Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Waalse Regering van 09 september 2004
gepubliceerd op 10 november 2004

Besluit van de Waalse Regering betreffende de toepassing van de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten

bron
ministerie van het waalse gewest
numac
2004203314
pub.
10/11/2004
prom.
09/09/2004
ELI
eli/besluit/2004/09/09/2004203314/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

9 SEPTEMBER 2004. - Besluit van de Waalse Regering betreffende de toepassing van de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten


De Waalse Regering, Gelet op de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten, inzonderheid op artikel 3, § 1, 1°, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 februari 2001 houdende organisatie van de controles die worden verricht door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en tot wijziging van diverse wettelijke bepalingen;

Gelet op Verordening (EG) nr. 1788/2003 van de Raad tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten;

Gelet op Verordening (EG) nr. 595/2004 van de Commissie van 30 maart 2004 houdende vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1788/2003 van de Raad tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten;

Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 19 december 2002 betreffende de toepassing van de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten, laatst gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 18 september 2003;

Gelet op het samenwerkingsakkoord van 18 juni 2003 tussen de federale overheid, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitoefening van de geregionaliseerde bevoegdheden op het gebied van landbouw en visvangst;

Gelet op het samenwerkingsakkoord van 30 maart 2004 tussen de federale overheid, het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitoefening van de geregionaliseerde bevoegdheden op het gebied van landbouw en visvangst;

Gelet op het samenwerkingsprotocol van 16 juli 2004 tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de heffing in de sector melk en zuivelproducten;

Gelet op het overleg tussen de gewestregeringen en de federale overheid van 17 mei 2004;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;

Gelet op de toewijzing aan de Gewesten van de bevoegdheden op het gebied van landbouw met ingang van 1 januari 2002;

Overwegende dat maatregelen getroffen dienen te worden om de beslissingen met betrekking tot de overdracht van de bevoegdheden toe te passen;

Overwegende dat de continuïteit van de openbare dienstverlening gewaarborgd moet worden, met naleving van de verplichten opgelegd bij de Europese regelgeving op het vlak van landbouw;

Overwegende dat Verordening nr. 1788/2003 van de Raad aangeeft dat een nationale reserve is ingesteld door elke lid-Staat en dat de modaliteiten voor het beheer van die nationale reserve het voorwerp uitmaken van het samenwerkingsprotocol tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de heffing in de sector melk en zuivelproducten;

Overwegende dat de modaliteiten voor de overdracht en de hertoewijzing van referentiehoeveelheden gereglementeerd dienen te worden om rekening te houden met de nieuwe bepalingen van Verordening (EG) nr. 1788/2003 van de Raad, dat die regelgeving erop gericht dient te zijn de speculatie terzake te voorkomen en dat ze toegepast dient te worden tijdens de periode van twaalf maanden die begint op 1 april 2004;

Overwegende dat het begrip van groepering van zuivelproducten waarvan elk lid voor de samenstelling van die groepering beantwoordde aan de bepalingen van artikel 5, punt c, van Verordening (EG) nr. 1788/2003 van de Raad om elke handeling ter omzeiling van de regelgeving te voorkomen, bepaald dient te worden om de structuur van de zuivelproductie te verbeteren in de zin van een rationalisering van de productiemiddelen en van schaalvoordelen;

Overwegende dat er in boetes is voorzien bij niet-naleving van de termijnen die zijn opgelegd bij de Europese regelgeving om de betrokken premies te storten aan de producenten of in geval van vertraging in het toepasselijk maken van de betrokken regelgevingen of indien zij slecht worden toegepast;

Overwegende dat de producenten zo spoedig mogelijk ingelicht dienen te worden over de wijzigingen die plaatsvonden, wat betreft hun rechten en verplichtingen en dat die regelgeving toegepast dient te worden tijdens de lopende periode van twaalf maanden die begon op 1 april 2004;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 17 juli 2004;

Op de voordracht van de Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme;

Na beraadslaging, Besluit :

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° de heffing : de heffing ten laste van de producent van koemelk op de leveringen van melk aan een koper en op de rechtstreekse verkopen van melk en zuivelproducten aan de eindverbruiker, bedoeld bij Verordening (EG) nr.1788/2003 van de Raad van 29 september 2003 Raad tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten; 2° de periode : de periode van 12 maanden van toepassing van de heffing lopende van 1 april tot 31 maart van het volgende jaar;3° de Minister : de Minister bevoegd voor Landbouw;4° het Ministerie : het Ministerie van het Waalse Gewest;5° het Bestuur : de Afdeling Steun aan de Landbouw van het Directoraat-generaal Landbouw van het Ministerie van het Waalse Gewest;6° de producent : a.de landbouwuitbater, natuurlijke of rechtspersoon of groepering van natuurlijke personen of rechtspersonen of van beide, die op een autonome manier voor eigen profijt en rekening een bedrijf beheert en die uit dien hoofde, rechtstreeks melk of andere zuivelproducten aan de eindverbruiker verkoopt of die melk levert aan een koper; b. ofwel de groepering van melkproducenten : de tijdelijke groepering van twee producenten zoals omschreven in punt a, die op autonome wijze voor eigen profijt en rekening één enkel bedrijf beheert die uitsluitend voortvloeit uit het samenbrengen van beide bedrijven van de leden ervan, namelijk het geheel van de productie-eenheden beheerd door elk van de leden van de groepering voorafgaandelijk aan de oprichting van bedoelde groepering van melkproducenten en die uit dien hoofde rechtstreeks melk of andere zuivelproducten verkoopt of melk levert aan een koper. Daarnaast dient aan volgende voorwaarden te worden voldaan : b.1. Oprichting van de groepering van melkproducenten bij authentieke akte : - de groepering wordt opgericht bij een authentieke akte houdende oprichting van de groepering van melkproducenten. Vóór de oprichting van bedoelde groepering van melkproducenten beantwoordde elk lid ervan aan de bepalingen van punt a ; - bij de authentieke akte wordt er een gedetailleerde inventaris van de inbreng van de verschillende leden van de groepering van melkproducenten gevoegd, met vermelding onder andere van het veebeslag en de bij de inbreng betrokken productie-eenheid of -eenheden, de referentiehoeveelheden waarover elk lid van bedoelde groepering beschikte op het tijdstip van de ondertekening van de authentieke akte, de gronden die voor de melkproductie dienen, met een maximum van 20 000 liter referentiehoeveelheid per hectare, onverminderd de bepalingen van artikel 1, 15°, f, en artikel 6; - in de authentieke akte worden eveneens aangegeven het nummer en het adres van de productie-eenheid met inbegrip van de melkinstallaties van waaruit de leveringen en/of rechtstreekse verkopen van de groepering van melkproducenten plaatsvinden, evenals het nummer van het gemeenschappelijke veebeslag. Indien het nummer van het veebeslag niet bekend is bij de opstelling van de authentieke akte, wordt het aan het Bestuur medegedeeld binnen de dertig dagen volgend op de datum waarop de authentieke akte verleden wordt; - alle gronden die moeten dienen voor de melkproductie tijdens het bestaan van de groepering en die vermeld zijn op de authentieke akte dienen gelegen te zijn op het grondgebied van de voormalige gemeente waar de melkinstallaties die door de groepering van melkproducenten gebruikt zijn, of op het grondgebied van een voormalige naburige gemeente; - voor alle leden van de groepering van melkproducenten die voor de oprichting van bedoelde groepering van melkproducenten in 1997-1998 of daarna overnemers waren van referentiehoeveelheden in de zin van de bepalingen van artikel 1, punt 15°, en de artikelen 5, 9, 10 en 14 van het besluit van de Waalse Regering van 19 december 2002 betreffende de toepassing van de heffing in de sector melk en zuivelproducten of in 1996-1997 of daarna in de zin van de bepalingen van artikel 1, punt 16°, en de artikelen 5 en 14 van hetzelfde besluit van 19 december 2002, dienen de gronden die in de groepering van melkproducenten zijn ingebracht, minstens die te zijn, die met de referentiehoeveelheden zijn overgenomen; b.2. Duur van de groepering van melkproducenten : de groepering van melkproducenten wordt opgericht voor een duur van drie periodes beginnend op 1 april. Na het einde van die termijn wordt de groepering, indien er geen voorafgaandelijke aanvraag tot uitdrukkelijke verlenging door alle leden van die groepering plaatsvindt, wordt genoemde groepering ontbonden; b.3. Referentiehoeveelheden van de groepering van melkproducenten : - de door de groepering van melkproducenten beheerde referentiehoeveelheden stemmen overeen met de som van de door elk lid aangebrachte referentiehoeveelheden. Het representatieve gehalte aan vette stoffen van de door genoemde groepering beheerde referentiehoeveelheden is het gewogen gemiddelde van de representatieve gehalten aan vette stoffen van de door elk lid van de groepering aangebrachte referentiehoeveelheden. - met uitzondering van de bepalingen voorzien bij artikelen 9 en 10, mag de groepering van melkproducenten noch overnemer noch overdrager zijn van een referentiehoeveelheid in de zin van de bepalingen van artikelen 1, punt 15°, 5 en 14; - in geval van toepassing van de bepalingen van artikelen 3, 4 en 15 wordt enkel de groepering van melkproducenten in aanmerking genomen, met uitzondering van haar leden als ze afzonderlijk worden genomen; b.4. Leden van de groepering van melkproducenten : - op het ogenblik van het verlijden van de authentieke akte houdende oprichting van de groepering van melkproducenten, moet elk lid voldoen aan de bepalingen van punt a ; - op 1 april na de datum van het verlijden van genoemde akte mag geen rechtspersoon, eventuele vennoot-beheerder, bestuurder of beheerder onder de leden van genoemde groepering de leeftijd van 65 jaar hebben bereikt; - elk lid van genoemde groepering voldoet aan de bepalingen van artikel 1, punt 7; - elk lid van de groepering moet zijn verbintenissen naleven wat betreft de toekenning van eventuele steun aan de installatie en de investering die hij zou hebben genoten voor de oprichting van de groepering; b.5. Productie- en veebeslageenheden van de groepering van melkproducenten : - de groepering van melkproducenten mag enkel één veebeslag beheren en mag enkel de productie-eenheden van haar leden beheren, ongeacht de activiteitengebieden; b.6. Ontbinding en/of terugtreding uit de groepering van melkproducenten.

