Besluit Van De Waalse Regering van 19 december 2002
gepubliceerd op 07 april 2003
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Besluit van de Waalse Regering betreffende de toepassing van de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten

bron
ministerie van het waalse gewest
numac
2003027185
pub.
07/04/2003
prom.
19/12/2002
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

19 DECEMBER 2002. - Besluit van de Waalse Regering betreffende de toepassing van de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten


De Waalse Regering, Gelet op de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten, laatst gewijzigd bij de wet van 22 februari 2001;

Gelet op de verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad van 28 december 1992 tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelproducten, laatst gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 2028/2002;

Gelet op de verordening (EEG) nr. 1392/2001 van de Commissie van 9 juli 2001 houdende uitvoering van de verordening (EEG) nr. 3950/92 van de Raad tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelproducten;

Gelet op het koninklijk besluit van 2 oktober 1996 betreffende de toepassing van de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 januari 1997, 14 januari 1997, 8 september 1997, 27 maart 1998, 6 oktober 1998, 22 maart 1999, 11 april 1999, 13 maart 2000, 23 mei 2000 en 1 oktober 2001;

Gelet op het akkoord van 15 juli 2002 op de Interministeriële Conferentie Landbouw betreffende de overheveling van de bevoegdheden inzake landbouwbeleid naar de Gewesten en, in het bijzonder, wat betreft de toepassingswijze voor de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid;

Overwegende dat de wijze voor de herverdeling van de referentiehoeveelheden zodanig geregeld dient te worden dat de waarde van die referentiehoeveelheden, alsmede van de speculaties terzake, teruggedrongen wordt en dat die regelgeving toegepast dient te worden op de periode van twaalf maanden dat aanving op 1 april 2002;

Overwegende dat de bevoegdheden op landbouwvlak vanaf 1 januari 2002 aan de Gewesten toegewezen zijn;

Overwegende dat er maatregelen getroffen dienen te worden om de beslissingen betreffende de bevoegdheidsoverheveling toe te passen;

Overwegende dat de continuïteit van de openbare dienstverlening gewaarborgd moet worden, met naleving van de verplichten opgelegd door de Europese regelgeving op het vlak van landbouw;

Overwegende dat er in boetes is voorzien bij niet-naleving van de termijnen die zijn opgelegd bij de Europese regelgeving om de betrokken premies te storten aan de producenten of in geval van vertraging in het toepasselijk maken van de betrokken regelgevingen of indien zij slecht worden toegepast;

Op de voordracht van de Minister van Landbouw en Landelijke Aangelegenheden, Na beraadslaging, Besluit :

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° de extra heffing : de extra heffing ten laste van de producent van koemelk op de leveringen van melk of andere zuivelproducten aan een koper en op de rechtstreekse verkopen van deze producten aan de eindverbruiker, bedoeld bij verordening (EEG) nr.3950/92; 2° de periode : de periode van 12 maanden van toepassing van de extra heffing lopende van 1 april tot 31 maart van het volgende jaar;3° de Minister : de Minister bevoegd voor Landbouw;4° het Ministerie : in zone A, het Ministerie van het Waalse Gewest; in zone B, het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en, in voorkomend geval, het Ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; 5° het Bestuur : het Bestuur belast met het beheer van de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten in het betrokken Ministerie;6° de producent : de landbouwuitbater, natuurlijke of rechtspersoon of groepering van natuurlijke personen of rechtspersonen of van beide, die op een autonome manier voor eigen profijt en rekening een bedrijf beheert en die uit dien hoofde, rechtstreeks melk of andere zuivelproducten aan de eindverbruiker verkoopt of die ze levert aan een koper;7° landbouwer in hoofdberoep : a) hetzij de natuurlijke persoon die zelf het landbouwbedrijf uitbaat, die uit zijn bedrijf een netto belastbaar inkomen verwerft dat meer dan 50 % bedraagt van het netto belastbaar bedrag van zijn globaal inkomen en die aan werkzaamheden buiten het bedrijf minder dan 50 % van zijn totale arbeidsduur besteedt;b) hetzij de rechtspersoon waarvan de statuten de uitbating van een landbouwbedrijf en de verhandeling van de hoofdzakelijk op dit bedrijf voortgebrachte producten tot voorwerp hebben.Die rechtspersoon moet daarenboven voldoen aan volgende voorwaarden : 1) opgericht zijn in de vorm van een landbouwvennootschap bedoeld bij de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van vennootschappen ofwel;2) opgericht zijn in één der vormen bedoeld bij het Wetboek van koophandel, boek I, titel IX, afdeling I, artikel 2, en bovendien de volgende voorwaarden vervullen : a .opgericht zijn voor een duur van ten minste 20 jaar; b . de aandelen of de deelbewijzen van de vennootschap moeten op naam zijn; c . de aandelen of deelbewijzen van de vennootschap moeten voor ten minste 51 % toebehoren aan de bestuurders of zaakvoerders; d . de bestuurders of zaakvoerders van de vennootschap moeten onder de vennoten worden aangewezen; e . de bestuurders of zaakvoerders van de vennootschap moeten meer dan 50 % van hun tijd besteden aan landbouwwerkzaamheden in de vennootschap en meer dan 50 % van het netto belastbaar bedrag van hun globaal inkomen uit die activiteit halen; c) hetzij de groepering van natuurlijke of rechtspersonen of van beide waarin al de natuurlijke personen meer dan 50 % van hun totale arbeidsduur aan landbouwwerkzaamheden in de groepering besteden en uit die werkzaamheden meer dan 50 % van het netto belastbaar bedrag van hun globaal inkomen halen, en waarin al de rechtspersonen de onder punt b) vermelde voorwaarden vervullen en meer dan 50 % van hun werkzaamheden aan de landbouwwerkzaamheden van de groepering besteden;d) hetzij een groepering van natuurlijke personen samengesteld uit twee echtgenoten waarvan alleen één van beiden voldoet aan de onder punt a) vastgelegde voorwaarden;8° levering : iedere levering van melk of van andere zuivelproducten vervoerd door de producent, de koper, de onderneming die deze producten behandelt of verwerkt, of door een derde;9° rechtstreekse verkoop aan de consument : de melk of zuivelproducten omgezet in melkequivalent, verkocht of gratis overgedragen zonder tussenkomst van een onderneming die melk of andere zuivelproducten behandelt of verwerkt;10° de melkproductie-eenheid : het geheel van de functioneel samenhangende middelen, door de producent uitgebaat voor de productie van melk omvattend, voor zijn exclusief gebruik, de melkveestal, de voor de melkproductie gebruikte gronden, de melkinstallatie, de melkkoeien, de voedervoorraden en de melkkoeltank of de melkkruiken. Het adres van de melkinstallaties van de melkproductie-eenheid bepaalt diens adres en, bijgevolg, de zone waaronder de productie-eenheid valt; 11° het bedrijf : het geheel van de door de producent beheerde en uitgebate melkproductie-eenheden;12° naburige oude gemeenten : de oude gemeenten vóór de fusie der gemeenten, verwezenlijkt bij de wet van 30 december 1975, waarvan het centrum gelegen is binnen een straal van 30 kilometer van het centrum van de oude gemeente waar de installaties van de melkproductieeenheid gelegen zijn, alsook de dichtstbijgelegen oude gemeenten die, indien nodig, moeten toegevoegd worden tot de oppervlakte van een cirkel met een straal van 30 kilometer bereikt wordt;13° de koper : de koper zoals omschreven in artikel 9 van verordening (EEG) nr.3950/92. Iedere koper moet erkend worden door het Bestuur, overeenkomstig de bepalingen van artikel 13 van Verordening (EEG) nr. 1392/2001.

De maatschappelijke zetel van de koper bepaalt de zone waaronder hij valt. De Besturen kunnen evenwel om redenen van beheer bepalen dat de koper onder een andere zone valt; 14° zone : één van de hierna omschreven gebieden;a) zone A : het grondgebied van de provincies Waals-Brabant, Henegouwen, Luik, Luxemburg en Namen;b) zone B : het grondgebied van de provincies Antwerpen, Vlaams-Brabant, West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen, Limburg en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het adres van de melkproductie-eenheid die door de producent wordt uitgebaat voor de melkproductie en van waaruit de leveringen en/of de rechtstreekse verkopen zoals door het Bestuur geboekt verricht werden tijdens de maand maart 2002 of, bij ontstentenis, de laatste leveringen en/of rechtstreekse verkopen uit de periode 2001-2002, bepaalt de zone waaronder de referentiehoeveelheid van de producent valt.

