Etaamb.openjustice.be
Besluit Van De Waalse Regering van 30 april 2009
gepubliceerd op 21 september 2009

Besluit van de Waalse Regering houdende verschillende maatregelen betreffende toeristische logiesverstrekkende inrichtingen, de kampeer-caravanterreinen en de organisatie van het toerisme

bron
waalse overheidsdienst
numac
2009027167
pub.
21/09/2009
prom.
30/04/2009
ELI
eli/besluit/2009/04/30/2009027167/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

30 APRIL 2009. - Besluit van de Waalse Regering houdende verschillende maatregelen betreffende toeristische logiesverstrekkende inrichtingen, de kampeer-caravanterreinen en de organisatie van het toerisme


De Waalse Regering, Gelet op het decreet van de Raad van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 betreffende de voorwaarden voor het exploiteren van kampeer-caravanterreinen;

Gelet op het decreet van 18 december 2003 betreffende de toeristische logiesverstrekkende inrichtingen;

Gelet op het decreet van 27 mei 2004 betreffende de organisatie van het toerisme, inzonderheid op artikel 15, § 3;

Gelet op het decreet van 23 oktober 2008 houdende verschillende maatregelen betreffende toeristische logiesverstrekkende inrichtingen, de toeristische bezienswaardigheden, de organisatie van het toerisme en de gemarkeerde toeristische wandelroutes, inzonderheid op artikel 114;

Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 9 december 2004 tot uitvoering van het decreet van 18 december 2003 betreffende de toeristische logiesverstrekkende inrichtingen;

Gelet op het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 4 september 1991 betreffende de camping-caravaning;

Gelet op het besluit van de Waalse Regering tot vaststelling van de voorwaarden en de modaliteiten voor de toekenning van premies inzake caravaning;

Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 19 juni 2008 houdende sommige uitvoeringsbepalingen van het decreet van 27 mei 2004 betreffende de organisatie van het toerisme;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 5 januari 2009;

Gelet op de instemming van de Minister van Begroting, gegeven op 22 januari 2009;

Gelet op het advies van de Hoge Raad voor Toerisme, gegeven op 6 februari 2009;

Gelet op het advies van de brandveiligheidscommissie, gegeven op 17 maart 2009;

Gelet op advies nr. 46.286/4 van de Raad van State, gegeven op 20 april 2009, overeenkomstig artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister voor Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme;

Na beraadslaging, Besluit :

Artikel 1.Dit besluit regelt overeenkomstig artikel 138 van de Grondwet een aangelegenheid bedoeld in artikel 127, § 1, ervan.

Art. 2.Artikel 2 van het besluit van de Waalse Regering van 9 december 2004 tot uitvoering van het decreet van 18 december 2003 betreffende de toeristische logiesverstrekkende inrichtingen wordt gewijzigd als volgt : 1° punt 7° wordt vervangen door volgende bepaling : « 7° kampeerverblijf : het mobiele of het niet-verplaatsbare verblijf in de zin van artikel 2, 15° en 19°, van het decreet »;2° de volgende bepaling wordt in fine toegevoegd : « 8° gedeelte van een toeristisch kampeerterrein dat overstroomd kan worden : het geheel van de geringe, gemiddelde of hoge voorkomingsomtrekken van waterwinningen opgenomen in de door de Regering aangenomen cartografie van het risico op overstromingen door het buiten de oevers treden van waterlopen van elk onderstroomgebied.».

Art. 3.In het opschrift van titel II van hetzelfde besluit worden de woorden « vakantiedorpen en toeristische kampeerterreinen » vervangen door de woorden « vakantiedorpen, toeristische kampeerterreinen, vakantiedorpen en toerismeverblijven ».

Art. 4.Artikel 5 van hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt : 1° in het eerste lid, 5°, worden de woorden « en toeristische kampeerterreinen » vervangen door de woorden « toeristische kampeerterreinen en de toerismeverblijven »;2° in het eerste lid, 6°, worden de woorden « en de toeristische kampeerterreinen » vervangen door de woorden « de toeristische kampeerterreinen en de toerismeverblijven »;

Art. 5.Punt 3° van artikel 23 van hetzelfde besluit vervalt.

Art. 5bis.Punt 1°, a, van artikel 24 van hetzelfde besluit wordt aangevuld als volgt : « dat cijfer wordt op twintig gebracht voor de standplaatsen aangesloten op water en op riolering; ».

Art. 6.Artikel 25 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.

Art. 7.Artikel 26 van hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt : 1° punt 2° wordt vervangen door volgende bepaling : « 2° de mobiele kampeerverblijven, terrassen, luifel en voortent in zeil inbegrepen, hebben een grondoppervlakte die maximum één derde van de oppervlakte van de standplaats bedraagt, terwijl de oppervlakte van het mobiele kampeerverblijf hoogstens 40 m2 bedraagt;de minimale oppervlakte van een standplaats voor een rijcaravan is minimum 80 m2 en de minimale oppervlakte van een standplaats voor een stacaravan is 100 m2, »; 2° punt 3° wordt vervangen door volgende bepaling : « 3° de niet-verplaatsbare kampeerverblijven, terrassen, luifel en voortent in zeil inbegrepen, hebben een grondoppervlakte die maximum één derde van de oppervlakte van de standplaats bedraagt, terwijl de oppervlakte van het niet-verplaatsbare kampeerverblijf hoogstens 70 m2 bedraagt »;3° punt 4° wordt vervangen door volgende bepaling : « 4° een terras kan worden toegevoegd bij het mobile kampeerverblijf op de volgende cumulatieve voorwaarden : onafhankelijk zijn van het mobiele kampeerverblijf;op de bodem of op een drager waarvan de hoogte kleiner is dan 10 centimeter en dit zonder verankering aangelegd worden; in perfecte onderhoudstaat gehouden worden; niet voorzien zijn van allerlei inrichtingen en bouwen; de mobiliteit van het mobiele kampeerverblijf niet kunnen hinderen een enig terrasmodel wordt toegelaten per toeristisch kampeerterrein. »; 4° de voorlaatste zin van punt 5° wordt vervangen door volgende bepaling : « Die mogen enkel op een niet aan de grond vastgemaakte sokkel geplaatst worden om te voorkomen dat wielen in de grond zakken.»; 5° in punt 6°, eerste lid, vervalt het woord « terrassen »;6° de laatste zin van punt 10° wordt vervangen door volgende bepaling : « In de gemiddelde en hoge voorkomingsomtrek van het overstroombare gedeelte van een toeristisch kampeerterrein mag er geen enkele omheining geplaatst worden.»

Art. 8.Artikel 28 van hetzelfde besluit wordt vervangen door volgende bepaling : «

Art. 28.§ 1. De hoge voorkomingsomtrek van het overstroombare gedeelte van een toeristisch kampeerterrein mag geen residentiële kampeerder ontvangen. Het kan kampeerders op doortocht ontvangen en tijdens de periode van 15 maart tot en met 15 november, seizoenskampeerders.

In de hoge voorkomingsomtrek van het overstroombare gedeelte van een toeristisch kampeerterrein is elke bouw, elke inrichting, elke stacaravan of elke vaste installatie die het lozen van het water zou kunnen hinderen, verboden behalve als laatstgenoemde beschikt over een stedenbouwkundige vergunning.

De gemiddelde en geringe voorkomingsomtrek van het overstroombare gedeelte van een toeristisch kampeerterrein mag kampeerders op doortocht, seizoenskampeerders of residentiële kampeerders ontvangen.

In de gemiddelde voorkomingsomtrekken van het overstroombare gedeelte van een toeristisch kampeerterrein moeten de volgende bijkomende maatregelen getroffen worden : - de luifel en voortent in zeil en de andere gelijksoortige inrichtingen alsmede de buitenmeubels worden voor de periode tussen 15 november en 15 maart weggenomen; - elke bouw, elke inrichting, elke stacaravan of elke vaste installatie die het lozen van het water zou kunnen hinderen en die gelegen is op minder dan 25 meter van de oever van de waterlopen is verboden behalve als laatstgenoemde beschikt over een stedenbouwkundige vergunning. § 2. De aanvrager of de houder van de vergunning kan evenwel één of meerdere afwijkingen van de in deze paragraaf bedoelde bepalingen vragen. Die aanvraag om afwijking bewijst dat de schade in geval van overstroming aanzienlijk beperkt wordt door minstens één van de volgende elementen gemotiveerd : - de uitvoering van inrichtingen na het opmaken van de cartografie van het risico op overstromingen en voor zover die inrichtingen in voorkomend geval het voorwerp hebben uitgemaakt van een stedenbouwkundige vergunning; - de verbintenis om inrichtingen uit te voeren die, in voorkomend geval, het voorwerp hebben uitgemaakt van een definitieve stedenbouwkundige vergunning; - een duidelijke vergissing in de cartografie van het risico op overstromingen.

De aanvraag om afwijking bedoeld in het vorige lid kan op elk ogenblik ingediend worden; ze wordt onderzocht en behandeld overeenkomstig de beroepsprocedure bedoeld in de artikelen 44, derde lid en 45 tot 49 van het decreet van 18 december 2003 betreffende de toeristische logiesverstrekkende inrichtingen en bij artikel 51 van het besluit van de Waalse Regering van 9 december 2004 tot uitvoering van het decreet van 18 december 2003 betreffende de toeristische logiesverstrekkende inrichtingen.

Zodra een dergelijke aanvraag om afwijking volgens de modaliteiten bedoeld in het tweed lid wordt ingediend, richt het Commissariaat-generaal voor Toerisme bovendien een aanvraag om gemotiveerd advies aan de bevoegde Directie van de Waalse Overheidsdienst volgens het type categorie betrokken waterlopen. Het advies wordt binnen veertig dagen uitgebracht door de betrokken Directie.

Onmiddellijk na ontvangst van dat advies maakt het Commissariaat-generaal voor Toerisme er een afschrift van over aan de aanvrager en aan de Voorzitter van de Beroespcommissie. »

Art. 9.In hoofdstuk II van titel II van hetzelfde besluit wordt er een bijkomende afdeling ingevoegd, met als opschrift « Afdeling 6. - Toerismeverblijven ».

Art. 10.In afdeling 6 van hoofdstuk II van titel II van hetzelfde besluit wordt er een artikel 35bis ingevoegd, luidend als volgt : «

Art. 35bis.Elk toerismeverblijf moet de volgende voorwaarden vervullen : - de minimale voorwaarden vastgesteld voor categorie 1 van het indelingsrooster van de toerismeverblijven bedoeld in bijlage 15 vervullen; het geheel van de installatie moet in een goede algemene onderhoudstaat zijn; het personeel moet correct gekleed zijn; de eventuele bijgebouwen moeten voldoen aan dezelfde voorwaarden als het hoofdzakelijke gebouw; geïdentificeerd worden door een welbepaalde naam die duidelijk zichtbaar is. ».

Art. 11.Artikel 36 van hetzelfde besluit wordt vervangen door volgende bepaling : « De normen waaraan de hotelverblijven, het streekgebonden toeristisch logies, de gemeubileerde vakantiewoningen, de toeristische kampeerterreinen, de kampeerterreinen op een hoeve uitgezonderd, de vakantiedorpen en de verblijfseenheden ervan alsmede de toerismeverblijven dienen te voldoen met het oog op hun categorie-indeling, zijn opgenomen in de bijlagen 1 tot en met 4 en in bijlage 15. »

Art. 12.Artikel 56 van hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt : 1° in het eerste lid wordt het woord « Onverminderd » vervangen door de bewoordingen « Onder voorbehoud van »;2° er wordt een bijkomend lid ingevoegd, luidend als volgt : « Onder voorbehoud van de toepassing van het eerste lid zijn de in bijlage 12 bedoelde bijzondere veiligheidsnormen van toepassing op de toeristische kampeerterreinen. De houder van de vergunning beschikt over een termijn van twaalf maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze bepaling om een aanvraag om vereenvoudigd controleattest bij de burgemeester in te dienen.

De toeristische campings die zich geschikt hebben naar vorig lid, kunnen hun uitbating voortzetten totdat over hun aanvraag definitief is beslist. »

Art. 13.In titel IV van hetzelfde besluit wordt het opschrift « HOOFDSTUK VI. - Beroepen » vervangen door het opschrift « HOOFDSTUK V. - Beroepen ».

Art. 14.In titel IV van hetzelfde besluit wordt het opschrift « HOOFDSTUK VII. - Brandveiligheidscommissie » vervangen door het opschrift « HOOFDSTUK VI. - Brandveiligheidscommissie ».

Art. 15.In titel IV van hetzelfde besluit wordt het opschrift « HOOFDSTUK IV. - Bevoegdheidsoverdracht » vervangen door het opschrift « HOOFDSTUK VII. - Bevoegdheidsoverdracht ».

Art. 16.Artikel 74 van hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt : 1° in punt 2°, e, worden de woorden « met inbegrip van de televisie- en radiotoestellen » ingevoegd na het woord « teledistributie »;2° in punt 3° wordt er een punt e.ingevoegd, luidend als volgt : « e. haardrogers, minibars, schoenpoetsmachines en brandkasten »; 3° in punt 5°, c, worden de woorden « en private toegangswegen » ingevoegd na de woorden « parkeerplaatsen en garages »;4° er wordt een punt 7° in fine toegevoegd, luidend als volgt : « 7° de aankoop en de installatie van het materieel voor de productie van hernieuwbare energieën ».

Art. 17.Artikel 76 van hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt : 1° in punt 6° wordt het woord « meubilair » vervangen door het woord « keukenmeubilair »;2° punt 13° wordt vervangen als volgt : « 13° de nodige inrichtingen en aankopen voor de overeenstemming met de specifieke of basisnormen inzake brandveiligheid »; 3° punt 16° wordt vervangen als volgt : « 16° het optrekken van identieke onverplaatsbare hokjes op het hele toeristische kampeerterrein, waarbij het in aanmerking komend bedrag voor dat werk maximum 7.500 euro per hokje bedraagt, met een minimum van drie onverplaatsbare hokjes »; 4° in punt 23° worden de woorden « een aanpalende conciërgewoning waarin een gezin ondergebracht kan worden » vervangen door de woorden « een conciërgewoning waarin een gezin ondergebracht kan worden voor zover ze binnen de grenzen van het toeristische kampeerterrein gelegen is ».

Art. 18.In het eerste lid van artikel 79 van hetzelfde besluit worden de woorden « of 112 » vervangen door de woorden « , 112, 116bis of 116quinquies ».

Art. 19.In hetzelfde besluit wordt de volgende titel ingevoegd vóór Titel VI : « TITEL Vbis - Kampplaatsen ».

Art. 20.In Titel IVbis van hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk I ingevoegd met als opschrift : « HOOFDSTUK I. - Forfaitaire bijdrage ».

Art. 21.In hoofdstuk I van titel Vbis van hetzelfde besluit wordt een artikel 83/1 ingevoegd, luidend als volgt : «

Art. 83/1.Het bedrag van de forfaitaire bijdrage bedoeld in artikel 140/4 van het decreet bedraagt : - 160 euro voor een plaats waar minder dan 40 jongeren worden opgevangen; - 200 euro voor een plaats waar 40 tot minder dan 60 jongeren worden opgevangen; - 240 euro voor een plaats waar meer dan 60 jongeren worden opgevangen.

Deze bedragen worden jaarlijs aangepast om rekening te houden met de waarde van de met de waarde van de index der consumptieprijzen, volgens de formule : voorzien bedrag x nieuw indexcijfer/aanvankelijk indexcijfer waarbij de aanvankelijke index, de index is van de maand van inwerkingtreding van dit decreet en de nieuwe index, de index van de maand waarop die inwerkingtreding verjaart.

In alle geval worden de op grond van het vorige lid aangepaste bedragen afgerond naar de lagere euro, gesteld dat de decimaal lager zou zijn dan 50 centen en naar de hogere euro, mocht de decimaal gelijk zijn aan of hoger zijn dan 50 centen. ».

Art. 22.In titel Vbis van hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk II ingevoegd met als opschrift : « HOOFDSTUK II. - Erkende instelling ».

Art. 23.In hoofdstuk II van titel Vbis van hetzelfde besluit wordt een artikel 83/2 ingevoegd, luidend als volgt : «

Art. 83/2.§ 1. De in artikel 140/18 van het decreet bedoelde oproep tot de kandidaten wordt door de Minister georganiseerd.

De kandidaturen moeten binnen de maand na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad gezonden worden naar het adres vermeld in de oproep en moeten vergezeld gaan van de documenten waaruit blijkt dat de in artikel 140/19 van het decreet bedoelde ontvankelijkheidsvoorwaarden worden vervuld en waarin wordt bepaald dat er aan de voorwaarden bedoeld in hetzelfde artikel alsmede in artikel 140/21 van het decreet zal worden voldaan.

