Besluit Van De Waalse Regering van 03 juni 2004
gepubliceerd op 03 november 2004
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Besluit van de Waalse Regering tot uitvoering van het decreet van 12 februari 2004 betreffende de opvang van, het verschaffen van een onderkomen aan en de begeleiding van in sociale moeilijkheden verkerende personen

bron
ministerie van het waalse gewest
numac
2004203246
pub.
03/11/2004
prom.
03/06/2004
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

3 JUNI 2004. - Besluit van de Waalse Regering tot uitvoering van het decreet van 12 februari 2004 betreffende de opvang van, het verschaffen van een onderkomen aan en de begeleiding van in sociale moeilijkheden verkerende personen


De Waalse Regering, Gelet op het decreet van 12 februari 2004 betreffende de opvang van, het verschaffen van een onderkomen aan en de begeleiding van in sociale moeilijkheden verkerende personen;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 10 maart 2004;

Gelet op de instemming van de Minister van Begroting, gegeven op 11 maart 2004;

Gelet op het advies van de "Conseil supérieur des villes, communes et provinces de la Région wallonne" (Hoge raad van de steden, gemeenten en provincies van het Waalse Gewest), gegeven op 1 april 2004;

Gelet op het advies van de Raad van State, uitgebracht op 25 mei 2004, overeenkomstig artikel 84, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;

Op de voordracht van de Minister van Sociale Aangelegenheden en Gezondheid;

Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Dit besluit regelt overeenkomstig artikel 138 van de Grondwet een aangelegenheid bedoeld in artikel 128, § 1, van de Grondwet.

Art. 2.In de zin van dit decreet wordt verstaan onder : 1° decreet : het decreet van 12 februari 2004 betreffende de opvang van, het verschaffen van een onderkomen aan en de begeleiding van in sociale moeilijkheden verkerende personen;2° inrichtingen : opvangtehuizen, gemeenschapshuizen, nachtasielen en opvangtehuizen van het gezinstype;3° huizen : opvangtehuizen, gemeenschapshuizen en opvangtehuizen van het gezinstype;4° Minister : de Minister bevoegd voor Sociale Aangelegenheden;5° Commissie : de Adviescommissie inzake de opvangtehuizen, gemeenschapshuizen, nachtasielen en opvangtehuizen van het gezinstype;6° administratie : het Directoraat-generaal Sociale Actie en Gezondheid van het Ministerie van het Waalse Gewest. HOOFDSTUK II. - Erkenning, tijdelijke werkingsvergunning en beginselakkoord Afdeling 1. - Toekenning van de erkenning

Art. 3.§ 1. Elke inrichting richt haar aanvraag om erkenning bij ter post aangetekend schrijven aan de administratie. Een afschrift wordt aan de Minister overgemaakt.

Naast de gegevens vereist krachtens artikel 12, § 1, van het decreet, bevat het aanvraagdossier voor de opvanghuizen en de gemeenschapshuizen : 1° een afschrift van de benoemingsakten of van de arbeidsovereenkomsten van de personeelsleden en van de overeenkomsten gesloten met vrijwilligers;2° een afschrift van de verzekeringspolissen inzake brand en burgerlijke aansprakelijkheid aangegaan door het opvangtehuis of het gemeenschapshuis. Naast de gegevens vereist krachtens artikel 12, § 2, en krachtens artikel 12, § 3, van het decreet, bevat het aanvraagdossier voor de nachtasielen en de opvangtehuizen van het gezinstype : 1° de vermelding van het type publiek dat ondergebracht dient te worden door het nachtasiel of het opvangtehuis van het gezinstype;2° een afschrift van de benoemingsakten of van de arbeidsovereenkomsten van de personeelsleden en van de overeenkomsten gesloten met vrijwilligers;3° een afschrift van de verzekeringspolissen inzake brand en burgerlijke aansprakelijkheid aangegaan door het nachtasiel of het opvangtehuis van het gezinstype. § 2. In geval van aanvraag om hernieuwing voegen het opvangtehuis, het gemeenschapshuis en het nachtasiel een evaluatie van het project van collectieve begeleiding waarvan sprake in artikel 17, § 1, derde lid, of van het project van collectieve huisvesting bedoeld in artikel 18, § 1, derde lid.

Art. 4.De administratie stuurt een bericht van ontvangst naar de aanvrager binnen tien dagen na ontvangst van de aanvraag.

De administratie gaat na of de aanvraag volledig is en verzoekt de aanvrager desgevallend om de ontbrekende stukken of gegevens binnen de maand na ontvangst van de aanvraag.

Als het dossier volledig is, stuurt ze onmiddellijk een schrijven naar de inrichting om haar daarop te wijzen.

Art. 5.Binnen de maand na verzending van het schrijven bedoeld in artikel 4, derde lid, maakt de administratie het dossier samen met haar advies aan de Commissie over.

De Commissie geeft de Minister advies binnen twee maanden na ontvangst van het dossier.

Art. 6.De Minister beslist over de aanvraag binnen twee maanden na ontvangst van het advies van de Commissie.

De beslissing wordt bij ter post aangetekend schrijven aan de aanvrager meegedeeld.

Art. 7.De hernieuwing van de aanvraag wordt minstens zes maanden vóór de verstrijkdatum van de lopende vergunning aangevraagd.

De artikelen 3 tot 6 zijn toepasselijk op de aanvraag om hernieuwing.

Als de aanvraag om hernieuwing ingediend wordt binnen de termijn bedoeld in het eerste lid, blijft de lopende erkenning geldig tot de kennisgeving van de beslissing van de Minister. Afdeling 2. - Toekenning van de tijdelijke werkingsvergunning en

beginselakkoord

Art. 8.De artikelen 3, § 1, en 4 tot 6 zijn toepasselijk op de aanvraag om tijdelijke werkingsvergunning ingediend overeenkomstig artikel 14, § 1, van het decreet.

Elke aanvraag om verlenging van de tijdelijke werkingsvergunning wordt minstens twee maanden vóór de verstrijkdatum van de lopende vergunning verstuurd. Als de aanvraag om hernieuwing ingediend wordt binnen die termijn, blijft de lopende vergunning geldig tot de kennisgeving van de beslissing van de Minister.

Art. 9.De aanvragen om beginselakkoord ingediend overeenkomstig artikel 14, § 2, van het decreet worden per telefax of brief aan de Minister gericht of tegen ontvangbewijs afgegeven.

De Minister beslist over de aanvraag uiterlijk de werkdag na de dag van ontvangst ervan.

De beslissing wordt per telefax aan de aanvrager meegedeeld of tegen ontvangbewijs afgegeven. Afdeling 3. - Opschorting, inkorting en intrekking van de erkenning,

de tijdelijke werkingsvergunning of het beginselakkoord

Art. 10.Als de administratie voorstelt om de erkenning, de tijdelijke werkingsvergunning of het beginselakkoord te schorsen, te beperken of in te trekken, verwittigt ze betrokken inrichting bij per post aangetekend schrijven.

Het voorstel tot opschorting, inkorting en intrekking vermeldt de motieven die zulks rechtvaardigen.

De inrichting beschikt over een termijn van vijftien dagen, die ingaat op de datum van ontvangst van het voorstel, om haar geschreven opmerkingen aan de administratie te richten.

Die termijn wordt tot tien dagen ingekort als het voorstel een beginselakkoord betreft.

De afgevaardigd ambtenaar vult het dossier aan met de geschreven opmerkingen van de huisvestingsstructuur, met elk nuttig gegeven en stuk dat hij inzamelt en met het proces-verbaal van verhoor van de vertegenwoordiger van de inrichting.

Daartoe roept hij de vertegenwoordiger van de inrichting op bij ter post aangetekend schrijven of per brief afgegeven tegen ontvangbewijs, met opgave van de plaats en het uur van het verhoor.

De oproeping vermeldt de mogelijkheid om zich door een raadsman te laten bijstaan.

De weigering om op te dagen of om zijn verweermiddelen te laten gelden, wordt in het proces-verbaal geacteerd.

Art. 11.De afgevaardigd ambtenaar stelt een rapport op en, als het voorstel tot opschorting, inkorting en intrekking betrekking heeft op een erkenning of een tijdelijke werkingsvergunning, maakt hij zijn rapport samen met het dossier binnen vijftien dagen na de verhoordatum voor advies aan de Commissie over.

Art. 12.De Commissie geeft de Minister advies binnen twee maanden na de datum van ontvangst van het voorstel tot opschorting, inkorting en intrekking.

Art. 13.Als het voorstel tot opschorting, inkorting en intrekking betrekking heeft op een erkenning of een tijdelijke werkingsvergunning, beslist de Minister binnen de maand na ontvangst van het advies van de Commissie.

Als het voorstel tot opschorting, inkorting en intrekking betrekking heeft op een beginselakkoord, beslist de Minister binnen tien dagen na ontvangst van het rapport van de afgevaardigd ambtenaar.

De beslissing tot opschorting, inkorting en intrekking wordt bij ter post aangetekend schrijven aan de huisvestingsstructuur meegedeeld.

De intrekking van de tijdelijke werkingsvergunning of van het beginselakkoord heeft de weigering van de erkenning tot gevolg. Afdeling 4. - Beroepen

Art. 14.Het beroep tegen een beslissing tot weigering, opschorting, inkorting of intrekking van de erkenning, de tijdelijke werkingsvergunning of het beginselakkoord wordt binnen de maand na de kennisgeving van de betwiste beslissing bij ter post aangetekend schrijven aan de Minister gericht.

Art. 15.De Regering beslist binnen drie maanden na de aangetekende verzending bedoeld in artikel 14.

De termijn bedoeld in het eerste lid wordt tot één maand ingekort als het beroep een beginselakkoord betreft. Afdeling 5. - Erkenningsvoorwaarden

Art. 16.Naast de erkenningsvoorwaarden bedoeld in de artikelen 8 en 9 van het decreet voldoen de inrichtingen aan de erkenningsvoorwaarden bedoeld in bijlage 1. HOOFDSTUK III. - Collectieve begeleidingsproject en collectieve huisvestingsproject

Art. 17.§ 1. Het collectieve begeleidingsproject wordt in overleg met de sociale en educatieve ploeg uitgewerkt en geëvalueerd door de directeur van het opvangtehuis of van het gemeenschapshuis.

Het houdt rekening met de sociaal-economische omgeving van het opvangtehuis of gemeenschapshuis. De met de externe partners gesloten overeenkomsten worden bij het project gevoegd.