Behoudens overmacht mag de groepering van melkproducenten enkel worden ontbonden na afloop van de duur van drie periodes waarvoor zij werd opgericht of verlengd; - bij de ontbinding van de groepering van melkproducenten herkrijgt elk lid van de groepering zijn oorspronkelijke referentiehoeveelheden die bepaald zijn bij het verlijden van de authentieke akte. Evenwel worden de eventuele referentiehoeveelheden die verworven zijn krachtens de bepalingen van artikel 15 in gelijke delen verdeeld onder de terugtredende leden; 7° landbouwer in hoofdberoep : a.hetzij de natuurlijke persoon die zelf het landbouwbedrijf uitbaat, die uit zijn bedrijf een netto belastbaar inkomen verwerft dat meer dan 50 % bedraagt van het netto belastbaar bedrag van zijn globaal inkomen en die aan werkzaamheden buiten het bedrijf minder dan 50 % van zijn totale arbeidsduur besteedt; b. hetzij de rechtspersoon waarvan de statuten de uitbating van een landbouwbedrijf en de verhandeling van de hoofdzakelijk op dit bedrijf voortgebrachte producten tot voorwerp hebben.Die rechtspersoon moet daarenboven voldoen aan volgende voorwaarden : b.1. opgericht zijn in de vorm van een landbouwvennootschap bedoeld bij de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van vennootschappen, ofwel : b.2. opgericht zijn in één van de vormen bedoeld bij het Wetboek van vennootschappen, artikel 2, § 2, streepjes 1 tot 6, boek I en bovendien de volgende voorwaarden vervullen : - opgericht zijn voor een duur van ten minste 20 jaar; - de aandelen of de deelbewijzen van de vennootschap moeten op naam zijn; - de aandelen of deelbewijzen van de vennootschap moeten voor ten minste 51 % toebehoren aan de bestuurders of zaakvoerders; - de bestuurders of zaakvoerders van de vennootschap moeten onder de vennoten worden aangewezen; - de bestuurders of zaakvoerders van de vennootschap moeten meer dan 50 % van hun tijd besteden aan landbouwwerkzaamheden in de vennootschap en meer dan 50 % van het netto belastbaar bedrag van hun globaal inkomen uit die activiteit halen; c. hetzij de groepering van natuurlijke of rechtspersonen of van beide waarin al de natuurlijke personen meer dan 50 % van hun totale arbeidsduur aan landbouwwerkzaamheden in de groepering besteden en uit die werkzaamheden meer dan 50 % van het netto belastbaar bedrag van hun globaal inkomen halen, en waarin al de rechtspersonen de onder punt b) vermelde voorwaarden vervullen en meer dan 50 % van hun werkzaamheden aan de landbouwwerkzaamheden van de groepering besteden;d. hetzij een groepering van natuurlijke personen samengesteld uit twee echtgenoten waarvan alleen één van beiden voldoet aan de onder punt a) vastgelegde voorwaarden;e. hetzij een groepering van melkproducenten zoals bepaald in punt 6°, b, waarvan alle leden voldoen aan de in punten a en b vastgestelde voorwaarden of een groepering van melkproducenten bestaand uit twee echtgenoten van wie enkel één voldoet aan de in punt a vastgestelde voorwaarden;8° levering : iedere levering van melk, met uitzondering van andere zuivelproducten, door een producent aan een koper, vervoerd door de producent, de koper, de onderneming die deze producten behandelt of verwerkt, of door een derde;9° rechtstreekse verkoop : elke verkoop of overdracht, door een producent, van melk rechtstreeks aan de verbruiker alsook elke verkoop of overdracht, door een producent, van andere zuivelproducten;10° de melkproductie-eenheid : het geheel van de functioneel samenhangende middelen, door de producent uitgebaat voor de productie van melk omvattend, voor zijn exclusief gebruik, de melkveestal, de voor de melkproductie gebruikte gronden, de melkinstallatie, de melkkoeien, de voedervoorraden en de melkkoeltank of de melkkruiken. Het adres van de melkinstallaties van de melkproductie-eenheid bepaalt diens adres en, bijgevolg, de zone waaronder de productie-eenheid valt; 11° het bedrijf : het geheel van de door de producent beheerde en uitgebate melkproductie-eenheden;12° naburige oude gemeenten : de oude gemeenten vóór de fusie der gemeenten, verwezenlijkt bij de wet van 30 december 1975, waarvan het centrum gelegen is binnen een straal van 30 kilometer van het centrum van de oude gemeente waar de installaties van de melkproductie-eenheid gelegen zijn, alsook de dichtstbijgelegen oude gemeenten die, indien nodig, moeten toegevoegd worden tot de oppervlakte van een cirkel met een straal van 30 kilometer bereikt wordt;13° de koper : de koper zoals omschreven in artikel 5 van Verordening (EG) nr.1788/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten. Elke koper moet erkend zijn door de Bestuur overeenkomstig de bepalingen van artikel 23 van Verordening (EG) nr. 595/2004 van de Commissie van 30 maart 2004 houdende vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1788/2003 van de Raad tot vaststelling van een heffing in de sector melk en zuivelproducten; 14° zone : het grondgebied van het Waalse Gewest;15° overname van een bedrijf : § 1.Overdracht van het geheel van de melkproductie-eenheden van één enkel bedrijf, met inbegrip van de daarmee overeenstemmende referentiehoeveelheden zoals geboekt door het Bestuur op 31 maart 2002, onder de volgende voorwaarden : a. de overname van de referentiehoeveelheden heeft geen enkele cumulering van referentiehoeveelheden voor de overnemer tot gevolg;b. de melkproductie door deze overnemer mag slechts gebeuren op dit overgenomen bedrijf. Bij overname door een bloed- of een aanverwant in de eerste graad van de overdrager, onverminderd de toepassing van punt e, behoudt de overnemer evenwel zijn referentiehoeveelheid als hij eenmaal tijdens de periode van negen jaar vanaf de datum waarop de referentiehoeveelheid overgedragen wordt, een andere melkproductie-eenheid overneemt, die in Wallonië gevestigd is op het grondgebied van de vroegere gemeente waar de met de referentiehoeveelheden bedoeld in punt a overgenomen gronden gelegen zijn of op het grondgebied van een vroegere aangrenzende gemeente. In dit geval moet de producent voldoen aan de volgende voorwaarden : b.1. de overname van die andere melkproductie-eenheid veroorzaakt geen cumulering van referentiehoeveelheden door de overnemer; b.2. gedurende negen jaar vanaf de overname van die nieuwe melkproductie-eenheid mag de melkproductie enkel gebeuren op die andere productie-eenheid en moeten de voor melkproductie bestemde gronden, onverminderd de toepassing van punt e, die zijn welke overgenomen zijn met de referentiehoeveelheden bedoeld in punt a, behalve als het geheel van de referentiehoeveelheid is vrijgemaakt, zoals voorzien in artikel 15, § 1; c. dit als dusdanig overgenomen bedrijf moet daadwerkelijk uitgebaat worden, voor de productie van melk, gedurende ten minste 9 jaar vanaf de datum van de overdracht van de referentiehoeveelheid, behalve als de totale referentiehoeveelheid is vrijgemaakt.Tijdens deze periode mag dit bedrijf in zijn geheel of gedeeltelijk niet worden uitgewonnen noch verhuisd; d. gedurende deze periode van negen jaar mag de overnemer slechts het gehele bedrijf of een gedeelte ervan overdragen aan een andere producent voorzover deze laatste op zijn beurt tijdens een periode van negen jaar aan dezelfde voorwaarden voldoet als zijn overdrager, zich ertoe verbindt dezelfde verplichtingen na te leven als zijn overdrager, en zijn bloed- of aanverwant in de eerste graad, zijn bloedverwant in de zijlinie en tweede graad of zijn echtgenoot is. Gedurende deze periode van negen jaar en onverminderd de bepalingen van artikel 10, mag de producent-overnemer alle referentiehoeveelheden en alle gronden gebruikt voor melkproductie waarover hij op 31 maart 2003 al beschikte, echter overdragen aan een producent die zijn echtgenoot is en die op 31 maart 2003 al over referentiehoeveelheden beschikte.