Binnen een termijn van twintig dagen na het sluiten van de oproep wijst de Minister de erkende instelling aan op grond van de criteria bedoeld in artikel 140/20 van het decreet. § 2. Binnen de perken bepaald in artikel 140/7 en uiterlijk vier maanden na het verstrijken van haar erkenning, kan de erkende instelling per gecertificeerde zending een aanvraag om verlenging van haar erkenning bij de Minister indienen; ze voegt bij haar aanvraag alle nodige documenten en inlichtingen die de naleving van de voorwaarden bepaald in artikel 140/19 bevestigen.

De verlenging wordt door de Minister beslist binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag om verlenging die als volledig wordt beschouwd.

Om een voortzetting van het beheer te waarborgen kan de instelling, waarvan de erkenning is verjaard, evenwel haar opdracht voortzetten zolang de beslissing betreffende de aanvraag om verlenging van de erkenning niet betekend is door de Minister.

De verlenging van de erkenning wordt geweigerd als de erkende instelling de voorwaarden bepaald in artikel 140/19 van het decreet niet meer vervult of zich niet heeft aangepast aan de verplichtingen van de artikelen 140/16 en 140/21 van het decreet. »

Art. 24.In hoofdstuk II van titel Vbis van hetzelfde besluit wordt een artikel 83/3 ingevoegd, luidend als volgt : «

Art. 83/3.Het jaarlijkse verslag bedoeld in artikel 140/21, tweede lid, van het decreet zal minstens de volgende informatie bevatten : - het aantal ingediende aanvragen om labeling, het aantal toegekende labellen en indelingen alsmede de opvangcapaciteiten; - het aantal indelingsherzieningen en deelnemingen aan beroepsverhoren; - het aantal bezoek- en raadgevingsdagen en afgelegde kilometers; - de voortgangen, vergaderingen, seminaria en diverse acties die nodig zijn voor de ontwikkeling van het netwerk van kampplaatsen; - de bevorderingsacties enerzijds en de aansporingen tot de opening van nieuwe kampplaatsen anderzijds; - elke actie en voortgang die nodig is voor de opdracht van de erkende instelling. ».

Art. 25.In titel Vbis van hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk III ingevoegd, luidend als volgt : « HOOFDSTUK III. - Labelaanvraag ».

Art. 26.In hoofdstuk III van titel Vbis van hetzelfde besluit wordt een artikel 83/4 ingevoegd, luidend als volgt : «

Art. 83/4.De labelaanvraag van de eigenaar of de beheerder van een kampplaats wordt ingediend aan de hand van het formulier opgemaakt door het Commissariaat-generaal voor Toerisme; dat formulier bevat met name een beschrijving van de hoofdzakelijke kenmerken van de kampplaatsen.

Daarbij gaan volgende documenten : 1° in geval van toepassing van artikel 73 van het decreet, een afschrift van het brandveiligheidsattest;2° in geval van toepassing van artikel 74 van het decreet, een afschrift van het vereenvoudigd controleattest;3° in voorkomend geval, een afschrift van de vereiste administratieve vergunningen, die definitief geworden moeten zijn;4° een uittreksel van het strafregister, bestemd voor een overheidsbestuur en afgeleverd sinds minder dan drie maanden op naam van de verzoeker en, in voorkomend geval, van de persoon belast met het dagelijks bestuur van de toeristische logiesverstrekkende inrichting;5° wanneer de uitbating waargenomen wordt door een handelsvennootschap of door een vereniging, een afschrift van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de bijgewerkte en gecoördineerde statuten van de vennootschap of de vereniging.»

Art. 27.In hoofdstuk III van titel Vbis van hetzelfde besluit wordt een artikel 83/5 ingevoegd, luidend als volgt : «

Art. 83/5.Het attest betreffende de afgifte van de label wordt op zichtbare wijze in een hermetisch raam aangeplakt binnen de betrokken kampplaats. De label identificeert verplicht de kampplaats en zijn maximale opslagcapaciteit. ».

Art. 28.In Titel IVbis van hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk IV ingevoegd met als opschrift : « HOOFDSTUK I. - Criteria voor de toekenning en de handhaving van de label ».

Art. 29.In hoofdstuk IV van titel Vbis van hetzelfde besluit wordt een artikel 83/6 ingevoegd, luidend als volgt : «

Art. 83/6.§ 1. Elke kampplaats moet de volgende criteria vervullen : 1° hij stemt overeen met de minimale uitrustings- en dienstnormen van categorie 1, die bedoeld zijn in bijlage 13;2° hij is niet gelegen in hetzelfde gebouw als een toeristische logiesverstrekkende inrichting die gemachtigd is om één van de benamingen bedoeld in artikel 2, 3°, 7°, 8°, 11°, 18°, 21°, 24°bis, 24°ter of 30° van het decreet te gebruiken;3° hij is inderdaad beschikbaar als kampplaats tijdens een minimale duur van zes weken in de zomer;4° de buitenkant en de binnenkant van de kampplaats zien er verzorgd uit, zijn in goede staat van netheid en hygiëne;voor elke verhuring wordt hij volledig gereinigd en verlucht; 5° hij voldoet aan één van beide volgende criteria : - ofwel hij is gelegen buiten een bewoonde kern op een afstand die de kalmte van de omwoners verzekert; - ofwel de labelhouder of de persoon belast met het dagelijkse beheer van de kampplaats of bij gebrek een behoorlijk gemachtigde verantwoordelijke woont voortdurend ter plaatse of in de onmiddellijke nabijheid. § 2. Voor elk gebruik als kampplaats sluit de labelhouder een contract met de bewoner dat de volgende voorwaarden vervult : - het bevat minstens de elementen bedoeld in bijlage 14; - de verhuurprijs per persoon en per nacht is kleiner dan 3 euro, lasten niet inbegrepen. § 3. De labelhouder zorgt ervoor dat de bewoners van de kampplaats de omwoners en hun normale rust eerbiedigen. ».

Art. 30.In titel Vbis van hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk V ingevoegd met als opschrift : « HOOFDSTUK V. - Indeling, herziening en schild ».

Art. 31.In hoofdstuk V van titel Vbis van hetzelfde besluit wordt een artikel 83/7 ingevoegd, luidend als volgt : «

Art. 83/7.De normen waaraan de kampplaatsen moeten voldoen met het oog op hun indeling in categorieën zijn in bijlage 13 opgenomen. »

Art. 32.In hoofdstuk V van titel Vbis van hetzelfde besluit wordt een artikel 83/8 ingevoegd, luidend als volgt : «

Art. 83/8.Het schild vermeldt de toegelaten label « Kampplaats ».

Hij moet op zichtbare wijze op het gelabelde gebouw en bij de hoofdingang aangeplakt worden.

Onverminderd het vorige lid en wanneer een gebouw verschillende gelabelde kampplaatsen omvat, wordt slechts één enig schild aangeplakt bij de hoofdingang. »

Art. 33.In hoofdstuk V van titel Vbis van hetzelfde besluit wordt een artikel 83/9 ingevoegd, luidend als volgt : «

Art. 83/9.Elk schild wordt teruggeven aan het Commissariaat-generaal voor Toerisme op het adres van de erkende instelling in geval van vrijwillige afstand van het gebruik van de label. Het wordt ook binnen de dertig dagen na ontvangst van de kennisgeving van de beslissing tot intrekking van de label of, in geval van beroep, van de bevestiging ervan, teruggegeven. »

Art. 34.In hoofdstuk V van titel Vbis van hetzelfde besluit wordt een artikel 83/10 ingevoegd, luidend als volgt : «

Art. 83/10.Elke herzieningsaanvraag wordt ingediend aan de hand van het formulier opgemaakt door het Commissariaat-generaal voor Toerisme. »

Art. 35.In titel Vbis van hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk VI ingevoegd, luidend als volgt : « HOOFDSTUK VI. - Diverse bepalingen ».

Art. 36.In hoofdstuk VI van titel Vbis van hetzelfde besluit wordt een artikel 83/11 ingevoegd, luidend als volgt : «

Art. 83/11.De Minister wordt ermee belast : - het model van het schild bedoeld in artikel 140/26 van het decreet te bepalen; - over de beroepen bedoeld in hoofdstuk VI van titelbis van het decreet te beslissen. »

Art. 37.In hoofdstuk VI van titel Vbis van hetzelfde besluit wordt een artikel 83/12 ingevoegd, luidend als volgt : «

Art. 83/12.Elke toelageaanvraag wordt in één exemplaar ingediend bij het Commissariaat-generaal voor Toerisme aan de hand van het door hem opgemaakte formulier. »

Art. 38.Bijlage 1 van hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt : 1° in punt 02.12 wordt het kruis in kolom « 2* » geschrapt; 2° in punt 02.14 vervallen de woorden « op verzoek »; 3° in punt 02.15 worden de woorden « Verplichte radio en TV op verzoek » vervangen door het woord « Televisie »; 4° in punt 03.15 dient een kruis in kolom « 4 » toegevoegd te worden; 5° in punt 08.02 wordt de woorden « een bureau » ingevoegd voor het woord « toonbank »; 6° in punt 08.04 worden de woorden « Afgezonderd lokaal met zetels » vervangen door de woorden « Afgezonderd lokaal met zetels of zithoek »; 7° in punt 09.03 vervallen de woorden « met geluiddempende kap. »

Art. 39.In hetzelfde besluit wordt bijlage 2 vervangen door bijlage 1die bij dit besluit wordt gevoegd.

Art. 40.Bijlage 3 van hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt : 1° punt 4 wordt vervangen als volgt : « Rij inheemse soorten in overeenstemming met het landschap, die bestaat uitsluitend uit plaatselijke oliën en die het uitzicht op het terrein verbergt (behalve natuurlijke begrenzing) »;2° in punt 5 worden de woorden « naburige woningen » vervangen door de woorden « voor bestaande naburige woningen » en worden kruizen toegevoegd in kolom « 1* », « 2* » en « 3* »;3° in punt 6 wordt het woord « Uitzicht » vervangen door de woorden « Uitzicht/panorama »;4° in punt 21 worden de woorden « Goed algemeen onderhoud » vervangen door de woorden « Goede algemene staat »;5° in punt 36 worden de woorden (6 ampères voor de plaatsen bestemd voor doortocht) toegevoegd na de woorden « 10 ampères »;6° in punt 42 worden de woorden « aanwezigheid van twee palen uitgerust met » vervangen door de woorden « aanwezigheid van een paal en een platform uitgerust met » Art.41. In de Nederlandstalige versie van bijlage 3 bij hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° onder titel « Classificatienormen voor toeristische kampeerterreinen » dienen de woorden « notes minimales à obtenir par catégorie de classement » te worden vervangen door hun Nederlandstalige vertaling « minimale punten per indelingscategorie »;2° de woorden « 4.Naleving van een afscheidingsstrook van 20 m i.v.t. naburige woningen » worden vervangen door de woorden « 5. Naleving van een afscheidingsstrook van 20 m i.v.t. naburige woningen » en de nummering van de volgende punten wordt aangepast.

Art. 42.In bijlage 4 bij hetzelfde besluit wordt een punt 11bis toegevoegd, luidend als volgt : « 11bis. Opengaand venster in elke kamer. Indien het technisch gezien onmogelijk is het venster te openen, dat opgelegd is door het verwarming- of airconditioningsysteem (verplicht verluchtingsysteem), is dat criterium van toepassing op de enige logiesverstrekkende inrichtingen waarvan de stedenbouwkundige vergunning na 30 juni 2009 is verleend en worden kruisen toegevoegd in alle kolommen, van 1 tot 4 eikbladeren. »

Art. 43.Bijlage 5 van hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt : 1° onder titel « Algemeen » dient de volgende bepaling te worden ingevoegd : « Deze tekst is van toepassing wanneer verschillende toeristische logiesverstrekkende inrichtingen met een maximale capaciteit van minder dan 10 personen, die een gebouwgedeelte in de zin van artikel 2, 28°quater van het decreet vormen, binnen hetzelfde gebouw gelegen zijn, waarvan de maximale toegevoegde capaciteit meer dan 9 personen en minder dan 15 personen bedraagt.»; 2° punt 1.4.2. dient te worden vervangen als volgt : « 1.4.2. Deze terminologie wordt aangevuld als volgt : Deur Rf : brandwerende deur in de zin van de bepalingen van bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994.

De deuren Rf. moeten geplaatst worden overeenkomstig de plaatsingvoorwaarden op grond waarvan ze hun indeling hebben gekregen inzake brandweerstand. De overeenstemming met die plaatsingregels wordt gecontroleerd door een officieel toegelaten inspectie-instelling van type A volgens punt 1.8. van deze bijlage. Van die controle vrijgesteld worden, de deuren die geplaatst worden door gecertificeerde installateurs volgens punt 1.8. van deze bijlage. Het technisch domein voor accreditatie betreft de regels voor de plaatsing van de brandwerende deuren. Deze bepalingen zijn slechts van toepassing op de deuren die na 1 september 2009 geplaatst of vervangen werden;- Keuken : elk lokaal uitgerust met kookapparaten waarvan de som van het nominaal vermogen hoger is dan 10 Kw; - Evacuatiewegen : elk gebouwelement dat gebruikt wordt voor de evacuatie van zijn bewoners en met name de gangen, overlopen, trappen, deuren, wegruimten, weg, »; 3° punt 1.7. wordt vervangen als volgt : a) titel « Certificering van materialen en installaties » moet worden vervangen door « Certificering van materialen, installaties en installateurs »;b) de zin « Algemene bepalingen betreffende de certificering van de uitrustingen en installaties » moet vervallen;c) de woorden « reeks NBN-EN-45000 » worden vervangen door « reeks NBN-EN-45000 of NBN EN ISO/IEC 17000 »;d) de woorden « de NBN-EN-45013 » dienen te worden vervangen door de woorden « norm NBN EN ISO/IEC 17024 »; 4° in punt 1.9. worden de woorden « aan de gasten » vervangen door de woorden « aan de toeristen »; 5° in punt 2.3. worden de woorden « voldoet aan het normontwerp EN-1187. 1 » vervangen door de woorden « moet voldoen aan indeling B Roof T1 volgens norm ENV 1187 »; 6° in punt 3.1. worden de woorden « installaties bevat die ingedeeld zijn als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk krachtens de gewestelijke regelgeving » vervangen als volgt : « installaties en activiteiten bevat die ingedeeld zijn zoals vermeld in bijlage 1 bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten »; 7° in punt 3.1. wordt het woord « gebruikers » vervangen door het woord « toeristen »; 8° in het tweede lid van punt 3.2.3 wordt, in de Franse versie, het woord « bâtiment » vervangen door het woord « bâtiments »; 9° in het eerste lid van punt 3.2.5. worden, in de Franse versie, de woorden « centre de service hôtelier » vervangen door de woorden « centre de services communs »; 10° in punt 4.3. worden de woorden « de onder 4.2. en 4.3. omschreven regels » vervangen door de woorden « de onder 4.1. en 4.2. omschreven regels »; 11° in punt 6.1.7. worden de woorden « draagt het CEBEC- of EG-label » door de woorden « voldoet aan de eisen van de EG-label »; 12° de punten 6.2. en 6.3. worden vervangen als volgt : « 6.2. Aardgas. 6.2.1.Apparaten. 6.2.1.1. De gasapparaten (verwarming, productie van sanitair water, keuken) moeten voldoen aan de voorschriften van de Belgische normen en van de desbetreffende besluiten. Ze moeten de BENOR- of AGB-conformiteitslabel dragen als ze vóór 1 januari 1996 gefabriceerd zijn en de EG-label als ze na 31 december 1995 gebouwd zijn. 6.2.1.2. Alle verwarmingsapparaten aangesloten op een gasinstallatie zijn voorzien van een veiligheidsthermokoppel. 6.2.2. Installatie.

De installatie is conform met NBN D 51-003 « Installaties voor brandbaar gas lichter dan lucht, verdeeld door leidingen « , en/of met NBN D D51-004 « Installaties voor brandbaar gas lichter dan lucht, verdeeld door leidingen : bijzondere installaties ». 6.3. Vloeibaar gemaakt petroleumgas. 6.3.1. Apparaten. 6.3.1.1. De gasapparaten (verwarming, productie van sanitair water, keuken) moeten voldoen aan de voorschriften van de Belgische normen en van de desbetreffende besluiten. Ze moeten de BENOR- of AGB-conformiteitslabel dragen als ze voor 1 januari 1996 gefabriceerd zijn en de EG-label als ze na 31 december 1995 gebouwd zijn. 6.3.1.2. Alle verwarmingsapparaten aangesloten op een gasinstallatie zijn voorzien van een veiligheidsthermokoppel. 6.3.2. Installatie.

