Besluit Van De Waalse Regering van 03 december 1998
gepubliceerd op 27 januari 1999

Besluit van de Waalse Regering tot uitvoering van het decreet van 5 juni 1997 betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de « Conseil wallon du troisième âge »

bron
ministerie van het waalse gewest
numac
1999027003
pub.
27/01/1999
prom.
03/12/1998
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

23 DECEMBER 1998. - Besluit van de Waalse Regering tot uitvoering van het decreet van 5 juni 1997 betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de « Conseil wallon du troisième âge » (Waalse Raad voor de Derde Leeftijd)


De Waalse Regering, Gelet op het decreet van 5 juni 1997 betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de « Conseil wallon du troisième âge »;

Gelet op het koninklijk besluit van 2 mei 1972 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor het verkeer van toelagen voor het bouwen of het verbouwen van rustoorden voor bejaarden;

Gelet op het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 10 juli 1984 tot vaststelling van de normen waaraan de rusthuizen voor bejaarden moeten beantwoorden, gewijzigd bij de besluiten van 6 december 1989 en 13 september 1991;

Gelet op het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 10 juli 1984 tot vaststelling van de procedure betreffende de voorlopige werkingsmachtiging, tot erkenning, tot weigering en tot erkenningsintrekking en tot sluiting van de instellingen bedoeld bij artikel 1 van het decreet van 10 mei 1984 betreffende rusthuizen voor bejaarden, gewijzigd bij het besluit van 3 september 1990;

Gelet op het besluit van Franse Gemeenschapsexecutieve van 24 april 1989 tot vaststelling van de veiligheidsnormen waaraan de rusthuizen voor bejaarden moeten voldoen, gewijzigd bij het besluit van 9 juli 1991;

Gelet op het besluit van Franse Gemeenschapsexecutieve van 20 december 1990 betreffende het minimumpeil van nuttige kennis van het beheren van rusthuizen voor bejaarden;

Gelet op het besluit van Franse Gemeenschapsexecutieve van 29 april 1991 tot regeling, bij wijze van proef, van de erkenning en de betoelaging van de diensten voor dagopvang van bejaarden;

Gelet op het besluit van Franse Gemeenschapsexecutieve van 27 juli 1992 tot vaststelling van de modaliteiten voor het verlenen van het principieel akkoord bedoeld bij artikel 2bis van het decreet van 10 mei 1984 betreffende de rusthuizen voor bejaarden, gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 1 februari 1996;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 20 februari 1998;

Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting, gegeven op 26 februari 1998;

Gelet op het advies van de « Conseil consultatif du troisième âge » (Raad van Advies voor de Derde Leeftijd) van 16 april 1998;

Gelet op het advies van de « Conseil supérieur des Villes, Communes et Provinces de la Région wallonne » (Hoge Raad voor Steden, Gemeenten en Provincies van het Waalse Gewest) van 21 april 1998;

Gelet op de kennisgeving aan de Europese Commissie van de normen opgenomen in bijlage I bij dit besluit;

Gelet op de beraadslaging van de Regering van het Waalse Gewest, op 9 juli 1998, over de aanvraag om advies van de Raad van State binnen één maand;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 28 oktober 1998, op grond van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van de Minister van Sociale Actie, Huisvesting en Gezondheid, Besluit :

Artikel 1.Dit besluit regelt, overeenkomstig artikel 138 van de Grondwet, een materie bedoeld in artikel 128, § 1, van de Grondwet.

Het is van toepassing op het grondgebied van het Franse taalgebied. HOOFDSTUK I. - Begripsomschrijvingen

Art. 2.In de zin van dit besluit wordt verstaan onder : - decreet : het decreet van 5 juni 1997 betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de « Conseil wallon du troisième âge »; - Minister : de Minister van Sociale Actie; - bestuur : het Directoraat-Generaal Sociale Actie en Gezondheid van het Ministerie van het Waalse Gewest; - afgevaardigd ambtenaar : de ambtenaar-generaal die door de Minister is aangesteld om de daden voorzien door het decreet en dit besluit te stellen. HOOFDSTUK II. - Reclame voor de rustoorden, serviceflats en dagcentra voor bejaarden

Art. 3.In de reclame waarmee het publiek ingelicht wordt over een rustoord, een serviceflat of een dagcentrum moeten de volgende gegevens verplicht worden opgenomen : - de naam en het adres van de inrichting en het nummer van de erkenning of van de voorlopige, door het Waalse Gewest afgeleverde werkingsmachtiging; - de rechtsvorm, het adres en de juiste identiteit van de beheerder; - het aantal bedden als het om een rustoord gaat, het aantal woningen als het om een serviceflat gaat of het aantal plaatsen als het om een dagcentrum gaat.

In de schriftelijke inlichtingen die aan de kandidaat-bewoner of aan diens vertegenwoordiger worden verstrekt, moeten de volgende gegevens verplicht worden opgenomen : - de naam, het adres van de inrichting en het nummer van de erkenning of van de voorlopige, door het Waalse Gewest afgeleverde werkingsmachtiging; - de rechtsvorm, het adres en de juiste identiteit van de beheerder.

Bovendien moeten de volgende gegevens worden vermeld : - als het om een rustoord gaat : - het aantal bedden en de verdeling ervan per kamer; - de dag- of maandprijs volgens het type gekozen of aangeboden kamer; - de supplementen en de prijs ervan; - als het om een serviceflat gaat : - het aantal woningen; - de maandprijs volgens het type woning; - de aan de bejaarden aangeboden diensten en de prijs ervan; - de functionele band met de rustoorden, de rust- of verzorgingshuizen of elke andere dienst of inrichting. - als het om een dagcentrum gaat : - het aantal opvangplaatsen; - de opvangprijs per dag en de eventuele supplementen; - de praktische band met een rustoord of een rust- of verzorgingshuis; - de aan de bewoners voorgestelde activiteiten; - de openingsdagen en -uren van het centrum.

Tegelijk met voorgaande inlichtingen worden aan de betrokken personen een afschrift van het huishoudelijk reglement, alsook een standaardexemplaar van de huisvestings- of opvangovereenkomst overhandigd. HOOFDSTUK III. - Programma i.v.m. de vestiging en de omvang van de rustoorden, serviceflats en dagcentra

Art. 4.Het programma betreffende het aantal bedden in de rustoorden wordt voor het geheel van het Waalse Gewest vastgesteld op 6,8 bedden per 100 inwoners die ten minste 60 jaar oud zijn.

De programmering gebeurt per arrondissement, zodat elk arrondissement over 6,3 bedden per 100 inwoners die ten minste 60 jaar oud zijn, kan beschikken.

In dit programma worden ten minste 29 % van de bedden bestemd voor de publieke sector, ten minste 21 % voor de niet-winstgevende particuliere sector en ten hoogste 50 % voor de winstgevende particuliere sector.

Art. 5.Het programma betreffende het aantal individuele woningen in de serviceflats wordt per arrondissement vastgesteld op twee woningen voor 100 bejaarden die ten minste 60 jaar oud zijn.

Bovendien worden in dit programma 40 % van de woningen bestemd voor de publieke sector, 30 % voor de niet-winstgevende particuliere sector en 30 % voor de winstgevende particuliere sector.

Art. 6.Het programma betreffende het aantal opvangplaatsen in de dagcentra wordt per arrondissement vastgesteld op 2 plaatsen voor 1000 bejaarden die ten minste 60 jaar oud zijn.

Bovendien worden in dit programma 40 % van de plaatsen bestemd voor de publieke sector, 30 % voor de niet-winstgevende particuliere sector en 30 % voor de winstgevende particuliere sector. HOOFDSTUK IV. - Toekenning van het principieel akkoord met het oog op de opening en de heropening van een rustoord, een serviceflat of een dagcentrum

Art. 7.Elke aanvraag om het verkrijgen van een principieel akkoord over een project tot opening van een rustoord, een serviceflat of een dagcentrum, of een uitbreiding ervan of een heropening nadat de uitbating onderbroken werd, wordt bij de Minister ingediend. Naast de in artikel 4, § 2, van het decreet bedoelde gegevens moet het aanvraagdossier ook de volgende gegevens bevatten : - de door het bestuur verstrekte identificatievragenlijst, behoorlijk ingevuld en ondertekend; - een omschrijving van het in het vooruitzicht gestelde bouwwerk en diens omgeving, van de opvangscapaciteit en van de mate waarin het voor gehandicapte bejaarden toegankelijk is; - een omschrijving van het opgezette levensproject van de inrichting als het om een rustoord gaat.

Art. 8.Het bestuur behandelt de aanvraag en deelt het volledige dossier, voorzien van zijn opmerkingen, mee aan de « Conseil wallon du troisième âge » binnen een termijn van drie maanden. Die termijn gaat in zodra de ingediende aanvraag volledig is. Binnen twee maanden brengt de Raad advies uit aan de Minister, die binnen de maand beslist.

Art. 9.Indien het bestuur aan de beheerder meedeelt dat het principieel akkoord geweigerd wordt, moet het die beheerder ook meedelen dat hij vanaf de dag waarop hij bovengenoemde mededeling gekregen heeft, over een maand beschikt om daartegen in beroep te gaan.

Zo hij in beroep gaat, wordt het beroepsdossier door de afgevaardigd ambtenaar aangevuld met alle mogelijke nuttige gegevens en documenten.

Binnen een termijn van vijftien dagen maakt hij het dossier aan de Minister over.

Art. 10.Het beroep tegen een beslissing tot weigering om het principieel akkoord te geven wordt bij aangetekend schrijven bij de Minister ingediend. Daarvoor beschikt de indiener van het beroep over één maand vanaf de mededeling van de omstreden beslissing. De Minister legt het beroep aan de Regering voor.

In het beroep moeten volgende gegevens worden vermeld : - de naam, hoedanigheid, woonplaats of zetel van de eisende partij; - het voorwerp van het beroep en een uiteenzetting van de feiten en middelen.

Het beroep wordt aangevuld met een afschrift van de omstreden beslissing.

De Regering beslist binnen een termijn van drie maanden na indiening van het beroep. De Minister deelt de beslissing van de Regering aan de beheerder mee. HOOFDSTUK V. - Erkenning van de rustoorden, serviceflats en dagcentra en voorlopige werkingsmachtiging

Art. 11.De aanvraag om erkenning moet vóór de opening worden ingediend. De aanvraag om verlenging van erkenning moet uiterlijk zes maanden vóór de afloop van de lopende erkenning worden ingediend, in dezelfde vorm en volgens dezelfde procedure als de aanvraag om erkenning.

Art. 12.Om ontvankelijk te zijn, moet de aanvraag om erkenning van een rustoord, een serviceflat of een dagcentrum aan de Minister worden gericht. Bij de aanvraag moeten de volgende documenten worden gevoegd : - een afschrift van de beslissing over het principieel akkoord behalve als het gaat om een aanvraag om verlenging van erkenning; - de door het bestuur verstrekte identificatievragenlijst, behoorlijk ingevuld en ondertekend, en, als de beheerder een privaatrechtelijk rechtspersoon is, moeten de statuten van de vennootschap of van de vereniging zonder winstoogmerk, evenals de lijst van de bestuurders daarbij worden gevoegd; - een plattegrond waarop, per verdieping, de verschillende lokalen, hun afmetingen en bestemming worden vermeld, alsook, per kamer, het aantal voor bejaarden bestemde bedden en, in voorkomend geval, de aangrenzende sanitaire installaties; - een brandveiligheidsattest dat afgeleverd wordt door de burgemeester van de gemeente waar de inrichting of elke site gelegen is, gebaseerd op een verslag van de territoriaal bevoegde brandweer, overeenkomstig het in aanhangsel 1 van bijlage I bedoelde model. Bij gebrek daaraan moet het bewijs worden geleverd dat sinds ten minste twee maanden een aanvraag is ingediend om een veiligheidsattest te krijgen; - de getuigschriften van goed zedelijk gedrag van de directeur en, als het om een natuurlijke persoon gaat, van de beheerder van het rustoord of de serviceflat. Bedoelde getuigschriften mogen ten hoogste zes maanden vóór indiening van de aanvraag zijn afgeleverd. Daarbij moet het bewijs worden gevoegd dat de directeur aan de opleidingsvoorwaarden voldoet die bepaald worden in hoofdstuk 4 van bijlage II bij dit besluit. - wanneer de beheerder een privaatrechtelijk rechtspersoon is, bevat het dossier ook het getuigschrift van goed zedelijk gedrag van de natuurlijke persoon die gemachtigd is om de privaatrechtelijke rechtspersoon te vertegenwoordigen.

Art. 13.Om ontvankelijk te zijn moet de aanvraag om erkenning van een serviceflat bovendien de volgende documenten bevatten : - de lijst van de facultatief aan de bewoners aangeboden diensten en de voorwaarden voor het leveren van die diensten; - een afschrift van de overeenkomst waardoor de functionele band met een rustoord of een rust- of verzorgingshuis vastgesteld wordt, alsook het afschrift van de eventuele overeenkomst met elke andere dienst of inrichting; - de omschrijving van de wijze waarop in de dag- en nachtdienst wordt voorzien zodat in geval van nood bij de bewoners tussenbeide gekomen kan worden. In bedoelde omschrijving moet worden uitgelegd en vermeld, de wijze waarop de bewoners het dienstdoende personeel kunnen oproepen, de kwalificatie van het personeel, de plaats waar het personeelslid met dag- en nachtdienst verblijft en hoe lang het gemiddeld duurt vóór aan de oproep gevolg wordt gegeven.

Art. 14.Uiterlijk binnen zes maanden na de aanvraag om erkenning van het rustoord, de serviceflat of het dagcentrum wordt bedoelde aanvraag aangevuld met : - de standaardovereenkomst voor de huisvesting of de opvang die met de bijlagen II, III of IV overeenstemt; - het huishoudelijk reglement dat met de bijlagen II, III of IV overeenstemt.

Art. 15.Indien alle in de artikelen 12 en 13 bedoelde documenten of gegevens niet bij de aanvraag zijn gevoegd of als het dossier niet binnen de in artikel 14 bedoelde termijn is aangevuld, wordt de aanvrager daar binnen één maand van op de hoogte gebracht.

Art. 16.De Minister verleent een voorlopige werkingsmachtiging aan het rustoord, de serviceflat of het dagcentrum die een ontvankelijke aanvraag om erkenning ingediend hebben en waarvoor : - na inspectie, een advies van het bestuur gegeven is; - een veiligheidsattest dat met het in aanhangsel 1 van bijlage I bedoelde model overeenstemt, door de burgemeester opgemaakt is.

In de voorlopige werkingsmachtiging moeten de datum van inwerkingtreding ervan, de naam en het adres van het rustoord, de serviceflat of het dagcentrum of van de verschillende sites van het rustoord, de huisvestings- of opvangscapaciteit worden vermeld, met inbegrip van de verdiepingen en lokalen waarvoor de machtiging geldt, en de naam en het adres van de beheerder. Binnen vijftien dagen na het verlenen van de machtiging wordt de voorlopige werkingsmachtiging door het bestuur aan de beheerder meegedeeld.

De voorlopige werkingsmachtiging geldt niet eerder dan op de datum waarop de brandweer een inspectiebezoek heeft afgelegd zoals vermeld in het proces-verbaal waarbij wordt vastgesteld dat de inrichting aan de veiligheidsnormen voldoet of dat de opgemerkte gebreken het opstarten van de activiteiten niet verhinderen, op voorwaarde dat op bedoelde datum aan alle andere voorwaarden i.v.m. de toekenning van de voorlopige werkingsmachtiging is voldaan.

Art. 17.Voor rustoorden wordt een voorlopige werkingsmachtiging pas afgeleverd als aan de normen bedoeld in bijlage I en aan de normen bedoeld in hoofdstuk 2, afdelingen 1 en 2, en in de hoofdstukken 3, 4, 5, 6 en 8 van bijlage II is voldaan.

Voor serviceflats wordt een voorlopige werkingsmachtiging pas afgeleverd als aan de normen bedoeld in bijlage I en aan de normen bedoeld in de hoofdstukken 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 9, 10 en 11 van bijlage III is voldaan.

Voor dagcentra wordt een voorlopige werkingsmachtiging pas afgeleverd als aan de normen bedoeld in bijlage I en aan de normen bedoeld in de hoofdstukken 1 en 2, afdelingen 1, 2 en 3 en in de hoofdstukken 3, 4, 5, 6 en 7 van bijlage IV is voldaan.

Art. 18.In het geval bepaald in artikel 7, tweede lid, van het decreet kan de voorlopige werkingsmachtiging worden verlengd mits overlegging van een door de burgemeester afgeleverd veiligheidsattest dat overeenstemt met het model bedoeld in aanhangsel 1 van bijlage I. In dat in de tijd beperkte attest, dat pas gekregen kan worden mits overlegging van een bestek en mits opgave van een begin- en vermoedelijke einddatum voor de vereiste veiligheidswerken moet worden aangestipt dat bedoelde werken binnen de voorziene termijn zullen worden doorgevoerd.

Art. 19.Wanneer het bestuur voorstelt de erkenning te weigeren, in te trekken, te schorsen of niet te verlengen, of de voorlopige werkingsmachtiging in te trekken, deelt het zijn voorstel aan de beheerder mee.

Het bestuur licht hem er ook over in dat hij over een termijn van vijftien dagen na ontvangst van de mededeling beschikt om zijn opmerkingen schriftelijk over te maken.

De afgevaardigd ambtenaar vult het dossier aan met de schriftelijke opmerkingen van de beheerder, met alle nuttige inlichtingen en documenten die hij inwint en met het proces-verbaal van verhoor van de beheerder.

Daartoe wordt de beheerder opgeroepen bij ter post aangetekend schrijven of bij tegen ontvangstbewijs afgegeven schrijven, waarbij plaats en uur waarop het verhoor plaats zal vinden, worden aangegeven.

In de oproepingsbrief wordt vermeld dat de beheerder zich mag laten bijstaan door een raadsman.

De afgevaardigd ambtenaar maakt een verslag op en maakt het dossier binnen vijftien dagen over aan de « Conseil wallon du troisième âge », die advies uitbrengt.

De weigering om te verschijnen of om zijn verdediging uiteen te zetten, wordt in het proces-verbaal van verhoor aangetekend.

Binnen vijftien dagen nadat de « Conseil wallon du troisième âge » advies heeft uitgebracht, legt de afgevaardigd ambtenaar het volledige dossier ter beslissing aan de Minister voor.

Art. 20.Het beroep tegen een beslissing om de erkenning te weigeren, in te trekken, te schorsen of niet te verlengen of de voorlopige werkingsmachtiging in te trekken, wordt binnen één maand na mededeling van de omstreden beslissing bij aangetekend schrijven bij de Minister ingediend. De Minister legt het beroep aan de Regering voor.

In het beroep moeten volgende gegevens worden vermeld : - de naam, hoedanigheid, woonplaats of zetel van de eisende partij; - het voorwerp van het beroep en een uiteenzetting van de feiten en middelen.

Het beroep wordt aangevuld met een afschrift van de omstreden beslissing.

De Regering beslist binnen een termijn van drie maanden na indiening van het beroep. De Minister deelt de door de Regering getroffen beslissing aan de beheerder mee.

Art. 21.In het erkenningsbesluit worden de naam en het adres van het rustoord, de serviceflat of het dagcentrum vermeld, evenals hun huisvestings- of opvangcapaciteit, met inbegrip van de verdiepingen en lokalen waarvoor de machtiging geldig is, naam en adres van de beheerder, de datum van inwerkingtreding en, als de erkenning voor zes jaar is toegekend, de datum waarop de erkenning afloopt.

Bedoeld besluit wordt door het bestuur aan de beheerder meegedeeld binnen vijftien dagen nadat beslist werd de erkenning toe te kennen. HOOFDSTUK VI. - Sluiting om dringende redenen

Art. 22.Wanneer het bestuur overeenkomstig artikel 22 van het decreet een voorstel tot sluiting om dringende redenen aan de Minister voorlegt, moet het hem tegelijkertijd een verslag overmaken waarin gewettigd wordt waarom een rustoord, een serviceflat of een dagcentrum om dringende redenen wordt gesloten, alsook een in recente tijd opgemaakt inspectieverslag en, in voorkomend geval, alle andere nuttige inlichtingen en documenten.

De beslissing tot sluiting wordt onmiddellijk door de Minister aan de beheerder en aan de burgemeester meegedeeld.

Art. 23.Het beroep tegen een beslissing tot sluiting om dringende redenen moet bij aangetekend schrijven bij de Minister worden ingesteld binnen een termijn van vijftien dagen nadat de omstreden beslissing werd meegedeeld.

In het beroep moeten volgende gegevens worden vermeld : - de naam, hoedanigheid, woonplaats of zetel van de eisende partij; - het voorwerp van het beroep en een uiteenzetting van de feiten en middelen.

Het beroep wordt aangevuld met een afschrift van de beslissing tot sluiting.

De Regering beslist binnen een termijn van twee maanden na indiening van het beroep.

Wanneer een beroep wordt ingesteld, roept de Minister de beheerder bij ter post aangetekend schrijven op, met opgave van plaats, datum en uur waarop de beheerder door de afgevaardigd ambtenaar zal worden gehoord.

In de oproepingsbrief wordt vermeld dat de beheerder zich door een raadsman mag laten bijstaan.

De weigering om te verschijnen of zijn verdediging uiteen te zetten, wordt in het proces-verbaal opgetekend. HOOFDSTUK VII. - Bepalingen gemeen aan de hoofdstukken IV, V, VI

Art. 24.De aanvragen om het krijgen van een principieel akkoord, een erkenning of van een verlenging van de erkenning worden door de beheerder aan de Minister gericht bij ter post aangetekend schrijven met ontvangstbewijs of bij hem afgeleverd tegen ontvangstbewijs.

Beslissingen getroffen door de Minister of de Regering in verband met een principieel akkoord, een erkenning, een voorlopige werkingsmachtiging of een sluiting worden bij aangetekend schrijven aan de beheerder gericht.

Art. 25.Het bestuur deelt alle beslissingen betreffende de erkenning, de voorlopige werkingsmachtiging en de sluiting van de rusthuizen mee aan het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering. HOOFDSTUK VIII. - Normen waaraan de rusthuizen, serviceflats en dagcentra voor bejaarden moeten voldoen

Art. 26.De in de bijlagen II, III en IV vastgestelde normen zijn van toepassing respectievelijk op de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden. HOOFDSTUK IX. - Bepalingen betreffende de veiligheidsattesten

Art. 27.De in bijlage I bedoelde normen betreffende de bescherming tegen brandgevaar en paniek zijn van toepassing op de rustoorden, serviceflats en dagcentra voor bejaarden.

Indien de inrichting niet voldoende aan bovenbepaalde veiligheidsnormen beantwoordt, worden alle bepalingen van de reglementering waaraan niet voldaan wordt uitvoerig en nauwkeurig in het veiligheidsattest opgegeven. In alle gevallen voegt de burgemeester bij bovenvermeld attest een afschrift van het verslag van het inspectiebezoek van de territoriaal bevoegde brandweer.

Behalve andersluidende en gemotiveerde beslissing blijft het attest zes jaar geldig.

Art. 28.Om bovenbedoeld attest te krijgen, richt de beheerder van de inrichting bij ter post aangetekend schrijven een aanvraag aan de burgemeester van de gemeente waar de inrichting gelegen is. Deze aanvraag wordt door de burgemeester overgemaakt aan de territoriaal bevoegde brandweer.

Op grond van het verslag dat hem door de brandweer overgemaakt wordt, moet de burgemeester de aanvrager het bovenbedoelde attest bezorgen uiterlijk binnen twee maanden na indiening van de aanvraag.

Art. 29.Elke verbouwing van het gebouw, zoals bepaald in artikel 41, moet vooraf door de territoriaal bevoegde brandweer worden onderzocht en door middel van een attest van de burgemeester van de gemeente waar de inrichting gelegen is, worden goedgekeurd.

Art. 30.§ 1. Op verzoek van de beheerder van een rustoord, een serviceflat of een dagcentrum voor bejaarden kan de Minister na advies van de Inspectie van de brandweerdiensten, opgericht bij artikel 9 van de wet van 31 december 1963 betreffende de civiele bescherming toestaan dat van de normen bedoeld in bijlage I wordt afgeweken. Vóór die afwijking wordt toegestaan, kan er op initiatief van één der partijen overleg worden gepleegd tussen de beheerder en de directie van het rustoord, de serviceflat of het dagcentrum, het bestuur, de burgemeester en de territoriaal bevoegde brandweer.

Deze afwijking kan slechts worden toegestaan als : - het feitelijk onmogelijk is de werken te verrichten die nodig zijn om de inrichting in overeenstemming te brengen met de vigerende normen; - de werken die voor de inachtneming van de normen nodig zouden zijn, kosten met zich zouden brengen die buiten elke verhouding zouden staan tot de mate waarin de veiligheid van het gebouw zou worden verhoogd.

Bij bedoelde afwijking moet rekening worden gehouden met : - de specifieke omstandigheden; - eventuele alternatieve maatregelen waardoor het gebouw een veiligheidsniveau kan bereiken dat overeenstemt met het niveau bedoeld in bijlage I; - de toegangsmogelijkheden voor de voertuigen van de territoriaal bevoegde brandweer. § 2. Indien de uitbating wordt onderbroken, vervallen de afwijkingen die worden toegestaan krachtens dit artikel. HOOFDSTUK X. - Specifieke normen betreffende de opvang en de huisvesting van gedesoriënteerde bejaarden

Art. 31.In de opvang en de huisvesting van gedesoriënteerde bejaarden wordt voorzien overeenkomstig de in hoofdstuk 7 van bijlage II bedoelde normen. HOOFDSTUK XI. - Aanvullende erkenningsnormen waaraan de op verschillende sites gelegen rusthuizen voor bejaarden moeten voldoen

Art. 32.De in artikel 5, § 4, van het decreet bedoelde aanvullende erkenningsnormen waaraan het rusthuis moet voldoen dat op verschillende sites gelegen is, zijn de volgende : 1. Elke site die een eenheid op zich vormt, moet erkend worden of onder een voorlopige werkingsmachtiging vallen die op het tijdstip van de aanvraag om globale erkenning niet vervallen is, of inbegrepen zijn in een ontvankelijke aanvraag om erkenning.2. De verschillende sites moeten in dezelfde gemeente of in aangrenzende gemeenten gelegen zijn;de afstand tussen de sites mag over de rijweg ten hoogste 10 km bedragen. 3. De minimale huisvestingscapaciteit wordt vastgesteld op 10 bedden per site en op 40 bedden voor de sites samen.4. De maximale huisvestingscapaciteit wordt vastgesteld op 100 bedden per site en op 150 bedden voor de sites samen. 5. Op elke site moet 24 uur op 24 een verzorgend personeelslid zoals bedoeld onder punt 10.3 van bijlage II aanwezig zijn. 6. In de werking van het rustoord moet enerzijds worden vermeld hoe lang de directeur en de personeelsleden op elke site aanwezig zijn en anderzijds melding worden gemaakt van de wijze waarop in de dienstcontinuïteit wordt voorzien. 7. Op elke site wordt een oproepregister bijgehouden, waarin de aard van de oproep (oproep van bewoners, bezoekers, medisch of technisch spoedgeval,...), het juiste uur en de tussenkomststermijn voor elke oproep worden vermeld. HOOFDSTUK XII. - Subsidiëring van de dagcentra voor bejaarden

Art. 33.Binnen de perken van de begrotingskredieten kunnen de dagcentra die beheerd worden door een publiekrechtelijk rechtspersoon of een privaatrechtelijk rechtspersoon zonder winstoogmerk en die voor ten minste acht en ten hoogste vijftien opvangplaatsen erkend zijn, een werkingstoelage genieten om de kosten voor personeel, animatie of coördinatie met andere diensten of de evaluatiekosten te dekken.

Er wordt een op 100 frank vastgesteld forfaitair bedrag verleend per dag en per werkelijk aanwezige bewoner die aan de door de Minister bepaalde afhankelijkheidscriteria voldoet.

Het aantal subsidiabele plaatsen wordt door de Minister in het erkenningsbesluit vastgesteld.

De Minister is bevoegd om het forfaitaire bedrag bedoeld in het tweede lid te wijzigen.

Art. 34.De toelage wordt aan het dagcentrum verleend op grond van een schriftelijke aanvraag overeenkomstig het model en binnen de termijnen die door de Minister vastgesteld zijn.

Bij de aanvraag moeten de volgende documenten worden gevoegd : - de aanwezigheidslijst van de bewoners; - een activiteitenverslag over het afgelopen jaar; - de exploitatierekening van de dienst.

De voorwaarden i.v.m. de vereffening van de toelage worden door de Minister vastgesteld. HOOFDSTUK XIII. - Opheffingsbepalingen

Art. 35.Opgeheven worden : - het koninklijk besluit van 12 augstus 1967 tot vaststelling van de voorwaarden in verband met de brandbeveiliging, de verpleging, het geneeskundig toezicht en de beddencapaciteit, waaraan de rustoorden voor bejaarden moeten voldoen om voorlopig erkend te worden; - het koninklijk besluit van 22 maart 1968 betreffende de rechtspleging van erkenning en sluiting van de rustoorden voor bejaarden; - het koninklijk besluit van 20 augustus 1968 houdende aanwijzing van de ambtenaren of beambten van het Ministerie van Volksgezondheid en van het Gezin die belast worden met de opdracht voorzien bij artikel 6 van de wet van 12 juli 1966, op de rustoorden voor bejaarden; - het koninklijk besluit van 2 mei 1972 tot vaststelling van de criteria voor het uitwerken van een nationaal programma van rustoorden voor bejaarden; - het koninklijk besluit van 5 november 1976 tot vaststelling van de regels die de onontbeerlijkheid van de brandbeveilingswerken in de rustoorden voor bejaarden bepalen; - het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 10 juli 1984 tot vaststelling van de normen waaraan de rusthuizen voor bejaarden moeten beantwoorden, gewijzigd bij de besluiten van de Executieve van 6 december 1989 en 13 september 1991; - het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 10 juli 1984 tot vaststelling van de procedure betreffende de voorlopige werkingsmachtiging, de erkenning, de weigering en de intrekking van de erkenning, en de sluiting van de inrichtingen bedoeld in artikel 1 van het decreet van 10 mei 1984 betreffende de rusthuizen voor bejaarden, gewijzigd bij de besluiten van 3 september 1990 en 27 juli 1992; - het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 24 april 1989 tot vaststelling van de veiligheidsnormen waaraan de rusthuizen voor bejaarden moeten voldoen, gewijzigd bij het besluit van 9 juli 1991; - het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 20 december 1990 betreffende het minimumpeil van nuttige kennis van het beheren van rusthuizen voor bejaarden; - het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 29 april 1991 tot regeling, bij wijze van proef, van de erkenning en de betoelaging van de diensten voor dagopvang van bejaarden; - het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 27 juli 1992 tot vaststelling van de modaliteiten voor het verlenen van het principieel akkoord bedoeld bij artikel 2bis van het decreet van 10 mei 1984 betreffende de rusthuizen voor bejaarden, gewijzigd bij het besluit van 1 februari 1996. HOOFDSTUK XIV. - Diverse en overgangsbepalingen

Art. 36.Artikel 1, 3°, van het koninklijk besluit van 2 mei 1972 tot vaststelling van bijzondere voorwaarden voor het verlenen van toelage voor het bouwen of het verbouwen van rustoorden voor bejaarden, gewijzigd door het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 27 juli 1992, wordt door de volgende tekst vervangen : « 3° het principieel akkoord bekomen hebben, bedoeld in artikel 4, § 2, van het decreet van 5 juni 1997 betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de « Conseil wallon du troisième âge » ».

Art. 37.De aan rustoorden verleende werkingsmachtigingen die van toepassing zijn op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, komen niet in aanmerking voor de toepassing van artikel 7, tweede en derde lid van het decreet.

Art. 38.Onverminderd de overgangsbepalingen betreffende het gebouw, beschikken de rustoorden die werkzaam zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit over een termijn van één jaar om de in bijlage II bij dit besluit vastgestelde normen over te nemen.

Onverminderd de gunstigere bepalingen opgenomen in bijlage I, beschikken de rustoorden die erkend zijn of een voorlopige werkingsmachtiging genieten op het tijdstip van inwerkingtreding van dit besluit, over een termijn van twee jaar om de in bedoelde bijlage vastgestelde veiligheidsnormen over te nemen.

Tijdens de overgangsperiode moeten de rustoorden de normen die vóór de inwerkingtreding van dit besluit op hen van toepassing waren, naleven.

Art. 39.De inrichtingen die beantwoorden aan de begripsomschrijving van de serviceflat of van het dagcentrum en die werkzaam zijn op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, beschikken over een termijn van één jaar vanaf de inwerkingtreding van dit besluit om de normen opgenomen in de bijlagen III en IV over te nemen.

Art. 40.De in de artikelen 38 tot en met 40 bepaalde overgangsbepalingen betreffende het gebouw of de veiligheidsnormen zijn niet van toepassing op een uitbreiding van de capaciteit, een heropening of de verbouwing van bestaande gebouwen van een rustoord, een serviceflat of een dagcentrum.