Het wordt hoe dan ook na afloop van het tweede erkenningsjaar geëvalueerd, alsook bij de hernieuwing van de erkenning. De raad van de ondergebrachte personen neemt deel aan de evaluatie.

Elke wijziging in het collectieve begeleidingsproject wordt aan de administratie meegedeeld. § 2. Het model van het collectieve begeleidingsproject ligt vast in bijlage 2 bij dit besluit.

Art. 18.§ 1. Het collectieve huisvestingsproject wordt in overleg met de educatieve ploeg en de vrijwilligers uitgewerkt en geëvalueerd door de directeur van het nachtasiel.

Het houdt rekening met de sociale omgeving van het nachtasiel en, meer bepaald, met de diensten die instaan voor het beheer van de sociale urgentie. De met de opvangtehuizen en de externe partners gesloten overeenkomsten worden bij het project gevoegd.

Het wordt geëvalueerd na afloop van de openingsperiode bedoeld in artikel 9, § 3, 2°, a, van het decreet. Elke wijziging in het collectieve huisvestingsproject wordt aan de administratie meegedeeld. § 2. Het model van het collectieve huisvestingsproject ligt vast in bijlage 2 bij dit besluit. HOOFDSTUK IV. - Huishoudelijk reglement

Art. 19.§ 1. Het huishoudelijk reglement wordt uitgewerkt met inachtneming van : 1° de religieuze, ideologische, filosofische en culturele overtuigingen van de ondergebrachte personen;2° het privé-leven van de ondergebrachte personen;3° de vrije keuze van de geneesheer voor de ondergebrachte personen. De raad van de ondergebrachte personen neemt deel aan de uitwerking van het huishoudelijk reglement van de opvangtehuizen en van de gemeenschapshuizen en aan de wijzigingen die erin aangebracht worden. § 2. Het model van huishoudelijk reglement ligt vast in bijlage 3 bij dit besluit. HOOFDSTUK V. - Brandattest

Art. 20.Het model van brandattest ligt vast in bijlage 4 bij dit besluit. HOOFDSTUK VI. - Geïndividualiseerd begeleidingsproject en aanwezigheidsboek

Art. 21.Het model van geïndividualiseerd begeleidingsproject en aanwezigheidsboek ligt vast in de bijlagen 5 en 6 bij dit besluit. HOOFDSTUK VII. - Financiële bijdrage van de ondergebrachte personen Afdeling 1. - Aangeboden diensten en desbetreffende prijzen

Art. 22.De financiële bijdrage van de ondergebrachte persoon dekt het onderkomen. Ze dekt ook de maaltijden als ze deel uitmaken van de aangeboden diensten.

Ze dekt geen andere diensten dan die bedoeld in het eerste lid.

Art. 23.De financiële bijdrage houdt rekening met de reële kost van de diensten.

De financiële bijdrage voor het onderkomen en de maaltijden mag dagelijks niet lager zijn dan 6 per persoon en mag niet hoger zijn dan 4/10e van de bestaansmiddelen van de ondergebrachte persoon.

Voor het onderbrengen van kinderen kan het opvangtehuis of het gemeenschapshuis al naar gelang het collectieve begeleidingsproject ervan evenwel verzoeken om een financiële bijdrage die lager is dan de bedragen bedoeld in het eerste en het tweede lid.

De bedragen bedoeld in dit artikel worden gekoppeld aan de index van de consumptieprijzen 111,64 die toepasselijk is op 1 juni 2004 (basis 1996 = 100).

Art. 24.De reële kost van het onderkomen en van het onderkomen en de maaltijden wordt jaarlijks vastgelegd.

De methode voor de berekening van de reële kost en de lijst van de toelaatbare uitgaven worden vastgelegd overeenkomstig bijlage 7. Het tehuis waarvan de reële kost hoger is dan de minima bedoeld in artikel 23, verwittigt de administratie. Afdeling 2. - In aanmerking te nemen bestaansmiddelen

Art. 25.De overeenkomstig artikel 9, § 5, 4°, van het decreet in aanmerking te nemen bestaansmiddelen zijn de volgende op voorwaarde dat ze daadwerkelijk ontvangen worden door de ondergebrachte persoon : 1° de inkomens van het werk;2° de vervangingsinkomens, met inbegrip van die welke toegekend worden krachtens de wetgeving betreffende de uitkeringen aan gehandicapte personen;3° het leefloon of de daarmee gelijkgestelde sociale hulp;4° het gewaarborgd inkomen voor bejaarde personen;5° de overlevings- en pensioensuitkeringen;6° de gezinstoelagen en het alimentatiegeld, incluis die ontvangen door de kinderen van de ondergebrachte persoon.Deze laatste mogen evenwel slechts tot 2/3e van het bedrag ervan in aanmerking genomen worden. HOOFDSTUK VIII. - Personeel en minimale begeleidingsnormen

Art. 26.Elk opvangtehuis beschikt over : 1° minstens één opvoeder (drievierde tijd) met minimum een kwalificatie klasse 2A als het over 10 tot 20 erkende plaatsen beschikt;2° minstens één maatschappelijk assistent (halftijds) met minimum een kwalificatie klasse 2A als het over 21 tot 40 erkende plaatsen beschikt;3° minstens één maatschappelijk assistent (drievierde tijd) en twee opvoeders (voltijds) met minimum een kwalificatie klasse 2A als het over 41 tot 60 erkende plaatsen beschikt;4° minstens een maatschappelijk assistent (voltijds) en drie opvoeders (voltijds) met minimum een kwalificatie klasse 2A als het over meer dan 60 erkende plaatsen beschikt. Eén van de personen bedoeld in het eerste lid vervult de functies van directeur.

Art. 27.Elk gemeenschapshuis beschikt over : 1° minstens één opvoeder (halftijds) met minimum een kwalificatie klasse 2A als het over 10 tot 20 erkende plaatsen beschikt;2° minstens één opvoeder (voltijds) met minimum een kwalificatie klasse 2A als het over 21 tot 40 erkende plaatsen beschikt;3° minstens één maatschappelijk assistent (halftijds) en één opvoeder (11/2 voltijds) met minimum een kwalificatie klasse 2A als het over 41 tot 60 erkende plaatsen beschikt;4° minstens één maatschappelijk assistent (drievierde tijd) en twee opvoeders (voltijds) met minimum een kwalificatie klasse 2A als het over meer dan 60 erkende plaatsen beschikt. Eén van de personen bedoeld in het eerste lid vervult de functies van directeur.

Art. 28.Elk nachtasiel beschikt over minstens één halftijdse directeur en één voltijdse opvoeder met minimum een kwalificatie klasse 2A.

Art. 29.De kwalificaties van de personeelsleden liggen vast in bijlage 8 bij dit besluit.

Eén of meer leden van de educatieve ploeg van het opvangtehuis, het gemeenschapshuis of het nachtasiel volgen jaarlijks minstens dertig opleidingsuren, supervisie inbegrepen, i.v.m. de opdrachten van de inrichting, met inachtneming van de volgende modaliteiten : 1° minimum tien uren besteed aan de analyse van de evolutie van het sociaal recht;minimum tien uren besteed aan de evolutie van de praktijken inzake de opvang en de begeleiding van personen met sociale problemen; 2° minimum tien uren supervisie of opleiding besteed aan andere thema's i.v.m. huisvesting. HOOFDSTUK IX. - Subsidiëring Afdeling I. - Programmering

Art. 30.Het programma bedoeld in artikel 16, tweede lid, van het decreet wordt vastgelegd als volgt : 1° voor de provincie Waals-Brabant : a) 50 plaatsen voor mannen of vrouwen die niet vergezeld zijn van kinderen;b) 200 plaatsen voor mannen of vrouwen die vergezeld zijn van kinderen;2° voor de provincie Henegouwen : a) 165 plaatsen voor mannen of vrouwen die niet vergezeld zijn van kinderen;b) 495 plaatsen voor mannen of vrouwen die vergezeld zijn van kinderen;3° voor de provincie Luik : a) 165 plaatsen voor mannen of vrouwen die niet vergezeld zijn van kinderen;b) 495 plaatsen voor mannen of vrouwen die vergezeld zijn van kinderen;4° voor de provincie Luxemburg : a) 45 plaatsen voor mannen of vrouwen die niet vergezeld zijn van kinderen;b) 180 plaatsen voor mannen of vrouwen die vergezeld zijn van kinderen;5° voor de provincie Namen : a) 45 plaatsen voor mannen of vrouwen die niet vergezeld zijn van kinderen;b) 180 plaatsen voor mannen of vrouwen die vergezeld zijn van kinderen. Afdeling 2. - Toekenning van de subsidies

Onderafdeling 1. - Algemene subsidies voor personeelsuitgaven

Art. 31.Binnen de perken van de begrotingskredieten ontvangen de opvangtehuizen subsidies om de volgende personeelskosten te dekken : 1° 10 plaatsen : 1 maatschappelijk assistent (voltijds) en 0,5 opvoeder klasse 1 (voltijds);2° van 11 tot 15 plaatsen : 1 directeur (voltijds), 1 maatschappelijk assistent (voltijds) en 1,5 opvoeder klasse 1 (voltijds);3° van 16 tot 20 plaatsen : 1 directeur (voltijds), 1 maatschappelijk assistent (voltijds) en 2 opvoeders klasse 1 (voltijds);4° van 21 tot 30 plaatsen : 1 directeur (voltijds), 1 maatschappelijk assistent (voltijds) en 3 opvoeders klasse 1 (voltijds);5° van 31 tot 40 plaatsen : 1 directeur (voltijds), 1 maatschappelijk assistent (voltijds) en 4 opvoeders klasse 1 (voltijds);6° van 41 tot 50 plaatsen : 1 directeur (voltijds), 1 maatschappelijk assistent (voltijds) en 4,5 opvoeders klasse 1 (voltijds);7° van 51 tot 60 plaatsen : 1 directeur (voltijds), 1 maatschappelijk assistent (11/2 voltijds) en 5 opvoeders klasse 1 (voltijds);8° meer dan 60 plaatsen : 1 directeur (voltijds), 2 maatschappelijk assistenten (voltijds) en 5 opvoeders klasse 1 (voltijds). De subsidies worden bij voorrang toegekend aan de opvangtehuizen die op de dag van de aanvraag een subsidie krijgen van het Waalse Gewest.