De installaties moeten overeenstemmen met de bepalingen van de normen NBN D51-006 « Binnenleidingen voor commercieel butaan of propaan in gasfase op een werkdruk van maximum 5 bar en plaatsing van de verbruikstoestellen - Algemene bepalingen » Deel 1 : Terminologie, Deel 2 : Binneninstallaties, Deel 3 : Plaatsing van de verbruikstoestellen ». 6.3.3. Veiligheidsmaatregelen betreffende de verplaatsbare recipiënten. 6.3.3.1. De verplaatsbare recipiënten mogen niet geplaatst worden binnen de gebouwen met uitzondering van degene waarvan de hoeveelheid brandstoffen niet hoger is dan drie kilo. Buiten de gebouwen worden ze geplaatst op minstens 1,50 meter van de vensters en op minstens 2,50 meter van de deuren. 6.3.3.2. De verplaatsbare recipiënten staan steeds rechtop, op een niveau dat niet lager ligt dan de omliggende grond, en op minstens 2,50 m afstand van elke kelderopening of ingang naar een ondergrondse plek. Zij moeten tegen omvallen beschermd zijn. 6.3.3.3. Gemakkelijk brandbare stoffen, met inbegrip van droog gras en onkruid, mogen niet opgestapeld worden op minder dan 2,50 m van de verplaatsbare recipiënten. 6.3.3.4. Verplaatsbare recipiënten met hun toestellen zijn beschermd tegen weer en wind. Elke schuilplaats of lokaal waarin ze eventueel geïnstalleerd zijn : - mag enkel vervaardigd worden uit ontbrandbare materialen; - is voorzien van een goede ventilatie, zowel onderaan als bovenaan. » ; 13° in hoofdstuk IX moeten de volgende woorden in fine toegevoegd worden : « In dit geval stemt die installatie overeen met normen NBN-EN 50172 - Veiligheidsverluchtingsysteem - CEI-EN- 60 598-2-22 - autonome blokken voor veiligheidsverlichting en NBN EN 1838 - Noodverlichting -« ;14° in hoofdstuk X moeten de woorden « de dienst 100 » vervangen worden door de woorden « de nooddiensten 100 of 112 bedoeld in het koninklijk besluit van 9 oktober 2002 bedoeld in het koninklijk besluit van 9 oktober 2002 tot vaststelling van de nooddiensten overeenkomstig artikel 125 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven »;15° in hoofdstuk XI moeten de woorden « met de vigerende normen van een halve bluseenheid » vervangen worden door de woorden « met de normen van reeks NBN-EN-3 »; 16° in punt 12.1.2. worden de woorden « in artikel » vervangen door de woorden « in punt »; 17° in punt 12.2.1. worden de woorden « het Ministerie van Economische Zaken » vervangen door de woorden « Federale Overheidsdienst Economie »; 18° in punt 12.2.2. worden de woorden « het koninklijk besluit van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste of vloeibare brandstof » vervangen door de woorden « het koninklijk besluit van 29 januari 2009 tot voorkoming van de luchtverontreiniging door de centrale verwarmingsinstallaties voor de verwarming van gebouwen of de productie van sanitair warm water en tot beperking van het energieverbruik ervan; 19° punt 12.2.3 wordt vervangen door volgende bepaling : « 12.2.3. Voor de indienststelling en na belangrijke wijzigingen maakt de nieuwe installatie of een gedeelte ervan het voorwerp uit van een dichtheids- en conformiteitscontrole uitgevoerd door een instelling geaccrediteerd voor de normen NBN D51 003, D51 004 en/of D51 006.

Die dichtheids- en conformiteitscontrole wordt daarna om de vijf jaar uitgevoerd door een instelling geaccrediteerd voor de normen NBN D51 003, D51 004 en/of D51 006.

De controle uitgevoerd door de instelling geaccrediteerd voor de normen NBN D51 003, NBN D51 004 en/of NBN D51 006 heeft met name alle volgende punten als doel : - de conformiteitscontrole volgens de hierbovenvermelde toepassingsnormen; het nagaan of het reinigen van de branders en de regeling van hun goede werking goed verricht is; - de verificatie van de goede werking van de bescherming- en regelingsystemen; - de verificatie van de waterdichtheid van de installatie door een pomptest met stopkraan volgens de norm die op de installatie van toepassing is; - het nagaan of het reinigen van de afvoerleidingen voor rookgassen goed verricht is; - een examen van het uitschakelen van de thermokoppels. »; 20° in punt 12.2.4. worden de woorden « gekwalificeerde installateur » vervangen door de woorden « een installateur erkend overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 29 januari 2009 tot voorkoming van de luchtverontreiniging door de centrale verwarmingsinstallaties voor de verwarming van gebouwen of de productie van sanitair warm water en tot beperking van het energieverbruik ervan »; 21° punt 12.2.5 wordt vervangen door volgende bepaling : « De exploitant vergewist zich dat het brandbestrijdingsmateriaal één keer per jaar door een bevoegde persoon van een vennootschap bevoegd voor het onderhoud van draagbare brandblussers gecontroleerd wordt overeenkomstig NBN S21-050. »

Art. 44.Bijlage 6 van hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt : 1° in punt 1 worden, in de Franse versie, de woorden « décret du 1er mars 1999 » vervangen door de woorden « décret du 11 mars 1999 »; 2° in punt 1.1, vervallen de woorden « visés à l'article précédent » in de Franse versie; 3° punt 1.4 wordt vervangen als volgt : « 1.4. Terminologie. 1.4.1. De gebruikte terminologie is die welke staat vermeld in bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. 1.4.2. Deze terminologie wordt aangevuld als volgt : - Deur Rf : brandwerende deur in de zin van de bepalingen van bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994.

De deuren Rf. Moeten geplaatst worden overeenkomstig de plaatsingvoorwaarden op grond waarvan ze hun indeling hebben gekregen inzake brandweerstand. De overeenstemming met die plaatsingregels wordt gecontroleerd door een officieel toegelaten inspectie-instelling van type A volgens punt 1.8. van deze bijlage. Van die controle vrijgesteld worden, de deuren die geplaatst worden door gecertificeerde installateurs volgens punt 1.8. van deze bijlage. Het technisch domein voor accreditatie betreft de regels voor de plaatsing van de brandwerende deuren. Deze bepalingen zijn slechts van toepassing op de deuren die na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van deze regelgeving geplaatst of vervangen werden; - Keuken : elk lokaal uitgerust met kookapparaten waarvan de som van het nominaal vermogen hoger is dan 10 Kw; - Evacuatieweg : elk gebouwelement dat gebruikt wordt voor de evacuatie van zijn bewoners en met name de gangen, overlopen, trappen, deuren, wegruimten, weg, »; 4° punt 1.7. wordt vervangen als volgt : - titel « Certificering van materialen en installaties » moet worden vervangen door « Certificering van materialen, installaties en installateurs »; - de zin « Algemene bepalingen betreffende de certificering van de uitrustingen en installaties » moet vervallen; - de woorden « reeks NBN-EN-45000 » worden vervangend door « reeks NBN-EN-45000 of NBN EN ISO/ IEC 17000 »; - de woorden « de NBN-EN-45013 » dienen te worden vervangen door de woorden « norm NBN EN ISO/ IEC 17024 »; 5° in punt 1.8. worden de woorden « Europese Unie » vervangen door de woorden « Europese Gemeenschap of in Turkije of die wettelijk vervaardigd zijn in een verdragsluitende staat van de Europese Vrijhandelsassociatie dat overeenkomstsluitende partij is van het akkoord op de Europese Economische Ruimte, »; 6° in punt 1.9. worden de woorden « met de normen bekendgemaakt door het Belgisch Instituut voor Normalisatie (B.I.N.) » vervangen door de woorden « met de normen bedoeld in punt 1.8. » en wordt de laatste zin vervangen als volgt : « De alarmsignalen of -berichten zijn waarneembaar door alle personen die zich in de te ontruimen lokalen bevinden. Deze signalen of boodschappen mogen geen verwarring veroorzaken met andere, met name met de waarschuwingssignalen of -berichten In alle gevallen moeten ze de ondergebrachte personen wekken en, in geval van stroompanne, tijdens een half uur functioneren. »; 7° in punt 3.1. worden de woorden « installaties bevat die ingedeeld zijn als gevaarlijk, ongezond of hinderlijk krachtens de gewestelijke regelgeving » vervangen als volgt : « installaties en activiteiten bevat die ingedeeld zijn zoals vermeld in bijlage 1 bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten » en wordt het woord « gebruikers » vervangen door het woord « toeristen »; 8° in punt 3.2. vervallen de woorden « dat tot éénzelfde exploitant behoort »; 9° de punten 6.3. en 6.4. worden vervangen als volgt : « 6.3. Aardgas. 6.3.1. Apparaten. 6.3.1.1. De gasapparaten (verwarming, productie van sanitair water, keuken) moeten voldoen aan de voorschriften van de Belgische normen en van de desbetreffende besluiten. Ze moeten de BENOR- of AGB-conformiteitslabel dragen als ze vóór 1 januari 1996 gefabriceerd zijn en de EG-label als ze na 31 december 1995 gebouwd zijn. 6.3.1.2. Alle verwarmingsapparaten aangesloten op een gasinstallatie zijn voorzien van een veiligheidsthermokoppel. 6.3.2. Installatie.

De installatie is conform met NBN D 51-003 « Installaties voor brandbaar gas lichter dan lucht, verdeeld door leidingen « , en/of met NBN D D51-003 « Installaties voor brandbaar gas lichter dan lucht, verdeeld door leidingen : bijzondere installaties ». 6.4. Vloeibaar gemaakt petroleumgas. 6.4.1. Apparaten. 6.4.1.1. De gasapparaten (verwarming, productie van sanitair water, keuken) moeten voldoen aan de voorschriften van de Belgische normen en van de desbetreffende besluiten. Ze moeten de BENOR- of AGB-conformiteitslabel dragen als ze voor 1 januari 1996 gefabriceerd zijn en de EG-label als ze na 31 december 1995 gebouwd zijn. 6.4.1.2. Alle verwarmingsapparaten aangesloten op een gasinstallatie zijn voorzien van een veiligheidsthermokoppel. 6.4.2. Installatie.

De installaties moeten overeenstemmen met de bepalingen van de normen NBN D51-006 « Binnenleidingen voor commercieel butaan of propaan in gasfase op een werkdruk van maximum 5 bar en plaatsing van de verbruikstoestellen - Algemene bepalingen » Deel 1 : Terminologie, Deel 2 : Binneninstallaties, Deel 3 : Plaatsing van de verbruikstoestellen ». 6.4.3. Veiligheidsmaatregelen betreffende de verplaatsbare recipiënten. 6.4.3.1. De verplaatsbare recipiënten mogen niet geplaatst worden binnen de gebouwen met uitzondering van degene waarvan de hoeveelheid brandstoffen niet hoger is dan drie kilo. Buiten de gebouwen worden ze geplaatst op minstens 1,50 meter van de vensters en op minstens 2,50 meter van de deuren. 6.4.3.2. De verplaatsbare recipiënten staan steeds rechtop, op een niveau dat niet lager ligt dan de omliggende grond, en op minstens 2,50 m afstand van elke kelderopening of ingang naar een ondergrondse plek. Zij moeten tegen omvallen beschermd zijn. 6.4.3.3. Gemakkelijk brandbare stoffen, met inbegrip van droog gras en onkruid, mogen niet opgestapeld worden op minder dan 2,50 m van de verplaatsbare recipiënten. 6.4.3.4. Verplaatsbare recipiënten met hun toestellen zijn beschermd tegen weer en wind. Elke schuilplaats of lokaal waarin ze eventueel geïnstalleerd zijn : - mag enkel vervaardigd worden uit ontbrandbare materialen; - is voorzien van een goede ventilatie, zowel onderaan als bovenaan. »; 10° in punt 6.5. worden de woorden « het koninklijk besluit van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste of vloeibare brandstof » vervangen door de woorden « het koninklijk besluit van 29 januari 2009 tot voorkoming van de luchtverontreiniging door de centrale verwarmingsinstallaties voor de verwarming van gebouwen of de productie van sanitair warm water en tot beperking van het energieverbruik ervan »; 11° in punt 6.6. worden de woorden « voornoemd koninklijk besluit van 6 januari 1978 » vervangen door de woorden « het besluit van de Waalse Regering van 29 januari 2009 tot voorkoming van de luchtverontreiniging door de centrale verwarmingsinstallaties voor de verwarming van gebouwen of de productie van sanitair warm water en tot beperking van het energieverbruik ervan »; 12° in hoofdstuk X moeten de woorden « de dienst 100 » vervangen worden door de woorden « de nooddiensten 100 of 112 bedoeld in het koninklijk besluit van 9 oktober 2002 bedoeld in het koninklijk besluit van 9 oktober 2002 tot vaststelling van de nooddiensten overeenkomstig artikel 125 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven »;13° in hoofdstuk XII : - wordt het woord « bewoners » vervangen door « toeristen »; - vervalt de tweede zin; - moet hetgeen volgt in fine toegevoegd worden : « De alarmsignalen of -berichten zijn in alle gevallen waarneembaar door alle personen die zich in de te ontruimen lokalen bevinden. Deze signalen of boodschappen mogen geen verwarring veroorzaken met andere, met name met de waarschuwingssignalen of -berichten Ze moeten de ondergebrachte personen wekken en, in geval van stroompanne, tijdens een half uur functioneren. »; 14° in hoofdstuk XIII moeten de woorden « met de vigerende normen van een halve bluseenheid » vervangen worden door de woorden « met de normen van reeks NBN-EN-3 »; 15° in punt 14.1.2. worden de woorden « in artikel » vervangen door de woorden « in punt »; 16° in punt 14.2.1. worden de woorden « het Ministerie van Economische Zaken » vervangen door de woorden « Federale Overheidsdienst Economie »; 17° punt 14.2.2. wordt gewijzigd als volgt : - de woorden « het koninklijk besluit van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste of vloeibare brandstof » worden vervangen door de woorden « het koninklijk besluit van 29 januari 2009 tot voorkoming van de luchtverontreiniging door de centrale verwarmingsinstallaties voor de verwarming van gebouwen of de productie van sanitair warm water en tot beperking van het energieverbruik ervan »; - de woorden « jaarlijks onderzocht door een erkende bevoegde technicus » worden vervangen door « onderhouden door een erkende technicus volgens de periodiciteit bedoeld in voornoemd besluit van de Waalse Regering ». 18° punt 14.2.3 wordt vervangen door volgende bepaling : « 14.2.3. Voor de indienststelling en na belangrijke wijzigingen maakt de nieuwe installatie of een gedeelte ervan het voorwerp uit van een dichtheids- en conformiteitscontrole uitgevoerd door een instelling geaccrediteerd voor de normen NBN D51 003, D51 004 en/of D51 006 wanneer de installateur niet gemachtigd wordt.

Die dichtheids- en conformiteitscontrole wordt daarna om de vijf jaar uitgevoerd door een instelling geaccrediteerd voor de normen NBN D5&A;1 003, 51 004 en/of D51 006.

De controle uitgevoerd door de instelling geaccrediteerd voor de normen NBN D51 003, NBN D51 004 en/of NBN D51 006 heeft met name alle volgende punten als doel : de conformiteitscontrole volgens de hierbovenvermelde toepassingsnormen; - het nagaan of het reinigen van de branders en de regeling van hun goede werking goed verricht is; - de verificatie van de goede werking van de bescherming- en regelingsystemen; - de verificatie van de waterdichtheid van de installatie door een pomptest met stopkraan volgens de norm die op de installatie van toepassing is; - het nagaan of het reinigen van de afvoerleidingen voor rookgassen goed verricht is; - een examen van het uitschakelen van de thermokoppels. »; 19° in punt 14.2.4. worden de woorden « gekwalificeerde installateur » vervangen door de woorden « een installateur erkend overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 29 januari 2009 tot voorkoming van de luchtverontreiniging door de centrale verwarmingsinstallaties voor de verwarming van gebouwen of de productie van sanitair warm water en tot beperking van het energieverbruik ervan »; 20° punt 14.2.5 wordt vervangen door volgende bepaling : « De exploitant vergewist zich dat het brandbestrijdingsmateriaal één keer per jaar door een bevoegde persoon van een vennootschap bevoegd voor het onderhoud van draagbare brandblussers gecontroleerd wordt overeenkomstig NBN S21-050. »; 21° in het vijfde lid van punt 15.4. worden de woorden « de hulpploegen » vervangen door de woorden « het personeel

Art. 45.Bijlage 7 bij hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt : 1° in punt 1.4.2., in de definitie van flat vervalt het woord « minstens »; 2° in het tweede lid van punt 2.3. vervalt het woord « (gewijzigd) »; 3° in punt 2.4., 2.6. en 2.7 vervallen de woorden « (gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 december 1997 »; 4° in het tweede lid van punt 2.8.1. worden de woorden « van het koninklijk besluit » vervangen door de woorden « van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. »; 5° in punt 2.11.1. worden de woorden « die aan Belgische normen voldoen » vervangen door de woorden « die aan de eisen van de EG-label voldoen »; 6° de punten 2.12. en 2.13. worden vervangen als volgt : « 2.12. Installaties met vloeibaar gemaakt petroleumgas 2.12.1. Algemeen.

