiegegevens" en het relevante gedeelte van het deelformulier "Energiegegevens". 3° afvalwater afgevoerd voor zuivering in een externe afvalwaterzuiveringsinstallatie: het deelformulier "Identificatiegegevens" en het deelformulier "Wateremissies"; 4.1.8.2, § 1

De exploitanten van de categorieën van inrichtingen, bedoeld in artikel 4.1.8.1, zijn gehouden jaarlijks in het jaar dat volgt op het kalenderjaar waarop het jaarverslag betrekking heeft, het milieujaarverslag te sturen naar de administratie, overeenkomstig artikel 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag en voor de datum die daarin wordt bepaald. De bijlagen bij dat jaarverslag, bedoeld in § 2 van artikel 4.1.8.3, hoeven niet te worden bijgevoegd.

4.1.8.2, § 3

Inrichtingen die nieuw in bedrijf worden genomen, dienen het eerste jaarverslag in in het jaar dat volgt op het eerste volledige kalenderjaar van bedrijvigheid.

4.1.8.3, § 1

Het milieujaarverslag vermeld in artikel 4.1.8.2., § 1, bevat de volgende deelformulieren voor zover de inrichting daartoe verplicht wordt volgens de desbetreffende bepalingen van dit besluit: 1° het deelformulier "Identificatiegegevens"; 2° het deelformulier "Luchtemissies" en het deelformulier "Wateremissies": deze deelformulieren bevatten de gegevens weergegeven in het model van het deelformulier "Luchtemissies" en het deelformulier "Wateremissies" van het integrale milieujaarverslag waarvan het model is gevoegd als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag; 3° het deelformulier "Energiegegevens": dit deelformulier bevat gegevens weergegeven in deelformulier "Energiegegevens" van het integrale milieujaarverslag waarvan het model is gevoegd als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag.

4.1.8.3, § 2

Voor zover van toepassing op de inrichting worden de in de vergunningsbesluiten in bijzondere voorwaarden opgelegde rapporten niet gevoegd als bijlage bij het integrale milieujaarverslag, maar wel afzonderlijk verstuurd naar de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen en de andere in de bijzondere voorwaarden genoemde diensten.

4.1.8.3, § 4

Het milieujaarverslag en de bijlagen worden door de exploitant gedurende ten minste 5 jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de toezichthouders.

4.1.9.1.1, § 4

Een milieucoördinator kan voor twee of meer inrichtingen samen worden aangesteld. Voor tot de gezamenlijke aanstelling wordt overgegaan, moet de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, haar instemming daarmee verlenen aan de exploitant.

Die instemming is echter niet vereist als: 1° het een gezamenlijke aanstelling van een erkende milieucoördinator betreft.In dat geval wordt de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, door de exploitant met een aangetekende brief onmiddellijk op de hoogte gebracht van de aanstelling van de erkende milieucoördinator; 2° het een gezamenlijke aanstelling betreft voor verschillende inrichtingen, die samen een bedrijfslocatie vormen en onder controle staan van een natuurlijke persoon of rechtspersoon. 4.1.9.1.3, § 2

De milieucoördinator geeft zijn advies over elke voorgenomen investering die vanuit milieuoogpunt relevant kan zijn.

Zijn advies wordt tijdig ingewonnen en het wordt voorgelegd aan het orgaan dat de beslissing neemt. Op zijn verzoek wordt hij gehoord.

4.1.9.1.3, § 3, eerste en laatste lid

De milieucoördinator stelt ten behoeve van de bedrijfsleiding en, in voorkomend geval, ten behoeve van de ondernemingsraad en het comité voor preventie en bescherming op het werk, of bij ontstentenis van deze organen, van de vakbondsafvaardiging jaarlijks een verslag op over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld. Dit verslag bevat onder meer een overzicht van de door hem uitgebrachte adviezen en het gevolg dat eraan werd gegeven. Het verslag wordt ten minste gedurende vijf kalenderjaren volgend op het kalenderjaar waarop de gegevens betrekking hebben ter inzage gehouden van de afdeling Milieuvergunningen alsook van de toezichthoudende overheid.

4.1.9.1.4, § 1

De aanwijzing en de vervanging van een milieucoördinator-werknemer, de verwijdering uit zijn functie en de aanstelling van een tijdelijke plaatsvervanger, worden door de exploitant, onverminderd het bepaalde in § 2, uitgevoerd na voorafgaand akkoord van het comité voor preventie en bescherming op het werk of, bij ontstentenis ervan, van de vakbondsafvaardiging. In geval van blijvende onenigheid in de schoot van het comité of met de vakbondsafvaardiging, wordt het advies ingewonnen van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen.

4.1.9.1.4, § 2

De exploitant brengt de aanstelling van de milieucoördinator ter kennis van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen.

Wanneer de milieucoördinator niet voldoet aan de in artikel 4.1.9.1.2. bedoelde voorwaarden, kan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen eisen dat de exploitant binnen een termijn die deze afdeling bepaalt, een andere persoon aanstelt.

4.1.9.2.6, § 1

De volgende elementen van de in artikel 4.1.9.2.4. bedoelde milieuaudit moeten, binnen een termijn van 30 kalenderdagen na de validatie van de milieuaudit, worden meegedeeld: 1° aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen: de elementen bedoeld sub 1° tot en met sub 8° van artikel 4.1.9.2.5, § 2; 2° aan de Vlaamse Milieumaatschappij: de elementen bedoeld sub 1° tot en met sub 4° van artikel 4.1.9.2.5, § 2.

4.1.9.2.6, § 2

De gevalideerde milieuaudit moet door de exploitant gedurende ten minste 5 jaar bewaard worden en ter beschikking gehouden van de toezichthouder.

4.1.9.3.1, § 1, 1° en 2°

De exploitant moet inzonderheid: 1° aan de leden van het comité voor preventie en bescherming op het werk bezorgen: a) vóór 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop het betrekking heeft, afschrift van het milieujaarverslag bedoeld in artikel 4.1.8.2 van dit reglement; b) in voorkomend geval, een afschrift van de gevalideerde milieuverklaring als bedoeld in artikel 4.1.9.2.3 van dit reglement; c) in voorkomend geval, een afschrift van de gevalideerde milieuaudit als bedoeld in artikel 4.1.9.2.5 van dit reglement; 2° ter beschikking stellen van het comité voor preventie en bescherming op het werk: a) vóór 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop het betrekking heeft, het afschrift van de bijlagen bij het milieujaarverslag bedoeld in artikel 4.1.8.2 van dit reglement; b) alle al dan niet door de milieureglementering opgelegde inlichtingen, verslagen, adviezen en documenten die verband houden met het milieu en/of de externe veiligheid;inzonderheid geldt dit voor de inlichtingen, verslagen, adviezen en documenten die de eigen onderneming met toepassing van de milieureglementering aan de overheid dient te verschaffen of ter inzage dient te houden;

4.1.9.3.1, § 2

De milieucoördinator bezorgt aan het comité voor preventie en bescherming op het werk: 1° voor 1 april van het jaar volgend op het kalenderjaar waarop het betrekking heeft, het jaarverslag over de wijze waarop hij zijn opdracht heeft vervuld, dit overeenkomstig artikel 4.1.9.1.3, § 3 van dit reglement; 2° een afschrift van zijn adviezen bedoeld in § 2 van artikel 4.1.9.1.3 van dit reglement.

4.2.5.2.1, § 4, laatste zin

De exploitant houdt die goedkeuring en de resultaten van de uitgevoerde monsternames, metingen of analyses bij in een dossier dat steeds ter inzage van de toezichthouder ligt.

4.2.5.3.1, § 4, laatste zin

De exploitant houdt die goedkeuring en de resultaten van de uitgevoerde monsternames, metingen of analyses bij in een dossier dat steeds ter inzage van de toezichthouder ligt.

4.2.5.4.2, § 2

De exploitant moet de resultaten van de uitgevoerde metingen bijhouden in een meetdossier dat steeds ter inzage van de toezichthouders ligt.

4.3.2.2, § 3, derde lid, eerste zin

De afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving dient tenminste 10 dagen vóór de aanvang van de werken in kennis gesteld van de aanleg van de in het eerste lid bedoelde meetputten.

4.3.2.2, § 3, derde lid, laatste zin

De exploitant moet een technische steekkaart, opgemaakt of geattesteerd door de aannemer die de meetputten heeft aangelegd, en die alle technische gegevens in verband met de constructie en de uitgevoerde testpomping bevat, ter beschikking houden van de toezichthouder.

4.3.2.3, § 3

In het in § 1 bedoelde geval dient de exploitant de resultaten van de uitgevoerde metingen bij te houden in een meetdossier dat steeds ter inzage dient gehouden van de toezichthouders.

4.4.2.4, eerste volzin

De exploitant houdt de schoorsteenhoogteberekening, vermeld in artikel 4.4.2.3, ter beschikking van de toezichthouder.

4.10.1.4, § 1

De exploitant van een BKG-installatie zorgt voor de bewaking van de BKG-emissies van de BKG-installatie in kwestie. De bewaking van BKG-emissies wordt uitgevoerd volgens een monitoringplan dat het verificatiebureau heeft geverifieerd en de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, heeft goedgekeurd. De exploitant van een BKG-installatie is in het bezit van dat geverifieerde en goedgekeurde monitoringplan.

4.10.1.4, § 2, eerste twee volzinnen

Het monitoringplan wordt in 2013 aan de milieuvergunning toegevoegd.

BKG-installaties die in 2013 hun milieuvergunning actualiseren om een Y-rubriek te verkrijgen, voegen overeenkomstig artikel 5, § 9, en artikel 6quater, § 3, van titel I van het VLAREM, zelf een goedgekeurd monitoringplan bij de vergunning.

4.10.1.5, § 1

Met ingang van 1 januari 2014 stelt de exploitant van een BKG-installatie jaarlijks een emissiejaarrapport op over de BKG-emissies die de BKG-installatie tijdens het voorgaande kalenderjaar heeft uitgestoten. Het emissiejaarrapport bevat een verslag van het totaal aan BKG-emissies, uitgestoten door de BKG-installatie.

4.10.1.5, § 2

De exploitant van de BKG-installatie dient ieder kalenderjaar uiterlijk op 14 maart bij de afdeling, bevoegd voor luchtverontreiniging, een geverifieerd emissiejaarrapport in overeenkomstig Verordening (EU) nr. 600/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de verificatie van broeikasgasemissie- en tonkilometerverslagen en de accreditatie van verificateurs krachtens Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad.

5.4.1.4, § 1

De exploitant van een inrichting waarin de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2 worden geproduceerd, gebruikt en/of opgeslagen, dient een register bij te houden waarin tenminste de volgende gegevens zijn vermeld: 1° gegevens omtrent de vervaardigde, respectievelijk in de inrichting binnengekomen producten: per soort van de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2, de hoeveelheid, uitgedrukt in kg of ton, die in de inrichting wordt geproduceerd, respectievelijk binnengebracht; 2° gegevens omtrent de opslag: per soort van de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2, de aanduiding van de plaats samen met de hoeveelheid, uitgedrukt in kg of ton, waar deze producten in de inrichting zijn opgeslagen; 3° gegevens omtrent de afvoer uit de inrichting: per soort van de pigmenten, verven of andere bedekkingsmiddelen zoals bedoeld in artikel 5.4.1.3., § 2: a) de in de inrichting zelf verwerkte hoeveelheid;b) de naam van degene aan wie het product werd geleverd, de leveringsdatum, het nummer van de factuur en de geleverde hoeveelheid. 5.4.1.4, § 2

Het in § 1 bedoelde register wordt ter plaatse ter beschikking gehouden van de toezichthouder en dit gedurende een periode van tenminste 3 jaar.

5.4.3.2.3, § 4, eerste lid

Voor elke spuitcabine houdt de exploitant een verslag ter beschikking van de toezichthoudende overheid (...).

5.4.3.2.3, § 4, tweede lid

De exploitant bezorgt een afschrift van dit verslag aan de toezichthoudende overheid als die daarom verzoekt.

5.9.2.1.bis § 2, laatste zin

Dit attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid.

5.9.2.3, § 6, laatste zin

Deze studie wordt ter beschikking gehouden van de toezichthoudende overheid.

5.9.7.1, § 3

De uitvoeringsplannen en de boorverslagen van de onder vorige §§ 1 en 2 bedoelde waarnemingsbuizen of controle-inrichtingen worden ter beschikking gesteld van de toezichthoudende overheid.

5.9.11.1

De exploitant houdt een register bij van de mestbewerking en/of mestverwerking.

5.16.2.2.4, laatste zin

Dat attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.16.3.3, § 2, 1°

De exploitant houdt een attest ter beschikking van de toezichthouder dat is opgesteld door de constructeur of een milieudeskundige in de discipline toestellen onder druk of een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, (...).

5.16.3.3, § 3, eerste lid, 2°, laatste zin

De resultaten van deze onderzoeken worden ingeschreven in een register dat ter inzage is van de toezichthouder.

5.16.3.3, § 3, 4°

(...) De exploitant bezorgt een duplicaat van het keuringsverslag aan de eigenaar van het gebouw. De exploitant en de eigenaar van het gebouw houden het keuringsverslag ten minste vijf jaar ter beschikking van de toezichthoudende overheid. (...)

5.16.3.3, § 7, 2°

Zowel een gedetailleerde beschrijving als de resultaten en bevindingen van die controles moeten met vermelding van de datum in het logboek worden geregistreerd.

5.16.3.3, § 8, 2°

De beheerder van een koelinstallatie moet een installatiegebonden logboek bijhouden dat zich in de nabijheid van de koelinstallatie bevindt. Dat logboek kan ook geheel of gedeeltelijk uit een computerbestand bestaan. In dat logboek wordt, onder vermelding van datum, ten minste bijgehouden: a) de datum van ingebruikname van de koelinstallatie met vermelding van type koelmiddel en de nominale koelmiddelinhoud;b) de aard van controle-, onderhouds-, herstel-en installatiewerkzaamheden die aan een koelinstallatie worden verricht;c) alle storingen en alarmeringen met betrekking tot de koelinstallatie die mogelijk aanleiding kunnen geven tot lekverliezen;d) de hoeveelheid en het soort (nieuw, hergebruikt, gerecycleerd of geregenereerd) koelmiddel dat aan een koelinstallatie wordt toegevoegd;e) de hoeveelheid koelmiddel die uit een koelinstallatie wordt afgetapt en de hoeveelheid koelmiddel die is afgevoerd, met vermelding van datum, vervoerder en bestemming;f) een beschrijving en de resultaten van de lekdichtheidscontroles;g) de persoon die werkzaamheden en waarnemingen heeft verricht als genoemd onder a) tot en met f) en, indien van toepassing, de naam van de onderneming waarbij de persoon in dienst is;h) indien van toepassing, een attest dat is afgegeven door de onder g) bedoelde persoon met betrekking tot de door hem verrichte handelingen;i) significante periodes van buitenbedrijfstelling. 5.16.3.3, § 8, 3°

Om controle over de toegevoegde en afgetapte koelmiddelen mogelijk te maken, moet de exploitant de volgende documenten ter beschikking van de toezichthouder houden: a) de facturen met betrekking tot de aangekochte hoeveelheden koelmiddelen;b) het in sub 2° bedoelde logboek. 5.16.4.1.3, § 3, 1°, laatste zin

De testresultaten worden genoteerd in een notitieboek dat ter beschikking wordt gehouden van de toezichthouder alsmede van de erkende milieudeskundige belast met de in sub 2° vermelde controles.

5.16.4.1.3, § 3, 2°, derde lid

Het voormelde controleverslag wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.16.4.3.6, § 3, eerste zin

(...) verslagen (...) die ter inzage worden gehouden van de toezichthouder.

5.16.7.8, § 1

De exploitant houdt de resultaten van de keuring bij ingebruikname ter inzage van de toezichthouder en dit tot na verwijdering van de aflevereenheid. De exploitant houdt de resultaten van de periodiek voorgeschreven metingen, keuringen en controles bij ter inzage van de toezichthouder en dit ten minste tot de resultaten van de eerstvolgende meting, keuring of controle van de aflevereenheid beschikbaar zijn.

5.18.1.1, § 3

De exploitant houdt een afschrift van de vergunningsbesluiten en de bijhorende plannen waarop de vergunde kadastrale percelen duidelijk zijn aangegeven, ter inzage van de toezichthouders.

5.18.1.1, § 5, eerste lid

De naam van die verantwoordelijke persoon wordt door de exploitant aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en aan de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen schriftelijk meegedeeld.

5.18.1.2, § 4

De exploitant stelt een voortgangsrapport op, zoals bepaald in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 houdende regels tot uitvoering van het oppervlaktedelfstoffendecreet.

5.18.2.1, § 1

(...) De exploitant deelt de datum en het uur waarop tot die afpaling wordt overgegaan, uiterlijk zeven kalenderdagen vooraf mee aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving en aan de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen.

5.19.2.3.3, 3°

de exploitant houdt ter beschikking van de toezichthouders, een attest (...)

5.19.2.3.4, § 3, derde lid, eerste volzin

De exploitant houdt een controleprogramma ter beschikking van de met het toezicht belaste ambtenaar.