Art. 32.Binnen de perken van de begrotingskredieten ontvangen de gemeenschapshuizen subsidies de volgende personeelskosten te dekken : 1° van 10 tot 30 plaatsen : 0,5 maatschappelijk assistent (voltijds) en 1 opvoeder klasse 1 (voltijds);2° van 31 tot 60 plaatsen : 0,75 maatschappelijk assistent (voltijds) en 1,5 opvoeder klasse 1 (voltijds);3° meer dan 60 plaatsen : 1 maatschappelijk assistent (voltijds) en 2 opvoeders klasse 1 (voltijds). De subsidies worden bij voorrang toegekend aan de gemeenschapshuizen die op de dag van de aanvraag een subsidie krijgen van het Waalse Gewest.

Onderafdeling 2. - Specifieke subsidies voor personeelsuitgaven

Art. 33.Binnen de perken van de begrotingskredieten ontvangen de opvangtehuizen met een overeenkomstig artikel 31 gesubsidieerde capaciteit van minimum 20 plaatsen subsidies ter dekking van de volgende kosten van het personeel belast met de pedagogische begeleiding van de kinderen : 1° 20 plaatsen : 0,5 opvoeder klasse 2, 2A, 2B, 3 of kinderverzorger;2° van 21 tot 30 plaatsen : 0,75 opvoeder klasse 2, 2A, 2B, 3 of kinderverzorger;3° van 31 tot 40 plaatsen : 1 opvoeder klasse 2, 2A, 2B, 3 of kinderverzorger;4° van 41 tot 50 plaatsen : 1,25 opvoeder klasse 2, 2A, 2B, 3 of kinderverzorger;5° van 51 tot 60 plaatsen : 1,5 opvoeder klasse 2, 2A, 2B, 3 of kinderverzorger;6° meer dan 60 plaatsen : 1,75 opvoeder klasse 2, 2A, 2B, 3 of kinderverzorger. De subsidies worden toegekend voorzover het opvangtehuis voor de twee kalenderjaren voorafgaand aan de aanvraag kan bewijzen dat 25 % of meer van het totaalaantal overnachtingen kinderovernachtingen zijn.

Art. 34.§ 1. Binnen de perken van de begrotingskredieten ontvangen de opvangtehuizen met een overeenkomstig artikel 31 gesubsidieerde capaciteit van minimum 20 plaatsen en met een collectief begeleidingsproject waarvan de uitvoering het tot stand brengen van een sociale of psychosociale begeleiding van kinderen onder drie jaar vereist, subsidies ter dekking van de volgende personeelskosten : 1° 20 plaatsen : 0,5 maatschappelijk assistent of licentiaat in de menswetenschappen;2° van 21 tot 30 plaatsen : 0,75 maatschappelijk assistent of licentiaat in de menswetenschappen;3° van 31 tot 40 plaatsen : 1 maatschappelijk assistent of licentiaat in de menswetenschappen;4° van 41 tot 50 plaatsen : 1,25 maatschappelijk assistent of licentiaat in de menswetenschappen;5° van 51 tot 60 plaatsen : 1,5 maatschappelijk assistent of licentiaat in de menswetenschappen;6° meer dan 60 plaatsen : 1,75 maatschappelijk assistent of licentiaat in de menswetenschappen. De subsidies worden toegekend voorzover het opvangtehuis voor de twee kalenderjaren voorafgaand aan de aanvraag kan bewijzen dat 25 % of meer van het totaalaantal overnachtingen kinderovernachtingen zijn. § 2. Binnen de perken van de begrotingskredieten ontvangen de opvangtehuizen met een collectief begeleidingsproject waarvan de uitvoering teleonthaal vereist alsook de mogelijkheid van 24 uur/24 onderkomen voor de slachtoffers van geweld subsidies ter dekking van de personeelskosten voor een maatschappelijk assistent of licentiaat in de menswetenschappen (voltijds). § 3. Binnen de perken van de begrotingskredieten ontvangen de opvangtehuizen met een erkende capaciteit van minstens 50 plaatsen en een collectief begeleidingsproject waarvan de uitvoering een noodopvangst van in sociale moeilijkheden verkerende personen vereist, subsidies ter dekking van de personeelskosten van een opvoeder klasse 2A (voltijds).

De subsidies worden toegekend als het opvangtehuis gelegen is in een bestuursarrondissement dat minstens één stad of gemeente van meer dan 30 000 inwoners telt.

Per bestuursarrondissement kan slechts één opvangtehuis de subsidie genieten. Voorrang wordt gegeven aan het opvangtehuis met de hoogste erkende huisvestingscapaciteit.

Art. 35.Binnen de perken van de begrotingskredieten ontvangen de opvangtehuizen met een overeenkomstig artikel 31 gesubsidieerde capaciteit een forfaitaire subsidie van 20.000 EUR per jaar ter dekking van de personeelskosten van een opvoeder 2A (voltijds) belast met de opvolging na het onderbrengen en/of van de werkingskosten voor het vervullen van zijn opdracht.

De subsidies worden toegekend voor zover de volgende voorwaarden vervuld zijn : 1° de opvolging na de opvang is bestemd voor elke persoon die in een opvangtehuis ondergebracht werd;2° het opvangtehuis begeleidt minstens 20 gezinnen tegelijkertijd;3° het opvangtehuis maakt deel uit van een sociaal contactpunt zoals bedoeld in het decreet van 17 juli 2003 betreffende de sociale insluiting of, bij gebreke daarvan, van een sociale noodvoorziening, een sociale coördinatie of een plan voor buurtpreventie zoals bedoeld in het decreet van 15 mei 2003 betreffende de buurtpreventie in de Waalse steden en gemeenten;4° het opvangtehuis toont aan dat de bestaande opvangtehuizen in bedoeld arrondissement op de hoogte gebracht zijn van zijn aanvraag. Per bestuursarrondissement kan slechts één opvangtehuis gesubsidieerd worden voor de naopvang.

Als het arrondissement een stad van meer dan 30 000 inwoners telt, moet het gesubsidieerde opvangtehuis in deze stad gevestigd zijn.

In elk geval wordt voorrang gegeven aan het opvangtehuis met de hoogste erkende huisvestingscapaciteit.

Niettegenstaande het vijfde lid, wordt de subsidie prioritair toegekend aan de opvangtehuizen die op de dag van de aanvraag door het Waalse Gewest gesubsidieerd worden voor de naopvang.

Onderafdeling 3. - Gemeenschappelijke bepalingen voor de personeelsuitgaven

Art. 36.§ 1. Behalve de subsidies bedoeld in artikel 35 dekken de subsidies voor personeelsuitgaven voor 100 % : 1° de brutowedde van het personeel; 2° de werkgeversbijdragen, de bijdragen betreffende het vakantiegeld, de eindejaarspremie, de andere diverse kosten in verband met de verplichtingen betreffende collectieve arbeidsovereenkomsten ondertekend in het kader van de paritaire commissie 319.12 en andere wettelijke verplichtingen betreffende het personeel, beperkt tot 50 % van de uitgaven bedoeld in 1°. § 2. In geval van toepassing van de bepalingen bedoeld in punt 2.3. van de raamovereenkomst voor de non-profit sector gesloten op 16 mei 2000 dient de personeelsformatie bedoeld in de artikelen 31 tot 34 van het decreet bestendig ingevuld te zijn voor elk van de voorziene functies.

Het deel van de subsidies ter dekking van de halftijdse prestatie die niet meer wordt verricht door begunstigde van de maatregel wordt beperkt als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Deze bedragen dienen gerechtvaardigd te worden door de stortingen op het fonds voor bestaanszekerheid, door de brutowedde van de werknemer die de halftijdse vervangingsprestatie in de functie verricht en door de bijhorende lasten tot maximum 50 % van de brutowedde.

Art. 37.De brutowedde en de anciënniteit van het personeel bedoeld in artikel 36 worden slechts in aanmerking binnen de perken voorzien in de weddeschalen die vastgelegd werden bij de collectieve arbeidsovereenkomst van 10 mei 2001 van de paritaire commissie 319.02.

De weddeschalen zijn gekoppeld aan de schommelingen van de prijzenindex overeenkomstig de regels voorgeschreven bij de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld.

Ze worden gekoppeld aan het indexcijfer 138.01 van 1 januari 1990.

Art. 38.§ 1. Tussentijdse verhogingen worden toegekend voor effectieve diensten die beschouwd kunnen worden als nuttige ervaring en die het personeel eerder gepresteerd heeft bij instellingen erkend of gesubsidieerd door een overheid onder Belgisch, buitenlands of internationaal recht.

De Minister beoordeelt of de diensten bedoeld in het eerste lid uit hoofde van betrokkene als nuttige ervaring beschouwd kunnen worden. § 2. Het deeltijds geworven personeelslid krijgt de tussentijdse verhogingen op dezelfde manier als een voltijds geworven personeelslid. § 3. De in aanmerking komende diensten die volle maanden dekken worden rechtstreeks gevaloriseerd in de geldelijke anciënniteit.

De in aanmerking komende diensten die fracties van maanden dekken, komen in aanmerking vanaf de 15e werkdag. De maand waarop die prestaties betrekking hebben wordt volledig ingecalculeerd. § 4. De anciënniteiten worden in aanmerking genomen in de maand van de overlegging van voor echt verklaarde documenten waarin melding wordt gemaakt van o.a. de naam en de geboortedatum van het personeelslid, de naam van de werkgevers, het doel van de dienst en de aard van de betrekking, het statuut, het aantal gepresteerde uren, alsook het bewijs dat deze diensten erkend of gesubsidieerd waren door de overheden of instellingen bedoeld in § 1. § 5. Op grond van een behoorlijk gemotiveerde aanvraag kan de Minister een nuttige ervaring erkennen in de diensten die niet erkend of gesubsidieerd worden door de overheden of instellingen bedoeld in § 1.

Art. 39.Om te voldoen aan de verplichtingen inzake de aan de werknemers te verlenen vakbondspremie en overeenkomstig de sectorale bepalingen wordt een subsidie toegekend aan de opvangtehuizen, de gemeenschapshuizen of aan het daartoe voorziene fonds voor bestaanszekerheid.

Art. 40.Elke personeelswijziging wordt uiterlijk 15 dagen na de wijziging door de opvangtehuizen en de gemeenschapshuizen aan de administratie meegedeeld.

Art. 41.De kwalificaties van de voor de subsidies in aanmerking komende personeelsleden liggen vast in bijlage 8 bij dit besluit.