De installaties moeten overeenstemmen met de bepalingen van de normen NBN D51-006 « Binnenleidingen voor commercieel butaan of propaan in gasfase op een werkdruk van maximum 5 bar en plaatsing van de verbruikstoestellen - Algemene bepalingen » Deel 1 : Terminologie, Deel 2 : Binneninstallaties, Deel 3 : Plaatsing van de verbruikstoestellen ». 2.12.2. Installaties die gas in vaste reservoirs gebruiken.

De opslagplaatsen met vaste reservoirs moeten de voorwaarden van het besluit van de Waalse Regering van 7 juli 2005 tot bepaling van de integrale voorwaarden betreffende de opslagplaatsen voor vloeibaar petroleumgas in « bulk » vervullen en overeenkomstig voornoemd besluit gecontroleerd worden. 2.12.3. Installaties die gas in verplaatsbare recipiënten gebruiken. 2.12.3.1. Veiligheidsmaatregelen betreffende de verplaatsbare recipiënten. 2.12.3.1.1. De verplaatsbare recipiënten mogen niet geplaatst worden binnen de gebouwen met uitzondering van degene waarvan de hoeveelheid brandstoffen niet hoger is dan drie kilo. Buiten de gebouwen worden ze geplaatst op minstens 1,50 meter van de vensters en op minstens 2,50 meter van de deuren. 2.12.3.1.2. De verplaatsbare recipiënten staan steeds rechtop, op een niveau dat niet lager ligt dan de omliggende grond, en op minstens 2,50 m afstand van elke kelderopening of ingang naar een ondergrondse plek. Zij moeten tegen omvallen beschermd zijn. 2.12.3.1.3. Gemakkelijk brandbare stoffen, met inbegrip van droog gras en onkruid, mogen niet opgestapeld worden op minder dan 2,50 m van de verplaatsbare recipiënten. 2.12.3.1.4. Verplaatsbare recipiënten met hun toestellen zijn beschermd tegen weer en wind. Elke schuilplaats of lokaal waarin ze eventueel geïnstalleerd zijn : - mag enkel vervaardigd worden uit ontbrandbare materialen; - is voorzien van een goede ventilatie, zowel onderaan als bovenaan. 2.12.4. Apparaten. 2.12.4.1. De gasapparaten (verwarming, productie van sanitair water, keuken) moeten voldoen aan de voorschriften van de Belgische normen en van de desbetreffende besluiten. Ze moeten de BENOR- of AGB-conformiteitslabel dragen als ze vóór 1 januari 1996 gefabriceerd zijn en de EG-label als ze na 31 december 1995 gebouwd zijn. 2.12.4.2. Alle verwarmingsapparaten aangesloten op een gasinstallatie zijn voorzien van een veiligheidsthermokoppel. 2.12.4.3. Een verdeelkraan is op de algemene voedingsleiding gelegd, wanneer meerdere gebruiksapparaten in één lokaal gegroepeerd zijn.

Deze kraan is gemakkelijk te bereiken en ligt op minder dan 15 m van het eerste toestel.

De nodige maatregelen worden getroffen opdat deze kraan enkel in geval van noodzaak zou kunnen gebruikt worden. 2.12.5. Aansluiting op het distributienet.

Op elke buis waarbij de toeristische logiesverstrekkende inrichting aangesloten wordt op het distributienet, is een afsluitkraan gelegd buiten de gebouwen en buiten hun toegangen. De plaats waar deze afsluitkraan (afsluitkranen) ligt (liggen) is gemakkelijk te vinden. 2.13. Installaties voor brandbaar gas lichter dan lucht, verdeeld door leidingen. 2.13.1. Algemeen.

De installatie is conform met NBN D 51-003 « Installaties voor brandbaar gas lichter dan lucht, verdeeld door leidingen », en met NBN D D51-003 « Installaties voor brandbaar gas lichter dan lucht, verdeeld door leidingen : bijzondere installaties ». 2.13.2. Aansluiting op het distributienet.

Op elke buis waarbij de toeristische logiesverstrekkende inrichting aangesloten wordt op het distributienet, is een afsluitkraan gelegd buiten de gebouwen en buiten hun toegangen. De plaats waar deze afsluitkraan (afsluitkranen) ligt (liggen) is gemakkelijk te vinden. 2.13.3. Gebruikstoestellen. 2.13.3.1. De gasapparaten (verwarming, productie van sanitair water, keuken) moeten voldoen aan de voorschriften van de Belgische normen en van de desbetreffende besluiten. Ze moeten de BENOR- of AGB-conformiteitslabel dragen als ze vóór 1 januari 1996 gefabriceerd zijn en de EG-label als ze na 31 december 1995 gebouwd zijn. 2.13.3.2. Alle verwarmingsapparaten aangesloten op een gasinstallatie zijn voorzien van een veiligheidsthermokoppel. 2.13.3.3. Een verdeelkraan is op de algemene voedingsleiding gelegd, wanneer meerdere gebruiksapparaten in één lokaal gegroepeerd zijn.

Deze kraan is gemakkelijk te bereiken en ligt op minder dan 15 m van het eerste toestel.

De nodige maatregelen worden getroffen opdat deze kraan enkel in geval van noodzaak zou kunnen gebruikt worden. »; 7° in punt 2.15.4.1. worden na de woorden « de bewoners kunnen wekken » de volgende woorden toegevoegd : « en, in geval van stroompanne, tijdens een half uur functioneren. »; 8° tussen de punten 2.15.4.2 en 2.15.6 worden de woorden « 2.156.5.

Blusapparaten » vervangen door de woorden « 2.15.5. Blusapparaten »; 9° de eerste zin van punt 2.15.5 wordt vervangen als volgt : « De blusapparaten stemmen overeen met de normen van reeks NBN EN 3 »; 10° in punt 2.15.6 worden de woorden « In keuken-restaurantcomplexen » vervangen als volgt : « Wanneer de keuken en het restaurant behoren tot hetzelfde compartiment »; 11° in punt 2.15.6 wordt het woord « dit artikel » vervangen door het woord « dit punt ».

Art. 46.Bijlage 8 bij hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt : 1° in het tweede lid van punt 1.3.1. worden de woorden « in artikel 4.2 » vervangen door de woorden « in punt 4.2 »; 2° tussen de punten 1.3.2 en 1.4.1 worden, in de Franse versie, de woorden « 11.4. Terminologie » vervangen door de woorden « 1.4.

Terminologie »; 3° in punt 1.3.2. vervallen de woorden « Overeenkomstig bovenstaande tabel »; 4° punt 1.4.2 wordt vervangen als volgt : « 1.4.2. Deze terminologie wordt aangevuld als volgt : - Deur Rf : brandwerende deur in de zin van de bepalingen van bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994.

De deuren Rf. Moeten geplaatst worden overeenkomstig de plaatsingvoorwaarden op grond waarvan ze hun indeling hebben gekregen inzake brandweerstand. De overeenstemming met die plaatsingregels wordt gecontroleerd door een officieel toegelaten inspectie-instelling van type A volgens punt 1.8. van deze bijlage. Van die controle vrijgesteld worden, de deuren die geplaatst worden door gecertificeerde installateurs volgens punt 1.8. van deze bijlage. Het technisch domein voor accreditatie betreft de regels voor de plaatsing van de brandwerende deuren. Deze bepalingen zijn slechts van toepassing op de deuren die na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van deze regelgeving geplaatst of vervangen werden; - Keuken : elk lokaal uitgerust met kookapparaten waarvan de som van het nominaal vermogen hoger is dan 10 Kw; - Evacuatieweg : elk gebouwelement dat gebruikt wordt voor de evacuatie van zijn bewoners en met name de gangen, overlopen, trappen, deuren, wegruimten, weg, ». 5° punt 1.5.1 wordt vervangen als volgt : « 1.5. Classificatie van de gebouwen.

De gebouwen worden ingedeeld in drie categorieën : 1.5.1. Cat. 1 - Laagbouwen 1.5.1.1. Gebouwen die vóór 31 december 1997 gebouwd zijn.

De laagbouwen zijn gebouwen met 1, 2 of 3 gewoonde niveaus boven de grond waarvan respectievelijk 1 of 2 niveaus boven de gewone evacuatieweg. 1.5.1.2. Gebouwen die na 31 december 1997 gebouwd zijn.

Deze gebouwen worden bepaald in punt 1.4.1. van deze bijlage. 1.5.2. Cat. 2 - Middelbouwen 1.5.2.1. Gebouwen die vóór 26 mei 1995 gebouwd zijn.

De middelbouwen zijn gebouwden met drie gewoonde niveaus of meer boven de gewone evacuatieweg en die niet behoren tot categorie 3. 1.5.2.2. Gebouwen die na 26 mei 1995 gebouwd zijn.

Deze gebouwen worden bepaald in punt 1.4.1. van deze bijlage. 1.5.3. Cat. 3 - Hoogbouwen 1.5.3.1. Gebouwen die vóór 26 mei 1995 gebouwd zijn.

De hoogbouwen zijn gebouwen waarvan de hoogte hoger is dan 25 m.

De hoogte van een gebouw wordt bepaald in punt 1.4.1 van deze bijlage.

Die begripsomschrijving wordt gegeven onverminderd het koninklijk besluit van 4 april 1972 houdende vaststelling van de algemene eisen, vervat in de norm NBN 713-010 betreffende de brandbeveiliging in de hoge gebouwen. 1.5.3.2. Gebouwen die na 26 mei 1995 gebouwd zijn.

Deze gebouwen worden bepaald in punt 1.4.1. van deze bijlage. »; 6° in punt 1.5.2. worden de woorden « in artikel 1.3.1 » vervangen door de woorden « in punt 1.3.1 »; 7° punt 1.8. wordt gewijzigd als volgt : a) titel « Certificering van materialen en installaties » moet worden vervangen door « Certificering van materialen, installaties en installateurs »;b) de zin « Algemene bepalingen betreffende de certificering van de uitrustingen en installaties » moet vervallen;c) de woorden « reeks NBN-EN-45000 » worden vervangend door « reeks NBN-EN-45000 of NBN EN ISO/ IEC 17000 »;d) de woorden « de NBN-EN-45013 » dienen te worden vervangen door de woorden « norm NBN EN ISO/ IEC 17024 »; 8° in punt 1.9. worden de woorden « Europese Unie » vervangen door de woorden « Europese Gemeenschap of in Turkije of die wettelijk vervaardigd zijn in een verdragsluitende staat van de Europese Vrijhandelsassociatie dat overeenkomstsluitende partij is van het akkoord op de Europese Economische Ruimte, »; 9° in het eerste lid van punt 1.10 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) de woorden « in artikel 1.3.1 » worden vervangen door « in punt 1.3.1 »; b) de woorden « verschillende artikelen » worden vervangen door « verschillende punten »; c) na de woorden « punctuele voelers » worden de woorden « waarvan de opvatting voldoet aan punt 8.4.4. » toegevoegd »; 10° in punt 2.1. worden de woorden « in artikel 1.3.1 » vervangen door de woorden « in punt 1.3.1 »; 11° in punt 3.1.1. worden de woorden « in artikel 1.3.1 » vervangen door de woorden « in punt 1.3.1 »; 12° in het derde lid van punt 3.1.1 worden de woorden « van artikel 3.1.1. » vervangen door de woorden « van punt 3.1.1 » en worden de termen « in artikel 8.4.4 » vervangen door « in punt 8.4.4 »; 12° in punt 3.2. worden, in de Franse versie, de woorden « chemins » vervangen door de woorden « voies » en worden de woorden « in artikel 1.3.1. » vervangen door « in punt 1.3.1 »; 14° in punt 4.4.2. worden de woorden « in artikel 1.3.1 » vervangen door de woorden « in punt 1.3.1 »; 15° punt 4.4.3 wordt vervangen door volgende bepaling : « Voor de gebouwen bepaald in punt 1.3.1. zijn de verticale binnenwanden die de flats en de kamers afbakenen, in afwijking van de bepalingen van punt 4.4.1., ten minste Rf 1/2 h of gebouwd van metselwerk of beton.

Voor dezelfde gebouwen wordt geen Rf-graad voor deuren aangevraagd. In dat geval moet het gebouw voorzien zijn van een veralgemeende installatie voor automatische branddetectie d.m.v. punctuele voelers waarvan de opvatting aan punt 8.4.4. voldoet »; 16° punt 5.1. wordt gewijzigd als volgt : - in de Franse versie worden de woorden « Les chemins d'évacuation sont judicieusement répartis » vervangen door « Les voies d'évacuation sont judicieusement réparties »; - de woorden « de tweede evacuatie weg » worden vervangen door de woorden « de andere mogelijkheden »; 17° in punt 5.2. worden, in de Franse versie, de woorden « Chemins d'évacuation » vervangen door « Voies d'évacuation »; 18° in punt 5.2.1.9. worden in de Franse versie het woord « chemin » vervangen door het woord « voie » en wordt het woord « chemins » vervangen door het woord « voies »; 19° in punt 5.2.2.2. worden de woorden « de in artikel 5.2.1 vermelde schikkingen » vervangen door de woorden « punt 5.2.1 »; 20° in punt 5.2.2.5. worden de woorden « in artikel 5.2.1.4 » vervangen door de woorden « in punt 5.2.1.4 »; 21° in punt 5.2.3.1. worden de woorden « in artikel 1.3.1 » vervangen door de woorden « in punt 1.3.1 »; 22° in punt 5.2.3.2. worden de woorden « in artikel 1.3.2 » vervangen door de woorden « in punt 1.3.2 »; 23° in het laatste lid van punt 5.2.3.2. worden de woorden « in artikel 4.4.1 » vervangen door de woorden « in punt 4.4.1 »; 24° in punt 5.2.4.1. worden de woorden « de bepalingen van artikel 5.2.1 » vervangen door de woorden « punt 5.2.1 »; 25° in punt 5.2.5.2.1. worden de woorden « van artikelen 4.1. en 4.2. » vervangen door de woorden « van de punten 4.1. en 4.2. »; 26° in punt 5.2.5.4. worden de woorden « voorzien zijn van » vervangen door de woorden « uitgerust worden met »; 27° punt 5.2.7.2 wordt vervangen door volgende bepaling : « 5.2.7.2. Een ladder bedient slechts de hoogte van één niveau. De opeenvolgende ladders worden discontinu geplaatst en worden met elkaar op elk niveau verbonden door een platform, een balkon of een doorloop.

Dit voorschrift moet op 1 januari 2020 nageleefd worden; 28° punt 5.2.7.3 wordt vervangen door volgende bepaling : « 5.2.7.3. De buitenladders zijn stevig bevestigd. Ze zijn al dan niet opklapbaar. Ze komen uit op ruimten waar de gebruikers zich in veiligheid kunnen stellen. De toegang tot de lader moet gemakkelijk zijn en er moet een platform bestaan die voorzien is van balustrades van ten minste 1 meter hoogte.

Bestaat er geen platform dan kan een lader slechts bruikbaar zijn voor de evacuatie van 4 kamers en maximum 8 personen De afstand tussen de sporten, op de aslijn gemeten, bedraagt 250 tot 300 mm. De bovenste sport bevindt zich ten minste 1,5 m boven het hoogste niveau van waar de ladder kan bereikt worden. »; 29° in punt 6.1.2. van de Franse versie worden de woorden « revêtements existant » vervangen door de woorden « revêtements existants » en vervalt het woord « collectives »; 30° punt 7.3 wordt vervangen als volgt : « 7.3. Gasvoerleidingen. 7.3.1. Algemeen. 7.3.1.1. De gasapparaten (verwarming, productie van sanitair water, keuken) moeten voldoen aan de voorschriften van de Belgische normen en van de desbetreffende besluiten. Ze moeten de BENOR- of AGB-conformiteitslabel dragen als ze vóór 1 januari 1996 gefabriceerd zijn en de EG-label als ze na 31 december 1995 gebouwd zijn. 7.3.1.2. Alle verwarmingsapparaten aangesloten op een gasinstallatie zijn voorzien van een veiligheidsthermokoppel. 7.3.2. Aardgas. 7.3.2.3. De installatie is conform met NBN D 51-003 « Installaties voor brandbaar gas lichter dan lucht, verdeeld door leidingen « , en/of met NBN D D51-003 « Installaties voor brandbaar gas lichter dan lucht, verdeeld door leidingen : bijzondere installaties ». 7.3.2.4. Aansluiting op het distributienet.