Onder verbouwing wordt verstaan elke verandering die de bestemming of de afmetingen van de lokalen wijzigt op grond waarvan de erkenning of de voorlopige werkingsmachtiging verleend is of die bestaan en werkzaam zijn bij de inwerkingtreding van dit besluit voor de serviceflats. HOOFDSTUK XV. - Inwerkingtreding

Art. 41.Het decreet van 5 juni 1997 betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de « Conseil wallon du troisième âge » treedt in werking op de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

Art. 42.De Minister van Sociale Actie is belast met de uitvoering van dit besluit.

Namen, 3 december 1998.

De Minister-President van de Waalse Regering, belast met Economie, Buitenlandse Handel, KMO's, Toerisme en Patrimonium, R. COLLIGNON De Minister van Sociale Actie, Huisvesting en Gezondheid, W. TAMINIAUX

Bijlage I. - Reglementering inzake bescherming tegen brandgevaar en paniek in rustoorden, serviceflats en dagcentra voor bejaarden HOOFDSTUK 1. - Algemene voorschriften 0. Algemene inleiding 0.1. Voorwerp van de reglementering In deze reglementering worden de voorwaarden bepaald waaraan het ontwerpen, de bouw en de aanleg van de inrichtingen of gedeelten daarvan die als rustoord, serviceflat of dagcentrum voor bejaarden worden gebruikt, moeten voldoen, de na te leven regels inzake de bewoning van die inrichtingen of gedeelten daarvan, alsook het onderhoud en het toezicht op hun installaties met het doel : a) het ontstaan, de ontwikkeling en de uitbreiding van een brand te voorkomen;b) te zorgen voor de veiligheid van de bewoners;c) het optreden van de brandweer te vergemakkelijken. 0.1.1. Nieuwe gebouwen in de zin van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing.

Nieuwe gebouwen moeten voldoen aan : - de normen vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing (Belgisch Staatsblad van 26 april 1995), zoals aangepast en aangevuld bij koninklijk besluit van 19 december 1997 (Belgisch Staatsblad van 30 december 1997); - hoofdstuk 3 van deze bijlage, waarbij de normen voor het onderhoud, het toezicht en de bewoningsvoorschriften worden vastgesteld; - de normen vastgesteld in hoofdstuk 1 en hoofdstuk 2 van deze bijlage voor zover nauwkeuriger zijn en ofwel dwingender zijn dan de basisnormen ofwel eigen zijn aan de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra. 0.1.2. Gebouwen die niet onder 0.1.1.vallen De normen die bij deze bijlage worden vastgesteld zijn in hun geheel van toepassing, onverminderd de overgangsbepalingen bedoeld in de hoofdstukken 4 en 5. 0.2. Rangschikking van de inrichtingen De inrichtingen worden gerangschikt in twee types : - type 1 : de inrichtingen waarvan de lokalen die voor de bewoners bestemd zijn, ten hoogste één verdieping gelegen zijn boven de evacuatieverdieping bedoeld in bijlage 1 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen; - type 2 : de inrichtingen waarvan de lokalen die voor de bewoners bestemd zijn, ten minste twee verdiepingen boven de evacuatieverdieping gelegen zijn.

Wanneer een inrichting uit gebouwen van verschillende types bestaat, is deze reglementering van toepassing op ieder gebouw naargelang van hun type. 0.3. Terminologie 0.3.1. Algemene begripsomschrijvingen De algemene begripsomschrijvingen werden overgenomen van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, zoals gewijzigd bij het koninklijk besluit van 19 december 1997. 0.3.2. Weerstand tegen brand De voorschriften van bijlage 1 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 betreffende de erkenning « BENOR-ATG » en erkende plaatsers zijn enkel van toepassing op de deuren die geplaatst of vervangen zijn na de datum van bekendmaking van deze reglementering in het Belgisch Staatsblad. 0.3.3. Zelfsluitende deur : deur voorzien van een toestel waardoor deze in normale werkingsvoorwaarden dichtgehouden wordt. Zo'n deur moet in alle gevallen zonder buitengewone inspanning kunnen openen. Ze mag niet open geblokkeerd zijn. 0.3.4. Bij brand zelfsluitende deur : deur voorzien van een automatisch toestel dat, in geval van brand, het sluitingssysteem in werking stelt. In elk geval moet een dergelijke deur of een gedeelte ervan nog mits een normale inspanning kunnen openen. Het sluitingssysteem van de deur moet voorzien zijn van een rem of van een gelijkaardig toestel dat zorgt voor een trage beweging zodat het automatische sluiten van de deur geen gevaar inhoudt voor de bewoners.

Aangeraden wordt om zulke deuren vooral daar te plaatsen waar veel mensen voorbijkomen. 0.3.5. Normale kunstverlichting : kunstmatige verlichting die gewoonlijk gebruikt wordt. 0.3.6. Positieve veiligheid : de apparatuur wordt beschouwd in positieve veiligheid te werken als de veiligheidsfunctie van die apparatuur of toestellen verzekerd blijft wanneer de energiebron en (of) de voedingsinrichting en (of) de aandrijvingsinrichting gebrekkig is (zijn). 0.3.7. Deuren met massieve kern : deuren die ontworpen en gelegd zijn overeenkomstig de grondregels van de bouwkunst en die bestaan uit : - hetzij houtspaanderplaten met een soortelijke massa van ten minste 600 kg/m3 en met dezelfde dichtheid als het raam, - hetzij hardhout met een soortelijke massa van ten minste 650 kg/m3 die bestaat uit één kozijn en panelen. De panelen vertonen overal een minimumdichtheid van 12 mm. 0.3.8. Keuken : lokaal waar spijzen worden bereid en gekookt. 0.4. Nummering van de verdiepingen - bewegwijzering 0.4.1. Een volgnummer wordt aan elke verdieping toegekend met inachtneming van volgende regels : - de verschillende verdiepingen vormen een ononderbroken opeenvolging; - één van de evacuatieverdiepingen heeft het nummer 0; - de verdiepingen onder verdieping 0 hebben een negatief volgnummer; - de verdiepingen boven verdieping 0 hebben een positief volgnummer. 0.4.2. Op elke verdieping moet het volgnummer : - op ten minste één wand voorkomen van de portalen van de trappenhuizen en van de portalen die toegang geven tot de liften, voor de personen die deze portalen gebruiken; - leesbaar zijn vanuit de cabine van de liften tijdens de stilstand. 0.4.3. In de liften staat het volgnummer van de verdiepingen te lezen naast de overeenstemmende bedieningsknop. Bovendien staan de woorden « uitgang » of « nooduitgang » naast de volgnummers van de verdiepingen die beschikken over uitgangen of nooduitgangen. 0.4.4. De plaats, alsook de richting van de uitgangen en nooduitgangen worden duidelijk vermeld door pictogrammen overeenkomstig de voorschriften van het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming ». 0.4.5. De adviezen betreffende de brandbescherming stemmen overeen met de in het vorige lid bedoelde voorschriften. 0.5. Wijzen van proef en rangschikking van produkten in een andere Lidstaat van de E.E.G. Als bewijsstukken vaststellen dat een produkt aan de vereisten van dit besluit voldoet overeenkomstig gelijkwaardige proef- en rangschikkingsmethodes die in een andere Lidstaat van de E.E.G. van kracht zijn, wordt dit produkt beschouwd als voldoend aan de in dit aanhangsel bedoelde technische voorschriften. HOOFDSTUK 2. - Inplanting, bouw en uitrusting 1. Inplanting en toegangswegen. 1.1. Toegang : De instelling is rechtstreeks en voortdurend toegankelijk voor de brandweervoertuigen, zodanig dat de brandbestrijding en de redding er normaal uitgevoerd kunnen worden.

In het bijzonder worden het aantal toegangsweg(en) en de inplanting ervan vastgesteld in akkoord met de territoriaal bevoegde brandweer, hierbij rekening houdend met de oppervlakte van de betrokken instelling, het aantal bewoners, het aantal bewoonde verdiepingen en de inrichting van het(de) gebouw(en). 1.2. Kenmerken van de toegangswegen : Op voornoemde weg(en) wordt één strook steeds vrij gehouden, waar het parkeren verboden is, en die voldoet aan volgende vereisten : - minimale vrije breedte : 4 m; - minimale vrije hoogte : 4 m; - minimale draaistraal : 11 m aan de binnenkant en 15 m aan de buitenkant; maximale helling : 6 %, behoudens akkoord van de territoriaal bevoegde Brandweer naargelang van de plaatselijke omstandigheden; - draagvermogen : voldoende om voertuigen, waarvan het laadvermogen per wielas hoogstens 13 t bedraagt, op die weg(en) te laten rijden en stationeren zonder te blijven steken, zelfs al vervormen zij die weg(en) 15 m aan de buitenkant; - de grond.

Wanneer de toegangswegen doodlopende wegen zijn, wordt de wegbreedte gebracht op 8 m en dienen de kenmerken ervan over de gehele breedte overeen te stemmen met bovenvermelde vereisten; in dit geval moet de inrichting van het gebouw en zijn omgeving onderworpen worden aan het akkoord van de territoriaal bevoegde Brandweer.

De vrije ruimten : hovingen, parken, binnenkoeren, voorportalen die dezelfde waarborgen vertonen als degene bedoeld in deze paragraaf en in § 1.1., mogen als toegangswegen beschouwd worden.

Bijgebouwen, uitspringende daken, luifels, delen in uitkraging of andere dergelijke toevoegingen worden enkel toegelaten indien daardoor noch de evacuatie of de veiligheid van de bewoners, noch de bewegingsvrijheid van de brandweer in het gedrang gebracht worden. 1.3. Afstand tussen de gebouwen De horizontale afstand tussen elk gebouw van de instelling en elk naburig gebouw, waar geen brandbaar element ligt, bedraagt ten minste 8 m, behalve als de wanden waarbij die worden gescheiden, de volgende kenmerken vertonen : - voor gebouwen van het type 1 : weerstand tegen brand (Wb) 1 uur, - voor gebouwen van het type 2 : Wb 2 u.

In deze wanden wordt een verbinding tussen de gebouwen toegelaten voor zover ze de volgende kenmerken vertoont : 1. niet uitkomen op een trappenhuis, 2.gesloten worden d.m.v. een zelfsluitende deur met de volgende kenmerken : - voor gebouwen van het type 1 : Wb 1/2 u, - voor gebouwen van het type 2 : Wb 1 u. 1.4. Overdekte en gesloten doorgangen Indien de onderscheiden gebouwen van een inrichting met elkaar verbonden zijn d.m.v. overdekte en gesloten doorgangen, worden zij van deze laatste gescheiden door Wb 1 u-wanden. De openingen in voorgenoemde wanden zijn voorzien van zelfsluitende of bij brand zelfsluitende Wb 1/2 u-deuren. 2. Grondbeginselen 2.1. Verdeling van de lokalen : 2.1.1. De verdiepingen van de gebouwen worden verdeeld in compartimenten van één verdieping hoog. De oppervlakte van een compartiment, die gemeten is tussen de binnenvlakten van de wanden die het omsluiten, is kleiner dan 1250 m2. 2.1.2. Elk geheel van 20 bedden die verdeeld zijn op hetzelfde niveau, wordt omsloten door binnenwanden die voldoen aan de volgende voorschriften : - voor gebouwen van het type 1 : Wb 1/2 u. - voor gebouwen van het type 2 : Wb 1 u. - De openingen in deze wanden zijn voorzien van zelfsluitende Wb 1/2 u-deuren. 2.1.3. In akkoord met de territoriaal bevoegde Brandweer, kunnen die voorschriften niet toegepast worden op gebouwen van het type 1 waarvan de totale bewoning kleiner is dan 20 personen. 2.2. Ligging van de lokalen die voor bewoners bestemd zijn : De lokalen die voor bewoners bestemd zijn, mogen niet hoger liggen dan 25 m boven de grond die het betrokken gebouw omringt. 2.3. Lokalen die onder de laagste evacuatieverdieping gelegen zijn : Onder de laagste evacuatieverdieping : - mag geen enkele individuele of collectieve slaapkamer liggen; - mogen enkel en alleen op de verdieping die het dichtst bij de evacuatieverdieping gelegen is, lokalen liggen die door de bewoners in de loop van de dag gebruikt worden. 2.4. Aantal trappenhuizen : Het aantal trappenhuizen wordt berekend met inachtneming van : - het aantal bewoners die zich kunnen bevinden boven de naaste evacuatieverdieping; - de voorschriften van lid 4.3.3. betreffende de maximale afstanden voor de toegang tot het naaste trappenhuis en eventueel tot een tweede trappenhuis.

Op de evacuatieverdiepingen leiden de trappen naar een uitgang, hetzij rechtstreeks, hetzij langs een zo kort mogelijk evacuatieweg die voldoet aan de voorschriften van § 4.3. 3. Structurele elementen. 3.1. Structurele elementen : De structurele elementen, zoals zuilen, dragende muren, hoofdbalken en andere essentiële delen die het geraamte van het gebouw vormen, met uitzondering van de afgewerkte vloeren, hebben een weerstand tegen brand van ten minste twee uur in de gebouwen van het type 2; deze vereiste wordt herleid tot één uur wanneer het gaat om een gebouw van het type 1.

In alle gevallen hebben de afgewerkte vloeren een weerstand tegen brand van ten minste één uur. 3.2. Gevelwanden : 3.2.1. Op elke verdieping bevatten de gevelwanden een bouwelement dat gedurende ten minste één uur voldoet aan het criterium van « vlamdichtheid ». Dit element wordt op één van de volgende manieren uitgevoerd (zie afbeeldingen in bijlage 2) : a) een doorlopend horizontaal overstek of uitkragend gedeelte met een breedte (a) die gelijk is aan of hoger is dan 0,60 m (zestig cm) en dat aan de vloer verbonden is;b) een geheel dat bestaat uit een doorlopend horizontaal overstek met een breedte (a) en dat aan de vloer verbonden is : - op de bovenverdieping door een doorlopende borstwering met een hoogte (b); - op de onderverdieping door een doorlopende latei met een hoogte (c).

De som van de afmetingen a, b, c en d (dikte van de vloer) is gelijk aan of hoger dan 1 m; elke afmeting a, b of c mag eventueel nul zijn. 3.2.2. De uitwendige wandversieringen van de gevels moeten vervaardigd zijn uit materialen die behoren tot minstens klasse A2, overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. Dit voorschrift betreft de schrijnwerkerij of de dichtingsvoegen niet. 3.2.3. De stijlen die het skelet van de gordijngevel (lichte gevel) vormen, worden aan elke verdieping aan het skelet van het gebouw vastgezet. De borstwering en de latei worden zodanig aan de vloerplaat vastgezet dat het geheel gedurende minstens één uur voldoet aan het criterium « vlamdichtheid ». Hetzelfde geldt voor de ondoorzichtige of geen licht doorlatende delen van de gevels die tussen de vensteropeningen gelegen zijn. 3.3. Verticale binnenwanden De verticale binnenwanden van een kamer of appartement moeten een weerstand tegen brand hebben van ten minste een half uur.

Wat betreft de binnenwanden van de evacuatiewegen, zie lid 4.3.6. 3.4. Deuren De vleugels van alle glazen deuren hebben een merkteken waarbij hun aanwezigheid opvalt. De deuren die eventueel in de evacuatiewegen staan en die hetzij één of meer uitgangen, hetzij toegangen tot één of meer uitgangen verbinden, openen in beide richtingen.

Draaibomen en draaideuren zijn verboden.

De deuren van de evacuatiewegen alsook de deuren die toegang geven buiten het gebouw, moeten op elk ogenblik kunnen openen voor de evacuatie van de instelling.

Die deuren mogen gegrendeld worden met inachtneming van de volgende voorwaarden : - Elektrische ontgrendeling vanaf een altijd toegankelijke plaats (wachtkantoor, onthaal, enz...) - Automatische ontgrendeling in geval van brand, alarm en stroomstoring - Installatie die uitgewerkt is overeenkomstig de beginselen van de positieve veiligheid 3.5. Plafonds en valse plafonds 3.5.1. De plafonds, de valse plafonds en hun bekleding zijn vervaardigd uit materialen waarvan de klasse van reactie bij brand vastgesteld is overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. De kamers moeten behoren tot klasse 1. 3.5.2. De valse plafonds hebben een weerstand tegen brand van ten minste een half uur. De plafonds die ruimten afsluiten die bijzondere brandrisico's bieden, voldoen echter aan een criterium van weerstand tegen brand die aan deze risico's aangepast is. 3.5.3. De opgehangen gedeelten van toestellen en andere opgehangen voorwerpen (verlichtingsapparaten, luchtkokers, kanalisaties, enz.) zijn ontworpen om te weerstaan aan een omgevende temperatuur van minstens 100 °C. 3.5.4. De ruimte tussen het plafond en het valse plafond wordt gescheiden door de verlenging van alle verticale wanden die een weerstand tegen brand van minstens een half uur bieden. In ieder geval wordt deze ruimte onderbroken door verticale tussenschotten met een weerstand tegen brand van minstens een half uur, zodat compartimenten gevormd worden met een maximale lengte die lager is dan 25 m. 3.6. Niet vlottende bekledingsmaterialen die gebruikt worden als thermische of geluidsisolatie of als versiering. 3.6.1. De bekleding voor de verticale wanden is vervaardigd uit materialen waarvan de klasse van reactie bij brand vastgesteld is overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. De klasse van reactie bij brand mag echter in geen geval A4 zijn. Voor de kamers wordt klasse A1 vereist. 3.6.2. De vloerbedekkingen zijn vervaardigd uit materialen waarvan de klasse van reactie bij brand vastgesteld is overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. De klasse van reactie bij brand mag echter in geen geval A4 zijn. Voor de kamers wordt klasse A2 vereist. 3.6.3. Geen brandbaar materiaal mag voorkomen in de eventuele ruimte tussen bekledingsmaterialen en wanden. 3.7. Daken.

In de gebouwen van type 2 zijn, bij gebrek aan afgewerkte vloeren, bouwelementen met een weerstand tegen brand van ten minste één uur aangebracht als isolatie tussen het dak en de voor de bewoners bestemde lokalen alsook de evacuatiewegen. Hetzelfde geldt voor de gebouwen van type 1 waar meer dan twintig bewoners worden ondergebracht.

De waterdichte dakbedekking bestaat uit een materiaal dat ten minste tot klasse A1 behoort, overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, of dat na verwerking op dit peil is gebracht.

In akkoord met de territoriaal bevoegde Brandweer hoeven die voorschriften niet toegepast te worden op lichtschachten van klasse 1 die op het dak zijn gelegd en die gelegen zijn op minder dan 3 m van elke overhangende gevel. Die afstand is horizontaal gemeten. 4. Bouwvoorschriften betreffende de compartimenten en de doorgangen die bij evacuatie gebruikt moeten worden. 4.1. Compartimenten.

De compartimenten waarvan sprake in § 2.1, zijn afgesloten door wanden die, met uitzondering van gevelwanden, een weerstand tegen brand van ten minste één uur hebben.

De eventuele communicatie-openingen tussen twee compartimenten zijn voorzien van zelfsluitende deuren of van bij brand zelfsluitende deuren met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur.

Wat de gevelwanden betreft, komen ze overeen met de voorschriften van §§ 3.2 en 1.3. 4.2 Trappenhuizen en trappen. 4.2.1. Aantal trappen.

In elk geval moet iedere bewoonde verdieping beschikken over ten minste twee verschillende evacuatiewegen.

In elk geval zijn de trappenhuizen zodanig en in zo'n hoeveelheid opgericht dat de voorschriften van leden 4.3.3. en 4.3.5. in acht worden genomen.

In elk geval moeten de verdiepingen voorzien zijn van ten minste één binnentrap. Bijkomende trappen mogen buitentrappen zijn.

In de gebouwen van type 2 moet een compartiment voorzien zijn van ten minste twee trappenhuizen.

In de gebouwen van type 1, in akkoord met de territoriaal bevoegde Brandweer, mogen de verdiepingen waar minder dan 20 bewoners ondergebracht worden, alleen voorzien zijn van één trappenhuis voor zover een tweede evacuatieweg bestaat. 4.2.2. Inrichting van trappenhuizen. 4.2.2.1. De trappenhuizen komen verplicht uit op een normale evacuatieverdieping. 4.2.2.2. In de gebouwen van type 2 hebben de wanden van de trappenhuizen, behoudens de gevelwanden, een weerstand tegen brand van ten minste twee uur.

Deze wanden mogen voorzien zijn van glas op voorwaarde dat elk punt daarvan ten minste 1 m gelegen is van elke opening of glazen gedeelte van de rest van het gebouw of van een ander gebouw.

In de gebouwen van type 1, waar meer dan twintig bewoners ondergebracht kunnen worden, moeten de trappenhuizen afgesloten zijn.

In dit geval hebben de wanden van de trappenhuizen een weerstand tegen brand van ten minste één uur. Deze wanden mogen echter voorzien zijn van glas op voorwaarde dat ze deel uitmaken van de gevel en voor zover elk punt daarvan ten minste 1 m gelegen is van elke opening of glazen gedeelte van de rest van het gebouw of van een ander gebouw. 4.2.2.3. De toegangen tot de trappenhuizen zijn voorzien van zelfsluitende deuren of van bij brand zelfsluitende deuren met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur die openen in de richting van de evacuatie en waarvan de minimale doorgangsbreedte 0,90 m bedraagt.

De deuren van de kamers of appartementen die toegang geven tot de evacuatiewegen, mogen openen in de tegengestelde richting van de evacuatie en de minimumbreedte van de deurvleugel moet 0,90 m (negentig cm) bedragen. 4.2.2.4. Indien verscheidene compartimenten op horizontaal vlak met elkaar in verbinding staan, mogen ze voorzien zijn van een gemeenschappelijk trappenhuis op voorwaarde dat de toegangen voldoen aan de vereisten van lid 4.2.2.3. 4.2.2.5. De trappenhuizen die toegang geven tot de verdiepingen die gelegen zijn onder de evacuatieverdieping, mogen niet rechtstreeks in het verlengde liggen van degene die toegang geven tot de andere verdiepingen. Deze trappenhuizen mogen nochtans het ene boven het andere liggen, op voorwaarde dat ze gescheiden zijn door wanden met een weerstand tegen brand van ten minste twee uur als het gaat om een gebouw van type 2; deze vereiste wordt herleid tot één uur voor een gebouw van type 1. De doorgang van het ene naar het andere trappenhuis gebeurt langs een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur die opent in de richting van de evacuatie. 4.2.2.6. Met uitzondering van de brandblustoestellen, de natte leidingen voor de brandbestrijding, de leidingen voor de elektrische veiligheidsverlichting en de verlichtings- en verwarmingsapparaten, mag geen voorwerp voorkomen in de trappenhuizen, noch de toegang tot deze laatste verhinderen.

Dit voorschrift is ook van toepassing op de installatie van hoogwerkers. 4.2.2.7. Buitentrappen.

Als een buitentrap omringd wordt door wanden, moet ten minste één daarvan de vrije doorgang van de lucht toelaten. De communicatie tussen een buitentrap en het niveau dat daarvan voorzien is, wordt verzekerd door een deur met een automatische terugstelinrichting.

De buitentrappen zijn vervaardigd uit materialen die behoren tot klasse A0 overeenkomstig bijlage 5 van het K.B. van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, en worden langs beide zijden voorzien van een veilig vastgehechte leuning die loopt langs de bordessen en de platte daken. De plekken waar een gevaar aan val bestaat zijn uitgerust met een koppelspant en een plint met een minimale hoogte van 10 cm.

De helling van de trappen mag niet hoger zijn dan 75 % (maximale hellingshoek : 37°).

Geen enkel punt van de buitentrappen mag gelegen zijn op minder dan 1 m van elke opening of glazen gedeelte van de gebouwen, behalve als deze trappen beschermd worden door ontbrandbare schutsels. De territoriaal bevoegde Brandweer kan echter verplichten dat onbrandbare deuren en schutsels worden aangebracht vóór elke opening of glazen gedeelte van de gebouwen als de warmtebelasting in de lokalen naast dit trappenhuis het vereist.

De buitentrappen en de wegen die ernaartoe leiden, worden voorzien van de verkeers- en veiligheidsverlichting. 4.2.3. Verluchting van de binnentrappenhuizen.

Het bovenste gedeelte van elk trappenhuis wordt voorzien van een opening die buiten uitloopt voor de gemakkelijke evacuatie van de rook. Die opening, die normaal kan worden gesloten, heeft een aërodynamische doorsnede van ten minste 1 m2. Die is uitgerust met een op een evacuatieverdieping gelegde handbediening. Dit openingstoestel is duidelijk zichtbaar in akkoord met de territoriaal bevoegde Brandweer. Het kan automatisch gedreven worden door de branddetector. 4.2.4. Binnentrappen. 4.2.4.1. Bouwvoorschriften.

De trappen zijn vervaardigd uit materialen die behoren tot minstens klasse A0 overeenkomstig bijlage 5 van het K.B. van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. De vloerbedekkingen van de trappen behoren tot minstens klasse A2 van voornoemde bijlage 5. De trappen worden langs beide zijden voorzien van een veilig vastgehechte leuning die loopt langs de bordessen. Alle treden zijn uitgerust met een anti-slipneus. De plekken waar een gevaar aan val bestaat zijn uitgerust met een koppelspant en een plint met een minimale hoogte van 10 cm, of met een toestel dat een gelijkwaardige bescherming biedt.

De helling van de trappen mag niet hoger zijn dan 75 % (maximale hellingshoek : 37°). De traparmen zijn recht maar de draai- of kromme trappen worden aanvaard indien zij een ononderbroken wegbeweging toelaten en indien de treden een minimale breedte van 24 cm op de ganglijn hebben, op voorwaarde dat de hierboven vermelde vereisten in acht worden genomen. Het aantal treden in elke traparm wordt beperkt tot 17. 4.2.4.2. Voor de nuttige breedte van traparmen en bordessen wordt de ruimte in acht genomen die tot een minimale hoogte van 2 m vrij is van elke blijvende hindernis. Hierbij dient geen rekening gehouden met het uitsteken van de handgrepen die langs de wanden van de trappen en bordessen gelegd zijn, op voorwaarde dat deze niet groter zijn dan 10 cm en dat ze niet hoger zijn dan 1 m boven de trapneuzen of de vloer van de bordessen. Hetzelfde geldt voor de plinten, de trapbomen en de steunmuur die langs deze wanden aangelegd zijn.

De nuttige breedte van de traparmen en de bordessen is ten minste gelijk in centimeter aan het aantal personen die daar langs moeten gaan bij evacuatie, vermenigvuldigd met 1,25 of met 2, naargelang voorzien is dat deze personen langs bedoelde trap naar boven of naar beneden moeten gaan om een normale evacuatieverdieping te bereiken.

Dit getal wordt afgerond tot het onmiddellijk hogere veelvoud van 60 cm. Onverminderd de voorafgaande voorschriften, bedraagt de minimale nuttige breedte van voornoemde doorgangen 1,2 m in de gebouwen van type 2 en 1 m in de gebouwen van type 1. 4.3. Evacuatiewegen. 4.3.1. De verbinding naar en tussen de trappenhuizen gebeurt langs evacuatiewegen.

De hellende vlakken met een helling die lager is dan 10 % mogen worden beschouwd als evacuatiewegen. 4.3.2. De kamers, appartementen of andere lokalen die voor de bewoners bestemd zijn, worden voorzien van een deur die rechtstreeks uitloopt op de evacuatieweg van deze lokalen. De deurvleugels hebben een minimumbreedte van 0,90 m. 4.3.3. In de compartimenten gelegen op een niveau dat niet bestemd is voor de evacuatie, bedraagt de afstand tussen elk punt van de lokalen die bestemd zijn voor de bewoners en de toegang tot een trappenhuis, hoogstens 30 m. Bovendien, wanneer het betrokken compartiment over meer dan één trappenhuis beschikt, wordt de maximale afstand tussen deze punten en de toegang tot een ander trappenhuis als het naaste, beperkt tot 60 m. De toegangsweg tot een trappenhuis mag nochtans niet doorheen het bordes van een ander trappenhuis lopen. 4.3.4. De nuttige breedte van de evacuatiewegen wordt berekend als die van de traparmen en bordessen (zie lid 4.2.4.2.).

De nuttige breedte van de traparmen en de bordessen is ten minste gelijk in centimeter aan het aantal personen die daar langs moeten gaan bij evacuatie om een trap of een doorgang naar buiten te bereiken. Dit getal wordt afgerond tot het onmiddellijk hogere veelvoud van 60 cm. Onverminderd de voorafgaande voorschriften, bedraagt de minimale nuttige breedte van voornoemde doorgangen 1,2 m. 4.3.5. De maximale lengte van de doodlopende gangdelen bedraagt 15 m. 4.3.6. De verticale binnenwanden van de evacuatiewegen hebben een weerstand tegen brand van ten minste één uur. De deuren die op deze wegen uitkomen zijn houten deuren met een massieve kern.

Op de evacuatieverdiepingen zijn die voorschriften niet van toepassing op de evacuatiewegen die van de trappenhuizen naar buiten leiden en waarvoor de binnenwanden en de zelfsluitende binnendeuren dezelfde Wb-graad vertonen als degene die voorgeschreven zijn voor de overeenkomende elementen van die trappehuizen. 5. Bouwvoorschriften betreffende sommige lokalen en technische ruimten. 5.1. Linnenkamers van meer dan 2 m2, washokken, archiefdepots en werkplaatsen.

Die lokalen zijn gelegen buiten de voor de bewoners toegankelijke compartimenten.

Als het onmogelijk is, in akkoord met de territoriaal bevoegde Brandweer en met inachtneming van volgende voorschriften, mogen die lokalen gelegen zijn in de voor de bewoners toegankelijke compartimenten.

Het betrokken lokaal wordt omringd door binnenwanden die aan volgende voorschriften voldoen : - Wb 1 u; - De openingen in die wanden worden gesloten door Wb 1/2 u-zelfsluitende deuren; - Als ze niet worden bewoond, worden die lokalen afgesloten. 5.2. Stookplaatsen en aanhorigheden.

De stookplaatsen, uitgerust met warmte-generators die een lager vermogen hebben dan 70 KW, zijn, evenals hun aanhorigheden, afgescheiden van de andere gebouwen en lokalen door wanden met een weerstand tegen brand van ten minste één uur.

Elke toegang tot de stookplaatsen waarvan sprake en tot hun aanhorigheden vanuit de andere lokalen van de gebouwen waarin deze gelegen zijn, gebeurt door een zelfsluitende deur met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur, die opent in de richting van de evacuatie.

Deze stookplaatsen zijn uitgerust met een efficiënte hoge en een efficiënte lage ventilatie.

De stookplaatsen, uitgerust met warmte-generators die een nuttig warmtevermogen hebben dat in totaal gelijk is aan of hoger is dan 70 KW, zijn, alsook hun aanhorigheden, conform de Belgische norm NBN B 61-001. 5.3. Transformatiekabines die aangesloten zijn op een hoogspanningsnet. 5.3.1. Algemene voorschriften.

De transformatiekabines zijn gebouwd volgens de voorschriften van het « Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties » en volgens de Belgische norm NBN 449.

Bovendien : - naargelang van het gebouw, waarin de transformatiekabine waarvan sprake gelegen is, tot het type 2 of 1 behoort, hebben de wanden van deze kabine, de gevelwanden uitgezonderd, een weerstand tegen brand van ten minste twee of één uur; - zijn er maatregelen getroffen opdat het waterpeil (van waar het water ook moge komen, met inbegrip van het bluswater van de brandbestrijding) beneden het peil van de vitale gedeelten van de elektrische installatie zou blijven.

Indien, voor het geheel van de apparaten, de hoeveelheid brandbaar diëlectricum 50 L of meer bedraagt, zijn de voorschriften die bedoeld zijn in de Belgische norm NBN C18-200 van toepassing. 5.3.2. Ter plaatse gemonteerde kabine.

De ter plaatse gemonteerde kabine is ingebouwd in een daartoe bestemd lokaal. Tenzij het een buiteningang is, is de toegang tot dit lokaal voorzien van een zelfsluitende deur met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur.

De automatische uitschakelaars zijn van het droge type of hebben een geringe olie-inhoud. 5.3.3. Geprefabriceerde kabines.

Een geprefabriceerde kabine vormt een volledig gepantserd blok, in overeenstemming met de voorschriften van het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming », en dient niet geïnstalleerd te worden in een daarvoor speciaal bestemd lokaal.

Iedere toegang tot het lokaal waar de geprefabriceerde kabine ligt, voldoet aan de voorschriften van lid 5.2.2. 5.3.4. Transformatoren met P.C.B. De transformator wordt gelegd in een dichte kuip of in een lokaal dat een dichte kuip vormt. Het volume van de kuip is gelijk aan 1,2 keer het volume van P.C.B. dat opgesloten is in de transformator. 5.4. De binnenshuis gelegen garages en parkeerruimten.

De binnenshuis gelegen garages en parkeerruimten zijn van de andere gebouwen en lokalen gescheiden door wanden met een weerstand tegen brand van minstens twee uur of één uur naargelang deze gebouwen en lokalen van het type 2 of 1 zijn.