Op dezelfde wijze, gedurende die periode van negen jaar, als de producent-overnemer een groepering van natuurlijke personen is die onderling bloed- of aanverwant in de eerste graad zijn, in geval van ontbinding van genoemde groepering, worden de referentiehoeveelheden en alle gronden gebruikt voor melkproductie verdeeld en overgedragen aan de leden van die groepering volgens de bepalingen van § 2.

De verplichting van bloed- of aanverwantschap in de eerste graad of van bloedverwantschap in de zijlinie en tweede graad geldt niet : 1) wanneer de producent-overnemer ingevolge een erfenis een overdracht van het bedrijf betrokken bij de erfenis uitvoert als overdrager;2) of wanneer de overnemer als natuurlijk persoon het hele bedrijf overmaakt aan een landbouwvennootschap waarvan hij de enige beherend vennoot is;e. gedurende deze zelfde periode kan de overnemer geen andere melkproductie-eenheden uitbaten, met uitzondering van de gronden dienstig voor de melkproductie, dan deze die deel uitmaakten van het overgenomen bedrijf, onverminderd punt b) ; f. wanneer de producent-overdrager één enkele natuurlijke persoon of een groepering van echtgenoten is en wanneer de producent-overnemer, bestaand uit één enkele natuurlijke persoon of een groepering van echtgenoten zoals omschreven in artikel 1.7°, d, bloed- of aanverwant in de eerste graad in neergaande lijn is van de producent-overdrager, worden de maximale referentiehoeveelheden, die kunnen overgelaten worden per hectare dienstig voor de melkproductie, aangepast in functie van de totale oppervlakte die kan overgelaten worden zonder evenwel 50 000 liter per hectare te overschrijden. Enkel de verwijzing naar de gronden gelegen in België op de oppervlakteaangifte van de overdrager en die betrekking heeft op het jaar voorafgaand aan de lopende periode zal in aanmerking worden genomen om de totale over te laten oppervlakte te bepalen.

Enkel de op 31 maart 1985 voor de producent-overdrager beschikbare referentiehoeveelheden maken het voorwerp uit van deze aanpassing. De producent-overdrager heeft, sedert 1 april 1985, een referentiehoeveelheid groter dan 20 000 liter per hectare gronden uitgebaat in België; g. als de overname het gevolg is van een vererving, kunnen de overlevende echtgenoot of echtgenote of de overlevende natuurlijke personen die deel uitmaken van de betrokken groepering het bedrijf overnemen zonder verplicht te zijn tot de voorwaarden opgelegd bij de punten b tot en met e, maar moeten alle verplichtingen blijven naleven die de overdrager moest naleven. § 2. Onverminderd de toepassing van § 1 kan de overdracht van gronden van het bedrijf evenwel gedeeltelijk zijn voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld : a. de producent-overdrager is een groepering van natuurlijke personen, onderling bloed- of aanverwant in de eerste graad, onder de voorwaarden bedoeld in § 1, d), of een groepering van natuurlijke personen die onderling bloedverwant zijn in de zijlinie en tweede graad en de producent-overnemer is één van de leden van deze groepering;b. de rest van de gronden wordt op dezelfde datum overgedragen aan het andere lid van de groepering die een andere melkproductie-eenheid overneemt volgens de bepalingen van punten b tot g van § 1;c. de groepering, producent-overdrager, heeft vóór haar ontbinding een overeenkomst opgemaakt waarin de referentiehoeveelheden alsook de grondoppervlakten gebruikt voor melkproductie waarvan elk lid het genot behoudt of overneemt, staan vermeld.16° oppervlakteaangifte : de oppervlakteaangifte bepaald bij het ministerieel besluit van 20 december 2001 houdende uitvoering van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot instelling van een steunmaatregel voor de producenten van bepaalde akkerbouwgewassen.

Art. 2.De individuele referentiehoeveelheden beschikbaar op het bedrijf voor leveringen of rechtstreekse verkopen zijn de op 31 maart van de vorige periode beschikbare hoeveelheden.

De representatieve vetgehaltes die in aanmerking moeten worden genomen en de equivalentiecoëfficiënten die aangewend moeten worden om de zuivelproducten om te zetten in liter volle melk worden vastgelegd in de bijlage van dit besluit.

Art. 3.Om rekening te houden met veranderingen die van invloed zijn op zijn leveringen of zijn rechtstreekse verkopen kan de producent een behoorlijk gemotiveerde aanvraag indienen om voor de duur van de periode of definitief een verhoging of vaststelling te bekomen van één zijner referentiehoeveelheden, tegen overeenkomstige verlaging of opheffing van de andere referentiehoeveelheid.

De aanvraag moet bij aangetekende brief bij het Bestuur ingediend worden via het typeformulier beschikbaar op het Bestuur.

De termijn voorzien voor het indienen van die aanvraag wordt bepaald onverminderd de bepalingen van artikel 13 : 1° ten laatste op 31 juli van de eerste periode waarop deze wijziging betrekking heeft, indien het gaat om een verzoek voor het verkrijgen van een definitieve wijziging of de definitieve bepaling van referentiehoeveelheden.In geval van vrijmaking van het geheel of een gedeelte van de referentiehoeveelheden, zoals bedoeld in artikel 15, mag de aanvraag tot definitieve wijziging of definitieve vestiging van de vrij te maken referentiehoeveelheden echter worden ingediend tot 30 november van de betrokken periode; 2° ten laatste op 30 april van de periode die volgt op de periode waarop deze wijziging betrekking heeft, indien het gaat om een aanvraag voor een tijdelijke wijziging of de tijdelijke bepaling van referentiehoeveelheden.

Art. 4.§ 1. De producent kan het gedeelte van zijn referentiehoeveelheid voor leveringen of van zijn referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkopen, dat hijzelf niet voornemens is te gebruiken, voor de duur van de periode tijdelijk overdragen aan andere producenten. Alle melkproductie-eenheden van die producenten moeten in de zone liggen. § 2. Deze overeenkomsten van tijdelijke overdracht van referentiehoeveelheden moeten gesloten worden aan de hand van een typeformulier beschikbaar op het Bestuur of bij de koper.

Zij mogen slechts in aanmerking genomen worden indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan : 1° een producent mag de referentiehoeveelheden tijdelijk overdragen waarvoor hij, als overdrager en tijdens dezelfde periode, een aanvraag heeft ingediend, ofwel voor definitieve vrijmaking zoals voorzien in artikel 15, 4°, ofwel voor overdracht zoals voorzien in artikel 5. In dit laatste geval kan de referentiehoeveelheid alleen tijdelijk worden overgelaten aan de producent-overnemer aan wie de referentiehoeveelheid definitief zal worden overgedragen krachtens artikel 5.

Ingeval een producent tijdens dezelfde periode geen aanvraag voor definitieve vrijmaking heeft ingediend van een referentiehoeveelheid zoals voorzien in artikel 15, § 1, 4°, of voor overdracht zoals voorzien in artikel 5, is de totale hoeveelheid die hij kan overlaten op basis van een overeenkomst voor tijdelijke overdracht beperkt, behalve in geval van overmacht tot 20 000 liter; 2° de totale hoeveelheid die een producent mag overnemen op basis van overeenkomsten van tijdelijke overdracht wordt beperkt tot 20.000 liter. Dit plafond is niet van toepassing indien de totale referentiehoeveelheid, die via tijdelijke overdracht wordt overgenomen, een referentiehoeveelheid betreft die definitief overgenomen zal worden krachtens artikel 5. § 3. Om ontvankelijk te zijn moeten de in § 1 bedoelde overeenkomsten uiterlijk 30 november van de betrokken periode bij aangetekende brief worden overgebracht aan de Bestuur.