Op elke buis waarbij de toeristische logiesverstrekkende inrichting aangesloten wordt op het distributienet, is een afsluitkraan gelegd buiten de gebouwen en buiten hun toegangen. De plaats waar deze afsluitkraan (afsluitkranen) ligt (liggen) is gemakkelijk te vinden. 7.3.3. Vloeibaar gemaakt petroleumgas 7.3.3.1. De installaties moeten overeenstemmen met de bepalingen van de normen NBN D51-006 « Binnenleidingen voor commercieel butaan of propaan in gasfase op een werkdruk van maximum 5 bar en plaatsing van de verbruikstoestellen - Algemene bepalingen » Deel 1 : Terminologie, Deel 2 : Binneninstallaties, Deel 3 : Plaatsing van de verbruikstoestellen ». 7.3.3.2. Geen fles van vloeibaar gemaakt petroleumgas mag zich niet in de lokalen voor nachtgebruik bevinden. 7.3.3.3. Installaties die gas in vaste reservoirs gebruiken.

De opslagplaatsen met vaste reservoirs moeten de voorwaarden van het besluit van de Waalse Regering van 7 juli 2005 tot bepaling van de integrale voorwaarden betreffende de opslagplaatsen voor vloeibaar petroleumgas in « bulk » vervullen en overeenkomstig voornoemd besluit gecontroleerd worden. 7.3.3.4. Installaties die gas in verplaatsbare recipiënten gebruiken. 7.3.3.4.1. Veiligheidsmaatregelen betreffende de verplaatsbare recipiënten. 7.3.3.4.1.1. De verplaatsbare recipiënten mogen niet geplaatst worden binnen de gebouwen met uitzondering van degene waarvan de hoeveelheid brandstoffen niet hoger is dan drie kilo. Buiten de gebouwen worden ze geplaatst op minstens 1,50 meter van de vensters en op minstens 2,50 meter van de deuren. 7.3.3.4.1.2. De verplaatsbare recipiënten staan steeds rechtop, op een niveau dat niet lager ligt dan de omliggende grond, en op minstens 2,50 m afstand van elke kelderopening of ingang naar een ondergrondse plek. Zij moeten tegen omvallen beschermd zijn. 7.3.3.4.1.3. Gemakkelijk brandbare stoffen, met inbegrip van droog gras en onkruid, mogen niet opgestapeld worden op minder dan 2,50 m van de verplaatsbare recipiënten. 7.3.3.4.1.4. Verplaatsbare recipiënten met hun toestellen zijn beschermd tegen weer en wind. Elke schuilplaats of lokaal waarin ze eventueel geïnstalleerd zijn : - mag enkel vervaardigd worden uit ontbrandbare materialen; - is voorzien van een goede ventilatie, zowel onderaan als bovenaan. 7.3.3.5. Aansluiting op het distributienet.

Op elke buis waarop de toeristische logiesverstrekkende inrichting aangesloten wordt, is een afsluitkraan gelegd buiten de gebouwen en buiten hun toegangen. De plaats waar deze afsluitkraan (afsluitkranen) ligt (liggen) is gemakkelijk te vinden. »; 31° in punt 7.4. worden de woorden « Keukens en restaurants » door « Keukens, restaurants en eetkamers » en worden de woorden « collectieve keukens en restaurants » vervangen door de woorden « keukens, restaurants en eetkamers »; de woorden « Het restaurant en de keuken kunnen » worden de vervangen door de woorden « Het restaurant en de keuken of de eetkamer en de keuken kunnen » en in de Franse versie worden de woorden « appareils de cuissons » vervangen door de woorden « appareils de cuisson »; 32° in punt 8.1. : a) in het eerste lid worden de woorden Het geheel van de liften » vervangen door de woorden « Onder voorbehoud van de algemene of bijzondere toepasselijke bepalingen van het koninklijk besluit van 9 maart 2003 betreffende de beveiliging van liften, is het geheel van de liften »; a) in het tweede lid worden de woorden « in artikel 1.3.1. » vervangen door « in punt 1.3.1 »; c) in het derde lid worden de woorden « voor de voorzijden van de liftbordessen en voor de wanden die deel uitmaken van de gevel » vervangen door de woorden « voor de portaalgevels »;d) in het vierde lid worden de woorden « De liftbordesvoorzijde, de deuren inbegrepen » vervangen door de « De portaalgevels »; 33° in het eerste lid van punt 8.3.2. worden de woorden « van artikel 525 » vervangen door de woorden « van punt 5.2.5.6 » en in punt 8.4.4.1. worden de volgende wijzigingen aangebracht : - de woorden « uitgevoerd en gekeurd » worden vervangen door de woorden « uitgevoerd door een gecertificeerde installateur en gekeurd door een inspectie-instelling van type A die daartoe is geaccrediteerd »; - de zin « Dat materieel moet het voorwerp uitmaken van een erkenning die zijn conformiteit met de normen bekendgemaakt door het Belgisch Instituut voor Normalisatie (B.I.N.) bewijst » wordt vervangen door de zin « Dat materieel voldoet aan de eisen van de EG-label en moet het voorwerp uitmaken van een verklaring van overeenstemming met name met de normen van reeks EN 54 met als opschrift « Brandmelding en brandalarmsystemen ». 35° punt 8.4.4.2. wordt gewijzigd als volgt : a) in het eerste lid worden de woorden « in artikel 1.3.1. » vervangen door « in punt 1.3.1 »; b) in het tweede lid van de Franse versie worden de woorden « qu'en cas d'applications des exceptions prévues aux articles 3.1., 3.2., 4.4.3., 4.2. et 5.2.1.1. » door de woorden « qu'en cas d'application des exceptions prévues aux points 3.1., 3.2., 4.4.3., 4.2. ou 5.2.1.1. »; a) in het laatste lid worden de woorden « in artikel 1.3.1. » vervangen door « in punt 1.3.1 »; d) in het laatste lid van punt 8.4.4.2. worden de woorden « van de naleving van artikelen « 3.1., 3.2., 4.4.3., 4.2. en 5.2.1.1. » vervangen door de woorden « van de naleving van één van de punten 3.1., 3.2., 4.4.3., 4.2. en 5.2.1.1. »; 36° in punt 8.4.5.1. worden de woorden « de bewoners » vervangen door de woorden « de toeristen » en worden het woord « muurhaspels » vervangen door het woord « brandhaspels » en wordt de volgende bepaling in fine toegevoegd : « In de stookplaatsen waar één of verschillende warmtebronnen in gebruik zijn die met een vloeibare brandstof gevoed worden, zijn deze bronnen uitgerust met een automatisch blussysteem gekoppeld aan toestellen die, als zij inwerking treden, de aanvoer van brandstof en elke energiebron uitschakelen in de stookplaats waar brand is uitgebroken. » 37° punt 8.4.5.2 wordt vervangen door volgende bepaling : « De snelblussers voldoen aan de normen van reeks NBN-EN-3, de muurhaspels voldoen aan norm NBN EN 671/1 en de muurhydranten voldoen aan normen NBN 571 van 1961. »; 38° in punt 8.4.5.3.1. vervallen de woorden « beantwoorden zijn aan volgende voorschriften : « - en vervallen de woorden « zij komen overeen met de norm EN 671/1 »; 39° in punt 8.4.5.3.2. worden het woord « muurhaspels » vervangen door het woord « brandhaspels » en wordt in fine de volgende zin toegevoegd : « het einde van de buis wordt uitgerust met een mechanisme dat de opening van de voerkraan van de brandhaspel inschakelt, zodra de brandspuit voorzien van een kraan in handen wordt genomen ».

Art. 47.Bijlage 9 bij hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt : 1° punt 2.2. dient te worden vervangen als volgt : « De liften en goederenliften voldoen aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 9 maart 2003 betreffende de beveiliging van de liften. »; 2° de punten 2.4. en 2.5. worden vervangen als volgt : « 2.4. Installaties met brandbaar gas dat langs openbare leidingen wordt gevoerd. 2.4.1. Voor de indienststelling en na belangrijke wijzigingen maakt de nieuwe installatie of een gedeelte ervan het voorwerp uit van een dichtheidcontrole en controle inzake de conformiteit met de uitvoeringsnormen, de normen NBN D51003 en/of D51-004 uitgevoerd door een instelling geaccrediteerd voor de normen NBN D51 003 en D51 004 als de installateur niet gemachtigd wordt.

Die dichtheids- en conformiteitscontrole wordt daarna om de vijf jaar uitgevoerd door een instelling geaccrediteerd voor de normen NBN D51 003 en D51 004.

Het onderhoud van de installaties en toestellen is jaarlijks. Het wordt uitgevoerd door een installateur erkend overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 29 januari 2009 tot voorkoming van de luchtverontreiniging door de centrale verwarmingsinstallaties voor de verwarming van gebouwen of de productie van sanitair warm water en tot beperking van het energieverbruik ervan. 2.4.2. Voor hun inbedrijfstelling worden de gebruiksapparaten geregeld door een installateur erkend overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 29 januari 2009 tot voorkoming van de luchtverontreiniging door de centrale verwarmingsinstallaties voor de verwarming van gebouwen of de productie van sanitair warm water en tot beperking van het energieverbruik ervan, die zich van hun correcte werking vergewist. 2.4.3. De controle uitgevoerd door de instelling geaccrediteerd voor de normen NBN D51 003 en NBN D51 004 heeft met name alle volgende punten als doel : - de conformiteitscontrole volgens de hierbovenvermelde toepassingsnormen; - het nagaan of het reinigen van de branders en de regeling van hun goede werking goed verricht is; - de verificatie van de goede werking van de bescherming- en regelingsystemen; - de verificatie van de waterdichtheid van de installatie door een pomptest met stopkraan volgens de norm die op de installatie van toepassing is; - het nagaan of het reinigen van de afvoerleidingen voor rookgassen goed verricht is; - een examen van het uitschakelen van de thermokoppels. 2.5. Installaties met vloeibaar petroleumgas 2.5.1. « 12.2.3. Voor de indienststelling en na belangrijke wijzigingen maakt de nieuwe installatie of een gedeelte ervan het voorwerp uit van een dichtheids- en conformiteitscontrole volgens de toepassingsnorm NBN D51006 (artikel 1, 2 en 3) uitgevoerd door een instelling geaccrediteerd voor norm NBN D51 006.

Die dichtheids- en conformiteitscontrole wordt daarna om de vijf jaar uitgevoerd door een instelling geaccrediteerd voor norm NBN D51 006.

Het onderhoud van de installaties en toestellen is jaarlijks. Het wordt uitgevoerd door een installateur erkend overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 29 januari 2009 tot voorkoming van de luchtverontreiniging door de centrale verwarmingsinstallaties voor de verwarming van gebouwen of de productie van sanitair warm water en tot beperking van het energieverbruik ervan. 2.5.2. Voor hun inbedrijfstelling worden de gebruiksapparaten geregeld door een installateur erkend overeenkomstig het besluit van de Waalse Regering van 29 januari 2009 tot voorkoming van de luchtverontreiniging door de centrale verwarmingsinstallaties voor de verwarming van gebouwen of de productie van sanitair warm water en tot beperking van het energieverbruik ervan, die zich van hun correcte werking vergewist. 2.5.3. De controle uitgevoerd door de instelling geaccrediteerd voor norm NBN D51 006 heeft met name alle volgende punten als doel : - de conformiteitscontrole volgens de hierboven vermelde toepassingsnormen; - het nagaan of het reinigen van de branders en de regeling van hun goede werking goed verricht is; - de verificatie van de goede werking van de bescherming- en regelingsystemen; - de verificatie van de waterdichtheid van de installatie door een pomptest met stopkraan volgens de norm die op de installatie van toepassing is; - het nagaan of het reinigen van de afvoerleidingen voor rookgassen goed verricht is; - een examen van het uitschakelen van de thermokoppels. 2.5.4. Geen fles van vloeibaar gemaakt petroleumgas mag zich niet in de lokalen voor nachtgebruik bevinden.; 3° in punt 2.6.3. wordt de volgende bepaling in fine ingevoegd : « De installaties voor centrale verwarming met vaste of vloeibare brandstof worden gecontroleerd volgens de periodiciteit bedoeld in het besluit van de Waalse Regering van 29 januari 2009 tot voorkoming van de luchtverontreiniging door de centrale verwarmingsinstallaties voor de verwarming van gebouwen of de productie van sanitair warm water en tot beperking van het energieverbruik ervan. »; 4° punt 2.7.4 wordt vervangen door volgende bepaling : « Het brandbestrijdingsmateriaal wordt één keer per jaar door een bevoegde persoon van een vennootschap bevoegd voor het onderhoud van draagbare brandblussers gecontroleerd overeenkomstig NBN S21-050. »; 5° punt 3.6.2 wordt vervangen door volgende bepaling : « De organisatie van de diensten binnen de toeristische logiesverstrekkende inrichtingen moet zodanig uitgevoerd worden dat een persoon die deze opleiding volgt, op elk ogenblik aanwezig is of minstens per telefoon bereikt kan worden ».

Art. 48.Bijlage 10 bij hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt : 3° in de punt 4 en 5 worden de woorden « van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 (gewijzigd) vervangen door « van het koninklijk besluit van 7 juli 1994 »;2° in punt 7.: - worden de woorden « de huurders » vervangen door de woorden « de toeristen »; - worden de woorden « het koninklijk besluit van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste of vloeibare brandstof » vervangen door de woorden « het koninklijk besluit van 29 januari 2009 tot voorkoming van de luchtverontreiniging door de centrale verwarmingsinstallaties voor de verwarming van gebouwen of de productie van sanitair warm water en tot beperking van het energieverbruik ervan »; 3° in punt 8.: wordt het woord « bewoners » vervangen door het woord « toeristen »; worden de woorden « Het alarmtoestel met hoorbaar zijn vanuit elk punt van het gebouwen » vervangen door : « De alarmsignalen of -boodschappen zijn in alle gevallen hoorbaar door alle personen die zich in de te ontruimen lokalen bevinden. Ze moeten het wakker worden van de ondergebrachte personen waarborgen ».

Art. 48/1.In hetzelfde besluit wordt een bijlage 12 ingevoegd, die als bijlage 2 bij dit besluit wordt gevoegd.

Art. 48/2.In hetzelfde besluit wordt een bijlage 13 ingevoegd, die als bijlage 3 bij dit besluit wordt gevoegd.

Art. 48/3.In hetzelfde besluit wordt een bijlage 14 ingevoegd, die als bijlage 4 bij dit besluit wordt gevoegd.

Art. 48/4.In hetzelfde besluit wordt een bijlage 15 ingevoegd, die als bijlage 5 bij dit besluit wordt gevoegd.

Art. 49.In artikel 1 van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 4 december 1991 betreffende de camping-caravaning, gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 9 december 2004 tot uitvoering van het decreet van 18 december 2003 betreffende de toeristische logiesverstrekkende inrichtingen worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de begripsomschrijving van « toeristen op doorgang » vervalt;2° na de begripsomschrijving van « houder » worden de volgende begripsomschrijvingen ingevoegd : « - de kampeerder op doortocht : de toerist wiens aanwezigheid op het toeristisch kampeerterrein de duur van jaarlijks dertig opeenvolgende dagen niet overschrijdt en die elk mobiel of niet-verplaatsbaar verblijf gebruikt, stacaravans uitgezonderd.Hij verblijft daadwerkelijk op het terrein en op het einde van zijn verblijf verwijdert hij zijn kampeerverblijf indien het mobiel is. - de seizoensgebonden kampeerder : de toerist wiens aanwezigheid op het toeristisch kampeerterrein de duur van jaarlijks vier maanden niet overschrijdt en die gebruik maakt van elk niet-verplaatsbaar of mobiel verblijf, stacaravans uitgezonderd, behalve als die verhuurd worden door de houder van de caravanvergunning; - de residentieel kampeerder : de toerist wiens aanwezigheid op het toeristisch kampeerterrein de duur van jaarlijks zes maanden niet overschrijdt en die gebruik maakt van een stacaravan; » 3° de begripsomschrijving van stacaravan wordt vervangen als volgt : « stacaravan : elke caravan zonder verdieping, met uitzondering van de caravans die « chalets » worden genoemd en gekenmerkt zijn door een bekleding uit hout of uit stoffen die er als hout uit zien, die niet zonder bijzondere voorafgaandelijke vergunning op de openbare weg getrokken kan worden, maar toch gemakkelijk te vervoeren is, en die verwijderd kan worden zonder afgebouwd of afgebroken te moeten worden; » 4° de volgende begripsomschrijving wordt in fine toegevoegd : « overstroombaar deel van een caravanterrein : het geheel van de geringe, middelgrote of hoge voorkomingsomtrekken van waterwinningen opgenomen in de door de Waalse Regering aangenomen cartografie van het risico op overstromingen door het buiten de oevers treden van waterlopen van elk onderstroomgebied.».