Elke toegang tot de binnenshuis gelegen garages en parkeerruimten vanuit de andere lokalen van de gebouwen waarin deze liggen, gebeurt door een opening die voorzien is van een zelfsluitende deur en die men slechts kan openen in de richting van de evacuatie, met een weerstand tegen brand van ten minste één uur, indien het gebouw waarvan sprake van het type 1 is; deze weerstand tegen brand moet slechts ten minste een half uur bedragen indien dit gebouw van het type 2 is. 5.5. Huisvuilstortmantelbuizen.

Zijn verboden. 5.6. Mantelbuizen. 5.6.1. Verticale mantelbuizen.

Behalve in de hierna bedoelde gevallen, hebben de wanden van de verticale mantelbuizen die leidingen bevatten, een weerstand tegen brand van ten minste één uur. De toegangspanelen en de toezichtdeurtjes hebben een weerstand tegen brand van ten minste een half uur.

In de gebouwen van het type 2 zijn de bovenvermelde mantelbuizen, op het niveau van elke verdieping, in compartimenten verdeeld door horizontale schermen die vervaardigd zijn uit materialen van klasse A0, overeenkomstig bijlage 5 van het K.B. van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, die de door de leidingen vrij gelaten ruimte innemen.

Wanneer de aard of de bestemming van de verticale mantelbuizen het aanbrengen van schermen op elk niveau onmogelijk maakt, dan hebben de wanden van deze mantelbuizen een weerstand tegen brand van ten minste twee uur; de wanden van de toegangspanelen en de toezichtdeurtjes moeten een weerstand tegen brand van ten minste één uur hebben.

Dergelijke mantelbuizen zijn ruim verlucht aan hun bovenkant.

De normale toegangen tot de mantelbuizen voor de afvoer van linnen en bordenliften zijn voorzien van luiken met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur. Deze luiken zijn uitgerust met een automatisch sluitingssysteem, waarbij die voortdurend gesloten zijn, zolang er geen gebruik van gemaakt wordt.

De mantelbuizen waarvan de wanden overeenstemmen met voorgenoemde voorschriften wat betreft de weerstand tegen brand, mogen gelegd zijn in de bij evacuatie te gebruiken trappenhuizen maar mogen daar niet openen.

Wat betreft de mantelbuizen die gebruikt worden als ventilatiepijpen of voor het op- en neergaan van de liften, wordt verwezen naar de voorschriften betreffende de betrokken uitrustingen. 5.6.2. Horizontale mantelbuizen.

De wanden van de horizontale mantelbuizen hebben een graad van weerstand tegen brand die ten minste gelijk is aan de hoogste graad van de wanden waar ze door gaan. De horizontale mantelbuizen mogen de oorspronkelijke Wb-graad van de wanden waar ze door gaan, in geen geval verzwakken. Alle mantelbuizen zijn vervaardigd uit materialen van klasse A0 overeenkomstig bijlage 5 van het K.B. van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. 5.7. Gemeenschappelijke keukens. 5.7.1. De keukens en de keukens-restaurants die gelegen zijn in gebouwen die andere lokalen bestemd voor de bewoners bevatten, zijn van deze lokalen afgescheiden door wanden met een weerstand tegen brand van ten minste één uur.

Tenzij deze openingen in de wanden rechtstreeks buiten uitkomen, zijn ze voorzien van zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deuren of luiken met een weerstand tegen brand van ten minste één uur.

Voornoemde deuren moeten openen in de richting van de evacuatie. 5.7.2. Bakovens en vloeistofverwarmers zijn gelegd op draagsteunen van klasse A0 overeenkomstig bijlage 5 van het K.B. van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. Bovendien, als de wanden vlakbij die toestellen niet gebouwd of bekleed zijn met materialen van klasse A0, die slechte warmtegeleiders zijn, overeenkomstig voornoemde bijlage 5, dan zijn deze toestellen zo ver gelegen van de wanden dat de temperatuur van laatstgenoemde niet hoger kan zijn dan 90 °C. 5.7.3. Afvoerkanalen voor verbrandingsgassen en dampen.

De afvoerkanalen voor verbrandingsgassen en dampen zijn vervaardigd uit materialen van klasse A0 overeenkomstig bijlage 5 van het K.B. van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. De dichtheid van deze kanalen wordt verzekerd tot een temperatuur van 800 °C. De verbrandingsgassen en dampen worden langs deze kanalen, die niet mogen verbonden zijn met andere leidingen, uit het gebouw gedreven.

De niet-geïsoleerde kanalen liggen ten minste 45 cm van elk niet-afgeschermd brandbaar materiaal.

De binnenzijde van de kanalen is glad en weerstaat aan de werking van scheikundige produkten die normaal in de af te voeren verbrandingsgassen en dampen aanwezig zijn.

De kanalen moeten gemakkelijk kunnen worden gereinigd.

Te dien einde zijn er eventueel openingen in aangebracht.

Met uitzondering van de gemeenschappelijke keukens, zijn de kanalen die uit de keukens komen, ofwel aan de buitenkant van de gebouwen stevig vastgemaakt, hetzij in mantelbuizen gezet waarin geen andere leidingen lopen en waarvan de wanden een weerstand tegen brand hebben van ten minste twee uur. In dit laatste geval hebben de deurtjes of de toegangsdeuren voor het nazicht en de reiniging een weerstand tegen brand van ten minste één uur. 5.8. Opslagplaats voor huisvuil.

Dit lokaal voldoet aan de volgende voorschriften : - het wordt ruim geventileerd door openingen die rechtstreeks naar buiten uitkomen; - de binnenwanden zijn Wb 1 u; - de binnendeuren zijn Wb 1/2 u en zijn zelfsluitend; - die lokaal is voorzien van een automatisch hydraulisch blussingssysteem.

Die voorschriften mogen niet van toepassing zijn op de instellingen onder de volgende voorwaarden : - het huisvuil wordt opgeslagen in een metalen container met een zelfsluitend deksel; - de container wordt alleen te dien einde gebruikt en is gelegen op minstens 5 m van elke opening van ieder gebouw. 6. Uitrusting van de instellingen Algemene voorschriften betreffende de certificatie van uitrustingen en installaties : Gelet op de wet van 20 juli 1990 betreffende de accreditatie van certificatie- en keuringsinstellingen, alsmede van beproevingslaboratoria en het koninklijk besluit van 6 september 1993 tot oprichting van een accreditatiesysteem van certificatie-instellingen en tot vaststelling van de accreditatieprocedures overeenkomstig de criteria van de normen van de reeks NBN-EN 45000 : Voor zover de certificatie van de betrokken installateurs, installaties et (of) materieel bestaat binnen een termijn van 2 jaar voorafgaande aan de aanleg van de installatie of het gebruik van het materieel : - De installaties en (of) het materieel dat in de instelling gebruikt of vervangen wordt, moeten gecertificeerd worden door een certificatie-instelling, die geaccrediteerd is als certificatie-instelling voor produkten, overeenkomstig het BELCERT-systeem of volgens een wijze van certificatie die in een ander Lidstaat van de Europese Unie gelijkwaardig is;bij gebrek aan certificatie moeten ze voldoen aan de algemene criteria opgenomen in de NBN EN 45011. - De installaties en (of) het materieel dat in de instelling gebruikt of vervangen wordt, moeten gelegd worden door installateurs gecertificeerd door een certificatie-instelling, die geaccrediteerd is als certificatie-instelling voor produkten, overeenkomstig het BELCERT-systeem of volgens een wijze van certificatie die in een ander Lidstaat van de Europese Unie gelijkwaardig is; bij gebrek aan certificatie moeten ze voldoen aan de algemene criteria die opgenomen zijn in de NBN EN 45013. 6.1. Liften en goederenliften. 6.1.1. Algemene voorschriften die toepasselijk zijn op liften en goederenliften : 6.1.1.1. De installaties, schachten en machinekamers zijn opgericht overeenkomstig de voorschriften van het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming ». Dit voorschrift wordt uitgebreid, ter aanvulling van de voorschriften van het artikel 28 van het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming », aan alle in dit besluit bedoelde instellingen, die al dan niet personeelsleden tewerkstellen. 6.1.1.2. Het geheel dat gevormd wordt door één of verschillende schacht(en) en door hun toegangsbordessen, die het sas moeten vormen, wordt omringd met wanden met een weerstand tegen brand van ten minste één uur. 6.1.1.3. De deuren naar de bordessen die het sas moeten afsluiten, zijn Wb 1/2 u en zelfsluitend. 6.1.1.4. De gehelen van portaaldeuren hebben een weerstand tegen brand van ten minste een half uur, overeenkomstig de norm NBN 713-020 en haar addendum, zonder rekening te houden van het criterium van thermische isolatie. 6.1.1.5. De portaaldeuren zijn voorzien van een zelfsluitend en veiligheidssysteem zodanig dat hun sluiting niet verhindert wordt door de aanwezigheid van rook. 6.1.1.6. Geen enkel blusapparaat mag in het schacht voorkomen. 6.1.1.7. De schacht moet behoorlijk geventileerd worden. Het mag niet gebruikt worden om andere lokalen te ventileren als degene die bestemd zijn voor de liftdienst. Het bovengedeelte van de schacht moet voorzien zijn van ventilatieopeningen naar buiten met een minimale oppervlakte van 1 % van de horizontale doorsnede van de schacht, hetzij rechtstreeks, hetzij door de machine- of riemschijfkamer. 6.1.1.8. In geval van alarm worden de liften automatisch teruggeroepen naar het evacuatieniveau en worden ze stopgezet. De deuren van de liften met een automatische opening worden opengehouden. 6.1.1.9. Indien zij voorzien zijn van branddetectors, moeten die aangepast worden aan het elektrisch materiaal, stabiel in de tijd zijn en degelijk beschermd zijn tegen toevallige stoten. 6.1.2. Algemene voorschriften betreffende de door de NBN E 52-014 bedoelde elektrische liften en de goederenliften met een opgehangen kooi : 6.1.2.1. De machinekamers liggen boven of naast de schachten of aan het bovenste gedeelte ervan. De wanden die deze kamers afzonderen van de andere lokalen hebben een weerstand tegen brand van ten minste één uur. 6.1.2.2. Indien men langs de deur of de valdeur van de machinekamer in het gebouw kan binnentreden, dan heeft zij een weerstand tegen brand van ten minste een half uur en is ze zelfsluitend. Zij is gewoonlijk vergrendeld. Een bakje met glazen ruit moet vlakbij liggen met de sleutel. 6.1.2.3. De machinekamers en de schachten moeten voorzien zijn van een natuurlijke ventilatie met een ventilatiegat voor buitenlucht. De ventilatieopeningen hebben een minimale doorsnede van 1 % van de horizontale doorsnede van de overeenstemmende schacht. 6.1.2.4. Wanneer de machinekamers op verschillende niveaus liggen, zijn de schachten die met elk niveau overeenstemmen, afgescheiden door wanden met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur. 6.1.3. Bijzondere voorschriften voor de door de norm NBN E 52-018 bedoelde hydraulische liften : 6.1.3.1. De machinekamer is afgezonderd van de schacht en ligt aan de onderkant daarvan (onderaan, zijdelings of achteraan). Haar wanden hebben een weerstand tegen brand van ten minste één uur. De toegang gebeurt langs een zelfsluitende deur met een weerstand tegen brand van ten minste een half uur. Zij is gewoonlijk vergrendeld. Een bakje met glazen ruit moet vlakbij liggen met de sleutel. 6.1.3.2. De machinekamer moet voorzien zijn van een natuurlijke ventilatie met een ventilatiegat voor buitenlucht. De ventilatieopeningen hebben een minimale doorsnede van 1 % van de horizontale doorsnede van het lokaal. 6.1.3.3. De drempel van de deuren naar de machinekamer is verhoogd zodat de zo gevormde bak ten minste 1,2 maal de oliecapaciteit kan bevatten. 6.1.3.4. De elektrische apparatuur alsook de elektrische en hydraulische leidingen die door de machinekamer naar de schacht lopen, liggen hoger dan het niveau dat de in de machinekamer uitvloeiende olie kan bereiken. 6.1.3.5. De ruimte rond de opening waardoor deze leidingen lopen is afgestopt met een toestel dat ten minste dezelfde Wb heeft als de overeenstemmende wand. 6.1.3.6. Een thermo-onderbreking is voorzien in het oliebad en in de wikkelingen van de motor die de pomp aandrijft.

Minimale kenmerken van de olie : - Bliksempunt in open vat : 190 °C. - Zelfontbrandingspunt : 350 °C. 6.1.3.7. Een onverplaatsbaar blusapparaat met een capaciteit in verhouding met de hoeveelheid gebruikte olie en met het volume van de machinekamer, is boven de machine gelegd. Het wordt in gang gebracht door een temperatuurvoeler. De informatie betreffende de uitschakeling van de installatie wordt overgebracht naar de branddetector. 6.1.4. Bijzondere voorschriften voor goederenliften : 6.1.4.1. De installatie van een sas is niet noodzakelijk als een Wb 1/2 u-zelfsluitende deur is gelegd tegen de opening die tegenover de portaaldeuren aangebracht is. 6.1.4.2. In akkoord met de territoriaal bevoegde Brandweer, zal kunnen afgeweken worden van de verplichting een ventilatiegat voor buitenlucht aan te brengen voor de ventilatie van de machineschachten- en kamers voor zover wordt voldaan aan de voorschriften van lid 6.1.1.2. als een ventilatiegat voor binnenlucht moet worden aangebracht. 6.2. Elektrische installaties voor drijfkracht, verlichting en signalisatie. 6.2.1. Algemene inleiding. 6.2.1.1. De installaties zijn opgericht overeenkomstig de voorschriften van het « Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties », alsook overeenkomstig de in § 6.2. opgenomen voorschriften. 6.2.1.2. De kunstmatige verlichting moet elektrisch zijn. 6.2.2. De leidingen die stroom leveren voor : - de veiligheidsverlichting (behoudens de autonome blokken); - de installaties voor meldingen, waarschuwingen en alarm; - de machinerie van de liften die prioritair worden opgeroepen; - de ontrookinrichtingen; - de pompen voor waterbevoorrading van de installaties voor brandbestrijding, zijn, zo mogelijk, zodanig gelegd dat het gevaar aan uitvallen verdeeld is. Bovendien zijn deze leidingen verwijderd van de lokalen die een bijzonder brandgevaar inhouden, zoals stookplaatsen, keukens, bergplaatsen, enz.

De voornoemde leidingen zijn : - ofwel van klasse F3 volgens de Belgische norm NBN C 30-004; - ofwel beschermd om gedurende een half uur te voldoen aan de voorwaarden waaronder de weerstand tegen brand van de Belgische norm NBN 713-020 wordt bewezen; - ofwel gedurende een half uur conform het addendum nr. 3 van de norm NBN 713-020, d.w.z. dat gedurende een half uur ze voor de voorziening van de elektrische toestellen zorgen.

In akkoord met de territoriaal bevoegde Brandweer mogen die voorschriften niet van toepassing zijn op de ontrookinstallaties die in positieve veiligheid werken.

Die vereisten zijn niet van toepassing op de kabels waarbij de branddetectors en de eventuele drukknoppen zijn verbonden met een branddetectiecentrale. 6.2.3. Toestellen. 6.2.3.1. De apparatuur en de gebruikstoestellen moeten voldoende veiligheidswaarborgen bieden.

Deze vereiste wordt als voldoende beschouwd wat betreft onder meer de apparatuur en de gebruikstoestellen die aan Belgische normen voldoen. 6.2.3.2. De toestellen die zorgen voor de normale kunstmatige verlichting van de bij evacuatie gebruikte ruimten, zijn vastgehecht.

Als ze van een uurwerk afhangen, moet men zorgen voor een progressieve storing van de verlichting zodanig dat die opnieuw mag aangestoken worden zonder ooit in de duisternis te zijn. 6.2.4. Autonome stroombronnen.

De veiligheidsverlichting, alsook de elektrische meldings- en alarminstallaties, worden gevoed door één of meerdere autonome stroombronnen, waarvan het vermogen groot genoeg is om al de erop aangesloten installaties gelijktijdig te laten werken.

Zodra de normale voorziening in elektrische stroom uitvalt, moeten de autonome stroombronnen : - automatisch stroom leveren voor de erop aangesloten apparaten; - binnen de minuut volop kunnen werken, dit gedurende minstens één uur na de onderbreking van de normale stroomlevering. 6.2.5. Veiligheidsverlichting.

De volgende plekken moeten voorzien zijn van veiligheidsverlichting : - de evacuatiewegen waar de signalisatie betreffende de evacuatie en de brandbestrijdingsmiddelen ook moet worden verlicht, - bordessen, - liftkooien en -machinerie, - grote gemeenschappelijke lokalen (refters, vergaderzalen, zalen voor de eredienst,...) - stookplaatsen, - keukens, - hoogspanningsstations, schakelborden voor de verdeling van de elektrische energie op elke verdieping en voor branddetectie, - lokalen waarin de autonome stroombronnen alsook de brandbestrijdingsinstallaties en -materieel liggen.

De installatie en de inrichting van de toestellen stemmen overeen met de voorschriften van de norm NBN L 13-005 « Veiligheidsverlichting in de gebouwen : fotometrische en colorimetrische voorschriften », NBN C 71-100 « Onderhoudsmaatregelen en instructies voor controle en onderhoud ».

Zodra de stroomlevering van het netwerk ontbreekt, zorgt(zorgen) de autonome stroombron(nen) automatisch en onmiddellijk voor de werking van bovenvermelde installaties gedurende één uur.

De veiligheidsverlichting mag geleverd worden door autonome blokken als de volgende voorwaarden in acht worden genomen : - De autonome blokken zijn verbonden met het/de circuit(s) die het betrokken lokaal voorzien van verlichting. - De autonome blokken stemmen overeen met CEI EN 60598-2-22 « Autonome blokken voor veiligheidsverlichting ». 6.3. Installaties bevoorraad met brandbaar gas dat lichter is dan de lucht en dat langs leidingen wordt gevoerd. 6.3.1. De installaties stemmen overeen met : - het koninklijk besluit van 28 juni 1971 betreffende de te treffen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en de exploitatie van installaties voor gasdistributie door middel van leidingen; - de Belgische norm NBN D 51-003 en D 51-004. Installaties bevoorraad in brandbaar gas dat lichter is dan de lucht en dat langs leidingen wordt gevoerd; - de Belgische norm NBN D 51-001. Lokalen voor opslagplaatsen van aardgas; - de voorschriften die in § 6.3. opgenomen zijn. 6.3.2. Aansluiting op het distributienet.

Op elke buis waarbij de instelling aangesloten wordt op het distributienet, is een afsluitkraan gelegd buiten de gebouwen en buiten hun toegangen. De plaats waar deze kraan(kranen) ligt (liggen) is gemakkelijk te vinden. 6.3.3. Voeringen.

De voeringen zijn onafgebroken en hebben een voldoende mechanische weerstand. Ze zijn verplicht voor alle buizen in de wanddoorvoering.

Geen andere leiding mag de voering van een gasbuis gebruiken. 6.3.4. Gebruikstoestellen.

De buisleiding van de gebruikstoestellen bestaat uitsluitend uit onbuigbare elementen. Zonder dat men daarom niet meer verplicht is een stopkraan op de aanvoerbuis van elk gebruiktoestel te plaatsen wanneer verschillende gebruikstoestellen in eenzelfde lokaal zijn geïnstalleerd, wordt een verdelingskraan gelegd op de buisleiding die het geheel van deze toestellen bevoorraadt. Deze gemakkelijk bereikbare kraan ligt op minder dan 15 m van het eerste bediende toestel.

Alle noodzakelijke maatregelen zijn getroffen opdat deze kraan enkel in geval van noodzaak zou kunnen worden gebruikt.

De toestellen stemmen overeen met het koninklijk besluit van 3 juli 1992 betreffende de veiligheid van gastoestellen. Alle verwarmings- en kooktoestellen die verbonden zijn met de gasinstallatie, zijn voorzien van veiligheidsthermoëlementen. 6.4. Installaties met vloeibaar gemaakte petroleumgassen. 6.4.1. Algemene inleiding. 6.4.1.1. De installaties met vloeibaar gemaakte petroleumgassen voldoen aan de desbetreffende voorschriften, normen, vakmanskunst, technische eisen en richtlijnen. 6.4.1.2. De hulpstukken zoals kranen, kleppen, deksels, veiligheidsventielen, ontspanners, enz., zijn geschikt voor het gebruik van vloeibaar gemaakte petroleumgassen. 6.4.1.3. Het gebruik van commerciële butaan in verplaatsbare flessen is verboden. 6.4.1.4. In de gebouwen bedraagt de maximaal toegelaten bedrijfsdruk 1,5 bar. 6.4.1.5. In de gebouwen is de installatie zodanig opgericht dat, zelfs per ongeluk, de druk in de leidingen de bedrijfsdruk niet overschrijdt met meer dan 50 %. 6.4.1.6. Een afsluitkraan ligt vlakbij de plaats waar de leiding het gebouw binnenkomt. Deze afsluitkraan moet buiten het gebouw en zijn ingangen liggen. De plaats waar deze kraan ligt is gemakkelijk te vinden. 6.4.1.7. De handelingen voor het plaatsen of vervangen van verplaatsbare recipiënten worden zo veilig mogelijk uitgevoerd. Na deze handelingen wordt de dichtheid van de buizen en koppelingen nagegaan. 6.4.2. Installaties die gas in vaste reservoirs gebruiken. 6.4.2.1. Ongeacht hun inhoud, voldoen de opslagplaatsen met vaste reservoirs voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen aan de voorschriften van het desbetreffende koninklijk besluit van 21 oktober 1968. 6.4.2.2. Op grond van het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming » wordt bovendien een machtiging vereist voor opslagplaatsen met vaste reservoirs met een inhoud van 300 liter en meer (gemeten in liter water). Onverminderd de voorschriften van voormelde paragraaf, moeten deze opslagplaatsen ook voldoen aan de eventuele vereisten van de machtigingsbesluiten. 6.4.2.3. De gebouwen met lokalen die bestemd zijn voor bewoners, zijn zowel verwijderd of gescheiden van de eventuele verdampingsinfiltraties als van andere gebouwen of door derden bewoonde lokalen. 6.4.3. Installaties die gas in verplaatsbare recipiënten gebruiken. 6.4.3.1. De verplaatsbare recipiënten voldoen aan de voorschriften van het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming ». 6.4.3.2. De opslagplaatsen met verplaatsbare recipiënten met een totale inhoud (in liter water) van 500 liter of meer moeten gemachtigd zijn overeenkomstig het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming » en moeten voldoen aan de eventuele vereisten van de machtigingsbesluiten. 6.4.3.3. Veiligheidsmaatregelen voor verplaatsbare recipiënten 6.4.3.3.1. De verplaatsbare recipiënten mogen niet in de gebouwen gelegd worden. Buiten de gebouwen zijn zij op minstens 1,5 m van vensters en 2,5 m van deuren gelegd. 6.4.3.3.2. De verplaatsbare recipiënten staan steeds rechtop, op een niveau dat niet lager ligt dan de omliggende grond, en op minstens 2,5 m afstand van elke kelderopening of ingang naar een ondergrondse plek.

Zij moeten tegen omvallen beschermd zijn. 6.4.3.3.3. Gemakkelijk brandbare stoffen, met inbegrip van droog gras en onkruid, mogen niet opgestapeld worden op minder dan 2,5 m van de verplaatsbare recipiënten. 6.4.3.3.4. Verplaatsbare recipiënten met hun toestellen zijn beschermd tegen weer en wind. Elke schuilplaats of lokaal waarin ze eventueel geïnstalleerd zijn : - mogen enkel vervaardigd zijn uit ontbrandbare materialen; - zijn voorzien van een goede ventilatie, zowel onderaan als bovenaan. 6.4.3.3.5. Kopelling van de verplaatsbare recipiënten aan de distributieleiding.

Ten einde het leeglopen van de leiding bij het vervangen van een leeg recipiënt door een vol te vermijden, is een afsluitsysteem aangebracht op de leiding van elke verplaatsbare recipiënt. Dit apparaat mag bestaan hetzij uit een klep of een terugslapklep, hetzij uit een omkeerklep als de voorziening langs twee recipiënten gebeurt. 6.4.4. Leidingen. 6.4.4.1. De leidingen zijn vervaardigd uit buizen van naadloos staal, koper of koperlegering, sterk genoeg om te weerstaan aan een bedrijfsdruk van 20 bar.

De buisstukken waaruit de distributieleiding bestaat, zijn aan elkaar gezet door : - autogeenlassing; - een soldeernaad waarvan het smeltpunt van het mengsel op minstens 500 °C ligt.

Nochtans wordt het gebruik toegelaten van mechanische koppelingen die bestemd zijn voor vloeibaar gemaakte petroleumgassen, in hoeverre dit nodig is voor het demonteren en hermonteren. 6.4.4.2. De distributieleidingen moeten binnen de gebouwen zo gelegd zijn, dat zij over hun ganse lengte kunnen geïnspecteerd worden, behalve daar waar zij in voeringen moeten gelegd zijn, overeenkomstig lid 6.4.4.5.. Doeltreffende maatregelen zijn getroffen om deze leidingen te beschermen tegen corrosie. 6.4.4.3. De leidingen mogen niet gelegd zijn : - in de kanalen voor afvoer van rook of verbrandingsgassen, zelfs als deze niet gebruikt worden; - in de schachten van de liften, lasten- of bordenliften; - in de mantelbuizen voor het waslinnen; - in de ventilatie- of verwarmingsmantelbuizen.

Zij mogen evenmin door voormelde kanalisaties of mantelbuizen lopen, noch door watergoten of rioolmonden. De distributieleidingen zijn gelegd op minstens 5 cm afstand van andere kanalisaties en mogen niet in verbinding staan met de afvoerkanalen voor rook en verbrandingsgassen. 6.4.4.4. De distributieleidingen mogen niet door ruimten lopen waar een lek bijzonder gevaarlijk kan zijn, hetzij door de bestemming van deze ruimte, hetzij door hun onvoldoende ventilatie. Indien dit nochtans niet kan vermeden worden, mogen de buizen van geen enkel mechanisch koppelstuk voorzien zijn over heel de lengte waarvan sprake. 6.4.4.5. Voeringen De voeringen zijn uit één stuk en hebben een voldoende mechanische weerstand. Zij zijn verplicht voor alle leidingen die door wanden steken.

De voeringen voor de gasdistributie mogen geen andere leiding bevatten. 6.4.5. Gebruikstoestellen. 6.4.5.1. Voor de voorziening van de gebruikstoestellen worden enkel onbuigzame buizen gebruikt.

Op de aanvoerleiding van elk gebruikstoestel staat een stopkraan. Deze kraan moet gemakkelijk bereikbaar zijn en ligt vlakbij het bediende toestel.

Een verdeelkraan is op de algemene voedingsleiding gelegd, wanneer meerdere gebruiksapparaten in één lokaal gegroepeerd zijn. Deze kraan is gemakkelijk te bereiken en ligt op minder dan 15 m van het eerste toestel.

De nodige maatregelen zijn getroffen opdat deze kraan enkel in geval van noodzaak zou kunnen gebruikt worden. 6.4.5.2. Elk gebruikstoestel is aangepast aan de aard en druk van het gas. De toestellen komen overeen met het koninklijk besluit van 3 juli 1992 betreffende de veiligheid van gastoestellen. Alle verwarmings- en kooktoestellen die zijn verbonden met de gasinstallatie, zijn voorzien van veiligheidsthermoëlementen. 6.4.5.3. In de lokalen waar één of meer toestellen zijn geïnstalleerd, zijn afdoende maatregelen getroffen, niet alleen voor een goede ventilatie, maar ook voor : - een voldoende aanvoer van verse lucht, om de lucht te vervangen die door de gasverbranding werd opgebruikt; - een voldoende afvoer van de verbrandingsgassen buiten de gebouwen.

Afvoerleidingen zorgen voor het uitdrijven van de verbrandingsprodukten die voortkomen uit de in de keukens gebruikte toestellen. Deze leidingen voldoen aan de voorschriften van lid 5.6.3. 6.5. Installaties voor verwarming en klimaatregeling. 6.5.1. Algemene inleiding. 6.5.1.1. Terminologie. 6.5.1.1.1. Installatie van centrale verwarming : verwarmingsinstallatie waarvan de warmtebron(nen) de energie van een fluïdum opvoert, en deze vervolgens overbrengt naar de lokalen die moeten worden verwarmd. 6.5.1.1.2. Lokaal verwarmingsapparaat : toestel met een warmtebron dat geïnstalleerd is in het te verwarmen lokaal. 6.5.1.1.3. Centrale installatie voor klimaatregeling : regelingsinstallatie waarbij de verwerkte lucht vervoerd wordt naar de verschillende lokalen die moeten worden geklimatiseerd of verlucht. 6.5.1.2. De centrale verwarmings- of klimaatregelingsinstallaties voldoen aan de voorschriften, grondregels van de bouwkunst en technische richtlijnen betreffende de centrale verwarming, de ventilatie en de klimaatregeling, die op de datum van oprichting van de installaties van kracht zijn. 6.5.2. Centrale verwarmingsinstallaties. 6.5.2.1. De warmtebronnen zijn opgericht in stookplaatsen die voldoen aan de vereisten van § 5.2. 6.5.2.2. De warmtebronnen met automatische ontsteking waarin een vloeibare brandstof gebruikt wordt, zijn uitgerust met veiligheidstoestellen overeenkomstig de norm EN 230 « Verstuivingsstookoliebrander uit één stuk - veiligheids-, aandrijvings- en regelingsvoorschriften » en EN 264 « Veiligheidsvoorschriften voor verbrandingsinstallaties die vloeibare brandstoffen gebruiken - veiligheidsvereisten - proeven ». 6.5.2.3. De warmtebronnen met een automatische ontsteking die een brandbaar gas gebruiken, zijn uitgerust met een toestel : - dat de toevoer van brandstof naar de brander automatisch afsluit bij het stilvallen van de brander, bij oververhitting of overdruk in de wisselaar; - dat alle toevoer van brandstof afsluit bij toevallig uitdoven van de waakvlam.

De toestellen stemmen overeen met het koninklijk besluit van 3 juli 1992 betreffende de veiligheid van gastoestellen. 6.5.2.4. Centrale verwarmingsinstallaties met warme lucht. 6.5.2.4.1. In de warmtebronnen heeft de lucht voortdurend een hogere druk dan het gas dat circuleert in de ketelhaard. 6.5.2.4.2. Niet toegelaten worden : - de verwarming met rechtstreekse verbranding in de rond te stuwen lucht; - de verwarming met een uitwisseling van warmte met een vloeistof of stoom waarvan de temperatuur hoger is dan 180°C. 6.5.3. Plaatselijke verwarmingstoestellen.

De plaatselijke toestellen die zorgen voor bijkomende of aanvullende verwarming, werken elektrisch en voldoen aan volgende vereisten : - er mag geen enkel contact zijn, zelfs toevallig, tussen om het even welk voorwerp en de verwarmende weerstanden; - de temperatuur van de lucht aan de uitlaat mag niet hoger zijn dan 80 °C; - de temperatuur van de uitwendige en bereikbare delen van het toestel mag in geen geval hoger zijn dan 70 °C. 6.5.4. Centrale installaties voor klimaatregeling.

De groepen voor de luchtbehandeling zijn geïnstalleerd in daarvoor bestemde lokalen en voldoen aan de voorschriften van § 5.2.

Bovendien zijn maatregelen getroffen om te vermijden dat dampen van de koelvloeistof rechtstreeks of onrechtstreeks andere lokalen van de inrichting zouden doordringen. 6.5.5. Gemeenschappelijke voorschriften : Die voorschriften zijn van toepassing op de installaties voor verwarming door warme lucht en op de centrale klimaatregelingsinstallaties. 6.5.5.1. De leidingen voor de luchtcirculatie zijn vervaardigd uit materialen van klasse A0 overeenkomstig bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. 6.5.5.2. De gevoerde lucht mag niet voortkomen uit de stookplaatsen, noch uit lokalen waar bijzonder brandgevaar bestaat. 6.5.5.3. Om te vermijden dat, bij brand, de rook de nog niet door het vuur aangetaste lokalen zou doordringen langs de luchtleidingen, zijn aangepaste toestellen gelegd. 6.5.5.4. Waar de gebruikte leidingen de bediende lokalen doordringen, mag de temperatuur van de gevoerde lucht niet hoger zijn dan 80 °C. 6.5.5.5. Bij abnormale stijging van de temperatuur van het verwarmde fluïdum, legt een veiligheidstoestel de ventilatoren stil, en al naar gelang het geval : - dooft de warmtebron of zet de waakvlam aan van de warmtegeneratoren; - snijdt de elektrische stroom af van de groepen voor luchtbehandeling.

Dit automatisch mechanisme is ontdubbeld door handbedieningen die oordeelkundig op ten minste twee plaatsen van de inrichting zijn gelegd.