De zone waaronder die hoeveelheid valt, bepaalt de zone waarin de producent zijn melk mag produceren, geheel of volledig van zijn bedrijf over mag dragen, zijn referentiehoeveelheid vrij mag maken of tijdelijk af mag staan.

Mochten de leveringen en/of de rechtstreekse verkopen die plaats hebben gevonden tijdens de maand maart 2002, geboekt zijn vanaf melkproductie-eenheden die in verschillende zones liggen, is de producent ertoe verplicht om vóór 31 maart 2003 onherroepelijk de zone te bepalen waaronder zijn referentiehoeveelheid valt; 15° overname van een bedrijf : overdracht van het geheel van de melkproductie-eenheden van één enkel bedrijf, met inbegrip van de daarmee overeenstemmende referentiehoeveelheden zoals geboekt door het Bestuur op 31 maart 2002, onder de volgende voorwaarden : a) de overname van de referentiehoeveelheden heeft geen enkele cumul van referentiehoeveelheden voor de overnemer tot gevolg;b) de melkproductie door deze overnemer mag slechts gebeuren op dit overgenomen bedrijf. Bij overname door een bloed- of een aanverwant in de eerste graad in neergaande lijn van de overlater en voor zover de producent geen andere grond in bedrijf uitbaat dat voor de melkproductie bestemd is dan die, welke deel van het overgenomen bedrijf uitmaken, behoudt de overnemer evenwel zijn referentiehoeveelheid als hij één maal tijdens de periode van negen jaar vanaf de datum waarop de referentiehoeveelheid overgedragen wordt, een andere, in dezelfde zone gelegen melkproductie-eenheid overneemt, op voorwaarde dat hij enkel vanaf die productie-eenheid melk produceert, onverminderd de artikelen 5, 9 en 10 van dit besluit. In dat geval is de producent onderworpen aan de voorwaarden vermeld onder punt 16, a), van artikel 1 van dit besluit; c) dit als dusdanig overgenomen bedrijf moet daadwerkelijk uitgebaat worden, voor de productie van melk, gedurende ten minste 9 jaar vanaf de datum van de overdracht van de referentiehoeveelheid, behalve als de totale referentiehoeveelheid is vrijgemaakt.Tijdens deze periode mag dit bedrijf in zijn geheel of gedeeltelijk niet worden uitgewonnen noch verhuisd; d) gedurende deze periode van 9 jaar mag de overnemer, onverminderd punt b), tweede lid, slechts het gehele bedrijf of een gedeelte ervan overdragen aan een andere producent, voor zover deze laatste op zijn beurt tijdens een periode van negen jaar aan dezelfde voorwaarden voldoet als zijn overlater, zich ertoe verbindt dezelfde verplichtingen na te leven als zijn overlater, en zijn bloed- of aanverwant in de eerste graad is. De verplichting van bloed- of aanverwantschap in de eerste graad geldt niet : 1) wanneer de producent-overnemer ingevolge een erfenis een overdracht van het bedrijf betrokken bij de erfenis uitvoert als overlater;2) of wanneer de overnemer als natuurlijk persoon het hele bedrijf overlaat aan een landbouwvennootschap waarvan hij de enige beherend vennoot is;e) gedurende deze zelfde periode kan de overnemer geen andere (melkproductie-eenheden) uitbaten, met uitzondering van de gronden dienstig voor de melkproductie, dan deze die deel uitmaakten van het overgenomen bedrijf, onverminderd punt b), tweede lid; f) wanneer de producent-overlater één enkele natuurlijke persoon of een groepering van echtgenoten is en wanneer de producent-overnemer, bestaande uit één enkele natuurlijke persoon of een groepering van echtgenoten zoals omschreven in artikel 1.7, 4°, bloed- of aanverwant in de eerste graad in neergaande lijn is van de producent-overlater, worden de maximale referentiehoeveelheden, die kunnen overgelaten worden per hectare dienstig voor de melkproductie, aangepast in functie van de totale oppervlakte die kan overgelaten worden zonder evenwel 50.000 liter per hectare te overschrijden. Enkel de verwijzing naar de gronden gelegen in België op de oppervlakteaangifte van de overlater en die betrekking heeft op het jaar voorafgaand aan het lopende periode zal in aanmerking worden genomen om de totale over te laten oppervlakte te bepalen.

Enkel de op 31 maart 1985 voor de producent-overlater beschikbare referentiehoeveelheden maken het voorwerp uit van deze aanpassing. De producent-overlater heeft, sedert 1 april 1985, een referentiehoeveelheid groter dan 20.000 liter per hectare gronden uitgebaat in België; g) als de overname het gevolg is van een vererving, kunnen de overlevende echtgenoot of echtgenote of de overlevende natuurlijke personen die deel uitmaken van de betrokken groepering het bedrijf overnemen zonder verplicht te zijn tot de voorwaarden opgelegd in de leden b tot en met e, maar moeten alle verplichtingen blijven naleven die de overlater moest naleven. De overdracht van gronden van het bedrijf kan evenwel gedeeltelijk zijn voor zover de volgende voorwaarden zijn vervuld : a) de producent-overlater is een groepering van natuurlijke personen die onderling verwant zijn in een zijtak in de 2e graad en de producent-overnemer is één van de leden van deze groepering;b) de rest van de gronden wordt op dezelfde datum overgedragen aan het ander lid van de groepering die een oprichting uitvoert;16° oprichting van een bedrijf : a) overdracht van gronden van een bedrijf, met inbegrip van zijn referentiehoeveelheden zoals op 31 maart 2002 geboekt door het Bestuur, naar een overnemer die over productiemiddelen beschikt voor de melkproductie die gedurende de laatste vijf jaren geen deel hebben uitgemaakt van een bedrijf en die gedurende de laatste vijf jaren geen deel hebben uitgemaakt van een productieeenheid beheerd door een melkproducent, onder de volgende voorwaarden : 1) de overname van de referentiehoeveelheden heeft geen enkele cumul van referentiehoeveelheden voor de overnemer tot gevolg;2) de melkproductie door de overnemer mag slechts op het opgerichte bedrijf gebeuren;3) dit als dusdanig opgerichte bedrijf moet daadwerkelijk uitgebaat worden voor de melkproductie gedurende minstens 9 jaar vanaf de datum van de overdracht van de referentiehoeveelheid, behalve als de totale referentiehoeveelheid is vrijgemaakt.Tijdens deze periode mag dit bedrijf in zijn geheel of gedeeltelijk niet worden ontmanteld noch verhuisd; 4) behoudens in geval van overmacht, mag de overnemer, tijdens deze periode van 9 jaar, het gehele bedrijf of een gedeelte ervan niet aan een andere producent overlaten;5) gedurende deze zelfde periode mag de overnemer geen andere productie-eenheden uitbaten, noch andere gronden dienstig voor de melkproductie, dan deze die deel uitmaakten van het opgerichte bedrijf. De overdracht van gronden van het bedrijf kan evenwel gedeeltelijk zijn voor zover de volgende voorwaarden vervuld zijn : 1) de voorwaarden van artikel 1.15°, tweede lid zijn vervuld; 2) de rest van het bedrijf is op dezelfde datum het voorwerp van een overname overeenkomstig artikel 1.15°; 3) gedurende de periode van 9 jaar vanaf de datum van overdracht van de referentiehoeveelheid kan de overnemer geen andere melkproductie-eenheden uitbaten, met uitzondering van de gronden dienstig voor de melkproductie, dan deze die deel uitmaakten van het opgerichte bedrijf;b) overdracht van hetzij de stal voor de melkkoeien, hetzij de melkinstallatie, hetzij beide, deel uitmakend van een melkbedrijf, naar een andere producent, onder de volgende voorwaarden : 1) de productie van melk door de overnemer mag slechts plaatsvinden op het opgerichte bedrijf;2) dit als dusdanig opgerichte bedrijf moet daadwerkelijk worden uitgebaat voor de melkproductie gedurende ten minste 9 jaar vanaf de datum van de overdracht van die productiemiddelen;3) behoudens in geval van overmacht, mag de overnemer, tijdens deze periode van 9 jaar, noch geheel noch gedeeltelijk het bedrijf overlaten aan een andere producent;4) gedurende deze zelfde periode mag de overnemer noch een andere productie-eenheid noch andere voor de melkproductie gebruikte gronden uitbaten dan deze die deel uitmaken van het opgerichte bedrijf;17° oppervlakteaangifte : de oppervlakteaangifte bepaald bij het ministerieel besluit van 20 december 2001Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 20/12/2001 pub. 06/02/2002 numac 2002016024 bron ministerie van middenstand en landbouw Ministerieel besluit houdende uitvoering van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen sluiten houdende uitvoering van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot instelling van een steunmaatregel voor de producenten van bepaalde akkerbouwgewassen.