Art. 5.Onverminderd de bepalingen in artikel 15 worden in geval van gehele of gedeeltelijke overdracht van een bedrijf aan een andere producent door vererving, krachtens een akte waarbij de eigendom of het vruchtgebruik van onroerende goederen overgedragen of aangewezen wordt, alsook in geval van een akte van pacht, onderpacht of overdracht van pacht, en in geval van samenvoeging van bedrijven door twee of meer producenten en in het geval van een verandering van beherend vennoot in een landbouwbedrijf, de overeenkomstige referentiehoeveelheden overgedragen binnen de beperkingen en volgens de modaliteiten vastgesteld als volgt : a. de overgedragen referentiehoeveelheid mag niet hoger zijn dan 20 000 liter per hectare grond dienstig voor de melkproductie.De producent-overdrager bepaalt de gronden dienstig voor de melkproductie die gelegen moeten zijn op het grondgebied van de oude gemeente waar de installaties van de productie-eenheid, waarvan zij deel uitmaken, gelegen zijn en van waaruit per 31 maart 2002 de leveringen en/of rechtstreekse verkopen plaatsvonden die door het Bestuur geboekt werden, of op het grondgebied van een oude naburige gemeente.

De verantwoordingsdocumenten van de overdracht van de gronden moeten voorzien zijn van de door de respectievelijke gemeentelijke overheden voor eensluidend verklaarde handtekeningen; b. de producent-overnemer moet de overgenomen gronden dienstig voor de melkproductie gedurende minstens negen jaar uitbaten vanaf de datum van de overname van de referentiehoeveelheid, behoudens in geval van overmacht of in geval van toepassing van artikel 1, 15° voorzover de betrokken producent bloed- of aanverwant in de eerste graad of bloedverwant in de zijlinie en de tweede graad of de echtgenoot van de producent-overdrager is.Dit bewijs dient jaarlijks te worden geleverd aan de hand van de oppervlakteaangifte.

Indien overeenkomstig de bepalingen van artikel 1, punt 15°, een bedrijf wordt overgenomen door een andere producent, moet deze laatste eveneens, voor de gronden die na 1 april 1996 het voorwerp van een aanvraag tot overdracht hebben uitgemaakt, dezelfde verplichtingen naleven als zijn overdrager gedurende een nieuwe periode van negen jaar; c. onverminderd de bijzondere voorwaarden bedoeld in artikel 1, punt 15°, mag de producent-overdrager gedurende de lopende periode en de twee volgende periodes geen overdracht van referentiehoeveelheid uitvoeren als overnemer, behoudens in volgende gevallen : - c.1. de producent-overdrager heeft zijn gehele bedrijf, bestaande uit één enkele productie-eenheid, samen met de volledige referentiehoeveelheid overgelaten aan een producent die dit bedrijf overneemt zoals omschreven in artikel 1, punt 15, en die producent-overdrager neemt een ander bedrijf over, zoals omschreven in artikel 1, punt 15. Dit andere bedrijf mag noch de stal, noch de gronden noch de melkinstallatie omvatten die eerder werden overgelaten door de overnemer; - c.2. de producent-overdrager heeft een aanvraag ingediend voor vrijmaking van zijn totale referentiehoeveelheid op basis van de bepalingen van artikel 15; d. de producent-overdrager moet het bewijs leveren dat hij tijdens de twee voorgaande periodes melk heeft geleverd en/of rechtstreeks verkocht, behoudens gevallen van overmacht of wanneer de overdracht geen enkele cumul van referentiehoeveelheden teweegbrengt voor de producent-overnemer en wanneer deze laatste landbouwer in hoofdberoep is;e. onverminderd de bijzondere voorwaarden voorzien in artikel 1, punt 15, mag de producent-overnemer gedurende de lopende periode en de twee volgende periodes geen referentiehoeveelheid overdragen als overdrager, behoudens in geval van overmacht, in geval van verkoop of vererving van de gronden dienstig voor de melkproductie of wanneer de overdrager en de overnemer bloed- of aanverwant zijn in de eerste graad of wanneer de overdracht geen enkele cumul van referentiehoeveelheden teweegbrengt voor de producent-overnemer en wanneer deze laatste landbouwer in hoofdberoep is.

Art. 6.§ 1. Bij gehele of gedeeltelijke overdracht van een bedrijf omdat de verpachter de pacht opgezegd heeft aan de producent, en voor zover hij voor de vrederechter geldigverklaring bekomen heeft, behoudens indien de opzegging gedaan wordt op grond van artikel 7, 6°, 7° en 8°, van de wet van 4 november 1969 tot wijziging van de pachtwetgeving betreffende het recht van voorverkoop ten gunste van huurders van landeigendommen en indien de producent de melkproductie verder zet vanaf de melkproductie-eenheid die in dezelfde zone gelegen is, onverminderd de bijzondere voorwaarden bedoeld in artikel 1, punt 15°, en in de artikelen 5, 9, 10 van dit besluit, behoudt deze laatste een gedeelte of zijn gehele referentiehoeveelheid op voorwaarde dat de som van de behouden referentiehoeveelheid en de referentiehoeveelheid die overeenstemt met het bedrijf dat hij overneemt, niet groter is dan de referentiehoeveelheid waarover hij vóór het verstrijken van de pachtovereenkomst beschikte. § 2. Voor de toepassing van deze regel moet men onder gedeeltelijke overdracht verstaan : a. een opzeg gegeven voor het geheel van de stallen en de melkinstallatie van de melkproductie-eenheid;b. een opzeg van gronden die voor gevolg heeft dat de door de producent behouden oppervlakte zodanig verminderd wordt dat de referentiehoeveelheid per hectare groter wordt dan 10 000 liter;deze oppervlakte wordt bepaald op basis van de oppervlakteaangifte van de producent; c. een combinatie van de punten a en b. § 1 is van toepassing in geval van onteigening.

Art. 7.Indien gronden toebehorende aan de producent-overdrager met hypotheek bezwaard zijn en de hypothecaire schuldeiser bij aangetekende brief zijn schuldenaar en het Bestuur ter kennis heeft gebracht dat hij zich verzet tegen iedere overdracht van referentiehoeveelheid per hectare groter dan de gemiddelde referentiehoeveelheid per hectare van gronden waarvan de producent het genot heeft, dan mag de referentiehoeveelheid per overgelaten hectare niet groter zijn dan deze gemiddelde referentiehoeveelheid. Het verzet is alleen geldig indien het voorafgegaan wordt door de betekening van een exploot van beslag op onroerende grond of van een exploot van bevel bedoeld bij het artikel 1564 van het Gerechtelijk Wetboek.

Art. 8.In geval van gedwongen uitwinning van een bedrijf wordt de referentiehoeveelheid overgedragen aan de producent bedoeld in artikel 1, punt 15°.

Zo niet, wordt de referentiehoeveelheid verdeeld tussen de producenten in evenredigheid met de oppervlakten waarvan het genot door hen wordt overgenomen of bewaard.

Deze producenten mogen echter een overeenkomst sluiten waarin een andere verdeling wordt voorzien op voorwaarde dat de referentiehoeveelheid per hectare niet hoger is dan 20 000 liter.

Art. 9.Van de referentiehoeveelheden die het voorwerp uitmaken of uitgemaakt hebben van een overdracht, zoals bedoeld in de artikelen 5 en 13, wordt 90 % toegewezen aan de nationale reserve wanneer de overdracht gebeurt tussen producenten die noch bloedverwanten noch aanverwanten in de eerste graad noch bloedverwanten in de zijlinie en de tweede graad noch echtgenoten zijn.

Deze bepaling is echter niet van toepassing wanneer de overdracht wordt uitgevoerd hetzij ten bate van een groepering van natuurlijke personen zoals bepaald in artikel 1, 7°, c), waarvan het oudste lid minder dan 65 jaar oud is op 1 april volgend op de lopende periode, hetzij ten bate van een landbouwvennootschap waarvan de oudste beherend vennoot minder dan 65 jaar oud is op 1 april van de lopende periode en als, vóór die overdracht : - genoemde groepering of landbouwvennootschap het bedrijf en het geheel van de gronden gebruikt voor melkproductie van een overdrager, bloed- of aanverwant in de eerste graad heeft overgenomen, in de zin van artikel 1, 15°, door genoemde groepering of landbouwvennootschap op te richten met die overdrager, bloed- of aanverwant in de eerste graad. Die overdrager kan zelf voor 31 maart 2004 een bedrijf hebben opgericht in de zin van de bepalingen van artikel 1, 16°, van het besluit van de Waalse Regering van 19 december 2002 betreffende de toepassing van de heffing in de sector melk en zuivelproducten; - alle leden van genoemde groepering en alle vennoten-beheerders van genoemde landbouwvennootschap onderling bloed- of aanverwanten in de eerste graad zijn of bloedverwanten in de zijlinie en de tweede graad met een bloedverwant in de eerste graad.