5.19.2.3.4, § 4

De data van de in § 3 bedoelde controles, de meetresultaten en andere vaststellingen alsmede de eventueel uitgevoerde herstellingen of wijzigingen aan de installaties, worden in een register ingeschreven dat, samen met de controleverslagen, ter beschikking gehouden wordt van de toezichthouder.

5.20.2.8, § 3

Iedere verandering van brandstof, van het zwavelgehalte van de vloeibare brandstof, en van de uren van buitengebruikstelling worden ingeschreven in een register, dat de exploitant ter beschikking houdt van de toezichthouder.

5.28.2.3, § 7, tweede lid, eerste volzin

De exploitant zendt een afschrift van de analyseresultaten aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving en in voorkomend geval aan de exploitant van de te beschermen waterwinning.

5.28.3.2.1, § 1, laatste zin

De exploitant deelt de naam van de bevoegde afgevaardigde schriftelijk mee aan de toezichthoudende overheid.

5.28.3.2.3, § 1

De exploitant houdt een register bij. De exploitant noteert in dit register tenminste: 1° gegevens over de aangevoerde dierlijke mest: a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de dierlijke mest; b) de aard van de dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), drogestofgehalte); c) de herkomst (producent) van de dierlijke mest;d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt;e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest; f) [...]; g) in voorkomend geval de opmerkingen over de dierlijke mest en de aanvoer.2° gegevens over de eventueel afgevoerde onbewerkte of onverwerkte dierlijke mest: a) het volgnummer, de datum en het uur van de afvoer van de dierlijke mest; b) de aard van de onverwerkte dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), droog stofgehalte); c) de bestemming van de dierlijke mest;d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt;e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest; f) [...]; g) in voorkomend geval de opmerkingen over de dierlijke mest en de afvoer.3° gegevens over de afvoer van de afgewerkte producten (al of niet voor nuttige toepassing): a) het volgnummer, de datum en het uur van de afvoer van afgewerkte producten;b) de aard van de afgewerkte producten;c) de bestemming van de afgewerkte producten;d) de vervoerder van de afgewerkte producten en de wijze van vervoer met vermelding van de referenties van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument;e) de hoeveelheid (massa en volume) van de afgewerkte producten; f) [...]; 4° gegevens over de aangevoerde doch geweigerde dierlijke mest: a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de dierlijke mest; b) de aard van de dierlijke mest (diersoort, type (droge mest, stalmest, mengmest...), drogestofgehalte); c) de herkomst (producent) van de dierlijke mest;d) de vervoerder van de dierlijke mest en de wijze van vervoer met vermelding van het documentnummer van het mestafzetdocument of overdrachtsdocument dat het transport vergezelt;e) de hoeveelheid (massa en volume) van de dierlijke mest; f) [...]; g) de reden van de weigering en opmerkingen over de dierlijke mest en de aanvoer;5° de ondervonden moeilijkheden en storingen, waarnemingen, metingen en andere inlichtingen betreffende de uitbating van de inrichting;6° gegevens over de aanvoer van andere (grond)stoffen: a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de andere (grond)stoffen;b) de aard van de andere (grond)stoffen;c) de herkomst van de andere (grond)stoffen;d) de hoeveelheid (massa en volume) van andere (grond)stoffen; e) [...];

5.28.3.2.3, § 3

Het register, bedoeld in § 1, ligt ter inzage van de toezichthouders.

5.28.3.2.4, § 1

De hoeveelheid aangevoerde, verwerkte en afgevoerde dierlijke mest en de hoeveelheid aangevoerde andere (grond)stoffen moeten in het register, bedoeld in artikel 5.28.3.2.3, worden getotaliseerd respectievelijk per dag, per maand en per kalenderjaar en dit voor wat betreft de dierlijke mest per type. Op eenvoudig verzoek worden deze gegevens meegedeeld aan de afdeling Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij. De hoeveelheid aangevoerde dierlijke mest wordt eveneens getotaliseerd per Mestbanknummer per kalenderjaar.

5.29.0.6, § 1, vijfde lid, laatste zin

Het tijdstip en de uitvoerder van de metingen worden uiterlijk 72 uur voor de aanvang van de metingen per faxbericht gemeld aan de toezichthouder.

5.32.1.3, tweede lid

Het veiligheidsdossier, vermeld in het eerste lid, ligt ter inzage van de toezichthouder.

5.32.2.2bis, § 1, 3°, eerste lid

Op initiatief en op kosten van de exploitant wordt ofwel LAeq,15min, ofwel LAmax,slow continu gemeten door middel van meetapparatuur die voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis. Het geluidsniveau is tijdens de muziekactiviteit continu zichtbaar voor en wordt continu bewaakt door de exploitant of door een door hem aangestelde persoon.

5.32.2.2bis, § 2, 3°, eerste lid

Op initiatief en op kosten van de exploitant wordt LAeq,60 min continu gemeten en geregistreerd door middel van meetapparatuur die voldoet aan de vereisten, vermeld in artikel 2 van bijlage 5.32.2.2bis en kan LAeq,15min gemeten worden. (...) Het geluidsniveau is tijdens de muziekactiviteit continu zichtbaar voor en wordt continu bewaakt door de exploitant of door een door hem aangestelde persoon.

5.32.2.2bis, § 2, 3°, tweede lid

De geregistreerde gegevens worden ter beschikking gehouden van de toezichthoudende overheid gedurende een periode van ten minste een maand.

5.32.2.2bis, § 2, 4°, a)

De exploitant neemt de volgende maatregelen om de bezoekers te beschermen tegen gehoorschade: a) het kosteloos ter beschikking stellen aan alle bezoekers van gehoorbescherming voor eenmalig gebruik. 5.32.2.2bis, § 2, 4°, b)

De exploitant neemt de volgende maatregelen om de bezoekers te beschermen tegen gehoorschade: b) het opmaken van een geluidsplan om het geluidsniveau in de inrichting te optimaliseren in geval van permanente geluidsinstallaties die tot de inrichting behoren.Het geluidsplan moet ten minste de volgende gegevens bevatten: 1) de optimale opstelling en keuze van de luidsprekers rekening houdend met een zo efficiënt mogelijke verdeling van het geluid;2) de meetplaats;3) het geluidsniveau ter hoogte van de meetplaats en ten minste vier andere beoordelingsplaatsen;4) de plaats waar het geluidsniveau geregeld wordt;5) de plattegrond op schaal van de volledige ruimte die toegankelijk is voor het publiek. Het geluidsplan wordt opgemaakt door een milieudeskundige die erkend is in de discipline geluid en trillingen. Dat plan maakt in voorkomend geval deel uit van het akoestische onderzoek, vermeld in artikel 5.32.2.3, § 1. Het geluidsplan is aanwezig in de inrichting en ligt ter inzage van de toezichthoudende overheid.

5.32.2.3, § 1, derde lid

De vergunningverlenende overheid en de toezichthouder worden door de exploitant schriftelijk in kennis gesteld van de voorziene saneringsmaatregelen.

5.32.2.3, § 3

De in de §§ 1 en 2 van dit artikel bedoelde onderzoeksverslagen zijn aanwezig in de inrichting. Zij zijn ter inzage van de toezichthouder.

5.32.3.8, § 5, laatste twee volzinnen

Van die controles en vaststellingen wordt een verslag opgemaakt. Dat verslag wordt bijgevoegd in het veiligheidsdossier.

5.32.4.2, § 6, laatste volzin

Het inspectieverslag wordt bewaard in het veiligheidsdossier.

5.32.7.2.4, § 2, tweede lid, laatste zin

Een attest, afgeleverd door een deskundige, de leverancier of de installateur, dient door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier dat ter inzage wordt gehouden van de toezichthouder.

5.32.7.2.4, § 5, laatste zin

De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier dat ter inzage wordt gehouden van de toezichthouder.

5.32.7.2.5, § 1, laatste lid

Datum en aard van de onderhoudswerkzaamheden moeten genoteerd worden in een register dat deel uitmaakt van het door de exploitant bij te houden veiligheidsdossier dat ter inzage dient gehouden van de toezichthouder.

5.32.7.2.6, § 1, eerste lid, laatste zin

De attesten met datum en uitslag van deze controle moeten bij het veiligheidsdossier gevoegd worden dat ter inzage van de toezichthouder dient gehouden.

5.32.7.2.9, § 9, eerste lid

Een intern ordereglement wordt ter kennis gebracht van de plaatselijke politie of rijkswacht. Dit intern ordereglement bevat: de richtlijnen en verplichtingen in verband met de registratie van de schutters, de modaliteiten aangaande het laden en het ontladen van wapens, de modaliteiten van het schieten o.a. de schietdisciplines en de standplaatsen en aangaande het betreden en evacueren van de schietzone. Het reglement vermeldt uitdrukkelijk dat de schutters de bevelen in verband met de veiligheid van de verantwoordelijke persoon dienen na te leven.

5.32.7.2.12, § 1

De exploitant is ertoe gehouden een exploitatiedossier bij te houden, omvattende: 1° een veiligheidsdossier dat bevat: a) het liggingsplan minimum op schaal 1/200 van alle lokalen met aanduiding van hun verbindingen, toegangen en uitgangen, alsmede de aard en plaats van de blustoestellen en de plaats van het elektrisch schakelbord;b) het attest van het bevoegd brandweerkorps betreffende de aard, het aantal en de plaats van de blustoestellen, evenals met betrekking tot het in de schietruimte toegelaten aantal personen;c) de attesten met betrekking tot de brandweerstand of zelfdovendheid van gebruikte bouwmaterialen;d) de attesten betreffende de controles van de elektrische installatie en de blustoestellen;e) de naam van de persoon verantwoordelijk voor de veiligheid.2° het interne ordereglement;3° een werkregister met de lijst van de aard en datum van de uitgevoerde nazichts-en onderhoudsbeurten en herstellingswerken;4° de naam van de exploitant en de ledenlijst. 5.32.7.2.12, § 2

Het exploitatiedossier wordt te allen tijde ter beschikking gehouden van de toezichthouder.

5.32.7.5.3, § 3, laatste zin

De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier dat ter inzage wordt gehouden van de toezichthouder.

5.32.7.5.4, § 1, laatste zin

De attesten met de datum en de uitslag van deze controle worden bij het veiligheidsdossier gevoegd dat ter inzage van de toezichthouder wordt gehouden.

5.32.7.5.7, § 1

De exploitant is ertoe gehouden een exploitatiedossier bij te houden, omvattende: 1° een veiligheidsdossier dat bevat: a) het liggingsplan minimum op schaal 1/200 van alle lokalen met aanduiding van hun verbindingen, toegangen en uitgangen, alsmede de aard en plaats van de blustoestellen en de plaats van het elektrisch schakelbord;b) de attesten betreffende de controles van de elektrische installatie en de blustoestellen;c) de naam van de persoon verantwoordelijk voor de veiligheid.2° het interne ordereglement;3° een werkregister met de lijst van de aard en datum van de uitgevoerde nazichts- en onderhoudsbeurten en herstellingswerken; 5.32.7.5.7, § 2

Het exploitatiedossier wordt te allen tijde ter beschikking gehouden van de toezichthouder.

5.32.7.6.4, § 1, tweede lid, laatste volzin

Een attest, afgeleverd door een deskundige, de leverancier of de installateur, dient door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier dat ter inzage wordt gehouden van de toezichthouder.

5.32.7.6.4, § 3, laatste volzin

De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant bijgehouden in het veiligheidsdossier dat ter inzage wordt gehouden van de toezichthouder.

5.32.8.2.1, § 1, laatste volzin

Het bewijs van de eventuele huurovereenkomst dient ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.32.9.1.2, § 1, tweede lid

De attesten met datum en uitslag van deze controle worden ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.32.9.1.3, § 1, laatste volzin

De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.32.9.1.4, § 1

De exploitant meldt aan de toezichthouder van het Vlaams Agentschap voor Zorg en Gezondheid: 1° de datum van de eerste ingebruikname;2° de sluitingsperiode voor bv.onderhoud, aanpassingen, enz; 3° de wederingebruikname van het bad;4° alle bouwtechnische veranderingen ook indien deze intern worden doorgevoerd. 5.32.9.2.2, § 1, eerste lid, eerste zin

De exploitant beschikt over geschreven procedures waarin de werking onder normale en onder noodomstandigheden wordt beschreven.

5.32.9.2.2, § 1, eerste lid, laatste zin

Voormelde procedures worden tevens ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.32.9.2.2, § 2, 2°, voorlaatste zin

(...) Een attest van deze beproeving wordt ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar. (...)

5.32.9.2.2, § 2, 7°

De exploitant houdt een register bij met gegevens die betrekking hebben op het beheer van de chemicaliën, met name hun benaming, hoeveelheid, leveringsdatum, eventuele incidenten, alle onderhoudswerken, controles, defecten, herstellingen en ongevallen.

5.32.9.2.2, § 3, 5°, laatste zin

Het afschrift van voormeld brevet of getuigschrift ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie.

5.32.9.2.2, § 3, 6°, voorlaatste zin

Het getuigschrift van de meest recente bijscholing ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie.

5.32.9.2.2, § 3ter, tweede lid, laatste zin

Dit toezichtsplan ligt ter inzage voor de toezichthouders.

5.32.9.2.2, § 4, 3°, derde lid, laatste zin

Een kopie van de analyseresultaten wordt door het laboratorium rechtstreeks gestuurd naar de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.

5.32.9.2.2, § 4, 4°

De exploitant houdt een register bij omvattende de volgende gegevens: a) de resultaten van de sub 2° bedoelde dagelijkse zwembadwateranalyses;b) de resultaten van de sub 3° bedoelde maandelijkse analyses;c) de data waarop de filters worden gespoeld en/of het filtreermateriaal wordt vervangen;d) de dagelijkse bezetting van het zwembad;e) elke bijzonderheid, incident of ongeval;f) de maandelijkse notering van het waterverbruik;g) elke vaststelling met betrekking tot het technisch nazicht bij de lediging van het zwembad en bij de aanvulling van de voorraad scheikundige stoffen. Dit register, wordt ten minste 5 jaar door de exploitant bewaard en ligt steeds ter inzage van de toezichthouder.

5.32.9.2.2, § 7, 1°

De exploitant voert een reglement van interne orde in om de goede exploitatie te verzekeren. Dit reglement wordt op voor de bezoekers duidelijk zichtbare plaatsen in de inrichting aangeplakt.

5.32.9.2.2, § 7, 2°

Het sub 1° bedoelde reglement omvat tenminste de volgende punten: a) de directie heeft het recht om elke persoon die een gevaar blijkt op te leveren voor de veiligheid en de gezondheid van de aanwezigen, de toegang tot de instelling te verbieden (dronkenschap, ordeverstoring, niet naleving van dit reglement, e.d.); b) dieren, tenzij assistentiehonden in de geschoeide zone, worden niet in de inrichting toegelaten;c) elke bader moet een stortbad nemen alvorens de zwemhal te betreden;d) kinderen van minder dan 6 jaar zijn steeds vergezeld van een toezichthoudende volwassene. 5.32.9.3.2, § 1, eerste lid, eerste zin

De exploitant beschikt over geschreven procedures waarin de werking onder normale en onder noodomstandigheden wordt beschreven.

5.32.9.3.2, § 1, eerste lid, laatste zin

Voormelde procedures worden tevens ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.32.9.3.2, § 2, 2°, voorlaatste zin

Een attest van deze beproeving wordt ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar.

5.32.9.3.2, § 2, 7°

De exploitant houdt een register bij met gegevens die betrekking hebben op het beheer van de chemicaliën, met name hun benaming, hoeveelheid, leveringsdatum, eventuele incidenten, alle onderhoudswerken, controles, defecten, herstellingen en ongevallen.

5.32.9.3.2, § 3, 5°, laatste zin

Het afschrift van voormeld brevet of getuigschrift ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie.

5.32.9.3.2, § 3, 6°, voorlaatste zin

Het getuigschrift van de meest recente bijscholing ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie.

5.32.9.3.2, § 3bis, tweede lid, laatste zin

Dit toezichtsplan ligt ter inzage voor de toezichthouders.

5.32.9.3.2, § 4, 3°, derde lid, laatste zin

Een kopie van de analyseresultaten wordt door het laboratorium rechtstreeks gestuurd naar de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.

5.32.9.3.2, § 4, 4°

De exploitant houdt een register bij omvattende de volgende gegevens: a) de resultaten van de sub 2° bedoelde dagelijkse zwembadwateranalyses;b) de resultaten van de sub 3° bedoelde maandelijkse analyses;c) de data waarop de filters worden gespoeld en/of het filtreermateriaal wordt vervangen;d) de dagelijkse bezetting van het zwembad;e) elke bijzonderheid, incident of ongeval;f) de maandelijkse notering van het waterverbruik;g) elke vaststelling met betrekking tot het technisch nazicht bij de lediging van het zwembad en bij de aanvulling van de voorraad scheikundige stoffen. Dit register, wordt ten minste 5 jaar door de exploitant bewaard en ligt steeds ter inzage van de toezichthouder.

