Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Waalse Regering van 06 mei 2010
gepubliceerd op 10 september 2010

Besluit van de Waalse Regering houdende definitieve aanneming van de herziening van het gewestplan van Luik met het oog op de opneming van een gemengde bedrijfsruimte en een industriële bedrijfsruimte op het grondgebied van de gemeente Oupeye , als uitbreiding van de industriële bedrijfsruimte van de Hauts Sarts en de opneming van een groengebied (plaat 42/2N)

bron
waalse overheidsdienst
numac
2010027192
pub.
10/09/2010
prom.
06/05/2010
ELI
eli/besluit/2010/05/06/2010027192/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

6 MEI 2010. - Besluit van de Waalse Regering houdende definitieve aanneming van de herziening van het gewestplan van Luik met het oog op de opneming van een gemengde bedrijfsruimte en een industriële bedrijfsruimte op het grondgebied van de gemeente Oupeye (Vivegnis en Hermée), als uitbreiding van de industriële bedrijfsruimte van de Hauts Sarts en de opneming van een groengebied (plaat 42/2N)


De Waalse Regering, Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 17 juli 2009 tot regeling van de werking van de Waalse Regering;

Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 17 juli 2009 tot vaststelling van de verdeling van de ministeriële bevoegdheden en tot regeling van de ondertekening van haar akten, gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 21 januari 2010;

Gelet op het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium, inzonderheid op de artikelen 22, 23, 30, 35, 37, 41 tot 46;

Gelet op het gewestelijk ruimtelijk ontwikkelingsplan (SDER), aangenomen door de Waalse Regering op 27 mei 1999;

Gelet op het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 26 november 1987 tot opstelling van het gewestplan Luik, gewijzigd bij het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 6 september 1991;

Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 18 oktober 2002 tot herziening van het gewestplan van Luik en tot aanneming van het voorontwerp van herziening met het oog op de opneming van een gemengde bedrijfsruimte en een industriële bedrijfsruimte op het grondgebied van de gemeente Oupeye (Vivegnis en Hermée), als uitbreiding van de industriële bedrijfsruimte van de Hauts Sarts (plaat 42/2N);

Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 18 september 2003 tot aanneming van het ontwerp van herziening van het gewestplan van Luik met het oog op de opneming van een gemengde bedrijfsruimte en een industriële bedrijfsruimte op het grondgebied van de gemeente Oupeye (Vivegnis en Hermée), als uitbreiding van de industriële bedrijfsruimte van de Hauts Sarts (plaat 42/2N);

Gelet op de bezwaren en opmerkingen geformuleerd tijdens het openbaar onderzoek dat werd gevoerd te Oupeye tussen 28 oktober en 11 december 2003, aangaande volgende thema's : - gebrek aan informatie en onvoorzienbaarheid; - volledigheid van het milieueffectenonderzoek; - incompatibiliteit van het project met het lokale beleid; - nietigverklaring van de socio-economische behoeften die de oprichting van een nieuwe bedrijfsruimte op het plan rechtvaardigen; - schatting van de behoeften aan ruimte van de ondernemingen in de komende tien jaar; - groen buffergebied; - liggingsalternatieven; - afbakeningsalternatieven; - bestaande situatie; - effecten op het milieu; - bereikbaarheid; - economische en politieke aspecten; - gronddevaluatie; - voorstellen van bestemming; - toepassing van het gebied;

Gelet op het gunstige advies samen met voorwaarden van de gemeenteraad van Oupeye van 15 januari 2004;

Gelet op het voorwaardelijke gunstige advies betreffende de herziening van het gewestplan van Luik met het oog op de opneming van een gemengde bedrijfsruimte en een industriële bedrijfsruimte op het grondgebied van de gemeente Oupeye (Vivegnis en Hermée), als uitbreiding van de industriële bedrijfsruimte van de Hauts-Sarts, en van een groengebied (plaat 42/2N) uitgevaardigd door de CRAT op 19 maart 2004;

Gelet op het gunstige advies samen met opmerkingen en aanbevelingen van de « Conseil wallon de l'Environnement pour le Développement durable » (Waalse Raad voor Leefmilieu voor Duurzame Ontwikkeling) van 4 maart 2004;

Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 22 april 2004 tot definitieve aanneming van het gewestplan van Luik met het oog op de opneming van een gemengde bedrijfsruimte en een industriële bedrijfsruimte op het grondgebied van de gemeente Oupeye (Vivegnis en Hermée), als uitbreiding van de industriële bedrijfsruimte van de Hauts Sarts en de opneming van een groengebied (plaat 42/2N);

Gelet op het programmadecreet van 3 februari 2005, dat voorziet in nieuwe voorschriften die toepasselijk zijn inzake de herziening van gewestplannen alsook in de schrapping van artikel 31bis van het CWATUP met betrekking tot het stedenbouwkundig en leefmilieubestek maar dat in zijn artikel 101 bepaalt dat « de herziening van een gewestplan dat door de Regering na advies van de gewestelijke commissie voorlopig is vastgelegd vóór de datum van inwerkingtreding van dit decreet, wordt voortgezet volgens de vóór die datum vigerende procedure » en dat « de bepalingen van artikel 46, § 1, zoals gewijzigd bij dit decreet », van toepassing zijn op de datum van inwerkingtreding van dit decreet »;

Gelet op het decreet van 20 september 2007, dat voorziet in nieuwe voorschriften die toepasselijk zijn inzake de herziening van het gewestplan maar dat in zijn artikel 20, tweede lid, bepaalt dat « de uitwerking of de herziening van een plan van aanleg, voorlopig aangenomen voor de inwerkingtreding van dit decreet, kan verder worden behandeld volgens de voor die datum vigerende procedure »;

Gelet op het arrest nr. 189.044 van de dertiende kamer van de Raad van State, waarbij het besluit Waalse Regering van 22 april 2004 tot definitieve aanneming van het gewestplan van Luik met het oog op de opneming van een gemengde bedrijfsruimte en een industriële bedrijfsruimte op het grondgebied van de gemeente Oupeye (Vivegnis en Hermée), als uitbreiding van de industriële bedrijfsruimte van de Hauts Sarts en de opneming van een groengebied (plaat 42/2N) op 19 december 2008 nietig is verklaard;

Overwegende dat het arrest nr. 189.044 van 19 februari 2008 voornamelijk gemotiveerd is door volgende considerans : « Overwegende dat het blijkt (...) dat, terwijl de tegenpartij op de bezwaren betreffende de voldoening van de economische behoeften in andere bestaande bedrijfsruimtes of door de renovatie van afgedankte bedrijfsruimtes heeft geantwoord, ze daarentegen niet persoonlijk heeft geantwoord op het precieze en relevante bezwaar van de verzoekers betreffende het in het effectonderzoek geplande liggingsalternatief en dat het besluit van de Waalse Regering van 18 september 2003 tot goedkeuring van het ontwerp van herziening van het gewestplan over dat punt bekritiseert; dat de eerste tak van het middel in dat opzicht gegrond is;

Overwegende dat de procedure weer opgenomen kan worden bij de formulering van de definitieve beslissing daar de nietigverklaring voornamelijk gewettigd wordt door een gebrek aan uitdrukkelijke motivering van het besluit van de Waalse Regering van 22 april 2004, voor zover de gebrekkige motivering uitdrukkelijk vervolledigd wordt;

Overwegende dat de procedureregels die gebruikt werden voor het uitwerken van het besluit van 22 april 2004 derhalve toegepast kunnen worden krachtens bovenbedoelde overgangsbepalingen bestaande uit de decreten tot wijziging van het Waalse wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium;

Overwegende dat, zelfs indien het openbaar onderzoek zes jaar en een half geleden georganiseerd is, de feitelijke en de rechtstoestand zich gedurende die periode niet zodanig heeft ontwikkeld dat er met het onderzoek opnieuw zou moeten worden begonnen; dat het ontwerp tot herziening van het gewestplan immers dezelfde kenmerken vertoont en dat de bezetting van het gebied door zowel het project als de variant, de componenten van hun milieu (lucht en klimaat, oppervlakte- en het grondwater, grond en ondergrond, fauna en flora, gezondheid en veiligheid, de aangename levensvoorwaarden, materiële en patrimoniale goederen, mobiliteit, netwerken en infrastructuren en de effecten op de activiteiten), hun nabije omgeving (periferische woongebieden en bedrijfsruimtes) en de knelpunten die daaraan kunnen worden gebonden, geen wijzigingen hebben vertoond die de verrichte milieueffectenbeoordeling in twijfel zouden kunnen trekken;

Overwegende dat het publiek bijgevolg een uitvoerig advies over het project heeft kunnen uitbrengen en dat het dan ook niet noodzakelijk is een nieuw openbaar onderzoek te organiseren om het onderzoek dat in die tijd uitgevoerd werd, bij te werken.