Onderafdeling 4. - Subsidies voor werkingskosten

Art. 42.§ 1. Binnen de perken van de begrotingskredieten ontvangen de opvangtehuizen die overeenkomstig artikel 31 gesubsidieerd worden een jaarlijkse subsidie van : 1° 400 EUR per gesubsidieerde plaats voor opvangtehuizen die mannen of vrouwen onderbrengen die niet vergezeld zijn van kinderen;2° 600 EUR per gesubsidieerde plaats voor opvangtehuizen die mannen of vrouwen onderbrengen die vergezeld zijn van kinderen. Er wordt van uitgegaan dat een opvangtehuis van kinderen vergezelde mannen of vrouwen onderbrengt als 25 % of meer van het totaalaantal overnachtingen kinderovernachtingen zijn. § 2. Binnen de perken van de begrotingskredieten ontvangen de gemeenschapshuizen een jaarlijkse subsidie van : 1° 2.500 EUR voor 10 tot 30 plaatsen; 2° 6.250 EUR voor 31 tot 60 plaatsen; 3° 8.750 EUR voor meer dan 60 plaatsen.

Art. 43.De opleidingskosten voor het personeel en het administratief personeel kunnen in de werkingskosten ingecalculeerd worden.

Art. 44.De subsidies ter dekking van de werkings- en/of personeelskosten bedoeld in artikel 35 en de werkingskosten vallen onder de toepassing van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.

De subsidies worden gekoppeld aan het indexcijfer 111,64 van de consumptieprijzen van toepassing op 1 juni 2004 (basis 1996 = 100).

Onderafdeling 5. - Aanvraag en berekening van de subsidies, modaliteiten voor de toekenning ervan

Art. 45.Voor de toepassing van de artikelen 33, 34 en 42 wordt het bedrag van de subsidies onder voorbehoud van afdeling 3 vastgelegd op grond van het aantal plaatsen dat in overweging genomen wordt in het kader van de artikelen 31 en 32.

Art. 46.§ 1. Onder voorbehoud van het tweede lid wordt de aanvraag om subsidiëring bedoeld in de artikelen 31, 32 en 42 samen met de aanvraag om erkenning ingediend. Zij bevat : 1° het aantal aangevraagde plaatsen voor : a) mannen of vrouwen die niet vergezeld zijn van kinderen;b) mannen of vrouwen die vergezeld zijn van kinderen;2° de vermelding van de andere eventuele subsidiëringsbronnen van het opvangtehuis of gemeenschapshuis door de overheid, ongeacht het niveau ervan. In geval van eerste erkenning wordt de aanvraag om subsidiëring ingediend in de loop van het eerste kwartaal na het tweede erkenningsjaar. § 2. De aanvraag om subsidiëring bedoeld in de artikelen 33, 34 en 35 wordt ingediend, hetzij samen met de aanvraag om erkenning, hetzij tijdens de erkenningsperiode.

Art. 47.De toekenning van de subsidies maakt het voorwerp uit van vier driemaandelijkse voorschotten die gelijk zijn aan 22,5 % van de subsidie berekend overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk.

De driemaandelijkse voorschotten worden betaald uiterlijk 15 februari voor het eerste kwartaal, 15 mei voor het tweede kwartaal, 15 augustus voor het derde kwartaal en 15 november voor het vierde kwartaal.

Het saldo van het afgelopen jaar wordt uitbetaald na onderzoek van de bewijsstukken, die uiterlijk 30 april aan de administratie overgemaakt worden. Afdeling 3. - Vermindering en afschaffing van de subsidies

Art. 48.De bezettingsgraad van een opvangtehuis of een gemeenschapshuis wordt berekend op grond van het aantal plaatsen die dienen voor de bepaling van de begeleiding bedoeld in de artikelen 31 of 32.

Art. 49.De subsidies bedoeld in artikel 15, § 1 en § 2, eerste lid, van het decreet kunnen om de twee jaar verminderd worden.

Om het bedrag van de subsidies te behouden die hem toegekend worden overeenkomstig artikel 15, § 1 en § 2, eerste lid, van het decreet, levert het opvangtehuis over een periode van twee jaar het bewijs van : 1° een bezettingsgraad van minstens 80 % van de gesubsidieerde huisvestingscapaciteit als ze bestemd is voor mannen en/of vrouwen die niet vergezeld zijn van kinderen;2° een bezettingsgraad van minstens 70 % van de gesubsidieerde huisvestingscapaciteit als ze bestemd is voor mannen en/of vrouwen die vergezeld zijn van kinderen. Om het bedrag van de subsidies te behouden die bedoeld worden in artikel 15, § 1 en § 2, eerste lid, van het decreet, levert het gemeenschapstehuis over een periode van twee jaar het bewijs van : 1° een bezettingsgraad van minstens 70 % van de gesubsidieerde huisvestingscapaciteit als ze bestemd is voor mannen en/of vrouwen die niet vergezeld zijn van kinderen;2° een bezettingsgraad van minstens 60 % van de gesubsidieerde huisvestingscapaciteit als ze bestemd is voor mannen en/of vrouwen die vergezeld zijn van kinderen. Er wordt van uitgegaan dat een opvangtehuis of een gemeenschapshuis van kinderen vergezelde mannen of vrouwen onderbrengt als 25 % van het totaalaantal overnachtingen of meer kinderovernachtingen zijn.

De documenten ter rechtvaardiging van de bezettingsgraden bedoeld in het tweede en het derde lid worden uiterlijk 31 januari van het derde erkenningsjaar aan de administratie overgemaakt.

Als de bezettingsgraad van een opvangtehuis of een gemeenschapshuis lager is dan de bezettingsgraden bedoeld in het tweede en het derde lid stemt het aantal plaatsen dat in overweging genomen worden voor de bepaling van de subsidies bedoeld in de artikelen 31 en 32 overeen met het effectief aantal bezette plaatsen tijdens de berekeningperiode.

Art. 50.Elke schending van de werkingsvoorwaarden bedoeld in de artikelen 20, 21, 22, 26 en 29 van het decreet heeft als gevolg dat de overtreder niet meer in aanmerking genomen wordt bij de berekening van de bezettingsgraad.

Art. 51.Elke schending van de voorwaarden bedoeld in de artikelen 25, 27 en 30 van het decreet houdt in dat de subsidies ter dekking van de werkingskosten met 25 % verminderd worden.

Art. 52.Elke schending van de voorwaarden bedoeld in artikel 28 van het decreet heeft als gevolg dat de subsidies bedoeld in artikel 15, § 1, en § 2, eerste lid, met 25 % verminderd worden.

Art. 53.Het verlies van de erkenning heeft als gevolg het verlies van de subsidies bedoeld in artikel 15, § 1, en § 2 van het decreet.

Art. 54.De vermindering of de afschaffing van de subsidies treedt pas in werking vanaf het jaar na de beslissing tot vermindering of afschaffing.

Art. 55.De voorstellen tot vermindering of intrekking van de subsidies bedoeld in artikel 15, § 1 en § 2, eerste lid, van het decreet worden onderzocht volgens de procedure bedoeld in afdeling 3 van hoofdstuk II. Onder voorbehoud van het derde lid is elke beslissing tot vermindering of intrekking van de subsidies van toepassing vanaf 1 januari van het jaar na de beslissing.

In geval van intrekking van de erkenning heeft de beslissing tot intrekking van de subsidies onmiddellijk gevolg.

Art. 56.Artikel 14 is toepasselijk op het beroep tegen een beslissing tot vermindering of intrekking van de subsidies. Afdeling 4. - Aanvragen tot afwijking

Art. 57.Op straffe van niet-ontvankelijkheid worden de aanvragen tot afwijking bedoeld in artikel 18, § 2, van het decreet ingediend d.m.v. het formulier opgenomen in bijlage 9. HOOFDSTUK X. - Sluiting

Art. 58.§ 1. Als de administratie voor de gevallen bedoeld in artikel 38, § 1, van het decreet een voorstel tot sluiting van een inrichting aan de Minister richt, stuurt ze hem een verslag ter rechtvaardiging van de dringende sluiting, een recent inspectieverslag alsmede, in voorkomend geval, elk nuttig gegeven.

De Minister geeft de beheerder en de burgemeester onmiddellijk kennis van de beslissing tot sluiting. § 2. Als de administratie voor de gevallen bedoeld in artikel 38, § 2, van het decreet een voorstel tot sluiting van een inrichting aan de Minister richt, geeft ze de beheerder kennis van dat voorstel.

Ze informeert hem ook over het feit dat hij over een termijn van 15 dagen beschikt om zijn geschreven opmerkingen aan de administratie te richten.

Het dossier wordt door de afgevaardigde-ambtenaar aangevuld met de geschreven opmerkingen van de beheerder.

Hij roept vervolgens de beheerder op bij ter post aangetekend schrijven of per brief afgegeven tegen ontvangbewijs en vermeldt de plaats, de dag en het uur van de hoorzitting.

De oproeping vermeldt de mogelijkheid om zich door een raadsman te laten bijstaan.

De weigering te verschijnen of zijn verweermiddelen aan te voeren wordt in het proces-verbaal van verhoor geacteerd.

Het dossier wordt naar de beheerder gestuurd, eventueel aangevuld met elk bijkomend nuttig gegeven en stuk en vergezeld van het proces-verbaal van verhoor.

De beheerder beschikt over een termijn van vijftien dagen om zijn geschreven opmerkingen te doen gelden vooraleer het dossier aan de beslissing van de Minister onderworpen wordt.

Art. 59.Het beroep tegen een beslissing tot dringende sluiting wordt binnen dertig dagen na kennisgeving van de betwiste beslissing bij aangetekend schrijven aan de Minister gericht.

Het beroep vermeldt : 1° de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel van de eisende partij;2° het voorwerp van het beroep en een uiteenzetting van de feiten en middelen. De Regering beslist binnen een termijn van twee maanden na de datum van ontvangst van het beroep.

De Minister roept de beheerder bij ter post aangetekend schrijven op en vermeldt de plaats, de dag en het uur van het verhoor door de afgevaardigde-ambtenaar.

De oproeping vermeldt de mogelijkheid om zich door een raadsman te laten bijstaan.

De weigering te verschijnen of zijn verweermiddel aan te voeren wordt in het proces-verbaal van verhoor geacteerd.

Art. 60.Als de beheerder van een inrichting van plan is de inrichting vrijwillig te sluiten, verwittigt hij de Minister uiterlijk drie maanden vóór de sluiting. HOOFDSTUK XI. - Commissie

Art. 61.Deelname aan de zittingen van de Commissie of van het bureau geeft recht op presentiegeld, waarvan het bedrag bepaald wordt als volgt : 1° de voorzitter : 50 EUR;2° de ondervoorzitters : 30 EUR;3° de overige leden, behalve de vertegenwoordigers van de Regering en de administratie : 25 EUR.