Art. 50.Artikel 6 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van 9 december 2004 en bij het besluit van 13 juli 2006, wordt vervangen als volgt : «

Art. 6.§ 1. Het hoge voorkomingsomtrek van het overstroombare gedeelte van een caravanterrein mag geen residentiële kampeerder ontvangen. Het kan kampeerders op doortocht en, tijdens de periode van 15 maart tot 15 november, seizoensgebonden kampeerders ontvangen.

In het hoge voorkomingsomtrek van het overstroombare gedeelte van een caravanterrein is elke bouw, elke inrichting, elke stacaravan of elke vaste installatie die het lozen van het water zou kunnen hinderen, verboden behalve laatstgenoemde beschikt over een stedenbouwkundige vergunning.

Het gemiddelde en geringe voorkomingsomtrek van het overstroombare gedeelte van een caravanterrein mag kampeerders op doortocht, seizoenskampeerders of residentiële kampeerders ontvangen.

In de gemiddelde voorkomingsomtrekken van het overstroombare gedeelte van een caravanterrein moeten de volgende bijkomende maatregelen getroffen worden : - de luifel en voortent in zeil en de andere gelijksoortige inrichtingen alsmede de buitenmeubels worden voor de periode tussen 15 november en 15 maart weggenomen; - elke bouw, elke inrichting, elke stacaravan of elke vaste installatie die het lozen van het water zou kunnen hinderen en die gelegen is op minder dan 25 meter van de oever van de waterlopen is verboden behalve als laatstgenoemde beschikt over een stedenbouwkundige vergunning. » § 2. De aanvrager of de houder van de vergunning kan evenwel één of meerdere afwijkingen van de in deze paragraaf bedoelde bepalingen vragen. Dat verzoek om afwijking bewijst dat de schade in geval van overstroming aanzienlijk beperkt wordt door minstens één van de volgende elementen gemotiveerd : - de uitvoering van inrichtingen na het opmaken van de cartografie van het risico op overstromingen en voor zover die inrichtingen in voorkomend geval het voorwerp hebben uitgemaakt van een stedenbouwkundige vergunning; - de verbintenis om inrichtingen uit te voeren die, in voorkomend geval, het voorwerp hebben uitgemaakt van een definitieve stedenbouwkundige vergunning; - een duidelijke vergissing in de cartografie van het risico op overstromingen.

De aanvraag om afwijking bedoeld in het vorige lid kan op elk ogenblik ingediend worden; ze wordt onderzocht en behandeld overeenkomstig de beroepsprocedure bedoeld in de artikelen 44, derde lid en 45 tot 49 van het decreet van 18 december 2003 betreffende de toeristische logiesverstrekkende inrichtingen en bij artikel 51 van het besluit van de Waalse Regering van 9 december 2004 tot uitvoering van het decreet van 18 december 2003 betreffende de toeristische logiesverstrekkende inrichtingen.

Zodra een dergelijke aanvraag om afwijking volgens de modaliteiten bedoeld in het tweed lid wordt ingediend, richt het Commissariaat-generaal voor Toerisme bovendien een aanvraag om gemotiveerd advies aan de bevoegde Directie van de Waalse Overheidsdienst volgens het type categorie betrokken waterlopen.

Het advies wordt binnen dertig dagen uitgebracht door de betrokken Directie.

Onmiddellijk na ontvangst van dat advies maakt het Commissariaat-generaal voor Toerisme er een afschrift van over aan de aanvrager en aan de Voorzitter van de Beroespcommissie. ». § 3. De bijzondere normen betreffende de brandveiligheid bedoeld in bijlage 12 bij het besluit van de Waalse Regering van 9 december 2004 tot uitvoering van het decreet van 18 december 2003 betreffende de toeristische logiesverstrekkende inrichtingen zijn van toepassing op de caravanterreinen.

De houder van de caravanvergunning beschikt over een termijn van twaalf maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van deze bepaling om een aanvraag om vereenvoudigd controleattest bij de burgemeester in te dienen.

De caravanterreinen die zich geschikt hebben naar vorig lid, kunnen hun uitbating voortzetten totdat over hun aanvraag definitief is beslist.

Om de veiligheidsvoorwaarden te vervullen moet de verzoeker of de houder van de vergunning bovendien voor elk mobiele kampeerverblijf en voor elk gebouw dat voor de kampeerders toegankelijk is, beschikken over een brandveiligheidsattest in de zin van artikel 73 van het decreet van 18 december betreffende de toeristische logiesverstrekkende inrichtingen of over een vereenvoudigd controleattest in de zin van artikel 74 van hetzelfde decreet.

Art. 51.Artikel 7 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 9 december 2004 tot uitvoering van het decreet van 18 december 2003 betreffende de toeristische logiesverstrekkende inrichtingen wordt gewijzigd als volgt : 1° punt 2° wordt vervangen door volgende bepaling : « 2° de niet-verplaatsbare kampeerverblijven, terrassen, luifel en voortent in zeil inbegrepen, hebben een grondoppervlakte die maximum één derde van de oppervlakte van de standplaats bedraagt, terwijl de oppervlakte van het niet-verplaatsbare kampeerverblijf hoogstens 40 m2 bedraagt;de minimale oppervlakte van een standplaats voor een rijcaravan is minimum 80 m2 en de minimale oppervlakte van een standplaats voor een stacaravan is 100 m2 »; 2° punt 3° wordt vervangen door volgende bepaling : « de niet-verplaatsbare kampeerverblijven, terrassen, luifel en voortent in zeil inbegrepen, hebben een grondoppervlakte die maximum één derde van de oppervlakte van de standplaats bedraagt, terwijl de oppervlakte van het niet-verplaatsbare kampeerverblijf hoogstens 70 m2 bedraagt »;3° punt 4° vervalt;4° punt 5° wordt aangevuld als volgt : « Dissel en wielen dienen permanent gebruiksklaar te zijn.Zij mogen enkel gestabiliseerd worden met behulp van de poten die de bouwer daarvoor voorzien heeft. Die mogen enkel op een niet aan de grond vastgemaakte sokkel geplaatst worden om te voorkomen dat steunpoten en wielen in de grond zakken. De sokkel mag niet hoger zijn dan dertig centimeter om het kampeerverblijf makkelijk en snel te kunnen verplaatsen »; 5° punt 6° wordt gewijzigd als volgt : in het eerste lid vervalt het woord « terrassen »;het laatste lid wordt opgeheven en er wordt een punt 14 toegevoegd, luidend als volgt : « 14° une een terras kan worden toegevoegd bij het mobile kampeerverblijf op de volgende cumulatieve voorwaarden : - onafhankelijk zijn van het mobiele kampeerverblijf; - op de bodem of op een drager waarvan de hoogte kleiner is dan 10 centimeter en dit zonder verankering aangelegd worden; - in perfecte onderhoudstaat gehouden worden; - niet voorzien zijn van allerlei inrichtingen en bouwen; - de mobiliteit van het mobiele kampeerverblijf niet kunnen hinderen; - een enig terrasmodel wordt toegelaten per toeristisch kampeerterrein. »

Art. 52.Artikel 9 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 9 december 2004 tot uitvoering van het decreet van 18 december 2003 betreffende de toeristische logiesverstrekkende inrichtingen wordt gewijzigd als volgt : 1° in de inleidende zin worden de woorden « in drievoud » vervangen door de woorden « in tweevoud »;2° in punt 4°, in fine, worden de woorden « en het tracé van het wegennet » vervangen door de woorden « , het tracé van het wegennet alsmede het overstroombare gedeelte van het caravanterrein ».

Art. 53.In hetzelfde besluit wordt een artikel 9bis ingevoegd, luidend als volgt : « Het Commissariaat-generaal voor Toerisme kan te allen tijde vragen dat een nieuw uittreksel van het strafregister dat sinds minder dan drie maanden aan de houder van de caravanvergunning of aan de persoon belast met het dagelijks bestuur van het caravanterrein is afgegeven, overgemaakt wordt. Dat verzoek geschiedt minstens vijfjaarlijks. »

Art. 54.In artikel 43, vijfde lid, van hetzelfde besluit worden de woorden « in uitvoering van artikel 8 van het decreet » vervangen door de woorden « overeenkomstig de artikelen 7 en 8 van het decreet ».

Art. 55.Artikel 46 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.

Art. 56.Bijlage 1 bij hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt : 1° de woorden « kampeer-caravaningplaatsen » worden vervangen door de woorden « caravanstandplaatsen »;2° de woorden « betreffende de camping-caravaning » worden vervangen door de woorden « betreffende caravaning »;3° bijlage 1 wordt aangevuld met een artikel 19, luidend als volgt : « Art.19. Het gebruik van een kampeerverblijf als voortdurende woning is verboden. ».

Art. 57.Bijlage 3a bij hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt : 1° in het tweede visum worden de woorden « betreffende de camping-caravaning » worden vervangen door de woorden « betreffende caravaning »; 2° het beschikkend gedeelte vervalt en wordt vervangen als volgt : « Besluit : .................. (benaming van de publiekrechtelijke rechtspersoon) wordt gemachtigd, onder de voorwaarden bepaald in het besluit van de Executieve van 4 september 1991 betreffende de camping-caravaning en onder die vermeld in voorkomend geval in het advies van het College om het hierboven bepaalde terrein te gebruiken (3).

Namen, Het Commissariaat-generaal voor Toerisme ».

Art. 58.In het tweede visum van de bijlagen 2a, 2b en 3b bij hetzelfde besluit worden de woorden « betreffende de camping-caravaning » worden vervangen door de woorden « betreffende caravaning ».

Art. 59.In artikel 3 van hetzelfde besluit wordt het tweede lid vervangen door het volgende lid : « De premie bedraagt dertig procent van de kosten van de werkzaamheden betreffende de aanleg en de uitrusting alsmede van de aankoop van de materialen die nodig zijn voor de uitvoering van de werken bedoeld in artikel 4. ».

Art. 60.Artikel 4 van hetzelfde besluit wordt vervangen door volgende bepaling : «

Art. 4.Alleen de werken voor de overeenstemming met de specifieke of basisnormen inzake brandveiligheid alsmede de werkzaamheden betreffende de aanleg en de uitrusting van de installaties voor de behandeling, de zuivering en de lozing van het afvalwater met inbegrip van de algemene riolering en de ontsmettingssytemen mogen het voorwerp uitmaken van een premie. ».

Art. 61.In artikel 7 van hetzelfde besluit vervallen de woorden « in tweevoud ».

Art. 62.In het besluit van de Waalse Regering van 19 juni 2008 houdende sommige uitvoeringsbepalingen van het decreet van 27 mei 2004 betreffende de organisatie van het toerisme wordt artikel 5 aangevuld als volgt : « 9° de toelagen inzake toerisme en de uitgaven van het Commissariaat-generaal voor Toerisme te vereffenen en te betalen. ».

Art. 63.In hetzelfde besluit wordt artikel 11, e, aangevuld als volgt : « behalve als het bedrag kleiner dan 6.000 euro is. »

Art. 64.De artikelen 40 tot 95 van het decreet van 23 oktober 2008 houdende verschillende maatregelen betreffende toeristische logiesverstrekkende inrichtingen, de toeristische bezienswaardigheden, de organisatie van het toerisme en de gemarkeerde toeristische wandelroutes treden in werking.

Art. 65.De Minister van Toerisme stelt de datum vast van inwerkingtreding van artikel 39.

Art. 66.De Minister van Toerisme is belast met de uitvoering van dit besluit.

Namen, 30 april 2009.

De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN

Bijlage 1 BIJLAGE 2. - INDELINGSNORMEN VAN DE STREEKGEBONDEN TOERISTISCHE LOGIESVERSTREKKENDE INRICHTINGEN EN VAN DE GEMEUBILEERDE VAKANTIEWONINGEN Aanhef De volgende tabellen vermelden de elementen die in aanmerking worden genomen voor de indeling van de streekgebonden toeristische logiesverstrekkende inrichtingen en van de gemeubileerde vakantiewoningen in één van de 5 volgende categorieën.

De indeling van de toeristische accommodatie op het platteland, verblijven op de boerderij, vakantiewoningen in de stad, kleine accommodatie op het platteland, kleine verblijven op de boerderij, kleine vakantiewoningen in de stad, gastenkamers en gastenkamers op de boerderij wordt in aren bepaald. De indeling van de gemeubileerde vakantiewoningen (op het platteland of in de stad) wordt in sleutels bepaald.

In de volgende tabellen : - betekent een « X » dat het criterium waarvan sprake verplicht is om te voldoen aan het aantal aren bepaald door de kolom; - wijst een cijfer op de minimale « hoeveelheid » die voor dat criterium bereikt moet worden om te voldoen aan het aantal aren bepaald door de kolom.

De indeling van de logiesverstrekkende inrichting wordt gebaseerd op de basiscapaciteit, aangezien de aanvullende capaciteit, namelijk het aantal personen die met logeerbedden kunnen worden ondergebracht, strikt beperkt wordt tot twee personen, kinderbedjes niet inbegrepen.

Om toegelaten te worden, moet de inrichting minstens bij 1 aar/sleutel ingedeeld worden.

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Waalse Regering van 30 april 2009 houdende verschillende maatregelen betreffende toeristische logiesverstrekkende inrichtingen, de kampeer-caravanterreinen en de organisatie van het toerisme.

De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN

Bijlage 2 BIJLAGE 12. - SPECIFIEKE OF BASISNORMEN INZAKE BRANDVEILIGHEID VOOR DE KAMPEERTERREINEN HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen 1. Algemeen Deze bepalingen zijn toepasselijk onverminderd de normen en algemene of bijzondere toepasselijke bepalingen en met name : - het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen en de wijzigingen ervan (Belgisch Staatsblad van 26 april 1995); - de Codex over het welzijn op het werk; - het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming; - het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning. 1.1. Doel van die bepalingen 1.1.1. De in hoofdstuk II bedoelde maatregelen vermelden de minimale maatregelen die in de gebouwen toepasselijk zijn om : - het begin van een brand te voorkomen; - de veiligheid van de personen te verzekeren; - de tussenkomst van de brandweerdiensten te vergemakkelijken.

De in hoofdstuk III bedoelde bepalingen hebben vooral als doel : a) voor de veiligheid en de evacuatie van de bewoners te zorgen;b) de externe installaties uit te rusten met de eerste blusmiddelen;c) het veiligheidsniveau te controleren van de installaties die eventueel brand kunnen veroorzaken. 1.2. Door de exploitant te treffen maatregelen De exploitant treft de gepaste maatregelen om : - brand te voorkomen; - elk begin van brand snel en efficiënt te bestrijden; - in geval van brand : * de gehuisveste personen in staat te stellen alarm te slaan; * de veiligheid van de personen te verzekeren en, indien nodig, die snel en zonder gevaar te evacueren; * de territoriaal bevoegde Brandweerdienst onmiddellijk te waarschuwen. 1.3. Toepassingsgebied Die bepalingen zijn van toepassing op elk toeristisch kampeerterrein, caravanterrein en kampeerterrein op de boerderij en wat betreft : 1) de voor het publiek toegankelijke gebouwen, 2) de terreinen zelf (wegen, parkeerplaatsen, voor de toeristen toegankelijke ruimten). 1.4. Terminologie 1.4.1. De gebruikte terminologie is die welke staat vermeld in bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. 1.4.2. Onder « kampeerterrein » wordt verstaan de toeristische kampeerterreinen, de caravanterreinen en de kampeerterreinen op de boerderij; - de term « toeristisch kampeerterrein » wordt bepaald in artikel 2, 18°, van het decreet van 18 december 2003; - de term « caravanterrein » wordt bepaald in artikel 1, 2°, van het decreet van de Raad van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 betreffende de voorwaarden voor het exploiteren van kampeer-caravanterreinen; - de term « kampeerterrein op de boerderij » wordt bepaald in artikel 2, 21°, van het decreet van 18 december 2003; 1.4.3. Type kampeerterreinen Type A : minder dan 50 kampeerplaatsen Type B : van 50 tot 400 kampeerplaatsen Type C : meer dan 400 kampeerplaatsen 1.5. Gedrag bij brand van de elementen en van het constructiemateriaal 1.5.1. Op verzoek van de burgemeester of diens afgevaardigde is de exploitant verplicht het bewijs voor te leggen dat de voorschriften inzake gedrag bij brand van de elementen en het constructiemateriaal, opgenomen in deze reglementering, worden nageleefd.