Effectenonderzoek Overwegende dat, in haar beslissing van 18 september 2003, de Regering heeft gemeend dat in het effectenonderzoek alle elementen stonden die noodzakelijk waren voor de beoordeling van de opportuniteit en de afstemming van het project, en heeft het dus als volledig beschouwd;

Overwegende dat de CRAT, ondanks een aantal zwakheden, fouten en lacunes, meent dat de kwaliteit van het effectenonderzoek bevredigend is;

Overwegende dat CWEDD, ondanks een aantal onduidelijkheden en gebreken aan uitleg, meent dat de kwaliteit van het milieueffectenonderzoek bevredigend is;

Overwegende dat die door de CRAT en de CWEDD bijkomende geïdentificeerde elementen geen deel uitmaken van de inhoud van het effectenonderzoek zoals bepaald bij artikel 42 van het CWATUP en door het lastenboek; dat de afwezigheid ervan niet van die aard is om de Regering ervan te beletten met kennis van zaken uitspraak te doen over de opportuniteit en de afstemming van het project Overwegende dat er akte is genomen van de materiële fouten die geen invloed hebben op de inhoud van het onderzoek;

Overwegende dat het effectenonderzoek voldoet aan artikel 42 van het CWATUP en aan het bestek; dat de Regering voldoende is ingelicht om met kennis van zaken uitspraak te doen;

Overwegende dat de bepalingen van artikel 46, § 1, 3°, van het Wetboek, zoals gewijzigd bij het programmadecreet van 3 februari 2005 en bij het decreet van 20 september 2007 op deze herziening van het gewestplan van toepassing zijn;

Overwegende dat geen compensatie als dusdanig in het voorontwerp van 18 oktober 2002 werd voorgesteld;

Overwegende dat artikel 42, 10°bis, ingevoerd bij het decreet van 20 september 2007 de compensaties die door de Regering in het voorontwerp worden voorgesteld aan een effectenonderzoek onderwerpt;

Gelet op het commentaar van artikel 3 van het voorontwerp van decreet van 20 september 2007 over artikel 42, 10°bis : « Het is evident is dat dit punt slechts relevant zal zijn voor zover, enerzijds, de herziening van het gewestplan slaat op de opneming van een nieuw gebied bestemd voor bebouwing dat die compensatie nodig heeft en, anderzijds, de compensatie via een ontstedelijking, zelfs gedeeltelijk, verricht wordt. Indien de compensatie op een andere wijze wordt uitgevoerd, zal de Regering die andere compensatiewijzen bepalen in het definitieve besluit tot herziening van het gewestplan »;

Overwegende dat de compensatie niet planologisch maar wel op operationele alternatieve wijze wordt uitgevoerd;

Overwegende dat de in het besluit van 22 april 2004 bedoelde begeleidingsmaatregelen in de zin van het CWATUP dat van kracht was voor het programmadecreet van 3 februari 2005 gelijkgesteld kunnen worden met alternatieve compensaties in de zin van het CWATUP dat momenteel van kracht is;

Overwegende dat, zelfs indien het openbaar onderzoek meer dan zeven jaar geleden uitgevoerd is, de feitelijke en de rechtstoestand zich gedurende die periode niet zodanig heeft ontwikkeld dat het onderzoek bijgewerkt zou moeten worden;

Overwegende dat uit die verschillende elementen blijkt dat een bijkomend effectenonderzoek over de compensaties niet vereist is;

Afstemming van het project op de behoeften Overwegende dat het de doelstelling van de Regering is, op korte termijn te voldoen aan de behoeften aan de voor economische activiteit nodige ruimte;

Overwegende dat, op basis van een door het Directoraat-generaal Economie en Tewerkstelling opgemaakt rapport en de analyse ervan, de Regering in haar besluit van 18 oktober 2002, heeft gemeend dat het grondgebied van de S.C. Services Promotion Initiatives in de provincie Luik (SPI+) in zes subruimtes moest worden onderverdeeld : het centrum, het noordoosten (streek Verviers en Eupen), het zuidoosten (streek Malmedy en Saint-Vith), het noordwesten (streek Borgworm en Hannuit), het zuidwesten (streek Hoei) en het zuiden (streek Aywaille); dat zij heeft gemeend dat het centrum van het SPI+ gebied, dat het referentiegebied voor voorliggend besluit vormt, globaal genomen op tien jaar een behoefte aan voor economische activiteit bestemde terreinen vertoonde van ongeveer 87 hectare netto-oppervlakte, waarbij nog een forfaitaire 10 % bijkomende oppervlakte noodzakelijk is voor de technische uitrusting van het gebied, dus een oppervlakte van ongeveer 96 hectare die als bedrijfsruimte moeten worden opgenomen; dat zij bovendien heeft gemeend dat, om een correct netwerk op dit grondgebied te verzekeren, nieuwe bedrijfsruimtes moesten worden voorbehouden in het centrale deel van de provincie;

Overwegende dat het effectenonderzoek de behoeften van het referentiegebied op 75 hectaren bruto-oppervlakte schat, verdeeld in 50 hectaren gemengde bedrijfsruimte en 25 hectaren industriële bedrijfsruimte : zowel de relevantie van de afbakening van het referentiegebied, als het bestaan van socio-economische behoeften in dit gebied, binnen het door de Regering bepaalde tijdsbestek, worden bevestigd;

Overwegende dat reclamanten op basis van het eindrapport van de CPDT (« Conférence permanente du Développement territorial ») van september 2002 menen dat er geen reden is bijkomende terreinen te bestemmen voor economische activiteit en dat een overeenkomst tussen de operatoren voldoende zou zijn om de behoeften van de voorbije tien jaren te dekken;

Overwegende om te beginnen dat het rapport van de CPDT van 2002 « evaluatie van de behoeften van de activiteiten - problematiek van de lokalisatie ervan » rekening houdt met de inbreng in terreinen bestemd voor economische activiteit van het prioritaire bedrijfsruimteplan om tot een besluit te komen : dat bovendien, ondanks het prioritaire plan, de CPDT toch meent dat bepaalde delen van het grondgebied toch noch kunnen lijden onder een gebrek aan terreinen bestemd voor economische activiteit;

Overwegende dat de CRAT overigens achter de behoefteanalyse staat die de Regering van het referentiegebied heeft gemaakt;

Overwegende dat CWEDD aanraadt dat het geheel van projecten die de operator in het referentiegebied wil ontwikkelen, waarbij andere middelen om het grondgebied in te richten worden gebruikt, het voorwerp zouden uitmaken van een globale evaluatie in verhouding tot de behoeften van het referentiegebied;

Overwegende dat er voor het onderzoek van de relevantie van de door dit besluit voorgestelde antwoorden op de door het Directoraat-generaal Economie en Tewerkstelling geschatte behoeften, redenen zijn om simultaan rekening te houden met de uitbreiding van het activiteitenpark van Barchon via de opneming als gemengde bedrijfsruimte van 24 hectaren, wat de oppervlakte van de nieuwe ruimtes bestemd voor economische activiteit in de centrale regio van de provincie Luik op 73 hectaren brengt, onafhankelijk van de geplande uitbreiding van het wetenschapspark van Sart-Tilman;

Overwegende dat, in het kader van de expertise m.b.t. de bedrijfsruimte die in het begin van het jaar 2007 door de CDPT verricht is, de geschatte bruto-behoeften zich tegen 2024 binnen een marge van 69 tot 80 ha bevonden, gesteld dat 49 ha opgenomen waren in Oupeye-Hauts Sarts en dat de Regering in haar beslissing van 17 juli 2008 de waarde van die behoeften voor de subregio centrum SPI+ op 223 ha heeft geschat, gesteld dat het gebied Oupeye-Hauts Sarts geschrapt wordt;

Validatie van het project Overwegende dat het besluit van 18 oktober 2002 gebaseerd is op de overweging dat het project de uitbreiding vormt van de industriële bedrijfsruimte van de Hauts Sarts, op het grondgebied van de gemeente Oupeye en dat ze als doel heeft bedrijven te ontvangen die actief zijn in sectoren die traditioneel op de site zijn ingeplant en in de transport-, logistieke en distributiesector; dat als uitbreiding van de bestaande bedrijfsruimte, de ontwerpgebieden geschikte sites vormen om tot synergieën en een beter gebruik van de in het bestaande gebied beschikbare uitrusting te komen;

Overwegende dat het effectenonderzoek de optie van het voorontwerp van wijzigingsplan gegrond heeft geacht voor wat betreft de opneming van een bedrijfsruimte van 49 hectaren (25 hectaren als gemengde bedrijfsruimte en 24 hectare als industriële bedrijfsruimte) op het grondgebied van de gemeente Oupeye in het centrale deel van de provincie Luik;

Onderzoek van de liggingsalternatieven Overwegende dat, overeenkomstig artikel 42, alinea 2, 11°, van het Waalse Wetboek, en het bijzondere bestek, het effectenonderzoek op zoek is gegaan naar alternatieven; dat die alternatieven kunnen met name slaan op de ligging, de afbakening of de toepassing van het in het ontwerp van het gewestplan op te nemen gebied;

Overwegende dat op die manier een liggingsalternatief werd gevonden en bestudeerd; dat het gaat om de opneming van een gemengde bedrijfsruimte op de terreinen waarvan de bestemming nog niet vaststaat ter plaatse genaamd « Pontisse », vlakbij het knooppunt van de E40 met de E313;

Overwegende dat de Waalse regering in haar besluit van 18 september 2003 niet voor dit liggingsalternatief heeft geopteerd;

Overwegende dat reclamanten hebben gemeend dat deze beslissing niet geschikt was, omdat voor de bereikbaarheidsproblemen van het gebied een oplossing zou kunnen worden gevonden, waarbij het alternatief de buurt minder hinder zou berokkenen en de kosten ervan niet hoger zouden liggen dan de kosten van de toepassing van het project van de Regering;

Overwegende dat het effectenonderzoek voor een gewestplan een objectieve vergelijking van het alternatief ten opzichte van het project zoals hierna uiteengezet mogelijk maakt;

Overwegende dat het project ten opzichte van het alternatief daadwerkelijk enkele nadelen vertoont : het wordt opgenomen in een niet voor bebouwing bestemd gebied, het ligt naast de woongebieden en het « Bois Noir » en is gelegen naast een winningsgebied;

Overwegende dat het project en het alternatief een gemeenschappelijk nadeel hebben : ze vereisen de inrichting van een nieuw knooppunt om hun toegankelijkheid te verbeteren rekening houdende met de verzadiging van de knooppunten nr. 34 « Hauts Sarts » en nr. 35 « Herstal »;

Overwegende dat het liggingsalternatief, wat dat laatste punt betreft, bovendien geen rechtstreekse toegang tot die knooppunten heeft;

Overwegende dat het project en het alternatief enkele gemeenschappelijke kwaliteiten vertonen : geringe beperkingen van het reliëf, weinig invloed op de plaatselijke biodiversiteit, geen bedreigde beschermde elementen en dat afzonderingsmaatregelen bovendien de bestaande toestand zullen kunnen verbeteren;