5.32.9.3.2, § 7, 1°

De exploitant voert een reglement van interne orde in om de goede exploitatie te verzekeren. Dit reglement wordt op voor de bezoekers duidelijk zichtbare plaatsen in de inrichting aangeplakt.

5.32.9.3.2, § 7, 2°

Het in § 1 bedoelde reglement omvat tenminste de volgende punten: a) de directie heeft het recht om elke persoon die een gevaar blijkt op te leveren voor de veiligheid en de gezondheid van de aanwezigen, de toegang tot de instelling te verbieden (dronkenschap, ordeverstoring, niet naleving van dit reglement, e.d.); b) dieren, tenzij assistentiehonden in de geschoeide zone, worden niet in de inrichting toegelaten;c) elke bader moet een stortbad nemen alvorens de kaden en het zwembad te betreden;d) kinderen van minder dan 6 jaar zijn steeds vergezeld van een toezichthoudende volwassene. 5.32.9.4.2, § 3, derde lid, laatste volzin

Een kopie van de analyseresultaten wordt door het laboratorium rechtstreeks gestuurd naar de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.

5.32.9.4.2, § 6

De exploitant houdt een register bij omvattende de volgende gegevens: 1° de resultaten van de in § 2 bedoelde dagelijkse zwembadwateranalyses;2° de resultaten van de in § 3 bedoelde maandelijkse analyses;3° de data waarop de filters worden gespoeld en/of het filtreermateriaal wordt vervangen;4° de dagelijkse bezetting van het zwembad;5° elke bijzonderheid, incident of ongeval;6° de maandelijkse notering van het waterverbruik;7° elke vaststelling met betrekking tot het technisch nazicht bij de lediging van het zwembad en bij de aanvulling van de voorraad scheikundige stoffen. Dit register, wordt tenminste 5 jaar door de exploitant bewaard en ligt steeds ter inzage van de toezichthouder.

5.32.9.5.1, § 3, derde lid, laatste volzin

Een kopie van de analyseresultaten wordt door het laboratorium rechtstreeks gestuurd naar de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.

5.32.9.5.2, § 1, tweede lid

Dit register, wordt tenminste 5 jaar door de exploitant bewaard en ligt steeds ter inzage van de toezichthouder.

5.32.9.7.2, § 1, eerste lid, eerste volzin

De exploitant beschikt over geschreven procedures waarin de werking onder normale en onder noodomstandigheden wordt beschreven.

5.32.9.7.2, § 1, tweede lid

Voormelde procedures worden tevens ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.32.9.7.2, § 2, 2°, voorlaatste zin

Een attest van deze beproeving wordt ter beschikking gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar.

5.32.9.7.2, § 2, 7°

De exploitant houdt een register bij met gegevens die betrekking hebben op het beheer van de chemicaliën, met name hun benaming, hoeveelheid, leveringsdatum, eventuele incidenten, alle onderhoudswerken, controles, defecten, herstellingen en ongevallen.

5.32.9.7.2, § 3, 4°, laatste volzin

Het getuigschrift van de meest recente bijscholing ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie.

5.32.9.7.2, § 4, 3°, derde lid, laatste volzin

Een kopie van de analyseresultaten wordt door het laboratorium rechtstreeks gestuurd naar de milieuarts of milieugezondheidskundige van de afdeling, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid.

5.32.9.7.2, § 4, 4°

De exploitant houdt een register bij omvattende de volgende gegevens: a) de resultaten van de sub 2° bedoelde dagelijkse zwembadwateranalyses;b) de resultaten van de sub 3° bedoelde maandelijkse analyses;c) de data waarop de filters worden gespoeld en/of het filtreermateriaal wordt vervangen;d) de dagelijkse bezetting van het zwembad;e) elke bijzonderheid, incident of ongeval;f) de maandelijkse notering van het waterverbruik;g) elke vaststelling met betrekking tot het technisch nazicht bij de lediging van het zwembad en bij de aanvulling van de voorraad scheikundige stoffen. Dit register, wordt ten minste 5 jaar door de exploitant bewaard en ligt steeds ter inzage van de toezichthouder.

5.32.9.8.1, § 2, eerste lid

Door de exploitant wordt een reglement van inwendige orde vastgelegd dat tenminste de volgende bepalingen omvat: 1° de toegang tot de zwemgelegenheid wordt verboden voor dronken personen;2° personen aangetast door of verdacht van besmettelijke ziekten worden niet tot het zwemwater toegelaten;3° het is verboden zeep te gebruiken op andere plaatsen dan onder het stortbad;4° met uitzondering van assistentiehonden op het strand worden honden of andere huisdieren niet toegelaten in het water of op het strand;5° kinderen van minder dan 6 jaar staan steeds onder het toezicht van een volwassene;6° assistentiehonden op het strand worden, als de persoon met een handicap of ziekte in het water gaat, aangelijnd aan de aanlijnplaats voorzien voor assistentiehonden. 5.32.9.8.2, § 3, laatste zin

Een dubbel van deze analyseresultaten wordt door het laboratorium rechtstreeks aan de afdeling van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, bevoegd voor het toezicht op de volksgezondheid gezonden.

5.32.9.8.5, § 6bis, tweede lid

Dit toezichtsplan wordt ter inzage gehouden van de toezichthouders.

5.32.9.8.5, § 7, laatste zin

Het afschrift van voormeld brevet of getuigschrift ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie.

5.32.9.8.5, § 8, voorlaatste zin

Het getuigschrift van de meest recente bijscholing ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van de exploitatie.

5.32.10.1, § 3, tweede lid, tweede zin

Ook de controle en de wijze van controle op de maatregelen wordt in het register vermeld.

5.33.0.2, § 1, tweede lid, laatste zin

Een attest, afgeleverd door een deskundige, de leverancier of de installateur, dient door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.33.0.2, § 2, laatste zin

De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.33.0.3, § 4, laatste zin

De attesten met datum en uitslag van deze controle moeten ter inzage worden gehouden van de toezichthouder.

5.36.0.2, § 1, tweede lid, laatste zin

Een attest, afgeleverd door een deskundige, de leverancier of de installateur, dient door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.36.0.2, § 2, laatste zin

De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.36.0.3, § 4, laatste zin

De attesten met datum en uitslag van deze controle worden ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.38.0.2, § 2, tweede lid, laatste zin

Een attest, afgeleverd door een deskundige, de leverancier of de installateur, dient door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.38.0.2, § 4, laatste zin

De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.38.0.3, § 5, laatste zin

De attesten met datum en uitslag van deze controle worden ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.41.1.3, § 1, laatste zin

De desbetreffende keuringsattesten worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthouder.

5.41.1.3, § 4, laatste zin

De attesten met datum en uitslag van deze controle moeten ter inzage worden gehouden van de toezichthouder.

5.41.2.2, § 4, eerste lid, eerste zin

Voor elke machine die gebruik maakt van tetrachlooretheen als reinigingsmiddel houdt de exploitant een verslag ter beschikking van de toezichthouder, waarin aangetoond wordt dat aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 2 of 3, voldaan is.

5.41.2.2, § 4, tweede lid

De exploitant bezorgt een afschrift van dit verslag aan de toezichthoudende overheid als die daarom verzoekt.

5.41.2.3, § 3, laatste zin

Dat logboek wordt voor een periode van minstens 5 jaar na de laatste registratie bewaard en ter inzage van de toezichthoudende overheid gehouden.

5.43.4.2

Iedere verandering van brandstof, van het zwavelgehalte van de vloeibare brandstof, en van de uren van buitengebruikstelling worden ingeschreven in een register, dat de exploitant ter beschikking houdt van de toezichthoudende overheid.

5.51.4.1

De gebruiker houdt het verslag van de risicoanalyse en een register met GGO's en pathogene organismen, aangewend in het kader van ingeperkt gebruik, ter beschikking van de toezichthouders en de bevoegde instantie.

5.51.4.2, § 2, tweede lid, laatste zin

Dat controleprogramma moet ter beschikking gehouden worden van de toezichthoudende overheid.

5.53.3.3, § 5

(...) een attest (...) dat op eenvoudig verzoek aan de met toezicht belaste ambtenaren wordt voorgelegd. (...)

5.53.3.3, § 6

(...) De stand van de meter wordt bij het wegnemen en het terugplaatsen genoteerd in een register. (...)

5.53.3.3, § 9

De stand van iedere debietmeter wordt genoteerd in een register op de laatste kalenderdag van elk jaar waarin grondwater werd opgepompt en telkens wanneer, om welke reden ook, de debietmeter verwijderd of herplaatst wordt.

5.53.4.6, § 2.

De gegevens, bedoeld in artikel 5.53.4.5 en § 1, worden door de exploitant bijgehouden in een register, dat ter plaatse of in een gecentraliseerde databank van het bedrijf ter inzage wordt gehouden van de toezichthouders.

5.53.4.7

De exploitant van een grondwaterwinning, waarvan het vergunde volume meer dan 30 000 m3 per jaar bedraagt, deelt elk jaar de resultaten van het voorgaande kalenderjaar mee van de gewonnen volumes grondwater per watervoerende laag, de analyses van het grondwater en de peilmetingen.

Hij doet dit overeenkomstig de artikelen 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering tot invoering van het integrale milieujaarverslag, voor de datum die daarin wordt bepaald, en door middel van de deel IA en IV van het integrale milieujaarverslag waarvan het model is gevoegd als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 januari 2005 tot wijziging van de besluiten van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, 18 maart 1997 houdende vaststelling van de modaliteiten voor aangifte van de opgepompte of gewonnen hoeveelheden grondwater door de maatschappijen die instaan voor de openbare drinkwatervoorziening ten behoeve van de bepaling van de heffing, 28 juni 2002 tot uitvoering van het Hoofdstuk IIIbis van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging en Hoofdstuk IVbis van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer, en 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag.

5.53.4.8

Ten laatste negentig dagen na het boren respectievelijk het herboren of de aanleg, wijziging of verbouwing van een grondwaterwinning of grondwaterwinningseenheid, waarvan het vergunde volume meer dan 30 000 m3 per jaar bedraagt, bezorgt de exploitant de volgende gegevens aan de afdeling, bevoegd voor grondwater: 1° het doel van de boring;2° het boorverslag met een beschrijving van de aard van de aangeboorde lagen;3° de geologische beschrijving van de lagen, voor zover deze gekend zijn;4° de technische beschrijving van de uitrusting van het boorgat, de uitvoering of wijziging van de put en/of andere inrichting;5° de watervoerende laag waaruit grondwater wordt opgepompt;6° het specifieke debiet van de put; 7° de kwaliteit van het opgepompte grondwater aan de hand van de analyseresultaten bedoeld in artikel 5.53.4.5. § 1; 8° de diepte van het grondwater in rust na de putontwikkeling ten opzichte van het maaiveld;9° de maatregelen die werden getroffen ter voorkoming van verontreiniging van het leefmilieu in het algemeen en van het grondwater in het bijzonder;10° vanaf een vergund debiet van 1 000 000 m3 per jaar, het verslag van een deskundig uitgevoerde pompproef;11° de ligging op een kaart op schaal 1/250 met aanduiding van op het terrein waarneembare referenties. 5.53.6.3.1, § 4

De gegevens, bedoeld in § 1 en § 2, worden bijgehouden in een register, dat ter plaatse of in een gecentraliseerde databank van het bedrijf ter inzage wordt gehouden van de toezichthouders.

5.53.6.3.2

De exploitant van een grondwaterwinning, bedoeld in subrubriek 53.7 van de indelingslijst, maakt per periode van vijf jaren een rapport op met de volgende inhoud: 1° de beschrijving van de evolutie van de opgepompte debieten en overeenkomstige peilen in de productieputten en de peilputten over de afgelopen periode (ev. weergegeven in tijdsreeksen) alsook een evaluatie hiervan; 2° de beschrijving van de eventuele mogelijke vastgestelde invloeden op de bovengrondse eigendommen, zowel wat betreft stabiliteit van de grond als de mogelijke invloed op gewassen en het natuurlijk milieu;3° bij grondwaterwinningen met vijf peilputten en meer, twee stijghoogtekaarten respectievelijk in de aangepompte watervoerende laag en de freatische watervoerende laag van de omgeving, opgemaakt op basis van de reële metingen, één met de hoogste en één met de laagste gemeten grondwaterstand. De exploitant bezorgt een kopie van dit rapport aan de vergunningverlenende overheid alsook aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater.

5.54.3, § 2

De exploitant houdt met betrekking tot de exploitatie van een inrichting voor het kunstmatig aanvullen van grondwater een register bij waarin worden ingeschreven: 1° de resultaten van de peilmetingen, bedoeld in § 1, samen met het peil in het infiltratiepand;2° gedurende het eerste jaar van het kunstmatig aanvullen, de hoeveelheid water die tijdens de 24 uren voorafgaand aan de wekelijkse peilmetingen kunstmatig werd aangevuld;3° de hoeveelheid water die maandelijks kunstmatig werd aangevuld. Het register wordt door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid.

5.54.3, § 3

Wanneer het jaarlijkse volume aangevuld water meer dan 30 000 m3 bedraagt, moet de exploitant de gegevens, bedoeld in § 2, op uiterlijk 15 maart van elk jaar volgend op het jaar waarop de gegevens betrekking hebben, tevens schriftelijk meedelen aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater.

5.54.4, § 2, derde lid

De verslagen van de bemonsteringen en analyses, bedoeld in het eerste lid, worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid.

5.54.5, § 2

De verslagen van de bemonsteringen en analyses, bedoeld in § 1, worden door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid.

5.54.5, § 3

Wanneer het jaarlijkse volume aangevuld water meer dan 30 000 m3 bedraagt, moet de exploitant de gegevens, bedoeld in § 1, op uiterlijk 15 maart van elk jaar volgend op het jaar waarop de gegevens betrekking hebben, tevens schriftelijk meedelen aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater.

5.55.1.2, vierde lid

Als het gaat om een vergunningsplichtige boring, bezorgt de exploitant, uiterlijk negentig dagen na het boren, de volgende gegevens aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater: 1° het doel van de boring;2° het boorverslag met een beschrijving van de aard van de aangeboorde lagen;3° de geologische beschrijving van de lagen, als die bekend is;4° de technische beschrijving van de uitrusting van het boorgat;5° de diepte van het grondwater in rust na de putontwikkeling ten opzichte van het maaiveld, indien de boring wordt afgewerkt tot een meetbare boorput;6° de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming van verontreiniging van het leefmilieu in het algemeen en van het grondwater in het bijzonder;7° de ligging op een kaart op schaal 1/250, met aanduiding van op het terreinwaarneembare referenties. 5.55.1.3, § 1, tweede lid

Wanneer het gaat om een vergunningsplichtige boring, deelt de exploitant deze buitendienststelling mee aan de afdeling van de Vlaamse Milieumaatschappij, bevoegd voor grondwater.

5.57.2.2, § 2, tweede lid

De exploitant bezorgt een exemplaar van dit plan: 1° aan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen;2° aan de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving;3° aan de afdeling, bevoegd voor geluidshinder;4° aan de Bestendige Deputatie van de provincie(s) waarover de geluidscontouren zich uitstrekken;5° aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente(n) waarover de geluidscontouren zich uitstrekken. 5.57.2.2, § 3

Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, worden het plan, bedoeld in § 2, en de gegevens, bedoeld in artikel 5.57.1.2, § 5, uiterlijk tegen 30 april van het jaar dat volgt op het jaar waarover de berekening gaat, bezorgd aan de in § 2 vermelde instanties.

5.60.3, § 1, laatste zin

De exploitant deelt de naam van die bevoegde afgevaardigde schriftelijk mee aan de toezichthoudende overheid.

5.60.3, § 4

Tenzij het anders vermeld is in de milieuvergunning, houdt de exploitant een register bij waarin tenminste de volgende gegevens zijn genoteerd: 1° het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de niet-verontreinigde uitgegraven bodem, bagger- en ruimingsspecie of grondstoffen die overeenkomstig het VLAREMA voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem;2° de herkomst en oorsprong van de niet-verontreinigde uitgegraven bodem, bagger- en ruimingsspecie of grondstoffen die overeenkomstig het VLAREMA voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem;3° de vervoerder van de niet-verontreinigde uitgegraven bodem, bagger- en ruimingsspecie of grondstoffen die overeenkomstig het VLAREMA voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem;4° de hoeveelheid aangevoerde niet-verontreinigde uitgegraven bodem, bagger- en ruimingsspecie of grondstoffen die overeenkomstig VLAREMA voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem;5° opmerkingen over de uitgegraven bodem, bagger- en ruimingsspecie of grondstoffen die overeenkomstig het VLAREMA voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem en opmerkingen over de aanvoer, met inbegrip van de geweigerde aangevoerde uitgegraven bodems, bagger- en ruimingsspecie of grondstoffen die overeenkomstig het VLAREMA voldoen aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem. 5.60.6

De exploitant meldt elke dreigende instabiliteit die een gevaar voor de omgeving kan vormen, onmiddellijk per fax, e-mail of telefoon aan de burgemeester en aan de toezichthouders van de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en van de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen.