Art. 2.De individuele referentiehoeveelheden beschikbaar op het bedrijf voor leveringen of rechtstreekse verkopen zijn de op 31 maart van het vorig periode beschikbare hoeveelheden.

De representatieve vetgehaltes die in aanmerking moeten worden genomen en de equivalentiecoëfficiënten die aangewend moeten worden om de zuivelproducten om te zetten in liter volle melk worden vastgelegd in de bijlage van dit besluit.

Art. 3.§ 1. Om rekening te houden met veranderingen die van invloed zijn op zijn leveringen of zijn rechtstreekse verkopen kan de producent een behoorlijk gemotiveerde aanvraag indienen om voor de duur van de periode of definitief een verhoging of vaststelling te bekomen van één zijner referentiehoeveelheden, tegen overeenkomstige verlaging of opheffing van de andere referentiehoeveelheid.

De aanvraag moet bij aangetekende brief bij het Bestuur ingediend worden via het typeformulier beschikbaar op het Bestuur.

De termijn voorzien voor het indienen van die aanvraag wordt bepaald onverminderd de bepalingen van artikel 13 : 1° ten laatste op 31 juli van de eerste periode waarop deze wijziging betrekking heeft, indien het gaat om een verzoek voor het verkrijgen van een definitieve wijziging of de definitieve bepaling van referentiehoeveelheden;2° ten laatste op 30 april van de periode die volgt op de periode waarop deze wijziging betrekking heeft, indien het gaat om een aanvraag voor een tijdelijke wijziging of de tijdelijke bepaling van referentiehoeveelheden. § 2. De producent die, binnen een periode, een referentiehoeveelheid tijdelijk heeft overgelaten ofwel voor leveringen ofwel voor rechtstreekse verkopen, verliest, voor deze periode, het recht op een verhoging of op een tijdelijke bepaling van de referentiehoeveelheid die het voorwerp uitmaakte van de overdracht.

Art. 4.§ 1. De producent kan het gedeelte van zijn referentiehoeveelheid voor leveringen of van zijn referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkopen, dat hijzelf niet voornemens is te gebruiken, voor de duur van de periode tijdelijk overdragen aan andere producenten. Vanaf 1 april 2003 moeten de melkproductie-eenheden van die producenten in dezelfde zone liggen. § 2. Deze overeenkomsten van tijdelijke overdracht van referentiehoeveelheden moeten gesloten worden aan de hand van een typeformulier beschikbaar op het Bestuur of bij de koper.

Zij mogen slechts in aanmerking genomen worden indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan : 1° een producent mag de referentiehoeveelheden tijdelijk overdragen waarvoor hij, als overlater en tijdens dezelfde periode, een aanvraag heeft ingediend, ofwel voor definitieve vrijmaking zoals voorzien in artikel 15, 4°, ofwel voor overdracht zoals voorzien in artikel 5.In dit laatste geval kan de referentiehoeveelheid alleen tijdelijk worden overgelaten aan de producent-overnemer aan wie de referentiehoeveelheid definitief zal worden overgedragen krachtens artikel 5.

Ingeval een producent tijdens dezelfde periode geen aanvraag voor definitieve vrijmaking heeft ingediend van een referentiehoeveelheid zoals voorzien in artikel 15, § 1, 4°, of voor overdracht zoals voorzien in artikel 5, is de totale hoeveelheid die hij kan overlaten op basis van een overeenkomst voor tijdelijke overdracht beperkt, behalve in geval van overmacht tot 10.000 liter voor de periode 2002-2003 en tot 20.000 liter voor de latere periodes; 2° de totale hoeveelheid die een producent mag overnemen op basis van overeenkomsten van tijdelijke overdracht wordt beperkt tot 10.000 liter voor de periode 2002-2003 en tot 20.000 liter voor de latere periodes. Dit plafond is niet van toepassing indien de totale referentiehoeveelheid, die via tijdelijke overdracht wordt overgenomen, een referentiehoeveelheid betreft die definitief overgenomen zal worden krachtens artikel 5; 3° voor de op basis van overeenkomsten voor tijdelijke overdracht overgenomen hoeveelheden kan de overnemer geen aanvraag indienen zoals bedoeld in artikel 3. § 3. Om ontvankelijk te zijn, moeten de in § 1 bedoelde overeenkomsten uiterlijk op 30 november van de betrokken periode per aangetekend schrijven worden overgemaakt aan het Bestuur.

Art. 5.Onverminderd de bepalingen in artikel 15 worden in geval van gehele of gedeeltelijke overdracht van een bedrijf aan een andere producent door vererving, krachtens een akte waarbij de eigendom of het vruchtgebruik van onroerende goederen overgedragen of aangewezen wordt, alsook in geval van een akte van pacht, onderpacht of overdracht van pacht, en in geval van samenvoeging van bedrijven door twee of meer producenten en in het geval van een verandering van beherend vennoot in een landbouwbedrijf, de overeenkomstige referentiehoeveelheden overgedragen binnen de beperkingen en volgens de modaliteiten vastgesteld als volgt : 1° de overgedragen referentiehoeveelheid mag niet hoger zijn dan 20.000 liter per hectare grond dienstig voor de melkproductie. De producent-overlater bepaalt de gronden dienstig voor de melkproductie die gelegen moeten zijn op het grondgebied van de oude gemeente waar de installaties van de productie-eenheid, waarvan zij deel uitmaken, gelegen zijn en van waaruit per 31 maart 2002 de leveringen en/of rechtstreekse verkopen plaatsvonden die door het Bestuur geboekt werden, of op het grondgebied van een oude naburige gemeente.

De verantwoordingsdocumenten van de overdracht van de gronden moeten voorzien zijn van de door de respectievelijke gemeentelijke overheden voor eensluidend verklaarde handtekeningen; 2° de producent-overnemer moet de overgenomen gronden dienstig voor de melkproductie gedurende minstens 9 jaar uitbaten vanaf de datum van de overname van de referentiehoeveelheid, behoudens in geval van overmacht of in geval van toepassing van artikel 1, 15°, g) voor zover de betrokken producent bloed- of aanverwant in de eerste graad en neergaande lijn van de producent-overdrager is.Dit bewijs dient jaarlijks te worden geleverd aan de hand van de oppervlakteaangifte.

Indien overeenkomstig de bepalingen van artikel 1, punt 15°, een bedrijf wordt overgenomen door een andere producent, moet deze laatste eveneens, voor de gronden die na 1 april 1996 het voorwerp van een aanvraag tot overdracht hebben uitgemaakt, dezelfde verplichtingen naleven als zijn overlater gedurende een nieuwe periode van 9 jaar; 3° de producent-overlater mag gedurende de lopende periode en de twee volgende periodes geen overdracht van referentiehoeveelheid uitvoeren als overnemer, behoudens in volgende gevallen : a) de producent-overlater heeft zijn gehele bedrijf, bestaande uit één enkele productie-eenheid, samen met de volledige referentiehoeveelheid overgelaten aan een producent die dit bedrijf overneemt zoals omschreven in artikel 1, punt 15, en die producent-overlater neemt een ander bedrijf over, zoals omschreven in artikel 1, punt 15.Dit andere bedrijf mag noch de stal, noch de gronden noch de melkinstallatie omvatten die eerder werden overgelaten door de overnemer; b) de producent-overlater heeft een aanvraag ingediend voor vrijmaking van zijn totale referentiehoeveelheid op basis van de bepalingen van artikel 15;4° de producent-overlater moet het bewijs leveren dat hij tijdens de twee voorgaande periodes melk heeft geleverd en/of rechtstreeks verkocht, behoudens gevallen van overmacht of wanneer de overdracht geen enkele cumul van referentiehoeveelheden teweegbrengt voor de producent-overnemer en wanneer deze laatste landbouwer in hoofdberoep is;5° onverminderd de bijzondere voorwaarden voorzien in artikel 1, punt 15 en 16, mag de producent-overnemer gedurende de lopende periode en de 2 volgende periodes geen referentiehoeveelheid overdragen als overlater, behoudens in geval van overmacht, in geval van verkoop of vererving van de gronden dienstig voor de melkproductie of wanneer de overlater en de overnemer bloed- of aanverwant zijn in de eerste graad of wanneer de overdracht geen enkele cumul van referentiehoeveelheden teweegbrengt voor de producent-overnemer en wanneer deze laatste landbouwer in hoofdberoep is;6° de producent-overlater mag na 1 april 1996 geen nieuwe melkinstallatie en/of nieuwe stal voor melkkoeien hebben opgericht op een grond die sinds 1 april 1996 niet op ononderbroken wijze deel heeft uitgemaakt van zijn bedrijf;7° deze bepaling is niet van toepassing wanneer de overnemer bloed- of aanverwant is in de eerste graad met de overlater in neergaande lijn en wanneer de volgende voorwaarden vervuld zijn : a) een aanvraag tot verhuizing van installaties voor productie, leveringen of rechtstreekse verkopen (stallen en/of melkinstallatie en/of koeltanks) op het grondgebied van de oude gemeente waar de installaties van de betreffende productie-eenheid gelegen zijn of op het grondgebied van een naburige oude gemeente, werd, voorafgaand aan de overdracht van de referentiehoeveelheden, door de overlater ingediend bij het Bestuur;b) enkel de weigering van bouw- of uitbatingsvergunning meegedeeld door de bevoegde overheid is het motief voor toelating van verhuizing.