Overwegende dat in het effectenonderzoek voor het gewestplan te lezen staat dat het project ten opzichte van het liggingsalternatief de volgende kwaliteiten vertoont : - een betere toegankelijkheid met het openbaar vervoer; - een hercentrering van de bebouwing; - de ontwikkeling van een bedrijfsruimte in het verlengde van en als rechtstreekse uitbreiding van de huidige industriële bedrijfsruimte van de Hauts-Sarts; - bestaande infrastructuren op het gebied (rechtverkrijgenden die uitgebreid moeten worden aan de rand van de site); - een geringere visuele impact; - een gebruik van bepaalde terreinen met een lage landbouwkwaliteit (oude zandgroeve die volledig gedempt is); - een lager nadeel ten opzichte van de landbouwactiviteiten;

Overwegende dat de totale kostprijs van de uitvoering van het project, met inbegrip van de aankoop van de terreinen, door het effectenonderzoek op ongeveer euro 14.979.300,00 is geschat en dat de totale kostprijs van de uitvoering van de variant, met inbegrip van de aankoop van de terreinen, op ongeveer euro 16.008.300,00 is geschat; dat de variant dan ook euro 1.029.000 meer kost dan de uitvoering van het project en dat die overschrijding als niet te verwaarlozen wordt geacht; overwegende dat de Regering op grond van het effectenonderzoek acht dat het project ten opzichte van artikel 1 van het CWATUP meer significante kwaliteiten heeft dan het alternatief;

Overwegende dat het project en het liggingsalternatief voor de buurt hinder kunnen veroorzaken maar dat, wat betreft het project, de gevolgen gebonden aan de nabijheid van de woongebieden, van het « Bois noir » en van een winningsgebied verminderd kunnen worden door gepaste beschermingsmaatregelen die bij dit besluit voorgeschreven en opgelegd worden;

Overwegende dat de in het besluit van 18 september 2003 weerhouden optie, namelijk het liggingsalternatief te verwerpen, dan ook bevestigd moet worden;

Overwegende dat reclamanten ook hebben laten gelden dat het gebied één van de laatste groene longen van de omgevingen zal aantasten;

Overwegende dat, indien het waar is dat de bij het project betrokken terreinen, een landschappelijke rol spelen, er opgemerkt dient te worden dat het groengebied op het niveau van het « Bois noir », het landbouwgebied in het noorden van de economische bedrijfsruimte en een ruime landbouwstrook in het noorden van Oupeye en Hermée behouden worden;

Overwegende dat sommigen voorstellen dat aan de behoeften voldaan wordt in de bestaande bedrijfsruimtes of door de renovatie van afgedankte bedrijfsruimtes;

Overwegende dat de CRAT meent dat de ligging van het project in overeenstemming is met de in het SDER opgesomde principes; dat ze achter de analyse van het effectenonderzoek staat, dat tot het besluit is gekomen dat er in reeds bestaande gebieden geen liggingsalternatief bestond; dat er ook geen herin te richten sites meer bestaan die een alternatief zou kunnen zijn voor voorliggend project;

Onderzoek van de afbakenings- en toepassingsalternatieven Overwegende dat het effectenonderzoek anderzijds heeft aangetoond dat de door het ontwerpgebied vertoonde nadelen gevoelig zouden worden beperkt, indien de afbakening op die manier was gewijzigd dat, zonder de oppervlakte ervan gevoelig te beperken, het een geschikte configuratie zou krijgen tot aan de fysische grenzen, met als gevolg een schrapping van de enclave van het woongebied met landelijk karakter uit het voorontwerp en een mindere impact op de woongebieden door het opleggen van afzonderingsomtrekken op de en in plaats van de in het voorontwerp bepaalde groengebieden, ten oosten van de site om het nabije woongebied beter te beschermen;

Overwegende dat, als gevolg van de klachten, de CRAT drie wijzigingen voorstelt van de afbakening van de omtrek van het gebied : - uitsluiting van de bedrijfsruimte van de achterkant van de tuinen van de woningen in de straat « rue Jean Volders », van de verkaveling van « l'Arbre Saint-Roch » en van de « Clos Saint-Roch »; - uitbreiding van de industriële bedrijfsruimte in het noordwesten om er een klein deel van het woongebied met landelijk karakter, welke ze als lineair bestempelt, in op te nemen; - uitbreiding van de industriële bedrijfsruimte in het noorden en noordoosten om landschappelijke afzonderingsomtrek aan te leggen langs weg nr. 10;

Overwegende dat de CRAT tevens wijst op een gebied met openbare diensten en communautaire uitrusting, momenteel opgenomen in het gewestplan;

Overwegende dat de CWEDD meent dat de beste oplossing het afbakeningsalternatief is; dat gelet op de resultaten van het openbaar onderzoek, hij tevens achter het advies staat de achterkant van de tuinen van de nabijgelegen woningen uit te sluiten van de omtrek;

Overwegende dat de als landbouwgebied geklasseerde terreinen, die de achterkant van de tuinen van de woningen in de straat « rue Jean Volders », van de verkaveling van « l'Arbre Saint-Roch » en van de « Clos Saint-Roch » vormen, inderdaad moeten worden uitgesloten van de omtrek van het gebied, om de gevolgen van de opneming van het gebied voor deze woningen te beperken;

Overwegende dat de Regering daarentegen niet achter het voorstel kan staan om de omtrek van het gebied in het noorden uit te breiden om er een afzonderingsomtrek te vormen tussen weg nr. 10 en het aanpalende landbouwgebied; dat het aangewezen is weg nr. 10 als fysische grens in het noordoosten van de bedrijfsruimte te behouden; dat het beter is te voorzien in een afzonderingsmarge in het zuiden van weg nr. 10;

Overwegende dat de Regering tevens meent dat er geen reden is de omtrek van het gebied in het noordwesten uit te breiden, o.m. omdat het effectenonderzoek de gevolgen van deze uitbreiding op de nabijgelegen woningen niet kon bestuderen en dat het behoud ervan niet in strijd lijkt met een goede inrichting van het grondgebied;

Overwegende dat uit die vergelijkende studie blijkt dat de beste oplossing om de door de Regering nagestreefde doelstellingen te halen erin bestond te opteren voor het initiële project volgens een afbakening gewijzigd overeenkomstig het bijgaande plan om de door de auteur van het effectenonderzoek geformuleerde suggesties en enkele door de CRAT geformuleerde voorstellen, welke hierboven staan opgesomd, op te nemen;

Rekening houden met de algemene aanbevelingen van de CWEDD Overwegende dat de CWEDD in zijn verschillende adviezen een reeks algemene beschouwingen heeft geuit inzake de herzienings- en algemene aanbevelingsprocedure betreffende de eventuele toepassing van de projecten;

Overwegende om te beginnen dat hij meent dat het evaluatiewerk voor de uitvoering van het prioritaire plan pas relevant zal zijn indien de ligging van de infrastructuren afhankelijk wordt gemaakt van een nieuwe effectenbeoordeling eigen aan de bedrijvengroep;

Overwegende dat hij vraagt dat bij de vestiging van bedrijven, er een evaluatie van het milieu wordt uitgevoerd per bezettingsfase van de activiteitenzone om een globale visie te hebben op de schaal ervan;

Overwegende dat rekening houdende met de belangrijke behoeften van de subregio, met de verzadiging van het huidige park en met de relatief geringe grootte van de uitbreiding ten opzichte van het huidige park, de uitbreiding snel bezet zou moeten worden en dat er geen reden is om de uitvoering ervan te faseren;

Overwegende dat krachtens Boek I van het Milieuwetboek, de aanvraag voor een vergunning gepaard zal gaan met een milieueffectenbeoordeling betreffende de vestiging van de infrastructuren nodig voor de viabilisatie van een bedrijfsruimte;

Overwegende dat de CWEDD vervolgens zijn aanbevelingen over de relatie tussen mobiliteit, transport en ruimtelijke ordening herhaalt; dat hij verheugd is vast te stellen dat de uitvoering van « mobiliteitsplannen » wordt opgelegd, die het mogelijk zullen maken het gebruik van zachte vervoersmodi en openbaar vervoer aan te moedigen; dat hij erop aandringt dat het voetgangers- en fietsverkeer in de nieuwe bedrijfsruimtes wordt beveiligd;

Overwegende dat deze suggestie opportuun lijkt; dat het inrichtingsniveau zoals bedoeld in het gewestplan evenwel op dergelijke vragen niet aangepast is; dat die suggestie op een meer natuurlijke wijze geconcretiseerd zal worden in het kader van de vergunningsaanvraag betreffende de vestiging van de infrastructuren en van de milieueffectenbeoordeling die daarover uitgevoerd zal worden;

Overwegende dat gemeentelijke mobiliteitsplannen overigens reeds uitgevoerd zijn of heden in uitvoering zijn, namelijk de gemeentelijke mobiliteitsplannen van de gemeenten van de Basse-Meuse (Bitsingen, Oupeye en Wezet september 2002) en het gemeentelijke mobiliteitsplan van de gemeente Herstal (verslag van fase 3 - januari 2009), waarvan enkele conclusies op bijzondere maatregelen voor de bedrijfsruimte van de Hauts Sarts slaan;

Overwegende dat deze plannen de haalbaarheid van de opneming van de bedrijfsruimte van Oupeye niet in twijfel trekken;

Overwegende dat de conclusies van die gemeentelijke plannen onderzocht zullen moeten worden bij de opmaking van het project betreffende de uitrusting van de bedrijfsruimte die de gepaste schaal voor hun behandeling vormen : oprichting van een nieuw knooppunt op de opricht A601 ter hoogte van het station van Milmort, herinrichting van het autowegenknooppunt nr. 34 van de Hauts Sarts en verbindingstraject tussen de verschillende zones van het park van de Hauts Sarts via de steenweg van het industrieel park, de « rue de Bêche » en de « route de Tilice » door de herinrichting van een nieuwe tunnel onder de spoorweg;

Overwegende voor het overige dat de wens om de nieuwe bedrijfsruimtes te bedienen met het openbaar vervoer niet in tegenspraak is met het door de Regering gevoerde beleid; dat het netwerk van de TEC (Waalse Vervoersmaatschappij) zodanig is georganiseerd dat de voornaamste plaatsen op het grondgebied die verkeer genereren bediend zijn, en aangezien het essentieel via de weg verloopt, is het zonder hoge investeringen, makkelijk aan te passen in functie van de evolutie van de plaatsen die de stromen genereren; dat anderzijds, gelet op zijn structurele kost, het spoor enkel een oplossing biedt voor de mobiliteitsproblemen als het om lange afstanden en grote volumes gaat; dat voor de individuele transportbehoeften van de K.M.O.'s die zich in de nieuw aangelegde bedrijfsruimtes zullen vestigen, het spoor enkel zal kunnen worden gebruikt in combinatie met andere vervoermiddelen, vooral via de weg; dat het dus via een intermodaliteit tussen spoor en weg is, die zal worden opgenomen in de milieueffectenbeoordeling uitgevoerd in het kader van de vergunningsaanvraag betreffende de vestiging van de infrastructuren, dat de door de CWEDD vooropgestelde duurzame doelstellingen inzake mobiliteit zullen kunnen worden gehaald;

Bijzondere overwegingen Overwegende dat met volgende elementen rekening moet worden gehouden : Compatibiliteit van het project met het regionale beleid Reclamanten menen dat het project in tegenspraak is met de actiecriteria die binnen het kader van het PEDD (plan d'environnement pour le développement durable) worden gehanteerd.