De exploitant meldt elke effectieve instabiliteit die een volume van meer dan 250 m® heeft en waarbij een definitieve helling of de perceelgrens werd aangetast, onmiddellijk per fax, e-mail of telefoon aan de burgemeester en aan de toezichthouders van de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en van de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen.

5.61.2, § 4

Tenzij anders vermeld in de milieuvergunning, houdt de exploitant een register bij waarin ten minste de volgende gegevens zijn genoteerd: 1° voor wat betreft de aanvoer: a) het volgnummer, de datum en het uur van de aanvoer van de uitgegraven bodem;b) de herkomst en oorsprong van de uitgegraven bodem;c) de vervoerder van de uitgegraven bodem;d) de hoeveelheid aangevoerde uitgegraven bodem;e) opmerkingen omtrent de uitgegraven bodem en aanvoer, met inbegrip van de geweigerde aangevoerde uitgegraven bodem.2° voor wat betreft de opslag: de plaats waar de geleverde partij opgeslagen ligt.3° voor wat betreft de afvoer: a) de bestemming van de uitgegraven bodem;b) de vervoerder van de uitgegraven bodem;c) de hoeveelheid aangevoerde uitgegraven bodem; 6.5.3.1, § 1, 5°

(...) dit attest wordt ter inzage gehouden van de toezichthouder.

6.5.4.4

Bij de oplevering van de opslaginstallatie bezorgt de gemachtigde installateur of de erkende technicus aan de eigenaar het certificaat van de installatie samen met de certificaten of de beproevingsverslagen van de onderdelen ervan. De eigenaar van de opslaginstallatie draagt er zorg voor dat de exploitant(en) in het bezit is (zijn) van een kopie van het certificaat van de installatie.

6.10.2.2, § 1, eerste volzin

De exploitatie van een vast opgestelde zendantenne of de verandering van een vast opgestelde zendantenne is verboden zonder conformiteitsattest.

6.10.3.2

Voor bestaande vast opgestelde zendantennes is uiterlijk op 31 december 2011 een attest afgeleverd dat de conformiteit met deel 2, hoofdstuk 2.14, afdeling 2.14.2, bevestigt.


Art. 2.Het niet voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in de bijlagen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het laatst gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 23 mei 2014, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:

Bijlage

Wettelijke verplichting

4.2.5.1, C) CONTROLE-INRICHTING BIJ GESLOTEN AFVOER, 1.

Debietmeetsysteem, a)

de desbetreffende ijkingsattesten dienen door de exploitant ter inzage gehouden van de toezichthoudende ambtenaar

4.5.2, artikel 2. Uitvoering, tweede lid

Het volledige akoestische onderzoek wordt door de exploitant in drie exemplaren toegestuurd aan de vergunningverlenende overheid, (...)

4.5.3, artikel 2. Redactie, tweede lid

Het saneringsplan wordt door de exploitant in drie exemplaren toegestuurd aan de vergunningverlenende overheid, (...)

5.30.1, § 5, laatste zin

De resultaten van de emissiemetingen worden ter inzage gehouden van de toezichthoudende overheid.

5.51.4, 4. Algemene maatregelen, 10°

Bijhouden van adequate registers

5.51.4, 4. Algemene maatregelen, 13°

Voorzien in schriftelijke gestandaardiseerde werkprocedures om de veiligheid te waarborgen

5.51.4, 4 Algemene maatregelen, Tabel 4.1: Technische karakteristieken, veiligheidsuitrusting en werkpraktijken in laboratoria, 4.1.3 Werkpraktijken en afvalbeheer

Maatregelen

L1

L2

44

beschikken over geschikte registers

46

nota voor gebruiksaanwijzing van doeltreffende ontsmettingsmiddelen

49

schriftelijke instructies inzake procedures met betrekking tot bioveiligheid


5.51.4., 4 Algemene maatregelen, Tabel 4.2: Technische karakteristieken, veiligheidsuitrusting en werkpraktijken in animalaria, 4.2.3 Werkpraktijken en afvalbeheer

Maatregelen

Inperkingsniveau

A1

A2

A3

A4

46

register(s) waarop alle handelingen vermeld worden (binnenbrengen en buitenbrengen van proefdieren, inoculatie van GGM's enz.)

vereist

vereist

vereist

vereist

48

nota met gebruiksaanwijzing voor doeltreffende ontsmettingsmiddelen

vereist

vereist

vereist

vereist

51

schriftelijke instructies van procedures voor bioveiligheid

vereist

vereist

vereist

vereist

5.51.4., 4 Algemene maatregelen, Tabel 4.3: Technische karakteristieken, veiligheidsuitrusting en werkpraktijken in serres en kweekkamers, 4.3.3 Werkpraktijken en afvalbeheer

Maatregelen

Inperkingsniveau

G1

G2

G2-q

G3

39

register(s) waarop alle handelingen vermeld worden (binnenbrengen en buitenbrengen van planten, inoculatie van GGM's enz.)

vereist

vereist

vereist

vereist

41

nota met gebruiksaanwijzing voor doeltreffende ontsmettingsmiddelen

vereist

vereist

vereist

vereist

43

schriftelijke instructies van procedures voor bioveiligheid

vereist

vereist

vereist

vereist

5.51.4, 4 Algemene maatregelen, Tabel 4.5: Technische karakteristieken, veiligheidsuitrusting en werkpraktijken in inrichtingen voor grootschalige activiteiten, 4.5.3 Werkpraktijken en afvalbeheer

Maatregelen

Inperkingsniveau

LS1

LS2

LS3

LS4

57

beschikken over geschikte registers

vereist

vereist

vereist

vereist

59

nota met gebruiksaanwijzing voor doeltreffende ontsmettingsmiddelen

vereist

vereist

vereist

vereist

62

schriftelijke instructies van procedures voor bioveiligheid

vereist

vereist

vereist

vereist


Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.

Brussel, 3 juli 2015.

De minister-president van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, J. SCHAUVLIEGE

Bijlage 4 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu Bijlage X bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Bijlage X. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Enig artikel. Het niet-voldoen aan de volgende wettelijke verplichtingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven en hun koeltechnici, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:

Artikel

Wettelijke verplichting

Art. 4, § 3

De personen of bedrijven die in een andere EU-lidstaat een certificaat hebben verkregen om werkzaamheden aan koelinstallaties uit te voeren, beschikken over een vertaling van dit certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels, als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven.

Verplichtingen voor koeltechnische bedrijven

Art. 6, § 1, eerste lid, tweede zin

In geval van certificering kent de keuringsinstelling een certificaat toe namens de afdeling en bezorgt ze het certificaat binnen twee maanden na de keuring aan het bedrijf.

Art. 6, § 1, eerste lid, derde zin

In geval van niet-certificering deelt ze binnen twee maanden na de keuring de redenen daarvoor mee aan het bedrijf.

Art. 6, § 1, tweede lid, eerste zin

Het certificaat bevat ten minste de gegevens, vermeld in bijlage II. Art. 6, § 1, tweede lid, tweede zin

Voor de opmaak van het certificaat volgt de keuringsinstelling de instructies van de afdeling.

Art. 6, § 1, tweede lid, derde zin

Het model van keuringscertificaat wordt ter goedkeuring aan de afdeling voorgelegd.

Art. 7, § 2, eerste zin

In geval van verlenging van de geldigheid van het certificaat bezorgt de keuringsinstelling het nieuwe certificaat binnen twee maanden na de keuring aan het bedrijf.

Art. 7, § 2, tweede zin

Het certificaat is opgesteld volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 6, § 1, tweede lid.

Art. 7, § 2, derde zin

In geval van niet-certificering deelt de keuringsinstelling de redenen daarvoor binnen twee maanden na de keuring mee aan het bedrijf.

Art. 9, eerste zin

Bij de keuring van het koelinstallatiebeheersysteem van een koeltechnisch bedrijf moet worden nagegaan of aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4, § 1, en aan de verplichtingen, vermeld in artikel 10 en 11, is voldaan.

Art. 9, tweede zin

Bij de uitvoering van de keuring volgt de keuringstelling de instructies van de afdeling.

Art. 10, 2°, eerste zin, eerste 11 woorden

Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet: 2° aan de afdeling alle inlichtingen en documenten verstrekken die ze vraagt...;

Art. 10, 2°, eerste zin, laatste 10 woorden

Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet: 2° ... het materiaal tonen dat gebruikt wordt bij werkzaamheden aan koelinstallaties;

Art. 10, 4°

Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet: 4° de afdeling binnen een maand op de hoogte brengen van elke wijziging in de gegevens die verband houden met de certificering; Art. 10, 5°

Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet: 5° zich richten naar de instructies van de afdeling. Art. 11, § 1, eerste 22 woorden

Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf voert alle werkzaamheden aan koelinstallaties uit conform de norm NBN-EN 378 of een gelijkwaardige code van goede praktijk...

Art. 11, § 2, eerste 4 woorden en laatste 16 woorden

Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf ... licht het betrokken personeel in over nieuwe technologieën en nieuwe relevante milieuregelgeving met betrekking tot koeltechniek.

Art. 11, § 3

Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf zorgt ervoor dat bevoegde koeltechnici gedurende werkzaamheden aan koelinstallaties beschikken over de nodige en in goede staat verkerende apparatuur. Die apparatuur omvat gekalibreerde meetapparatuur en ten minste het materiaal, vermeld in bijlage IV. Art. 11, § 4, eerste lid

Bij werkzaamheden aan een koelinstallatie noteert het gecertificeerde koeltechnische bedrijf de volgende zaken: 1° als lekdichtheidscontroles als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 7, artikel 5bis.15.5.4.5.6 en 5bis.19.8.4.8.6 van titel II van het VLAREM worden uitgevoerd: een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles; 2° als koelmiddel werd verbruikt of bijgevuld aan een koelinstallatie: het type, de hoeveelheid en de reden van bijvulling (nieuwbouw, uitbreiding, retrofit of lekkage), de datum, de naam van de klant en de locatie van de koelinstallatie;3° als koelmiddel werd afgetapt van een koelinstallatie: het type, de hoeveelheid en de reden van aftapping, de datum, de naam van de klant en de locatie van de koelinstallatie. Art. 11, § 4, tweede lid

Als uit de koelmiddelregistratie blijkt dat met betrekking tot het relatieve lekverlies, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 6, artikel 5bis.15.5.4.5.5 en artikel 5bis.19.8.4.8.5 van titel II van het VLAREM maatregelen moeten worden getroffen, moet het gecertificeerde koeltechnische bedrijf ten minste de eigenaar van de installatie schriftelijk op de hoogte brengen van de vastgestelde lekkage, en moet het een voorstel van te nemen maatregelen formuleren.

Art. 11, § 4, derde lid

Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet minstens één afschrift van de registraties aan de eigenaar of beheerder van de koelinstallatie bezorgen en, indien van toepassing, in het installatiegebonden logboek of register noteren.

Art. 11, § 4, vierde lid

Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf houdt de gegevens, vermeld in deze paragraaf, gecentraliseerd bij, met vermelding van de plaats en de datum van de uitgevoerde werkzaamheden.

Art. 11, § 5

Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf houdt bovendien de volgende zaken gecentraliseerd bij: 1° de hoeveelheid koelmiddel die werd bijgevuld in elke koelinstallatie op basis van de registraties, vermeld in paragraaf 4;2° de hoeveelheid koelmiddel die werd afgetapt van elke koelinstallatie op basis van de registraties, vermeld in paragraaf 4;3° de hoeveelheid koelmiddel die werd aangekocht, met vermelding van de datum van aankoop en de naam van de leverancier;4° de hoeveelheid koelmiddel die werd afgevoerd, met vermelding van de datum van afvoer en de naam van de ophaler van de koelmiddelen. Art. 11, § 6

Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf bewaart de geregistreerde gegevens van de activiteiten, vermeld in dit artikel, minstens vijf jaar.

Art. 12, 1°

Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet: 1° de keuringsinstelling toegang verlenen tot de bedrijfszetel; Art. 12, 2°

Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet: 2° aan de keuringsinstelling alle documenten en nuttige gegevens ter beschikking stellen waaruit blijkt dat de uitrustings- en werkingsvoorwaarden, vermeld in dit besluit, nageleefd worden; Art. 12, 3°

Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet: 3° indien nodig, de documenten die de controle mogelijk moeten maken, of een afschrift ervan, aan de keuringsinstelling bezorgen; Art. 12, 4°

Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet: 4° het de keuringsinstelling mogelijk maken om de opdrachten te verifiëren die aan de keuringsinstelling ter uitvoering van dit besluit zijn toevertrouwd; Art. 12, 5°

Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet: 5° de keuringsinstelling alle inlichtingen meedelen over de technieken en uitslagen van de toegepaste werkmethoden en conclusies van de verrichte analysen en controles; Art. 12, 6°

Het gecertificeerde koeltechnische bedrijf moet: 6° de nodige maatregelen nemen om te verzekeren dat de keuringsinstelling werkzaamheden kan bijwonen die het gecertificeerde koeltechnische bedrijf aan koelinstallaties uitvoert.

Verplichtingen voor erkende examencentra

Art. 14, § 2, eerste zin

Een persoon kan het certificaat behalen door te slagen voor het examen als vermeld in artikel 23, § 1.

Art. 14, § 3, eerste lid, tweede zin

In geval van certificering kent het gecertificeerde examencentrum een certificaat toe namens de afdeling en bezorgt het examencentrum het certificaat binnen een maand na de dag van het examen aan de technicus.

Art. 14, § 3, tweede lid, eerste zin

Het certificaat bevat ten minste de gegevens, vermeld in bijlage V. Art. 14, § 3, tweede lid, tweede zin

Voor de opmaak van het certificaat volgt het examencentrum de instructies van de afdeling.

Art. 14, § 3, tweede lid, derde zin

Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring aan de afdeling voorgelegd.

Art. 15, § 2, eerste zin

Het gecertificeerde examencentrum bezorgt het certificaat binnen een maand na de dag van het examen aan elke geslaagde persoon.

Art. 15, § 2, tweede zin

Het certificaat is opgesteld volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 14, § 3, tweede lid.

Verplichtingen voor gecertificeerde technici

Art. 16, 3°

De gecertificeerde technicus in de koeltechniek moet: 3° aan de afdeling alle inlichtingen en documenten verstrekken die ze vraagt en het materiaal tonen dat hij gebruikt bij werkzaamheden aan koelinstallaties; Art. 16, 4°

De gecertificeerde technicus in de koeltechniek moet: 4° de afdeling binnen een maand op de hoogte brengen van elke wijziging in de gegevens die verband houden met zijn certificering; Art. 16, 5°

De gecertificeerde technicus in de koeltechniek moet: 5° zich richten naar de instructies van de afdeling.

Verplichtingen voor keuringsinstellingen

Art. 19, § 1, eerste lid, tweede zin

In geval van certificering kent de keuringsinstelling een certificaat toe namens de afdeling en bezorgt ze het certificaat binnen twee maanden na de keuring aan het examencentrum.

Art. 19, § 1, eerste lid, derde zin

In geval van niet-certificering deelt de keuringsinstelling binnen twee maanden na de keuring de redenen daarvoor mee aan het examencentrum.

Art. 19, § 1, tweede lid, eerste zin

Het certificaat bevat ten minste de gegevens, vermeld in bijlage VI. Art. 19, § 1, tweede lid, tweede zin

Voor de opmaak van het certificaat volgt de keuringsinstelling de instructies van de afdeling.

Art. 19, § 1, tweede lid, derde zin

Het model van keuringscertificaat wordt ter goedkeuring aan de afdeling voorgelegd.

Art. 20, § 2, eerste zin

In geval van verlenging van de geldigheid van het certificaat bezorgt de keuringsinstelling het nieuwe certificaat binnen twee maanden na de keuring aan het examencentrum.

Art. 20, § 2, tweede zin

Het certificaat is opgesteld volgens de voorwaarden, vermeld in artikel 19, § 1, tweede lid.

Art. 20, § 2, derde zin

In geval van niet-certificering deelt de keuringsinstelling de redenen daarvoor binnen twee maanden na de keuring mee aan het examencentrum.

Verplichtingen voor erkende examencentra

Art. 23, § 1, eerste lid, eerste zin

Het gecertificeerde examencentrum organiseert specifieke examens voor personen die een certificaat willen behalen van categorie I, II, III of IV als vermeld in artikel 14, § 1.

Art. 23, § 1, eerste lid, tweede zin

Het examen bestaat uit vier onderdelen: 1° een theoretisch onderdeel met betrekking tot koeltechniek;2° een praktisch onderdeel met betrekking tot handelingen met gefluoreerde broeikasgassen of ozonafbrekende stoffen;3° een praktisch onderdeel met betrekking tot een hardsoldeerproef;4° een onderdeel met betrekking tot de kennis van de wetgeving en Nederlandstalige terminologie inzake koeltechniek. Art. 23, § 1, derde lid

Het gecertificeerde examencentrum bepaalt de inhoud van het examen aan de hand van de bepalingen in de bijlage bij de Commissieverordening en in bijlage I bij dit besluit.

Art. 23, § 2

Het actualisatie-examen omvat een theorieonderdeel met betrekking tot de relevante milieuwetgeving en technologie.