Wanneer de oudste natuurlijke persoon van genoemde groepering van rechtspersonen of de oudste vennoot-beheerder van genoemde landbouwvennootschap de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt op 1 april van de volgende periode, zijn de bepalingen van artikel 9, § 3, 1° en 2°, van toepassing. § 2. Er moet bloed- of aanverwantschap bestaan tussen de overdrager en de overnemer : 1° als de producent-overnemer een rechtspersoon is, dient aan volgende voorwaarden voldaan te worden : a.het bloed- of aanverwantschap in de eerste graad of bloedverwantschap in de zijlinie en tweede graad of de hoedanigheid van echtgenoot moet in geval van landbouwvennotschap minstens bestaan bij één van de beherende vennoten die zijn vermeld in de akte tot oprichting van die landbouwvennootschap of in geval van een andere rechtspersoon, bij één van de bestuurders of beheerders die benoemd zijn in de akte tot oprichting van die rechtspersoon.

Bij gebrek daaraan moeten die beherende vennoten, bestuurders of beheerders de hoedanigheid van beherend vennoot van de landbouwvennootschap of van bestuurder of beheerder van de rechtspersoon ononderbroken hebben tijdens de negen voorgaande periodes; b. binnen de betrokken rechtspersoon moeten alle beherende vennoten, bestuurders of beheerders onderling bloed- of aanverwanten in de eerste graad of bloedverwanten in de zijlinie en de tweede graad zijn of de hoedanigheid van echtgenoot hebben;2° als de producent-overnemer een groepering van natuurlijke personen is, moet er bloed- of aanverwantschap in de eerste graad of bloedverwantschap in de zijlinie en tweede graad of de hoedanigheid van echtgenoot bestaan tussen de overdrager en de overnemer bij minstens één van de natuurlijke personen die de groepering vormen.De leden van die groepering moeten aan volgende voorwaarden voldoen : a. alle natuurlijke personen die die groepering vormen, moeten onderling bloed- of aanverwanten in de eerste graad of bloedverwanten in een zijtak in de tweede graad zijn (of de hoedanigheid van echtgenoot hebben);b. wanneer die groepering uit twee echtgenoten bestaat, moet de producent-overdrager een natuurlijke persoon of een groepering van natuurlijke personen bestaande uit twee echtgenoten zijn. Aan de vereiste van bloed- of aanverwantschap kan niet worden voldaan wanneer ofwel de overdrager ofwel de overnemer een andere rechtspersoon is dan de landbouwvennootschap, een groepering van rechts- of natuurlijke personen. § 3. Bovendien wordt van de referentiehoeveelheden die het voorwerp uitmaken of uitgemaakt hebben van een overdracht in de volgende gevallen 90 % toegewezen aan de nationale reserve : 1° de producent-overnemer is, behalve bij toepassing van artikel 1, 15°, g), een natuurlijke persoon die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt op 1 april van de volgende periode en die gedurende de drie voorgaande periodes zonder onderbreking geen landbouwer in hoofdberoep is;2° de producent-overnemer is, behalve bij toepassing van artikel 1, 15°, g), een groepering van natuurlijke personen of een landbouwvennootschap waarvan één van de personen of één van de beherende vennoten de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt op 1 april van de volgende periode en die gedurende de 3 voorgaande periodes zonder onderbreking geen landbouwer in hoofdberoep is geweest;3° de overdracht gebeurt ter toepassing van artikel 8, 2e lid; onverminderd de bijzondere bepalingen bedoeld in artikel 1, punt 15°; 4° de producent-overnemer blijft in gebreke om het bewijs te leveren van zijn hoedanigheid als landbouwer in hoofdberoep gedurende de duur van het hele jaar van de uitwerking van de overdracht of, in geval van een beginnende activiteit, gedurende heel het volgende burgerlijk jaar. Deze bepaling is niet van toepassing in het geval van overdracht van een bedrijf krachtens artikel 1, punt 15°, g), of van een gedeelte ervan tussen echtgenoten of tussen bloed- of aanverwanten in de eerste graad, en voorzover de producent-overnemer slechts uit één enkele natuurlijke persoon bestaat; 5° het geheel van het bedrijf van de producent-overnemer evenals de overgedragen grond zijn niet gelegen op het grondgebied van de oude gemeente waar de installaties van de productie-eenheid zich bevonden van waaruit per 31 maart 2002 de leveringen en/of de rechtstreekse verkopen gebeurden die door het Bestuur op de over te dragen referentiehoeveelheid geboekt werden, of op het grondgebied van een naburige oude gemeente.De afname voor de nationale reserve wordt eveneens toegepast indien de overgedragen gronden niet gelegen zijn op het grondgebied van de oude gemeente waar de melkinstallatie en/of de stal van de productie-eenheid van de overnemer zich bevinden, of op het grondgebied van een naburige oude gemeente.

Wanneer het geheel van het bedrijf van de producent-overnemer evenwel uit één productie-eenheid bestaat en gelegen is op het grondgebied van de oude gemeente waar de installaties van deze productie-eenheid gelegen zijn, of op het grondgebied van een naburige oude gemeente, is deze afname voor de reserve evenwel niet van toepassing indien de productie-eenheid van waaruit per 31 maart 2002 de leveringen en/of rechtstreekse verkopen gebeurden die door de Bestuur geboekt werden op de over te dragen referentiehoeveelheid, gelegen is op het grondgebied van de oude gemeente waar de installaties van de productie-eenheid van de overnemer zich bevinden, of op het grondgebied van een naburige oude gemeente; 6° één van de voorwaarden voorzien in artikel 5 wordt niet of wordt niet meer nageleefd. Bij niet-naleving van de bepaling van artikel 5, b, worden de 90 % van de referentiehoeveelheid die aan de nationale reserve worden toegewezen, evenwel in evenredigheid berekend met de verhouding bestaande tussen de oppervlakte van de overgenomen gronden die niet zijn uitgebaat op ononderbroken wijze tijdens de periode van negen jaar vanaf de datum van overdracht van de referentiehoeveelheid en de totale oppervlakte van de overgenomen gronden.

Art. 10.§ 1. Van de referentiehoeveelheden die het voorwerp uitmaken van een overdracht bedoeld in artikelen 5 en 13 tussen producenten die bloed- of aanverwant in de eerste graad zijn of tussen bloedverwanten in de zijlinie en tweede graad of tussen echtgenoten en die niet beantwoorden aan één van de gevallen bedoeld in artikel 9, § 3, wordt 90 % van de schijven die, samengevoegd met de referentiehoeveelheid van de overnemer vóór de overdracht, de referentiehoeveelheid van de overnemer na overdracht verhogen tot boven de 520 000 liter, toegewezen aan de nationale reserve. § 2. 1° Indien de producent-overnemer een groepering van natuurlijke personen is, beantwoordend aan de voorwaarden bedoeld in artikel 9, § 2, 2°, punt a), wordt het plafond van 520 000 liter op 720 000 liter gebracht. 2° Indien de producent-overnemer een landbouwvennootschap of een andere rechtspersoon is, die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 9, § 2, 1°, punt b), waarvan alle beherende vennoten beantwoorden aan de voorwaarden bedoeld in artikel 9, § 2, a), punt 1°, wordt het plafond van 520 000 liter verhoogd tot 720 000 liter.3° Indien de producent-overnemer bestaat uit een groepering van natuurlijke personen samengesteld uit twee echtgenoten zoals bepaald in artikel 1, 7°, d), wordt het plafond beperkt tot 520 000 liter. § 3. De afname voor de nationale reserve is niet van toepassing op het deel van de referentiehoeveelheid waarover de overdrager reeds beschikte voor de periode van 1 april 1991 tot 31 maart 1992, indien de producent-overdrager en de producentovernemer bloed- of aanverwanten in de eerste graad, bloedverwanten in de zijlinie en tweede graad of echtgenoten zijn en voldoen : 1° de overdrager mag in het lopende periode geen referentiehoeveelheid hebben overgenomen;2° noch overdrager, noch overnemer hebben de leeftijd van 65 jaar bereikt op 1 april van de periode waarin de overdracht uitwerking heeft.Bij groepering van natuurlijke personen of in geval van landbouwvennootschap of van rechtspersoon, wordt de leeftijd van de oudste persoon, beherend vennoot, bestuurder of beheerder in rekening gebracht; 3° de overnemer mag geen bedrijf overgenomen hebben in de zin van artikel 1, punt 15, gedurende de negen voorgaande periodes, noch gedurende de lopende periode.De negen periodes worden evenwel teruggebracht tot vijf als de betreffende vraag tot overname werd ingediend vóór 1 januari 1997; 4° indien de producent-overnemer of de producent-overdrager of beiden bestaan uit een landbouwvennootschap of een andere rechtspersoon, moeten alle beheerders of bestuurders beantwoorden aan de voorwaarden bedoeld in artikel 9, § 2, 1°, punt a).