Art. 6.§ 1. Bij gehele of gedeeltelijke overdracht van een bedrijf omdat de verpachter de pacht opgezegd heeft aan de producent, en voor zover hij voor de vrederechter geldigverklaring bekomen heeft, behoudens indien de opzegging gedaan wordt op grond van artikel 7, 6°, 7° en 8°, van de wet van 4 november 1969 tot wijziging van de pachtwetgeving betreffende het recht van voorverkoop ten gunste van huurders van landeigendommen, laatst gewijzigd bij de wet van 7 november 1988, en indien de producent de melkproductie verder zet vanaf de melkproductie-eenheid die in dezelfde zone gelegen is, zonder afbreuk te doen aan de artikelen 5, 9 en 10 van het onderhavig besluit, behoudt deze laatste een gedeelte of zijn gehele referentiehoeveelheid op voorwaarde dat de som van de behouden referentiehoeveelheid en de referentiehoeveelheid die overeenstemt met het bedrijf dat hij overneemt, niet groter is dan de referentiehoeveelheid waarover hij vóór het verstrijken van de pachtovereenkomst beschikte. § 2. Voor de toepassing van deze regel moet men onder gedeeltelijke overdracht verstaan : 1° een opzeg gegeven voor het geheel van de stallen en de melkinstallatie van de melkproductie-eenheid; 2° een opzeg van gronden die voor gevolg heeft dat de door de producent behouden oppervlakte zodanig verminderd wordt dat de referentiehoeveelheid per hectare groter wordt dan 10.000 liter; deze oppervlakte wordt bepaald op basis van de oppervlakteaangifte van de producent; 3° een combinatie van de punten 1° en 2°. De § 1 is van toepassing in geval van onteigening.

Art. 7.Indien gronden toebehorende aan de producent-overlater met hypotheek bezwaard zijn en de hypothecaire schuldeiser bij aangetekende brief zijn schuldenaar en het Bestuur ter kennis heeft gebracht dat hij zich verzet tegen iedere overdracht van referentiehoeveelheid per hectare groter dan de gemiddelde referentiehoeveelheid per hectare van gronden waarvan de producent het genot heeft, dan mag de referentiehoeveelheid per overgelaten hectare niet groter zijn dan deze gemiddelde referentiehoeveelheid. Het verzet is alleen geldig indien het voorafgegaan wordt door de betekening van een exploot van beslag op onroerende grond of van een exploot van bevel bedoeld bij het artikel 1564 van het Gerechtelijk Wetboek.

Art. 8.Ingeval van gedwongen uitwinning van een bedrijf wordt de referentiehoeveelheid overgedragen aan de producent bedoeld in artikel 1 punt 15 en 16.

Zo niet, wordt de referentiehoeveelheid verdeeld tussen de producenten in evenredigheid met de oppervlakten waarvan het genot door hen wordt overgenomen of bewaard.

Deze producenten mogen echter een overeenkomst sluiten waarin een andere verdeling wordt voorzien op voorwaarde dat de referentiehoeveelheid per hectare niet hoger is dan 20.000 liter.

Art. 9.§ 1. Van de referentiehoeveelheden die het voorwerp uitmaken of uitgemaakt hebben van een overdracht bedoeld in artikelen 5 en 13 en die buiten het geval van overname of oprichting van een bedrijf vallen, wordt 90 % toegevoegd aan de nationale reserve wanneer de overdracht gebeurt tussen producenten die noch bloedverwant noch aanverwant in de eerste graad zijn. § 2. Er moet bloed- of aanverwantschap in de eerste graad bestaan tussen de overlater en de overnemer : 1° als de producent-overnemer een landbouwvennootschap is, dient aan volgende voorwaarden voldaan te worden : a) het bloed- of aanverwantschap in de eerste graad moet minstens bestaan bij één van de beherende vennoten die zijn vermeld in de akte tot oprichting van de landbouwvennootschap of die ononderbroken de hoedanigheid van zaakvoerder van die landbouwvennootschap hebben tijdens de negen voorgaande periodes;b) alle beherende vennoten bedoeld in a) moeten onderling bloed- of aanverwanten in de eerste graad of bloedverwanten in een zijtak in de tweede graad zijn;2° als de producent-overnemer een groepering van natuurlijke personen is, moet er bloed- of aanverwantschap in de eerste graad bestaan tussen de overlater en de overnemer bij minstens één van de natuurlijke personen die de groepering vormen.De leden van die groepering moeten aan volgende voorwaarden voldoen : a) alle natuurlijke personen die die groepering vormen, moeten onderling bloed- of aanverwanten in de eerste graad of bloedverwanten in een zijtak in de tweede graad zijn;b) wanneer die groepering uit twee echtgenoten bestaat, moet de producent-overlater een natuurlijke persoon of een groepering van natuurlijke personen bestaande uit twee echtgenoten zijn. Aan de vereiste van bloed- of aanverwantschap kan niet worden voldaan wanneer ofwel de overlater ofwel de overnemer een andere rechtspersoon is dan de landbouwvennootschap, een groepering van rechts- of natuurlijke personen. § 3. Bovendien wordt van de referentiehoeveelheden die het voorwerp uitmaken of uitgemaakt hebben van een overdracht in de volgende gevallen 90 % toegevoegd aan de nationale reserve : 1° de producent-overnemer is, behalve bij toepassing van artikel 1, 15°, g) , een natuurlijke persoon die de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt op 1 april van de volgende periode en die gedurende de 3 voorgaande periodes zonder onderbreking geen landbouwer in hoofdberoep is;2° de producent-overnemer is, behalve bij toepassing van artikel 1, 15°, g) , een groepering van natuurlijke personen of een landbouwvennootschap waarvan één van de personen of één van de beherende vennoten de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt op 1 april van de volgende periode en die gedurende de 3 voorgaande periodes zonder onderbreking geen landbouwer in hoofdberoep is geweest;3° de overdracht gebeurt in toepassing van artikel 8, 2e lid;4° de producent-overnemer blijft in gebreke om het bewijs te leveren van zijn hoedanigheid als landbouwer in hoofdberoep gedurende de duur van het hele jaar van de uitwerking van de overdracht of, in geval van een beginnende activiteit, gedurende heel het volgende burgerlijk jaar. Deze bepaling is niet van toepassing in het geval van overdracht van een bedrijf krachtens artikel 1, punt 15°, g) , of van een gedeelte ervan tussen echtgenoten of tussen bloed- of aanverwanten in de eerste graad, en voor zover de producent-overnemer slechts uit één enkele natuurlijke persoon bestaat; 5° het geheel van het bedrijf van de producent-overnemer evenals de overgedragen grond zijn niet gelegen op het grondgebied van de oude gemeente waar de installaties van de productie-eenheid zich bevonden van waaruit per 31 maart 2002 de leveringen en/of de rechtstreekse verkopen gebeurden die door het Bestuur op de over te dragen referentiehoeveelheid geboekt werden, of op het grondgebied van een naburige oude gemeente.De afname voor de nationale reserve wordt eveneens toegepast indien de overgedragen gronden niet gelegen zijn op het grondgebied van de oude gemeente waar de melkinstallatie en/of de stal van de productie-eenheid van de overnemer zich bevinden, of op het grondgebied van een naburige oude gemeente.