Kan hij dit bewijs niet voorleggen, dan is hij verplicht een omschrijving van de samenstelling van de elementen en het constructiemateriaal met de medeondertekening van een architect te geven waarvoor het voormelde bewijs niet geleverd kan worden. 1.5.2. Reactie bij brand - Testmethodes Het constructiemateriaal wordt ingedeeld volgens de klassering die opgenomen is in bijlage 5 bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. 1.6. Certificering van materialen en installaties Algemene bepalingen betreffende de certificering van de uitrustingen en installaties Ter uitvoering van de wet van 20 juli 1990 betreffende de accreditatie van instellingen voor de conformiteitbeoordeling alsook de proeflaboratoria en van het koninklijk besluit van 6 september 1993 tot oprichting van een accreditatiesysteem van certificatie-instellingen en tot vaststelling van de accreditatieprocedures overeenkomstig de criteria van de normen van de reeks NBN-EN 45000 en voorzover de certificering van de betrokken installateurs, installaties en/of materiaal bestaat binnen een termijn van 2 jaar voorafgaand aan de uitvoering van de installatie of het gebruik van het materieel - moeten de installaties en/of het materieel gebruikt of vervangen in het gebouw gecertificeerd worden door een certificeringsinstelling, geaccrediteerd als instelling voor de certificering van producten overeenkomstig het BELCERT-systeem of volgens een certificeringsprocedure die als gelijkwaardig wordt erkend in een andere lidstaat van de Europese Unie of, bij gebrek aan accreditatie, voldoen aan de algemene criteria opgenomen in de NBN-EN-45011; - moeten de installaties en/of het materieel gebruikt of vervangen in het gebouw worden geplaatst door installateurs die gecertificeerd zijn door een certificeringsinstelling, geaccrediteerd als instelling voor de certificering van personen overeenkomstig het BELCERT-systeem of volgens een certificeringsprocedure die als gelijkwaardig wordt erkend in een andere lidstaat van de Europese Unie of, bij gebrek aan accreditatie, voldoen aan de algemene criteria opgenomen in de NBN-EN-45013. 1.7. NBN-Norm en gelijkwaardigheid in een andere Lidstaat van de Europese Unie Indien d.m.v. de noodzakelijke stukken wordt vastgesteld dat een product opgenomen in deze bijlage voldoet aan de vereisten omgezet in een norm NBN volgens proef- en classificeringsmethodes die gelijkwaardig zijn in een andere Lidstaat van de Europese Unie, wordt dat product geacht te voldoen aan de technische voorschriften van deze bijlage. HOOFDSTUK II. - Gebouwen bestemd voor het publiek Opmerking De afgelegen gebouwen die alleen de lokalen omvatten die als vestiaires, sanitaire installaties of douches dienen, hoeven slechts aan de punten 2.5, 2.6, 2.7 en 2.8 te voldoen.

Hetzelfde geldt voor lokalen die als vestiaires, sanitaire installaties of douches dienen en die aanpalend zijn aan gebouwen bestemd om het publiek te ontvangen, wanneer ze ervan gescheiden zijn door brandwerende elementen. 2.1. Aantal toegelaten personen 2.1.1. In de voor de klanten toegankelijke lokalen en verkoopswinkels wordt de theoretische totale bezettingsdichtheid bepaald naar gelang van de criteria bedoeld in bijlage 1 bij het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. 2.1.2. In cafés, café-restaurants, restaurants, bars, dancings, proefsalons, vergaderings-, concert- en feestzalen en gelijksoortige inrichtingen wordt de theoretische totale bezettingsdichtheid berekend op grond van één persoon per m2 totale bodemoppervlakte van de voor het publiek toegankelijke lokalen. 2.1.3. Het aantal toelaatbare personen die tegelijk aanwezig zijn, zal ook afhangen van de nuttige totale breedte van de uitgangen, zoals bepaald in artikel 2.5. « Evacuatie ».

Het strengste criterium wordt in aanmerking genomen. 2.1.4. Elke exploitant kan op schriftelijk en gemotiveerd verzoek de schriftelijke vergunning van de Burgemeester vragen om het aantal toegelaten personen die tegelijkertijd aanwezig zijn, volgens specifieke criteria te bepalen. 2.2. Bouwelementen 2.2.1. De structurele elementen die de stabiliteit van het geheel van het gebouw, gelegen binnen de voor het publiek toegankelijke site, en van de voor zijn werking nuttige lokalen verzekeren, hebben een weerstand tegen brand van 1 uur.

In de zone zonder verdiepingen is de weerstand tegen brand van de structurele elementen alsmede die van het gebinte van het dak een half uur.

Als die elementen bedoelde brandweerstand zelf niet kunnen aanbieden, kunnen ze zo beschermd worden dat ze die beschermingsniveaus bereiken.

Zoniet wordt in een algemene installatie voor automatische branddetectie voorzien. Die installatie is conform de norm NBN S21-100. 2.2.2. Het geheel van de dekking van de daken voldoet aan indeling B Roof T1 volgens norm ENV 1187. 2.3. Compartimentering 2.3.1. Het geheel van het voor het publiek toegankelijke volume vormt een onafhankelijk compartiment gescheiden van de rest van het gebouw door horizontale en verticale wanden met een eenvormige brandweerstand van 1 uur. Elke doorgang naar aangrenzende volumes geschiedt via een deur met een brandweerstand van een half uur, uitgerust met een automatisch sluitsysteem of een automatisch sluitsysteem in geval van brand.

De keuken vormt een onafhankelijk compartiment waarvan de (horizontale en verticale) binnenwanden een eenvormige brandweerstand van 1 uur hebben. Alle binnentoegangen geschieden via deuren met een eenvormige brandweerstand van een half uur uitgerust met een automatisch sluitsysteem of een automatisch sluitsysteem in geval van brand.

Zoniet wordt verwezen naar artikel 2.10.3. 2.3.2. Elke doorgang voor kabels en leidingen via een bouwelement (muur, wand, vloer, plafond) geschiedt zo, dat dat element zijn oorspronkelijke weerstand tegen brand behoudt.

Voor het aandraaien van de leidingen van vloeistoffen, niet-vloeibare stoffen, elektriciteit of elektromagnetische golven wordt verwezen naar de ministeriële omzendbrief FOD Binnenlandse Zaken van 15 april 2004. 2.4. Binneninrichtingen 2.4.1. De valse plafonds en hun opgehangen gedeelten, voor zover ze niet bijdragen tot de bescherming van de structuurelementen moeten :. - gebouwd en/of gedekt worden met materialen van klasse A1 volgens bijlage 5 « Reactie bij brand van de materialen » bij het koninklijk besluit van 5 juli 7 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen. - een weerstand tegen brand van een half uur hebben. 2.4.2. Onverminderd de bepalingen bedoeld in het Algemeen Reglement voor de arbeidsbescherming goedgekeurd bij de besluiten van de Regent van 11 februari 1946 en 27 september 1947 alsmede de koninklijke besluiten tot aanvulling of wijziging ervan bepaalt de Burgemeester of zijn technisch afgevaardigde de inrichtingen waar de zetels vastgemaakt en/of tussen elkaar verbonden worden.

Alle zetels worden zodanig geplaatst dat een snelle evacuatie vergemakkelijkt wordt. Wanneer er rijen van zetels zijn, mogen ze evenwel niet meer dan 10 zetels omvatten als ze bereikt moeten worden via één enkele gang.

Ze mogen 20 zetels omvatten als ze toegankelijk zijn via twee gangen. 2.4.3. Bij de hernieuwing van de bestaande bekledingen zijn de bepalingen van bijlage 5 « Reactie bij brand van de materialen » bij het koninklijk besluit van 5 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen, van toepassing. 2.5. Evacuatie 2.5.1. Ligging, verdeling, breedte 2.5.1.1. De ligging, de verdeling en de breedte van de trappen, uitgangswegen, uitgangen, deuren en wegen die ernaartoe leiden moeten een snelle en gemakkelijke ontruiming van de mensen mogelijk maken tot de straat of tot een ruimte die hen de mogelijkheid biedt op straat te komen. 2.5.1.2. De ondergrondse lokalen of de lokalen op de verdiepingen moeten toegankelijk zijn door één of verschillende trappen die gescheiden van de trap(pen) die privé gebruikt worden.

De evacuatie van de lokalen of geheel van lokalen voor nachtgebruik gebeurt via een evacuatieweg waarvan de verticale wanden een weerstand tegen brand van 1 uur hebben en waarvan de deuren een weerstand tegen brand van een half uur hebben. Ze zijn uitgerust met een automatisch sluitsysteem of een automatisch sluitsysteem in geval van brand. 2.5.1.3. De nuttige breedte van de uitgangsdeuren is minstens 0,80 m. 2.5.1.4. De breedte van uitgangswegen, uitgangen, deuren en wegen die ernaartoe leiden moet gelijk zijn aan of hoger zijn dan 0,80 meter met een minimale hoogte van 2 meter.

De totale nuttige breedte is evenredig met het aantal personen die ze moeten nemen om de inrichting te verlaten, d.w.z. a rato van 1 cm per persoon. 2.5.1.5. De voor het publiek bestemde trappen moeten een totale nuttige breedte hebben die in cm minstens gelijk is aan het aantal personen die ze moeten gebruiken, vermenigvuldigd met 1,25 als ze naar de uitgangen afdalen en vermenigvuldigd met 2 als ze naar die uitgangen klimmen, met een minimum van 1 meter. 2.5.1.6. Elke trap is voorzien van een leuning. Wanneer de nuttige breedte hoger is dan of gelijk is aan 1,20 meter, is hij voorzien aan beide kanten van een leuning.

Bovendien is een centrale leuning verplicht wanneer de nuttige breedte gelijk is aan of hoger dan 2,5 m. Elke leuning is onbuigzaam en sterk vastgemaakt. 2.5.1.7. De lokalen en verdiepingen waar doorgaans ten minste honderd personen hun verblijf hebben moeten ten minste twee afgescheiden uitgangen hebben tot de straat of tot een ruimte waardoor men tot de straat komt. Ze moeten voldoende van elkaar verwijderd zijn. 2.5.1.8. De lokalen en verdiepingen waar doorgaans ten minste vijfhonderd personen hun verblijf hebben moeten ten minste drie afgescheiden uitgangen hebben tot de straat of tot een ruimte waardoor men tot de straat komt. Ze moeten voldoende van elkaar verwijderd zijn. 2.5.1.9. Gelet op de aard van de locatie en naar gelang van het belang en de aard van de risico's kan de Burgemeester op advies van de gewestelijke brandweerdienst één of meer bijkomende uitgangen opleggen. 2.5.1.10. Het is verboden welk voorwerp ook neer te zetten dat het verkeer op de doorgangplaatsen kan hinderen of hun nuttige breedte kan verminderen. 2.5.1.11. Alle evacuatiewegen, de buitenreddingsladder, -galerijen en -trappen inbegrepen, zijn voldoende verlicht. Alleen elektrische verlichting is toegelaten 2.5.2. Deuren 2.5.2.1. De deuren in de uitgangswegen die twee uitgangen verbinden moeten in beide richtingen opendraaien.

Voor de onroerende goederen die in aanbouw zijn of gebouwd na de datum van 1 januari 1993 alsmede de voor die datum gebouwde onroerende goederen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een wijziging, een uitbreiding of een verandering na 1 januari 1993 moeten de uitgangsdeuren of de externe nooduitgangen verplicht naar buiten opendraaien. 2.5.2.2. Het gebruik van automatische schuifdeuren is slechts toegelaten voor de uitgangen waarlangs men rechtstreeks naar buiten kan. De schuifelementen moeten, na gewoon erop te hebben gedrukt, veranderd worden in klapelementen. 2.5.2.3. De sluiting van een deel van de deuren tijdens de diensturen is slechts toegelaten door middel van zeer zichtbare voorzieningen die gemakkelijk bediend worden door elke niet-ervaren persoon. 2.5.2.4. De draaideuren en de draaibomen zijn niet toegelaten behalve als ze de verplichte uitgangen aanvullen. 2.5.2.5. De klapdeuren zijn verboden. 2.5.2.6. De panelen van de glazen deuren of glazen wanden moeten een merkteken dragen waardoor op hun aanwezigheid attent wordt gemaakt. 2.5.2.7. Elke zelfsluitende deur die niet gemakkelijk met de hand geopend kan worden, moet uitgerust zijn met een toestel dat automatisch de deur opent bij het uitvallen van de energiebron die de deur aandrijft en dat de deuropening over heel haar breedte openstelt. 2.5.3. Signalisatie 2.5.3.1. De ligging van elke uitgang en nooduitgang moet op zeer zichtbare wijze gesignaleerd worden met pictogrammen zoals bepaald in het koninklijk besluit van 17 juni 1997 betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk conform is.

Als de manier waarop de ruimte georganiseerd is, het vereist, wordt de richting naar de uitgangen en trappen die naar de uitgangen leiden, gesignaleerd met pictogrammen zoals bepaald in het koninklijk besluit van 17 juni 1997 betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk.

Indien nodig wordt die signalisatie op de bodem weergegeven. 2.5.3.2. De openingen die niet bestemd zijn om door het publiek als uitgang te worden gebruikt, worden gesloten en als de inrichting van de plaatsen het rechtvaardigt, op zeer zichtbare wijze gesignaleerd worden door pictogrammen die het symbool « verboden richting », zoals bedoeld in bovenvermeld besluit van 17 juni 1997, uitbeelden. 2.6. Verwarming 2.6.1. Stookplaats De verwarmingsketel wordt in een lokaal gezet, dat stookplaats wordt genoemd. De opslag van brandbare stoffen is daar verboden.

De muren, wanden, vloeren en plafonds van de stookplaatsen hebben minstens een brandweerstand van 1 uur. Indien vloeibare of gasachtige brandstoffen worden gebruikt, moet elke verbinding tussen de stookplaats en het gebouw en tussen de stookplaats en de opslagplaats voor brandstoffen afgesloten zijn door een brandbestendig deurblok met een brandweerstand van een half uur.

Die deuren zijn automatisch zelfsluitend. Ze zijn niet voorzien van een toestel om die open te houden Het is verboden in alle omstandigheden die open te houden. Ze draaien open in de richting van de evacuatie.

Voor de stookplaatsen waarvan het totaalvermogen => 70 kW is, zijn de bepalingen van norm NBN B61 001 - stookplaatsen en verwarmingsketels - van toepassing.

Voor de stookplaatsen waarvan het totaalvermogen < 70 kW is, zijn de bepalingen van norm NBN B61 002 - stookplaatsen van centrale verwarming met een nominaal vermogen kleiner dan 70 KW - van toepassing.

Voor de verwarmingsketels met een vermogen kleiner dan 30 KW zijn de vorige bepalingen niet van toepassing, behalve de bepalingen van NBN B61 002.

De tanken met vloeibare brandstoffen worden geplaatst in een waterdichte kuip met een capaciteit ten minste gelijk aan het opslagvolume.

De bekuiping wordt niet vereist voor de metalen tanken met een capaciteit kleiner dan of gelijk aan 3 000 liters op voorwaarde dat : - het maatsysteem intern is; - de leidingen naar de tank metaalachtig zijn.

Die verplichtingen voor de tanken zijn ook geldig voor de tanken met vloeibare brandstoffen die buiten een gebouw gelegen zijn. De kuip wordt gebouwd met materialen van klasse A0. 2.6.2. Verwarmingsapparaten 2.6.2.1. De verwarmingstoestellen moeten zodanig ontworpen en gebouwd worden dat ze voldoende veiligheidswaarborgen bieden t.a.v. lokale omstandigheden. 2.6.2.2. De verwarmingstoestellen van het verbrandingstype moeten gebruiksklaar worden gehouden, verbonden zijn met een goed trekkende schoorsteen en zo zijn gemaakt dat een volledige en regelmatige afvoer van de verbrandingsgassen verzekerd is, zelfs in geval van maximale sluiting van de regelingssystemen. 2.6.2.3. De schoorstenen en rookpijpen van de verwarmingstoestellen moeten met onbrandbare materialen gebouwd worden en behoorlijk onderhouden worden. 2.6.2.4. De warmtegeneratoren, de schoorstenen en de rookpijpen moeten geïnstalleerd worden op een voldoende afstand van brandbare stoffen en materialen of daarvan worden verwijderd om het brandrisico te voorkomen. 2.6.2.5. De warmtegeneratoren met automatische aansteekmachine die vloeibare of gasvormige brandstof gebruiken moeten zodanig uitgerust zijn dat de brandstoftoevoer automatisch afgesneden wordt in de volgende gevallen : - bij het al dan niet automatisch stilvallen van de brander; - van zodra de vlam toevallig uitdooft; - van zodra er oververhitting of overdruk in de uitwisselaar voorkomt; - in geval van onderbreking van de elektrische stroom, van de warmtegeneratoren die vloeibare brandstoffen gebruiken. 2.6.2.6. De verwarmingsinstallaties met warme lucht moeten aan de volgende voorwaarden voldoen : - de temperatuur van de lucht mag op de verdelingspunten de 80 °C niet overschrijden; - de aanvoerkanalen van warme lucht moeten volledig uit onbrandbare materialen vervaardigd zijn; - wanneer de generator van warme lucht zich in een stookplaats bevindt : * is de aanzuiging van de te verwarmen lucht niet toegelaten in deze stookplaats of haar bijgebouwen; * moeten de roosters van de luchtaanzuigbuis en van de wederaanzuigbuis voorzien zijn van efficiënte stoffilters die geen brandbare dampen laten doorkomen : - Indien de lucht rechtstreeks in de generator wordt opgewarmd, moet de druk van de warme lucht in deze generator steeds hoger zijn dan deze van de gassen die in de haard circuleren. 2.6.2.7. In de lokalen die met warme lucht door een generator met directe uitwisseling verwarmd zijn, moet een toestel automatisch de ventilator en de generator stilleggen in geval van abnormale stijging van de temperatuur van de warme lucht.