Art. 11.§ 1. De referentiehoeveelheden die het voorwerp uitmaken van een overdracht worden voor 100 % toegewezen aan de nationale reserve indien het gaat om referentiehoeveelheden die de producent niet geheel of gedeeltelijk behoudt overeenkomstig artikel 6. § 2. Bij niet-naleving van één van de voorwaarden bepaald bij artikel 1, 15°, worden 100 % van de referentiehoeveelheden die overgedragen zijn aan de producent ter toepassing van genoemd artikel 1, 15°, aan de nationale reserve toegewezen op de eerste dag van de volgende periode.

Bij niet-naleving van de bepaling van artikel 5, b, worden 90 % van de referentiehoeveelheid die aan de nationale reserve worden toegewezen, in evenredigheid berekend met de verhouding bestaande tussen de oppervlakte van de overgenomen gronden die niet op ononderbroken wijze uitgebaat zijn tijdens de periode van negen jaar vanaf de datum van overdracht van de referentiehoeveelheid en de totale oppervlakte van de overgenomen gronden.

Art. 12.Bij een overdracht van het geheel of een gedeelte van een bedrijf aan een persoon die geen producent is, onverminderd de bepalingen in artikel 15, bedraagt de afname voor de nationale reserve 100 % van de overgedragen referentiehoeveelheid.

Art. 13.§ 1. Ingeval het Bestuur vaststelt dat de productie van melk en zuivelproducten van twee of meerdere producenten afkomstig is van eenzelfde bedrijf, dan voert zij een ambtshalve samenvoeging uit van de betrokken producenten.

In dit geval gaat het Bestuur over tot de rechtzetting van de referentiehoeveelheden die op dat bedrijf beschikbaar kunnen zijn, met toepassing van de bepalingen van de artikelen 5, 9, 10 en 14, § 1. § 2. Behoudens in geval van overmacht wordt de ambtshalve samenvoeging zoals bedoeld in § 1 eveneens uitgevoerd in geval van vaststelling van gebruik van dezelfde productiemiddelen van een melkproductie-eenheid door producenten of in geval van tijdelijke overdracht tussen producenten, ofwel rechtstreeks, ofwel via derden, van het beheer van alle of van een gedeelte van de productiemiddelen van een melkproductie-eenheid, voor een periode korter dan 24 maanden.

Deze bepaling is evenwel niet van toepassing voor de producenten die reeds actief waren vóór 1 april 1996 op dezelfde melkproductie-eenheid en waartussen - uiterlijk tot en met de campagne 1995-1996 - zich reeds een overdracht van het genoemd beheer heeft voorgedaan op dezelfde melkproductie-eenheid. § 3. In geval van ambtshalve samenvoeging, kan de betreffende producent, binnen de maand die volgt op de mededeling van de beslissing, een aanvraag indienen voor vrijmaking bedoeld in artikel 15, voor het gedeelte van de referentiehoeveelheden dat in geval van niet vrijmaking aan de nationale reserve zou worden toegewezen. § 4. In geval de in artikel 3, § 1 bedoelde aanvraag volgt op een ambtshalve samenvoeging, kan zij tot 31 december van de periode ingediend worden, voor zover het een referentiehoeveelheid betreft die conform artikel 15 wordt vrijgemaakt. § 5. Vanaf 1 april van de periode volgend op de mededeling van de beslissing, kunnen de referentiehoeveelheden bedoeld in § 3 niet meer in aanmerking genomen worden voor de instelling van de heffing.

Vanaf de mededeling van de beslissing, kunnen deze zelfde referentiehoeveelheden niet meer het voorwerp uitmaken, door de producent, van een overdracht zoals bedoeld in de artikelen 5, 9 en 10.

Als het Bestuur vaststelt dat een producent opgericht ter uitvoering van de bepalingen van artikel 1, 6°, b, deze bepalingen niet meer naleeft of niet heeft nageleefd, wordt elk lid van die producent beschouwd volgens de bepalingen van artikel 1, 6°, a, zoals het bestond voor de toepassing van de bepalingen van artikel 1, 6°, b. In dit geval gaat het Bestuur over tot een ambtshalve samenvoeging van zijn leden door de bepalingen van de artikelen 5, 9, 10 en 14 toe te passen en de betrokken referentiehoeveelheden en in voorkomend geval die verworven krachtens de bepalingen van artikel 15 te verbeteren. § 6. Ingeval het Bestuur zijn beslissing van ambtshalve samenvoeging meedeelt aan de betrokken producenten, kunnen deze binnen de maand volgend op de mededeling van de beslissing een beroep indienen bij de leidend ambtenaar van het Bestuur.

Ingeval de leidend ambtenaar na beroep de beslissing van ambtshalve samenvoeging handhaaft, wordt aan de betrokken producenten een nieuwe periode van één maand toegestaan voor vrijmaking bedoeld in artikel 15.

Art. 14.De overdrachten van referentiehoeveelheid bedoeld in de artikelen 5 tot 12 worden geregistreerd hetzij ambtshalve ofwel op aanvraag gericht aan het Bestuur aan de hand van een typeformulier beschikbaar bij het ministerie, waaraan de verantwoordingsdocumenten voor de overdracht van de gronden zullen worden toegevoegd.

De oprichting van een producent zoals bedoeld in artikel 1, 6°, b, wordt geregistreerd op aanvraag gericht aan het Bestuur aan de hand van een typeformulier beschikbaar bij het Ministerie, waaraan de verantwoordingsdocumenten voor de overdracht van de gronden zullen worden toegevoegd.

De overgedragen percelen moeten worden aangegeven op de kaarten van de oppervlakteaangiften.

De met de referentiehoeveelheden overgedragen gronden kunnen enkel betrekking op gronden die in België uitgebaat zijn en die door de overdrager aangegeven zijn in zijn oppervlakteaangifte van het kalenderjaar voorafgaand aan de lopende periode. Bij gebrek aan die laatste aangifte kan de producent-overdrager de overgedragen gronden hebben uitgebaat in België tijdens de lopende periode voorzover die gronden niet uitgebaat en aangegeven zijn door een andere producent tijdens de lopende en de twee voorafgaande periodes. § 2. Een aanvraag om overdracht van referentiehoeveelheden kan slechts betrekking hebben op een overdracht van het geheel of van een gedeelte van een bedrijf, die zich ten vroegste heeft voorgedaan op 1 april van de vorige periode en zich ten laatste voordoet op 31 maart van de periode. Om ontvankelijk te zijn, moet de aanvraag om overdracht of oprichting van een groepering van melkproducenten ingediend zijn uiterlijk op 30 november van de periode.

Een aanvraag om oprichting van een producent zoals bedoeld in artikel 1, 6°, b, mag enkel betrekking hebben om een aanvraag waarvan de authentieke akte houdende oprichting van genoemde producent verleden werd uiterlijk op 31 maart van de betrokken periode.

Een aanvraag om verlenging van een producent zoals bedoeld in artikel 1, 6°, b, moet worden ingediend bij het Bestuur bij aangetekende brief ondertekend door alle betrokken leden van de groepering. Om ontvankelijk te zijn moet die aanvraag worden ingediend tussen 1 april en 30 november van de laatste van de drie periodes waarvoor de groepering opgericht is. § 3. Behoudens in geval van bedrijfsovernames worden de overdrachten van referentiehoeveelheden alsmede de overeenkomstige afhoudingen voor de nationale reserve, uitgevoerd met uitwerking op 1 april van het volgende periode.

In geval van bedrijfsovername, dient de overdracht van gronden plaats te vinden tussen 1 april van de voorgaande periode en 31 maart van de huidige periode. In dit geval kunnen de overdrachten van de referentiehoeveelheden ten vroegste gebeuren na de overdracht van gronden en kunnen ten vroegste uitwerking hebben op 1 april van de lopende periode en ten laatste op 1 april van de volgende periode. De overeenkomstige afhoudingen voor de nationale reserve worden uitgevoerd met uitwerking op 1 april van het volgende periode. § 4. Het Bestuur verifieert of de voorwaarden van overdracht vervuld zijn en voert de overdracht uit.

Het Bestuur deelt zijn beslissing mee aan de betrokken partijen, die een beroep kunnen indienen bij de leidend ambtenaar van het Bestuur binnen de maand die volgt op de mededeling van de beslissing.