Wanneer het geheel van het bedrijf van de producent-overnemer evenwel uit één productie-eenheid bestaat en gelegen is op het grondgebied van de oude gemeente waar de installaties van deze productie-eenheid gelegen zijn, of op het grondgebied van een naburige oude gemeente, is deze afname voor de reserve evenwel niet van toepassing indien de productie-eenheid van waaruit per 31 maart 2002 de leveringen en/of rechtstreekse verkopen gebeurden die door het Bestuur geboekt werden op de over te dragen referentiehoeveelheid, gelegen is op het grondgebied van de oude gemeente waar de installaties van de productie-eenheid van de overnemer zich bevinden, of op het grondgebied van een naburige oude gemeente; 6° één van de voorwaarden voorzien in artikel 5 wordt niet of wordt niet meer nageleefd. Bij niet-naleving van de bepaling van artikel 5, 2°, worden de 90 % van de referentiehoeveelheid die aan de nationale reserve worden toegevoegd, evenwel in evenredigheid berekend met de verhouding bestaande tussen de oppervlakte van de overgenomen gronden die niet zijn uitgebaat op ononderbroken wijze tijdens de periode van negen jaar vanaf de datum van overdracht van de referentiehoeveelheid en de totale oppervlakte van de overgenomen gronden.

Art. 10.§ 1. Van de referentiehoeveelheden die het voorwerp uitmaken van een overdracht bedoeld in artikelen 5 en 13 tussen producenten die bloed- of aanverwant in de eerste graad zijn en die niet beantwoorden aan één van de gevallen bedoeld in artikel 9, § 3, wordt 90 % van de schijven die, samengevoegd met de referentiehoeveelheid van de overnemer vóór de overdracht, de referentiehoeveelheid van de overnemer na overdracht verhogen tot boven de 520.000 liter, toegevoegd aan de nationale reserve. § 2. 1° Indien de producent-overnemer een groepering van natuurlijke personen is, beantwoordend aan de voorwaarden bedoeld in artikel 9, § 2, 2°, punt a), wordt het plafond van 520.000 liter op 720.000 liter gebracht. 2° Indien de producent-overnemer een landbouwvennootschap is, die voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 9, § 2, 1°, punt b), waarvan alle beherende vennoten beantwoorden aan de voorwaarden bedoeld in artikel 9, § 2, a), punt 1°, wordt het plafond van 520.000 liter verhoogd tot 720.000 liter. § 3. De afname voor de nationale reserve is niet van toepassing op het deel van de referentiehoeveelheid waarover de overlater reeds beschikte voor de periode van 1 april 1991 tot 31 maart 1992, indien de producent-overlater en de producent-overnemer bloed- of aanverwant zijn in de eerste graad en voldoen aan volgende voorwaarden : 1° de overlater mag in het lopende periode geen referentiehoeveelheid hebben overgenomen;2° noch overlater, noch overnemer hebben de leeftijd van 65 jaar bereikt op 1 april van de periode waarin de overdracht uitwerking heeft.Bij groepering van natuurlijke personen of in het geval van een landbouwvennootschap, wordt de leeftijd van de oudste persoon of beherend vennoot in rekening gebracht; 3° de overnemer mag geen bedrijf overgenomen hebben in de zin van artikel 1, punt 15, gedurende de 9 voorgaande periodes, noch gedurende de lopende periode.De 9 periodes worden evenwel teruggebracht tot 5 als de betreffende vraag tot overname werd ingediend vóór 1 januari 1997; 4° indien de producent-overnemer of de producent-overlater of beiden bestaan uit een landbouwvennootschap, moeten alle beherende vennoten beantwoorden aan de voorwaarden bedoeld in artikel 9, § 2, 1°, punt a).»

Art. 11.§ 1. De referentiehoeveelheden die het voorwerp uitmaken van een overdracht worden voor 100 % toegevoegd aan de nationale reserve indien het gaat om referentiehoeveelheden die de producent niet geheel of gedeeltelijk behoudt overeenkomstig artikel 6. § 2. De referentiehoeveelheden van een producent die tijdens een periode zijn melk geheel of gedeeltelijk produceert vanaf een melkproductie-eenheid die in een andere zone gelegen is dan die, waaronder zijn referentiehoeveelheid valt, worden tegen 100 % aan de nationale reserve toegevoegd op de eerste dag van de volgende periode. § 3. De overgedragen referentiehoeveelheden worden tegen 100 % aan de nationale reserve toegevoegd op de eerste dag van de volgende periode, bij een gehele of gedeeltelijke overdracht van een bedrijf tussen producenten waarvan de respectievelijke melkproductie-eenheden onder twee verschillende zones vallen. § 4. Bij niet-naleving van één van de voorwaarden bepaald bij artikel 1, 15° en/of 16° worden 100 % van de referentiehoeveelheden die overgedragen zijn aan de producent in toepassing van de punten 15° of 16° of waarvan hij houder was op het ogenblik van de oprichting, aan de nationale reserve toegevoegd op de eerste dag van de volgende periode. Bij niet-naleving van de bepaling van artikel 5, 2°, worden 90 % van de referentiehoeveelheid die aan de nationale reserve worden toegevoegd, in evenredigheid berekend met de verhouding bestaande tussen de oppervlakte van de overgenomen gronden die niet op ononderbroken wijze uitgebaat zijn tijdens de periode van negen jaar vanaf de datum van overdracht van de referentiehoeveelheid en de totale oppervlakte van de overgenomen gronden.

Art. 12.Bij een overdracht van het geheel of een gedeelte van een bedrijf aan een persoon die geen producent is, onverminderd de bepalingen in artikel 15, bedraagt de afname voor de nationale reserve 100 % van de overgedragen referentiehoeveelheid.

Art. 13.§ 1. In geval het Bestuur vaststelt dat de productie van melk en zuivelproducten van twee of meerdere producenten afkomstig is van eenzelfde bedrijf, dan voert zij een ambtshalve samenvoeging uit van de betrokken producenten.

In dit geval gaat het Bestuur over tot de rechtzetting van de referentiehoeveelheden die op dat bedrijf beschikbaar kunnen zijn, met toepassing van de bepalingen van de artikelen 5, 9, 10 en 14, § 1. § 2. Behoudens in geval van overmacht wordt de ambtshalve samenvoeging zoals bedoeld in § 1 eveneens uitgevoerd in geval van vaststelling van gebruik van dezelfde productiemiddelen van een melkproductie-eenheid door producenten of in geval van tijdelijke overdracht tussen producenten, ofwel rechtstreeks, ofwel via derden, van het beheer van alle of van een gedeelte van de productiemiddelen van een melkproductie-eenheid, voor een periode korter dan 24 maanden.

Deze bepaling is evenwel niet van toepassing voor de producenten die reeds actief waren vóór 1 april 1996 op dezelfde melkproductie-eenheid en waartussen - uiterlijk tot en met de campagne 1995-1996 - zich reeds een overdracht van het genoemd beheer heeft voorgedaan op dezelfde melkproductie-eenheid. § 3. In geval van ambtshalve samenvoeging, kan de betreffende producent, binnen de maand die volgt op de mededeling van de beslissing, een aanvraag indienen voor vrijmaking bedoeld in artikel 15, voor het gedeelte van de referentiehoeveelheden dat in geval van niet vrijmaking aan de nationale reserve zou worden toegevoegd. § 4. In geval de in artikel 3, § 1 bedoelde aanvraag volgt op een ambtshalve samenvoeging, kan zij tot 31 december van de periode ingediend worden, voor zover het een referentiehoeveelheid betreft die conform artikel 15 wordt vrijgemaakt. § 5. Vanaf 1 april van de periode volgend op de mededeling van de beslissing, kunnen de referentiehoeveelheden bedoeld in § 3 niet meer in aanmerking genomen worden voor de instelling van de extra heffing.

Vanaf de mededeling van de beslissing, kunnen deze zelfde referentiehoeveelheden niet meer het voorwerp uitmaken, door de producent, van een overdracht zoals bedoeld in de artikelen 5, 9 et 10. § 6. In geval het Bestuur zijn beslissing van ambtshalve samenvoeging meedeelt aan de betrokken producenten, kunnen deze binnen de maand volgend op de mededeling van de beslissing een beroep indienen bij de leidend ambtenaar van het Bestuur.