Art. 24, 1°

Het gecertificeerde examencentrum moet: 1° beschikken over degelijke examenprocedures die de praktische voorwaarden voor de inschrijving voor en de organisatie van de examens, vermeld in artikel 23, § 1 en § 2, bevatten; Art. 24, 2°, eerste zin

Het gecertificeerde examencentrum moet: 2° beschikken over de nodige en in goede staat verkerende infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om de examens te organiseren...

Art. 24, 2°, tweede zin

2° ... Voor het praktische gedeelte zijn de nodige apparatuur, instrumenten en materialen, vermeld in bijlage VIII, aanwezig;

Art. 24, 3°, eerste lid, a)

Het gecertificeerde examencentrum moet: 3° als een examen wordt georganiseerd, een examenjury samenstellen die ten minste aan de volgende voorwaarden voldoet: a) de voorzitter van de examenjury is master in de ingenieurswetenschappen, master in de bio-ingenieurswetenschappen, master in de industriële wetenschappen, bachelor in de elektromechanica met afstudeerrichting klimatisering, of een persoon met minstens drie jaar aantoonbare ervaring in het afnemen van examens over koeltechniek; Art. 24, 3°, eerste lid, b)

Het gecertificeerde examencentrum moet: 3° als een examen wordt georganiseerd, een examenjury samenstellen die ten minste aan de volgende voorwaarden voldoet: b) minstens drie leden van de examenjury bezitten een geldig certificaat als vermeld in artikel 14 en 15.In afwijking daarvan bezitten minstens twee leden van de examenjury een geldig certificaat als vermeld in artikel 14 en 15, als een examen georganiseerd wordt om een certificaat van categorie IV te behalen;

Art. 24, 3°, eerste lid, c)

Het gecertificeerde examencentrum moet: 3° als een examen wordt georganiseerd, een examenjury samenstellen die ten minste aan de volgende voorwaarden voldoet: c) minstens een van de leden van de examenjury is extern aan het examencentrum en actief in de koelsector. Art. 24, 3°, tweede lid

Die samenstelling van de examenjury is niet van toepassing bij het plaatsvinden van een actualisatie-examen, op voorwaarde dat er minstens één persoon aanwezig is die in het bezit is van een geldig certificaat als vermeld in artikel 14 en 15, en dat die persoon optreedt als examenjurylid. Die persoon garandeert onafhankelijkheid en onpartijdigheid bij de uitvoering van zijn taken;

Art. 24, 4°

Het gecertificeerde examencentrum moet: 4° ervoor zorgen dat de examenjuryleden goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten; Art. 24, 5°

Het gecertificeerde examencentrum moet: 5° een register bijhouden waarin de individuele en algemene resultaten van de examinering worden gedocumenteerd; Art. 24, 6°, eerste zin

Het gecertificeerde examencentrum moet: 6° binnen een maand na elk examen een verslag van de examenzitting bezorgen aan de afdeling...

Art. 24, 6°, tweede zin, eerste 8 woorden

Het gecertificeerde examencentrum moet: 6° ... Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige juryleden...

Art. 24, 6°, tweede zin, laatste 9 woorden

Het gecertificeerde examencentrum moet: 6° ... bevat ten minste de gegevens, vermeld in bijlage IX;

Art. 24, 7°, eerste zin

Het gecertificeerde examencentrum moet: 7° de afdeling minstens een maand voor het examen plaatsvindt, op de hoogte brengen van de plaats en het tijdstip van het examen....

Art. 24, 7°, tweede zin

Het gecertificeerde examencentrum moet: 7° ... Het gecertificeerde examencentrum moet, als hierom wordt gevraagd door ambtenaren van de afdeling, ambtenaren de mogelijkheid bieden om de examens bij te wonen;

Art. 24, 8°

Het gecertificeerde examencentrum moet: 8° zijn activiteiten op een onafhankelijke en onpartijdige wijze uitvoeren; Art. 24, 9°

Het gecertificeerde examencentrum moet: 9° gemotiveerde klachten van ambtenaren van de afdeling behandelen en onderzoeken; Art. 24, 10°, eerste 11 woorden

Het gecertificeerde examencentrum moet: 10° aan de afdeling alle inlichtingen en documenten verstrekken die ze vraagt...

Art. 24, 10°, laatste 12 woorden

Het gecertificeerde examencentrum moet: 10°. .. het materiaal tonen dat gebruikt wordt bij het afnemen van de examens;

Art. 24, 11°

Het gecertificeerde examencentrum moet: 11° de afdeling binnen een maand op de hoogte brengen van elke wijziging in de gegevens die verband houden met de certificering; Art. 24, 12°

Het gecertificeerde examencentrum moet: 12° zich richten naar de instructies van de afdeling


Verplichtingen voor keuringsinstellingen

Art.28/1

De keuringsinstelling richt zich naar de instructies die door de afdeling worden gegeven.

Art. 29

De keuringsinstelling is ertoe verplicht om op verzoek van ambtenaren van de afdeling een onderzoek in te stellen.

Art. 30, eerste zin

De keuringsinstelling bezorgt maandelijks aan de afdeling een overzicht van de gecertificeerde koeltechnische bedrijven.

Art. 30, tweede zin

Dat overzicht bevat ten minste de gegevens, vermeld in bijlage XI. Art. 31, eerste zin

De keuringsinstelling bezorgt maandelijks aan de afdeling een overzicht van de gecertificeerde examencentra.

Art. 31, tweede zin

Dat overzicht bevat ten minste de gegevens, vermeld in bijlage XII. Art. 32, eerste zin

De keuringsinstelling bewaart de keuringsrapporten minstens zes jaar.

Art. 32, tweede zin

Op verzoek van de afdeling legt de keuringsinstelling het keuringsrapport voor.

Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.

Brussel, 3 juli 2015.

De minister-president van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, J. SCHAUVLIEGE

Bijlage 5 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu Bijlage XII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Bijlage XII. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Enig artikel. Het niet-voldoen aan de onderstaande wettelijke verplichtingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:

Artikel

Wettelijke verplichting

5

De monsternemingen in het kader van het Bodemdecreet en het VLAREBO van 14 december 2007 worden uitgevoerd volgens de methodes die in het CMA zijn vastgesteld.

6, eerste lid

De analyses in het kader van het Bodemdecreet en het VLAREBO van 14 december 2007 worden uitgevoerd volgens de methodes die in het CMA zijn vastgesteld of volgens een methode die door de OVAM gelijkwaardig wordt verklaard.

55, tweede lid

Als de OVAM aanvullende onderzoeksverrichtingen oplegt, kan ze een termijn bepalen waarbinnen de aanvullende onderzoeksverrichtingen moeten worden uitgevoerd en het verslag ervan bij de OVAM moet worden ingediend.

81, derde lid, tweede volzin

De vereniging van mede-eigenaars brengt de eigenaars en gebruikers van die mede-eigendom op de hoogte van de kennisgeving van de OVAM binnen een termijn van tien dagen na ontvangst ervan.

86, tweede lid

Binnen een termijn van tien dagen na ontvangst ervan maakt de burgemeester het bodemsaneringsproject gedurende dertig dagen bekend door aanplakking van een bericht op de plaats waar de bodemsaneringswerken gepland zijn en op de plaatsen die gereserveerd zijn voor de officiële berichten van bekendmaking. Gedurende diezelfde periode van dertig dagen legt hij het bodemsaneringsproject ter inzage bij de diensten van het gemeentebestuur. Tijdens die periode van bekendmaking kan iedereen schriftelijk bezwaren en opmerkingen richten aan het college van burgemeester en schepenen. Na afloop van de periode van bekendmaking maakt de burgemeester een proces-verbaal op over de ingediende bezwaren en opmerkingen. Uiterlijk vijftig dagen na ontvangst van het bodemsaneringsproject wordt het proces-verbaal aan de OVAM bezorgd.

89, § 1, tweede lid, eerste zin

Als de OVAM aanvullingen of wijzigingen oplegt, kan ze een termijn bepalen waarbinnen het aangepaste bodemsaneringsproject aan de OVAM moet worden bezorgd.

103, eerste lid

De opdrachtgever van de bodemsaneringswerken stelt tijdig de volgende personen in kennis van de aanvang van de uitvoering van de bodemsaneringswerken: 1° de eigenaars en gebruikers van de gronden waar werken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om de bodemsanering uit te voeren;2° de eigenaars en gebruikers van de gronden waarop de uitvoering van de bodemsaneringswerken mogelijk een negatieve weerslag kan hebben. 104, eerste zin

Ten minste acht dagen voor de aanvang van de uitvoering van de bodemsaneringswerken maakt een beëdigd landmeter, op verzoek van de opdrachtgever van de bodemsaneringswerken, een plaatsbeschrijving op van de gronden waar werken zullen plaatsvinden die noodzakelijk zijn om de bodemsanering uit te voeren alsook van de gronden waarop mogelijk een negatieve weerslag kan worden verwacht ten gevolge van de uitvoering van de bodemsaneringswerken.

121

Voor de volgende activiteiten moet de persoon die de activiteit verricht een individueel bodempreventie- en bodembeheersplan opstellen en voorleggen aan de OVAM: 1° het chemisch reinigen van textiel, alsook alle industriële of commerciële activiteiten waarbij VOS worden gebruikt in een installatie voor het schoonmaken van kleren, meubelstoffen en soortgelijke consumptiegoederen, met uitzondering van het handmatig verwijderen van vlekken in de textiel- en de kledingindustrie; Overeenkomstig artikel 91, § 1, van het Bodemdecreet, kan de persoon die een activiteit, vermeld in het eerst lid, verricht, voor die verplichting een beroep doen op een erkende bodemsaneringsorganisatie.

189

Voor de start van de grondwerken meldt de uitvoerder grondwerken de startdatum aan een erkende bodembeheerorganisatie.

200, eerste lid

Bij het transport naar een tussentijdse opslagplaats of een grondreinigingscentrum van meer dan 250 m® uitgegraven bodem of van meer dan 50 m®uitgegraven bodem waarvoor de opmaak van een technisch verslag verplicht is, meldt de uitvoerder grondwerken dat transport aan een erkende bodembeheerorganisatie.

Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.

Brussel, 3 juli 2015.

De minister-president van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, J. SCHAUVLIEGE

Bijlage 6 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu Bijlage XIII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Bijlage XIII. - Lijst van milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in het Bosdecreet van 13 juni 1990, met uitzondering van het niet voldoen aan die verplichtingen door gebruik van motorvoertuigen voor wat betreft de artikelen 10 en 12, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:

Artikel

Wettelijke verplichting

10, § 2 en § 3

§ 2. Behoudens in de gevallen vermeld in het volgende lid, zijn alle bossen voor het publiek, aangeduid in § 3 van dit artikel, steeds toegankelijk. Zij zijn evenwel enkel toegankelijk op de boswegen. De Vlaamse regering kan echter, voor zover dit het voortbestaan van het bos niet bedreigt en de vervulling van de andere bosfuncties niet verhindert, bij besluit toestaan dat voor bepaalde activiteiten de boswegen worden verlaten. De Vlaamse Regering kan de uitoefening van deze activiteiten afhankelijk stellen van het verkrijgen van een machtiging van het Agentschap.

Bossen kunnen voor bepaalde of onbepaalde duur, geheel of gedeeltelijk ontoegankelijk worden. Het ontoegankelijk stellen van openbare bossen is slechts toegestaan na een machtiging van het Agentschap.

De eventuele ontoegankelijkheid van een bos of een gedeelte van een bos dient langs de boswegen te worden aangeduid op een duidelijk zichtbare wijze. De Vlaamse Regering legt de vorm en de wijze vast waarop die aanduiding moet gebeuren. De eventuele ontoegankelijkheid van een bos of een gedeelte van een bos kan niet wettig in een andere vorm of op een andere wijze worden aangeduid. § 3. De voetgangers hebben steeds toegang tot alle bossen die voor het publiek toegankelijk zijn overeenkomstig § 2 van dit artikel.

De Vlaamse Regering kan bij besluit, zonder afbreuk te doen aan de bepaling van artikel 14, op de boswegen andere categorieën van weggebruikers toelaten voor zover die het voortbestaan van het bos niet bedreigen en de vervulling van de andere bosfuncties niet verhinderen.

De Vlaamse Regering regelt bij besluit de toegang tot de boswegen van alle in beide voorgaande leden bedoelde categorieën van weggebruikers.

De toegang tot de boswegen kan slechts wettig worden aangeduid in de vorm en op de wijze zoals bepaald door de Vlaamse Regering.

12

§ 4. De toegankelijkheid van een bos wordt geregeld door een toegankelijkheidsregeling die niet strijdig is met de inhoud van het beheersplan of met de bepalingen van dit decreet. Als de toegankelijkheid beperkt blijft tot het verlenen van toegang voor voetgangers op de boswegen overeenkomstig artikel 10, § 2 en § 3, vervalt de verplichting tot opmaak van een toegankelijkheidsregeling.

De Vlaamse Regering bepaalt door wie een toegankelijkheidsregeling kan worden opgesteld, evenals de inhoud en de procedure voor de goedkeuring van deze toegankelijkheidsregeling.

30

Onverminderd de verbodsbepalingen opgenomen in wetten, decreten, reglementen en de ontheffingen opgenomen in het beheersplan, is het in de bosreservaten verboden: (...) 8. sport te beoefenen. (...)

62, eerste zin

De koper mag het kappen niet beginnen zonder een voorafgaandelijke schriftelijke kapvergunning van de aangewezen ambtenaar.

63

De koper moet alle te sparen bomen kunnen aanwijzen en is verplicht alle voorbehouden bomen, op welke manier ook aangewezen, onaangeroerd te laten.

Onverminderd de bepalingen van artikel 184 van het Strafwetboek mogen de kopers geen merken aanbrengen op voorbehouden bomen.

Wederrechtelijk gekapte bomen kunnen door de koper niet gecompenseerd worden door voor kapping gemerkte bomen te laten staan.

De waarde van de wederrechtelijke gekapte bomen dient vergoed te worden, alsmede de eventuele schade die hierdoor is ontstaan.

Wanneer te sparen bomen gebroken of omgeworpen zijn, moet de koper ze ter plaatse laten liggen en onmiddellijk de aangestelde waarschuwen.

Het merkteken van de hamer op de stam of op de stronk aangebracht is het enige middel waarmee de koper de exploitatie van de bomen kan rechtvaardigen.

64

De koper dient de nodige voorzorgen te nemen om de te sparen bomen en het bosbestand niet te beschadigen.

Wanneer een gevelde boom is blijven hangen op een voorbehouden of te sparen boom, mag de koper de voorbehouden of te sparen boom alleen kappen mits machtiging van de aangewezen ambtenaar en na vaststelling op tegenspraak van de schade die voortspruit uit de noodzakelijkheid om de voorbehouden of te sparen boom te vellen.

Indien de schadeloosstelling in natura mogelijk is, kan men ter vervanging van de beschadigde bomen, gemerkte bomen van minstens gelijke waarde aanduiden, rekening houdend met de toekomstwaarde, of bomen van mindere waarde mits betaling van het verschil.

Indien de koper niet akkoord gaat met deze vervanging schat men de waarde van de beschadigde bomen; daaraan wordt de schade aan het bestand toegevoegd.

Indien de koper niet bewijst dat hij alle voorzorgen heeft genomen om beschadiging van de te sparen bomen te voorkomen, worden deze als delicthout beschouwd en overeenkomstig artikel 55 verkocht onverminderd de door de koper te betalen schadeloosstelling en in voorkomend geval, de krachtens de verkoopsvoorwaarden verschuldigde boeten.

65

De koper mag geen hout hakken of weghalen op zon- en feestdagen, noch voor de officiële zonsopgang of na de officiële zonsondergang.

Alleen in bijzondere gevallen kan hem door de aangewezen ambtenaar machtiging gegeven worden om hiervan af te wijken.

66

Het is de koper verboden hout van zijn koop op stam te schillen of te ontschorsen, tenzij de verkoopsvoorwaarden dit uitdrukkelijk toestaan.

67

Elke overtreding van de verkoopsvoorwaarden is verboden.

68

Ten behoeve van de exploitatie mag geen put of oven voor houtskool worden gemaakt; geen werkplaats of keet, woonwagen, caravan of tent worden geplaatst, behalve op de plaatsen aangewezen door de aangewezen ambtenaar of zijn afgevaardigde.

69

Het is de koper en zijn arbeiders verboden elders vuur te maken dan op de in verkoopsvoorwaarden of door de aangestelde toegelaten plaatsen.

70

Het hout wordt vervoerd langs de wegen, die daarvoor gewoonlijk gebruikt worden of op de wijze, die door de aangewezen ambtenaar of zijn gemachtigde wordt aangewezen.

In geen geval mag de koper nieuwe doorgangen of wegen aanleggen.

71

Alle voor kapping gemerkte bomen dienen gekapt en opgeruimd te worden binnen de door de verkoopsvoorwaarden gestelde termijn.

Voor zover in de verkoopsvoorwaarden een afwijkingsmogelijkheid wordt voorzien, kan alleen om gemotiveerde redenen aan de kopers een verlenging van deze termijn worden toegestaan.