Art. 15.Bij het begin van een periode kunnen de producenten, tegen voorafgaande betaling, de herverdeling bekomen van referentiehoeveelheden die definitief werden vrijgemaakt op het einde van de vorige periode door andere producenten tegen betaling van een vergoeding gelijk aan de voornoemde betaling, mits aan volgende voorwaarden voldaan wordt : 1° de vrijmaking en herverdeling wordt enkel toegepast voor referentiehoeveelheden « leveringen »;2° voor de vrijgemaakte referentiehoeveelheid bedraagt de vergoeding 0,37 EUR per liter melk;het bedrag van de vergoeding wordt verhoogd of verlaagd in functie van het representatieve vetgehalte voor de referentiehoeveelheid leveringen, zoals omschreven in artikel 2, naar rato van 0,0002 EUR centiem per 0,01 gram vet boven of onder 37 gram;

Ongeacht de door het Bestuur beheerde steunregeling, in geval van niet-verschuldigde betaling, kunnen elk bij een producent terug te vorderen bedrag en de interesten daarvan afgetrokken worden van elke vergoeding die aan de producent bij wijze van vrijmaking verschuldigd is. 3° voor de per zone te herverdelen referentiehoeveelheden geldt een referentievetgehalte dat gelijk is aan het gewogen gemiddelde van de representatieve vetgehaltes van al de tijdens de periode per zone vrijgemaakte referentiehoeveelheden;de vergoeding per liter melk met het aldus berekende representatief vetgehalte is gelijk aan het totale bedrag aan vergoedingen dat op basis van het bepaalde onder 2° per zone aan de producent-overdragers moet worden betaald, gedeeld door het totaal aantal liter in dezelfde zone vrijgemaakte referentiehoeveelheden; 4° de producent-overdrager die er zich toe verbindt om aan het einde van de periode zijn referentiehoeveelheid voor leveringen, geheel of gedeeltelijk, definitief vrij te maken moet daartoe een aanvraag indienen zoals bepaald onder 6°.Alle melkproductie-eenheden van de producent-overdrager moeten gelegen zijn in de zone. De referentiehoeveelheid wordt in deze zone vrijgemaakt; 5° de producent-verkrijger die in aanmerking wenst te komen voor herverdeling van referentiehoeveelheden bij het begin van de volgende periode, moet daartoe eveneens een aanvraag indienen zoals bepaald onder 6°.(Een producent komt slechts in aanmerking voor een herverdeling als al zijn productie-eenheden in de zone gelegen zijn); 6° voor de vrijmaking of de herverdeling van referentiehoeveelheden moet de producent-overdrager of de producent-verkrijger in de (zone waarin al zijn melkproductie-eenheden gelegen zijn), een aanvraag indienen aan de hand van het typeformulier dat bij het Bestuur verkrijgbaar is.Voor de aanvragen bedoeld onder de punten 4° en 5° dienen volgende voorwaarden te worden nageleefd : a) de aanvragen bedoeld onder 4° voor de vrijmaking van referentiehoeveelheden moeten, om ontvankelijk te zijn, bij aangetekend schrijven naar het Bestuur worden opgestuurd, tussen 1 oktober en 30 november van de betrokken periode.Die termijn geldt niet voor de aanvragen voor vrijmaking bedoeld in artikel 13; b) de aanvragen bedoeld onder 5° voor de herverdeling van referentiehoeveelheden moeten, om ontvankelijk te zijn, bij aangetekend schrijven naar het Bestuur worden opgestuurd, tussen 1 oktober en 30 november van de betrokken periode;7° de herverdeling van vrijgemaakte referentiehoeveelheden wordt binnen elke zone verricht tussen de hieronder vermelde categorieën producenten : a) de producenten jonger dan 35 jaar op 1 april van de volgende periode;voor producenten die beantwoorden aan de voorwaarde van artikel 1, 7°, d), wordt enkel de echtgenoot of de echtgenote in aanmerking genomen die de voorwaarden bepaald in artikel 1, 7°, a) vervult; in geval van groepering wordt enkel de jongste natuurlijke persoon die de voorwaarden bepaald in artikel 1, 7°, a) vervult, in rekening gebracht of in geval van landbouwvennootschap of andere rechtspersoon, wordt de leeftijd van de jongste beherend vennoot, bestuurder of beheerder die reeds actief was op het ogenblik van de overname van de referentiehoeveelheid, in rekening gebracht; b) de andere producenten. De herverdeling wordt zodanig verricht : a) dat per zone 50 % van de vrijgemaakte referentiehoeveelheden aan de producenten van meer dan 35 jaar oud op 1 april na de lopende periode herverdeeld worden en de overige 50 %, aan de producenten van minder dan 35 jaar oud op 1 april na de lopende periode;b) elke producent die in elke categorie in rekening wordt gebracht, krijgt een even grote hoeveelheid zonder dat deze hoeveelheid de hoeveelheid mag overschrijden waarvoor hij een aanvraag zoals bedoeld onder 5° heeft ingediend;8° het Bestuur deelt zijn beslissing aan de betrokken producenten mee, die een beroep kunnen indienen bij de leidend ambtenaar van het Bestuur binnen de maand volgend op de mededeling van de beslissing. § 2. Om in aanmerking te komen voor de herverdeling van referentiehoeveelheden, moet de producent-verkrijger aan volgende voorwaarden voldoen : 1° hij moet landbouwer in hoofdberoep zijn en over een referentiehoeveelheid beschikken op 1 april van de volgende periode. De voorwaarde « landbouwer in hoofdberoep » is niet van toepassing voor de inrichtingen die door de Minister zijn erkend en die een gedeelte van hun bedrijvigheid besteden aan het wetenschappelijk onderzoek en/of aan het onderwijs in de sector van de melkproductie en voor de erkende landbouwbeurzen.

Als de producent-verkrijger in gebreke blijft om de vereiste bewijzen te leveren gedurende het gehele kalenderjaar van de herverdeling of, bij het opstarten van de bedrijvigheid, gedurende het gehele volgende kalenderjaar, wordt de aan die producent herverdeelde referentiehoeveelheid aan de nationale reserve toegewezen; 2° vóór de herverdeling mag hij niet beschikken over een totale referentiehoeveelheid voor leveringen en rechtstreekse verkopen die de 20 000 liter per hectare voederoppervlakte van het bedrijf overschrijdt;dat bewijs dient geleverd te worden aan de hand van de oppervlakteaangifte of, bij ontstentenis ervan, aan de hand van een verklaring op erewoord, die bevestigd zal dienen te worden door de oppervlakteaangifte van het daarop volgende jaar; bij gebreke van die bevestiging wordt de aan die producent herverdeelde referentiehoeveelheid aan de nationale reserve toegewezen.

De voederoppervlakten die in aanmerking worden genomen zijn de groepen « maïs », « weideland » en « andere voedergewassen » van de oppervlakteaangiften, namelijk de codes 201, 202, 611, 612, 621, 622, 71, 72, 73, 741, 742 en 743; 3° hij moet zich er onherroepelijk toe verbinden de totale vergoeding te betalen voor de referentiehoeveelheden die hem bij herverdeling zijn toegewezen, zodat het Bestuur die vergoeding innt binnen een termijn van één kalendermaand volgend op de datum waarop het resultaat van de herverdeling meegedeeld wordt. Indien de betaling niet binnen die termijn geschiedt, zal de producent-verkrijger van rechtswege tegen de wettelijke voet berekende intresten verschuldigd zijn, vanaf de eerste dag volgend op die termijn.

Bovendien zal de producent die in gebreke van betaling binnen die opgelegde termijn blijft, niet in aanmerking kunnen komen voor de herverdeling van referentiehoeveelheden van de volgende periode. Op het ogenblik van de aanvraag zal elke bestaande schuld die aanvraag onbestaand maken; 4° hij mag geen overdracht van een referentiehoeveelheid in de hoedanigheid van overdrager verricht hebben, noch definitief een referentiehoeveelheid hebben vrijgemaakt, tijdens de lopende periode of tijdens de twee voorgaande periodes;5° buiten het geval van een overname of van de oprichting van een bedrijf mag hij geen aanvraag voor de overdracht van een referentiehoeveelheid in de hoedanigheid van een overnemer hebben verricht tijdens de lopende periode;6° tijdens de lopende periode mag hij geen aanvraag hebben ingediend om tijdelijk een referentiehoeveelheid tijdelijk af te staan;7° hij mag de referentiehoeveelheden die gedurende de vijf periodes volgend op de herverdeling zijn herverdeeld, niet vrijmaken, behalve indien de gehele referentiehoeveelheid wordt vrijgemaakt.Indien gedurende één van die vijf periodes een gedeeltelijke vrijmaking verricht wordt, worden de aan de producent herverdeelde hoeveelheden aan de nationale reserve toegewezen op 1 april van de volgende periode

Art. 16.§ 1. Elke referentiehoeveelheid toegekend aan een producent die tijdens de duur van een volledige periode geen melk of andere zuivelproducten in de handel heeft gebracht, wordt na afloop van de betrokken periode toegewezen aan de nationale reserve. § 2. Voor elke producent die tijdens een periode een hoeveelheid gelijk aan minstens 70 % van zijn individuele referentiehoeveelheid gecumuleerd wegens leveringen en rechtstreekse verkopen, niet in de handel heeft gebracht, wordt 50 % van de niet-geproduceerde gecumuleerde referentiehoeveelheid toegewezen aan de nationale reserve na het verstrijken van de betrokken periode. § 3. Voor het deel van zijn referentiehoeveelheden die bij niet-vrijmaking toegewezen zou worden aan de nationale reserve, kan de bij de bepaling van § 2 betrokken producent een vrijmakingsaanvraag zoals bedoeld in artikel 15 indienen binnen de maand die volgt op de notificatie van de beslissing door het Bestuur.