In geval de leidend ambtenaar na beroep de beslissing van ambtshalve samenvoeging handhaaft, wordt aan de betrokken producenten een nieuwe periode van 1 maand toegestaan voor vrijmaking bedoeld in artikel 15.

Art. 14.De overdrachten van referentiehoeveelheid bedoeld in de artikelen 5 tot 12 worden geregistreerd hetzij ambtshalve ofwel op aanvraag gericht aan het Bestuur aan de hand van een typeformulier beschikbaar bij het Ministerie, waaraan de verantwoordingsdocumenten voor de overdracht van de gronden zullen worden toegevoegd.

De aanvragen tot overdracht kunnen slechts betrekking hebben op gronden uitgebaat in België en door de overlater aangegeven in zijn oppervlakteaangifte van het burgerlijk jaar voorafgaand aan het lopende periode.

De overgedragen percelen moeten worden aangegeven op de kaarten van de oppervlakteaangiften. § 2. Een aanvraag kan slechts betrekking hebben op een overdracht van het geheel of van een gedeelte van een bedrijf, die zich ten vroegste heeft voorgedaan op 1 april van de vorige periode en zich ten laatste voordoet op 31 maart van de periode. Om ontvankelijk te zijn, moet de aanvraag ingediend zijn uiterlijk op 30 november van de periode. § 3. Behoudens in geval van overnames en oprichtingen van een bedrijf worden de overdrachten van referentiehoeveelheden alsmede de overeenkomstige afhoudingen voor de nationale reserve, uitgevoerd met uitwerking op 1 april van het volgende periode.

In geval van overname of oprichting van een bedrijf, dient de overdracht van gronden plaats te vinden tussen 1 april van de voorgaande periode en 31 maart van de huidige periode. In dit geval kunnen de overdrachten van de referentiehoeveelheden ten vroegste gebeuren na de overdracht van gronden en kunnen ten vroegste uitwerking hebben op 1 april van de lopende periode en ten laatste op 1 april van de volgende periode. De overeenkomstige afhoudingen voor de nationale reserve worden uitgevoerd met uitwerking op 1 april van het volgende periode. § 4. Het Bestuur verifieert of de voorwaarden van overdracht vervuld zijn en voert de overdracht uit.

Het Bestuur deelt zijn beslissing mee aan de betrokken partijen, die een beroep kunnen indienen bij de leidend ambtenaar van het Bestuur binnen de maand die volgt op de mededeling van de beslissing.

Art. 15.Bij het begin van een periode kunnen de producenten, tegen voorafgaande betaling, de herverdeling bekomen van referentiehoeveelheden die definitief werden vrijgemaakt op het einde van de vorige periode door andere producenten tegen betaling van een vergoeding gelijk aan de voornoemde betaling, mits aan volgende voorwaarden voldaan wordt : 1° de vrijmaking en herverdeling wordt enkel toegepast voor referentiehoeveelheden « leveringen »;2° voor de vrijgemaakte referentiehoeveelheid bedraagt de vergoeding 0,37 EUR per liter melk;het bedrag van de vergoeding wordt verhoogd of verlaagd in functie van het representatieve vetgehalte voor de referentiehoeveelheid leveringen, zoals omschreven in artikel 2, naar rato van 0,0002 EUR centiem per 0,01 gram vet boven of onder 37 gram; 3° voor de per zone te herverdelen referentiehoeveelheden geldt een referentievetgehalte dat gelijk is aan het gewogen gemiddelde van de representatieve vetgehaltes van al de tijdens de periode per zone vrijgemaakte referentiehoeveelheden;de vergoeding per liter melk met het aldus berekende representatief vetgehalte is gelijk aan het totale bedrag aan vergoedingen dat op basis van het bepaalde onder 2° per zone aan de producent-overlaters moet worden betaald, gedeeld door het totaal aantal liter in dezelfde zone vrijgemaakte referentiehoeveelheden; 4° de producent-overlater die er zich toe verbindt om aan het einde van de periode zijn referentiehoeveelheid voor leveringen, geheel of gedeeltelijk, definitief vrij te maken moet daartoe een aanvraag indienen zoals bepaald onder 6°.De referentiehoeveelheid wordt vrijgemaakt in de zone waaronder hij valt; 5° de producent-verkrijger die in aanmerking wenst te komen voor herverdeling van referentiehoeveelheden bij het begin van de volgende periode, moet daartoe eveneens een aanvraag indienen zoals bepaald onder 6°.Een producent kan enkel voor een herverdeling in aanmerking komen in het gebied waaronder zijn referentiehoeveelheid valt. In het in artikel 13 bedoelde geval kan slechts één van de producenten in aanmerking komen voor de herverdeling van de referentiehoeveelheden; 6° voor de vrijmaking of de herverdeling van referentiehoeveelheden moet de producent-overlater of de producent-verkrijger in de zone waaronder zijn referentiehoeveelheid valt, een aanvraag indienen aan de hand van het typeformulier dat bij het Bestuur verkrijgbaar is. Voor de aanvragen bedoeld onder de punten 4° en 5° dienen volgende voorwaarden te worden nageleefd : a) de aanvragen bedoeld onder 4° voor de vrijmaking van referentiehoeveelheden moeten, om ontvankelijk te zijn, bij aangetekend schrijven naar het Bestuur worden opgestuurd, tussen 1 oktober en 30 november van de betrokken periode.Die termijn geldt niet voor de aanvragen voor vrijmaking bedoeld in artikel 13; b) de aanvragen bedoeld onder 5° voor de herverdeling van referentiehoeveelheden moeten, om ontvankelijk te zijn, bij aangetekend schrijven naar het Bestuur worden opgestuurd, tussen 1 oktober en 30 november van de betrokken periode;7° vanaf de periode die aanving op 1 april 1999 wordt de herverdeling van referentiehoeveelheden binnen elke zone verricht tussen de hieronder vermelde categorieën producenten : a) de producenten jonger dan 35 jaar op 1 april van de volgende periode;voor producenten die beantwoorden aan de voorwaarde van artikel 1, 7°, d), wordt enkel de echtgenoot of de echtgenote in aanmerking genomen die de voorwaarden bepaald in artikel 1, 7°, a) vervult; bij groepering wordt enkel de jongste natuurlijke persoon die de voorwaarden bepaald in artikel 1, 7°, a) vervult, in rekening gebracht of in het geval van een landbouwvennootschap, wordt de leeftijd van de jongste beherend vennoot die reeds actief was op het ogenblik van de overname van de referentiehoeveelheid, in rekening gebracht; b) de andere producenten. De herverdeling wordt zodanig verricht : a) dat per zone 50 % van de vrijgemaakte referentiehoeveelheden aan de producenten van de categorie vermeld in het eerste lid onder a) herverdeeld worden en de overige 50 % , aan de producenten van de categorie vermeld onder het eerste lid onder b);b) elke producent die in elke categorie in rekening wordt gebracht, krijgt een even grote hoeveelheid zonder dat deze hoeveelheid de hoeveelheid mag overschrijden waarvoor hij een aanvraag zoals bedoeld onder 5° heeft ingediend;8° het Bestuur deelt zijn beslissing aan de betrokken producenten mee, die een beroep kunnen indienen bij de leidend ambtenaar van het Bestuur binnen de maand volgend op de mededeling van de beslissing. § 2. Om in aanmerking te komen voor de herverdeling van referentiehoeveelheden, moet de producent-verkrijger aan volgende voorwaarden voldoen : 1° hij moet landbouwer in hoofdberoep zijn en over een referentiehoeveelheid beschikken op 1 april van de volgende periode. Vanaf de periode 2003-2004 is de voorwaarde « landbouwer in hoofdberoep » niet van toepassing voor de inrichtingen die door de Minister zijn erkend en die een gedeelte van hun bedrijvigheid besteden aan het wetenschappelijk onderzoek en/of aan het onderwijs in de sector van de melkproductie en voor de erkende landbouwbeurzen.