Deze handbedieningen zijn gelegd buiten de lokalen waar de stookplaats of de groep voor luchtbehandeling zijn geïnstalleerd. Bovendien is één van de handbedieningen opgericht in een lokaal of ruimte die rechtstreeks van buitenuit kan betreden worden. Panelen in het wit met rode letters of tekens : - duiden de plaats aan waar de voornoemde handbedieningen liggen; - verstrekken de nodige inlichtingen om deze handbedieningen te kunnen gebruiken en om eventueel andere acties te kunnen verrichten. 6.5.5.6. De gedeelten van de luchtomloop in « onderdruk », zoals filterkamers, schachten, enz., zijn voldoende dicht om de insijpeling van rook en gassen te voorkomen uit de lokalen waarlangs de omloop is geleid. 6.5.5.7. De elektrische motoren zijn gemakkelijk bereikbaar voor onderhoud.

Wanneer een motor geïnstalleerd is in de luchtomloop, heeft hij ten minste een bescherming IP4 X (NBN C 20-001). Bovendien zijn de wikkelingen beschermd door een ingebouwde thermische beveiliging die de aanvoer van elektrische stroom naar de motor afsnijdt bij oververhitting.

De ingebouwde thermische beveiliging is niet vereist voor motoren van 0,36 KW en minder. 6.5.5.8. De mondingen voor het aanzuigen of afvoeren van lucht naar buiten zijn zodanig gelegd dat geen vast brandbaar bestanddeel kan indringen en dat het brandgevaar van buiten vermeden wordt.

Deze mondingen worden beschermd door tralies of corrosievrij maaswerk. 6.5.5.9. Verwarmingsmonden, luchtverspreiders of afzuigmonden zijn op minstens 0,08 m boven de afgewerkte vloer gelegd. Deze mondingen zijn op dezelfde wijze beschermd als bedoeld in lid 6.5.5.8.

De bepalingen van het vorig lid zijn echter niet van toepassing op de monden die, in vergaderzalen, toneelzalen en conferencielokalen, enz., in de afgewerkte planken vloer kunnen worden gelegd. Die monden zijn dan niet alleen uitgerust met het hiervoor beschreven tralie- of maaswerk maar ook met een metalen korf met dezelfde oppervlakte als de beschermde monden. 6.6. Installaties voor branddetectie, melding, waarschuwing, alarm en brandblusmiddelen. 6.6.1. Algemene inleiding 6.6.1.1. Alle inrichtingen zijn uitgerust met een installatie voor detectie van brand alsook met toestellen of middelen voor melding, waarschuwing, alarm en brandblussing. 6.6.1.2. De detectie-installaties waarmee de inrichtingen zijn uitgerust, zijn veralgemeende installaties voor automatische branddetectie door punctuele voelers, die overeenstemmen met de Belgische norm NBN S 21-100. 6.6.1.3. Aantal, keuze en ligging van de toestellen en middelen voor brandmelding, waarschuwing, alarm en blussing 6.6.1.3.1. Het aantal en de keuze van de toestellen of middelen zijn onder meer bepaald door de inplanting van de inrichting, het aantal bewoonde niveaus, de afmetingen, de toestand en de bestemming van de inrichting, in akkoord met de territoriaal bevoegde Brandweer. De toestellen zijn zodanig verdeeld dat elk punt van de betrokken plaats kan worden bediend. 6.6.1.3.2. De toestellen en middelen waarvoor een menselijke handeling nodig is, zijn op zichtbare en gemakkelijk te vinden plaatsen gelegd, die in alle omstandigheden zonder moeite bereikbaar zijn.

Ze zijn zodanig geïnstalleerd dat het verkeer niet gehinderd wordt en dat ze niet beschadigd of omgestoten kunnen worden. De toestellen en middelen die buiten gelegd of geïnstalleerd zijn, zijn zo nodig tegen weer en wind beschut. 6.6.2. Brandmelding. 6.6.2.1. Vanuit elk compartiment moet de ontdekking of de detectie van brand onverwijld aan de brandweer meegedeeld kunnen worden. 6.6.2.2. De nodige verbindingen zijn op elk ogenblik verzekerd door telefoon- of elektrische lijnen, of door elk ander systeem dat dezelfde werkingszekerheid en gebruiksfaciliteiten biedt. 6.6.2.3. Elk toestel waardoor de verbinding tot stand kan worden gebracht en waarvoor een menselijke tussenkomst nodig is, is voorzien van een bericht dat inlichtingen over zijn bestemming en gebruik bevat.

Indien het om een telefoontoestel gaat, staat het oproepnummer vermeld, behalve als de verbinding rechtstreeks of automatisch is. 6.6.3. Waarschuwing De waarschuwingsberichten of -signalen zijn waarneembaar door elke betrokken persoon, onder meer door de leden van het waakpersoneel en het personeel van de eventuele inwendige veiligheidsdienst. Die signalen of berichten mogen geen verwarring veroorzaken met andere, in het bijzonder met de alarmsignalen of -berichten. 6.6.4. Alarm 6.6.4.1. De alarmsignalen of -berichten zijn waarneembaar door elke betrokken persoon. Die signalen of berichten mogen geen verwarring veroorzaken met andere, in het bijzonder met de waarschuwingssignalen of -berichten. In elk geval moten ze de bewoners kunnen wekken. 6.6.4.2. Vanwege de omvang van de inrichting, wordt het bevel waarbij die geheel of gedeeltelijk wordt geëvacueerd, gegeven door de alarminstallaties. 6.6.5. Blusmiddelen. 6.6.5.1. Algemene inleiding. 6.6.5.1.1. Het aantal en de keuze van blusmiddelen van elk type worden bepaald in akkoord met de territoriaal bevoegde Brandweer die, wat betreft de blus- en watervoorzieningsmiddelen, mag toelaten dat volgende voorschriften slechts gedeeltelijk uitgevoerd worden. 6.6.5.1.2. De apparaten en installaties bieden voldoende waarborgen voor een goede werking. Die vereiste wordt beschouwd als voldaan wat betreft, onder meer, de apparaten en installaties die overeenstemmen met een Belgische norm. 6.6.5.2. Blusapparaten.

De blusapparaten stemmen overeen, volgens hun type en capaciteit, met één van de Belgische norme NBN S 21-011 tot 19.

Een draagbare snelblusser is gelegd vlakbij elke haspel met axiale voeding, waarvan de installatie eventueel verplicht is. In alle gevallen moet elke verdieping beschikken over ten minste één draagbaar blusapparaat.

Vanwege de bijzondere risico's die sommige lokalen, technische ruimten of installaties bieden, zoals stookplaatsen, hoogspanningskabines, machinekamers van liften, friteuses, enz., zijn een voldoende aantal blusapparaten gelegd of geïnstalleerd in oordeelkundig gekozen plaatsen.

De capaciteit en het type van de in deze paragraaf bedoelde snelblussers zijn aangepast aan de betrokken risico. 6.6.5.3. Muurhaspels met axiale voeding en muurhydranten. 6.6.5.3.1. De toestellen waarvan sprake stemmen overeen met de betrokken norm, d.w.z. hetzij de Belgische norm NBN EN-671-1 m.b.t. muurhaspels met axiale voeding, hetzij de Belgische norm NBN 571 m.b.t. muurhydranten. 6.6.5.3.2. De eventuele muurhaspels met axiale voeding en muurhydranten zijn gegroepeerd en hebben een gemeenschappelijke watervoorziening. 6.6.5.3.3. De leiding die deze muurhaspels met water onder druk voedt, heeft een voldoende binnendiameter voor de debieten die bedoeld zijn in de norm aan de uitlaat van de minst begunstigde lans onder een druk van ten minste 2,5 bar. 6.6.5.3.4. De voedingsdruk is zodanig dat de resterende druk aan de uitlaat van de minst begunstigde lans ten minste 2,5 bar bedraagt wanneer het net 500 liter per minuut afgeeft in de ongunstigste voorwaarden.

De installatie moet een minimaal uurdebiet afgeven van 30 m3 tijdens ten minste twee uur. 6.6.5.3.5. De toestellen worden zonder voorafgaaande handeling met water onder druk gevoed. De algemene afsluiters en alle tussenafsluiters zijn in de open stand verzegeld. De voedingskanalisaties zijn binnen het gebouw vervaardigd uit roestvast of gegalvaniseerd staal of uit koper. De kanalisaties zijn zorgvuldig beschermd tegen vorst.

Om de gevaren en de hinder te voorkomen die hun breuk met zich zou brengen, zijn de leidingen voorzien van het strikt onontbeerlijk aantal afsluitkranen of aftapkranen. Aan de voet van elke verticale leiding zijn, vlakbij hun verbinding met de hoofdleiding, een afsluitkraan en een aftapkraan gelegd om die leiding desnoods te kunnen isoleren of ledigen.

De aanduidingen in verband met de richting waarin de afsluit- en aftapkranen openen, zijn duidelijk vermeld op de handwielen of krukken die de werking van die toestellen bedienen.

Ten einde de druk van het water op die twee punten van de installatie op elk ogenblik te kunnen meten, is een manometer met een controledriewegkraan gelegd vlakbij de algemene sluiter en een tweede voorbij het hoogste toestel ten opzichte van de vloer. Dank zij die manometers kunnen drukken gelezen worden tot 10 bar met een nauwkeurigheid van 0,2 bar. 6.6.5.4. Brandkranen of hydranten. 6.6.5.4.1. De brandkranen of hydranten worden gevoed door de openbare voorziening van water onder druk met een debiet van ten minste 800 liter per minuut.

Indien de openbare voorziening aan dat debiet niet kan voldoen, dient men beroep te doen op andere voorzieningsbronnen waarvan de minimale capaciteit 100 m3 bedraagt. 6.6.5.4.2. Er is ten minste één brandkraan of hydrant vlabij elke inrichting. Het aantal en de ligging van de brandkranen of hydranten zijn zo dat de naaste brandkraan of hydrant ten minste 100 m ligt van de ingang van het gebouw. Er wordt gezorgd voor een signalisatie die overeenstemt met de omzendbrief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van 10.10.1975 betreffende de watervoorziening voor brandblussing. Bij gebrek daaraan zal een watervoorrad met een inhoud van 100 m3 beschikbaar zijn op minder dan 50 m van de inrichting. 6.6.5.4.3. De brandkranen of hydranten zijn geïnstalleerd in de voetpaden van de straten, pleinen, binnenplaatsen, enz., op plaatsen die gelegen zijn op minstens 0,60 m van de banen, wegen of doorgangen waarop autovoertuigen kunnen rijden en parkeren. 6.6.5.5. Vaste en automatische blusinstallaties.

In de stookplaatsen waar één of verschillende warmtebronnen in gebruik zijn die met een vloeibare brandstof gevoed worden, zijn deze bronnen uitgerust met een automatisch blussysteem gekoppeld aan toestellen die, als zij in werking treden, de aanvoer van brandstof en elke energiebron uitschakelen in de stookplaats waar brand is uitgebroken.

In keuken-restaurantcomplexen is elk vast frituurtoestel uitgerust met een vaste en automatische blusinstallatie die gekoppeld is aan een apparaat waarbij de voeding in warmte-energie van het frituurtoestel wordt onderbroken.

De in dit artikel bedoelde automatische blussingsinstallaties zijn uitgerust met een waarschuwingssysteem dat gekoppeld is aan de branddetectie. HOOFDSTUK 3. - Onderhoud, controle en bewoning 7. Onderhoud en controle. 7.1. Algemene inleiding. 7.1.1. De technische uitrusting van de inrichting wordt in goede staat gehouden. 7.1.2. De Directie van de inrichting zorgt ervoor dat de in paragrafen 7 en 8 van hoofdstuk III bedoelde keuringen, bezoeken en controles uitgevoerd worden en dat proces-verbalen hiervan worden opgemaakt. Een exemplaar daarvan blijft in het bezit van de Directie, één wordt gestuurd aan de Minister die bevoegd is voor de erkenning van rusthuizen voor bejaarden, en één wordt gestuurd aan de burgemeester van de gemeente waar de instelling gevestigd is. 7.2. Liften en goederenliften.

De liften en goederenliften zijn gekeurd en bezocht overeenkomstig de bepalingen van het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming ».

Dit voorschrift betreft ook al de in dit besluit bedoelde instellingen, die al dan niet personeelsleden tewerkstellen, ter aanvulling van de bepalingen van artikel 28 van het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming ». 7.3. Elektrische installaties voor drijfkracht, verlichting en signalisatie.

De elektrische installaties, met inbegrip van de installaties voor veiligheidsverlichting, zijn gekeurd en bezocht door een instelling die door het Ministerie van Economische Zaken erkend is, overeenkomstig de bepalingen bedoeld in het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming », het « Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties » en de bijzondere bepalingen die in voornoemde bijlage opgenomen zijn : - bij hun inbedrijfstelling, alsook wanneer belangrijke wijzigingen worden aangebracht; - één keer per jaar voor alle installaties.

Die voorschriften betreffen ook al de in dit besluit bedoelde inrichtingen, die al dan niet personeelsleden tewerkstellen, ter aanvulling van de bepalingen van artikel 28 van het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming ». 7.4. Installaties met brandbaar gas dat langs openbare leidingen wordt gevoerd. 7.4.1. Vóór de inbedrijfstelling van een installatie of een gedeeltelijk vernieuwde installatie, wordt deze nagezien overeenkomstig de voorschriften van het koninklijk besluit van 28 juni 1971 betreffende de te nemen veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en bij de exploitatie van installaties voor gasdistributie door middel van leidingen. 7.4.2. Bovendien worden alle nieuwe installaties en alle belangrijke wijzigingen van een installatie onderworpen, alvorens de bestrijking en de schildering op het nieuwe gedeelte en/of het gewijzigde gedeelte aan te brengen, aan de volgende consecutieve controles : - een controle van de leidingen : nadat de verdeelmeters en de afsluitkranen zijn ontkoppeld, terwijl de buizen zijn dichtgestopt, worden de leidingen onderworpen aan een drukproef waarbij de druk minstens gelijk is aan tienmaal de maximaal toegelaten bedrijfsdruk, terwijl al de koppelingen, verbindingen, lasnaden, enz., ingesmeerd worden met een schuimend produkt. De proef wordt gunstig geacht als geen enkele luchtbel verschijnt en als geen enkele drukverlaging waargenomen wordt in de installatie. - een controle van de koppeling van de apparaten : de dichtheid van de terug aangekoppelde afsluitkranen en verdeelmeters wordt nagezien door een drukproef waarbij de druk minstens gelijk is aan de maximaal toegelaten bedrijfsdruk, terwijl deze kranen en koppelingen van de meters ingesmeerd worden met een schuimend produkt. De proef wordt gunstig geacht als geen enkele luchtbel verschijnt en als geen enkele drukverlaging waargenomen wordt in de installatie.

In beide gevallen wordt de drukproef uitgevoerd d.m.v. een inert gas.

Elke proef duurt minstens twintig minuten. - een onderzoek van de op de installatie aangekoppelde apparaten (overeenstemming met de veiligheidsvoorschriften, met name de voldoende ventilatie van het lokaal). Bovendien bevat het examen van de apparaten een proef van het afspannen van de thermo-elementen (sluitduur bij vlamonderbreking). - een onderzoek van de afvoerpijpen van de verbrande gassen van de apparaten : staat, trek, dichtheid, vastmaking, uitmonding in de open lucht in een depressiezone...

De voormelde controles moeten uitgevoerd worden door een daartoe uitgerust organisme dat onafhankelijk van de installateur is.

De uitslagen van alle uitgevoerde testen worden opgetekend in het proces-verbaal, opgesteld na de beëindiging van de proeven. 7.4.3. De nieuwe geplaatste verbruikstoestellen worden vóór hun ingebruikstelling getest door een bevoegde installateur die nagaat of ze goed werken. 7.4.4. Minstens één keer per jaar worden de installaties nagezien door een bevoegde installateur of een daartoe uitgerust organisme.

Deze inspectie omvat o.m. : - het nazicht en de reiniging van de branders; - het nazicht van de beschermings- en regelingsinrichtingen; - het nazicht van de dichtheid van de installatie; - de inspectie en zo nodig de reiniging van de afvoerpijpen van de verbrandingsgassen. 7.4.5. Om de drie jaar wordt de dichtheid van de toestellen en leidingen nagezien door een daartoe uitgerust organisme dat onafhankelijk van de installateur is.

Deze controle bestaat uit : - het onderzoek van de installatie : leidingen, afsluitkleppen, haspels en diverse onderdelen om na te gaan of de werken en de apparatuur uitgevoerd worden overeenkomstig het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming » en de normen NBN D 51-003 en D 51-004. - een dichtheidsproef op al de installatie, die bestaat uit : - een drukproef d.m.v. inert gas met een kraan voor het afsluiten van de gesloten apparaten. Deze drukproef wordt uitgevoerd met een druk die gelijk is aan tweemaal de bedrijfsdruk, zonder de maximale bedrijfsdruk te overschrijden die toegelaten is door sommige op de installatie bestaande sluitapparaten. De proef duurt minstens twintig minuten. Tijdens de proef worden alle koppelingen, afsluitkleppen en onderdelen van de installatie met zeepwater ingesmeerd om de plaats van een eventuele lekkage te bepalen. De proef wordt gunstig geacht als geen drukverlaging tijdens deze waargenomen wordt. -een drukproef d.m.v. inert gas met een kraan voor het afsluiten van de open apparaten. Deze drukproef wordt uitgevoerd met de bedrijfsdruk. De proef duurt minstens twintig minuten. Tijdens de proef worden alle koppelingen, afsluitkleppen en onderdelen, die stroomafwaarts van de afsluitkranen gelegen zijn, met zeepwater ingesmeerd om de plaats van een eventuele lekkage te bepalen. De proef wordt gunstig geacht als geen drukverlaging tijdens deze waargenomen wordt. - een onderzoek van de op de installatie aangekoppelde apparaten (overeenstemming met de veiligheidsvoorschriften, met name de voldoende ventilatie van het lokaal). Bovendien bevat het examen van de apparaten een proef van het afspannen van de thermo-elementen (sluitduur bij vlamonderbreking). - een onderzoek van de afvoerpijpen van de verbrande gassen van de apparaten : staat, trek, dichtheid, vastmaking, uitmonding in de open lucht in een depressiezone... 7.5. Installaties met vloeibaar gemaakte petroleumgassen. 7.5.1. Vooraleer de installatie in gebruik genomen wordt : - wordt de leiding aan een drukproef onderworpen waarbij de druk minstens gelijk is aan anderhalve keer de maximale bedrijfsdruk. De proefdruk mag in geen geval minder dan 3 bar zijn. Het onder druk zetten gebeurt uitsluitend d.m.v. inert gas. De proef duurt minstens twintig minuten. - Indien de proefdruk meer bedraagt dan de maximale druk die voorzien is voor een op de leiding gemonteerd onderdeel, zoals een ontspanner, een regelaar, een meter of een veiligheidsklep, worden deze onderdelen eerst buiten bedrijf gesteld. De testen worden zo zorgvuldig mogelijk uitgevoerd, ten einde de dichtheid te controleren, de vervormingen en de defekten op te sporen die de veiligheid in het gedrang kunnen brengen. De proeven worden gunstig geacht als geen enkele luchtbel verschijnt en als geen enkele drukverlaging waargenomen wordt in de installatie; - wordt een drukproef d.m.v. inert gas uitgevoerd, met al de apparaten en onderdelen in bedrijf en met een kraan voor het afsluiten van de open apparaten. Deze drukproef wordt uitgevoerd met de bedrijfsdruk.

De proef duurt minstens twintig minuten. Tijdens de proef worden al de tijdens de eerste proef niet gecontroleerde koppelingen, afsluitkleppen en onderdelen en degene die stroomafwaarts van de afsluitkranen gelegen zijn, met zeepwater ingesmeerd om de plaats van een eventuele lekkage te bepalen. De proef wordt gunstig geacht als geen drukverlaging tijdens deze waargenomen wordt; - wordt een onderzoek uitgevoerd van de op de installatie aangekoppelde apparaten (overeenstemming met de veiligheidsvoorschriften, met name de voldoende ventilatie van het lokaal). Bovendien bevat het examen van de apparaten een proef van het afspannen van de thermo-elementen (sluitduur bij vlamonderbreking). - wordt een onderzoek uitgevoerd van de afvoerpijpen van de verbrande gassen van de apparaten : staat, trek, dichtheid, vastmaking, uitmonding in de open lucht in een depressiezone...

Nieuwe proeven worden gedaan, na herstelling of vervanging van de defekte stukken, totdat ze een gunstig resultaat geven.

Bij elke belangrijke wijziging wordt het gewijzigde gedeelte van de installatie aan de hierboven beschreven testen onderworpen.

De inspecties waarvan sprake in deze paragraaf worden uitgevoerd door een daartoe uitgerust zelfstandig organisme. De uitslagen van alle uitgevoerde testen worden opgetekend in het proces-verbaal, opgesteld na de beëindiging van de proeven. 7.5.2. Vooraleer de verbruikstoestellen in gebruik genomen worden, worden ze getest door een bevoegde installateur om na te gaan of ze goed werken. 7.5.3. Minstens één keer per jaar worden de installaties nagezien door een bevoegde installateur of een daartoe uitgerust organisme.

Deze inspectie omvat o.m. : - het nazicht en de reiniging van de branders; - het nazicht van de beschermings- en regelingsinrichtingen; - het nazicht van de dichtheid van de installatie; - de inspectie en zo nodig de reiniging van de afvoerpijpen van de verbrandingsgassen. 7.5.4. Om de drie jaar wordt de dichtheid van de toestellen en leidingen nagezien door een daartoe uitgerust organisme dat onafhankelijk van de installateur is.

Deze controle bestaat uit : - het onderzoek van de installatie : leidingen, afsluitkleppen, haspels en diverse onderdelen om na te gaan of de werken en de apparatuur uitgevoerd worden overeenkomstig het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming », de voorschriften van het koninklijk besluit van 21 oktober 1968 (gewijzigd) betreffende de opslagplaatsen voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders en de code van goede praktijk betreffende dit soort installatie. - een dichtheidsproef op al de installatie, die bestaat uit : - een drukproef d.m.v. inert gas met een kraan voor het afsluiten van de gesloten apparaten. Deze drukproef wordt uitgevoerd met een druk die gelijk is aan tweemaal de bedrijfsdruk, zonder de maximale bedrijfsdruk te overschrijden die toegelaten is door sommige op de installatie bestaande sluitapparaten. De proef duurt minstens twintig minuten. Tijdens de proef worden alle koppelingen, afsluitkleppen en onderdelen van de installatie met zeepwater ingesmeerd om de plaats van een eventuele lekkage te bepalen. De proef wordt gunstig geacht als geen drukverlaging tijdens deze waargenomen wordt; - een drukproef d.m.v. inert gas met een kraan voor het afsluiten van de open apparaten. Deze drukproef wordt uitgevoerd met de bedrijfsdruk. De proef duurt minstens twintig minuten. Tijdens de proef worden alle koppelingen, afsluitkleppen en onderdelen, die stroomafwaarts van de afsluitkranen gelegen zijn, met zeepwater ingesmeerd om de plaats van een eventuele lekkage te bepalen. De proef wordt gunstig geacht als geen drukverlaging tijdens deze waargenomen wordt; - een onderzoek van de op de installatie aangekoppelde apparaten (overeenstemming met de veiligheidsvoorschriften, met name de voldoende ventilatie van het lokaal). Bovendien bevat het examen van de apparaten een proef van het afspannen van de thermo-elementen (sluitduur bij vlamonderbreking); een onderzoek van de afvoerpijpen van de verbrande gassen van de apparaten : staat, trek, dichtheid, vastmaking, uitmonding in de open lucht in een depressiezone... 7.6. Installaties voor verwarming en klimaatregeling. 7.6.1. Een keer per jaar worden de installaties voor centrale verwarming en de centrale klimaatregelingsinstallaties nagezien door een bevoegde installateur. Deze inspectie omvat o.m. : - het nazicht en de reiniging van de branders; - het nazicht van de beschermings- en regelingsinrichtingen; - de inspectie en zo nodig de reiniging van de afvoerpijpen van de verbrandingsgassen.

Voor de centrale verwarming wordt deze inspectie uitgevoerd vóór de ingebruikneming van de installaties. 7.6.2. De vaste of verplaatsbare afvoerleidingen voor rook of verbrandingsgas moeten steeds in goede staat zijn. Elke gebroken of gebarsten leiding moet hersteld of vervangen worden vooraleer ze terug in werking gesteld wordt.

Na een schouwbrand wordt de koker waar het vuur ontstond over zijn hele lengte nagezien en geveegd, daarna wordt een dichtheidstest uitgevoerd. 7.6.3. De roosters, tralies of korven waarvan sprake in de leden 6.5.5.8. en 6.5.5.9. worden gereinigd zo dikwijls als nodig blijkt. 7.6.4. De installaties voor centrale verwarming met vaste of vloeibare brandstof worden gecontroleerd overeenkomstig het koninklijk besluit van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste of vloeibare brandstof. 7.7. Installaties voor branddetectie, toestellen en middelen voor melding, waarschuwing, alarm en brandblussing. 7.7.1. De algemeen verspreide installaties voor automatische detectie worden in ontvangst genomen en gecontroleerd zoals bepaald in de Belgische norm NBN S 21-100 « Concipiëring van de installaties voor automatische branddetectie door punctuele voeler ». De controles moeten echter betrekking hebben op het geheel van de installaties (voelers, centrales, versterkingstabellen, stuurinstallaties, etc.) 7.7.2. De algemeen verspreide installaties voor automatische detectie worden jaarlijks onderhouden, nagezien en gecontroleerd zoals bepaald in de Belgische norm NBN S 21-100 « Concipiëring van de installaties voor automatische branddetectie door punctuele voeler ». 7.7.3. Eenmaal per jaar worden de andere elektrische brandmeldingsinstallaties dan de openbare telefoonlijnen, alsook de elektrische waarschuwings- en alarmtoestellen in ontvangst genomen, gecontroleerd en nagezien door een organisme dat door het Ministerie van Economische Zaken erkend werd voor de controle van de elektrische installaties. 7.7.4. De draagbare of verplaatsbare snelblussers worden jaarlijks nagezien. 7.7.5. Elk jaar worden door een daartoe uitgerust organisme de muurhaspels met axiale voeding en de muurhydranten nagezien, alsmede hun hulpstukken en de voedingsleidingen. 7.7.6. Bij het periodieke onderzoek waarvan sprake in lid « 7.7.5. » gaat de directie van de instelling na of de afsluitkleppen van de muurhaspels met axiale voeding en de muurhydranten volledig geopend zijn. 7.8. Allerlei.

Bovendien kan de exploitant jaarlijks de controle en het onderhoud van de volgende installaties laten uitvoeren door bekwaam personeel : - de vuurvaste deuren en kleppen..., - de keukenzuigkappen en hun afvoerpijpen, - de autonome stroombronnen en de installatie voor veiligheidsverlichting, - de rookafvoerriolen en de ontrookinrichtingen.

De data van deze controles en de tijdens deze controles vastgestelde opmerkingen moeten ingeschreven worden in het veiligheidsregister dat ter beschikking van de burgemeester en van de bevoegde ambtenaar moet worden gesteld. 8. Voorschriften betreffende de bewoning. 8.1. Algemeen.

Buiten hetgeen voorzien is door deze reglementering, neemt de directie van de instelling alle nodige maatregelen om de bewoners van de instelling te beschermen tegen de gevolgen van brand en paniek. De permanente maatregelen die in dat opzicht door de directie genomen worden, zullen vermeld worden in een huishoudelijk reglement. 8.2. Doorgangen. 8.2.1. Het is verboden in de doorgangen die bij evacuatie gebruikt worden, meubelen, karretjes of andere voorwerpen op te stapelen of neer te zetten. Met instemming van de territoriaal bevoegde brandweer mogen sommige vaste meubelen in de doorgangen geplaatst worden voor zover : - de nuttige breedte van de doorgangen door deze meubelen niet verminderd wordt, zelfs wanneer hun deuren open zijn; - de meubelen vastgelegd worden of niet verplaatst en/of omgegooid kunnen worden bij de evacuatie van het gebouw; - de opgevulde meubelen overeenstemmen met de normen NBN EN 1021-1 en NBN EN 1021-2 betreffende de « Evaluatie van de brandbaarheid van de opgevulde meubelen ». 8.2.2. In de gemeenschappelijke lokalen, die al dan niet toegankelijk zijn voor het publiek, zoals de refter, de kapel, enz., wordt het meubilair zodanig geplaatst dat men gemakkelijk door kan. 8.2.3. In geen geval mag de goede werking belemmerd worden van de zelfsluitende deuren of de bij brand zelfsluitende deuren of luiken. 8.3. Keukens, kooktoestellen en vloeistofverwarmers. 8.3.1. Kooktoestellen en vloeistofverwarmers zijn ver genoeg verwijderd of geïsoleerd van elk brandbaar materiaal. 8.3.2. Het gebruik van kooktoestellen of vloeistofverwarmers is in de kamers van de bewoners of in de wachtzalen enkel toegelaten als het om elektrische toestellen gaat die voldoende veilig zijn. 8.4. Installaties voor elektrische drijfkracht, verlichting en signalisatie.

De soepele leidingen die de elektrische verplaatsbare toestellen voeden, mogen geen hinder zijn voor het doorgaand verkeer van personen. 8.5. Afval en huisvuil.

Stofvodden en afval waarin zelfontbranding kan optreden of die gemakkelijk brandbaar zijn, worden bewaard in metalen vaten met deksel of opgeborgen in een plaats waar ze geen brandgevaar opleveren. 8.6. Voorlichting van het personeel en van de bewoners op het gebied van de bescherming en de brandbestrijding. 8.6.1. De personeelsleden en in het bijzonder de personeelsleden van de nachtwacht worden geoefend in het behandelen van de blusmiddelen en ontvangen onderricht aangaande hun gebruiksvoorwaarden. Deze personen volgen ook een algemene opleiding inzake schadepreventie. De lijst van deze personen wordt aangeplakt met de inlichtingen waarvan sprake in lid 8.6.2. De organisatie van de diensten binnen het rustoord moet zodanig uitgevoerd worden dat een persoon die deze opleiding volgt, op elk ogenblik aanwezig is en bereikt kan worden in de inrichting. 8.6.2. Instructies in voldoend aantal uitgehangen op plaatsen waar ze goed leesbaar zijn : a) lichten het personeel in over de bij brand te volgen gedragslijnen en namelijk voor : - het onmiddellijk melden van de brand; - het in werking stellen van waarschuwings- en alarmtoestellen of -middelen en van de brandblusapparaten; - de te treffen schikkingen om de veiligheid van de bewoners, het personeel en eventueel het publiek te verzekeren; - de te nemen maatregelen om de tussenkomst van de bevoegde brandweer te vergemakkelijken; b) lichten de bewoners voor betreffende het alarm, ten einde : - hen in staat te stellen het overeenstemmende signaal te identificeren; - hen de gedragslijnen te leren die zij moeten volgen bij alarm. 8.6.3. De directie van de inrichting houdt minstens één keer per jaar praktische oefeningen, die tot doel hebben haar personeelsleden te onderrichten aangaande hun gedragslijn bij brand. 8.6.4. Branddetectie.

Al de personeelsleden moeten in kennis worden gesteld van de werking en de interpretatie van de signalen van de installatie voor branddetectie. 8.7. Allerlei. 8.7.1. De directie van de instelling zorgt ervoor dat onbevoegde personen geen toegang hebben tot de technische lokalen en doorgangen. 8.7.2. Zonder afbreuk te doen aan de voorschriften van het koninklijk besluit van 21 oktober 1968 betreffende de opslagplaatsen voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan in vaste ongekoelde houders, is het verboden in de nabijheid van deze houders te roken, brandende voorwerpen te brengen of vuur te maken op minder dat 5 m van de vaste houders, en op minder dan 2,5 m van de verplaatsbare houders.