Art. 62.De commissieleden krijgen hun reiskosten terugbetaald onder de volgende voorwaarden : 1° het gebruik van het openbaar vervoer geeft recht op terugbetaling op grond van de officiële tarieven;2° het gebruik van een eigen voertuig of fiets geeft recht op een kilometervergoeding die berekend wordt overeenkomstig de tarieven vastgelegd bij de regelgeving die op de ambtenaren van het Waalse Gewest toepasselijk is. Het Waalse Gewest komt niet op voor de dekking van de risico's i.v.m. het gebruik van een eigen voertuig.

Art. 63.§ 1. Binnen de Commissie wordt een bureau opgericht dat zal instaan voor de organisatie van de vergaderingen, de voorbereiding van de agenda ervan en de coördinatie van de werkzaamheden. § 2. Het bureau bestaat uit de voorzitter, de ondervoorzitter, de secretaris en twee leden van de Commissie die door haar gekozen worden.

Art. 64.De deskundigen die de zittingen van de Commissie bijwonen en die er geen lid van zijn, worden gelijkgesteld met de Commissieleden voor de toekenning van presentiegeld en de terugbetaling van reiskosten. HOOFDSTUK XII. - Overgangs- en slotbepalingen

Art. 65.§ 1. Binnen dertig dagen na de inwerkingtreding van dit besluit geven de instellingen die beschikken over een erkenning verleend krachtens hoofdstuk I van Titel I van het programmadecreet van 17 december 1997 houdende verschillende maatregelen inzake sociale actie en sportinfrastructuren of die op 30 september 2000 beschikken over een erkenning als moederhuis verleend door het "Office de la Naissance et de l'Enfance" de administratie kennis van het aantal erkende plaatsen die ze respectievelijk besteden aan de verschillende opdrachten bedoeld in de artikelen 4 tot 7 van het decreet. § 2. Binnen dertig dagen na de inwerkingtreding van dit besluit geven de instellingen die gesubsidieerd worden krachtens hoofdstuk I van Titel I van het programmadecreet van 17 december 1997 houdende verschillende maatregelen inzake sociale actie en sportinfrastructuren of die op 30 september 2000 als moederhuis gesubsidieerd worden door het "Office de la Naissance et de l'Enfance" de administratie kennis van het aantal plaatsen dat ze wensen in aanmerking genomen te zien voor de bepaling van de krachtens artikel 31 of 32 gesubsidieerde huisvestingscapaciteit.

Bij gebrek aan kennisgeving : 1° wordt het bedrag van de subsidies van de opvangtehuizen of gemeenschapshuizen die erkend zijn krachtens hoofdstuk I van Titel I van het programmadecreet van 17 december 1997 houdende verschillende maatregelen inzake sociale actie en sportinfrastructuren berekend op grond van het aantal bedden tot bepaling van de categorie waarin ze eerder gesubsidieerd werden;2° wordt het bedrag van de subsidies van de opvangtehuizen of gemeenschapshuizen die op 30 september 2000 als moederhuis erkend waren door het "Office de la Naissance et de l'Enfance" op de dag van de inwerkingtreding van dit besluit berekend op grond van het aantal plaatsen voor moeders en kinderen zoals in aanmerking genomen in bedoelde erkenning.

Art. 66.In afwijking van de artikelen 26 tot 28, 31 en 32 kan het personeel tewerkgesteld in een opvangtehuis of gemeenschapshuis dat niet over de vereiste titels beschikt, zijn activiteiten voortzetten na beslissing van de Minister. Als een subsidie wordt toegekend krachtens de artikelen 31 en 32, wordt de subsidie die overeenkomt met de titel van de werknemer gehandhaafd tot het einde van zijn contract.

De aanvragen om afwijking worden ingediend binnen zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dit besluit.

Art. 67.Als in een huisvestingsstructuur die vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit een moederhuis was een betrekking van niveau A1 bij dit besluit in een betrekking A2 omgezet wordt, blijft het opvangtehuis of het gemeenschapshuis de subsidie die met de titel van de werknemer overeenkomt genieten tot het einde van diens contract.

Art. 68.Niettegenstaande het programma bedoeld in artikel 30 blijft het aantal gesubsidieerde bedden gehandhaafd : 1° voor de opvangtehuizen en gemeenschapshuizen die erkend zijn krachtens hoofdstuk I van Titel I van het programmadecreet van 17 december 1997 houdende verschillende maatregelen inzake sociale actie en sportinfrastructuren;2° voor de opvangtehuizen en gemeenschapshuizen die op 30 september 2000 als moederhuis erkend zijn door de "Office de la Naissance et de l'Enfance".

Art. 69.Overgangsmaatregel : zolang de begrotingskredieten de subsidiëring van de opvangtehuizen en gemeenschapshuizen niet toelaten overeenkomstig de bepalingen bedoeld in hoofdstuk IX : 1° worden de subsidies bedoeld in de artikelen 31 en 32 toegekend aan de opvangtehuizen en gemeenschapshuizen die op de dag van inwerkingtreding van dit besluit erkend zijn krachtens hoofdstuk I van Titel I van het programmadecreet van 17 december 1997 houdende verschillende maatregelen inzake sociale actie en sportinfrastructuren of die op 30 september 2000 als moederhuis erkend zijn door de "Office de la Naissance et de l'Enfance";2° krijgen de opvangtehuizen die op 30 september 2000 als moederhuis erkend zijn door de "Office de la Naissance et de l'Enfance" bovendien een bijkomende subsidie die zo berekend wordt dat ze in aanmerking kunnen komen voor hetzelfde subsidiebedrag kunnen krijgen als het bedrag voorzien voor het jaar 2004.Dit bedrag wordt aan de index gekoppeld. Het bijkomende bedrag wordt prioritair toegekend krachtens artikel 33, vervolgens artikel 34, § 1, en tenslotte artikel 42. Het eventuele overschot wordt toegekend hetzij krachtens de artikelen 31, § 2 en § 3, of 35, hetzij voor de werkingskosten; 3° het saldo verkregen na aftrek van de bedragen bedoeld in 1° en 2° wordt verdeeld onder de opvangtehuizen die op de dag van inwerkingtreding van dit besluit erkend zij krachtens hoofdstuk I van Titel I van het programmadecreet van 17 december 1997 houdende verschillende maatregelen inzake sociale actie en sportinfrastructuren of die op 30 september 2000 als moederhuis erkend zijn door de "Office de la Naissance et de l'Enfance" zodat ze in aanmerking kunnen komen voor de subsidie bedoeld in artikel 33 en 34, § 1;4° het saldo verkregen na aftrek van de bedragen bedoeld in 1°, 2° en 3° wordt verdeeld onder de opvangtehuizen en gemeenschapshuizen naar rato van wat ze zouden mogen opeisen overeenkomstig hoofdstuk IX.Dit bedrag wordt prioritair toegekend krachtens artikel 42, vervolgens artikel 34, § 2 en § 3, en tenslotte artikel 35.

Art. 70.Dit decreet en dit besluit treden in werking : 1° op 1 oktober 2004 voor de opvangtehuizen, de gemeenschapshuizen en de opvangtehuizen van het gezinstype;2° op 1 januari 2005 voor de nachtasielen, behalve hoofdstuk IX van het decreet en hoofdstuk XI van dit besluit, die in werking treden op 1 oktober 2004.

Art. 71.De Minister van Sociale Aangelegenheden is belast met de uitvoering van dit besluit.

Namen, 3 juni 2004.

De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Sociale Aangelegenheden en Gezondheid, Th. DETIENNE

Bijlage 1 Normen van toepassing op de lokalen, de collectieve uitrustingen en de hygiëne Afdeling 1 : Gemeenschappelijke bepalingen

Artikel 1 : De huisvestingsstructuur voldoet aan de hygiënenormen.

Artikel 2 : Als eenzelfde gebouw bestemd is voor een opvangtehuis, een gemeenschapshuis, een nachtasiel en/of een opvangtehuis van het gezinstype, vormt elk van deze structuren een apart geheel.

Artikel 3 : De lokalen worden regelmatig onderhouden en beschermd tegen vocht en insijpelingen.

Het verwarmingssysteem waarborgt onder alle weersomstandigheden minimum 18 °C in elke verblijfsruimte.

Het mag vlammen, gas noch stof veroorzaken.

Artikel 4 : De lokalen worden verlucht en verlicht.

Alle lokalen die voor de ondergebrachte personen toegankelijk zijn, zijn voldoende elektrisch verlicht.

Artikel 5 : De lokalen waar de activiteit geuren, damp, stoffen en lawaai veroorzaakt worden zo gebouwd en ingericht dat zoveel mogelijk hinder voorkomen wordt.

Artikel 6 : Drinkwater is naar believen beschikbaar in de huisvestingsstructuur.

Artikel 7 : De lokalen waar kinderen verblijven zijn niet-rokers-lokalen.

Artikel 8 : Er wordt voorzien in één of meer slaapkamers.

Artikel 9 : Het beddengoed is altijd proper en wordt hoe dan ook om de vijftien dagen veranderd en telkens als het noodzakelijk is.

Het vuile linnengoed wordt afgevoerd de dag waarop het vervangen wordt.

Artikel 10 : Er wordt voorzien in een verbanddoos.

Artikel 11 : De inrichtende macht en/of de beheerder van een huisvestingsstructuur kan de lokalen sluiten wanneer een deel of het geheel ervan : - gerenoveerd moet worden na brand, waterinsijpelingen, natuurlijke slijtage of schade te wijten aan o.a. een ramp; - een tussenkomst van een gespecialiseerde instelling vereist om redenen van volksgezondheid.

Artikel 12 : Als een beslissing tot tijdelijke sluiting door de inrichtende macht of de beheerder wordt genomen, wordt de administratie zo spoedig mogelijk in kennis gesteld : - van de oorzaken, de sluitingsperiode (begin- en einddatum) en het soort lokaal; - van de maatregelen genomen opdat de bijgebouwen en de huisvestingsplaats zouden of weer zouden voldoen aan de vereiste hygiëne- en kwaliteitsnormen; - van de maatregelen genomen om de huisvesting van de in sociale moeilijkheden verkerende personen voort te zetten; - het adres waar de huisvesting zich eventueel voortzet.

Artikel 13 : De inrichtende macht en/of de beheerder stelt alles in het werk om de in sociale moeilijkheden verkerende personen via de volgens hen meest gepaste kanalen kennis te geven van de sluitingsperiodes en verstrekken personalia en verdere gegevens betreffende de verenigingen of administraties die opvang, huisvesting en/of sociale begeleiding bieden. Afdeling 2 : Specifieke bepalingen voor de opvangtehuizen en

gemeenschapshuizen Artikel 14 : Er wordt voorzien in voldoende sanitaire installaties.