Als de producent-verkrijger in gebreke blijft om de vereiste bewijzen te leveren gedurende het gehele kalenderjaar van de herverdeling of, bij het opstarten van de bedrijvigheid, gedurende het gehele volgende kalenderjaar, wordt de aan die producent herverdeelde referentiehoeveelheid aan de nationale reserve toegevoegd; 2° vóór de herverdeling mag hij niet beschikken over een totale referentiehoeveelheid voor leveringen en rechtstreekse verkopen die de 20.000 l per hectare voederoppervlakte van het bedrijf overschrijdt; dat bewijs dient geleverd te worden aan de hand van de oppervlakteaangifte of, bij ontstentenis ervan, aan de hand van een verklaring op erewoord, die bevestigd zal dienen te worden door de oppervlakteaangifte van het daarop volgende jaar; bij gebreke van die bevestiging wordt de aan die producent herverdeelde referentiehoeveelheid aan de nationale reserve toegevoegd.

De voederoppervlakten die in aanmerking worden genomen zijn de groepen « maïs », « weideland » en « andere voedergewassen » van de oppervlakteaangiften, namelijk de codes 201, 202, 611, 612, 621, 622, 71, 72, 73, 741, 742 en 743; 3° hij moet zich er onherroepelijk toe verbinden de totale vergoeding te betalen voor de referentiehoeveelheden die hem bij herverdeling zijn toegewezen, binnen een termijn van één kalendermaand volgend op de datum waarop het resultaat van de herverdeling meegedeeld wordt. Indien de betaling niet binnen die termijn geschiedt, zal de producent-verkrijger van rechtswege tegen de wettelijke voet berekende intresten verschuldigd zijn, vanaf de eerste dag volgend op die termijn.

Bovendien zal de producent die in gebreke van betaling binnen die opgelegde termijn blijft, niet in aanmerking kunnen komen voor de herverdeling van referentiehoeveelheden van de volgende periode. Op het ogenblik van de aanvraag zal elke bestaande schuld die aanvraag onbestaand maken; 4° hij mag geen overdracht van een referentiehoeveelheid in de hoedanigheid van overlater verricht hebben, noch definitief een referentiehoeveelheid hebben vrijgemaakt, tijdens de lopende periode of tijdens de twee voorgaande periodes;5° buiten het geval van een overname of van de oprichting van een bedrijf mag hij geen aanvraag voor de overdracht van een referentiehoeveelheid in de hoedanigheid van een overnemer hebben verricht tijdens de lopende periode;6° tijdens de lopende periode mag hij geen aanvraag hebben ingediend om tijdelijk een referentiehoeveelheid tijdelijk af te staan;7° hij mag de referentiehoeveelheden die gedurende de vijf periodes volgend op de herverdeling zijn herverdeeld, niet vrijmaken, behalve indien de gehele referentiehoeveelheid wordt vrijgemaakt.Indien gedurende één van die vijf periodes een gedeeltelijke vrijmaking verricht wordt, worden de aan de producent herverdeelde hoeveelheden aan de nationale reserve toegevoegd op 1 april van de volgende periode.

Art. 16.§ 1. Er worden op 1 april 2003 individuele bijkomende referentiehoeveelheden voor leveringen en/of voor rechstreekse verkopen die op de beschikbare reserves opgenomen worden toegewezen aan de inrichtingen die door de Minister zijn erkend en die een gedeelte van hun bedrijvigheid besteden aan het wetenschappelijk onderzoek en/of aan het onderwijs in de sector van de melkproductie en aan de erkende landbouwbeurzen.

De toegewezen hoeveelheden zijn gelijk aan de daadwerkelijk, tijdens de periode 2001-2002 gebruikte hoeveelheden die tijdens diezelfde periode tijdelijk zijn afgestaan en die betrekking hebben op de referentiehoeveelheid bedoeld in artikel 18, vermeerderd met 5 % . De toegewezen hoeveelheden worden aangepast rekening houdend met de representatieve vetgehaltes, al naar gelang de referentiehoeveelheid leveringen dan wel rechtstreekse verkopen betreft. § 2. Er kunnen op 1 april volgend op de lopende periode individuele referentiehoeveelheden van één liter voor leveringen of voor rechtstreekse verkopen, opgenomen op de beschikbare reserves, toegewezen worden aan de inrichtingen die door de Minister zijn erkend en die een gedeelte van hun bedrijvigheid besteden aan het wetenschappelijk onderzoek en/of aan het onderwijs in de sector van de melkproductie en aan de erkende landbouwbeurzen. § 3. De bijkomende referentiehoeveelheden die toegewezen worden overeenkomstig de §§ 1 en 2 worden tegen 100 % aan de nationale reserve toegevoegd op de eerste dag van de volgende periode in het geval van een aanvraag voor de overdracht van het gehele bedrijf of van een deel ervan of in het geval van aanvragen voor een gehele of gedeeltelijke vrijmaking.

Art. 17.Elke referentiehoeveelheid toegekend aan een producent die tijdens de duur van een volledige periode geen melk of andere zuivelproducten in de handel heeft gebracht, wordt na afloop van de betrokken periode toegevoegd aan de nationale reserve.

De termijn binnen dewelke de producent de melkproductie moet hervatten teneinde zijn referentiehoeveelheid opnieuw toegekend te krijgen wordt vastgelegd op 31 maart van de periode volgend op het de periode waarin de producent geen melk of zuivelproducten in de handel heeft gebracht.

Art. 18.Een specifieke referentiehoeveelheid, bestemd voor wetenschappelijk onderzoek en onderwijs, kan worden toegekend aan de Belgische Staat.

Art. 19.§ 1. Wat de leveringen betreft moet de koper vóór de 21e van elke maand aan het Bestuur alle gevraagde gegevens bezorgen met betrekking tot de leveringen van de voorgaande maand. Volgens de modaliteiten bepaald door de Minister, moet de koper of de persoon die voor rekening van de koper de melkophaling doet, tijdens elke ophaling een document invullen dat door de producent dient bewaard te worden en dat, per productie-eenheid, zijn leveringen individualiseert.

De kopers zijn verplicht alle gevraagde gegevens betreffende de leveringen van het vorige tijdvak, vóór 30 april volgend op de betrokken periode, te bevestigen aan het Bestuur.

De kopers moeten gedurende ten minste vijf jaren vanaf het einde van de periode de sporen van elke individuele levering bewaren in de vorm van het origineel rapport van elke ophaalronde, gedateerd en naar behoren geïdentificeerd. § 2. Wat de rechtstreekse verkopen betreft moet de producent die tijdens de betrokken periode melk of zuivelproducten rechtstreeks heeft verkocht of die beschikte over een referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkopen, conform de bepalingen in de artikelen 4 en 7 van Verordening (EEG) nr. 1392/2001 : 1° in het register hem ter beschikking gesteld door het Ministerie een productboekhouding, alsook een permanente inventaris van de melkkoeien bijhouden. Dit register en de daarbij horende bewijsstukken dienen gedurende 5 jaar ter beschikking van het Ministerie te worden gehouden; 2° voor het einde van de maand die volgt op de betrokken maand, aan het Bestuur de maandelijkse verklaring van de verkopen van melk en zuivelproducten, ingevoegd in het register bedoeld in 1°, toesturen;3° het verklaringsformulier, per tijdvak, van de verkoop van melk en zuivelproducten, eveneens ingevoegd in het register bedoeld in 1°, invullen;4° dit formulier aan het provinciale bureau van het Bestuur, per aangetekend schrijven en ten laatste op 30 april van de volgende periode, opsturen, eventueel vergezeld van de aanvraag tot tijdelijke wijziging of tot tijdelijke vaststelling van de referentiehoeveelheid, bepaald bij art.3, § 1. § 3. Bij het ontbreken op 15 mei van de volgende periode van de mededeling van de inlichtingen en verklaringen bedoeld in § § 1 en 2, 4°, geldt de in artikels 3 en 4 van Verordening (EEG) nr. 1392/2001 voorziene heffing of boete.

Art. 20.§ 1. Het Ministerie is belast met de inning van de extra heffing. § 2. Wat de leveringen betreft dient de extra heffing door de heffingsplichtige koper betaald te worden vóór 22 augustus van de volgende periode.

Indien deze termijn niet wordt nageleefd, wordt de wettelijke interest op jaarbasis toegepast op de verschuldigde bedragen.

De extra heffing moet betaald worden door de koper aan wie de verschuldigde producent levert op het ogenblik dat de afrekening wordt berekend na het einde van de betrokken periode.

De koper houdt het verschuldigde bedrag in op de prijs die hij voor de melk verschuldigd is aan de producent die de uiteindelijke schuldenaar is, of int het verschuldigde bedrag op een andere wijze met passende middelen.