Dit verbod wordt aangeplakt. 8.7.3. Elk toestel dat bestemd is om vast geïnstalleerd te worden, moet geleverd worden samen met een voor de gebruiker bestemde gebruiks- en onderhoudsaanwijzing, opgemaakt in het Frans, waarin alle nodige inlichtingen worden gegeven om het toestel veilig en doelmatig te gebruiken. De directie houdt deze aanwijzingen ter beschikking van de gebruikers. 8.7.4. Na de werkuren van de niet-bestendige diensten wordt in de inrichting een ronde gedaan met het doel zich ervan te vergewissen dat er in de verlaten lokalen geen ongeval- of brandrisico is. 8.7.5. Een plan van elke verdieping wordt aangeplakt bij elke toegang van deze verdieping. Een plan van de kelderverdiepingen wordt aangeplakt op het gelijkvloers en bij het uitgangspunt van de trappen die naar de kelderverdiepingen leiden. Die plannen verschaffen inlichtingen over de verdeling en de bestemming van de lokalen en inzonderheid over de ligging van de technische lokalen en ruimten. 8.7.6. De omgeving van de plaatsen waar handbediende toestellen voor melding, waarschuwing of alarm of apparaten voor de brandbestrijding geplaatst of aangebracht zijn, moet steeds vrij blijven, zodat deze toestellen of apparaten onverwijld gebruikt kunnen worden. HOOFDSTUK 4. - Bijzondere bepalingen 9. Voorschriften betreffende de inrichtingen bedoeld in hoofdstuk v, punt 10.3. 9.1. Algemeen. 9.1.1. Rangschikking en terminologie : de bepalingen van de §§ 0.2. en 0.3. zijn van toepassing. 9.1.2. Nummering van de niveaus - Signalisatie : de bepalingen van § 0.4. zijn van toepassing. 9.2. Inplanting en toegangswegen. 9.2.1. De bepalingen van de §§ 1.1. en 1.3. zijn van toepassing. 9.2.2. Op de toegangsweg(en) waarvan sprake in § 1.1. moet er altijd één rijstrook vrij gehouden worden, waar er niet mag worden gestationeerd, en die voldoet aan de volgende eisen : - minimale vrije breedte : 3,50 m; - minimale vrije hoogte : 3,50 m; - minimale draaistraal : 11 m aan de binnenkant en 15 m aan de buitenkant; - draagvermogen : moet voldoende zijn om aan autovoertuigen waarvan het laadvermogen per wielas hoogstens 13 ton bedraagt, de mogelijkheid te geven om erop te kunnen rijden en te stationeren, zonder te blijven steken, ook al vervormen ze die weg. 9.3. Grondbeginselen. 9.3.1. Onder het laagst gelegen evacuatieniveau : - mogen zich geen individuele of collectieve slaapkamers bevinden; - alleen op de verdieping die zich het kortst bij dat evacuatieniveau bevindt, mogen er lokalen gelegen zijn die tijdens de dag door de bewoners gebruikt worden. 9.3.2. In de dakverdieping mogen er geen individuele of collectieve kamers voor bewoners gelegen zijn. Van deze bepaling kan afgeweken worden zo de territoriaal bevoegde brandweerdienst er mede akkoord gaat en de bezetting van de dakverdieping geheel of gedeeltelijk voor dag- en nachtgebruik toelaat en (of) voor bewoning naar gelang van plaatselijke omstandigheden. De afwijking van het algemeen beginsel die door de territoriaal bevoegde brandweerdienst wordt toegestaan voor de installatie in de dakverdieping van individuele of collectieve kamers voor bewoners is onderworpen aan de naleving van de bepalingen van § 3.7 van hoofdstuk II. 9.3.3. Het aantal trappen wordt vastgesteld door rekening te houden met : - het aantal bewoners dat zich kan bevinden boven het meest nabijgelegen evacuatieniveau; - de bepalingen van lid 4.3.3. betreffende de maximale afstanden tussen de toegangen tot de naaste trap of eventueel tot een tweede trap.

Op de evacuatieniveaus leiden de trappen naar buiten, hetzij rechtstreeks, hetzij langs de een evacuatieweg die voldoet aan de voorschriften van lid 9.5.2. 9.4. Voorschriften voor sommige bouwelementen. 9.4.1. Structurele elementen.

De structurele elementen, zoals kolommen, dragende muren, hoofdbalken en andere essentiële delen die het geraamte of het skelet van het gebouw vormen, met uitzondering van de afgewerkte vloeren, hebben een weerstand tegen brand van ten minste twee uur in de gebouwen van type 2, waarbij deze eis tot een uur wordt herleid voor een gebouw van type 1. In alle gevallen hebben de afgewerkte vloeren een weerstand tegen brand van ten minste één uur. 9.4.2. Buitenwanden : de bepalingen van de leden 3.2.2. en 3.2.3. zijn van toepassing. 9.4.3. Vertikale wanden : de bepalingen van § 3.3 zijn van toepassing. 9.4.4. Deuren : de bepalingen van § 3.4. zijn van toepassing. 9.4.5. Plafonds en valse plafonds : In de evacuatiewegen zijn de bepalingen van 3.5. van toepassing. Op de andere plekken zijn alleen de bepalingen van 3.5.1. van toepassing. 9.4.6. Niet-vlottende bekledingsmaterialen die gebruikt worden als thermische of geluidsisolatie of als versiering : § 3.6. is van toepassing. 9.4.7. Daken : de waterdichte bedekking is vervaardigd met materialen van categorie 1 of als zodanig gemaakt krachtens bijlage 5 van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. 9.5. Bouwvoorschriften betreffende de doorgangen die bij evacuatie gebruikt moeten worden. 9.5.1. Trappehuizen en trappen. 9.5.1.1. Aantal trappen : De voorschriften van lid 4.2.1. zijn van toepassing. 9.5.1.2. Ontwerp van binnentrappehuizen De voorschriften van lid 4.2.2. zijn van toepassing, behalve wat betreft : - de weerstand tegen brand van twee uur wordt teruggebracht tot één uur, - de minimum breedte van de toegangsdeuren tot de trappehuizen en van de deuren van de kamers wordt op 0,80 m vastgesteld. 9.5.1.3. Verluchting van de binnentrappenhuizen.

De bepalingen van lid 4.2.3. zijn van toepassing. De doorsnede van de verluchtingsopening kan toch op 1 halve m2 teruggebracht worden als de plaatselijke omstandigheden het vereisen. 9.5.1.4. Binnentrappen. 9.5.1.4.1. De binnentrappen worden gebouwd hetzij uit materialen die ten minste tot klasse A2 behoren, volgens bijlage 5 bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, hetzij uit massief hardhout met een volumieke massa van minstens 650kg/m3. Ze worden langs beide zijden voorzien van een leuning, veilig vastgehecht en doorlopend op de bordessen.

De treden worden uitgerust met een anti-slipneus.

De traparmen zijn recht, maar de draai- of kromme trappen worden aanvaard indien zij een ononderbroken wegbeweging toelaten en indien de treden een minimale breedte van 24 cm op de ganglijn hebben, op voorwaarde dat de hierboven vermelde eisen in acht worden genomen. 9.5.1.4.2. Nuttige breedte van de traparmen en bordessen. De bepalingen van 4.2.4.2. zijn van toepassing. De minimale nuttige breedte kan toch op 0,80 m teruggebracht worden behalve op de plaatsen waar lid 9.5.3. van toepassing is. 9.5.1.5. Buitentrappen. 9.5.1.5.1. De voorschriften van lid 4.2.2.7. zijn van toepassing. 9.5.1.5.2. Nuttige breedte van de buitentrappen. De bepalingen van 4.2.4.2. zijn van toepassing. De minimale nuttige breedte kan toch op 0,80m teruggebracht worden behalve op de plaatsen waar lid 9.5.3. van toepassing is. 9.5.2. Evacuatiewegen : De bepalingen van 4.3. zijn van toepassing. De minimale nuttige breedte van de evacuatiewegen kan toch op 0,80 m teruggebracht worden behalve op de plaatsen waar lid 9.5.3. van toepassing is. 9.5.3. Bewoners die zich op eigen krachten niet kunnen bewegen : Onverminderd de bepalingen van 9.5.1 en 9.5.2 zijn de volgende bepalingen van toepassing op de etages die bezet worden door en/of toegankelijk zijn voor de bewoners die zich op eigen krachten niet kunnen bewegen : 9.5.3.1. In elk geval wordt de minimale breedte van de evacuatiewegen vastgesteld op 1,2 m. 9.5.3.2. In elk geval wordt de minimale breedte van de deuren vastgesteld op 0,90 m. 9.5.3.3. De trappehuizen die deze etages bedienen moeten een minimale breedte van 1,2m hebben voor de gebouwen van type 2 en van 1m voor de gebouwen van type 1. Deze beschrijving is echter niet van toepassing als deze etages uit verschillende compartimenten bestaan die een horizontale evacuatie van elk compartiment naar een ander mogelijk maken en onafhankelijk van de trappehuizen. 9.6. Bouwvoorschriften voor sommige lokalen en technische ruimten. 9.6.1. Stookplaatsen en aanhorigheden.

De stookplaatsen, alsmede hun aanhorigheden, moeten de bepalingen van § 5.2. naleven, behalve wat betreft de verplichting om zich te gedragen naar de norm NBN B 61-001. 9.6.2. Transformatiekabines aangesloten op een hoogspanningsnet.

De bepalingen van § 5.3. zijn van toepassing. Indien de transformatiekabines het reglement en de normen vermeld in deze paragraaf echter niet naleven, moeten ze het reglement en de normen in acht nemen die van toepassing waren toen deze transformatiekabines in werking werden gesteld.

Nochtans : - moeten de wanden van de transformatiekabines slechts een weerstand tegen brand van één uur hebben; - moet het diëlectricum van de transformatoren in de ter plaatse gemonteerde transformatiekabines uitgerust met een automatische blusinstallatie, niet onbrandbaar materiaal zijn. 9.6.3. Binnenshuis gelegen garages en parkeerruimten.

De bepalingen van § 5.4. zijn van toepassing. 9.6.4. Huisvuilstortkokers.

De bepalingen van § 5.5. zijn van toepassing. 9.6.5. Kokers.

De graad van weerstand tegen brand van de kokerswanden moet minstens gelijk zijn aan de hoogste graad van weerstand tegen brand verdragen door de wanden waardoor ze lopen. In geen geval mogen de kokers de oorspronkelijke graad van weerstand tegen brand verzwakken van de wanden waardoor ze lopen. Alle kokers worden gemaakt uit materiaal van klasse A0 volgens bijlage 5 bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. 9.6.6. Gemeenschappelijke keukens en ensembles keukens restaurants.

De bepalingen van § 5.7. zijn van toepassing. 9.6.7. Huisvuilopslag.

De bepalingen van § 5.8. zijn van toepassing. 9.7. Uitrusting van de inrichtingen. 9.7.1. Liften en goederenliften.

De installaties, kokers, lokalen van de machines worden gemaakt overeenkomstig de bepalingen van het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming ». Naast de bepalingen van artikel 28 van het « Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming » is dit voorschrift van toepassing op al de in dit besluit bedoelde inrichtingen, of personeel al dan niet erin tewerkgesteld is. 9.7.2. Elektrische installaties voor drijfkracht, verlichting en signalisatie. § 6.2. is van toepassing op de installaties die, op grond van de datum waarop ze in werking werden gesteld, de bepalingen van het « Algemeen Reglement op de elektrische installaties » in acht nemen.

De andere installaties moeten voldoen aan de reglementen en normen die van toepassing waren toen ze in werking werden gesteld, alsook aan de bepalingen van de leden 6.2.1.2., 6.2.2., 6.2.3., 6.2.4. en 6.2.5. 9.7.3. Installaties gevoegd met brandbaar gas dat lichter is dan de lucht, verdeeld langs leidingen.

De bepalingen van § 6.3. zijn van toepassing. 9.7.4. Installaties van vloeibaar gemaakte petroleumgassen.

De bepalingen van § 6.4. zijn van toepassing. 9.7.5. Installaties voor verwarming en klimaatregeling.

De bepalingen van § 6.5. zijn van toepassing. 9.7.6. Installaties voor detectie van brand en voor melding, waarschuwing en alarm, en brandblusmiddelen.

De bepalingen van § 6.6. zijn van toepassing. 9.8. Onderhoud en controle.

De bepalingen van § 7 zijn van toepassing.

De bestaande uitrustingen moeten gekeurd of gecontroleerd worden overeenkomstig de bepalingen van voornoemde paragraaf. 9.9. Voorschriften betreffende de bewoning.

De bepalingen van § 8 zijn van toepassing. HOOFDSTUK 5. - Overgangsbepalingen 10.1. Termijn waarover de rustoorden die erkend zijn of van een voorlopige werkingsmachtiging genieten bij de inwerkingtreding van dit besluit, beschikken om zich te gedragen naar de normen.

Bij wijze van overgangsmaatregel beschikken de rustoorden die erkend zijn na 7 juni 1989 en tot de datum van inwerkingtreding van dit aanhangsel of een voorlopige werkingsmachtiging genieten bij de inwerkingtreding van dit besluit, over een termijn van twee jaar om zich te gedragen naar de erin vastgestelde veiligheidsnormen. - De termijn van twee jaar wordt op 5 jaar vastgesteld voor de toepassing van de punten 2.1.2., 2.4., eerste lid, eerste streepje, 6.6.5.4.2. - De termijn van twee jaar wordt op 10 jaar vastgesteld voor de toepassing van de punten 1.3. en 4.3.2. 10.2. De volgende inrichtingen vallen tijdelijk slechts onder toepassing van de bepalingen van de hoofdstukken 3 en 4 : De inrichtingen die, op 6 juni 1989, erkend waren op grond van een verklaring van de bevoegde brandweer waarbij bevestigd is dat ze voldoende aan de veiligheidsnormen beantwoorden die vastgesteld zijn hetzij bij het koninklijk besluit van 12 maart 1974, hetzij bij het besluit van de Franse Gemeenschapsexecutieve van 10 juli 1984. Deze inrichtingen beschikken over een termijn van vijf jaar vanaf de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad om te voldoen aan de bepalingen van de hoofdstukken I en II, onverminderd de termijn van 10 jaar die verleend wordt om zich te gedragen naar de in de punten 1.3. en 4.3.2. bedoelde normen. 10.3. De volgende inrichtingen vallen tijdelijk slechts onder toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 4 : 1° de als rustoorden voor bejaarden geëxploiteerde inrichtingen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een aanvraag om erkenning waarvan de datum voorafgaat aan 11 september 1984;2° de inrichtingen die niet gesubsidieerd worden op grond van de wet van 22 maart 1971 tot subsidiëring van de bouw van rustoorden voor bejaarden, maar die de bouwvergunning vóór 11 september 1984 gekregen hebben op advies van de bevoegde brandweer;3° de inrichtingen die gesubsidieerd worden ter uitvoering van bovenbedoelde wet waarvoor het Ministerie voor 11 september 1984 de principiële subsidiebelofte heeft verleend. Deze inrichtingen beschikken over een termijn van twee jaar vanaf de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad om te voldoen aan de bepalingen van hoofdstuk 4.

De bepalingen van hoofdstuk 4 blijven van toepassing voor een periode van 7 jaar vanaf de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.

Na verloop van deze termijn moeten de betrokken inrichtingen volledig voldoen aan de bepalingen van de hoofdstukken 1 à 3 onverminderd de termijn van 10 jaar die verleend wordt om zich te gedragen naar de in de punten 1.3. en 4.3.2. bedoelde normen.

AANHANGSEL 1 VOOR BIJLAGE A Model voor attest Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

Bijlage II. - Normen die van toepassing zijn op de rustoorden HOOFDSTUK 1. - Minimale en maximale herbergingscapaciteit 0.1. Geen enkel rustoord kan een erkenning verkrijgen voor minder dan 26 of meer dan 300 bedden. Niettemin mogen de erkende rustoorden en de rustoorden die een voorlopige werkingsmachtigingen hebben gekregen op de datum van inwerkingtreding van deze normen, minder dan 26 bedden tellen. HOOFDSTUK 2. - Normen betreffende de vrijheid van de bewoners, het eerbied voor hun opvattingen en hun deelneming 1. Huishoudelijk reglement. 1.1. Elk rustoord voor bejaarden is ertoe gehouden een huishoudelijk reglement op te maken.

Het huishoudelijk reglement bepaalt de rechten en plichten van de bewoners en van de beheerder. Het voorziet in de zo groot mogelijke vrijheid voor de bewoner met inachtneming van de imperatieven van een gemeenschappelijk leven.

Het voorziet eveneens in de verplichting om zich te gedragen naar de bepalingen betreffende de veiligheid.

De wijzigingen van dit huishoudelijk reglement treden in werking dertig dagen na mededeling aan de bewoners en/of aan hun vertegenwoordigers. 1.2. Een door de beheerder gedateerd en ondertekend exemplaar van dit huishoudelijk reglement wordt tegen ondertekend ontvangbewijs geldend als kennisneming door elke bewoner en/of door zijn vertegenwoordiger afgegeven vóór de ondertekening van de huisvestingsovereenkomst en, voor zover mogelijk, vóór de datum waarop de opvang van deze bewoner in het rustoord is voorzien. 1.3. Het huishoudelijk reglement vermeldt de naam van de beheerder en het nummer van de erkenning of van de voorlopige werkingsmachtiging van het rustoord. 1.4. Het huishoudelijk reglement vermeldt uitsluitend : - de voorwaarden van de organisatie van de verpleegkundige zorgen alsmede van de zorgen verschaft door het paramedisch en/of kinesiepersoneel; - de voorwaarden van de organisatie van de medische activiteit met inachtneming van de vrije keuze van de arts door de bewoner; 1.5. Het huishoudelijk reglement moet vermelden dat de beheerder geen enkele keuze met een commerciële, culturele, ideologische, filosofische of religieuze aard moet opleggen aan de bewoners. 1.6. Bovendien vermeldt het huishoudelijk reglement : - de naam van de directeur aan wie alle opmerkingen, bezwaren of klachten van de bewoners, van hun familie, hun borg of hun bezoekers medegedeeld kunnen worden; de directeur kan daartoe bij afspraak geraadpleegd worden ten minste vier uur per week verspreid over minimum twee dagen, waarvan minstens één keer per week, één uur na 18 uur; - het eerbied voor het privé-leven van de bewoners; - het recht voor de bewoners de bezoekers van hun keuze te ontvangen; - de bezoekdagen en -uren worden zo ruim mogelijk vastgesteld, waarvan minstens drie uur 's namiddags en één uur na 18 uur, elke dag, zondag en feestdagen inbegrepen; - de vrije toegang voor bijstand aan een stervende wordt voortdurend gewaarborgd aan de familie, de vrienden alsmede aan geestelijken en lekenraadgevers; - het adres en het telefoonnummer van de dienst van het gewestelijke bestuur waaraan de klachten kunnen worden gericht; - het adres van de burgemeester die bevoegd is om klachten te ontvangen en het telefoonnummer waarop hij kan worden opgebeld. 1.7. Het vermeldt de regels volgens welke de bewoner kan deelnemen aan het leven van het rustoord;

In het bijzonder vermeldt het de regels volgens welke de bewoner of zijn vertegenwoordiger kan deelnemen aan het leven van het rustoord, inzonderheid in het kader van de bewonersraad waarvan sprake in punt 5 van deze bijlage.

Het ontvangbewijs dat als kennisneming van het huishoudelijk reglement en van elke wijziging ervan geldt, wordt bij het in punt 3 van dit hoofdstuk bedoelde individuele dossier gevoegd.

Elke met de voorschriften strijdige bepaling wordt geacht nietig te zijn. 2. Overeenkomst tussen de beheerder en de bewoner. 2.1. Een in tweevoud opgemaakte overeenkomst wordt ondertekend tussen de beheerder van het rustoord of de directeur en de bewoner en/of zijn vertegenwoordiger; ze moet gedateerd en ondertekend worden door de partijen.

Een exemplaar moet aan de bewoner of aan zijn vertegenwoordiger tegen ontvangbewijs worden gestuurd.

Het voor het rustoord bestemde exemplaar en het ontvangbewijs moeten bij het in punt 3 van dit hoofdstuk bedoelde individuele dossier gevoegd worden.

Elke wijziging van deze overeenkomst maakt het voorwerp uit van een in tweevoud opgemaakt aanhangsel dat ook gedateerd en ondertekend is, en bij de overeenkomst gevoegd.

De overeenkomst moet de volgende punten omvatten : 2.1.1. de algemene en bijzondere huisvestingsvoorwaarden. 2.1.2. de dagelijkse of maandelijkse huisvestings- of opvangprijs en de diensten die worden gedekt.

Deze prijs kan schommelen naar gelang van de bijzondere architecturale elementen en van de kenmerken van het bewoonde kamer; dit afgewisselde aanbod is nochtans beperkt tot 6 verschillende basisprijzen; voor elke van deze prijzen worden de bijzondere elementen en kenmerken duidelijk bepaald in deze overeenkomst en in elke kamer met het nummer ervan aangeplakt;

De volgende elementen zijn minimum in deze prijs inbegrepen : - het gebruik van de kamer; - het meubilair van de kamers; - het gebruik en het onderhoud van de sanitaire, eigen of gemeenschappelijke installaties; - het gebruik van de gemeenschappelijke plaatsen, met inbegrip van de liften, overeenkomstig het huishoudelijk reglement; - het grote onderhoud van het patrimonium, het algemene onderhoud en het reinigen van de gemeenschappelijke plaatsen, materiaal en producten inbegrepen; de herstellingen van de kamers en huisvestingen die uit een gewoon huurgebruik voortvloeien; - het meubilair van de gemeenschappelijke plaatsen; - de afvalverwijdering; - de verwarming van de kamers en gemeenschappelijke plaatsen, het onderhoud van de installaties en elke wijziging van het verwarmingsapparatuur; - het stromende koude en warme water en het gebruik van elke sanitaire installatie; - de elektrische installaties, hun onderhoud en elke wijziging ervan en het elektriciteitsverbruik van de gemeenschappelijke plaatsen; - de installaties voor bescherming tegen brandgevaar en voor intercom; - de kosten voor de installatie, het onderhoud en de retributie van een openbaar telefoontoestel ter beschikking gesteld van de bewoners die slechts de kosten voor persoonlijke communicaties tegen de kostprijs betalen; - de beschikbaarstelling van de gemeenschappelijke televisielokalen, radio en ander audiovisueel materiaal; - de administratieve kosten, ongeacht de aard ervan, die gebonden zijn aan de huisvesting of de opvang van de bewoner of die de werking van de instelling betreffen; - de verzekeringen voor de burgerlijke aansprakelijkheid, de brandverzekering alsmede alle verzekeringen die de beheerder overeenkomstig de wetgeving heeft aangegaan, met uitzondering van elke persoonlijke verzekering van de bewoner; - de animatie-, recreatie- en therapeutische activiteiten wanneer ze in de instelling worden georganiseerd; - de keukeninstallaties, het onderhoud ervan en de wijzigingen gebonden aan de ontwikkeling van de wetgeving en de toevoer van de stoffen en de opslag ervan; - de bereiding en de verdeling van de maaltijden, de naleving van de diëten, de collaties en dranken waarvan de verdeling tussen de maaltijden systematisch is; geen supplement kan in rekening worden gebracht voor de dienst in kamer als deze dienst wegens medische redenen verantwoord is; - de beschikbaarstelling, het onderhoud en de hernieuwing van het beddegoed : matrassen, dekens, spreien, lakens, oorkussens, steeklakens alsmede gordijnen, behangsels en meubelstoffen; - de bescherming van het beddegoed in geval van incontinentie; - het elektriciteitsverbruik, de verlichtings- en verwarmingstoestellen gebonden aan het individuele gebruik van de bewoners; opvallend is dat het elektriciteitsverbruik gebonden aan het gebruik van privé-toestellen van de bewoners en niet-verplicht voor de naleving van de normen het voorwerp kan uitmaken van supplementen; - het reinigen van de individuele kamers en van het meubilair en materiaal die erin liggen; - de dienstverleningen van het verpleegkundige en verplegende personeel; - de dienstverleningen van het paramedische en kinesiepersoneel gedekt door de verzekeringsinstellingen; 2.1.3. De voorwaarden van de aanpassing van de huisvestingsprijs, overeenkomstig de in hoofdstuk 8 van deze bijlage bedoelde normen; 2.1.4. De volledige en precieze opsomming van alle supplementen die in rekening zouden kunnen worden gebracht tegen de bewoner alsmede hun prijs, het middel om ze te berekenen en elke regel waarmee zijn eventuele verhoging kan worden berekend; 2.1.4.1. Geen enkel supplement bedoeld in de in de overeenkomst inbegrepen lijst mag worden betaald door de bewoner; 2.1.4.2. In afwijking van het laatste lid van punt 2.1.2. vermeldt de overeenkomst de voorwaarden i.v.m. de tenlasteneming door de bewoner van het licht verzorgingsmateriaal, de dienstverleningen van het verpleegkundige en verplegende personeel en van het paramedische personeel, wanneer de bewoner na de ziekte- en invaliditeitsverzekering niet de voldoende dekking heeft. 2.1.5. Als een waarborg al dan niet vereist wordt, en, wanneer hij vereist wordt, zijn bedrag en zijn bestemming; dit bedrag mag niet hoger zijn dan de maandelijkse huisvestingsprijs die in de overeenkomst bepaald is; 2.1.5.1. Wanneer hij wordt vereist, wordt de waarborg door de partijen op een geïndividualiseerde rekening geplaatst, die ten name van de bewoner bij een bankinstelling wordt geopend met vermelding van de bestemming; 2.1.5.2. De door de geplaatste som opgebrachte interesten worden bij het kapitaal gevoegd; 2.1.5.3. De ene of andere partij kan slechts over de waarborgrekening, zowel in kapitaal als in intresten, beschikken tegen overlegging hetzij van een schriftelijk akkoord, dat na sluiting van de overeenkomst werd opgesteld, hetzij van een eensluidend afschrift van de uitgifte van een gerechtelijke beslissing; deze beslissing is uitvoerbaar; 2.1.5.4. Op het einde van de overeenkomst wordt de gekapitaliseerde waarborg aan de bewoner of aan zijn rechthebbenden afgegeven, na aftrek van alle eventuele verschuldigde kosten en vergoedingen; 2.1.5.5. Geen enkele waarborg mag vereist worden in geval van kort verblijf van minder dan drie maanden in rustoord, zoals bedoeld in artikel 5, § 2, van het laatste lid van het decreet; 2.1.6. De voorwaarden van het in bewaring geven van goederen, waarborgen en waarden die door de bewoner toevertrouwd zijn aan de inrichting, alsmede de voorwaarden van hun eventueel beheer; 2.1.7. De voorwaarden van de financiële tussenkomst in geval van afwezigheid van de bewoner wegens opneming in een ziekenhuis, weekeinde, vakantie en elke andere reden;

Wanneer de bewoner in de loop van de maand de kamer bezet, is hij dan voor de eerste keer een bedrag verschuldigd, dat gelijk is aan het nog te lopen deel van de maand. 2.1.8. Het nummer van de aan de bewoner toevertrouwde kamer met vermelding van het maximumaantal toelaatbare bewoners in deze kamer;

Behoudens advies van zijn behandelend geneesheer mag een kamerwisseling niet worden verricht zonder de toestemming van de bewoner of van zijn vertegenwoordiger; 2.1.9. De ontbindingsvoorwaarden van de overeenkomst : 2.1.9.1. De overeenkomst wordt voor een onbepaalde duur gesloten, rekening houdende met het feit dat de 30 eerste dagen als proeftijd gelden;

In geval van kort verblijf in rustoord zoals bedoeld in artikel 5, § 2, laatste lid van het decreet, wordt de overeenkomst voor een bepaalde duur gesloten; 2.1.9.2. Tijdens deze proefperiode mogen beide partijen de overeenkomst ontbinden met inachtneming van een opzeggingstermijn van zeven dagen; 2.1.9.3. Na deze proefperiode mag de overeenkomst ontbonden worden mits een vooropzeg die niet korter dan drie maanden mag zijn in geval van ontbinding door de beheerder en vijftien dagen in geval van ontbinding door de bewoner;

De vooropzeg van drie maanden kan tot één maand teruggebracht worden in geval van duidelijke niet-naleving van de zekerheidsnormen of van de imperatieven van het gemeenschappelijke leven;

In geval van kort verblijf in rustoord zoals bedoeld in artikel 5, § 2, laatste lid, van het decreet mag de overeenkomst mits een vooropzeg van zeven dagen ontbonden worden, wat de partij die deze ontbinding beslist, ook mag zijn; 2.1.9.4. De ontbinding geschiedt schriftelijk, hetzij bij ter post aangetekende brief, hetzij tegen ontvangbewijs twee werkdagen vóór de aanvang van de hierboven vermelde termijn; 2.1.9.5. De bewoner of zijn vertegenwoordiger die de overeenkomst zonder inachtneming van de opzeggingstermijn ontbindt, kan verplicht zijn een vergoeding te betalen, gelijk aan het pension dat de duur van de bepaalde termijn dekt, met uitzondering van de eventuele supplementen; 2.1.9.6. In geval van overlijden of van heengaan wegens medische redenen blijft de verplichting om de dagelijkse huivestingsprijs te betalen bestaan, zolang de kamer niet vrij is; 2.1.10. De vermelding volgens welke elk geschil betreffende de uitvoering van de overeenkomst tot bevoegdheid van de burgerlijke rechtbanken behoort. Het adres van het Vredegerecht en de Rechtbank van eerste aanleg, die territoriaal bevoegd is, wordt nader bepaald. 2.2. De gedetailleerde beschrijving van de door de bewoner bezette kamer wordt gevoegd bij de overeenkomst. Ze wordt door de partijen gedateerd en ondertekend. Bij gebrek aan beschrijving vóór de opvang van de bewoner, wordt deze bewoner geacht de kamer ontvangen te hebben in dezelfde staat als degene wanneer hij de kamer verlaat en mag hij niet verantwoordelijk gesteld worden voor de eventuele schade. 2.3. In geval van laatkomende betaling van de huisvestingsprijs mag de moratoire rente, als ze voorzien is, het in artikel 1153 van het Burgerlijke Wetboek bedoelde wettelijke percentage niet overschrijden. 2.4. Elke met de bovenvermelde voorschriften strijdige bepaling wordt geacht nietig te zijn. 2.5. Een door het Ministerie van de Economische Zaken toegelaten prijsverhoging conform de in hoofdstuk 8 bedoelde prijsaanpassing wordt niet beschouwd als een wijziging van de overeenkomst. 3. Individueel dossier van de bewoner 3.1. Een individueel dossier wordt opgemaakt bij de opvang van elke bewoner; dit dossier moet voortdurend bijgehouden worden. 3.1.1. De verzameling van de in dit dossier vermelde gegevens en hun behandeling wordt verricht overeenkomstig de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. 3.1.2. De door de Regering aangewezen ambtenaren mogen dit dossier permanent raadplegen. 3.1.3. Een lijst van de personeelsleden die overeenkomstig artikel 16, § 1, 4°, van bovenvermelde wet dit dossier mogen raadplegen, wordt bijgehouden. 3.1.4. De inhoud van dit dossier wordt gedekt door het beroepsgeheim. 3.2. Dit dossier vermeldt of omvat met name : 3.2.1. De volledige identiteit van de bewoner (naam, voornamen, geboorteplaats en -datum, burgerlijke stand, nationaliteit, adres); 3.2.2. De naam, het adres en het telefoonnummer van de eventuele vertegenwoordiger van de bewoner; 3.2.3. De naam, het adres en het telefoonnummer van de voor de plaatsing van de bewoner in rustoord verantwoordelijke persoon; 3.2.4. De naam van de behandelend geneesheer, zijn adres en zijn telefoonnummer alsmede alle bepalingen in geval van afwezigheid van deze laatste en de eventueel gewenste ziekenhuisinstelling; 3.2.5. De naam, het adres en het telefoonnummer van de in noodgeval op te bellen persoon; 3.2.6. De godsdienst en/of de filosofische mening van de bewoner als hij het wenst; 3.2.7. De inlichtingen betreffende de betaling (door de bewoner of zijn vertegenwoordiger, in voorkomend geval door het OCMW) van de huisvestingsprijs en de eventuele waarborg waarvan sprake in punt 2.1.5. van deze bijlage; 3.2.8. De inlichtingen betreffende het ziekenfonds (naam, adres, categorie, inschrijvingsnummer); 3.2.9. De inlichtingen betreffende de pensioenen (naam, kas, kasnummer) als de bewoner het eens is; 3.2.10. De lijst van alle waardevolle voorwerpen en het bedrag van de in deposito genomen sommen, met uitzondering van de waarborg bedoeld in punt 3.2.7.; 3.2.11. Het ontvangstbewijs waarvan sprake in punt 1.8. van deze bijlage; 3.2.12. Het voor het rustoord bestemde exemplaar van de overeenkomst en de aanhangsels ervan die bedoeld zijn in punt 2.1. van deze bijlage; 3.2.13. De inventaris van het meubilair dat de bewoner in het rustoord heeft meegebracht; 3.2.14. De beschrijving waarvan sprake in punt 2.2. van deze bijlage. 4. Mededelingenbord 4.1. In een zeer toegankelijke plaats, te weten het onthaallokaal, de hal van het rustoord, of de voornaamste woonplaats, is er een mededelingenbord met de informatie over de volgende punten : - de naam van de beheerder en, als het om een rechtspersoon gaat, zijn rechtsvorm en de natuurlijke persoon die hem vertegenwoordigt; - de naam van de directeur van de inrichting en zijn gewone aanwezigheidsuren in het rustoord alsmede de naam van zijn vervanger in geval van afwezigheid; - het nummer van de erkenning of van de voorlopige werkingsmachtiging van het rustoord en elke inlichting betreffende zijn erkenning of voorlopige werkingsmachtiging en, in voorkomend geval, elke inlichting betreffende een schorsing, een intrekking of een weigering van erkenning of voorlopige werkingsmachtiging alsmede een sluiting; - de inlichtingen betreffende de bewonersraad; - het adres en de telefoonnummers van het bevoegde gewestelijke bestuur en van de Burgemeester; - de menu van de lopende week en van de volgende week; - de bezoekuren; - de activiteiten en animaties die door de inrichting worden georganiseerd en waaraan de bewoners kunnen deelnemen. 4.2. De directeur van het rustoord zal elke nodige maatregel treffen opdat dit bord leesbaar en voor alle toegankelijk zou zijn. HOOFDSTUK 3. - De normen betreffende de hygiëne, de voeding en de gezondheidszorgen 5. Hygiëne 5.1. De algemene diensten, met name de keuken en de wasserij, zijn zo ingericht dat ze door hun geur, damp of geluid niet hinderen. 5.2. De overeenkomstig het huishoudelijk reglement toegelaten dieren mogen in geen geval toegang hebben tot de keukens, de lokalen waar voedingsmiddelen worden bewaard, de woonkamer, de verzorgingslokalen en de lokalen voor de voorbereiding van geneesmiddelen. 5.3. De vaste afvalstoffen worden geloosd in hermetisch vuilniszakken met inachtneming van de reglementering over de afvalstoffen. 5.4. De kamerstoelen zijn strikt persoonlijk en bestemd voor hun specifieke gebruik.