Deze installaties worden verlucht.

Elke huisvestingsstructuur beschikt hoe dan ook over : - een wc voor tien ondergebrachte personen; - een bad of douche voor twaalf ondergebrachte personen; - een wasbak met warm en koud stromend water per schijf van vier ondergebrachte personen, toegankelijk voor iedereen.

De huisvestingsstructuur beschikt over aparte sanitaire installaties als zij niet verwante mannen en vrouwen opvangt.

De ondergebrachte personen kunnen dagelijks gebruik maken van de baden of douches.

Er worden voorzorgsmaatregelen genomen opdat de voorzieningen voor watertoevoer en -afvoer geen ongevallen zouden veroorzaken.

Het afvalwater wordt voortdurend afgevoerd overeenkomstig de hygiënenormen.

Artikel 15 : In de collectieve kamers zorgen eventuele verplaatsbare scheidingsdelen voor een minimum aan intimiteit.

Artikel 16 : Als een kamer meer bedden telt : - is er minstens 60 centimeter ruimte in de breedte tussen de bedden voor volwassenen; - is er minstens 80 centimeter ruimte in de breedte tussen de bedden voor volwassenen en de kinderbedden of tussen de kinderbedden.

De stapelbedden van maximum twee niveaus worden toegelaten, inzonderheid om de familiale herenigingen te bevorderen.

Deze bedden bieden voldoende veiligheidsgaranties.

Ze zijn niet bestemd voor kinderen onder 7 jaar op het bovenste niveau.

Er wordt voorzien in een ruimte van minstens 1,2 m tussen twee bedden.

De kamers hebben een grondoppervlakte van minsten 4 m2 per persoon.

Deze oppervlakte wordt teruggebracht tot 3 m2 per persoon voor kamers met stapelbedden.

De bedden voor kinderen onder drie jaar (kinderbedden of wiegen) hebben ook een oppervlakte van minstens 2 m2 per bed.

Artikel 17 : Elke kamer beschikt over minstens één bed per persoon en over ruimte voor een kleerkast per niet-verwante persoon.

Artikel 18 : Van de erkende huisvestingsplaatsen die een behandeling of renovatie nodig hebben binnen een termijn van minder dan 30 opeenvolgende dagen wordt beschouwd dat ze door een begunstigde bezet zijn. Ze worden dan opgenomen in de berekening van de bezettingsgraad.

Deze beschikking wordt beperkt tot 30 dagen per kalenderjaar en onderworpen aan het voorafgaandelijk akkoord van de Minister.

Artikel 19 : De dieren waarvan de aanwezigheid uitdrukkelijk wordt toegelaten in het huishoudelijk reglement hebben geen toegang tot de keukens, de lokalen waar de voeding wordt bewaard, de eetkamer en eventuele verzorgingslokalen.

Artikel 20 : Als er kinderopvang is, omvat de installatie van de bijgebouwen een ruimte die speciaal aan hun behoeften aangepast is.

Als het opvangtehuis of het gemeenschapshuis ouders huisvest die vergezeld zijn van kinderen onder drie jaar, dient het een lokaal in te richten dat speciaal uitgerust is voor de kinderen.

Vanaf 10 aanwezige kinderen wordt een lokaal bestemd voor ludieke en educatieve activiteiten. Dit lokaal kan zich in een gebouw apart van de huisvestingsplaats bevinden.

De lokalen bedoeld in de vorige leden komen onder de verantwoordelijkheid van één of meer personeelsleden te staan.

Artikel 21 : De woonkamer is gescheiden van de andere lokalen.

Artikel 22 : Er wordt voorzien in voldoende huishoudapparatuur.

De kookplaats(en) wordt (worden) ingericht om de ondergebrachte personen niet met geuren te hinderen.

De huishoudafval mag niet in contact komen met de grondstof die gebruikt wordt om de gerechten klaar te maken, noch opgeslagen worden in de lokalen waar de grondstof zich bevindt. Afdeling 3 : Specifieke bepalingen voor de opvangtehuizen van het

gezinstype : Artikel 23 : De in sociale moeilijkheden verkerende personen hebben toegang tot een woonlokaal of een lokaal bestemd voor het koken.

Artikel 24 : Dieren hebben geen toegang tot de kamers waar maaltijden worden klaargemaakt, noch tot de lokalen waar voedsel wordt bewaard en maaltijden gebruikt. Afdeling 4 : Specifieke bepalingen voor de nachtasielen :

Artikel 25 : Elk nachtasiel beschikt over minstens één wc voor 10 ondergebrachte personen.

Artikel 26 : Als het gebouw dat voor het nachtasiel bestemd is overdag gebruikt wordt om een ander behoeftig publiek te helpen dan datgene dat in het nachtasiel ondergebracht wordt, zijn de huisvestingsplaatsen niet toegankelijk voor het publiek dat het gebouw bezoekt.

Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 3 juni 2004 tot uitvoering van het decreet van 12 februari 2004 betreffende de opvang van, het verschaffen van een onderkomen aan en de begeleiding van in sociale moeilijkheden verkerende personen.

Namen, 3 juni 2004.

De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Sociale Aangelegenheden en Gezondheid, Th. DETIENNE

Bijlage 2A Het collectieve begeleidingsproject Algemene voorstelling : 1. Het huis : - Context van de oprichting ervan, ter informatie : • historiek, filosofische opties, theoretische verwijzingen, varia, - Geografische ligging, ter informatie : • lokalisering in de sociaal-economische omgeving, - Enkele gegevens over de vestigingsgemeente(n), ter informatie : • bevolking, aantal werkzoekenden met uitkering, aantal leefloongerechtigden, anderen. 2. Kenmerken van het project : - Doelpubliek : - Intern of in partnerschap gevoerde specifieke activiteiten in het kader van : • de begeleiding van kinderen, • de noodopvang of 24 u./24 u., • de ontwikkeling van een na-opvang dienst. 3. Gebruik van de hulpbronnen om het project beter te beheren : - Infrastructuur : - Effectieve en potentiële externe hulpbronnen : • lijst van de sociale partners; • inschrijving in een federatie of een netwerk van sociale actoren. - Menselijke hulpbronnen : • A. het personeel : Functioneel en hiërarchisch organogram van de al dan niet gesubsidieerde personeelsleden, mandaat toevertrouwd aan de Directeur door de inrichtende macht. Management en uurroosters; • B. de vrijwilligers a) lijst van vrijwilligers;b) maatregelen genomen in het kader van de samenwerking, het overleg en de coördinatie van de vrijwilligers;c) allerlei.4. De opvang : - Organisatie van de opvang van de persoon (personen) die om huisvesting vragen en meer bepaald van de kinderen.5. De opname : - Opname, niet-opname en oriëntatie, - Samenwerkingen, coördinaties en overleg in verband met de sociale, administratieve, pedagogische en financiële opname van de persoon of de familie, ter informatie : • tussen de werknemers van het huis; • tussen de werknemers en de vrijwilligers; • tussen de werknemers van het huis en de externe maatschappelijke interveniënten, frequentie van de vergaderingen en verdeling van de taken. - Betrokkenheid van de persoon of het gezin tijdens het verblijf. - Manier om sociale autonomie te verwerven, ter informatie : • beheer van de gezinsdynamiek; • beheer van het beeld; • beheer van de communicatie; • beheer van de omgeving; • coördinatie van de opname van de ondergebrachte personen. 6. Verblijfsvoorwaarden van de ondergebrachte personen : - huisvesting, soort kamer : • voorbehouden aan de individuele of collectieve noodopvang; - maaltijden : • collectief of individueel klaargemaakt; • naleving van de diëten en religieuze of ideologische overtuigingen; • pedagogie ontwikkeld rond de notie "evenwichtige maaltijd" voor volwassenen en kinderen; • beheer van het voedingsbudget door de ondergebrachte personen tijdens hun verblijf, leertype voor na het verblijf; - lichaamshygiëne : • douches, wc en individuele of collectieve wasbakken; • pedagogie ontwikkeld rond de notie "lichaamshygiëne" voor volwassenen en kinderen, apparaten ter beschikking gesteld door het huis; - onderhoud van bijgebouwen en kamers : • pedagogie ontwikkeld rond de notie "onderhoud van woonmilieu"; - activiteiten binnen of buiten het huis, ter informatie : • opvoedkundige-, culturele- en of sportieve activiteiten. 7. De raad van de ondergebrachte personen : - animatieverantwoordelijke; - lokaal, frequentie van de vergaderingen, secretariaat; - besproken thema's; - voorstellen van de ondergebrachte personen. 8. Het vertrek : - voorbereiding en regeling tijdens het verblijf; - stappen ondernomen met de mensen waarvoor het einde van het verblijf door het huis wordt betekend. 9. Evaluatiemodaliteiten van het project van collectieve begeleiding : - Wie en met welk mandaat ? - Hoe wordt dit geformaliseerd ? Opkomst van nieuwe problematieken 1.Identificatie van de problematieken : - welke ontwikkelingen inzake sociale moeilijkheden hebben jullie vastgesteld wat jullie doelpubliek betreft ? - blijven bepaalde huisvestingsaanvragen onbeantwoord ? Hoe zouden jullie het publiek kenmerken dat geen toegang krijgt tot jullie huis ? - ervaren jullie belangrijke hindernissen op pedagogisch en sociaal vlak wat jullie samenwerking met de lokale actoren betreft ? Zijn deze hindernissen het gevolg van een gebrek aan zichtbaarheid of van tegengestelde werkwijzen ? 2. Bemerkingen over het uitgevoerde werk : - kan jullie collectieve begeleidingsproject niet aangepast worden om in te spelen op de huisvestingsaanvragen die onbeantwoord blijven ? - zijn de gebruikte sociale werkmethodes afgestemd op de moeilijkheden die de ondergebrachte personen ondervinden ? - hoe denken jullie erover om jullie imago bij het publiek en jullie partners te verbeteren ? 3.Opstellen van het project : - rekening houdende met de snelle evolutie van de sociale en economische omgeving, op welke interne hefboom denken jullie te moeten werken om deze evolutie tegemoet te komen ? - welk project wensen jullie voort te zetten of te ontwikkelen rekening houdende met de moeilijkheden waarmee jullie te kampen hebben inzake beheer van huisvestingsaanvragen of huisvestingen ? Advies van het personeel Advies van de vrijwilligers Advies van de Raad van gehuisveste personen over elk punt, behalve de punten 1, 2 en 3 van de algemene voorstelling