Indien de kopers de door de verkoopsvoorwaarden opgelegde werkzaamheden niet verrichten binnen de gestelde termijn, komen de niet-gekapte en de niet-opgeruimde bomen, onverminderd de schadevergoeding opnieuw toe aan de eigenaar.

72

De kopers mogen in hun kavels alleen hout leggen dat daarvan afkomstig is.

81

Kappingen voorzien in een goedgekeurd beheersplan mogen onmiddellijk worden uitgevoerd en zijn niet meldingsplichtig.

Indien onverwijld moet worden overgegaan tot kapping om veiligheidsredenen moet de kapping en de motivering ervan ten laatste 24 uur na het aanvangen van de kapping schriftelijk worden medegedeeld aan het Agentschap. Indien dringend moet worden overgegaan tot kapping om sanitaire redenen, moet de kapping en de motivering ervan minstens veertien dagen voor het aanvangen van de kapping aan het Agentschap schriftelijk worden meegedeeld.

Binnen een termijn van zes maanden na het uitvoeren van de voormelde kappingen dient de bosbeheerder een voorstel van herstelmaatregelen, gaande van de herbebossing van de gekapte of beschadigde percelen tot een gelijkwaardige oppervlakte, met inbegrip van spontane herbebossing, ter goedkeuring aan het Agentschap voor te leggen.

Wanneer de bosbeheerder geen herstelmaatregelen voorlegt binnen die termijn of wanneer hij in gebreke blijft om de goedgekeurde herstelmaatregelen uit te voeren binnen een termijn van één jaar na de goedkeuring van het al dan niet gewijzigde voorstel of wanneer binnen deze termijn de spontane herbebossing geen of onvoldoende resultaten opgeleverd heeft, kan het Agentschap de werken op kosten van de bosbeheerders laten uitvoeren. De kosten worden verhaald door toezending via een aangetekende zending van de kostenstaat aan de bosbeheerder.

Voor alle andere kappingen moet een machtiging gevraagd worden aan het Agentschap. Kappingen andere dan vermeld in het eerste tot en met het derde lid waarvoor geen machtiging is verleend, alsook het niet naleven van de voorwaarden van een machtiging, zijn verboden. (...) Het Agentschap beslist binnen de zestig dagen na de datum van indiening van het verzoek of de kapping kan worden uitgevoerd, waarvan onverwijld mededeling wordt gegeven aan de betrokken gemeentebesturen.

Na verloop van deze termijn wordt het verzoek geacht te zijn ingewilligd. (...)

90, eerste lid

Openbare onroerende goederen, die onder de toepassing van het decreet vallen, kunnen niet vervreemd worden zonder machtiging van de Vlaamse Regering.

91, § 2, eerste lid

Bij een overdracht of een verdeling van onroerende goederen waarop dit decreet van toepassing is, brengt de overdrager of verdeler de verwerver vóór het sluiten van de overeenkomst op de hoogte van de verplichtingen die op dat goed rusten krachtens dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten.

91, § 2, tweede lid

Deze verplichting rust eveneens op degene die het eigendomsrecht van dergelijke onroerende goederen belast met zakelijke rechten in de mate dat daarbij het beheer van het bos wordt overgedragen, en op de persoon die op enige andere wijze het beheer van het bos gedeeltelijke of geheel overdraagt voor meer dan negen jaar.

91, § 3, eerste lid

De instrumenterende ambtenaar die een akte verlijdt van overdrachten of verdelingen bedoeld in § 1 neemt in de akte in een aparte rubriek "Bosdecreet" de verklaring op van de overdrager of verdeler dat hij zijn informatieplicht, bedoeld in § 2, heeft nageleefd en, in voorkomend geval, de nodige stukken heeft overgedragen.

91, § 3, tweede lid

Het voorhanden zijn van een bosbeheerplan en de referentiegegevens ervan worden in de akte vermeld.

91, § 4

Voormelde instrumenterende ambtenaar deelt binnen zestig dagen na de ondertekening van de akte de wijziging in het beheer van het bos mee aan het Agentschap met een attest waarin de identiteit van de oorspronkelijke en de nieuwe bosbeheerder en de omschrijving van het betreffende onroerend goed worden opgenomen.

97, § 1

§ 1. Onverminderd de verbodsbepalingen in wetten, decreten en reglementen is het, zonder toestemming van de eigenaar en machtiging van het Agentschap of zonder dat het bepaald is in het goedgekeurd beheersplan, in alle openbare bossen en voor wat de bosreservaten betreft, de commissie gehoord, verboden: (...) 2. het dode hout, op de grond liggend of nog aan de stam bevestigd, te verwijderen tenzij het behoort tot een partij verkochte bomen;3. knoppen, scheuten, twijgen, bloeiwijzen, kegels, vruchten, zaden te verzamelen en te verwijderen;4. bomen op te snoeien, behoudens wanneer deze maatregel werd opgenomen in het goedgekeurd beheersplan; (...) 6. reclame aan de bomen te bevestigen, reclameborden te plaatsen en onverschillig welk ander middel van commerciële reclame te gebruiken;7. de rust in het bos en van de bezoekers op welke wijze ook te verstoren; (...) 10. bomen te beschadigen, planten weg te nemen, uit te rukken of af te snijden; (...) 12. prikkeldraad aan te brengen en/of in stand te houden in en om de bossen, tenzij anders voorzien in het beheersplan. 97, § 2

§ 2. Onverminderd de verbodsbepalingen opgenomen in wetten, decreten en reglementen is het, zonder toestemming van de bosbeheerder en machtiging van het Agentschap of zonder dat het voorzien is in het goedgekeurd beheersplan, in alle privé-bossen verboden: (...) 2. reclame aan de bomen te bevestigen, reclameborden te plaatsen en onverschillig welk ander middel van commerciële reclame te gebruiken;3. de rust in het bos en van de bezoekers op welke wijze ook te verstoren; (...) 5. bomen te beschadigen, planten weg te nemen, uit te rukken of af te snijden, tenzij als beheersmaatregel;6. onverschillig welk voorwerp dat tot de uitrusting van het bos behoort te vernielen, te beschadigen, te verplaatsen en te misbruiken;7. prikkeldraad aan te brengen en/of in stand te houden in en om de bossen, tenzij anders voorzien in het beheersplan; (...)


Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.

Brussel, 3 juli 2015.

De minister-president van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, J. SCHAUVLIEGE

Bijlage 7 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu Bijlage XV bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Bijlage XV. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen en dit in het licht van de Vlaamse bevoegdheden ter bescherming van het leefmilieu zoals bepaald in artikel 6, § 1, II, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen:

Artikel

Wettelijke verplichting

27, lid 1

Elke onderneming verstrekt de Commissie en, door middel van een afschrift, de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat voor elke gereguleerde stof en elke in bijlage II genoemde nieuwe stof jaarlijks uiterlijk op 31 maart de in de leden 2 tot en met 6 vermelde gegevens over het voorafgaande kalenderjaar.

27, lid 2

Iedere producent verstrekt de volgende gegevens: a) zijn totale productie voor elke in lid 1 bedoelde stof;b) de in de Gemeenschap op de markt gebrachte of voor eigen rekening van de producent gebruikte geproduceerde hoeveelheden, gesplitst naar productie voor gebruik als grondstof, gebruik als technische hulpstof, of andere toepassingen;c) de productie om te voorzien in de behoeften voor essentiële analytische en laboratoriumtoepassingen in de Gemeenschap waarvoor overeenkomstig artikel 10, lid 6, vergunning is verleend;d) de productie om in de essentiële analytische en laboratoriumtoepassingen van de partijen waarvoor overeenkomstig artikel 10, lid 8, toestemming is verleend, te voorzien;e) in voorkomende geval, de toename van de productie waarvoor in verband met industriële rationalisering krachtens artikel 14, leden 2, 3 en 4, toestemming is verleend;f) de gerecycleerde, geregenereerde of vernietigde hoeveelheden onder vermelding van de bij de vernietiging gebruikte techniek, met inbegrip van de in artikel 3, punt 14, bedoelde als bijproduct geproduceerde en vernietigde hoeveelheden;g) de voorraden;h) de van en aan andere producenten in de Gemeenschap gekochte en verkochte hoeveelheden. 27, lid 3

Iedere importeur verstrekt voor elke in lid 1 bedoelde stof de volgende gegevens: a) de in de Gemeenschap in het vrije verkeer gebrachte hoeveelheden, uitgesplitst naar invoer voor gebruik als grondstof of als technische hulpstof, voor essentiële analytische en laboratoriumtoepassingen waarvoor overeenkomstig artikel 10, lid 6, vergunning is verleend, voor gebruik voor quarantainedoeleinden en toepassingen voorafgaand aan het vervoer en voor vernietiging;Importeurs die gereguleerde stoffen voor vernietiging hebben ingevoerd, vermelden tevens voor elke stof de eindbestemming of eindbestemmingen, onder vermelding, voor elke eindbestemming, van de hoeveelheden van elke stof die daar afgeleverd zijn en van de naam en het adres van de vernietigingsinstallatie; b) de hoeveelheden die volgens andere douaneprocedures zijn ingevoerd, onder aparte vermelding van de soort douaneprocedure en het aangegeven gebruik;c) de hoeveelheden gebruikte in lid 1 bedoelde stoffen die voor recycling of voor regeneratie zijn ingevoerd;d) de voorraden;e) de van en aan andere ondernemingen in de Gemeenschap gekochte en verkochte hoeveelheden;f) het land van uitvoer. 27, lid 4

Iedere exporteur verstrekt voor elke in lid 1 bedoelde stof de volgende gegevens: a) de hoeveelheden uitgevoerde stoffen, uitgesplitst naar uitvoer naar de verschillende landen van bestemming, en naar uitvoer voor gebruik als grondstof of als technische hulpstof, voor essentiële analytische en laboratoriumtoepassingen, voor kritische toepassingen en voor toepassingen voor quarantainedoeleinden en toepassingen voorafgaand aan het vervoer;b) de voorraden;c) de van en aan andere ondernemingen in de Gemeenschap gekochte en verkochte hoeveelheden;d) het land van bestemming. 27, lid 5

Elke onderneming die gereguleerde stoffen vernietigt als bedoeld in lid 1 en niet onder lid 2 valt, verstrekt de volgende gegevens: a) de hoeveelheden van die stoffen die werden vernietigd, met inbegrip van de hoeveelheden die zich in producten of apparaten bevonden;b) de voorraden van die stoffen die wachten op vernietiging, met inbegrip van de hoeveelheden die zich in producten of apparaten bevinden;c) de bij de vernietiging gebruikte techniek. 27, lid 6

Elke onderneming die gereguleerde stoffen als grondstof of als technische hulpstof gebruikt, verstrekt de volgende gegevens: a) de hoeveelheden van die stoffen die als grondstof of als technische hulpstof worden gebruikt;b) de voorraden van die stoffen;c) de betrokken methoden en emissies. 27, lid 7

Elke producent of importeur die overeenkomstig artikel 10, lid 6, een vergunning heeft verkregen, deelt de Commissie en, door middel van een afschrift, de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat jaarlijks vóór 31 maart voor alle stoffen waarvoor hij toestemming heeft verkregen mee waarvoor die zijn gebruikt, welke hoeveelheden hij het voorgaande jaar heeft gebruikt, welke hoeveelheden hij in voorraad heeft, gerecycleerd, geregenereerd of vernietigd heeft en welke hoeveelheden producten en apparaten die deze stoffen bevatten of nodig hebben hij op de communautaire markt gebracht en/of uitgevoerd heeft.

Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.

Brussel, 3 juli 2015.

De minister-president van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, J. SCHAUVLIEGE

Bijlage 8 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu Bijlage XVI bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Bijlage XVI. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 houdende regels tot uitvoering van het Oppervlaktedelfstoffendecreet, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:

Artikel

Wettelijke verplichting

14, § 2, tweede zin

De nieuwe vergunninghouder stelt de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen hiervan per aangetekende brief in kennis.

15, § 3, eerste lid

Indien de vergunninghouder een tijdelijke opslag van de uit zijn onderzoeksareaal gewonnen oppervlaktedelfstoffen voorziet op een perceel dat geen deel uitmaakt van de aanvraag, dient hij de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen, daarvan schriftelijk en voorafgaandelijk op de hoogte te brengen, met opgave van de referenties van dit perceel. Dit geldt zowel voor percelen gelegen binnen als buiten het ontginningsgebied.

24

Uiterlijk op 31 maart volgend op elk volledig kalenderjaar dat binnen de vergunningstermijn valt, bezorgt de vergunninghouder aan de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen een voortgangsrapport betreffende de exploitatie in het voorbije kalenderjaar.

Na een eerste basisvoortgangsrapport kunnen de daaropvolgende jaarlijkse voortgangsrapporten zich beperken tot het aanleveren van de gegevens die wijzigingen inhouden ten opzichte van de vorige voortgangsrapporten. Ook ingeval er in het voorbije kalenderjaar geen enkele wijziging is opgetreden, wordt dit aan de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen gemeld. In elk geval wordt om de vijf jaar een geactualiseerd basisvoortgangsrapport aan de afdeling, bevoegd voor natuurlijke rijkdommen bezorgd.

Het basisvoortgangsrapport bevat minstens de volgende gegevens: 1. de stand van zaken betreffende de ontginning bestaande uit een situeringsplan en opgave van de ontgonnen hoeveelheden, eventueel opgesplitst naar de verschillende soorten delfstoffen, en de gerealiseerde dieptes; 2. een digitaal grafisch opmetingsbestand, gerefereerd in het Lambert BD72-stelsel en de Tweede Algemene Waterpassing (TAW).Volgende gegevens worden vermeld: a. kadastrale gegevens;b. grens vergunning;c. situering van alle gebouwen;d. situering van toegangswegen en uitbatingswegen; e. aanduiden van grachten, beken,...; f. aanduiden van de ontginningsfronten;g. voldoende hoogtepeilen vermelden langs taluds en ontginningsfronten; h. aanduiden van waterplassen, slibbekkens,..; i. aanduiden met behulp van inkleuring of arcering hetgeen afgedekt is, hetgeen opgevuld is, en hetgeen zijn eindafwerking heeft verkregen;j. aanduiden van de referentiepunten voor de opeenvolgende metingen: 3.een digitaal bestand voor de beschrijving van gematerialiseerde verdichtingspunten, opgemeten met behulp van FLEPOS (Flemish Positioning Service). Deze bestanden worden opgemaakt met behulp van de steekkaart-applicatie, beschikbaar op www.gisvlaanderen.be; 4. een tabel met een bondige beschrijving (piket, grenspaal, merkteken, hoek gebouw,...) van de referentiepunten, samen met de respectievelijke coördinaten in Lambert BD72/TAW; 5. de grondbalans met de geraamde hoeveelheden teelaarde en overige dekgronden;werkelijk gerealiseerde depots; hergebruikte teelaarde, dekgronden en tussenlagen in het kader van de eindafwerking of de nabestemming en nog te reserveren teelaarde, dekgronden en tussenlagen; 6. een plan met de zonering en fasering van de ontginning en vermelding van de oppervlakten van de verschillende zones.

Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.

Brussel, 3 juli 2015.

De minister-president van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, J. SCHAUVLIEGE

Bijlage 9 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu Bijlage XVII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Bijlage XVII. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006, en dit in het licht van de Vlaamse bevoegdheden ter bescherming van het leefmilieu zoals bepaald in artikel 6, § 1, II, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen:

Artikel

Wettelijke verplichting

19, lid 1

Uiterlijk op 31 maart 2015 en vervolgens elk jaar rapporteert iedere producent, invoerder en uitvoerder die tijdens het voorgaande kalenderjaar een metrische ton of 100 ton CO2 -equivalent of meer gefluoreerde broeikasgassen en in bijlage II vermelde gassen heeft geproduceerd, ingevoerd of uitgevoerd, aan de Commissie de in bijlage VII beschreven gegevens over elk van deze stoffen voor het betrokken kalenderjaar. Deze bepaling is ook van toepassing op ondernemingen die een quotum ontvangen ingevolge artikel 18, lid 1.