Ze worden slechts gebruikt als de gezondheidstoestand het rechtvaardigt. Ze mogen in geen geval een gewone stoel vervangen. 5.5. Het beddegoed wordt in een staat van bestendige netheid gehouden en in ieder geval minstens één keer per week en telkens als het nodig is, vervangen.

De vuile was wordt geplaatst in hermetische bakken en dagelijks van de huisvestingszones afgevoerd. 5.6. Drinkbaar water moet in de hele inrichting beschikbaar zijn. 5.7. De baden en douches moeten dagelijks kunnen worden gebruikt door de bewoners.

De nodige hulp wordt verstrekt aan de personen die onbekwaam zijn zich alleen te wassen. 5.7.1. Om de rust van de bewoners te waarborgen mogen toilet en zorgen niet 's nachts of vóór 7 uur 's morgens gemaakt worden, behalve in geval van incontinentie of wegens medische reden. 5.7.2. De directeur moet ervoor zorgen dat geen bejaarde bij gebrek aan zorgen en netheid de andere bewoners misselijk maakt; hij treft met name alle maatregelen om ervoor te zorgen dat elke bewoner zich minstens één keer per week volledig wast. 6. Voeding 6.1. De bewoners krijgen minstens drie maaltijden per dag, waarvan één volledige warme maaltijd.

De voeding is gezond en gevarieerd; ze is aangepast aan de toestand van de bejaarde.

De door de behandelend geneesheer voorgeschreven diëten worden nageleefd. 6.1.1. De voorbereiding van de maaltijden en de verdeling ervan worden verricht volgens de striktste hygiëneregels overeenkomstig de bepalingen van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten en van de desbetreffende besluiten, met name het koninklijk besluit van 7 februari 1997 inzake de algemene voedingsmiddelenhygiëne. 6.2. De menu's van de maaltijden worden minstens één week op voorhand medegedeeld aan de bewoners, met name op het mededelingenbord.

Een register met ten minste de lijst van de menu's van de afgelopen maand wordt bijgehouden. Dit register moet voortdurend kunnen worden geraadpleegd door de afgevaardigden van het bestuur. 6.3. De ochtendmaaltijd mag niet vóór 7 uur worden opgediend, die van de middag niet vóór 12 uur en die van de avond niet vóór 17 uur 30.

Om de gastvrijheid te verzekeren en het levensproject in acht te nemen worden de maaltijden, behalve medische redenen, in het restaurant gebruikt. 6.4. Twee menu's naar keuze zijn voorzien voor de avondmaaltijd. 6.5. Het rustoord is ertoe gehouden de nodige hulp te verstrekken aan de personen die moeilijkheden ondervinden om alleen te eten of te drinken. 7. Gezondheidszorgen en oproepregister 7.1. Een individueel medisch dossier wordt opgemaakt voor elke bewoner. 7.1.1. Dit dossier omvat de medische, verpleegkundige en paramedische richtlijnen en dagelijks de vermelding van de uitvoering ervan, de opmerkingen van het personeel dat deze richtlijnen heeft uitgevoerd, alsmede alle andere zorgen. 7.1.2. Dit dossier vermeldt ook de bezoekdag van de arts, de voorgeschreven geneesmiddelen en hun posologie, de vereiste zorgen, de gevraagde examens en het eventueel dieet. 7.1.3. De verzameling van de erin vermelde gegevens en de behandeling ervan worden overeenkomstig de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. verricht. 7.1.4. Het medische dossier wordt gedurende minstens twee jaar na het weggaan of het overlijden van de bewoner in het rustoord gehouden. 7.2. Bij de afwisseling van de ploeg deelt de voor de zorgen verantwoordelijke persoon alle inlichtingen betreffende de kenmerkende evenementen die gedurende de afgelopen periode zijn gebeurd, schriftelijk mede. 7.3. De individuele voorbereiding van de geneesmiddelen wordt door een verpleger volgens de vigerende regels verricht. De geneesmiddelen worden in een meubel of een daartoe bestemd lokaal dat op slot afgesloten is, gehouden. 7.4. Telkens als de gezondheidstoestand van de bewoner het vereist, zal hij een beroep moeten doen op een arts van zijn keuze.

Als de bewoner of, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger, niet in staat is deze keuze te uiten en in afwezigheid van zijn arts of van zijn vervanger, waarvan de personalia worden vermeld in het individuele dossier waarvan sprake in punt 3.1. van deze bijlage, doet de voor de zorgen verantwoordelijke persoon een beroep op de arts van zijn keuze. 7.5. De directie verzoekt alle artsen in bezoek die één om meer personen in het rustoord onderzoeken, om zich ertoe verbinden op de doeltreffende wijze deel te nemen aan de interne medische organisatie van de inrichting. 7.6. De beheerder moet ervoor zorgen dat de voorkoming van besmettelijke ziekten wordt verzekerd. 7.6.1. In het bijzonder moet hij ervoor zorgen dat alle nodige maatregelen worden getroffen voor de steriele zorgen, bij voorkeur door het gebruik van sets voor enig gebruik.

De inspectie van de hygiëne wordt in alle betwistbare gevallen geraadpleegd.

Zowel 's nachts als overdag vermeldt het personeelslid dat dienst heeft, het aan de oproepen van de bewoners gegeven gevolg en met name de instructies die hij heeft gegeven, in het register.

Volgens de omstandigheden moet hij onmiddellijk een beroep doen aan de persoon van wie de interventie noodzakelijk is.

Het register wordt dagelijks ondertekend door de verantwoordelijken voor de verzorgingsdienst.

De telefoonnummers van de artsen, verplegers, brand- en politiediensten, ziekenhuizen en ambulances moeten worden vermeld op de eerste bladzijde van het register.

Het register wordt ter beschikking gesteld van de ambtenaren die aangewezen zijn om te zorgen voor de toepassing van de bepalingen van het decreet en van de normen. HOOFDSTUK 4. - De normen betreffende het aantal, de classificatie, de kwalificatie en de moraliteit van het personeel 8. Personeel De directie en het personeel van de inrichting zorgen in het kader van het levensproject voor een gunstige atmosfeer voor de kwaliteit van de bewoners.Ze dragen tot het behoud van hun autonomie en ontplooiing bij. Ze hebben tot doel hun toegang tot een dynamischer sociaal leven te bevorderen, een beroep te doen op hun creatiemogelijkheden en de communicatie tussen de personen van de inrichting te verbeteren.

In elk rustoord voor bejaarden zijn er drie categorieën personeel : het directie- en administratief personeel, het hotelpersoneel en het verzorgingspersoneel.

Voor de schatting van het personeel dat voor de verschillende ambten vereist is, staat een voltijds equivalent gelijk met 38 uur dagelijkse dienstverleningen, behoudens in deze bepalingen uitdrukkelijk bedoelde uitzondering.

De minimale norm is één voltijds personeelslid per aangesneden groep van 5 bewoners. 8.1. Directie- en administratief personeel 8.1.1. Directeur 8.1.1.1. In elk rustoord is er een directeur die zorgt voor het dagelijkse beheer en die onmiddellijk verantwoordelijk is vóór de beheerder. 8.1.1.2. In elk rustoord staat de directeur ter beschikking van de bewoners en hun familie ten minste 4 uur per week. Dag en uur van die beschikbaarheid worden op het mededelingenbord gemeld. De beschikbare uren moeten over twee dagen zijn gespreid, ten minste één uur daarvan moet na 18 uur geplaatst zijn. 8.1.1.3. Het rustoord met ten minste 26 bedden moet beschikken over een directeur die minstens 20 uur per week werkt. Vanaf 60 bedden moet het rustoord over een voltijdse directeur beschikken. 8.1.1.4. Ingeval een rustoord op meer sites is gevestigd, moet de directeur in elke site voldoende aanwezig zijn. Als het op meer sites gelegen rustoord over 60 of meer bedden beschikt, moet de directeur verplicht voltijds werken op de hele sites. 8.1.1.5. In geval van afwezigheid of voorlopige verhindering van de directeur wijst de beheerder het personeelslid aan, dat het best in staat is om voor het dagelijkse beheer van de inrichting te zorgen gedurende zijn afwezigheid. De naam van deze vervanger wordt zoals bedoeld in punt 4 van deze bijlage aangeplakt en de bewoners alsmede de personeelsleden worden daarvan geïnformeerd. 8.1.1.6. De directeur of zijn vervanger kan indien nodig teruggeroepen worden. 8.1.1.7. Het geheel van de dienstverleningen van de directeur mag in geen geval gelden als meer dan één voltijds equivalent, waarvan minstens 0,5 voltijds dagequivalent voor de enige directiefunctie, wat de ambten die de directeur anderzijds in het rustoord uitoefent, ook kunnen zijn. 8.1.1.8. De directeur kan de directie van meer dan twee rustoorden niet waarnemen. 8.1.2. Opleiding van de directeur 8.1.2.1. Elke directeur van een rustoord moet tenminste houder zijn van het getuigschrift van het hoger secundair onderwijs of van ziekenhuis- of psychiatrisch verpleger alsook van een attest van de minimum nodige kennis betreffende het beheer van een rustoord, zoals hierna bepaald.

De personen die bij de inwerkingtreding van dit besluit de minimum nodige kennis betreffende het beheer van rustoorden voor bejaarden op grond van het desbetreffende besluit van de Executieve van 20 december 1990 hebben verworven, zijn ervan vrijgesteld de in punt 8.1.2.2. bedoelde opleiding te volgen. 8.1.2.2. De minimum nodige kennis betreffende het beheer van een rustoord wordt beschouwd als verworven wanneer de kandidaat-directeur een door de Minister erkende opleidingscyclus van 250 uren heeft gevolgd en aan de toets met goed gevolg heeft voldaan waardoor deze afgesloten wordt.

Zijn geheel of gedeeltelijk vrijgesteld van de eerste 250 lesuren, de personen die houder zijn van een titel van het hoger onderwijs in verband met het ambt.

De Minister bepaalt de lijst van de titels waarvoor deze maatregel kan worden toegepast alsmede de maatregelen die het voorwerp uitmaken van de vrijstelling 8.1.2.3. Programma van de opleiding 8.1.2.3.1. Basisopleiding Deze eerste cyclus van 250 uren beoogt het aanleren van de om het ambt uit te oefenen vereiste basiskennis door de kandidaat-directeur.

Overeenkomstig punt 8.1.2.2., tweede lid, kunnen vrijstellingen worden verleend voor het geheel of een deel van deze basisopleiding. De gedurende deze opleiding gegeven stoffen kunnen nochtans worden vermeld in het door de Minister bepaalde programma. * Wetgeving : 75 uren - Algemene organisatie van de Volksgezondheid - Organisatie en werking van de sociale zekerheid - Elementen van het burgerlijke en strafrecht - Elementen van het handelsrecht - Elementen van het publiekrecht * Kennis van de bejaarde : 75 uren - Elementen van de demografie - Mechanisme van de veroudering - Psychologische benadering van de bejaarde * Boekhouding : 50 uren - Algemene beginselen van het boekhouds- en belastingsrecht - De rekeningen van de bedrijven * Varia : 50 uren - Seminars - Didactische bezoeken 8.1.2.3.2. Specifieke opleiding * Wetgeving : 75 uren - Wetgevingen betreffende de bejaarden - Wetgevingen betreffende de rustoorden en rust- of verzorgingshuizen - Financiering van de rustoorden - Bescherming van de personen - Arbeidsrecht * Kennis van de bejaarde : 75 uren - Voornaamste patholigieën van de bejaarden - Behandeling van de zorgen - Psychologie van de bejaarden - Diëtiek van de bejaarden - Levensproject - Animatie en recreatie - Palliatieve zorgen * Beheer van een rustoord : 75 uren - Boekhouds- en financieel beheer - Beheer van het personeel - Relaties met de verzekeringsinstellingen en de OCMW'S * Varia : 25 uren - Seminars - Didactische bezoeken 8.1.2.4. De lessencyclus waarvan sprake in punt 10.1.2.2. moet na advies van het « Conseil wallon du troisième âge » (Waalse Raad voor de Derde Leeftijd) door de Minister erkend worden.

De duur van de erkenning van deze lessencyclus is drie jaar.

De Minister bepaalt de vereiste titels en/of nodige ervaring van de met de opleidingen belaste personen. 8.1.2.5. Elke directeur is ertoe gehouden deel te nemen aan voortdurende opleidingsactiviteiten van minstens twee dagen per jaar.

Het programma van deze dagen moet uiterlijk één maand vóór de organisatie ervan aan de goedkeuring van de Minister worden onderworpen. 8.1.3. Administratief personeel Wanneer de organisatie van de inrichting het vereist, wordt de directeur bijgestaan door een personeel dat hem voor de verschillende bestuurs-, opvang-, en eventueel animatietaken assisteert.

Voor elk rustoord met 100 of meer bedden is 0,5 voltijds equivalent administratief personeel vereist. 8.2. Hotelpersoneel Het rustoord moet zorgen voor de taken betreffende de keuken, het restaurant, het beddegoed, de wasserij, het technische onderhoud, de netheid en de hygiëne van de lokalen en voldoen aan de in deze normen vermelde eisen.

Om dit te doen beschikt het rustoord over voldoende personeel met de vereiste kwalificaties.

Een voltijds equivalent per 15 bewoners is minimum vereist. Als het aantal bewoners kleiner of hoger is, wordt het aantal tewerkstellingen verhoudingsgewijs bepaald.

Het rustoord kan deze taken geheel of gedeeltelijk vervullen met de hulp van buitendiensten die met hem door een schriftelijke overeenkomst verplicht zijn gebonden. De regels voor de gelijkstelling van deze dienstverleningen met personeelkosten en, op deze basis, met een raming in voltijds equivalent worden door de Minister bepaald. 8.3. Verzorgingspersoneel 8.3.1. Onder verzorgingspersoneel wordt verstaan de verplegers, de leden van het verplegende personeel, de leden van de paramedische en kinesieberoepen. 8.3.2. Het rustoord beschikt op elk ogenblik over een voldoende aantal leden van het verzorgingspersoneel met wie het in de behoeften van de bewoners kan voorzien naar gelang van hun aantal en hun afhankelijkheidsniveau. 8.3.3. Minstens één lid van het verzorgingspersoneel moet voortdurend aanwezig zijn in het rustoord of, in voorkomend geval, in elke site van het rustoord; hij moet beschikken over de nodige tijd om te voorzien aan de oproepen van de bewoners te antwoorden en om wacht te lopen.

Tijdens de nacht kan het aantal leden van het verzorgingspersoneel in het rustoord niet kleiner zijn dan één eenheid per aangesneden groep van 75 erkende bedden.

Bij gebrek aan expliciete vermeldingen in het huishoudelijk reglement wordt de nacht bepaald als de periode tussen 20 uur en 6 uur : in elk geval gaat het om een onafgebroken periode van maximum 11 uur. 8.3.4. Onverminderd de toepassing van punt 8.3.3. kan het gehele aantal leden van het verzorgingspersoneel die door het rustoord worden tewerkgesteld, niet kleiner zijn dan 1,25 voltijds equivalent per aangesneden groep van 10 aanwezige bewoners op grond van een driemaandelijks gemiddelde. 8.3.5. In afwijking van de punten 8.3.3. en 8.3.4. moet in de rustoorden van minder dan 26 bedden ten minste één personeelslid die over een eerste-hulpdiploma beschikt de dag- en nachtdienst waarnemen.

Ten minste één voltijds verzorgend personeelslid is nodig voor zeven bewoners. Als het aantal bewoners hoger of lager dan dat aantal ligt, moet het aantal tewerkgestelde personeelsleden daaraan worden aangepast. 9. Register van de dienstverleningen en tabel van het personeel De directeur houdt een register dat de kwalificatie van het personeel vermeldt : statutair, bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen of door overeenkomst verbonden en de data en uren van de dienstverleningen van iedereen. De lijst van het personeel en het dagelijkse werkrooster worden aangeplakt.

Deze documenten, die permanent worden bijgehouden, worden ter beschikking gesteld van het bestuur dat elk ogenblik een afschrift ervan kan vereisen. 10. Dossiers van het personeel Voor elk personeelslid, de directeur inbegrepen, wordt een dossier opgemaakt dat de volgende stukken bevat : 10.1. het voor het rustoord bestemde exemplaar of een voor eensluidend verklaard afschrift van de arbeidsovereenkomst, de benoemingsakte of de overeenkomst; 10.2. een voor eensluidend verklaard afschrift van het diploma of de attesten van opleiding en nuttige ervaring; 10.3. een getuigschrift van goed zedelijk gedrag; 10.4. een jaarlijks attest van de bedrijfsgeneeskunde.

Dit dossier alsmede het afschrift van de RSZ-lijsten worden ter beschikking gesteld van het bestuur dat elk ogenblik de overlegging ervan kan vereisen. HOOFDSTUK 5. - Normen betreffende het gebouw 11. Onderhoud, verwarming, verlichting en liften Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaand onder gebouw opgericht na de inwerkingtreding van deze normen, het gebouw dat het voorwerp uitmaakt van een eerste erkenningsaanvraag of van een nieuwe erkenningsaanvraag na toekenning van een principieel akkoord meer dan één jaar na de inwerkingtreding van deze normen. 11.1. De gebouwen worden regelmatig onderhouden en beschut tegen vocht of doorsijpelingen. 11.2. Ongeacht het gekozen systeem voor de verwarming van de lokalen, mag dit geen enkele uitwaseming van vlammen, gas of stof veroorzaken in de voor de bejaarden toegankelijke onbewaakte lokalen. 11.3. In de kamers, badkamers en woonplaatsen moet de temperatuur, ongeacht de weersomstandigheden, steeds 22° bereiken en 18° in de voor bejaarde toegankelijke andere lokalen. 11.4. Al de voor de bewoners toegankelijke lokalen worden voortdurend voorzien van een voldoende verlichting. Deze wordt aan de behoeften aangepast naar gelang van de in de lokalen ontwikkelde activiteiten.

In de na de inwerkingtreding van deze normen opgerichte gebouwen moeten de gangen en sanitair bovendien tijdens de nacht voldoende verlicht worden zodat de bewoners zich veilig kunnen verplaatsen. 11.5. De verlichtingsoppervlakte is minimum gelijk aan de zesde van de oppervlakte van elke woonplaats of van elke kamer van de bejaarden.

De vensters van deze lokalen maken een normaal zicht op de buitenwereld zonder ongevalgevaar mogelijk. 11.6. Wat de na de inwerkingtreding van deze normen opgerichte gebouwen betreft, moet worden voorzien in een lift, of elk ander hefmiddel dat de brandveiligheidsnormen in acht neemt, wanneer het gebouw minstens één verdieping telt voor de bewoners boven of onder de normale ontruimingsetage.

De liften moeten de toegankelijkheid van de personen met beperkte beweeglijkheid mogelijk maken.

In afwijking van de eerste twee leden is, naarmate het rustoord vóór of na 31 juli 1984 voor de eerste keer is geëxploiteerd, hetzij geen lift of geen ander hefmiddel vereist, of moet in een lift of een ander mechanisch hefmiddel worden voorzien als de inrichting minstens twee verdiepingen telt boven de normale ontruimingsetage. 12. Oproepsysteem, aanleg van de gangen en trappen 12.1. De gangen en trappen zijn voldoende breed en voorzien van leuningen of steunstaven aan beide kanten.

De eerste en de laatste trede evenals elke afgezonderde trede worden op de rand voorzien van een scherpkleurige band die schril afsteekt tegenover de vloerbedekking. 12.2. De woonplaatsen, kamers, W.C.'s en badkamers zijn voorzien van een oproepsysteem dat elk ogenblik in werking kan worden gesteld.

In de kamers is dit systeem bereikbaar vanaf de bedden en, in geval van afhankelijkheid van de bewoners, vanaf de leunstoelen.

Het oproepsysteem is technisch zo ontworpen dat alle oproepen waarop zowel overdag als 's nachts snel moet worden gereageerd, voortdurend kunnen worden gelokaliseerd. 12.3. In de vanaf de inwerkingtreding van deze normen opgerichte gebouwen kan het in punt 12.2. bedoelde systeem de termijn opnemen, waarin er op een oproep wordt gereageerd.

Deze opnemingen worden gevoegd bij het in punt 7.6.3. van deze bijlage bedoelde register. 13. Sanitaire installaties 13.1. Afzonderlijke, fatsoenlijke en voldoende sanitaire installaties zijn voorzien voor de bewoners en het personeel. 13.2. De sanitaire installaties bestaan minimum uit een W.C. voor 8 bewoners.

In de inrichtingen die voor de eerste keer na 31 juli 1984 geëxploiteerd zijn, bestaan de sanitaire installaties minimum uit een W.C. per verdieping die toegankelijk is voor de bewoners die zich in een rolstoel verplaatsen.

Een W.C. is gelijkvloers toegankelijk per niveau van te bedienen kamers. 13.3. Alle W.C.'s zijn gemakkelijk toegankelijk voor de bejaarden. Zij beschikken over een goede rechtstreekse luchtverversing of een goede ventilatie. Hun deur kan niet binnenwaarts worden geopend. De W.C.'s moeten over schuin gemonteerde steunrekken en een haak. 13.4. Minimum één bad of één douche per 12 personen moet worden voorzien.

Deze installaties zijn voorzien van antislipapparatuur.

De douche is zo ontworpen dat de waterstraal georiënteerd kan worden.

Voorzorgen worden genomen opdat de apparaten voor watertoevoer en -afvoer geen ongevallen zouden kunnen veroorzaken. 13.5. In de na de inwerkingtreding van deze normen opgerichte gebouwen is minstens een aan gehandicapte personen aangepaste bad of douche voorzien. 13.6. Er wordt voortdurend en overeenkomstig de hygiëneregels gezorgd voor de afvoer van afvalwater. 14. Kamers en uitrusting ervan 14.1. Elke kamer is genummerd.

De naam van de bewoners komt op de buitenzijde van de kamer voor, behalve als deze laatsten of hun vertegenwoordigers zich daartegen verzetten.

In de individuele kamer bestaat het meubilair minstens uit : een bed, een kleerkast, een wastafel met warm en koud lopend drinkbaar water, een tafel, een leunstoel, een stoel en een nachtkastje met lade. 14.2. Wanneer de kamer meer bedden omvat, is de ruimte tussen de bedden, zowel in lengte als in breedte, minimum 0,90 m.

Bovendien is elk bed minimum 0,80 m van een venster weggeschoven.

Een of verschillende tafels met stoelen bieden alle bewoners van de kamer de mogelijkheid om eventueel gelijktijdig hun maaltijd te gebruiken.

Scheidingselementen tussen de bedden waarborgen iedereen een minimum intimiteit.

In de kamers bestaat het meubilair voor elke bewoner minimum uit : een bed, een kleerkast, een leunstoel en een nachtkastje met lade.

Deze kamers zijn minstens voorzien van een wastafel met warm en koud lopend drinkbaar water per eenheid van vier personen en van een vanaf het bed bereikbaar verlichtingssysteem dat in werking zou kunnen worden gesteld zonder de andere bewoners van de kamer te storen. 14.3. Het meubilair van de kamers wordt aangepast aan de stand van de bewoner. Het is functioneel en in goede staat. 14.4. In de inrichtingen die over kamers met meer bedden beschikken, is een afzonderingskamer voorzien, die aan de voor de individuele kamers voorgeschreven richtlijnen voldoet. 14.5. De minimale werkelijke oppervlakte van de individuele kamers of woningen bedraagt 12 m2 per persoon en 9 m2 per persoon in de gemeenschappelijke kamers, sanitaire lokalen eventueel niet inbegrepen.

Bij wijze van overgangsmaatregel mag de voor de huisvesting van bejaarden nodige oppervlakte niet kleiner zijn dan 11 m2 per persoon in de bestaande inrichtingen en de inrichtingen waarvoor bouw-, inrichtings-, of uitbreidingsprojecten op 31 juli 1984 werden goedgekeurd of in uitvoering waren. Deze oppervlakte wordt bereikt door de optelling te maken van de netto oppervlakten van alle individuele en gemeenschappelijke kamers, van de woonplaatsen en van de eetkamer en door dit totaal te delen door het aantal bejaarden. 14.6. In de na de inwerkingtreding van deze normen opgerichte gebouwen bedraagt de minimale hoogte van de kamers 2,50 meter. 14.7. De gemeenschappelijke kamers mogen niet meer dan twee bedden omvatten.

In afwijking van het vorige lid en bij wijze van overgangsmaatregel mogen de gemeenschappelijke kamers niet meer dan zes bedden omvatten in de inrichtingen die niet na de inwerkingtreding van deze normen zijn opgericht of aangelegd. 15. Het gebouw in het algemeen 15.1. Alle rustoorden moeten beschikken over een woonkamer.

Bij wijze van overgangsmaatregel zijn de rustoorden met minder dan 20 bedden die een voorlopige werkingsvergunning hebben gekregen of die sinds een datum voorafgaand aan 31 juli 1984 onafgebroken erkend zijn, niet ertoe gehouden over een woonkamer te beschikken. 15.2. In de na 31 juli 1984 voor de eerste keer geëxploiteerde inrichtingen moet de woonkamer toegankelijk zijn voor alle bewoners, ongeacht hun afhankelijkheidsniveau. 15.3. In de na de inwerkingtreding van deze normen opgerichte inrichtingen moet het rustoord beschikken over een woonkamer en een restaurant, die bij voorkeur gescheiden zijn en voor alle bewoners, ongeacht hun afhankelijkheidsniveau, toegankelijk, en over een voor rokers bestemd lokaal. Wanneer dit lokaal niet bestaat, wordt een ruimte ingericht in de woonkamer en voorzien van een zuigingssyteem. 15.4. De totale oppervlakte van de gemeenschappelijke plaatsen bedraagt minstens 2 m2 per erkend of toegelaten bed.

Onder gemeenschappelijke plaatsen verstaat men de voor de bewoners toegankelijke binnenplaatsen, met uitzondering van de kamers, keukens, trappen, gangen en sanitair. Kunnen nochtans beschouwd worden als gemeenschappelijke plaatsen, de gangengedeelten en de doorlopen waarvan de breedte de aanleg van ontmoetingsplaatsen mogelijk hebben gemaakt, met inachtneming van de striktste veiligheidsnormen bedoeld in bijlage I van dit besluit. 15.5. Elke inrichting moet beschikken over een fatsoenlijk lokaal dat als sterf- of lijkkamer kan dienen. HOOFDSTUK 6. - Boekhouding 16. Boekhouding 16.1. De boekhouding van de rustoorden waarvan de beheerder een openbare overheid is, wordt vastgesteld overeenkomstig de op deze openbare overheid toepasselijke boekhoudregels. 16.2. De boekhouding van de rustoorden die in punt 16.1. niet bedoeld zijn, wordt vastgesteld overeenkomstig het in bijlage V bedoelde boekhoudplan. 16.3. Voor elke bewoner houden de rustoorden een individuele rekening bij, waarop al de bijzonderheden van de ontvangsten en uitgaven alsmede de leveringen en de ten gunste van de bewoners gepresteerde diensten worden vermeld. Deze individuele rekening kan elk ogenblijk worden geraadpleegd door de bewoner of zijn vertegenwoordiger. 16.4. Een uitvoerige maandelijkse factuur bepaalt de balans van de verschuldigde bedragen en ontvangsten. Ze wordt met alle bewijsstukken aan de bewoner of zijn vertegenwoordiger afgegeven. 16.5. De boekhouding van de inrichting en van de individuele rekeningen van de bewoners moet ter beschikking van de bestuursafgevaardigden gesteld worden, die er kennis van kunnen nemen zonder zich te verplaatsen. HOOFDSTUK 7. - Specifieke normen betreffende de opvang en de huisvesting van gedesoriënteerde bejaarden in een aangepaste eenheid Naast de regels voor de organisatie van de rustoorden kunnen de opvang en de huisvesting van de gedesoriënteerde bejaarden georganiseerd worden in een speciaal aangepaste eenheid die een bijzondere erkenning kan krijgen, als het om krankzinnige personen gaat. In dit geval bevordert de eenheid de gemeenschappelijke en individuele autonomie dank zij de creatie van een milieu dat van een familie leefklimaat geïnspireerd wordt.

De gemeenschappelijke autonomie wordt verricht door een afzonderlijke organisatie van de taken van het dagelijkse leven en de individuele autonomie door het bijdragen van de bewoners tot de taken van het dagelijkse leven onder sociale begeleiding van het begeleidingspersoneel.

De bijdrage die zich op de dynamiek van de beperkte groepen baseert, moet de banden met de familie en de omgeving van de bewoners bevorderen en een gemeenschappelijk leven mogelijk maken met minimum 5 en maximum 15 bewoners.

De opvang en de huisvesting worden binnen het rustoord maar in een afzonderlijke plaats georganiseerd. Onder afzonderlijke plaats wordt verstaan een gebouw of een gedeelte van gebouw dat uitsluitende bestemd is voor de eenheid. Dit gebouw bestaat uit een gemeenschappelijke plaats en uit kamers voor de bewoners, die bij voorkeur individueel zijn en die vlak naast de gemeenschappelijke plaats liggen.

De gemeenschappelijke plaats moet een minimale oppervlakte van 60 m2 hebben en bestaan uit een toegankelijke en aangepaste keukenruimte, een enige tafel rondom welke de hele gemeenschap zich verenigt, alsmede uit een rustruimte met leunstoelen.

De gemeenschappelijke plaats is voldoende natuurlijk verlicht en heeft zicht op de buitenwereld.

De toegang tot de buitenwereld van de gedesoriënteerde bewoners wordt verzekerd door een aangepast geruststellend technisch middel.

Het personeel is voortdurend aanwezig.

De coördinatie van de activiteiten die in de gemeenschappelijke plaats worden uitgeoefend, wordt dagelijks waargenomen door één van de personeelsleden.

Het personeel is ertoe gehouden aan een interne of externe permanente opleiding van twee dagen per jaar deel te nemen. HOOFDSTUK 8. - Aanpassing van de huisvestingsprijs 17. Onverminderd de federale bepalingen die de aanvragen om prijsstijging reglementeren, zoals bepaald in artikel 4 van het ministerieel besluit van 20 april 1993Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 20/04/1993 pub. 15/04/2004 numac 2004011180 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Ministerieel besluit houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen Deeltelijke vernietigingen sluiten houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen, mag de jaarlijkse verhoging van de huisvestings- of opvangprijs in geen geval 5 % hoger zijn dan de indexering van de consumptieprijzen.Deze bepaling treedt in werking op 1 januari 2000.

Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van... tot uitvoering van het decreet van 5 juni 1997 betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de « Conseil wallon du troisième âge ».

Namen, 3 december 1998.

De Minister-President van de Waalse Regering, belast met Economie, Buitenlandse Handel, KMO's, Toerisme en Patrimonium, R. COLLIGNON De Minister van Sociale Actie, Huisvesting en Gezondheid, W. TAMINIAUX

Bijlage III. - Normen van toepassing op de serviceflats HOOFDSTUK 1. - Minimale en maximale huisvestingscapaciteit 0.1. Geen enkele service-flat mag een erkenning krijgen voor minder dan 5 en meer dan 100 flats. HOOFDSTUK 2. - Normen betreffende het gebouw 1.1. Het gebouw in het algemeen 1.1.1. De serviceflat moet over minimum 5 en maximum 40 individuele woningen beschikken. 1.1.2. De gebouwen worden regelmatig onderhouden en beschut tegen vocht of doorsijpelingen. 1.2. Ongeacht het aangepaste systeem voor de verwarming van de lokalen, mag dit geen enkele uitwaseming van vlammen, gas of stof veroorzaken. 1.3. In de privatieve partijen en in al de voor de bewoners gemeenschappelijke leefkamers moet de temperatuur steeds 22° bereiken, ongeacht de weersomstandigheden. 1.4. Al de voor de bewoners toegankelijke lokalen worden voorzien van een voldoende verlichting. Deze wordt aan de behoeften aangepast naar gelang van de in de lokalen ontwikkelde activiteiten.

Tijdens de nacht moeten de gemeenschappelijke gangen en sanitaire installaties verlicht worden zodat de bewoners zich veilig kunnen verplaatsen. 1.5. De woon- en slaapkamers moeten kunnen genieten van de natuurlijke helderheid. De vensters van deze lokalen moeten de gelegenheid bieden een normaal zicht op de buitenwereld te hebben. 1.6. Er moet worden voorzien in een lift, of elk ander hefmiddel dat de brandveiligheidsnormen in acht neemt, wanneer het gebouw minstens één verdieping telt voor de bewoners boven of onder de normale ontruimingsetage.