Bijlage 2B Het collectieve huisvestingsproject A. Algemene voorstelling 1. Het nachtasiel : a) Historiek en voorstelling.b) Inschrijving in een netwerk van actoren die de sociale nood beheren.Opsomming van de partners en overeenkomsten. 2. Kenmerken van het project : a) ondergebracht publiek;b) antwoorden op de huisvestingsaanvragen : • wat de structuur betreft; • wat de contactpunten betreft. 3. Hulpbronnen : a) Menselijke hulpkrachten : • Het personeel : a) functioneel en hiërarchisch organogram;b) rol en functies van de maatschappelijke interveniënten;c) maatregelen genomen in het kader van de samenwerking, het overleg en de coördinatie van het personeel. • De vrijwilligers : a) lijst van de vrijwilligers;b) maatregelen genomen in het kader van de samenwerking, het overleg en de coördinatie van de vrijwilligers.4. Huisvestingsvoorwaarden : a) Huisvesting : i) soort kamer ii) allerlei.b) Maaltijd (indien aangeboden) : i) soort maaltijd ii) allerlei.c) sanitaire installaties.5. Modaliteiten voor de evaluatie van het collectieve huisvestingsproject : a) Wie en met welk mandaat ? b) Hoe wordt dit geformaliseerd ? B.Nieuwe problematieken 1. Identificatie van de problematieken : - welke ontwikkelingen inzake sociale moeilijkheden hebben jullie vastgesteld wat jullie doelpubliek betreft? - blijven bepaalde huisvestingsaanvragen onbeantwoord ? Hoe zouden jullie het publiek kenmerken dat geen toegang krijgt tot jullie nachtasiel ? 2.Bemerkingen over het uitgevoerde werk : - kan jullie collectieve begeleidingsproject niet aangepast worden om in te spelen op de huisvestingsaanvragen die onbeantwoord blijven ? - zijn de gebruikte sociale werkmethodes afgestemd op de moeilijkheden die de ondergebrachte personen ondervinden ? - hoe denken jullie erover om jullie imago bij het publiek en jullie partners te verbeteren ? 3. Opstellen van het project : - rekening houdende met de snelle evolutie van de sociale en economische omgeving, op welke interne hefboom denken jullie te moeten werken om deze evolutie tegemoet te komen ? - welk project wensen jullie voort te zetten of te ontwikkelen rekening houdende met de moeilijkheden waarmee jullie te kampen hebben inzake beheer van huisvestingsaanvragen of huisvestingen ? C.Advies van de personeelsleden D. Advies van de vrijwilligers Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 3 juni 2004 tot uitvoering van het decreet van 12 februari 2004 betreffende de opvang van, het verschaffen van een onderkomen aan en de begeleiding van in sociale moeilijkheden verkerende personen.

Namen, 3 juni 2004.

De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Sociale Aangelegenheden en Gezondheid, Th. DETIENNE

Bijlage 3 Huishoudelijk reglement Het huishoudelijk reglement bepaalt : - de rechten en plichten van de ondergebrachte personen; - de rechten en plichten van de directeur en/of diens vertegenwoordiger (...); - de rechten en plichten van de inrichtende macht.

Het reglement vermeldt : A. Wat de huisvestingsstructuur betreft : - de benaming, de bedrijfszetel(s) of maatschappelijke zetel, zijn lokalisatie en zijn werkingstitel; - de naam van de directrice (directeur); - de beknopte beschrijving van de huisvestingsstructuur, haar openingsdagen en -uren; - de maatregelen genomen om de fysieke veiligheid van de personen binnen de huisvestingsstructuur te garanderen.

B. Wat de huisvesting betreft : - de na te leven regels betreffende het gemeenschapsleven; - een korte beschrijving van het dagelijks leven van een ondergebrachte persoon binnen de structuur; - het naleven van het privé-leven van de ondergebrachte personen, van hun intimiteit en wat voorzien is voor het uitoefenen van fundamentele rechten (recht van bewaring, oudersbezoek, enz.); - de modaliteiten voor het tot stand brengen en de animatie van de raad van ondergebrachte personen; - de opsomming van de verplichtingen van de verantwoordelijke van het huis in het kader van de financiële bijdrage, het inkijken van het dossier van de ondergebrachte personen, de vrijheid om aan de raad van ondergebrachte personen en aan "vormende" of "bezigheids-" werkgroepen deel te nemen; - het adres van de dienst van de gewestelijke administratie waar klachten kunnen ingediend worden; - het adres van de burgemeester die bevoegd is om klachten in ontvangst te nemen.

Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 3 juni 2004 tot uitvoering van het decreet van 12 februari 2004 betreffende de opvang van, het verschaffen van een onderkomen aan en de begeleiding van in sociale moeilijkheden verkerende personen.

Namen, 3 juni 2004.

De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Sociale Aangelegenheden en Gezondheid, Th. DETIENNE

Bijlage 4 Model van brandattest Deel 1 (Dit deel moet ingevuld worden vóór de afgifte van het attest door de burgemeester) Ondergetekende . . . . . . . . . .

Hoofd van de brandweerdienst van en in . . . . . . . . . . verklaart dat het opvangtehuis* - gemeenschapshuis* - opvangtehuis van het gezinstype* - nachtasiel* - voor in sociale moeilijkheden verkerende personen . . . . . te . . . . . straat . . . . . nr. ..................

Eerste mogelijkheid** a) de maatreglen inzake veiligheid en brandbescherming zijn voldoende voor de huisvesting van ........................ in sociale moeilijkheden verkerende personen;

Tweede mogelijkheid** b) de maatregelen inzake veiligheid en brandbescherming zijn onvoldoende voor wat betreft de punten hieronder vermeld : Om deze redenen zou het opstarten - het voortzetten van de activiteiten van de huisvestingsstructuur - niet toegelaten mogen worden.* Wat betreft de punten hieronder vermeld : Deze redenen vormen volgens mij geen beletsel voor het opstarten van de huisvestingsstructuur - voor het voortzetten van de activiteiten van de huisvestingsstructuur voor een huisvesting van maximum .................. in sociale moeilijkheden verkerende personen.

Hier zal echter aan voldoen moeten worden binnen een termijn van .......................** Hoe dan ook, als de huisvestingsstructuur aan de punten hierboven voldoet en toezicht op de uitvoering ervan wordt uitgeoefend**, zal ze aan de maatregelen inzake veiligheid en brandbescherming voldoen.

Het Hoofd van de brandweerdienst (datum en ondertekening) (*) Schrappen wat niet van toepassing is. (**) Schrappen wat niet van toepassing is en invullen.

Deel 2 (Deel voorbehouden aan de burgemeester) Gelet op het attest ingevuld door . . . . ., Hoofd van de brandweerdienst, op ............................................. betreffende het opvangtehuis* - het gemeenschapshuis* - het opvangtehuis van het gezinstype* - het nachtasiel* - naam . . . . . . . . . . en beheerd door ...................................................... . . . . .

Ondergetekende, ....................................................... Burgemeester van . . . . .

Eerste mogelijkheid* a) gaat akkoord met het verslag van de brandweerdienst in deel 1 : Tweede mogelijkheid* b) gaat niet akkoord met het verslag van de brandweerdienst in deel 1 om volgende redenen : .. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Bijgevolg, Eerste mogelijkheid** a) het opstarten - het voortzetten van de activiteiten van de bovengenoemde huisvestingsstructuur - wordt toegelaten voor de huisvesting van ........................ in sociale moeilijkheden verkerende personen voor een periode van 4 jaar ** - van ......................... (te bepalen als het gaat over een periode van minder dan 4 jaar).

Tweede mogelijkheid** b) het opstarten - het voortzetten van de activiteiten van bovengenoemde huisvestingsstructuur - wordt toegelaten voor de huisvesting van maximum ............................ in sociale moeilijkheden verkerende personen voor een periode van .............................. en tot ..........................................

Tijdens die periode moet inzake veiligheid en brandbescherming aan de volgende punten voldaan worden : Het toezicht wordt door het Hoofd van de brandweerdienst uitgeoefend.

Derde mogelijkheid* c) Het opstarten - het voortzetten van de activiteiten - wordt niet toegelaten*. De Burgemeester, (datum en ondertekening) (*) Schrappen wat niet van toepassing is. (**) Schrappen wat niet van toepassing is en invullen.

Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 3 juni 2004 tot uitvoering van het decreet van 12 februari 2004 betreffende de opvang van, het verschaffen van een onderkomen aan en de begeleiding van in sociale moeilijkheden verkerende personen.

Namen, 3 juni 2004.

De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Sociale Aangelegenheden en Gezondheid, Th. DETIENNE

Bijlage 5 Het geïndividualiseerde begeleidingsproject Het geïndividualiseerde begeleidingsproject beoogt een verduidelijking van de relaties tussen de verantwoordelijken van het huis, de psychosociale interveniënten of anderen die ontvangende partij zijn bij uw begeleiding tijdens het verblijf in het huis.

Wij zien ons genoodzaakt om de taken te verdelen in het kader van de administratieve, sociale en financiële regularisatie van uw persoonlijke toestand of van die van één van uw gezinsleden die in het huis verblijft en om een tijdschema op te stellen voor de verwezenlijking ervan.

Daarom moeten wij na uw eerste maand van verblijf in een geschreven document de verschillende oriëntaties vastleggen die wij zullen volgen om de doelstellingen te halen. (...) Het gaat over het betuigen van uw instemming met de doelstellingen dat het huis en eventueel de externe interveniënten met u vastleggen om uw toestand en uw projecten te doen evolueren.

De duur van het verblijf in een huis is altijd beperkt in de tijd. De tijd is kostbaar en we moeten hem ten volle benutten.

Tijdens haar/zijn verblijf in het huis " . . . . . " gaat Mevrouw, Juffrouw, Mijnheer . . . . . de verbintenis aan om volgende stappen te ondernemen : - op administratief vlak, planning van de stappen te ondernemen binnen een termijn van . . . . . vanaf het afsluiten van het project : . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - op financieel vlak, planning van de stappen te ondernemen binnen een termijn van . . . . . vanaf het afsluiten van het project : . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - op sociaal vlak, planning van de stappen te ondernemen binnen een termijn van . . . . . vanaf het afsluiten van het project : . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Het personeel van het huis verbindt zich ertoe alles in het werk te stellen om de ondergebrachte persoon of zijn gezin te helpen evolueren in het beheer van zijn moeilijkheden of om ze in orde te brengen.