Art. 17.§ 1. Wat de leveringen betreft en in voorkomend geval de rechtstreekse verkopen moet de koper vóór de 21e van elke maand aan het Bestuur alle gevraagde gegevens bezorgen met betrekking tot de leveringen van de voorgaande maand alsook alle aangevraagde inlichtingen betreffende de rechtstreekse verkopen van zuivelproducten door één of meerdere producenten.

Volgens de modaliteiten bepaald door de Minister, moet de koper of de persoon die voor rekening van de koper de melkophaling doet, tijdens elke ophaling een document invullen dat door de producent dient bewaard te worden en dat, per productie-eenheid, zijn leveringen en in voorkomend geval zijn rechtstreekse verkopen aan de betrokken koper individualiseert.

De kopers zijn verplicht alle gevraagde gegevens betreffende de leveringen en, in voorkomend geval, betreffende de rechtstreekse verkopen, van het vorige tijdvak te bevestigen aan het Bestuur vóór 30 april volgend op de betrokken periode.

De kopers moeten gedurende ten minste vijf jaren vanaf het einde van de periode de sporen van elke individuele levering en in voorkomend geval van elke rechtstreekse verkoop bewaren in de vorm van het origineel rapport van elke ophaalronde, gedateerd en naar behoren geïdentificeerd. § 2. Wat de rechtstreekse verkopen betreft moet de producent die tijdens de betrokken periode melk of zuivelproducten rechtstreeks heeft verkocht of die beschikte over een referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkopen, conform de bepalingen van de artikelen 11 en 24 van Verordening (EEG) nr. 595/2004 van de Commissie : 1° in het register hem ter beschikking gesteld door het ministerie een productboekhouding, alsook een permanente inventaris van de melkkoeien bijhouden. Dit register en de daarbij horende bewijsstukken dienen gedurende vijf jaar ter beschikking van het ministerie te worden gehouden; 2° het verklaringsformulier, per tijdvak, van de verkoop van melk en zuivelproducten, eveneens ingevoegd in het register bedoeld in 1°, invullen;3° dit formulier aan de Buitendienst van het Bestuur, per aangetekend schrijven en ten laatste op 30 april van de volgende periode, opsturen, eventueel vergezeld van de aanvraag tot tijdelijke wijziging of tot tijdelijke vaststelling van de referentiehoeveelheid, bepaald bij artikel 3, § 1. § 3. Bij het ontbreken op 15 mei van de volgende periode van de mededeling van de inlichtingen en verklaringen bedoeld in §§ 1 en 2, 3°, gelden de in artikel 11, punten 3 en 4, van Verordening (EEG) nr. 595/2004 van de Commissie voorziene boetes.

Art. 18.§ 1. Het ministerie is belast met de inning van de extra heffing. In geval van producent bedoeld in artikel 1, 6°, b, is de eventuele heffing onverdeeld verschuldigd onder zijn leden. § 2. Wat de leveringen betreft dient de extra heffing door de heffingsplichtige koper betaald te worden vóór 22 augustus van de volgende periode.

Indien deze termijn niet wordt nageleefd, wordt de wettelijke interest op jaarbasis toegepast op de verschuldigde bedragen.

De extra heffing moet betaald worden door de koper aan wie de verschuldigde producent levert op het ogenblik dat de afrekening wordt berekend na het einde van de betrokken periode.

De koper houdt het verschuldigde bedrag in op de prijs die hij voor de melk verschuldigd is aan de producent die de uiteindelijke schuldenaar is, of int het verschuldigde bedrag op een andere wijze met passende middelen.

Wanneer de door een producent geleverde hoeveelheden de referentiehoeveelheid overschrijden waarover hij beschikt, mag de koper, als voorschot op de verschuldigde heffing, het bedrag van de prijs van de melk inhouden van alle leveringen van die producent die deze ter beschikking staande referentiehoeveelheid overschrijden, zoals die gekend is op het ogenblik van inhouden. § 3. Wat de rechtstreekse verkopen betreft dient de extra heffing door de producent betaald te worden vóór 1 september van de volgende periode.

Indien deze termijn niet wordt nageleefd, wordt de wettelijke interest op jaarbasis toegepast op de verschuldigde bedragen. § 4. Het Bestuur neemt de nodige maatregelen in de gevallen waarin de koper of de producent niet in staat zijn de verschuldigde extra heffing te betalen.

In voorkomend geval, kan het Bestuur ter compensatie elke verschuldigde vergoeding uitbetalen aan de producent die het geheel of een gedeelte van zijn referentiehoeveelheid heeft vrijgemaakt overeenkomstig artikel 15, § 1.

Art. 19.Voor de toepassing van dit besluit kan rekening worden gehouden met de gegevens verstrekt door de producenten op de vragenformulieren gevoegd bij het koninklijk besluit van 2 april 2001 betreffende de organisatie van een jaarlijkse landbouwtelling in de maand mei, uitgevoerd door het Nationaal Instituut voor de Statistiek, en op de oppervlakteaangiftes, voorzien in het ministerieel besluit van 20 december 2001 houdende uitvoering van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen.

Art. 20.De inbreuken op de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 1788/2003 van de Raad en van Verordening (EG) nr. 595/2004 van de Commissie, op de bepalingen van dit besluit en op de bepalingen die getroffen zijn krachtens dit besluit, worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten.

Art. 21.Het besluit van de Waalse Regering van 19 december 2002 betreffende de toepassing van de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten wordt opgeheven.

De verbintenissen en verplichtingen die de producenten voorheen hebben aangegaan blijven echter van toepassing tot beëindiging ervan alsook de eventuele desbetreffende boetes onverminderd de bijzondere voorwaarden bedoeld in artikel 1, punt 15° en artikel 9, § 1.

Art. 22.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 april 2004.

Art. 23.De Minister van Landbouw is belast met de uitvoering van dit besluit.

Namen, 9 september 2004.

De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN

BIJLAGE Representatieve vetgehaltes en equivalentiecoëfficiënten.

A. Representatieve vetgehaltes : De representatieve vetgehaltes worden vastgesteld voor referentiehoeveelheden « leveringen », en voor referentiehoeveelheden « rechtstreekse verkopen » die geheel of gedeeltelijk aangewend worden voor leveringen aan een koper. 1. Basisvetgehalte : - Voor de referentiehoeveelheid leveringen : het representatieve vetgehalte verbonden aan de referentiehoeveelheid beschikbaar op 31 maart 2002. - Voor de referentiehoeveelheid rechtstreekse verkopen : 39,14 g/liter melk. 2. Bij aanpassing van een referentiehoeveelheid zoals voorzien in artikel 3 : - het representatieve vetgehalte van de verhoogde referentiehoeveelheid is gelijk aan het gewogen gemiddelde van het representatieve vetgehalte van de referentiehoeveelheid vóór verhoging en het representatieve vetgehalte van de geheel of gedeeltelijk overgedragen referentiehoeveelheid; - het representatieve vetgehalte van de verminderde referentiehoeveelheid van verandert niet. 3. Bij het afsluiten van overeenkomsten voor tijdelijke overdracht van referentiehoeveelheden, zoals voorzien in artikel 4 : - het representatieve vetgehalte van de referentiehoeveelheid van de producent-overnemer is gelijk aan het gewogen gemiddelde van de representatieve vetgehaltes van zijn oorspronkelijke referentiehoeveelheid en de tijdelijk verworven referentiehoeveelheid; - het representatieve vetgehalte van de referentiehoeveelheid van de producent-overdrager verandert niet. 4. Bij definitieve wijziging van referentiehoeveelheden zoals voorzien in de artikelen 5 en 6 : - het representatieve vetgehalte van de referentiehoeveelheid van de producent-overnemer is gelijk aan het gewogen gemiddelde van de representatieve vetgehaltes van zijn oorspronkelijke referentiehoeveelheid en de definitief verworven referentiehoeveelheid; - het representatieve vetgehalte van de referentiehoeveelheid van de producent-overdrager verandert niet.

B. Equivalentiecoëfficiënten om in de handel gebrachte zuivelproducten om te rekenen in liter volle melk : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Deze coëfficiënten werden vastgesteld uitgaande van volle melk met 39,14 gram vet per liter. Indien de producent kan bewijzen dat de hoeveelheden die werkelijk voor de vervaardiging van de betrokken producten zijn gebruikt verschillend zijn, worden de equivalentiecoëfficiënten op die basis gewijzigd.

Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Waalse Regering van 9 september 2004 betreffende de toepassing van de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten.

Namen, 9 september 2004.

De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN

^