De liften moeten de toegankelijkheid voor de personen met beperkte beweeglijkheid mogelijk maken.

Onder de gemeenschappelijke lokalen en uitrustingen moeten noodzakelijkerwijs de volgende voorkomen : - een wasserij met wasketel en droger; - een polyvalente zaal die toegankelijk is voor andere bejaarden van minimum 60 jaar; - een WC naast de gemeenschappelijke lokalen; - de aansluiting op de openbare telefoon en op de kabeltelevisie; - de gemeenschappelijke lokalen die voorzien zijn van een systeem waardoor het dienstdoende personeel opgeroepen kan worden; - de inrichting en al de voor de bewoners bestemde lokalen die voor de personen met beperkte beweeglijkheid toegankelijk moeten zijn. 1.7. Individuele woningen Elke individuele woning wordt voor één of twee personen ontworpen en bevat tenminste : - een woonkamer; - een keuken met afzuigkap, koelkast en elektrisch fornuis; - een slaapkamer; - een badkamer met een lavabo, een douche of een bad; - een toilet, dat eventueel in de badkamer geïntegreerd kan worden; - De woningscapaciteit mag het voorwerp uitmaken van een afwijking wat de bezettingsinhoud betreft voor zover de inrichting ervan een bijkomende huisvestingsmogelijkheid biedt; - De minimale oppervlakte van elke individuele woning is van 35 m2; - Elke individuele woning is genummerd; - Een individuele oproepknop wordt bij de ingang van elke woning geplaatst, alsook buiten de serviceflat; de namen van de bewoners worden erop geschreven, behalve dezen het niet wensen; - Een systeem voor de opening van de deuren en een deurtelefoon worden voorzien in elke individuele woning om de bezoekers te identificeren en de deur van de serviceflat op een afstand te openen; - Er moet worden voorzien in een systeem om de bewoner in staat te stellen vanaf zijn woning om hulp te roepen en in contact te treden met het dienstdoende personeel; - Elke woning beschikt over de aansluiting op de telefoon en op de kabeltelevisie; - Elke woning beschikt over een genummerde brievenbus die gelijkvloers gezet is op een gemakkelijk bereikbare plaats. HOOFDSTUK 3. - Permanentie en aangeboden diensten Permanentie 2.1. Een permanentie wordt 24u/24 verzekerd en elke oproep van de bewoner wordt onmiddellijk beantwoord.

De organisatie van de permanentie bepaalt de voorwaarden waaronder de tussenkomst van het dienstdoende personeel zo spoedig mogelijk verzekerd kan worden.

Een oproepregister wordt bijgehouden waarin de aard van de oproep, het juiste uur en de tussenkomststermijn voor elke oproep vermeld staan.

Aangeboden diensten 2.2. Diensten die verplicht verleend worden : - het onderhoud van de gemeenschappelijke lokalen, de buiteninrichtingen en van het materieel waarover de bewoners kunnen beschikken; - het onderhoud van de vensters binnen en buiten de inrichting; - een informatie over de in de gemeente georganiseerde activiteiten; - het bezoek van een afgevaardigde van de inrichtende macht minimum twee keer per jaar. 2.3. Diensten die ter beschikking van de bewoners verplicht gesteld worden : - de mogelijkheid om drie maaltijden per dag te gebruiken, waaronder noodzakelijkerwijs een volledige warme maaltijd, hetzij in de gemeenschappelijke zaal van de serviceflat die voor de restauratie en de animatie bestemd is, hetzij op het restaurant van het rustoord of van het rust- of verzorgingshuis dat functioneel met de serviceflat verbonden is, hetzij in de privé-woning van de bewoner. Een register vermeldt, per dag, de aan de bewoners opgediende maaltijden met bepaling van de naam van de begunstigde en de aanwijzingen die nodig zijn voor de facturering ervan; - de mogelijkheid om de privé-woningen minstens één keer per week schoon te maken; - de mogelijkheid om het persoonlijke linnen van de bewoner te onderhouden. 2.4. Facultatieve diensten : Elke door de serviceflat georganiseerde dienst moet voor alle bewoners toegankelijk zijn. HOOFDSTUK 4. - Overeenkomst tussen de beheerder en de bewoner 3.1. Een in tweevoud opgemaakte overeenkomst wordt gesloten tussen de beheerder van de serviceflat of de door hem aangewezen directeur en de bewoner en/of zijn vertegenwoordiger; ze moet door de partijen gedateerd en ondertekend worden, iedere partij bewaart één exemplaar ervan.

Het exemplaar moet aan de bewoner of aan zijn vertegenwoordiger tegen ontvangbewijs worden gestuurd.

Elke wijziging in deze overeenkomst maakt het voorwerp uit van een in tweevoud opgemaakt aanhangsel dat gedateerd, ondertekend en bij de overeenkomst gevoegd wordt.

De overeenkomst moet de volgende punten omvatten : 3.1.1. De algemene en bijzondere huisvestingsvoorwaarden; 3.1.2. Het maximum aantal personen die in de woning toegelaten zijn; 3.1.3. De maandelijkse huisvestingsprijs en de diensten die erdoor worden gedekt;

Deze prijs kan schommelen naar gelang van de bijzondere architecturale elementen en van de kenmerken van de bewoonde woning.

Deze prijs kan slechts verhoogd worden met de toeslagen die overeenstemmen met diensten waarop de bewoner vrij beroep kan doen.

Deze prijs omvat minstens : - het gebruik van de individuele woning; - het gebruik van de gemeenschappelijke plaatsen, met inbegrip van de liften, overeenkomstig het huishoudelijk reglement; - het grote onderhoud van het patrimonium, het algemene onderhoud en het reinigen van de gemeenschappelijke plaatsen, materiaal en produkten inbegrepen; - de herstellingen van de woningen die uit een gewoon huurgebruik voortvloeien; - het gebruik van het meubilair van de gemeenschappelijke plaatsen; - de afvalverwijdering; - de verwarming van de gemeenschappelijke plaatsen, het onderhoud en alle wijzigingen die aangebracht worden in het verwarmingsapparatuur van de gemeenschappelijke of privatieve plaatsen; - het gebruik van alle gemeenschappelijke sanitaire installaties; - de elektrische installaties van de gemeenschappelijke en privatieve plaatsen, het onderhoud ervan en elke wijziging erin en het elektriciteitsverbruik van de gemeenschappelijke plaatsen; - de installaties i.v.m. de bewaking, de bescherming tegen brandgevaar en intercom; - de kosten voor de installatie, het onderhoud en de retributie van een openbaar telefoontoestel dat ter beschikking van de bewoners gesteld wordt in de gemeenschappelijke plaats; dezen betalen slechts de kosten i.v.m. hun persoonlijke communicaties tegen de kostprijs; - de beschikbaarstelling van een televisie en een radio in de gemeenschappelijke plaatsen; - de administratieve kosten, ongeacht de aard ervan, die gebonden zijn aan de huisvesting of de opvang van de bewoner of die de werking van de inrichting betreffen; - de verzekeringen voor burgerlijke aansprakelijkheid, de brandverzekering alsook alle verzekeringen die de beheerder heeft aangegaan overeenkomstig de wetgeving, met uitzondering van elke persoonlijke verzekering van de bewoner; - de kosten i.v.m. de organisatie van de permanentie.

Tenzij individuele meters het verbruik van elke individuele woning bepalen, omvat de prijs ook : - de verwarming; - het stromende koude en warme water; - het elektriciteitsverbruik. 3.1.4. De voorwaarden i.v.m. de aanpassing van de huisvestingsprijs, overeenkomstig de in hoofdstuk V van deze bijlage bedoelde normen; 3.1.5. De prijs - of het middel om die te berekenen - van elke facultatieve dienst die ter beschikking van de bewoners gesteld wordt.

Elke facultatieve dienst die in de overeenkomst niet bedoeld is, moet het voorwerp uitmaken van een voorafgaande schriftelijke informatie voordat ze aan de bewoner voorgelegd wordt. 3.1.6. Als een waarborg al dan niet vereist wordt, en, wanneer hij vereist wordt, het bedrag en de bestemming ervan; dit bedrag mag niet hoger zijn dan de maandelijkse huisvestingsprijs die in de overeenkomst bepaald is; 3.1.6.1. Wanneer hij wordt vereist, wordt de waarborg door de partijen op een geïndividualiseerde rekening geplaatst, die ten name van de bewoner geopend wordt bij een bank- of kredietinstelling met vermelding van de bestemming; 3.1.6.2. De door de geplaatste som opgebrachte interesten worden bij het kapitaal gevoegd; 3.1.6.3. De ene of andere partij kan slechts over de waarborgrekening, zowel in kapitaal als in intresten, beschikken tegen overlegging hetzij van een schriftelijk akkoord, dat na sluiting van de overeenkomst werd opgesteld, hetzij van een eensluidend afschrift van de uitgifte van een uitvoerbare gerechtelijke beslissing; 3.1.6.4. Op het einde van de overeenkomst wordt de gekapitaliseerde waarborg aan de bewoner of zijn rechthebbenden gegeven, na aftrek van alle kosten en vergoedingen die krachtens de overeenkomst eventueel verschuldigd zijn; 3.1.7. De aan de bewoner toegekende woning die zonder zijn toestemming of die van zijn vertegenwoordiger niet veranderd kan zijn; 3.1.8. De ontbindingsvoorwaarden van de overeenkomst met inachtneming van de volgende voorschriften: 3.1.8.1. De overeenkomst wordt voor een onbepaalde duur gesloten; 3.1.8.2. Beide partijen mogen de overeenkomst ontbinden met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden; 3.1.8.3. De ontbinding geschiedt schriftelijk, hetzij bij ter post aangetekend schrijven, hetzij tegen ontvangbewijs; 3.1.8.4. In geval van overlijden of van vertrek wegens medische redenen blijft de verplichting om de maandelijkse huisvestingsprijs te betalen bestaan zolang de woning niet vrij is; elke begonnen maand is verschuldigd, zonder splitsing; 3.1.9. De vermelding volgens welke elk geschil betreffende de uitvoering van de overeenkomst tot de bevoegdheid van de burgerlijke rechtbanken behoort. 3.2. De gedetailleerde beschrijving van de door de bewoner bezette woning wordt bij de overeenkomst gevoegd. Ze wordt door de partijen gedateerd en ondertekend. Bij gebrek aan beschrijving vóór de opvang, wordt de bewoner geacht de woning ontvangen te hebben in dezelfde staat als die wanneer hij de woning verlaat en mag hij niet verantwoordelijk gesteld worden voor de eventuele schade. 3.3. Elke met de bovenvermelde voorschriften strijdige bepaling wordt geacht nietig te zijn. HOOFDSTUK 5. - Boekhouding 4.1. De boekhouding van de rustoorden waarvan de beheerder een overheid is, wordt gehouden overeenkomstig de boekhoudkundige regels die van toepassing zijn op die overheid. 4.2. De boekhouding van de service-flats die niet bedoeld zijn onder 4.1. wordt opgemaakt overeenkomstig de normen bedoeld in bijlage V. 4.3. Een uitvoerige maandelijkse factuur wordt voor elke bewoner opgemaakt. Ze wordt met alle bewijsstukken aan de bewoner of zijn vertegenwoordiger afgegeven. 4.4. De boekhouding van de inrichting en van de individuele rekeningen van de bewoners moet ter beschikking van de bestuursafgevaardigden gesteld worden die er kennis van kunnen nemen zonder zich te verplaatsen. HOOFDSTUK 6. - Aanpassing van de huisvestingsprijs 5. Onverminderd de federale bepalingen die de aanvragen om prijsstijging reglementeren, zoals bepaald in artikel 4 van het ministerieel besluit van 20 april 1993Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 20/04/1993 pub. 15/04/2004 numac 2004011180 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Ministerieel besluit houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen Deeltelijke vernietigingen sluiten houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen voor elk rustoord, elke serviceflat en elk dagcentrum, mag de jaarlijkse verhoging van de huisvestings- of opvangprijs in geen geval 5 % hoger zijn dan de indexering van de consumptieprijzen. Deze bepaling treedt in werking op 1 januari 2000. HOOFDSTUK 7. - Huishoudelijk reglement 6.1. Elke serviceflat voor bejaarden is ertoe gehouden een huishoudelijk reglement op te maken. 6.1.1. Het huishoudelijk reglement bepaalt de rechten en plichten van de bewoners en van de beheerder en voorziet in de verplichting om zich te gedragen naar de bepalingen betreffende de veiligheid. Dat reglement voorziet in de bescherming van het privé-leven van de bewoner. 6.1.2. Elke wijziging aan het huishoudelijk reglement treedt in werking dertig dagen nadat ze werd medegedeeld aan de bewoners en/of hun vertegenwoordigers. 6.2. Een door de beheerder gedateerd en ondertekend exemplaar van dit huishoudelijk reglement wordt afgegeven tegen ondertekend ontvangbewijs geldend als kennisneming door elke bewoner en/of zijn vertegenwoordiger vóór de ondertekening van de huisvestingsovereenkomst en, voor zover mogelijk, vóór de datum waarop de opvang van deze bewoner in de serviceflat is voorzien. 6.3. Het huishoudelijk reglement vermeldt de naam van de beheerder en het nummer van de erkenning of van de voorlopige werkingsmachtiging van de serviceflat. 6.4. Het huishoudelijk reglement vermeldt de voorwaarden van toegang tot de verpleegkundige, paramedische of kinesitherapieverzorging die aan de bewoners voorgesteld wordt alsook de vrije toegang van alle medische hulpverleners, en dat in het raam van de vrije keuze van de bewoner. 6.5. In het huishoudelijk reglement wordt voorzien dat de bewoner vrij zijn arts mag kiezen. 6.6. In het huishoudelijk reglement moet vastgelegd worden dat de beheerder geen commerciële, culturele, ideologische, filosofische of religieuze keuze mag opleggen aan de bewoners. 6.7. Bovendien vermeldt het huishoudelijk reglement : - de naam van de directeur aan wie alle opmerkingen, bezwaren of klachten van de bewoners, hun gezin, hun vertegenwoordiger of van bezoekers medegedeeld kunnen worden; daartoe kan de directeur volgens afspraak geraadpleegd worden minstens vier uur per week, die over minimum twee dagen gespreid worden, waarvan minstens één keer per week 1 uur na 18 uur; - het recht voor de bewoners de serviceflat binnen te gaan of te verlaten op elk moment van de dag en van de nacht; - het recht voor de bewoners de bezoekers van hun keuze op elk moment van de dag te ontvangen en de voorwaarden i.v.m. de toegang van deze bezoekers in geval van sluiting van de deuren van de serviceflat; - het adres en het telefoonnummer van de dienst van het gewestelijke bestuur waaraan de klachten gericht kunnen worden; - het adres van de burgemeester die bevoegd is om de klachten te ontvangen en het telefoonnummer waarop hij bereikt kan worden. 6.8. Het huishoudelijk reglement bepaalt de voorwaarden waaronder een permanentie verzekerd wordt en elke oproep van de bewoner beantwoord wordt. 6.9. Het huishoudelijk reglement bepaalt ook de voorwaarden waaronder huisdieren in de serviceflats toegelaten zijn. 6.10. Het huishoudelijk reglement bepaalt de voorwaarden waaronder de ter beschikking van de bewoners gestelde gemeenschappelijke lokalen, uitrustingen en diensten toegankelijk kunnen zijn voor andere bejaarden van minimum 60 jaar. 6.11. Het huishoudelijk reglement bepaalt uitdrukkelijk de voorwaarden i.v.m. het gebruik en het genot van de gemeenschappelijke lokalen, uitrustingen en diensten waarover de bewoners kunnen beschikken. HOOFDSTUK 8. - Individueel dossier 7.1. Een individueel dossier betreffende de bewoner die de in hoofdstuk 4 bedoelde overeenkomst aangaat, wordt opgemaakt bij zijn opvang. Een individueel dossier betreffende de andere bewoners wordt ook opgemaakt. De dossiers moeten voortdurend bijgehouden worden. 7.1.1. De verzameling van de in deze dossiers vermelde gegevens en de behandeling ervan worden verricht overeenkomstig de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. 7.1.2. De door de Regering aangewezen ambtenaren mogen dit dossier permanent raadplegen. 7.1.3. Een lijst van de personeelsleden die overeenkomstig artikel 16, § 1, 4°, van bovenvermelde wet dit dossier mogen raadplegen, wordt bijgehouden. 7.2. Dit dossier omvat met name : 7.2.1. de volledige identiteit van de bewoner (naam, voornamen, geboorteplaats en -datum, burgerlijke stand, nationaliteit, adres). 7.2.2. de naam, het adres en het telefoonnummer van de eventuele vertegenwoordiger van de bewoner; 7.2.3. de naam, het adres en het telefoonnummer van de behandelend geneesheer alsook alle te nemen maatregelen als deze afwezig is, en de eventueel gewenste ziekenhuisinstelling, rustoord of rust- of verzorgingshuis; 7.2.4. de naam, het adres en het telefoonnummer van de in noodgeval op te bellen persoon. 7.2.5. het ontvangbewijs van het huishoudelijk reglement, een exemplaar van de overeenkomst, de beschrijving van de flat en het bankdocument voor het stellen van de waarborg. HOOFDSTUK 9. - Mededelingenbord 8.1. In de hal of in de gemeenschappelijke zaal die voor de vrije tijd en de restauratie bestemd is, wordt een mededelingenbord geplaatst met de informatie over de volgende punten : - de naam van de beheerder en, als het om een rechtspersoon gaat, zijn rechtsvorm; de naam van de directeur van de inrichting en zijn aanwezigheidsuren in de serviceflat alsook de naam van zijn plaatsvervanger in geval van afwezigheid; - elke inlichting betreffende de erkenning of de voorlopige werkingsmachtiging van de inrichting; - het adres en de telefoonnummers van het bevoegde gewestelijke bestuur en van de Burgemeester; - de menu's van de lopende week; - de door de inrichting georganiseerde activiteiten en animaties alsook de inlichtingen betreffende de culturele activiteiten die in de entiteit plaatsvinden. 8.2. De directeur zal elke nodige maatregel treffen opdat dit bord bijzonder leesbaar en voor alle toegankelijk zou zijn. HOOFDSTUK 1 0. - Normen betreffende de hygiëne en de voeding 9.1. De door de serviceflat georganiseerde algemene diensten, met name de keuken en wasserij, worden zo georganiseerd en ingericht dat ze door hun geur, damp of geluid niet hinderen. 9.2. De voorbereiding van de maaltijden en de verdeling ervan worden verricht volgens de striktste hygiëneregels overeenkomstig de bepalingen van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten en van de desbetreffende besluiten, in het bijzonder het koninklijk besluit van 7 februari 1997 inzake de algemene voedingsmiddelenhygiëne. 9.3. De serviceflat zorgt voor de afvalverwijdering, met inbegrip van de vuilnisbakken van de bewoners die opgehaald worden op de individuele woning, volgens een periodiciteit en onder voorwaarden die in het huishoudelijk reglement bepaald worden.

De vaste afvalstoffen worden afgevoerd in hermetische vuilniszakken met inachtneming van de reglementering over de afvalstoffen. 9.4. Wanneer de serviceflat het onderhoud van het linnen van de bewoners, op hun verzoek, waarneemt, moet hij ervoor zorgen dat de vuile was in hermetische bakken wordt vervoerd, deze ophaaldienst gebeurt vanaf de individuele woning van de bewoner. HOOFDSTUK 1 1. - Normen betreffende het aantal, de classificering, de kwalificatie en de moraliteit van het personeel 10.1. De serviceflat moet alle nodige maatregelen inzake het personeel nemen om de aangeboden diensten te waarborgen. 10.2. Wanneer de serviceflat, het rustoord of het rust- of verzorgingshuis of elke andere inrichting waarmee de serviceflat functioneel verbonden is het personeel gemeenschappelijk hebben, wordt het personeel dat de dienstverleningen in de serviceflat verzekert, duidelijk geïdentificeerd en wordt de tijd die iedereen aan deze taken besteedt, perfect geschat in voltijds equivalent. 10.3. De serviceflat kan alle of een deel van deze taken verzekeren met de hulp van buitendiensten of zelfstandige hulpverleners, die verplicht bij overeenkomst ermee verbonden zijn. 10.4. Directeur 10.4.1. In elke serviceflat neemt een directeur het dagelijkse beheer waar en is hij rechtstreeks verantwoordelijk vóór de beheerder. 10.4.2. De directeur van de serviceflat mag de directeur van het rustoord of het rust- of verzorgingshuis zijn dat functioneel met de serviceflat verbonden is. In dit geval, voor de beoordeling van zijn dienstverleningen, wordt het aantal bewoners van de serviceflats opgeteld bij het aantal bewoners van het rustoord en van de sites die ervan afhangen. Desnoods kan de directeur teruggeroepen worden. In geval van langdurige afwezigheid wijst hij een personeelslid aan dat met het dagelijkse beheer belast is tijdens zijn afwezigheid. 10.5. Opleiding van de directeur 10.5.1. Elke directeur van een serviceflat moet tenminste houder zijn van het getuigschrift van het hoger secundair onderwijs of van ziekenhuis- of psychiatrisch verpleger alsook van een attest van de minimum nodige kennis betreffende het beheer van een serviceflat. 10.5.2. De minimum nodige kennis betreffende het beheer van een serviceflat wordt beschouwd als verworven wanneer de kandidaat-directeur een door de Minister erkende opleidingscyclus heeft gevolgd en aan de toets met goed gevolg heeft voldaan waardoor deze afgesloten wordt. De opleidingscyclus bestaat uit 250 uren als de kandidaat houder is van een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs en 100 uren als de kandidaat houder is van het diploma van het hoger onderwijs. De opleiding tot directeur van rustoorden voldoet van rechtswege aan de voorwaarden voor de opleiding tot directeur van serviceflats. De directeurs van de inrichtingen, die met de definitie van de serviceflats overeenstemmen, die in functie zijn op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, beschikken over een termijn van twee jaar om de vereiste opleiding te verwerven.

De directeur is aanwezig in de serviceflat volgens afspraak en minstens vier uur per week, die over minimum twee dagen gespreid worden, waarvan minstens één keer per week 1 uur na 18 uur. 10.6. Register van de dienstverleningen en tabel van het personeel De directeur houdt een register dat de kwalificatie van het personeel van de serviceflat vermeldt : statutair, bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen of door overeenkomst verbonden en de data en uren van de dienstverleningen van iedereen.

Wanneer het personeel door de serviceflat in dienst genomen is, worden de lijst van het personeel en het dagelijkse werkrooster aangeplakt.

Een andere lijst vermeldt de buiten hulpverleners met wie de serviceflat een aannemingscontract heeft gesloten. De aannemingscontracten worden erbij gevoegd.

Deze documenten, die permanent worden bijgehouden, worden ter beschikking gesteld van het bestuur dat elk ogenblik een afschrift ervan kan vereisen. 10.7. Dossiers van het personeel 10.7.1. Voor elk personeelslid dat met de serviceflat verbonden is bij arbeidsovereenkomst of door een benoemingsakte, de directeur inbegrepen, wordt een dossier opgemaakt dat de volgende stukken bevat : - het voor de serviceflat bestemde exemplaar van de arbeidsovereenkomst of de benoemingsakte, of een gewaarmerkt afschrift; - een voor eensluidend verklaard afschrift van het diploma of van de attesten van opleiding en nuttige ervaring; - een getuigschrift van goed zedelijk gedrag; - voor het personeel, een jaarlijks attest van de bedrijfsgeneeskunde. 10.7.2. Dit dossier, alsook het afschrift van de R.S.Z.-opgaven voor het statutaire of bij arbeidsovereenkomst in dienst genomen personeel, worden ter beschikking gesteld van het bestuur dat de overlegging ervan op elk ogenblik kan eisen. HOOFDSTUK 1 2. - Voorwaarden voor een functionele verbinding met een rustoord of een rust- of verzorgingshuis of elke andere dienst of inrichting De serviceflat moet met een rustoord of een rust- of verzorgingshuis verbonden zijn en kan bovendien met een andere dienst of inrichting verbonden zijn die in dezelfde gemeente of een aangrenzende gemeente gelegen is.

Als het om een serviceflat gaat die op dezelfde plaats gelegen is als het rustoord of het rust- of verzorgingshuis, kunnen alle dienstverleningen verzekerd worden door de verdeling van deze diensten, overeenkomstig de voorschriften van de interne bepalingen.

In alle andere gevallen komt de serviceflat het eens met het rustoord of het rust- of verzorgingshuis waarmee hij verbonden is over gemeenschappelijke verplichtingen waaronder minimum de verplichting voor het rustoord of het rust- of verzorgingshuis om de bewoners van de serviceflat, die het wensen, eerst te huisvesten en de verplichting om gemeenschappelijke activiteiten voor te stellen. Wat de rest betreft, moet de serviceflat zelf zorgen voor alle diensten en verplichtingen die wegens de huisvesting niet gedragen kunnen worden door het rustoord of het rust- of verzorgingshuis.

Wanneer het personeel zijn diensten ook verleent in een rustoord, een rust- of verzorgingshuis of een andere dienst of inrichting die onder dezelfde beheerder vallen, wordt de duur van deze dienstverleningen voor elke dienst duidelijk geïdentificeerd.

Wanneer produkten of verzorging verstrekt of verleend worden door een rustoord, een rust- of verzorgingshuis of een andere dienst of inrichting in functionele verbinding met de serviceflat, worden een aparte facturering en een aparte boeking opgemaakt.

De permanentie van een serviceflat kan waargenomen worden door het personeel van een rustoord of een rust- of verzorgingshuis dat onder dezelfde beheerder ressorteert voor zover de minimale norm van het nachtpersoneel van het rustoord of het rust- of verzorgingshuis niet in gevaar wordt gebracht.

Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 3 december 1998 tot uitvoering van het decreet van 5 juni 1997 betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de « Conseil wallon du troisième âge ».

Namen, 3 december 1998.

De Minister-President van de Waalse Regering, belast met Economie, Buitenlandse Handel, KMO's, Toerisme en Patrimonium, R. COLLIGNON De Minister van Sociale Actie, Huisvesting en Gezondheid, W. TAMINIAUX

Bijlage IV. - Normen die van toepassing zijn op de dagcentra's HOOFDSTUK 1. - Minimale en maximale huisvestingscapaciteit 0.1. Geen enkel dagcentrum mag voor de opvang van minder dan 5 of meer dan 20 bewoners worden erkend. HOOFDSTUK 2. - Normen betreffende de vrijheid van de bewoners, het eerbied voor hun opvattingen en hun deelneming 1. Huishoudelijk reglement 1.1. Elk dagcentrum is ertoe gehouden een huishoudelijk reglement op te maken. 1.1.1. Het huishoudelijk reglement bepaalt de rechten en plichten van de bewoners en van de beheerder. 1.1.2. De wijzigingen van dit huishoudelijk reglement treden in werking dertig dagen na mededeling aan de bewoners en/of aan hun vertegenwoordigers. 1.2. Een door de beheerder gedateerd en ondertekend exemplaar van dit huishoudelijk reglement wordt tegen ondertekend ontvangbewijs geldend als kennisneming door elke bewoner en/of door zijn vertegenwoordiger afgegeven vóór de ondertekening van de huisvestingsovereenkomst en, voor zover mogelijk, vóór de datum waarop de opvang van deze bewoner in het dagcentrum is voorzien. 1.3. Het huishoudelijk reglement vermeldt de naam van de beheerder en het erkenningsnummer van het dagcentrum of het nummer van de voorlopige werkingsmachtiging. 1.4. Het huishoudelijk reglement vermeldt uitsluitend : - de voorwaarden volgens welke de bewoner een beroep kan doen op het verplegende of paramedische personeel van het dagcentrum of van het rustoord of het rust- en verzorgingshuis waarmee het dagcentrum in verbinding staat; - de voorwaarden volgens welke het dagcentrum voor de continuïteit van het toedienen van de geneesmiddelen aan de bewoners zorgt; - de voorwaarden volgens welke wordt samengewerkt met de diensten voor gezins- en bejaardenhulp die zorgen voor de tenlasteneming aan huis met het oog op de continuïteit van deze tenlasteneming; - de vrije keuze van de arts. 1.5. Het huishoudelijk reglement moet geen bepaling inhouden, waarbij verplichtingen met een commerciële, culturele, ideologische, filosofische of religieuze aard aan de bewoners worden opgelegd. 1.6. Bovendien vermeldt het huishoudelijk reglement : - de naam van de directeur van het rustoord of van het rust- en verzorgingshuis aan wie alle opmerkingen, bezwaren of klachten van de bewoners, van hun familie, hun borg of hun bezoekers medegedeeld kunnen worden, alsmede de aanwezigheidsuren en -plaatsen van de directeur; - het recht voor de bewoners om de bezoekers van hun keuze te ontvangen alsmede de voor deze bezoeken geplande uren; - de vrijheid die de bewoners hebben om het dagcentrum te verlaten en dit met inachtneming van de goede werking van het centrum; - het adres en het telefoonnummer van de dienst van het gewestelijke bestuur waaraan de klachten kunnen worden gericht; - het adres van de burgemeester die bevoegd is om klachten te ontvangen en het telefoonnummer waarop hij kan worden opgebeld. 1.7. Het vermeldt de regels volgens welke de bewoner kan deelnemen aan het leven van het dagcentrum; 1.8. Het huishoudelijk reglement bepaalt uitdrukkelijk de voorwaarden i.v.m. het gebruik en het genot van de gemeenschappelijke lokalen, uitrustingen en diensten van de dagcentra waarover de bewoners kunnen beschikken;

Het vermeldt ook : - de openingsdagen en -uren van het centrum : dit moet minimum 5 dagen per week en dit minimum 7 uur 30 per dag verplicht toegankelijk zijn; - de organisatie van een vervoerdienst voor heen- en terugreis voor de bewoners die het wensen en de voorwaarden van de financiële deelneming van de bewoners in dit vervoer; - de verdeling van een warme maaltijd per dag om 12 uur en de mogelijkheid om de ochtend- en avondmaaltijden te gebruiken; - de dagelijkse organisatie van activiteiten en animatie met het oog op het bevorderen van het behoud of van de terugwinning van de zo grote mogelijke autonomie van de bewoners. 1.9. Een ontvangbewijs geldend als kennisneming gevoegd bij het in punt 3 van deze bijlage bedoelde dossier. 2. Overeenkomst tussen de beheerder en de bewoner 2.1. Een in tweevoud opgemaakte overeenkomst wordt ondertekend tussen de beheerder van het dagcentrum of de directeur en de bewoner en/of zijn vertegenwoordiger; ze moet gedateerd en ondertekend worden door de partijen.

Een exemplaar moet aan de bewoner of aan zijn vertegenwoordiger tegen ontvangbewijs worden gestuurd.

Het voor het dagcentrum bestemde exemplaar en het ontvangbewijs moeten bij het in punt 3 van dit hoofdstuk bedoelde individuele dossier gevoegd worden.

Elke wijziging van deze overeenkomst maakt het voorwerp uit van een in tweevoud opgemaakt aanhangsel dat ook gedateerd en ondertekend is, en bij de overeenkomst gevoegd.

De overeenkomst moet de volgende punten omvatten : 2.1.1. de algemene en bijzondere opvangvoorwaarden; 2.1.2. de dagelijkse opvangprijs en de diensten die worden gedekt.