De CRAT neemt daar akte van maar staat toch achter het besluit van het milieueffectenonderzoek dat bepaalt dat het project geen schadelijke kenmerken vertoont die ingaan tegen een beleid van duurzame ontwikkeling.

Reclamanten wijzen er tevens op dat het project in tegenspraak is met het Toekomstcontract De CRAT neemt akte van deze beschouwing en wijst erop dat volgens het milieueffectenonderzoek, de doelstellingen van het voorontwerp volledig in de lijn liggen van prioriteit nr. 1 van het Toekomstcontract.

In het kader van het « Marshall Plan » wordt bovendien de gemeenten Oupeye erkend als stedelijke vrije zone in een besluit van de Waalse Regering van 11 mei 2006.

Compatibiliteit met het SDER Verschillende reclamanten betreuren dat het project zich zal vestigen in een van de zeldzame landbouwstroken op het grondgebied van de gemeente Oupeye.

De CRAT neemt akte van deze beschouwing en schaart zich om volgende redenen achter het advies van de Regering : - de Luikse agglomeratie is omschreven als een grensoverschrijdend(e) steunpool en ankerpunt in het referentiegebied; - de gemeente Oupeye ligt binnen het transregionale samenwerkingsgebied van Luik en binnen een interventiegebied van de Europese Fondsen voor Ontwikkeling (2000-2006); - het ontwerpgebied draagt bij tot de hercentrering van de bebouwing omdat het opgenomen wordt binnen de omtrek van de Luikse agglomeratie; bovendien beoogt het de uitbreiding van de bestaande bedrijfsruimte, wat tot heel wat synergieën met de op de site aanwezige bedrijven en tot een beter gebruik van de beschikbare uitrusting zonder aanzienlijke versterking leidt;

Compatibiliteit met artikel 1 van het CWATUP De reclamanten menen dat het project niet alle artikelen van het CWATUP naleeft.

De CRAT neemt bovendien akte van die klachten en meent dat het project bijdraagt tot het spaarzame omgaan met de bodem en het principe van hercentrering van de bebouwing.

Impact op het landschap Reclamanten menen dat het landschapserfgoed schade zal ondervinden door het verdwijnen van de boomgaarden achter de voetbalterreinen van Hermée.

Ondanks de blijvende aanwezigheid van een zekere landbouwactiviteit stelt de CRAT vast dat de kenmerken van de streek van Hesbignon reeds sterk zijn gewijzigd door de nabijgelegen economische en transportinfrastructuur;

De CRAT stelt tevens vast dat het effectenonderzoek er voorafgaand op wijst dat de mogelijke visuele verandering als gevolg van het project opnieuw moet worden gekaderd binnen het landschap waar de economische activiteit reeds sterk aanwezig is.

Artikel 30 van het Waalse wetboek verplicht de aanleg van afzonderingsoppervlaktes of -infrastructuur om de omgeving, al dan niet bebouwd, te beschermen tegen o.m. de visuele, hinder van het ontwerpgebied.

Terzake zal, naast die reglementaire omtrek, een echte landschappelijke bufferzone ingericht worden, die in de cartografie opgenomen is met het bijkomend voorschrift gemerkt *R.1.5.

Meer concreet zullen aangepaste maatregelen geval per geval besloten kunnen worden in het kader van de behandeling van de vergunningsaanvraag voor de uitvoering van de infrastructuren nodig voor de viabilisatie van de bedrijfsruimte en van de individuele vergunningsaanvragen. De aanvragen zullen worden beoordeeld op hun milieueffecten overeenkomstig Boek I van het Milieuwetboek.

Bufferzone Verschillende reclamanten vragen dat er in het gewestplan bufferzones zouden worden opgenomen. De voorgestelde oplossingen en inrichtingen verschillen zowel in samenstelling als in toepassing.

De CRAT schaart zich achter de zorgen van de reclamanten en spreekt zich uit over de inschrijving van een bijkomend voorschrift dat afzonderingomtrekken bepaalt.

De Regering schaart zich achter dit voorstel en bakent het gedeelte van de bedrijfsruimte bestemd voor een afzonderingsomtrek af.

Groengebieden en « Bois noir » In het voorontwerp heeft de Regering gemeend dat, indien het project het bosgebied « Bois noir » dreigt te wijzigen, heel belangrijk op lokaal vlak als beschuttings- en verbindingsgebied, de inrichting van een gepland groengebied tussen de bedrijfsruimte en het momenteel in het gewestplan opgenomen groengebied, de oppervlakte van het Bois noir zal kunnen uitbreiden en de ecologische functies ervan zal kunnen verstevigen.

De CRAT staat achter het voorstel van de Regering, ondanks de voorstellen van de reclamanten om dit groengebied in de bedrijfsruimte in te schrijven.

Geluids- en geurhinder Reclamanten wijzen erop dat de bedrijfsruimte reeds heel wat geluids- en geurhinder veroorzaakt en vrezen dat de uitbreiding van het gebied die hinder alleen maar zal vergroten.

Wat de luchtkwaliteit betreft, meent het milieueffectenonderzoek dat ook al is de luchtkwaliteit van het ontwerpgebied heel matig, de toepassing de huidige situatie slechts heel licht zal beïnvloeden.

Wat de geluidshinder betreft, blijkt uit metingen ter plaatse dat de waarden lager liggen dan de richtwaarde en grenswaarde van 55 dba.

Wat de geurhinder betreft, stelt de CRAT vast dat het milieueffectenonderzoek bevestigt dat de woongebieden in het centrum van Oupeye dreigen te worden aangetast aangezien ze onder de dominerende winden liggen.

Aan het geheel van bezwaren betreffende de door de reclamanten en de CRAT aangehaalde hinder zal bij het onderzoek van de vergunningsaanvragen betreffende de viabilisatie van de bedrijfsruimte of van die betreffende de installatie van ondernemingen in voldoende mate kunnen worden tegemoet gekomen, overeenkomstig de geluidsnormen opgelegd door de vigerende wetgeving en van het systeem voor de milieueffectenbeoordeling bedoeld in Boek I van het Milieuwetboek.

Bereikbaarheid Verschillende reclamanten wijzen op het dichtslibben van de omliggende wegen en op de verzadiging van het knooppunt van de Hauts-Sarts.

De CRAT deelt deze analyse en wijst op het onveilige karakter dat uit het effectenonderzoek blijkt. Ze stelt dan ook voor te opteren voor de opneming van een nieuw knooppunt op de verbindingsweg met de A601 ter hoogte van Milmort, zoals bepaald in het gemeentelijke mobiliteitsplan.

De Regering deelt deze analyse maar meent dat het niet noodzakelijk is deze verbinding in het gewestplan op te nemen om de toelatingen te verkrijgen volgens de door artikel 127 van het CWATUP bepaalde procedures.

Andere reclamanten suggereren een pad voor voetgangers te integreren in de beplanting zuid en zuidoost ter vervanging van de weg nr. 11, welke de voornaamste weg naar de bedrijfsruimte is.

De operator geeft blijk van het voornemen om weg nr. 11 te behouden en om die weg in te richten als ecologische verbinding en langzame doorgangsweg. Bovendien zal er een pad geïntegreerd worden in de landschapachtige afzonderingsomtrek op de zuidelijke en zuidoostelijke gedeelten.

Die elementen zullen concreet vervuld worden bij de behandeling van de machtigingsaanvragen betreffende de viabilisatie van de bedrijfsruimte en van het systeem voor de milieueffectenbeoordeling opgelegd bij Boek I van het Milieuwetboek.

Impact op de landbouw In het voorontwerp heeft de Regering gemeend dat de herziening van het gewestplan een impact had op de landbouwfunctie, wat gerechtvaardigd was door het marginale karakter ervan in verhouding tot de nuttige landbouwoppervlakte in het referentiegebied, gelet op het aantal gecreëerde arbeidsplaatsen (socio-economische impact van het ontwerp zou zich moeten vertalen in het scheppen van ongeveer 680 arbeidsplaatsen op de site) en de door de lokalisatie en de voormelde troeven afgeleide economische ontwikkeling.

Reclamanten menen dat de impact op de landbouw is onderschat.

Het milieueffectenonderzoek toont aan dat de toepassing van het gebied de leefbaarheid van verschillende landbouwbedrijven in gevaar zal brengen en voegt eraan toe dat bepaalde daarvan dankzij een interne herschikking een nieuw evenwicht hebben gevonden.

In tegenstelling tot wat sommige reclamanten vertellen betreffende de leefbaarheid van de betroffen bedrijven wijst de CRAT erop dat het milieueffectenonderzoek meent dat het voorontwerp schadelijk zal zijn voor drie bedrijven en dat er daardoor twee oude boomgaarden zullen verdwijnen.