Daarom plant het de uitvoering van verschillende taken binnen een periode van .................................................................. dagen of maanden. - op administratief vlak, planning van de te ondernemen stappen : . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - op financieel vlak, planning van de te ondernemen stappen : . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - op sociaal en pedagogisch vlak, planning van de te ondernemen stappen : . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

De externe interveniënt(en) dragen bij tot de verwezenlijking van het geïndividualiseerde begeleidingsproject door hulp te bieden in verband met hun bevoegdheden : - op administratief vlak : . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - op financieel vlak : . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . - op sociaal en pedagogisch vlak : . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Het geïndividualiseerde begeleidingsproject kan elk ogenblik herzien worden op verzoek van één van de opstellers ervan.

Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 3 juni 2004 tot uitvoering van het decreet van 12 februari 2004 betreffende de opvang van, het verschaffen van een onderkomen aan en de begeleiding van in sociale moeilijkheden verkerende personen.

Namen, 3 juni 2004.

De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Sociale Aangelegenheden en Gezondheid, Th. DETIENNE

Bijlage 6 Aanwezigheidsboek De vorm van het boek wordt door het huis bepaald.

Het moet minstens van formaat A4 zijn en gemakkelijk te raadplegen zijn door de inspectiediensten.

Er wordt een aanwezigheidsblad opgesteld voor elke ondergebrachte persoon ouder dan 18 jaar.

Het ziet eruit als volgt : Aanwezigheidsblad Identiteit van de ondergebrachte persoon : .................................................................................., leeftijd .................., aantal personen ten laste die hem vergezellen ............................

Aankomstdatum in het huis : .................................................... "ondertekening..." Aantal overnachtingen : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 3 juni 2004 tot uitvoering van het decreet van 12 februari 2004 betreffende de opvang van, het verschaffen van een onderkomen aan en de begeleiding van in sociale moeilijkheden verkerende personen.

Namen, 3 juni 2004.

De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Sociale Aangelegenheden en Gezondheid, Th. DETIENNE

Bijlage 7 Berekeningsmethode en in aanmerking komende uitgaven voor de tariefbepaling van aangeboden diensten In deze bijlage dient men te verstaan onder : - referentiejaar : jaar ter bepaling van de in aanmerking komende kost en van het aantal overnachtingen. Het begint op 1 januari en eindigt op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar van toepassing van de nieuwe tarifering; - in aanmerking komende kosten : kosten ter bepaling van kost en inwoning. Ze worden opgenomen in de tabel hieronder. Deze tabel wordt ingevuld op grond van de informatie vermeld in de balans en resultatenrekening van het referentiejaar goedgekeurd door de inrichtende macht (algemene vergadering, raad voor sociale hulpverlening of college van burgemeester en schepenen). Als de verantwoordelijke van een opvangtehuis van het gezinstype een natuurlijke persoon is, moet hij de in aanmerking komende kosten voor waar en oprecht verklaren; - aantal overnachtingen : aantal geregistreerde overnachtingen per opvangtehuis, gemeenschapshuis en opvangtehuis van het gezinstype tijdens het referentiejaar.

De werkelijke kost van kost en inwoning wordt bepaald door de som van de in aanmerking komende kosten te delen door het totaal aantal overnachtingen.

Hij wordt berekend tijdens de eerste twee maanden van het kalenderjaar en treedt in werking uiterlijk 1 april.

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld * Geef een korte beschrijving ter rechtvaardiging van dit punt.

Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 3 juni 2004 tot uitvoering van het decreet van 12 februari 2004 betreffende de opvang van, het verschaffen van een onderkomen aan en de begeleiding van in sociale moeilijkheden verkerende personen.

Namen, 3 juni 2004.

De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Sociale Aangelegenheden en Gezondheid, Th. DETIENNE

Bijlage 8 Kwalificatie- en vormingsvereisten voor het personeel Opvoeder klasse 1 De houders van een einddiploma of -getuigschrift van het hoger universitair of niet-universitair onderwijs met pedagogische, psychologische, sociale of paramedische oriëntering, met volledig leerplan of voor sociale promotie, met uitzondering van het diploma van bibliothecaris-documentalist, van het getuigschrift en van het diploma van pedagogische bekwaamheid.

Opvoeder klasse 2 Uitsluitend de opvoeders van klasse 2 die reeds in een erkende inrichting in dienst waren op 1 januari 1976 en houders van één van de volgende titels : - diploma of getuigschrift van een school of van een technische hogere secundaire cursus met pedagogische, psychologische of sociale oriëntering; - attest van verpleger(ster) of van kinderverzorgster voorzover deze zich bezighouden met kinderen van 0 tot 6; - diploma, getuigschrift of gelijkwaardige titel van minstens het gewoon basisonderwijs voorzover de titularissen van deze titels zich bezighouden met kinderen van 3 tot 6 jaar; - diploma van het gewoon kleuteronderwijs.

Opvoeders klasse 2A De houders van één van de volgende titels : - diploma bezorgt door een universiteit of door een inrichting behorende tot het hoger onderwijs van het lange type als de studiecyclussen minstens 4 jaar bevatten; - einddiploma of -getuigschrift van het hoger secundair onderwijs met pedagogische, psychologische, sociale of paramedische oriëntering; - attest van verpleger(ster); - attest van kinderverzorgster voorzover deze zich bezighoudt met kinderen van 0 tot 6 jaar; - de opvoeders met 10 jaar anciënniteit in de klasse 2B. Opvoeder klasse 2B - de houders van een einddiploma of -getuigschrift van het hoger secundair onderwijs (algemeen of technisch onderwijs); - de opvoeders klasse 3, de kinderverzorgsters, de ziekenoppassers en de sanitaire- en gezinshelpsters met 10 jaar anciënniteit in één van deze functies.

Opvoeder klasse 3 De houders van één van de volgende titels : - einddiploma of -getuigschrift van het hoger secundair onderwijs (algemeen of technisch onderwijs); - eindattest of getuigschrift (met vrucht beëindigd) van het hoger secundair beroepsonderwijs; - de sanitaire en gezinshelpsters, de ziekenoppassers, houders van één van de volgende titels : - attest van sanitaire en gezinshelpster of hulpkracht of kwalificatiegetuigschrift van sanitaire en gezinsassistente; - getuigschrift van ziekenoppasser of attest van ziekenverpleger(ster) of attest van assistent in ziekenhuiszorgen.

Maatschappelijk assistent De houders van het diploma dat die titel verleent.

Licentiaat in de menswetenschappen De houders van het diploma dat die titel verleent.

Directeur - De houders van een einddiploma of -getuigschrift van het hoger universitair of niet-universitair onderwijs met pedagogische, psychologische, sociale of paramedische oriëntering, met volledig leerplan of voor sociale promotie, die de twee volgende voorwaarden vervullen : - het bewijs leveren van minstens drie jaar dienstanciënniteit in een educatieve, sociale, pedagogische, psychologische of paramedische functie in de sector personenzorg; - De directeurs die op de datum van bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad, als directeur waren aangeworven en die op die datum over de vereiste kwalificaties voor de uitoefening van deze functie beschikten.

Kinderverzorger(ster) De houders van het diploma dat die titel verleent.

Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 3 juni 2004 tot uitvoering van het decreet van 12 februari 2004 betreffende de opvang van, het verschaffen van een onderkomen aan en de begeleiding van in sociale moeilijkheden verkerende personen.

Namen, 3 juni 2004.

De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Sociale Aangelegenheden en Gezondheid, Th. DETIENNE

Bijlage 9 Aanvraagformulier om afwijking van de verblijfsduur 1. Adres en verdere gegevens betreffende van het opvangtehuis 1.1. Benaming : 1.2. Adres : 1.3. Telefoon : 2. Begunstigde(n) van de aanvraag om afwijking Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 2.2 Ondergebracht in het opvangtehuis sinds : 2.3 Verlenging gewenst tot : 2.4 Eerste, tweede of derde aanvraag tot verlenging met 90 nachten (*) 2.5 Gaat het om een eerste verblijf in een erkende huisvestingsstructuur in het kader van het decreet "opvang van, verschaffen van een onderkomen aan en begeleiding van in sociale moeilijkheden verkerende personen" ? JA - NEEN - ONBEKEND (*) 2.6 Indien neen, gelieve data en duur van de vorige verblijven in uw instelling te bepalen en indien mogelijk in de andere huisvestingsstructuren (aantal dagen) : In uw opvangtehuis : van . . . . . tot . . . . . hetzij . . . . . dagen van . . . . . tot . . . . . hetzij . . . . . dagen van . . . . . tot . . . . . hetzij . . . . . dagen In een andere huisvestingsstructuur : van . . . . . tot . . . . . hetzij . . . . . ......... dagen in de . . . . . van . . . . . tot . . . . . hetzij . . . . . ......... dagen in de . . . . . van . . . . . tot . . . . . hetzij . . . . . ......... dagen in de . . . . . 3. Sociale en administratieve toestand aan het einde van de toegelaten verblijfsperiode 3.1. Op administratief en financieel vlak : Vastgelegde doelstellingen : . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Bereikte doelstellingen : . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3.2 Op sociaal en pedagogisch vlak : Vastgelegde doelstellingen : . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Bereikte doelstellingen : . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3.3 Lijst met de tussenkomsten van de partners aanwezig of niet in het geïndividualiseerde begeleidingsproject : . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4. Voornaamste doelstellingen tijdens de verlenging vastgelegd bij de persoon(en) : .. . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5. Uiteenzetting van de omstandigheden die aanleiding hebben gegeven tot de aanvraag : .. . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6. Uiteenzetting van de te nemen sociale maatregelen om de nieuwe termijn te halen 6.1 Administratieve en financiële problemen : Nagestreefde doelstellingen : . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6.2 Sociale en pedagogische problemen : Nagestreefde doelstellingen : . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6.3 Problemen in verband met de gezondheid of een handicap : Nagestreefde doelstellingen : . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6.4 Werkwijze voor het zoeken naar een meer aangepaste woning of huisvesting : Wordt er gedacht aan een verblijf in een gemeenschapshuis ? Indien ja, in welk huis. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

Datum : Verantwoordelijke sociale medewerker De begunstigde : Ondertekening : Ondertekening : De Directeur : Ondertekening : Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 3 juni 2004 tot uitvoering van het decreet van 12 februari 2004 betreffende de opvang van, het verschaffen van een onderkomen aan en de begeleiding van in sociale moeilijkheden verkerende personen.

Namen, 3 juni 2004.

De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Sociale Aangelegenheden en Gezondheid, Th. DETIENNE

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^