Wanneer de door een producent geleverde hoeveelheden de referentiehoeveelheid overschrijden waarover hij beschikt, mag de koper, als voorschot op de verschuldigde heffing, het bedrag van de prijs van de melk inhouden van alle leveringen van die producent die deze ter beschikking staande referentiehoeveelheid overschrijden, zoals die gekend is op het ogenblik van inhouden. § 3. Wat de rechtstreekse verkopen betreft dient de extra heffing door de producent betaald te worden vóór 1 september van de volgende periode.

Indien deze termijn niet wordt nageleefd, wordt de wettelijke interest op jaarbasis toegepast op de verschuldigde bedragen. § 4. Het Bestuur neemt de nodige maatregelen in de gevallen waarin de koper of de producent niet in staat zijn de verschuldigde extra heffing te betalen.

Art. 21.§ 1. De bijdrage van de producenten aan de betaling van de verschuldigde extra heffing wordt bepaald nadat de ongebruikte referentiehoeveelheden enerzijds voor leveringen en anderzijds voor rechtstreekse verkopen, zijn verdeeld over alle producenten die voor het betrokken tijdvak hun referentiehoeveelheid respectievelijk voor leveringen of voor rechtstreekse verkopen hebben overschreden.

Deze verdelingen worden zo uitgevoerd dat iedere producent een gelijke hoeveelheid krijgt, respectievelijk voor leveringen of voor rechtstreekse verkopen, onder voorbehoud dat die hoeveelheid niet hoger mag zijn dan zijn respectievelijke overschrijdingen, en niet hoger dan 15.000 liter wat de leveringen betreft. § 2. op verdelingen wat betreft leveringen en rechtstreekse verkopen Hebben geen recht : 1° de producenten van wie leveringen of rechtstreekse verkopen op een onjuiste manier werden medegedeeld of die niet werden medegedeeld;2° de producenten die aan een niet erkende koper hebben geleverd;3° de producenten die de bepalingen betreffende de termijnen en de kalender van de leveringen bedoeld bij artikel 19, § 1, tweede lid, niet hebben nageleefd;4° de producenten die de bepalingen van artikel 19, § 2, 1° en 2° niet hebben nageleefd;5° de producenten waarvan de inlichtingen en de verklaringen betreffende het formulier bedoeld bij artikel 19, § 2, 3° niet werden medegedeeld op 15 mei volgend op het betreffende tijdvak. § 3. In het geval van een bedrijfsovername in de loop van de periode, wordt de berekening van de extra heffing en deze van de in het eerste lid voor verdeling bedoelde beschikbare hoeveelheid vastgesteld na samenvoeging van de respectievelijke verkopen en leveringen van de betrokken producenten. In het voorkomend geval is de extra heffing verschuldigd door de producent of de producenten die de voor dit tijdvak verklaarde behouden of overgenomen referentiehoeveelheid heeft overschreden. § 4. In toepassing van de bepalingen van artikel 2, punt 4, van Verordening (EEG) nr. 3950/92, wordt de in de loop van de tijdvakken na 31 maart 1999 te veel geïnde extra heffing aan de producenten terugbetaald naar prorata van elke liter referentiehoeveelheid leveringen op een te bepalen datum, aangepast na toepassing van de bepalingen van artikelen 3 en 4 van dit besluit.

Het bedrag van die terugbetaling per liter referentiehoeveelheid voor leveringen wordt bepaald rekening gehouden met het totaal der extra heffingen die te veel zijn geïnd op die datum, verminderd met een financiële reserve.

De producenten die gedurende een van de tijdvakken na 31 maart 2001 hun aldus aangepaste referentiehoeveelheid met meer dan 15.000 liter zullen hebben overschreden, zullen het recht op eventuele terugbetalingen verliezen.

Art. 22.Voor de toepassing van dit besluit kan rekening worden gehouden met de gegevens verstrekt door de producenten op de vragenformulieren gevoegd bij het koninklijk besluit van 2 april 2001 betreffende de organisatie van een jaarlijkse landbouwtelling in de maand mei, uitgevoerd door het Nationaal Instituut voor de Statistiek, en op de oppervlakteaangiftes, voorzien in het ministerieel besluit van 20 december 2001Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 20/12/2001 pub. 06/02/2002 numac 2002016024 bron ministerie van middenstand en landbouw Ministerieel besluit houdende uitvoering van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen sluiten houdende uitvoering van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot instelling van een steunregeling voor producenten van bepaalde akkerbouwgewassen.

Art. 23.De Minister kan alle bijkomende maatregelen treffen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de extra heffing.

Art. 24.De inbreuken op de bepalingen van Verordening (EEG) nr. 3950/92 en van Verordening (EG) nr. 1392/2001, op de bepalingen van dit besluit en op de bepalingen die getroffen zijn krachtens dit besluit, worden opgespoord, vastgesteld en bestraft overeenkomstig de wet van 28 maart 1975 betreffende de handel in landbouw-, tuinbouw- en zeevisserijproducten.

Art. 25.Wat betreft het Waalse Gewest is het koninklijk besluit van 2 oktober 1996 betreffende de toepassing van de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten opgeheven.

De verbintenissen en verplichtingen die de producenten voorheen hebben aangegaan in het kader van dat koninklijk besluit van 2 oktober 1996 blijven van toepassing tot beëindiging ervan.

Art. 26.Dit besluit heeft uitwerking vanaf 1 april 2002, met uitzondering van § 2 van artikel 11, dat in werking treedt de dag van de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad en met uitzondering van § 3 van artikel 11 en van artikel 16, die in werking treden op 1 april 2003.

Namen, 19 december 2002.

De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Landbouw en Landelijke Aangelegenheden, J. HAPPART

BIJLAGE Representatieve vetgehaltes en equivalentiecoëfficiënten.

A. Representatieve vetgehaltes : De representatieve vetgehaltes worden vastgesteld voor referentiehoeveelheden « leveringen », en voor referentiehoeveelheden « rechtstreekse verkopen » die geheel of gedeeltelijk aangewend worden voor leveringen aan een koper. 1. Basisvetgehalte - Voor de referentiehoeveelheid leveringen : het representatieve vetgehalte verbonden aan de referentiehoeveelheid beschikbaar op 31 maart 2002. - Voor de referentiehoeveelheid rechtstreekse verkopen : 39,14 gr./liter melk. 2. Bij aanpassing van een referentiehoeveelheid zoals voorzien in artikel 3 : - het representatieve vetgehalte van de verhoogde referentiehoeveelheid is gelijk aan het gewogen gemiddelde van het representatieve vetgehalte van de referentiehoeveelheid vóór verhoging en het representatieve vetgehalte van de geheel of gedeeltelijk overgedragen referentiehoeveelheid; - het representatieve vetgehalte van de verminderde referentiehoeveelheid van verandert niet. 3. Bij het afsluiten van overeenkomsten voor tijdelijke overdracht van referentiehoeveelheden, zoals voorzien in artikel 4 : - het representatieve vetgehalte van de referentiehoeveelheid van de producent-overnemer is gelijk aan het gewogen gemiddelde van de representatieve vetgehaltes van zijn oorspronkelijke referentiehoeveelheid en de tijdelijk verworven referentiehoeveelheid; - het representatieve vetgehalte van de referentiehoeveelheid van de producent-overlater verandert niet. 4. Bij definitieve wijziging van referentiehoeveelheden zoals voorzien in de artikelen 5 en 6 : - het representatieve vetgehalte van de referentiehoeveelheid van de producent-overnemer is gelijk aan het gewogen gemiddelde van de representatieve vetgehaltes van zijn oorspronkelijke referentiehoeveelheid en de definitief verworven referentiehoeveelheid; - het representatieve vetgehalte van de referentiehoeveelheid van de producent-overlater verandert niet.

B. Equivalentiecoëfficiënten om in de handel gebrachte zuivelprodukten om te rekenen in liter volle melk Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Deze coëfficiënten werden vastgesteld uitgaande van volle melk met 39,14 gram vet per liter. Indien de producent kan bewijzen dat de hoeveelheden die werkelijk voor de vervaardiging van de betrokken produkten zijn gebruikt verschillend zijn, worden de equivalentiecoëfficiënten op die basis gewijzigd.

Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Waalse Regering van 19 december 2002 betreffende de toepassing van de extra heffing in de sector melk en zuivelproducten.

Namen, 19 december 2002.

De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Landbouw en Landelijke Aangelegenheden, J. HAPPART

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^