De CRAT dringt erop aan dat een akkoord wordt gevonden tussen de operator en de betroffen landbouwers opdat ze hun percelen zouden kunnen blijven bebouwen tot de verkoop ervan aan de ondernemingen Door het volledige prioritaire bedrijfsruimteplan heeft ongeveer 1 400 hectare een bestemming als bedrijfsruimte gekregen, waarvan een aanzienlijk deel dat als landbouwgebied opgenomen was, wat volgens de gegevens bekendgemaakt in 2007 door het DGARNE ongeveer 1,9 % van de nuttige landbouwoppervlakte in het Waalse Gewest vertegenwoordigt (over een oppervlaktetotaal van 747 840 hectaren). Gelet op de tijd die nodig is om die nieuwe bestemmingen uit te voeren kunnen we ervan uitgaan dat het proces ter wijziging van de bestemming over een tiental jaar zal worden gespreid.

Het verlies van die oppervlakten kan op regionaal niveau dus maar een marginale impact hebben op het landbouwbedrijf.

Bijgevolg kunnen we dus vooropstellen dat de door de wijziging van de gewestplannen getroffen landbouwers gronden zullen terugwinnen om te kunnen voldoen aan de behoeften van hun bedrijf, rekening houdende met name met het belangrijke aantal landbouwterreinen die verkocht of verhuurd worden.

Ook al zullen ze misschien niet dezelfde kenmerken vertonen inzake exploitatiegemak, toch moeten ze het een groot aantal bedrijven mogelijk maken in aanvaardbare omstandigheden te overleven. De aangerichte schade zal via onteigeningsvergoedingen worden gecompenseerd.

Bodemreliëf Verschillende reclamanten wijzen erop dat er in de delen in het oosten en zuidoosten van de site een sterk hoogteverschil is, wat afwateringsproblemen dreigt te veroorzaken.

De CRAT betreurt dat deze kwestie niet ter sprake is gekomen in het milieueffectenonderzoek.

Die drukfactoren zetten de uitvoering van de bedrijfsruimte niet op de helling. Het is in het stadium van de technische onderzoeken die nodig zijn voor de viabilisatie van het bedrijvenpark, dat deze aspecten geconfronteerd zullen kunnen worden met het infrastructuurproject, met name naar gelang van de milieueffectenbeoordeling die gepaard gaat met de vergunningsaanvraag betreffende die infrastructuren.

Fysische drukfactoren Reclamanten wijzen op het bestaan van geotechnische risico's wegens opgevulde gebieden, de aanwezigheid van mijnschachten en wegens de afvloeiing van de wateren.

Bovendien vermoedt het milieueffectenonderzoek dat er zich kastfenomenen kunnen voordoen.

Die drukfactoren zetten de uitvoering van de bedrijfsruimte niet op de helling. Het is in het stadium van de onderzoeken die nodig zijn voor de viabilisatie van het bedrijvenpark, dat de gebieden die geotechnisch gezien als geschikt worden beschouwd, bepaald zullen kunnen worden, met name naar gelang van de milieueffectenbeoordeling die gepaard gaat met de vergunningsaanvraag betreffende die infrastructuren, waarbij de non-aedificandi-gebieden het voorwerp kunnen uitmaken van een alternatieve inrichting als ecologisch doorgangsgebied, als open recreatiegebied of als gebied gebonden aan de economische activiteit (parkeerplaats, voorlopig opslaggebied,...) Waterbeheer Reclamanten vrezen voor vervuiling van het oppervlakte- en grondwater door de werf en het vervoer.

De CRAT meent dat de op de site ontwikkelde activiteiten in alle gevallen rekening zullen moeten houden met het bestaan van nabijgelegen drinkbaar te maken waterwinningsplaatsen.

Wat die zorgen en de behandeling van het afvalwater betreft, zetten laatstgenoemde de uitvoering van de bedrijfsruimte niet op de helling.

Het is in het stadium van de onderzoeken die nodig zijn voor de viabilisatie van het bedrijvenpark en niet in het stadium van de bestemming van de grond dat die zorgen concreet vervuld kunnen worden met name naar gelang van de milieueffectenbeoordeling die gepaard gaat met de vergunningsaanvraag betreffende die infrastructuren. De machtiging zal een gepast systeem bepalen om de juiste zuivering van het afvalwater van het gebied mogelijk te maken met het oog op het behouden van de waterlagen en van de winningspunten.

Compensaties Overwegende dat artikel 46, § 1, tweede lid, 3°, van het « CWATUP » bepaalt dat de opneming van elk nieuw bebouwingsgebied dat aanzienlijke milieueffecten zou kunnen veroorzaken, met inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel, gecompenseerd wordt door de gelijkwaardige wijziging van een bestaand bebouwingsgebied in een niet-bebouwingsgebied of door een alternatieve compensatie bepaald door de Regering, zowel op operationeel, ecologisch of energetisch vlak als inzake mobiliteit, rekening houdend, o.a., met de impact van het voor bebouwing bestemde gebied op de omgeving, waarbij de planologische of alternatieve compensatie in fasen uitgevoerd kan worden;

Overwegende dat de renovatie van niet meer in gebruik zijnde bedrijfsruimtes een van de alternatieve compensatie is voor de opneming van de bedrijfsruimte in de zin van artikel 46, § 1, tweede lid, 3°, van het « CWATUP »;

Overwegende dat, bij de evaluatie van de verhouding tussen de alternatieve compensaties en de ontwerpen m.b.t. de opneming van nieuwe bedrijfsruimtes, het redelijk is rekening te houden met enerzijds de gedifferentieerde impact van de renovatie van te herontwikkelen bedrijfsruimtes volgens hun locatie en hun vervuiling en, anderzijds, met de impact op het milieu van de aanleg van een nieuwe bedrijfsruimte, die verschilt naar gelang van haar kenmerken en ligging; dat op die manier, mits eerbiediging van het proportionaliteitprincipe, blijkt dat een zware renovatie meer moet wegen dan de renovatie van een minder vervuilde site, dat de impact van voor het milieu gunstige maatregelen moet worden ingeschat in functie van het effect dat men er redelijkerwijze mag van verwachten, en dat die maatregelen des te belangrijker moeten zijn daar de aanleg van een nieuw gebied aanzienlijkere impact heeft op zijn omgeving;

Overwegende dat, bij gebrek aan elementen die de factoren kunnen objectiveren, welke die lasten en de impact volledig kunnen beoordelen, de Regering het nuttig acht, zowel om de voorschriften van het artikel 46, § 1, lid 2, 3°, van het CWATUP zeker te eerbiedigen en in haar bekommernis om, zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, de renovatie van te herstellen bedrijfsruimtes te promoten, Overwegende dat de Regering als begeleidingsmaatregel in 2004 beslist heeft er rekening mee te houden volgende sites een nieuwe bestemming te geven :

ANS

Paire Bouille

-

DISON

Laiterie Interlac

-

DISON

Rue des 600, 83

-

DISON

Rue des 600, 50/52

-

DISON

Entrepot Pisseroule

-

DISON

Machines Paulus

-

DURBUY

Steenbakkerij de Rome

-

ESNEUX

Texter

-

LUIK

Mercier G.

-

LUIK

Etablissements Sacré

-

LUIK

Fabriek voor betonnen buizen

-

LUIK

Firma CE plus T

-

LUIK

Militair depot

-

LUIK

Etablissements Balteau

-

LUIK

n° 4 Saint-Nicolas

-

LUIK

Entrepot Elias fauteuils Yvonne

-

LUIK

Kliniek Valdor

-

LUIK

Colgate Palmolive

-

LUIK

Wapenfabriek Francotte

-

MARCHIN

Papierwaren

-

OUPEYE

Gemeentelijke hangar

-

OUPEYE

Al Paveye

-

PEPINSTER

Textiel Pepinster

-

PEPINSTER

Textiel Pepinster 2

-

PEPINSTER

Fabriek Ransy

-

SERAING

Sualem

-

SERAING

Cementfabriek

-

SERAING

Slijperij nr.7 van Val Saint-Lambert

-

SERAING

Kwaliteitshout Saint-Jean

-

SERAING

Meubels Femina

-

SOUMAGNE

Coöperatieve vennootschap

-

SOUMAGNE

Schrijnwerk Biemar

-

VERVIERS

Tankstation Apna oil

-

VERVIERS

Stomerij Burhenne-Simonis

-

VERVIERS

Fabriek Bouchoms

-

VERVIERS

Textielfabriek Petit-Stevens (Hodimont)

-

VERVIERS

Lanolin Westbrook

-

VERVIERS

Motorwinkel Helios

-

VERVIERS

GRAU CLARISSES

-

VERVIERS

Wol Schmid


die een tenminste equivalente oppervlakte totaliseren;

Overwegende dat een gedeelte van die sites ondertussen gesaneerd is en dat de volgende sites bij die lijst toegevoegd moeten worden :

-

ANS

Mercier

-

BRAIVES

Brichart site

-

HERSTAL

ACEC

-

VERVIERS

Intervapeur


Overwegende dat op die manier meer dan voldoende is voldaan aan de door dit artikel opgelegde regel;

Overwegende dat er bovendien bij de uitvoering van de bedrijfsruimte zal worden voorzien in specifieke maatregelen om het milieu beter te beschermen (bescherming en uitbreiding van het « Bois noir »); dat de afzonderingsmarge die op het gebied aangelegd zal worden, de voorschriften van artikel 30 van het CWATUP ruimschoots overschrijdt; dat het in casu een echte landschappelijk bufferzone is, die gepland is en die in het plan met het bijkomend voorschrift *R.1.5 gemerkt is; dat een voetgangersweg en een ecologische verbinding binnen de afzonderingsomtrek ten slotte aangelegd zullen worden aan de rand van de nieuwe bedrijfsruimte;

Conclusie Overwegende dat uit het geheel van die ontwikkelingen blijkt dat het voorliggende project geschikt is om, met eerbied voor de in artikel 1 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium opgesomde doelstellingen, te kunnen beantwoorden aan de behoefte aan ruimte bestemd voor economische activiteit, binnen het betroffen referentiegebied;

Na beraadslaging;

Op de voordracht van de Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit, Besluit :

Artikel 1.De herziening van het gewestplan van Luik, die op het grondgebied van de gemeente Oupeye (Vivegnies en Hermée) als uitbreiding van de industriële bedrijfsruimte van de Hauts-Sarts (plaat 42/2N) de opneming inhoudt van : - een gemengde bedrijfsruimte, - een industriële bedrijfsruimte, - een groengebied, wordt overeenkomstig bijgevoegde plan en milieuverklaring definitief aangenomen.