Bijlage VII

KRACHTENS ARTIKEL 19 MEE TE DELEN GEGEVENS 1. Elke in artikel 19, lid 1, bedoelde producent brengt verslag uit over: a) de totale hoeveelheid van elke stof van de lijst in de bijlagen I en II, die hij in de Unie heeft geproduceerd en geeft daarbij de belangrijkste categorieën toepassingen waarvoor de stof wordt gebruikt aan;b) de hoeveelheden van elke stof van de lijst in bijlage I en, indien van toepassing, bijlage II, die hij in de Unie op de markt heeft gebracht, met afzonderlijke specificatie van de hoeveelheden die op de markt zijn gebracht voor gebruik als grondstof, rechtstreekse uitvoer, vervaardiging van doseerinhalatoren voor de toediening van geneesmiddelen, gebruik in militaire apparatuur en gebruik bij het etsen van halfgeleidermateriaal of het reinigen van kamers voor chemische dampafzetting in de sector van de productie van halfgeleiders;c) de hoeveelheden van elke stof van de lijst in de bijlagen I en II, die respectievelijk zijn gerecycleerd, geregenereerd en vernietigd;d) aan het begin en het einde van de verslagperiode bestaande voorraden;e) een eventuele toestemming om van een quotum gebruik te maken voor het doel van artikel 14, met specificatie van de relevante hoeveelheden.2. Elke in artikel 19, lid 1, bedoelde invoerder brengt verslag uit over: a) de hoeveelheid van elke stof van de lijst in bijlage I en, indien van toepassing, bijlage II, die hij in de Unie heeft ingevoerd en geeft daarbij de belangrijkste categorieën toepassingen waarvoor de stof wordt gebruikt aan, met afzonderlijke specificatie van de hoeveelheden die op de markt zijn gebracht voor vernietiging, gebruik als grondstof, rechtstreekse uitvoer, herverpakking, vervaardiging van doseerinhalatoren voor de toediening van geneesmiddelen, gebruik in militaire apparatuur en gebruik bij het etsen van halfgeleidermateriaal of het reinigen van kamers voor chemische dampafzetting in de sector van de productie van halfgeleiders;b) de hoeveelheden van elke stof van de lijst in de bijlagen I en II, die respectievelijk zijn gerecycled, geregenereerd en vernietigd;c) een eventuele toestemming om van een quotum gebruik te maken voor het doel van artikel 14, met specificatie van de relevante hoeveelheden;d) aan het begin en het einde van de verslagperiode bestaande voorraden.3. Elke in artikel 19, lid 1, bedoelde uitvoerder brengt verslag uit over: a) de hoeveelheden van elke stof van de lijst in de bijlagen I en II, die hij uit de Unie heeft uitgevoerd voor andere doeleinden dan recycling, regeneratie of vernietiging;b) de hoeveelheden van elke stof van de lijst in de bijlagen I en II, die hij heeft uitgevoerd uit de Unie om respectievelijk te worden gerecycled, geregenereerd en vernietigd.

Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.

Brussel, 3 juli 2015.

De minister-president van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, J. SCHAUVLIEGE

Bijlage 10 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu Bijlage XVIII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Bijlage XVIII. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in Verordening (EG) Nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie, en dit in het licht van de Vlaamse bevoegdheden ter bescherming van het leefmilieu zoals bepaald in artikel 6, § 1, II, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen:

Artikel

Wettelijke verplichting

36, lid 1

Elke fabrikant, importeur, downstreamgebruiker of distributeur verzamelt alle informatie die hij nodig heeft om zijn verplichtingen krachtens deze verordening te vervullen en houdt die informatie beschikbaar gedurende ten minste tien jaar nadat hij de stof of het mengsel voor het laatst heeft vervaardigd, ingevoerd, geleverd of gebruikt. Deze

informatie wordt, onverminderd de titels II en VI, door de bedoelde fabrikant, importeur, downstreamgebruiker of distributeur op verzoek onverwijld verstrekt of beschikbaar gesteld aan een bevoegde instantie van de lidstaat waar hij is gevestigd of aan het Agentschap.

36, lid 2

Indien een registrant, downstreamgebruiker of distributeur zijn activiteiten beëindigt, of zijn activiteiten geheel of gedeeltelijk overdraagt aan een derde, is degene die verantwoordelijk is voor de liquidatie van de onderneming van de registrant, downstreamgebruiker of distributeur of die de verantwoordelijkheid op zich neemt om de stof of het mengsel in kwestie in de handel te brengen, gehouden aan de verplichting van lid 1 in plaats van de registrant, downstreamgebruiker of distributeur.

41, lid 4

De registrant verstrekt de vereiste informatie binnen de vastgestelde termijn aan het Agentschap.

46, lid 2

De registrant verstrekt de vereiste informatie binnen de vastgestelde termijn aan het Agentschap.

63, lid 3

Alvorens te verwijzen naar een eerdere aanvraag overeenkomstig de leden 1 en 2 actualiseert de latere aanvrager zo nodig de informatie van de oorspronkelijke aanvraag.

Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.

Brussel, 3 juli 2015.

De minister-president van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, J. SCHAUVLIEGE

Bijlage 11 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu Bijlage XXII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Bijlage XXII. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Enig artikel. Het niet-voldoen aan onderstaande wettelijke verplichtingen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 houdende vaststelling van de voorwaarden waaronder de jacht kan worden uitgeoefend, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:

Artikel

Wettelijke verplichting

5

Het is verboden zich met een jachtwapen te bevinden op jachtkansels die op minder dan 150 meter liggen van een terrein waarvan het jachtrecht door een andere jachtrechthouder wordt uitgeoefend, tenzij na schriftelijk akkoord van de betrokken jachtrechthouder.

In het eerste lid wordt verstaan onder jachtkansel: iedere constructie of iedere inrichting, met inbegrip van al dan niet ingerichte bomen, die het mogelijk maakt wild te schieten vanaf een punt dat ligt boven het normale niveau van de grond.

8

Een organisator van jacht of bestrijding besteedt bij het uitoefenen van de activiteit bijzondere aandacht aan de veiligheid van de activiteit en aan de verenigbaarheid ervan met activiteiten van andere gebruikers van het buitengebied.

De organisator van een drukjacht of een drijfjacht op grof wild of zijn aangestelde neemt de volgende maatregelen: 1° met het oog op de verenigbaarheid met andere activiteiten worden waarschuwingsborden voor de activiteit geplaatst aan de toegangen van het gebied waarin de actie plaatsvindt.De borden worden uiterlijk op de dag die voorafgaat aan de dag waarop de activiteit plaatsvindt, geplaatst en ze worden uiterlijk een uur na het einde van de activiteit verwijderd. Het model van het aankondigingsbord wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap;

2° met het oog op een betere gebiedsgerichte samenwerking om de efficiëntie van een drukjacht of drijfjacht op grof wild te verhogen, nodigt de organisator van de drukjacht of drijfjacht minstens vijf dagen voor de actie de jachtrechthouders of WBE's die een jachtterrein hebben dat paalt aan het jachtterrein van de organisator, uit voor een overleg.De schriftelijke neerslag van dat overleg wordt gevoegd bij de melding van de actie aan de provinciale dienst van het agentschap en aan de burgemeester van het grondgebied waarop de activiteit plaatsvindt; 3° met het oog op de verenigbaarheid van drukjacht en drijfjacht op grof wild met andere activiteiten brengt de organisator minstens drie werkdagen voor de aanvang van de activiteit de provinciale dienst van het agentschap en de burgemeester van het grondgebied waarop de activiteit plaatsvindt, op de hoogte van de activiteit. 10, derde lid, 5°, 6°

Met behoud van de toepassing van het eerste en het tweede lid is het voor het uitoefenen van elke vorm van jacht of van bestrijding verboden om de volgende soorten munitie te gebruiken: 5° loodhagel;6° zinkhagel. 13, vierde lid

De kastvallen of kooivallen worden geïdentificeerd met een weersbestendig plaatje waarop het jachtverlofnummer van de plaatser van de val en het telefoonnummer van de provinciale dienst van het agentschap leesbaar vermeld staan.

19

Voor elk geschoten dier bezorgt de jachtrechthouder of de daarvoor aangestelde verantwoordelijke van de WBE binnen een maand na het verstrijken van het kwartaal waarin het afschot werd vervuld, een ingevuld papieren of elektronisch meldingsformulier aan het agentschap.

Het agentschap bezorgt de gegevens binnen een maand aan het instituut voor verwerking en rapportering.

Het papieren meldingsformulier wordt in tweevoud ingevuld. Het eerste exemplaar wordt naar het agentschap gestuurd en een tweede exemplaar blijft in het bezit van de jachtrechthouder of van de daarvoor aangestelde verantwoordelijke van de WBE;

Wie het elektronische formulier invult en opstuurt, krijgt automatisch een ontvangstmelding.

Het model van het papieren en het elektronische meldingsformulier wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.

20

Voor de controle van en het onderzoek naar het afschot wordt van elk specimen de linker onderkaak bewaard en ter beschikking gesteld van het agentschap of het instituut tot twee maanden na het verstrijken van het kwartaal waarin het afschot werd vervuld. De onderkaak wordt daarbij onmiddellijk na het afschot gemerkt met het daarvoor bestemde label dat het agentschap heeft uitgereikt.

25, § 1, eerste lid, 5°, eerste zin

§ 1. De gewone jacht op overig wild mag alleen worden uitgeoefend met de volgende middelen: 5° kastvallen waarvan de bovenkant bestaat uit ondoorzichtig materiaal. 25, § 1, eerste lid, 6°, eerste zin

§ 1. De gewone jacht op overig wild mag alleen worden uitgeoefend met de volgende middelen: 6° kooivallen, waarvan de bovenkant bestaat uit ondoorzichtig materiaal. 29

Bijzondere jacht wordt door een jachtrechthouder bij het agentschap gemeld met een papieren of elektronisch meldingsformulier waarvan het model wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking wordt gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.

Het meldingsformulier wordt naar het agentschap gestuurd op een van de volgende wijzen: 1° met een aangetekende brief;2° per e-mail;3° via elektronische indiening. De melding bevat de volgende informatie: 1° informatie over de locatie waarvoor bijzondere jacht wordt gemeld;2° een motivering van het type en de vermoedelijke omvang van de schade die de jachtrechthouder wil voorkomen of beperken, of de natuurwaarden en ecologische processen die hij beoogt te vrijwaren;3° informatie over de preventieve of schadebeperkende maatregelen die voor de melding genomen zijn. 30

De bijzondere jacht mag op zijn vroegst een aanvang nemen 24 uur na de melding.

Het agentschap is gemachtigd toezicht uit te oefenen op de aangemelde bijzondere jacht. Het agentschap kan met een gemotiveerde beslissing te allen tijde de bijzondere jacht beperken of verbieden.

Als bijzondere jacht beoogd wordt met betrekking tot soorten die zijn opgenomen in een soortenbeschermingsprogramma ter uitvoering van artikel 26 het Soortenbesluit van 15 mei 2009 of in een beheerregeling ter uitvoering van artikel 28 het Soortenbesluit van 15 mei 2009, blijkt uit de melding dat er rekening is gehouden met dat soortenbeschermingsprogramma of die beheerregeling.

34

Voor elk geschoten dier bezorgt de jachtrechthouder of de daarvoor aangestelde verantwoordelijke van de WBE binnen een maand na het verstrijken van het kwartaal waarin het afschot werd vervuld, een ingevuld papieren of elektronisch meldingsformulier aan het agentschap.

Het agentschap bezorgt de gegevens binnen een maand aan het instituut voor verwerking en rapportering.

Het papieren meldingsformulier wordt in tweevoud ingevuld. Het eerste exemplaar wordt naar het agentschap gestuurd en een tweede exemplaar blijft in het bezit van de jachtrechthouder of van de daarvoor aangestelde verantwoordelijke van de WBE. Wie het elektronische formulier invult en opstuurt, krijgt automatisch een ontvangstmelding.

Het model van het papieren en het elektronische meldingsformulier wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.

42

Bestrijding wordt door een eigenaar of grondgebruiker aan het agentschap gemeld met een papieren of elektronisch meldingsformulier waarvan het model wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking wordt gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.

Het meldingsformulier wordt naar het agentschap gestuurd op een van de volgende wijzen: 1° met een aangetekende brief;2° per e-mail; 3 via elektronische indiening.

De melding bevat de volgende informatie: 1° informatie over de locatie waarvoor bestrijding wordt gemeld;2° een motivering van het type en de omvang van de schade die de eigenaar of de grondgebruiker heeft geleden;3° informatie over de preventieve of schadebeperkende maatregelen die voor de melding genomen zijn. De melding kan betrekking hebben op afzonderlijke activiteiten of op een activiteitenkalender.

43

De bestrijding mag op zijn vroegst een aanvang nemen op een van volgende tijdstippen: 1° 24 uur na het verrichten van de melding.In de 24 uur tussen melding en aanvang van de bestrijding zit een halve werkdag vervat. 2° zodra het agentschap een ontvangstbevestiging bezorgt waarbij wordt meegedeeld dat de bestrijding wordt toegestaan. Het agentschap is gemachtigd toezicht uit te oefenen op de aangemelde bestrijding. Het agentschap kan met een gemotiveerde beslissing te allen tijde de bestrijding beperken of verbieden.

Ingeval de bestrijding van grof wild door het agentschap niet verboden wordt, voorziet het agentschap voor elk specimen een uniek label.

Als bestrijding beoogd wordt van soorten die zijn opgenomen in een soortenbeschermingsprogramma ter uitvoering van artikel 26 van het Soortenbesluit van 15 mei 2009 of in een beheerregeling ter uitvoering van artikel 28 van het Soortenbesluit van 15 mei 2009, blijkt uit de melding dat er rekening is gehouden met dat soortenbeschermingsprogramma of die beheerregeling.

47

Voor elk geschoten dier bezorgt de jachtrechthouder of de daarvoor aangestelde verantwoordelijke van de WBE binnen een maand na het verstrijken van het kwartaal waarin het afschot werd vervuld, een ingevuld papieren of elektronisch meldingsformulier aan het agentschap.

Het agentschap bezorgt de gegevens binnen een maand aan het instituut voor verwerking en rapportering.

Het papieren meldingsformulier wordt in tweevoud ingevuld. Het eerste exemplaar wordt naar het agentschap gestuurd en een tweede exemplaar blijft in het bezit van de jachtrechthouder of van de daarvoor aangestelde verantwoordelijke van de WBE. Wie het elektronische formulier invult en opstuurt, krijgt automatisch een ontvangstmelding.

Het model van het papieren en het elektronische meldingsformulier wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.

57

De jachtrechthouders of medejachtrechthouders, de grondeigenaars, de grondgebruikers en de door de jachtrechthouders aangestelde bijzondere veldwachters mogen, voor het natuurbeheer en na melding aan het agentschap, eieren van Canadese ganzen en de grauwe ganzen schudden, rapen of vernielen.

De personen, vermeld in het eerste lid, mogen, na melding aan het agentschap, de grauwe gans en de Canadese gans voor het natuurbeheer doden of laten doden: 1° met vuurwapens; 2° door afvangen met behulp van netten tijdens de periode van 1 juni tot en met 14 juli. In het geval, vermeld in het tweede lid, 1°, zijn de personen, vermeld in het eerste lid, met uitzondering van de door de jachtrechthouder aangestelde bijzondere veldwachters, in het bezit van een geldig jachtverlof.

De acties, vermeld in het eerste en tweede lid, worden gemeld met een papieren of elektronisch meldingsformulier waarvan het model wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking wordt gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.

Het meldingsformulier wordt naar het agentschap gestuurd op een van de volgende wijzen: 1° met een aangetekende brief;2° per e-mail;3° via elektronische indiening. 58

Uiterlijk op 1 april van elk jaar wordt aan het agentschap gerapporteerd over de dieren die in het afgelopen kalenderjaar op grond van de bepalingen van dit hoofdstuk werden gedood. Die rapportage heeft betrekking op de aantallen van de dieren die gedood werden, alsook op het tijdstip en de locatie ervan.

De rapportering wordt gedaan met een papieren of elektronisch rapporteringsformulier waarvan het model wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking wordt gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.

Het rapporteringsformulier wordt naar het agentschap gestuurd op een van de volgende wijzen: 1° met een aangetekende brief;2° per e-mail;3° via elektronische indiening. 65, tweede en derde lid

Degene die belast is met het uitbroeden van de eieren en het opkweken van de jongen, meldt het aantal nesten, het aantal eieren en het aantal opgekweekte jongen aan het agentschap met behulp van een papieren of elektronisch meldingsformulier waarvan het model wordt opgesteld door het agentschap en ter beschikking wordt gesteld op de website www.natuurenbos.be van het agentschap.

Het meldingsformulier wordt uiterlijk op 1 juli naar het agentschap gestuurd op een van de volgende wijzen: 1° met een aangetekende brief;2° per e-mail;3° via elektronische indiening.

Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.

Brussel, 3 juli 2015.

De minister-president van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, J. SCHAUVLIEGE

Bijlage 12 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu Bijlage XXIV bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Bijlage XXIV. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:

Artikel

Wettelijke verplichting

14

De houder van een vergunning deelt elke substantiële wijziging in een vergunnings-criterium, vermeld in artikelen 9 en 10, onmiddellijk met een aangetekende brief mee aan de Vlaamse Regering.

16

De houder van een vergunning dient jaarlijks met een aangetekende brief een rapport in bij de Vlaamse Regering met een overzicht van de in het voorbije jaar verrichte activiteiten, en een overzicht van de in het eerstvolgende jaar geplande activiteiten. Als er in het voorbije jaar geen activiteiten verricht zijn, of in het eerstvolgende jaar geen activiteiten gepland zijn, is de vergunninghouder niet ontslagen van zijn verplichting om dat in een jaarlijks rapport aan de Vlaamse Regering te melden. Het jaarlijkse rapport wordt ingediend uiterlijk voor het einde van de derde maand nadat een jaarlijkse periode verstreken is vanaf de datum van het besluit van de Vlaamse Regering waarbij de vergunning verleend is.

20, eerste lid, eerste volzin

Een vergunning kan pas worden overgedragen, inclusief het overdragen dat volgt uit wijzigingen in de vennootschapsstructuur, na de schriftelijke toestemming van de Vlaamse Regering.