De met de toelage waarvan sprake in artikel 33 van het besluit verhoogde dagelijkse opvangprijs mag in geen geval hoger zijn dan de laagste basishuisvestingsprijs die opgeëist wordt door het rustoord of het rust- en verzorgingshuis waarin het dagcentrum gevestigd is of waarmee het in verbinding staat. 2.1.3. De voorwaarden van de aanpassing van de opvangprijs, overeenkomstig de in hoofdstuk 7 van deze bijlage bedoelde normen; 2.1.4. De volledige en precieze opsomming van alle supplementen die in rekening zouden kunnen worden gebracht tegen de bewoner alsmede hun prijs, het middel om ze te berekenen en elke regel waarmee zijn eventuele verhoging kan worden berekend;

De supplementen die in de in de overeenkomst inbegrepen lijst niet vermeld zijn, zullen niet mogen worden betaald door de bewoner; 2.1.5. De ontbindingsvoorwaarden van de overeenkomst : 2.1.5.1. De overeenkomst wordt voor een onbepaalde duur gesloten, rekening houdende met het feit dat de 30 eerste dagen als proeftijd gelden;

Wanneer het blijkt dat de bewoner minder dan 5 dagen per maand aanwezig is in het dagcentrum kan de overeenkomst ontbonden worden. 2.1.5.2. Tijdens deze proefperiode mogen beide partijen de overeenkomst ontbinden met inachtneming van een opzeggingstermijn van zeven dagen; 2.1.5.3. Na deze proefperiode mag de overeenkomst ontbonden worden mits een vooropzeg die niet korter dan dertig dagen mag zijn in geval van ontbinding door de beheerder en vijftien dagen in geval van ontbinding door de bewoner; 2.1.5.4. De ontbinding geschiedt schriftelijk, hetzij bij ter post aangetekende brief, hetzij tegen ontvangbewijs twee werkdagen vóór de aanvang van de hierboven vermelde termijn; 2.1.6. De vermelding volgens welke elk geschil betreffende de uitvoering van de overeenkomst tot bevoegdheid van de burgerlijke rechtbanken behoort. 2.2. Elke met de bovenvermelde voorschriften strijdige bepaling wordt geacht nietig te zijn. 3. Individueel dossier van de bewoner 3.1. Een individueel dossier wordt opgemaakt bij de opvang van elke bewoner; dit dossier moet voortdurend bijgehouden worden. 3.1.1. De verzameling van de in dit dossier vermelde gegevens en hun behandeling wordt verricht overeenkomstig de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. 3.1.2. De door de Regering aangewezen ambtenaren mogen dit dossier permanent raadplegen. 3.1.3. Een lijst van de personeelsleden die overeenkomstig artikel 16, § 1, 4°, van bovenvermelde wet dit dossier mogen raadplegen, wordt bijgehouden. 3.2. Dit dossier vermeldt in zijn inhoud met name : 3.2.1. De volledige identiteit van de bewoner (naam, voornamen, geboorteplaats en -datum, burgerlijke stand, nationaliteit, adres); 3.2.2. De naam, het adres en het telefoonnummer van de eventuele vertegenwoordiger van de bewoner; 3.2.3. De naam van de door de bewoner gekozen behandelend geneesheer, zijn adres en zijn telefoonnummer alsmede alle bepalingen in geval van afwezigheid van deze laatste en de eventueel gewenste ziekenhuisinstelling; 3.2.4. De naam, het adres en het telefoonnummer van de in noodgeval op te bellen persoon; 3.2.5. De godsdienst en/of de filosofische mening van de bewoner als hij het wenst; 3.2.6. De inlichtingen betreffende de betaling (door de bewoner of zijn vertegenwoordiger, in voorkomend geval door het OCMW) van de opvangprijs; 3.2.7. De inlichtingen betreffende het ziekenfonds (naam, adres, categorie, inschrijvingsnummer); 3.2.8. Het exemplaar van het huishoudelijk reglement en van de wijzigingen ervan en het ontvangstbewijs waarvan sprake in punt 1.10. van deze bijlage; 3.2.9. Het voor het rustoord bestemde exemplaar van de overeenkomst en de aanhangsels ervan die bedoeld zijn in punt 2.1. van deze bijlage; 3.2.10. De naam, het adres en het telefoonnummer van de verpleegkundige en paramedische hulpverleners van het rustoord of van het rust- en verzorgingshuis of die aangewezen zijn door de bewoner en die zorgen zouden kunnen verstrekken aan de bewoner gedurende zijn verblijf in het dagcentrum; 3.2.11. De naam, het adres en het telefoonnummer van de diensten voor gezins- en bejaardenhulp waarvan sprake in punt 1.4., derde streepje, van deze bijlage. 4. Mededelingenbord 4.1. In het onthaallokaal van het dagcentrum is er een mededelingenbord met de informatie over de volgende punten : - de naam van de beheerder en, als het om een rechtspersoon gaat, zijn rechtsvorm; - de naam van de directeur van de inrichting en zijn gewone aanwezigheidsuren in het rustoord of in het rust- en verzorgingshuis waarvan het dagcentrum afhangt, alsmede de naam van zijn vervanger in geval van afwezigheid; - het nummer van de erkenning van het dagcentrum en elke inlichting betreffende zijn erkenning of voorlopige werkingsmachtiging en, in voorkomend geval, elke inlichting een schorsing, een intrekking of een weigering van erkenning of voorlopige werkingsmachtiging alsmede een sluiting; - het adres en de telefoonnummers van het bevoegde gewestelijke bestuur en van de Burgemeester; - de menu van de lopende week en van de volgende week; - de bezoekuren; - de activiteiten en animaties die door de inrichting worden georganiseerd en waaraan de bewoners kunnen deelnemen. 4.2. De directeur van het rustoord zal elke nodige maatregel treffen opdat dit bord leesbaar en voor alle toegankelijk zou zijn. 4.3. Het aanplakken wordt verzekerd in de specifieke lokalen van het dagcentrum zelfs als dit wordt georganiseerd in de lokalen van een rustoord of een rust- en verzorgingshuis. HOOFDSTUK 3. - Normen betreffende de hygiëne, de voeding en de gezondheidszorgen 5. Hygiëne 5.1. De algemene diensten, met name de keuken en de wasserij, zijn zo ingericht dat ze door hun geur, damp of geluid niet hinderen. 5.2. De overeenkomstig het huishoudelijk reglement behoorlijk toegelaten dieren mogen in geen geval toegang hebben tot de keukens, de lokalen waar voedingsmiddelen worden bewaard, de woonkamer, de verzorgingslokalen en de lokalen voor de voorbereiding van geneesmiddelen. 5.3. De vaste afvalstoffen worden geloosd in hermetisch vuilniszakken met inachtneming van de reglementering over de afvalstoffen. 5.4. Het gebruik van de kamerstoelen is in het dagcentrum verboden. 5.5. Het beddegoed van de rustzaal wordt in een staat van bestendige netheid gehouden en in ieder geval vervangen telkens als de bedden door een verschillende bewoner bezet worden en telkens als het nodig is.

De vuile was wordt geplaatst in hermetische bakken en dagelijks afgevoerd. 5.6. Drinkbaar water moet in alle lokalen van het dagcentrum beschikbaar zijn. 5.7. De baden en douches moeten indien nodig dagelijks kunnen worden gebruikt door de bewoners. 5.8. De nodige hulp wordt verstrekt aan de personen die onbekwaam zijn zich alleen te wassen. 5.9. De directeur moet ervoor zorgen dat geen bejaarde bij gebrek aan zorgen en netheid de andere bewoners misselijk maakt. 6. Voeding 6.1. De bewoners krijgen minstens één volledige warme maaltijd per dag.

De voeding is gezond en gevarieerd; ze is aangepast aan de toestand van de bejaarde.

De door de behandelend geneesheer voorgeschreven diëten worden nageleefd. 6.2. De voorbereiding van de maaltijden en de verdeling ervan worden verricht volgens de striktste hygiëneregels overeenkomstig de bepalingen van wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de verbruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere produkten en van de desbetreffende besluiten, met name het koninklijk besluit van 7 februari 1997 inzake de algemene voedingsmiddelenhygiëne. 6.3. De menu's van de maaltijden worden minstens één week op voorhand medegedeeld aan de bewoners, met name op het mededelingenbord.

Een register met ten minste de lijst van de menu's van de afgelopen maand wordt bijgehouden. Dit register moet voortdurend kunnen worden geraadpleegd door de afgevaardigden van het bestuur. 6.4. Een register vermeldt dagelijks de aan de bewoners gediende maaltijden met melding van de naam van de begunstigde. 6.5. De nodige hulp wordt verstrekt aan de personen die moeilijkheden ondervinden om alleen te eten of te drinken. 7. Gezondheidszorgen en oproepregister 7.1. Een individueel medisch dossier wordt opgemaakt voor elke bewoner. Dit dossier omvat de voor de continuïteit van de zorgen nodige elementen, de medische, verpleegkundige en paramedische richtlijnen en dagelijks de vermelding van de in het kader van het dagcentrum verstrekte zorgen, de opmerkingen van het personeel dat deze richtlijnen heeft uitgevoerd, alsmede de kennisgeving ervan aan de door de bewoner gekozen hulpverleners. 7.1.1. De verzameling van de erin vermelde gegevens en de behandeling ervan worden overeenkomstig de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens verricht. 7.1.2. Het medische dossier wordt gedurende minstens twee jaar na het weggaan of het overlijden van de bewoner in het dagcentrum gehouden.

Als het document na deze termijn in het dagcentrum niet kan worden gehouden, moet het gestuurd worden aan de bevoegde medische provinciecommissie, overeenkomstig de reglementering over het behoud van medische documenten. 7.2. De verantwoordelijke stelt dagelijks een verslag in een daartoe bestemd register op, waarin alle kenmerkende inlichtingen die de continuïteit van de dienst mogelijk maken, worden vermeld; de inlichtingen betreffende de individuele zorgen worden in het medische dossier waarvan sprake in het vorige punt vermeld. 7.3. De voorbereiding van de geneesmiddelen wordt door een verpleger volgens de vigerende regels verricht.

De geneesmiddelen worden in een meubel of een daartoe bestemd lokaal dat op slot afgesloten is, gehouden. 7.4. Het medische dossier, het register alsmede alle technisch-administratieve documenten betreffende de gezondheidszorgen moeten kunnen worden geraadpleegd door de ambtenaren van het bestuur met de vereiste bevoegdheden en die speciaal aangewezen zijn om na te gaan of de normen betreffende de gezondheidszorgen van de bewoners worden nageleefd. 7.5. Telkens als de gezondheidstoestand van de bewoner het vereist, zal hij een beroep moeten doen op een arts van zijn keuze.

Als de bewoner niet in staat is deze keuze te uiten en in afwezigheid van zijn arts of van zijn vervanger, waarvan de personalia worden vermeld in het individuele dossier waarvan sprake in punt 3.1. van deze bijlage, doet de voor de zorgen verantwoordelijke persoon een beroep op de arts van zijn keuze. 7.6. De beheerder moet ervoor zorgen dat de voorkoming van besmettelijke ziekten wordt verzekerd. 7.6.1. In het bijzonder moet hij ervoor zorgen dat alle nodige maatregelen worden getroffen voor de steriele zorgen, bij voorkeur door het gebruik van sets voor enig gebruik. 7.6.2. De inspectie van de hygiëne wordt in alle betwistbare gevallen geraadpleegd. Elke besmettelijke aandoening wordt haar onmiddellijk medegedeeld door de directeur. 8. Animatie van het dagcentrum 8.1. Een programma voor permanente animatie moet voor elk centrum worden vastgesteld. 8.2. Dit programma zal zo uitgewerkt worden dat het dagelijks in de sociale en culturele behoeften van de bewoners voorziet. Voor de organisatie van de activiteiten kan het centrum samenwerken met buiten diensten of instellingen HOOFDSTUK 4. - Normen betreffende het aantal, de classificatie, de kwalificatie en de moraliteit van het personeel 9. Personeel 9.1. Het dagcentrum beschikt over een voldoende aantal personeelsleden met de vereiste kwalificaties om te zorgen voor de activiteiten van het dagelijkse leven en voor de deelneming aan de in punt 8.2. bedoelde activiteiten. 9.2. Minstens één lid van het personeel moet voortdurend aanwezig zijn. 9.3. Wanneer het dagcentrum en het rustoord of het rust- en verzorgingshuis waarin het gevestigd is of waarmee het verbonden is, het personeel gemeenschappelijk hebben, wordt het personeel dat de dienstverleningen in het dagcentrum verzekert, duidelijk geïdentificeerd en wordt de tijd dat iedereen aan deze dienstverleningen besteedt, perfect geschat in voltijds equivalent. 9.4. Het dagcentrum kan alle of een deel van deze taken verzekeren met de hulp van buitendiensten of zelfstandige hulpverleners, die verplicht bij overeenkomst ermee verbonden zijn. 9.5. De directeur van het dagcentrum is dezelfde als de directeur van het rustoord of het rust- en verzorgingshuis waarin het centrum gevestigd is of waarmee het verbonden is. 9.6. Overeenkomstig de bepalingen van het huishoudelijk reglement en telkens als het nodig is, moet de directeur moet bij afspraak geraadpleegd kunnen worden; indien nodig is hij weer terug te roepen. HOOFDSTUK 5. - Normen betreffende het gebouw 10. Normen betreffende het gebouw 10.1. Het gebouw in het algemeen 10.1.1. Het dagcentrum bestaat minstens uit de volgende lokalen : - een woonplaats voor de opvang, de recreatie en eventueel voor de restauratie als de maaltijden niet in het restaurant van het rustoord of van het rust- en verzorgingshuis worden gediend; dit lokaal bevat voldoende luie stoelen; - een afzonderlijke rustzaal met minstens één bed per 5 opgevangen bewoners, waarin de bewoners zich kunnen isoleren en rusten. Bovendien moet elke maatregel worden getroffen opdat de zorgen in de grootste intimiteit zouden kunnen worden verstrekt aan de bewoners; - een lift als het dagcentrum zich op een andere verdieping bevindt als de toegangsverdieping; deze lift moet voldoen aan de toegankelijkheidsnormen voor de personen met beperkte beweeglijkheid. 10.1.2. Het dagcentrum beschikt over een voor de bewoners toegankelijke telefoon en over een televisietoestel dat aangesloten is op de kabeltelevisie. 10.1.3. Het dagcentrum stelt zoveel vestiaire-kastjes als opgevangen bewoners ter beschikking van de bewoners. 10.2. Onderhoud, verwarming en verlichting 10.2.1. De gebouwen worden regelmatig onderhouden en beschut tegen vocht of doorsijpelingen. 10.2.2. Ongeacht het gekozen systeem voor de verwarming van de lokalen, mag dit geen enkele uitwaseming van vlammen, gas of stof veroorzaken. 10.2.3. In de voor de bewoners toegankelijke lokalen moet de temperatuur, ongeacht de weersomstandigheden, steeds 22° bereiken.

Deze lokalen moeten voortdurend geventileerd worden. 10.2.4. Al de voor de bewoners toegankelijke lokalen worden voortdurend voorzien van een voldoende verlichting. Deze wordt aan de behoeften aangepast naar gelang van de in de lokalen ontwikkelde activiteiten. De gangen en sanitair moeten voldoende verlicht worden zodat de bewoners zich veilig kunnen verplaatsen. 10.2.5. De natuurlijke helderheid van de woonplaatsen wordt verzekerd op ten minste één zesde van de netto oppervlakte op de bodem van deze lokalen. 10.3. Oproepsysteem, aanleg van de gangen en trappen 10.3.1. De woonplaatsen alsmede W.C.'s en badkamers zijn voorzien van een oproepsysteem dat elk ogenblik in werking kan worden gesteld.

Dit systeem is bereikbaar vanaf de bedden en voortdurend operationeel.

Het moet in werking worden gesteld zonder de anderen te storen. 10.3.2. De gangen en trappen zijn voldoende breed en voorzien van leuningen of steunstaven aan beide kanten.

De eerste en de laatste trede evenals elke afgezonderde trede worden op de rand voorzien van een scherpkleurige band die schril afsteekt tegenover de vloerbedekking. 10.4. Sanitaire installaties 10.4.1. De sanitaire installaties bestaan minimum uit een W.C. voor 8 bewoners, waarvan minstens één dat toegankelijk is voor de bewoners die zich in een rolstoel verplaatsen. 10.4.2. Alle W.C.'s zijn gemakkelijk toegankelijk voor de bewoners.

Zij beschikken over een goede rechtstreekse luchtverversing of een goede ventilatie. Hun deur kan niet binnenwaarts worden geopend. 10.4.3. Elk W.C. is voorzien van een vuilnisbak, hellende steunstaven, een klerenhaak en van hygiënisch papier. 10.4.4. Systemen om de toiletzittingen te verhogen en om een gemakkelijk gebruik ervan door gehandicapte personen mogelijk te maken, moeten beschikbaar zijn. 10.4.5. Elk W.C. of elke sanitaire installatie is voorzien van een wasbekken, van een zeeptuimelaar en van een systeem voor het drogen van de handen met inachtneming van de hygiënemaatregelen. 10.4.6. De sanitaire installaties bevatten minstens een douche of een bad, die een maximale autonomie aan de bewoners verzekeren en die toegankelijk zijn voor de bewoners die zich in een rolstoel verplaatsen; deze installaties zijn voorzien van antislipapparatuur en steunstaven. 10.4.7. Het dagcentrum en het rustoord of het rust- en verzorgingshuis kunnen deze sanitaire installaties gemeenschappelijk hebben als ze in hetzelfde gebouw zijn gevestigd.

Ze moeten nochtans voldoende zijn om de samengevoegde normen van deze diensten te vervullen. HOOFDSTUK 6. - Boekhouding 11. Boekhouding 11.1. De boekhouding van het dagcentrum waarvan de beheerder een openbare overheid is, wordt vastgesteld overeenkomstig de op deze openbare overheid toepasselijke boekhoudregels. 11.2. De boekhouding van het dagcentrum dat in punt 11.1. niet bedoeld is, wordt vastgesteld overeenkomstig het in bijlage V bedoelde boekhoudplan.

De dagcentra die geen verschillende rechtspersoonlijkheid als die van het rustoord of van het rust- en verzorgingshuis bezitten, kunnen nochtans het voorwerp uitmaken van een systeem van afzonderlijke rekeningen die in de boekhouding van het rust- en verzorgingshuis overeenkomstig de door de Minister bepaalde subrekeningen worden geïntegreerd. 11.3. Voor elke bewoner houdt de inrichting een individuele rekening bij, waarop al de bijzonderheden van de ontvangsten en uitgaven alsmede de leveringen en de ten gunste van de bewoners gepresteerde diensten worden vermeld. Deze individuele rekening kan elk ogenblijk worden geraadpleegd door de bewoner of zijn vertegenwoordiger. 11.4. Een uitvoerige maandelijkse factuur bepaalt de balans van de verschuldigde bedragen en ontvangsten. Ze wordt met alle bewijsstukken aan de bewoner of zijn vertegenwoordiger afgegeven. 11.5. De boekhouding van de inrichting en van de individuele rekeningen van de bewoners moet ter beschikking van de bestuursafgevaardigden gesteld worden, die er kennis van kunnen nemen zonder zich te verplaatsen. HOOFDSTUK 7. - Aanpassing van de opvangprijs 12. Onverminderd de federale bepalingen die de aanvragen om prijsstijging reglementeren, zoals bepaald in artikel 4 van het ministerieel besluit van 20 april 1993Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 20/04/1993 pub. 15/04/2004 numac 2004011180 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Ministerieel besluit houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen Deeltelijke vernietigingen sluiten houdende bijzondere bepalingen inzake prijzen, mag de jaarlijkse verhoging van de huisvestings- of opvangprijs in geen geval 5 % hoger zijn dan de indexering van de consumptieprijzen.Deze bepaling treedt in werking op 1 januari 2000. HOOFDSTUK 8. - Voorwaarden voor een functionele verbinding met een rustoord of een rust- of verzorgingshuis Het dagcentrum moet met een rustoord of een rust- of verzorgingshuis bij overeenkomst verbonden zijn.

Als het om een dagcentrum gaat dat op dezelfde plaats gelegen is als het rustoord of het rust- of verzorgingshuis, kunnen alle dienstverleningen verzekerd worden door de verdeling van deze diensten, overeenkomstig de voorschriften van de interne bepalingen.

In alle andere gevallen komt het dagcentrum het eens met het rustoord of het rust- of verzorgingshuis waarmee het verbonden is over gemeenschappelijke verplichtingen waaronder minimum de verplichting voor het rustoord of het rust- of verzorgingshuis om de bewoners van het dagcentrum, die het wensen, eerst te huisvesten.

Wanneer het personeel zijn diensten ook verleent in een rustoord of een rust- of verzorgingshuis, wordt de duur van deze dienstverleningen voor elke dienst duidelijk geïdentificeerd.

Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van... tot uitvoering van het decreet van 5 juni 1997 betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de « Conseil wallon du troisième âge ».

Namen, 3 december 1998.

De Minister-President van de Waalse Regering, belast met Economie, Buitenlandse Handel, KMO's, Toerisme en Patrimonium, R. COLLIGNON De Minister van Sociale Actie, Huisvesting en Gezondheid, W. TAMINIAUX

Bijlage V. - Boekhoudplan voor de boekhouding van de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra 1. Eigen fondsen, voorzieningen voor risico's en kosten en schulden op meer dan een jaar 10.Toevoegingen, inbrengen en giften in kapitaal 100. Geplaatst kapitaal 101.Onopgevraagd kapitaal (-) (109. Rekening van de exploitant) 12.Herwaarderingsmeerwaarden 13. Reserves 130.Wettelijke reserve 131. Onbeschikbare reserve 133.Beschikbare reserve 14. Overgedragen resultaat 140.Overgedragen winst 141. Overgedragen verlies (-) 15.Investeringssubsidies 150. Behaalde bedragen 159.Bedragen overgedragen naar het resultaat 16. Voorzieningen voor risico's en kosten 160.Voorzieningen voor pensioenen en soortgelijke verplichtingen 161. Voorzieningen voor belastingen 162.Voorzieningen voor grote herstellings- en onderhoudswerken 163-169. Andere voorzieningen voor risico's en kosten 17. Schulden op meer dan een jaar 170.Achtergestelde leningen 171. Niet achtergestelde obligatieleningen 172.Leasingschulden en soortgelijke schulden 173. Kredietinstellingen 174.Andere leningen 175. Schulden betreffende de aankopen van goederen en diensten 178.Borgtochten ontvangen in contanten 179. Overige schulden 2.Oprichtingskosten, vaste activa en vorderingen op meer dan een jaar 20. Oprichtingeskosten 200.Kosten van oprichting en kapitaalverhoging 202. Overige oprichtingskosten 203.Tussenrenten 204. Herstructureringskosten 2040 aankopen 2048 meerwaarden 2049 geboekte aflossingen 21.Immateriële vaste activa 211. Concessies, octrooien, licenties... (softwares) 212. Goodwill 2120 aankopen 2128 meerwaarden 2129 geboekte aflossingen 22.Terreinen en gebouwen 220. Terreinen 221.Gebouwen 222. Bebouwde terreinen 223.Overige zakelijke rechten op onroerende goederen 224. Grote herstellings- en onderhoudswerken 225.Inrichting van de onroerende gebouwen 2250 aankopen 2258 meerwaarden 2259 geboekte aflossingen 2260 verzorgingsmaterieel 23. meerwaarden 24.geboekte aflossingen 2261. Overig materieel 240.Meubilair 241. Materieel 242.Rollend materieel 243. Informaticamaterieel en -meubilair 2430 aankopen 2438 meerwaarden 2439 geboekte aflossingen 25.Vaste activa in leasing 252. Terreinen en gebouwen 253.Verzorgingsmaterieel 254. Overig materieel 26.Overige materiële vaste activa 260. Reserve-uitrusting 261.Overige 27. Vaste activa in aanbouw en vooruitbetalingen 270.Vaste activa in aanbouw 271. Vooruitbetalingen 28.Financiële vaste activa 280. Deelnemingen 281.Vorderingen 288. Borgtochten betaald in contanten 29.Vorderingen op meer dan een jaar 290. Vorderingen voor dienstverleningen 291.Overige vorderingen 3. Voorraden en bestellingen in uitvoering 31.Voorzieningen en hulpstoffen 310. Farmaceutische produkten en klein medisch materieel 312.Diverse hulpstoffen 314. Energie 315.Kantoor- of informaticabenodigdheden 316. Linnengoed, beddegoed, wasserij 317.Eetwaren en keukenbenodigdheden 319. Geboekte waardeverminderingen 36.Vooruitbetalingen op voorraadinkopen 37. Bestellingen in uitvoering 4.Vorderingen en schulden op ten hoogste een jaar 40. Vorderingen voor dienstverleningen 400.Ingezetenen 402. Verzekeringsinstellingen 404.Te innen opbrengsten 406. Vooruitbetalingen 407.Dubieuze debiteuren 409. Geboekte waardeverminderingen 41.Overige vorderingen 410. Opgevraagd, niet gestort kapitaal 411.Terug te vorderen B.T.W. 412. Terug te vorderen belastingen en voorheffingen 414.Te innen opbrengsten 416. Diverse vorderingen 417.Dubieuze debiteuren 418. Borgtochten betaald in contanten 419.Geboekte waardeverminderingen 42. Schulden op meer dan een jaar die binnen het jaar vervallen 420.Achtergestelde leningen 421. Niet achtergestelde obligatieleningen 422.Leasingschulden en soortgelijke schulden 423. Kredietinstellingen 424.Andere leningen 425. Schulden betreffende de aankopen van goederen en diensten 428.Borgtochten ontvangen in contanten 429. Overige schulden 43.Financiële schulden 430/434. Kredietinstellingen 435/439. Overige leningen 43. handelsschulden 440.Leveranciers 441. Te betalen wissels 444.Te ontvangen facturen 45. Schulden met betrekking tot belastingen, bezoldigingen en sociale lasten 450.Geraamd bedrag der belastingschulden 451. Te betalen B.T.W. 452. Te betalen belastingen en taksen 453.Ingehouden voorheffingen 454. R.S.Z. 455. Bezoldigingen 456.Vakantiegeld 459. Andere sociale schulden 46.Ontvangen vooruitbetalingen 460. Vooruitbetalingen van de ingezetenen 461.Overige vooruitbetalingen 47. Schulden uit de bestemming van het resultaat 470.Dividenden en tantièmes over vorige boekjaren 471. Dividenden over het boekjaar 472.Tantièmes over het boekjaar 473. Andere rechthebbenden 48.Diverse schulden 480. Deposito's ontvangen in contanten 488.Borgtochten 489. Andere diverse schulden 49.Overlopende rekeningen 490. Over te dragen kosten 491.Verkregen opbrengsten 492. Toe te rekenen kosten 493.Over te dragen opbrengsten 499. Wachtrekeningen 5.Geldbeleggingen en liquide middelen 51. Aandelen 52.Vastrentende effecten 53. Termijndeposito's 54.Te incasseren vervallen waarden 55. Kredietinstellingen 550/558.Kredietinstellingen 559. Uitgeschreven giro's en cheques 56.Postcheque- en girodienst 560. Rekening-courant 561.Uitgeschreven giro's en cheques 57. Kassen 570/577.Kassen-contanten 578. Kassen-zegels 58.Interne overboekingen 0. Niet in de balans opgenomen rechten en verplichtingen 030.Deposito's van de ingezetenen 031. Ontvangen zekerheden 6.Kosten 60. Voorzieningen en hulpstoffen 600.Aankopen van farmaceutische produkten en klein medisch materieel 6000 geneesmiddelen 6001 klein medisch steriel materieel 6009 diverse 602. Aankopen van diverse hulpstoffen 6020 eredienstkosten 6021 lijkenhuiskosten 6029 diverse 603.Aankopen van onderhoudsprodukten en -materieel 6030 produkten 6031 materieel 6039 diverse 604. Aankopen van brandstoffen 6040 stookolie 6041 gas 6049 andere brandstoffen 605.Aankopen van kantoor- en informaticabenodigdheden 6050 bureaubenodigdheden 6051 informaticabenodigdheden 6059 diverse 606. Aankopen van linnen, beddegoed, wasserij 6060 linnen en beddegoed 6061 disposable 6069 diverse 607.Aankopen van eetwaren en keukenbenodigdheden 6070 levensmiddelen 6073 dranken 6074 diëtische produkten 6075 vaatwerk en keukenmaterieel 6079 diverse 609. Voorraadwijzigingen (zelfde onderverdeling als 600 à 607) 61.Diverse goederen en diensten 610. Huur en huurlasten 6100 huur 6101 huurlasten 6109 diverse 611.Buitendiensten 6111 medische en paramedische kosten 6112 algemene buitendiensten 6113 onderhoud- en schoonmaakbuitendiensten 6115 buitendiensten op administratief gebied 6116 buitendiensten voor wasserij-linnengoed 6117 buitendiensten voor voeding 612. Algemene kosten 6120 animatie 6121 verzekeringen niet i.v.m. het personeel 6122 vervoer- en verplaatsingskosten van het personeel 6129 diverse 613. Onderhoud en herstellingen 6130 onderhoud en herstellingen van onroerende goederen (terreinen en gebouwen) 6131 onderhoud en herstellingen van materieel en meubilair 6132 onderhoud en herstellingen van rollend materieel 6139 diverse (onderhoud van softwares) 614.Energie 6140 water 6141 electriciteit 6142 brandstoffen voor voertuig 615. Administratie 6150 kantoor en administratie (telefoon, fotokopieën, expeditie, oproep van personen, wervingskosten) 6151 public relations (congressen, recepties, toetredingen) 6152 kosten voor de invordering van schulden 6159 diverse 616.Honoraria 6160 advocaten, deurwaarders 6161 revisors, accountants 6162 architecten, schatters van onroerende goederen 6169 diverse 62. Bezoldigingen en sociale lasten 620.Bezoldigingen en rechtstreekse sociale voordelen 6200 bestuurders en zaakvoerders 6201 loontrekkend personeel 6202 bezoldigd personeel 621. Werkgeversbijdragen voor sociale verzekeringen (zelfde onderverdeling als 620) 6210 bestuurders en zaakvoerders 6211 loontrekkend personeel 6212 bezoldigd personeel 623.Andere personeelskosten 6230 bestuurders en zaakvoerders 6231 loontrekkend personeel 6232 bezoldigd personeel 624. Ouderdoms- en overlevingspensioenen 6240 bestuurders en zaakvoerders 6241 loontrekkend personeel 6242 bezoldigd personeel 625.Voorziening voor vakantiegeld 6250 bestuurders en zaakvoerders 6251 loontrekkend personeel 6252 bezoldigd personeel 63. Afschrijvingen, waardeverminderingen en voorzieningen voor risico's en kosten 630.Afschrijving en waardeverminderingen op vaste activa 6300 op oprichtingskosten 6301 op immateriële vaste activa 6302 op gebouwen 6303 op het medische uitrustingsmaterieel 6304 op het niet-medische en roerende uitrustingsmaterieel 6305 op vaste activa in leasing 631. Waardeverminderingen op voorraden 633.Waardeverminderingen op vorderingen op meer dan één jaar 634. Waardeverminderingen op vorderingen op ten hoogste één jaar 635.Voorzieningen voor pensioenen en soortgelijke verplichtingen 636. Voorzieningen voor grote onderhouds- en herstellingswerken 637.Voorzieningen voor andere risico's en kosten 64. Andere bedrijfskosten 640.Belastingen 6400 onroerende voorheffing (eigenaar) 6409 diverse belastingen 641. Minderwaarden op de courante realisatie van vaste activa 642.Minderwaarden op de realisatie van handelsvorderingen 65. Financiële kosten 650.Kosten van investeringsschulden 656. Kosten van kredieten op korte termijn 657/659.Diverse financiële kosten 66. Uitzonderlijke kosten 660.Uitzonderlijke afschrijvingen en waardeverminderingen 661. Waardeverminderingen op financiële vaste activa 662.Voorzieningen voor uitzonderlijke risico's en kosten 663. Minderwaarden op de uitzonderlijke realisatie van vaste activa 664/668.Andere uitzonderlijke kosten 669. Kosten betreffende de vorige boekjaren 67.Belastingen op het resultaat 670. Belastingen van het boekjaar 671.Belastingen van de vorige boekjaren 69. Resultaatverwerking 690.Overgedragen verlies van het vorige boekjaar 691. Toevoeging aan de wettelijke reserve 692.Toevoeging aan de overige reserves 693. Over te dragen winst 694.Vergoeding van het kapitaal 695. Bestuurders of zaakvoerders 696.Andere rechthebbenden 7. Opbrengsten 70.Omzet 700. Verblijven 7000 gefactureerd aan de patiënten 7009 diverse 702.Supplementen (TE BESPREKEN) 703. Forfaitaire bedragen van het RIZIV 72.Geproduceerde vaste activa 74. Andere bedrijfsopbrengsten 740.Bedrijfssubsidies 741. Meerwaarden op de courante realisatie van vaste activa 743.Terugvorderingen van kosten die de ingezetenen niet betreffen 7430 subsidies Interdepartementaal begrotingsfonds/geco's 7431 vergoedingen arbeidsongevallen 744. Diverse bedrijfsopbrengsten die de ingezetenen niet betreffen 7440 huur 7441 opbrengsten van animatiekosten 75.Financiële opbrengsten 750. Opbrengsten uit financiële vaste activa 751.Opbrengsten uit vlottende activa 7510 wettelijke intresten op handelsvorderingen 7511 opbrengsten uit geldbeleggingen 7512 opbrengsten uit liquide middelen 753. Kapitaal- en interestsubsidies 754-759.Diverse financiële opbrengsten 76. Uitzonderlijke opbrengsten 760.Terugneming van afschrijvingen en waardeverminderingen 7600 op immateriële vaste activa 7601 op materiële vaste activa 761. Terugneming van waardeverminderingen op financiële vaste activa 762.Terugneming van voorzieningen voor uitzonderlijke risico's en kosten 763. Meerwaarden op de realisatie van vaste activa 764-766.Uitzonderlijke opbrengsten 769. Opbrengsten van de vorige boekjaren 77.Regularisering van belastingen en terugneming van fiscale voorzieningen 770. van het boekjaar 771.van vorige boekjaren 79. Resultaatverwerking 790.Overgedragen winst van het vorig boekjaar 791. Onttrekking aan de wettelijke reserve 792.Onttrekking aan de overige reserves 793. Over te dragen verlies 794.Tussenkomst van vennoten in het verlies 795. Tussenkomst van derden Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van... tot uitvoering van het decreet van 5 juni 1997 betreffende de rustoorden, de serviceflats en de dagcentra voor bejaarden en houdende oprichting van de « Conseil wallon du troisième âge ».

Namen, 3 december 1998.

De Minister-President van de Waalse Regering, belast met Economie, Buitenlandse Handel, KMO's, Toerisme en Patrimonium, R. COLLIGNON De Minister van Sociale Actie, Huisvesting en Gezondheid, W. TAMINIAUX

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^