Art. 2.Volgend bijkomend voorschrift, gemerkt « *R.1.5 », is van toepassing op de gemengde bedrijfsruimte en in de industriële bedrijfsruimte opgenomen op het plan bij dit besluit. « De gedeelten van bedrijfsruimtes gemerkt « *R.1.5 » zijn voorbehouden voor de oprichting van een afzonderingsomtrek. »

Art. 3.De Minister van Ruimtelijke Ordening is belast met de uitvoering van dit besluit.

Namen, 6 mei 2010.

De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit Ph. HENRY

Milileuverlaring betreffende de definitieve aanneming van de herziening van het gewestplan van Luik met het oog op de opneming van een gemengde bedrijfsruimte en een industriële bedrijfsruimte op het grondgebied van de gemeente Oupeye (Vivegnis en Hermée), als uitbreiding van de industriële bedrijfsruimte van de Hauts Sarts en de opneming van een groengebied (plaat 42/2N) Inleiding Deze milieuverklaring wordt vereist krachtens artikel 44, lid 2, van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium (hierna het « Wetboek »).

Ze wordt gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering betreffende de definitieve aanneming van de herziening van het gewestplan van Luik met het oog op de opneming van een gemengde bedrijfsruimte en een industriële bedrijfsruimte op het grondgebied van de gemeente Oupeye (Vivegnis en Hermée), als uitbreiding van de industriële bedrijfsruimte van de Hauts Sarts en de opneming van een groengebied (plaat 42/2N).

Ze wordt samen met dat besluit bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Deze milieuverklaring is een samenvatting van de manier waarop de milieuoverwegingen werden opgenomen in de herziening van het gewestplan en waarop het milieueffectenrapport, de adviezen, bezwaren en opmerkingen in overweging werden genomen. Ze is ook een samenvatting van de redenen voor de keuzes van de herziening van het gewestplan, rekening houdende met de andere in het vooruitzicht gestelde redelijke oplossingen.

Daar deze milieuverklaring hypothetisch gesproken een samenvatting is, zij voor de details verwijst naar de tekst van het besluit van de Waalse Regering.

Voor meer leesbaarheid werd deze verklaring opgedeeld in vier hoofdstukken : het eerste hoofdstuk gaat over de inhoud van de herziening van het gewestplan, het tweede gaat in op de chronologie ervan, het derde, op de milieuoverwegingen en het vierde op de alternatieven.

I. Voorwerp van de herziening van het gewestplan In het kader van het eerste « prioritair plan van de bedrijfsruimtes » heeft een besluit van de Waalse Regering de herziening van het gewestplan van Luik met het oog op de opneming van een gemengde bedrijfsruimte en een industriële bedrijfsruimte op het grondgebied van de gemeente Oupeye (Vivegnis en Hermée), als uitbreiding van de industriële bedrijfsruimte van de Hauts Sarts en de opneming van een groengebied (plaat 22) definitief aangenomen.

Op 19 december 2008 is dat besluit nietig is verklaard bij arrest 189.044 van de dertiende kamer van Raad van State bij gebrek aan motivering wat betreft de keuze van het project ten opzichte van het alternatief onderzocht door de auteur van het milieueffectenonderzoek voor het plan : « de tegenpartij (...) heeft niet persoonlijk geantwoord op het precieze en relevante bezwaar van de eisers wat betreft het liggingsalternatief dat overwogen is in het effectenonderzoek en dat op dat punt kritiek levert op het besluit van de Waalse Regering van 18 september 2003 houdende goedkeuring van het ontwerp tot herziening van het gewestplan ».

Deze herziening heeft de vernieuwing van de administratieve akte die onwettig is verklaard, als doel.

Deze herziening van het gewestplan van Luik houdt op het grondgebied van de gemeente Oupeye (Vivegnies en Hermée) als uitbreiding van de industriële bedrijfsruimte van de Hauts-Sarts (plaat 42/2N) de opneming in van : - een gemengde bedrijfsruimte van 25 hectaren, - een industriële bedrijfsruimte van 24 hectaren, - een groengebied.

Het volgende bijkomende voorschrift voorzien van het merk « *R.1.5 » is van toepassing in de gemengde bedrijfsruimte en in de industriële bedrijfsruimte opgenomen in het gewestplan : « De gedeelten van bedrijfsruimtes gemerkt « *R.1.5 » zijn voorbehouden voor de oprichting van een afzonderingsomtrek ».

Bovendien heeft de Regering in 2004 beslist als begeleidingsmaatregel er rekening mee te houden volgende afgedankte bedrijfsruimtes een nieuwe bestemming te geven :

-

ANS

Paire Bouille

-

DISON

Zuivelfabriek Interlac

-

DISON

Rue des 600, 83

-

DISON

Rue des 600, 50/52

-

DISON

Entrepot Pisseroule

-

DISON

Machines Paulus

-

DURBUY

Steenbakkerij de Rome

-

ESNEUX

Texter

-

LUIK

Mercier G.

-

LUIK

Etablissements Sacré

-

LUIK

Fabriek voor betonnen buizen

-

LUIK

Firma CE plus T

-

LUIK

Militair depot

-

LUIK

Etablissements Balteau

-

LUIK

nr. 4 Saint-Nicolas

-

LUIK

Entrepot Elias fauteuils Yvonne

-

LUIK

Kliniek Valdor

-

LUIK

Colgate Palmolive

-

LUIK

Wapenfabriek Francotte

-

MARCHIN

Papierwaren

-

OUPEYE

Gemeentelijke hangar

-

OUPEYE

Al Paveye

-

PEPINSTER

Textiel Pepinster

-

PEPINSTER

Textiel Pepinster 2

-

PEPINSTER

Fabriek Ransy

-

SERAING

Sualem

-

SERAING

Cementfabriek

-

SERAING

Slijperij nr. 7 van Val Saint-Lambert

-

SERAING

Kwaliteitshout Saint-Jean

-

SERAING

Meubels Femina

-

SOUMAGNE

Coöperatieve vennootschap

-

SOUMAGNE

Schrijnwerk Biemar

-

VERVIERS

Tankstation Apna oil

-

VERVIERS

Stomerij Burhenne-Simonis

-

VERVIERS

Fabriek Bouchoms

-

VERVIERS

Textielfabriek Petit-Stevens (Hodimont)

-

VERVIERS

Lanolin Westbrook

-

VERVIERS

Motorwinkel Helios

-

VERVIERS

GRAU CLARISSES

-

VERVIERS

Wol Schmid


die een tenminste equivalente oppervlakte als deze herziening van het gewestplan totaliseren;

Een gedeelte van die sites is ondertussen gesaneerd is en de Regering heeft beslist bij die lijst de volgende sites toe te voegen :

-

ANS

Mercier

-

BRAIVES

Brichart Site

-

HERSTAL

ACEC

-

VERVIERS

Intervapeur


Er wordt bovendien bij de uitvoering van de bedrijfsruimte voorzien in specifieke maatregelen om het milieu beter te beschermen (bescherming en uitbreiding van het « Bois noir »).

Bovendien is de afzonderingsmarge een echte landschappelijk bufferzone, die gepland is en die in het plan met het bijkomend voorschrift *R.1.5 gemerkt is.

Ten slotte zullen een voetgangersweg en een ecologische verbinding binnen de afzonderingsomtrek aangelegd worden aan de rand van de nieuwe bedrijfsruimte.

II. Chronologie De herziening van het gewestplan heeft het voorwerp uitgemaakt van de procedure bedoeld in de artikelen 42 tot 44 van het Wetboek en werd chronologisch doorgevoerd als volgt : Op 18 oktober 2002 heeft de Waalse Regering de herziening van het gewestplan van Luik beslist en heeft ze het voorontwerp tot wijziging van het plan aangenomen met het oog op de opneming van een gemengde bedrijfsruimte en een industriële bedrijfsruimte op het grondgebied van de gemeente Oupeye (Vivegnis en Hermée), als uitbreiding van de industriële bedrijfsruimte van de Hauts Sarts en de opneming van een groengebied (plaat 42/2N).

Ten gevolge van een offertenaanvraag ingediend op 4 oktober 2002 heeft de Waalse Regering op 21 november 2002 de « SC IGRETEC », die daartoe twee keer erkend is, aangewezen om het effectenonderzoek betreffende het bovenvermelde wijzigingsontwerp uit te voeren. Ze heeft de tekst van dit onderzoek in augustus 2003 ingediend.

Op 18 oktober 2003 heeft de Waalse Regering het ontwerp tot herziening van het gewestplan van Luik aangenomen met het oog op de opneming van een gemengde bedrijfsruimte en een industriële bedrijfsruimte op het grondgebied van de gemeente Oupeye (Vivegnis en Hermée), als uitbreiding van de industriële bedrijfsruimte van de Hauts Sarts (plaat 42/2N).

Het ontwerp tot herziening van het gewestplan is aan een openbaar onderzoek onderworpen dat in Oupeye tussen 28 oktober en 11 december 2003 heeft plaatsgevonden en aanleiding heeft gegeven tot bezwaren en opmerkingen over verschillende thema's.

Op 15 januari 2004 heeft de gemeenteraad van Oupeye een aan voorwaarden verbonden gunstig advies uitgebracht.

Op 19 maart 2004 heeft de « Commission régionale d'Aménagement du Territoire » een voorwaardelijk gunstig advies over het project uitgebracht en heeft gemeend dat de kwaliteit van het effectenonderzoek bevredigend is.

Op 4 maart 2004 heeft de « Conseil wallon de l'Environnement pour le Développement durable » (Waalse Raad voor Leefmilieu voor Duurzame Ontwikkeling) ook een gunstig advies met opmerkingen en aanbevelingen uitgebracht en heeft hij gemeend dat de kwaliteit van het effectenonderzoek bevredigend is, hoewel hij enkele onnauwkeurigheden en gebreken aan uitleg heeft vastgesteld.