45, eerste lid, eerste volzin

De exploitant informeert de Vlaamse Regering over alle geplande wijzigingen in de exploitatie van een opslaglocatie, met inbegrip van wijzigingen in verband met de exploitant.

47, § 2, tweede lid

De exploitant houdt een register bij van de hoeveelheden en kenmerken van de geleverde en geïnjecteerde koolstofdioxidestromen, met inbegrip van hun samenstelling.

49

Elk jaar, of, als de Vlaamse Regering dat in het kader van een bepaalde opslagvergunning nodig acht, met een hogere frequentie, dient de exploitant de volgende gegevens in bij de minister: 1° alle resultaten van de monitoring overeenkomstig artikel 48 tijdens de verslagperiode, met inbegrip van de informatie over de gebruikte monitoringstechnologie; 2° de hoeveelheden en kenmerken van de tijdens de verslagperiode geleverde en geïnjecteerde koolstofdioxidestromen, met inbegrip van de samenstelling van deze stromen, zoals geregistreerd overeenkomstig artikel 47, § 2, tweede lid; 3° het bewijs dat een financiële zekerheid of een gelijkwaardige voorziening is gesteld en aangehouden wordt overeenkomstig artikel 57 en artikel 43, 9° ; 4° alle andere informatie die de minister als relevant beschouwt om de naleving van de opslagvergunningsvoorwaarden te beoordelen en om de kennis te vergroten over het gedrag van het koolstofdioxide in de opslaglocatie.

51, § 1, eerste lid, eerste deel van de eerste volzin

Bij lekkages of significante onregelmatigheden stelt [...] de exploitant de minister onmiddellijk met een aangetekende brief in kennis (...)

51, § 1, eerste lid, laatste volzin

In geval van lekkages en significante onregelmatigheden die een lekkagerisico inhouden, stelt de exploitant ook de afdeling van het departement Leefmilieu, Natuur en Energie, bevoegd voor luchtverontreiniging, daarvan in kennis.

Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.

Brussel, 3 juli 2015.

De minister-president van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, J. SCHAUVLIEGE

Bijlage 13 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu Bijlage XXIX bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Bijlage XXIX. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Enig artikel. Het niet-voldoen aan de onderstaande wettelijke verplichtingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2002 houdende de werkwijze en de voorwaarden inzake de openbare verkopingen van hout en andere bosproducten afkomstig uit openbare bossen, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:

Artikel

Wettelijke verplichting

19

§ 1. De koper zal de naam en het adres van de exploitant(en) aan de aangestelde meedelen voordat die aanvangen met werken. § 2. Als de exploitant de velling of ruiming aanvangt of hervat, verwittigt hij de aangestelde daarvan minstens twee werkdagen op voorhand. § 3. De exploitanten of hun aangestelden moeten, voor ze aanvangen met werken, het lot bezichtigen samen met de aangestelde.

20

Iedereen die hout velt, bewerkt, ruimt of vervoert, moet in het bezit zijn van een kapvergunning of een afschrift ervan. Die vergunning moet steeds voorgelegd kunnen worden aan de aangestelde als die laatste daar om vraagt.

21

§ 1. De exploitant is verplicht tijdens de exploitatie de nodige voorzorgsmaatregelen te treffen opdat geen vermijdbare schade aan de voorbehouden bomen, de aanplantingen en natuurlijke zaailingen, de vegetatie, de bodem, de uitrusting en alle andere aanhorigheden van het bos kan ontstaan. § 2. De exploitant is verplicht de exploitatie te verrichten in overleg met de aangestelde. Die kan aanvullende richtlijnen geven en uitzonderingen toestaan op de artikelen 22, 23, § 1, 29, 32, 34 en 35. Telkens als de exploitatie niet zonder schade kan gebeuren, zal de aangestelde geraadpleegd worden. De aangestelde moet zo spoedig mogelijk verwittigd worden bij schade ingevolge exploitatie.

22

§ 1. De exploitatie moet zo gebeuren dat de wegen en parkeerplaatsen vrij blijven. § 2. Slagbomen moeten na elke doorgang worden gesloten.

De wegversperringen, slagbomen of palen moeten na verwijdering worden teruggeplaatst. Het is verboden met voertuigen naast de wegversperringen, slagbomen of palen te rijden. § 3. Afrasteringen moeten zo spoedig mogelijk gesloten en, indien nodig, hersteld worden. § 4. Alleen voertuigen die nodig zijn voor het vellen of ruimen, mogen de boswegen verlaten.

23

§ 1. De koper is op basis van artikel 71 van het Bosdecreet verplicht alle gemerkte bomen te vellen en te ruimen. § 2. Voor zover in de bijzondere verkoopvoorwaarden een afwijking is bepaald op de exploitatietermijn kan een gemotiveerde schriftelijke aanvraag tot uitstel, ten minste 14 dagen op voorhand, gericht worden aan het hoofd van het Agentschap voor Natuur en Bos of zijn gedelegeerde, die aanvullende voorwaarden kan opleggen. Louter door zijn aanvraag verplicht de koper zich tot het betalen van de door het Agentschap voor Natuur en Bos vastgestelde vergoeding, overeenkomstig artikel 45.

Als de exploitant door overmacht of uitzonderlijke omstandigheden niet bij machte is de exploitatie binnen de vooropgestelde termijn uit te voeren, kan het hoofd van het Agentschap voor Natuur en Bos of zijn gedelegeerde beslissen de in artikel 45 vastgestelde vergoeding niet aan te rekenen.

25

Als de exploitant bomen wil laten vallen op of ruimen over aangrenzende terreinen, moet hij zelf daarover een overeenkomst sluiten met de eigenaar van deze terreinen.

26

§ 1. Bomen die met een pijl zijn gemerkt, moeten geveld worden in de richting van de pijl. De aangestelde moet vooraf verwittigd worden van de velling. § 2. Bomen of kruinen, gemerkt met de letter "V", moeten gespaard worden, zelfs indien ze met de hamer gemerkt zijn. Ze moeten onaangeroerd blijven. Bij twijfel zal de aangestelde geraadpleegd worden. § 3. Bomen die met de letter "K" zijn gemerkt moeten voor de velling onttakt worden. Ze zullen in de catalogus worden vermeld.

27

Als geen afwijkingen vermeld zijn in de bijzondere voorwaarden, moeten bij andere kappingen dan die van hakhout, de bomen op maximaal 10 cm boven het maaiveld afgezaagd worden. De stronken moeten goed zichtbaar zijn en blijven eigendom van de verkoper.

28

Een boom die aan de stamvoet werd ingezaagd, moet zonder enig uitstel worden geveld. Afgezaagde bomen die blijven hangen moeten zo spoedig mogelijk tegen de grond worden getrokken. De verantwoordelijkheid voor dergelijke bomen berust bij de exploitant.

29

§ 1. Het is verboden bomen met hun kruin in verjongingsgroepen te doen vallen. Als dat, ondanks de genomen voorzorgsmaatregelen, toch zou gebeuren, moeten de kruinen onmiddellijk volledig opgewerkt en opgeruimd worden. § 2. Het is verboden bomen te doen vallen op de voet-, fiets- en ruiterpaden of in vijvers of waterlopen. Als dat, ondanks de genomen voorzorgsmaatregelen, toch zou gebeuren, moeten de bomen onmiddellijk volledig opgewerkt en opgeruimd worden, om de paden, de wegen, de grachten en de vijvers vrij te maken.

32

Na de velling moeten de takken worden gespreid zodat ze de groei van de verjonging niet hinderen. Takken en twijgen mogen niet in waterlopen, vijvers of weiden en andere boomvrije plaatsen blijven liggen. Ze moeten minstens twee meter van wegen, parkings en andere boomvrije plaatsen en brandsingels verwijderd worden.

33

Bij de ruiming moeten die tractoren of tuigen gebruikt worden die door hun gewicht, hun afmetingen of hun werkwijze de minste schade aan het bosbestand, de flora, de fauna of de bodem veroorzaken. Daartoe moet de koper of exploitant voor de aanvang van de exploitatie zijn tuigen of tractoren laten goedkeuren door de aangewezen ambtenaar.

34

§ 1. Het ruimen naar de wegen moet langs het minst schadelijke tracé gebeuren. De aangestelde kan een verplicht te volgen tracé opleggen.

Het opgelegde tracé kan ook in de catalogus vermeld staan. § 2. De lading en/of de lengte van de getrokken stamstukken moeten aangepast zijn aan het gebruikte ruimingsmiddel en aan de terreinomstandigheden. § 3. Het is verboden diepe rij- of sleepsporen te maken. Als dat, ondanks de genomen voorzorgsmaatregelen, toch zou gebeuren, moet de beschadigde bodem hersteld worden volgens de aanwijzingen van de aangestelde.

35

§ 1. Het is verboden te rijden of te ruimen door andere kavels dan die waarvoor men een kapvergunning heeft, door bestanden die niet in exploitatie zijn, door verjongingsgroepen, beken en afvoergeulen, of weiden. § 2. Kruinen of samenhangende delen ervan, mogen niet als geheel worden geruimd.

36

Het laten slippen van de wielen tijdens het ruimen is verboden.

37

De aangestelde wijst de stapelplaatsen aan. Het is verboden stammen of hout op andere plaatsen te stapelen. De stapelplaatsen kunnen eveneens in de catalogus vermeld worden.

38

Het transport van het hout zal gebeuren langs de wegen en plaatsen, aangegeven door de aangestelde, zoals bepaald in artikel 70 van het Bosdecreet.

39

De snelheid van gemotoriseerde voertuigen en werktuigen is in het bos en op de boswegen beperkt tot 30 km/uur.

Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.

Brussel, 3 juli 2015.

De minister-president van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, J. SCHAUVLIEGE

Bijlage 14 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu Bijlage XXXI bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Bijlage XXXI. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 met betrekking tot soortenbescherming en soortenbeheer, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk:

Artikel

Wettelijke verplichting

47

Ten aanzien van erkende vogelhoudersverenigingen gelden de volgende administratieve verplichtingen: 1° ze houden een gegevensbestand bij van de door hen verstrekte gesloten pootringen.Daarin is ten minste de volgende informatie opgenomen: het aantal afgeleverde ringen per verschillend ringtype, de datum van afgifte, de namen en adressen van de personen aan wie de ringen zijn afgeleverd; 2° ze sturen elk jaar, uiterlijk op 30 april, per provincie, de volgende gegevens naar de provinciale hoofden van het agentschap: a) een lijst met vermelding van het aantal verstrekte gesloten pootringen, evenals de namen en adressen van de vogelhouders die bij de vereniging gesloten pootringen hebben besteld.Die lijst heeft betrekking op de periode van 1 januari tot en met 31 december van het voorafgaande kalenderjaar; b) een overzicht met vermelding van naam, adres en lidnummer van hun leden die specimens onder zich hebben van vogelsoorten die voorkomen op een daartoe door de minister bepaalde lijst, als vermeld in artikel 46, § 1. 48

Ten aanzien van individuele vogelhouders en vogelhandelaars die specimens onder zich hebben van vogelsoorten die voorkomen op een door de minister bepaalde lijst, als vermeld in artikel 46, § 1, gelden de volgende administratieve verplichtingen: 1° ze houden een overzichtslijst bij voor elk kalenderjaar waarin ze specimens van die soorten onder zich hebben, met de volgende gegevens: a) een overzicht van de specimens van die soorten die ze onder zich hebben;b) als specimens werden aangekocht of op een andere wijze werden verworven: de datum van verwerving en bij wie die specimens werden verworven;c) als specimens werden verkocht of op een andere wijze werden afgestaan: de datum van afstand en aan wie die specimens zijn afgestaan;2° ze sluiten die overzichtslijst jaarlijks af op 31 december van het kalenderjaar waarop de lijst betrekking heeft, en vervolgens delen ze mee dat ze voor dat jaar een dergelijke lijst afgesloten hebben aan: a) de erkende vogelhoudersvereniging waarvan ze lid zijn, uiterlijk op 28 februari.b) het provinciale hoofd van het agentschap voor Natuur en Bos, uiterlijk op 30 april, als ze geen lid zijn van een erkende vogelhoudersvereniging.3° ze houden die overzichtslijsten tot vijf jaar na het afsluiten ervan in hun bezit, met het oog op controle door de personen die belast zijn met het toezicht op dit besluit. 51, eerste lid

Zangwedstrijden, tentoonstellingen of andere openbare activiteiten met specimens van soorten, als vermeld in artikel 41 of 49, moeten minstens één week op voorhand worden gemeld aan het provinciale hoofd van het agentschap van de provincie waar de zangwedstrijd, tentoonstelling of activiteit plaatsvindt.

Bijlage 3

(...) De bestrijding mag tevens worden uitgevoerd door de volgende personen, op voorwaarde van een schriftelijke toestemming van de eigenaar, de verhuurder of de exploitant of grondgebruiker: 1° de houders van het jachtrecht van het terrein waar de bestrijding plaatsvindt;2° de bijzondere veldwachters zoals bedoeld in het Veldwetboek van 7 oktober 1886;3° de houders van een geldig jachtverlof. De bestrijding mag worden uitgevoerd na melding van de intentie tot bestrijding aan de burgemeester van de gemeente waar de bestrijding zal plaatsvinden en aan het provinciale hoofd van het agentschap. Deze melding moet voldoen aan de volgende modaliteiten: 1° de melding moet gebeuren per brief of per fax;2° uit de melding moet duidelijk blijken dat is voldaan aan de voorwaarden van deze bijlage, inzonderheid inzake het zonder bevredigend resultaat toegepast hebben van andere mogelijke oplossingen en inzake de voorgenomen bestrijdingsmiddelen en -wijzen;3° indien men niet de eigenaar of de grondgebruiker is van het terrein waar men wil bestrijden moet een schriftelijke toestemming van de eigenaar aan de aanvraag worden toegevoegd;4° de melding moet plaatsvinden minstens 24 uur vooraleer de bestrijding zal aanvangen;5° de melding kan betrekking hebben op afzonderlijke bestrijdingsactiviteiten of op een bestrijdingskalender.De duur van de gemelde bestrijding kan echter maximaal een jaar bedragen; 6° de melding moet vergezeld zijn van een kaart op een schaal van 1: 10.000, waarop de locatie waar de bestrijding zal plaatsvinden precies moet worden aangeduid. De bestrijding moet plaatsvinden op een locatie die voor de ambtenaren bevoegd met het toezicht op het besluit betreedbaar is zonder toestemming tot huiszoeking of huiszoekingsbevel; 7° zij moet gebeuren door middel van een standaardmeldingsformulier, ter beschikking gesteld door het agentschap;8° het agentschap zal nagaan of de voorwaarden om tot bestrijding te mogen overgaan vervuld zijn. (...) Na afloop van een afzonderlijke bestrijdingsactiviteit, ofwel na afloop van de uitvoering van een aangemelde bestrijdingskalender, moet aan het provinciale hoofd van het agentschap worden gemeld hoeveel exemplaren werden gedood, door middel van een standaardmeldingsformulier, ter beschikking gesteld door het agentschap. (...)


Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.

Brussel, 3 juli 2015.

De minister-president van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, J. SCHAUVLIEGE

Bijlage 15 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu Bijlage XXXII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Bijlage XXXII. - Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende bijkomende algemene en sectorale milieuvoorwaarden voor GPBV-installaties, wordt beschouwd als milieu-inbreuk:

Artikel

Wettelijke verplichting

2.3.2

Als artikel 30bis, § 10, 2°, van titel I van het VLAREM wordt toegepast, bezorgt de exploitant aan de vergunningverlenende overheid die in eerste aanleg bevoegd is ten minste jaarlijks en uiterlijk voor 15 maart van elk kalenderjaar, een overzicht van de resultaten van de monitoring van emissies, met dezelfde periode en onder dezelfde referentieomstandigheden, zoals bepaald is voor de BBT-GEN, zodat een vergelijking mogelijk is met die BBT-GEN.

2.3.3

Met behoud van de toepassing van artikel 4.1.4.2 van titel II van het VLAREM, brengt de exploitant de toezichthouder regelmatig en ten minste jaarlijks op de hoogte van de informatie die wordt verkregen op basis van de resultaten van de monitoring van emissies die dit besluit of de milieuvergunning heeft opgelegd, en van andere vereiste gegevens aan de hand waarvan de toezichthouder de naleving van de vergunningsvoorwaarden kan toetsen.

2.3.4, eerste volzin

De exploitant bezorgt op verzoek van de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, alle gegevens die voor de toetsing van de vergunningsvoorwaarden, vermeld in artikel 41bis van titel I van het VLAREM, noodzakelijk zijn, waaronder met name de resultaten van de monitoring van emissies en andere gegevens die een vergelijking mogelijk maken van de werking van de installatie met de BBT zoals beschreven in de toepasselijke BBT-conclusies en met de BBT-GEN. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juli 2015 tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 oktober 2014 betreffende de aanstelling van de leden van de Vlaamse Hoge Handhavingsraad voor Ruimte en Milieu.

Brussel, 3 juli 2015.

De minister-president van de Vlaamse Regering, G. BOURGEOIS De Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw, J. SCHAUVLIEGE

^