III. Leefmilieuvoorwaarden De Waalse Regering heeft beslist het gewestplan van Luik te herzien om zo spoedig mogelijk in te spelen op de behoeften aan ruimte die voor de economische activiteit nodig is. Die behoeften zijn geïdentificeerd, geobjectiveerd en aangepast door expertises van de « DEPA » en de « CPDT ». In casu heeft de site kenmerken die geschikt zijn om in te spelen op die behoeften, zoals ze in het effectenonderzoek onderzocht zijn.

Laatstgenoemde alsmede de adviezen, aanbevelingen en bezwaren uitgebracht zowel door de adviesinstanties als het publiek hebben tot de evolutie van het oorspronkelijke project bijgedragen. De Regering heeft zo laatstgenoemde gewijzigd, waarbij ze maatregelen aangenomen heeft die met name een landschappelijke integratie ten opzichte van de naburige residentiële functies waarborgen.

Deze verklaring heeft overigens betrekking op de leefmilieu-overwegingen waarvoor, bij ene of andere stap van het proces van herziening van het gewestplan, zoals het hierboven in de chronologie voorgelegd is, een impact geïdentificeerd is. Ze vat de wijze samen, waarop ze in aanmerking zijn genomen naar gelang van de aan het licht gebrachte aspecten van het milieu. Voor een uitvoerige inhoud wordt verwezen naar het besluit.

Landschappelijke impact Reclamanten menen dat het landschapserfgoed schade zal ondervinden door het verdwijnen van de boomgaarden achter de voetbalterreinen van Hermée. Verschillende reclamanten vragen ook dat er in het gewestplan bufferzones zouden worden opgenomen. De voorgestelde oplossingen en inrichtingen verschillen zowel in samenstelling als in toepassing.

Ondanks de blijvende aanwezigheid van een zekere landbouwactiviteit stelt de « CRAT » vast dat de kenmerken van de streek van Hesbignon reeds sterk zijn gewijzigd door de nabijgelegen economische en transportinfrastructuur. De CRAT stelt tevens vast dat het effectenonderzoek er voorafgaand op wijst dat de mogelijke visuele verandering als gevolg van het project opnieuw moet worden gekaderd binnen het landschap waar de economische activiteit reeds sterk aanwezig is.

Artikel 30 van het Waalse wetboek verplicht bovendien de aanleg van afzonderingsomtrekken of -infrastructuur om de omgeving, al dan niet bebouwd, te beschermen tegen o.m. de visuele, hinder van het ontwerpgebied. De CRAT schaart zich achter de zorgen van de reclamanten en spreekt zich uit over de opneming van een bijkomend voorschrift dat afzonderingomtrekken bepaalt.

In casu zal in antwoord op die bezwaren een echte landschappelijke bufferzone ingericht worden, die in de cartografie opgenomen is met het bijkomend voorschrift gemerkt *R.1.5.

Overigens zullen aangepaste maatregelen geval per geval besloten kunnen worden in het kader van de behandeling van de vergunningsaanvraag voor de uitvoering van de infrastructuren nodig voor de viabilisatie van de bedrijfsruimte en van de individuele vergunningsaanvragen. Die aanvragen zullen worden beoordeeld op hun milieueffecten overeenkomstig de bepalingen van Boek I van het Milieuwetboek.

Groengebied en Bois noir In het voorontwerp heeft de Regering gemeend dat, indien het project het bosgebied « Bois noir » dreigt te wijzigen, heel belangrijk op lokaal vlak als beschuttings- en verbindingsgebied, de inrichting van een gepland groengebied tussen de bedrijfsruimte en het momenteel in het gewestplan opgenomen groengebied, de oppervlakte van het Bois noir zal kunnen uitbreiden en de ecologische functies ervan zal kunnen verstevigen.

De CRAT staat achter het voorstel van de Regering, ondanks de voorstellen van de reclamanten om dit groengebied in de bedrijfsruimte op te nemen.

Geluids- en geurhinder Reclamanten wijzen erop dat de bedrijfsruimte reeds heel wat geluids- en geurhinder veroorzaakt en vrezen dat een uitbreiding van het gebied die hinder alleen maar zal vergroten.

Wat de luchtkwaliteit betreft, meent het effectenonderzoek dat ook al is de luchtkwaliteit van de site heel matig, de toepassing de huidige situatie slechts heel licht zal beïnvloeden.

Wat de geluidshinder betreft, blijkt uit metingen ter plaatse dat de waarden lager liggen dan de richtwaarde en grenswaarde van 55 dba.

Wat de geurhinder betreft, stelt de CRAT vast dat het effectenonderzoek bevestigt dat de woongebieden in het centrum van Oupeye dreigen te worden aangetast aangezien ze onder de dominerende winden liggen.

Aan het geheel van bezwaren betreffende de door de reclamanten en de CRAT aangehaalde hinder zal bij het onderzoek van de vergunningsaanvragen betreffende de viabilisatie van de bedrijfsruimte of van die betreffende de installatie van ondernemingen in voldoende mate kunnen worden tegemoet gekomen, overeenkomstig de geluidsnormen opgelegd door de vigerende wetgeving en van het systeem voor de milieueffectenbeoordeling bedoeld in Boek I van het Milieuwetboek.

Bereikbaarheid - mobiliteit Verschillende reclamanten wijzen op het dichtslibben van de omliggende wegen en op de verzadiging van het verkooppunt van de Hauts-Sarts.

De CRAT deelt deze analyse en wijst op het onveilige karakter dat uit het effectenonderzoek blijkt. Ze stelt dan ook voor te opteren voor de opneming van een nieuw verkooppunt op de verbindingsweg met de A601 ter hoogte van Milmort, zoals bepaald in het gemeentelijke mobiliteitsplan. De Regering deelt deze analyse maar meent dat het niet noodzakelijk is deze verbinding in het gewestplan op te nemen om de toelatingen te verkrijgen volgens de door artikel 127 van het CWATUP bepaalde procedures. Die interpretatie wordt overigens versterkt door bovenvermeld arrest van de Raad van State daar het concludeert dat « het op te richten verkooppunt geen verkooppunt sensu strico is maar een nieuwe aansluiting op de opricht A601 ter hoogte van Milmort » en dat « dat de volledige en definitieve bepaling van dergelijke toegangswegen deel uitmaakt van de uitvoeringsdetails die geen betrekking hebben op de zorgen inzake ruimtelijke ordening op schaal van het gewestplan ».

Andere reclamanten suggereren een pad voor voetgangers te integreren in de beplanting zuid en zuidoost ter vervanging van de weg nr. 11, welke de voornaamste weg naar de bedrijfsruimte is. De operator geeft blijk van het voornemen om weg nr. 11 te behouden en om die weg in te richten als ecologische verbinding en langzame doorgangsweg. Bovendien zal er een pad geïntegreerd worden in de landschapachtige afzonderingsomtrek op de zuidelijke en zuidoostelijke gedeelten.

De CWEDD herhaalt zijn aanbevelingen over de relatie tussen mobiliteit, transport en ruimtelijke ordening en is verheugd vast te stellen dat de uitvoering van « mobiliteitsplannen » wordt opgelegd, die het mogelijk zullen maken het gebruik van zachte vervoersmodi en openbaar vervoer aan te moedigen; hij dringt erop aan dat het voetgangers- en fietsverkeer in de nieuwe bedrijfsruimtes wordt beveiligd.

De Regering staat achter deze suggestie maar acht dat het inrichtingsniveau zoals bedoeld in het gewestplan evenwel op dergelijke vragen niet aangepast is en dat die suggestie op een meer natuurlijke wijze geconcretiseerd zal worden in het kader van de vergunningsaanvraag betreffende de vestiging van de infrastructuren en van de milieueffectenbeoordeling die daarover uitgevoerd zal worden.

Gemeentelijke mobiliteitsplannen zijn overigens reeds uitgevoerd of zijn heden in uitvoering, namelijk de gemeentelijke mobiliteitsplannen van de gemeenten van de Basse-Meuse (Bitsingen, Oupeye en Wezet - september 2002) en het gemeentelijke mobiliteitsplan van de gemeente Herstal (verslag van fase 3 - januari 2009), waarvan enkele conclusies op bijzondere maatregelen voor de bedrijfsruimte van de Hauts Sarts slaan. Deze plannen trekken de haalbaarheid van de opneming van de bedrijfsruimte van Oupeye niet in twijfel.

De conclusies van die plannen zullen evenwel onderzocht moeten worden bij de opmaking van het project betreffende de uitrusting van de bedrijfsruimte die de gepaste schaal voor hun behandeling vormen : oprichting van een nieuw knooppunt op de opricht A601 ter hoogte van Milmort, herinrichting van het autowegenknooppunt nr. 34 van de Hauts Sarts en verbindingstraject tussen de verschillende zones van het park van de Hauts Sarts via de steenweg van het industrieel park, de « rue de Bêche » en de « route de Tilice » door de herinrichting van een nieuwe tunnel onder de spoorweg.

Voor het overige is de wens om de nieuwe bedrijfsruimtes te bedienen met het openbaar vervoer niet in tegenspraak met het door de Regering gevoerde beleid. Het netwerk van de TEC is zodanig georganiseerd dat de voornaamste plaatsen op het grondgebied die verkeer genereren bediend zijn, en aangezien het essentieel via de weg verloopt, is het zonder hoge investeringen, makkelijk aan te passen in functie van de evolutie van de plaatsen die de stromen genereren. Anderzijds, gelet op zijn structurele kost, biedt het spoor enkel een relevante oplossing voor de mobiliteitsproblemen als het om lange afstanden en grote volumes gaat. Voor de meeste individuele transportbehoeften van de K.M.O.'s die zich in de nieuw aangelegde bedrijfsruimtes zullen vestigen, kan het spoor dan ook enkel worden gebruikt in combinatie met andere vervoermiddelen, vooral via de weg. Het is dus via een intermodaliteit tussen spoor en weg, die zal worden opgenomen in de milieueffectenbeoordeling uitgevoerd in het kader van de vergunningsaanvraag betreffende de vestiging van de infrastructuren, dat de door de CWEDD vooropgestelde duurzame doelstellingen inzake mobiliteit zullen kunnen worden gehaald.

Bodemreliëf en fysische drukfactoren Verschillende reclamanten wijzen erop dat er in de delen in het oosten en zuidoosten van de site een sterk hoogteverschil is, wat afwateringsproblemen dreigt te veroorzaken. De « CRAT » betreurt dat deze kwestie niet ter sprake is gekomen in het milieueffectenonderzoek.

Andere reclamanten wijzen op het bestaan van geotechnische risico's wegens opgevulde gebieden, de aanwezigheid van mijnschachten en wegens de afvloeiing van de wateren Bovendien vermoedt het milieueffectenonderzoek dat er zich kastfenomenen kunnen voordoen.

Voor de Regering en de auteur van het effectenonderzoek zetten die drukfactoren de uitvoering van de bedrijfsruimte niet op de helling.

Het is in het stadium van de onderzoeken die nodig zijn voor de viabilisatie van het bedrijvenpark, dat de gebieden die geotechnisch gezien als geschikt worden beschouwd, bepaald zullen kunnen worden, met name naar gelang van de milieueffectenbeoordeling die gepaard gaat met de vergunningsaanvraag betreffende die infrastructuren; de non-aedificandi-gebieden kunnen het voorwerp uitmaken van een alternatieve inrichting als ecologisch doorgangsgebied, als open recreatiegebied of als gebied gebonden aan de economische activiteit (parkeerplaats, voorlopig opslaggebied,...) Waterbeheer Reclamanten vrezen voor vervuiling van het oppervlakte- en grondwater door de werf en het vervoer. De CRAT meent dat de op de site ontwikkelde activiteiten in alle gevallen rekening zullen moeten houden met het bestaan van nabijgelegen drinkbaar te maken waterwinningsplaatsen.

Wat die zorgen en de behandeling van het afvalwater betreft, zetten laatstgenoemde de uitvoering van de bedrijfsruimte niet op de helling.

Het is in het stadium van de onderzoeken die nodig zijn voor de viabilisatie van het bedrijvenpark en niet in het stadium van de bestemming van de grond dat die zorgen concreet vervuld kunnen worden met name naar gelang van de milieueffectenbeoordeling die gepaard gaat met de vergunningsaanvraag betreffende die infrastructuren. De machtiging zal een gepast systeem bepalen om de juiste zuivering van het afvalwater van het gebied mogelijk te maken met het oog op het behouden van de waterlagen en van de winningspunten.

IV. Liggings- en afbakeningsalternatieven De Regering heeft gemeend dat het project de uitbreiding van de industriële bedrijfsruimte van de Hauts Sarts, op het grondgebied van de gemeente Oupeye vormt en dat ze als doel heeft bedrijven te ontvangen die actief zijn in sectoren die traditioneel op de site zijn ingeplant en in de transport-, logistieke en distributiesector. Ze vindt ook dat als uitbreiding van de bestaande bedrijfsruimte, de ontwerpgebieden geschikte sites vormen om tot synergieën en een beter gebruik van de in het bestaande gebied beschikbare uitrusting te komen.

Het effectenonderzoek acht dat de optie van het voorontwerp van wijzigingsplan gegrond is voor wat betreft de opneming van een bedrijfsruimte van 49 hectare (25 hectare als gemengde bedrijfsruimte en 24 hectare als industriële bedrijfsruimte) op het grondgebied van de gemeente Oupeye in het centrale deel van de provincie Luik.

Het effectenonderzoek is op zoek gegaan naar liggings- en afbakeningsalternatieven en heeft ze onderzocht.

Een liggingsalternatief werd op die manier gevonden en bestudeerd : de opneming van een gemengde bedrijfsruimte op de terreinen opgenomen als gebied waarvan de inrichting door de gemeente aan een overlegprocedure onderworpen is, ter plaatse genaamd « Pontisse », vlakbij het knooppunt van de E40 met de E313. Dankzij het onderzoek van dit alternatief is het oorspronkelijke project gevalideerd en is afgezien van het liggingsalternatief.

Het effectenonderzoek voor een gewestplan maakt immers een objectieve vergelijking van het alternatief ten opzichte van het project zoals hierna uiteengezet mogelijk : - het project vertoont daadwerkelijk enkele nadelen : het wordt opgenomen in een niet voor bebouwing bestemd gebied, het ligt naast woongebieden en het « Bois noir » en is gelegen naast een winningsgebied maar die gevolgen gebonden aan de nabijheid van woongebied, van het « Bois noir » en van een winningsgebied kunnen verminderd worden door gepaste beschermingsmaatregelen; - het project en het alternatief hebben een gemeenschappelijk nadeel : ze vereisen de inrichting van een nieuw knooppunt om hun toegankelijkheid te verbeteren rekening houdende met de verzadiging van de knooppunten nr. 34 « Hauts Sarts » en nr. 35 « Herstal »; - het project en het alternatief vertonen enkele gemeenschappelijke kwaliteiten : beperkingen van het reliëf, weinig invloed op de plaatselijke biodiversiteit, geen bedreigde beschermende elementen en afzonderingsmaatregelen zullen bovendien de bestaande toestand kunnen verbeteren; - het project vertoont de volgende kwaliteiten ten opzichte van het liggingsalternatief : een betere toegankelijkheid met het openbaar vervoer, een hercentrering van de bebouwing, als rechtstreekse uitbreiding van de huidige industriële bedrijfsruimte, van de bestaande infrastructuren op het gebied (rechtverkrijgenden die uitgebreid moeten worden aan de rand van de site), een geringere visuele impact, een gebruik van bepaalde terreinen met een lage landbouwkwaliteit (oude zandgroeve) en een lager nadeel ten opzichte van de landbouwactiviteiten.

De Regering acht op grond van het effectenonderzoek en ten opzichte van artikel 1 van het Wetboek dat het project meer significante kwaliteiten heeft dan het alternatief;

Reclamanten hebben ook laten gelden dat het gebied één van de laatste groene longen van de omgevingen aantastte. Indien het waar is dat de bij het project betrokken terreinen een landschappelijke rol spelen, dient er opgemerkt te worden dat het groengebied op het niveau van het « Bois noir », het landbouwgebied in het noorden van de economische bedrijfsruimte en een ruime landbouwstrook in het noorden van Oupeye en Hermée behouden worden.

Sommigen stellen voor dat aan de behoeften voldaan wordt in de bestaande bedrijfsruimtes of door de renovatie van afgedankte bedrijfsruimtes. De CRAT meent evenwel dat de lokalisatie van het project in overeenstemming is met de in het SDER opgesomde principes.

Ze staat achter de analyse van het effectenonderzoek dat tot het besluit is gekomen dat er in reeds bestaande bedrijfsruimtes geen lokalisatiealternatief bestond en dat er ook geen herin te richten sites bestaan die een alternatief zou kunnen zijn voor voorliggend project.

Wat betreft de afbakenings- en uitvoeringsalternatieven, zijn verschillende wijzigingen van het oorspronkelijke project in aanmerking genomen.

Het effectenonderzoek heeft aangetoond dat de door het ontwerpgebied vertoonde nadelen gevoelig zouden worden beperkt, indien de afbakening op die manier was gewijzigd dat, zonder de oppervlakte ervan gevoelig te beperken, het een geschikte configuratie zou krijgen tot aan de fysische grenzen, met als gevolg een schrapping van de enclave van het woongebied met landelijk karakter uit het voorontwerp en een mindere impact op de woongebieden door het opleggen van afzonderingsmarges op de en in plaats van de in het voorontwerp bepaalde groengebieden, ten oosten van de site om het nabije woongebied beter te beschermen.

Als gevolg van de klachten heeft de CRAT drie wijzigingen voorgesteld van de afbakening van de oppervlakte : - uitsluiting van de bedrijfsruimte van de achterkant van de tuinen van de woningen in de straat « rue Jean Volders », van de verkaveling van « l'Arbre Saint-Roch » en van de « Clos Saint-Roch »; - uitbreiding van de industriële bedrijfsruimte in het noordwesten om er een klein deel van het woongebied met landelijk karakter, welke ze als lineair bestempelt, in op te nemen; - uitbreiding van de industriële bedrijfsruimte in het noorden en noordoosten om een oppervlakte met landschappelijke waarde aan te leggen langs weg nr. 10.

De Regering antwoordt op die drie voorstellen met de volgende beslissingen : - Ze acht dat het bezwaarschrift gegrond is dat als doel heeft de als landbouwgebied geklasseerde terreinen, die de achterkant van de tuinen van de woningen in de straat « rue Jean Volders », van de verkaveling van « l'Arbre Saint-Roch »en van de Clos Saint-Roch » vormen, uit te sluiten van de omtrek van het gebied, om de gevolgen van de opneming van het gebied voor deze woningen te beperken; - ze meent tevens dat er geen reden is de omtrek van het gebied in het noordwesten uit te breiden, o.m. omdat het effectenonderzoek de gevolgen van deze uitbreiding op de nabijgelegen woningen niet kon bestuderen en dat het behoud ervan niet in strijd lijkt met een goede inrichting van het grondgebied; - ze kan ook niet staan achter het voorstel om de omtrek van het gebied in het noorden uit te breiden om er een afzonderingsomtrek te vormen tussen weg nr. 10 en het aanpalende landbouwgebied aangezien het aangewezen is weg nr. 10 als fysische grens in het noordoosten van de bedrijfsruimte te behouden en dat het beter is te voorzien in een afzonderingsmarge in het zuiden van weg nr. 10.

Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Waalse Regering van 6 mei 2010 houdende definitieve goedkeuring van de herziening van het gewestplan van Luik met het oog op de opneming van een gemengde bedrijfsruimte en een industriële bedrijfsruimte op het grondgebied van de gemeente Oupeye (Vivegnis en Hermée), als uitbreiding van de industriële bedrijfsruimte van de Hauts Sarts en de opneming van een groengebied (plaat 42/2N).

Namen, 6 mei 2010.

De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Leefmilieu, Ruimtelijke Ordening en Mobiliteit, Ph. HENRY _______ Nota Het advies van de « Commission régionale de l'Aménagement du Territoire » is in het Belgisch Staatsblad van 13 augustus 2004 bekendgemaakt.

^