Wanneer de warme-luchtgenerator zich in een stookplaats bevindt, moet er naast dit toestel ook een handbediening voorzien zijn die buiten deze stookplaats is geïnstalleerd. Deze laatste schikking geldt niet voor de elektrische verwarmde generatoren met rechtstreekse uitwisseling. 2.6.2.8. De elektrische verwarmingstoestellen zijn toegelaten, behalve diegene die een zichtbare elektrische weerstand bevatten; individuele verwarmingstoestellen van het verbrandingstype zijn verboden.

Wanneer elektrische verwarmingstoestellen van het accumulatietype met ontlading door geforceerde convexie (ook genoemd elektrische radiatoren van het dynamisch accumulatietype) gebruikt worden, mag de temperatuur van de lucht op de verdelingspunten het peil van 80 °C niet overschrijden.

Ze voldoen aan de eisen van de EG-label. 2.6.3. Gas 2.6.3.1. Algemeen 2.6.3.1.1. De gasapparaten (verwarming, productie van sanitair water, keuken) moeten voldoen aan de voorschriften van de Belgische normen en van de desbetreffende besluiten. Ze moeten de BENOR- of AGB-conformiteitslabel dragen als ze voor 1 januari 1996 gefabriceerd zijn en de EG-label als ze na 31 december 1995 gebouwd zijn. 2.6.3.1.2. De nodige voorzorgsmaatregelen worden genomen om gaslekken te voorkomen.

Na advies van de gewestelijke brandweerdienst en naar gelang van de aard van risico's en van de locatie wordt een afsluiter buiten de inrichting aangelegd zodat de toevoer van aardgas onderbroken kan worden. Die afsluiter wordt op zeer zichtbare wijze gesignaleerd door letter « G » die in het geel op een zwarte achtergrond en vice versa geschilderd is. 2.6.3.2. Aardgas 2.6.3.2.1. Elke meter van aardgas is van het Rht-type - weerstand tegen hoge temperatuur - volgens norm NBN NBN D 51-004 - Installaties voor brandbaar gas lichter dan lucht, verdeeld door leidingen - bijzondere installaties.

De meter(s) wordt(en) in een gesloten lokaal geplaatst, dat alleen daartoe bestemd is en uit onbrandbare materialen bestaat.

Het lokaal zal voorzien zijn van een voldoende hoge ventilatie, die rechtstreeks op de buittenlucht uitgeeft. 2.6.3.2.2. De installatie is conform met NBN D 51-003 « Installaties voor brandbaar gas lichter dan lucht, verdeeld door leidingen « , en/of met NBN D D51-004 « Installaties voor brandbaar gas lichter dan lucht, verdeeld door leidingen : bijzondere installaties ». 2.6.3.3. Vloeibaar gemaakt petroleumgas 2.6.3.3.1. De installaties moeten overeenstemmen met de bepalingen van de normen NBN NBN-D51-006 « Binnenleidingen voor commercieel butaan of propaan in gasfase op een werkdruk van maximum 5 bar en plaatsing van de verbruikstoestellen - Algemene bepalingen » Deel 1 : Terminologie, Deel 2 : Binnenleidingen, Deel 3 : Plaatsing van de verbruikstoestellen ». 2.6.3.3.2. De opslagplaatsen voor vloeibaar gemaakt handelspropaan, handelsbutaan of mengsels daarvan moeten de voorschriften naleven van het besluit van de Waalse Regering van 7 juli 2005 tot bepaling van de integrale voorwaarden betreffende de opslagplaatsen voor vloeibaar petroleumgas in « bulk ». 2.6.3.3.3. Veiligheidsmaatregelen betreffende de verplaatsbare recipiënten.

De verplaatsbare recipiënten mogen niet gebruikt of opgeslagen worden binnen de gebouwen met uitzondering van degene waarvan de hoeveelheid brandstoffen niet hoger is dan drie kilo. Buiten de gebouwen worden ze geplaatst op minstens 1,50 meter van de vensters en op minstens 2,50 meter van de deuren.

De verplaatsbare recipiënten worden steeds geplaatst, op een niveau dat niet lager ligt dan de omliggende grond, en op minstens 2,50 m afstand van elke kelderopening of ingang naar een ondergrondse plek.

Zij moeten tegen omvallen beschermd zijn.

Gemakkelijk brandbare stoffen, met inbegrip van droog gras en onkruid, mogen niet opgestapeld worden op minder dan 2,50 m van de verplaatsbare recipiënten.

Verplaatsbare recipiënten met hun toestellen zijn beschermd tegen weer en wind. Elke schuilplaats of lokaal waarin ze eventueel geïnstalleerd zijn : - mag enkel vervaardigd worden uit ontbrandbare materialen; - is voorzien van een goede ventilatie, zowel onderaan als bovenaan. » Op advies van de gewestelijke brandweerdienst en naar gelang van het belang en de aard van de risico's en indien de aard van de locatie het vereist, moeten de installaties voor verwarming en klimaatregeling gestopt kunnen worden in geval van brand. 2.7. Elektriciteit 2.7.1. De elektrische installaties moeten voldoen aan de voorschriften van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties, vigerende normen en verordeningen.

Ze moeten door een door de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie erkende instelling gecontroleerd worden bij de eerste inspectie en daarna om de vijf jaar en telkens als bijzondere wijzigingen worden aangebracht 2.8. Veiligheidsverlichting 2.8.1. Alle gebouwen bestemd om het publiek te ontvangen of alle voor laatstgenoemde toegankelijke inrichtingen moeten over een veiligheidsverlichting beschikken.

Die verlichting wordt in de voor het publiek toegankelijke lokalen en op het tewerkgestelde personeel geïnstalleerd bij alle uitgangen en nooduitgangen alsmede in alle gangen en uitgangswegen De verlichtingsinstallatie is conform met de Belgische normen NBN C71-100 (Elektrische verlichtingsapparaten en accessoires - Veiligheidsverlichting - Installatieregels en instructies voor de controle en het onderhoud), NBN EN 1838 (Lichttechniek -Veiligheidsverlichting) en NBN-EN-60 598-2-22 (Lampen - Deel 2-22 : bijzondere regels - Lampen voor noodverlichting + corrigendum).

De conformiteit van de installatie zal bevestigd worden door een inspectieverslag opgemaakt door een door de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie erkende instelling. 2.9. Systeem voor de evacuatie van rook en warmte 2.9.1. Naar gelang van het belang en de aard van de risico's kan de burgemeester op advies van de gewestelijke brandweerdienst het aanleg van rookafvoerriolen opleggen. Het aantal rookafvoerriolen en de oppervlakte ervan alsmede het bedieningssysteem worden bepaald overeenkomstig de vigerende normen en goede praktijkcode. 2.10. Brandbestrijdingsmiddelen 2.10.1. Na raadpleging van de gewestelijke brandweerdienst door de exploitant worden de gebouwen en inrichtingen, bestemd om het publiek te ontvangen, voorzien van brandbestrijdingsmiddelen (brandblusapparaten, slangenwapen, automatische blussing, enz) volgens het belang en de aard van de risico's.

In ieder geval wordt minstens voorzien in een sprinklersysteem (+ additief) met een capaciteit van 9 l of een poedersnelblusser met een capaciteit van 6 kg, conform met de normen van reeks NBN - EN 3 - draagbare brandblusapparaten Elk blusapparaat wordt op 1 meter hoog stevig vastgemaakt. 2.10.2. Het brandbestrijdingsmateriaal moet goed onderhouden, tegen vorst beschermd, gemakkelijk toegankelijk en oordeelkundig geplaatst zijn. Het moet onmiddellijk in dienst gesteld kunnen worden. 2.10.3. Als de vuurvaste compartimentering van de keuken niet uitgevoerd is, zijn de friteuses en kookapparaten beschermd door een automatische uitschakelinginstallatie met licht water. De inwerkingstelling van de uitschakelinginstallatie veroorzaakt de onderbreking van de energievoeding van de friteuses en andere kookapparaten. Er moet naast de automatische werking ook in een handbediening voorzien zijn die op een beschermde plaats, ver van de kookapparaten, geïnstalleerd is. 2.10.4. Het brandbestrijdingsmateriaal wordt op zichtbare wijze gesignaleerd met pictogrammen zoals bepaald in het koninklijk besluit van 17 juni 1997 betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk conform is. 2.10.5. Voor de verwarmingsketels met vloeibare brandstof wordt elke brander door een automatisch blussysteem beschermd. De werking van dat systeem veroorzaakt de onderbreking van de voorzieningen in brandstof en elektriciteit. 2.11. Waarschuwing - Alarm - Automatische Branddetectie 2.11.1. Op advies van de gewestelijke brandweerdienst en naar gelang van het belang en de aard van de risico's en indien de aard van de locatie het vereist, moet de exploitant gepaste waarschuwings- en alarmmiddelen installeren.

Onder « waarschuwing » wordt verstaan de waarschuwing dat er brand ontstaat of dat er gevaar dreigt, medegedeeld aan de exploitant en aan de private brandweerdienst zoals bedoeld in punt 2.12.

Onder « alarm » wordt verstaan de waarschuwing gegeven aan het geheel van de personen die in een bepaalde plaats verblijven, om die plaats te evacueren. 2.11.2. De waarschuwings- en alarmposten moeten in voldoende aantal, gemakkelijk toegankelijk, in goede werkings- en onderhoudstaat, verstandig verdeeld en goed gesignaleerd zijn. 2.11.3. De waarschuwings- en alarmsignalen moeten niet met elkaar noch met andere signalen verwisseld worden. Ze moeten opgevangen worden door alle betrokkenen. 2.11.4. De woningen worden uitgerust met een automatische branddetectie overeenkomstig de bepalingen van het besluit van de Waalse Regering van 21 oktober 2004 betreffende de aanwezigheid van brandmelders in de woningen. 2.11.5. In alle gevallen van brandbegin moeten de nooddiensten 100 of 112 bedoeld in het koninklijk besluit van 9 oktober 2002 tot vaststelling van de nooddiensten overeenkomstig artikel 125 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven gewaarschuwd worden. 2.11.6. De gebouwen en inrichtingen bestemd om het publiek te ontvangen moeten aangesloten worden op het telefoonnetwerk via een vast telefoontoestel dat in noodgevallen bereikbaar is.

De telefoonnummers van de nooddiensten (brandweer - ambulances en politie) worden op zichtbare wijze aangeplakt bij het telefoontoestel en buiten het gebouw.

Die inlichtingen vermelden het precieze adres van het kampeerterrein, de aard van het incident en een zo precies mogelijke raming van de omvang ervan. De instructies worden in de drie landstalen en in het Engels opgesteld.

Als er een intern telefoonnetwerk bestaat, wordt het zodanig aangelegd dat geen willekeurige onderbreking van de elektrische energieverdeling een externe communicatie met de bovenvermelde nooddiensten kan hinderen.

Elk toestel met een voorafbetalingsfunctie wordt alleen toegelaten als het aanvullend is aan het in bovenvermeld lid bedoelde toestel tenzij het zonder betaling beschikt over rechtstreekse verbindingen met de bovenvermelde nooddiensten. 2.12. Private brandweerdienst 2.12.1. Op advies van de gewestelijke brandweerdienst en naar gelang van het belang en de aard van de risico's en indien de aard van de locatie het vereist, moet de exploitant een dienst voor de brandvoorzorg en -bestrijding organiseren; die dienst moet bestaan uit een voldoende aantal persoon opgeleid om het brandweermateriaal waarover de inrichting beschikt, te gebruiken.

Dat personeel is verplicht aanwezig gedurende de openingsuren van de inrichting.

Waarschuwings-, alarm- en evacuatieuitoefeningen moeten minstens één keer per jaar door dat personeel georganiseerd worden. 2.13. Voorzorgsmaatregelen tegen brand 2.13.1. Het is verboden brandbare of licht ontvlambare stoffen, recipiënten die brandbare stoffen bevatten of hebben bevat, of recipiënten met samengeperste, vloeibaar gemaakte of opgelost gehouden gassen neer te zetten bij haarden of willekeurige warmtebronnen. 2.13.2. Het is verboden stofvodden en afval waarin zelfontbranding kan optreden of die gemakkelijk brandbaar zijn, in de lokalen op te hopen.

Ze moeten worden bewaard in gepaste metalen vaten met hermetische deksels of in andere materialen die dezelfde garanties aanbieden.

Afval moet zo spoedig mogelijk afgevoerd worden. HOOFDSTUK III. - Parkeerplaatsen en wegen die voor het publiek toegankelijk zijn Overeenkomstig artikel 90 van het decreet kan tot 1 januari 2019 geheel of gedeeltelijk afgeweken worden van de voorschriften van dit hoofdstuk. 3.1. Ligging - Toegangswegen - Verkeer -Evacuatie 3.1.1. Het kampeerterrein bevindt zich verplicht in een gebied dat voortdurend toegankelijk is voor de voertuigen van de nooddiensten. 3.1.2. Het kampeerterrein is via een externe berijdbare weg tussen de openbare weg en de ingang van het kampeerterrein toegankelijk.

Op die berijdbare weg kunnen voertuigen met inbegrip van die van de nooddiensten voortdurend elkaar kruisen.

De externe berijdbare weg alsmede de interne verkeerswegen moeten voldoen aan de hierna bepaalde eigenschappen.

Als die eigenschappen niet kunnen worden nageleefd, wordt een realistische proef uitgevoerd aan de hand van de voertuigen van de nooddiensten die kunnen tussenbeide komen en naar gelang van de aard van het terrein. Die proef wordt in onderlinge samenspraak tussen de eigenaar/exploitant en de verantwoordelijke voor de territoriaal bevoegde brandweerdienst uitgevoerd en maakt het voorwerp uit van een verslag.

De dragende capaciteit van al deze wegen moet voldoende zijn zodat de voertuigen waarvan de last per as van maximum 13 t kunnen rijden en parkeren zonder in de grond weg te zinken zelfs als ze het terrein vervormen. * Alleen de volgende maximale eigenschappen kunnen voor de externe toegangswegen vereist worden : - vrije breedte : 6 m; - vrije hoogte : 4 m; - maximale helling : 12 % maximum; - draaicirkel : 11 m binnen en 15 m buiten. * Voor de binnenwegen worden de volgende minimale eigenschappen vereist : - breedte op de grond : 3 m; - vrije breedte : 3,5 m; - vrije hoogte : 4 m. 3.1.2.1. De lengte van de doodlopende wegen mag niet hoger zijn dan 100 m.

Als die voorwaarde niet wordt vervuld, wordt in een omkeringsruimte voorzien.

Die ruimte zal een minimale oppervlakte van 100 m2 hebben en een realistische proef wordt uitgevoerd aan de hand van de voertuigen van de nooddiensten die kunnen tussenbeide komen en naar gelang van de aard van het terrein. Die proef wordt in onderlinge samenspraak tussen de eigenaar/exploitant en de verantwoordelijke voor de territoriaal bevoegde brandweerdienst uitgevoerd en maakt het voorwerp uit van een verslag. 3.1.2.2. Als het kampeerterrein van het type A langs de openbare weg gelegen is en als de op afstand van de openbare weg loodrecht op de verste parkeerplaats kleiner dan 60 m is, zijn de binnenwegen niet verplicht. 3.1.2.3. Op advies van de Gewestelijke brandweerdienst en naar gelang van het belang van de aard van de risico's en als de aard van de locatie het vereist zal een verkeerswijze voor de kampeerterreinen van het type B bepaald worden.

Voor de kampeerterreinen van het type C vormen de binnenwegen een verkeersring. 3.1.2.4. Wanneer het kampeerterrein via automatische hekken toegankelijk is, worden laatstgenoemde geïnstalleerd volgens de beginselen van de positieve veiligheid en worden ze uitgerust met een aangepast systeem dat door de territoriaal bevoegde brandweerdienst aangenomen is.

Dat systeem maakt de toegang tot het kampeerterrein voortdurend mogelijk. 3.1.2.5. Wanneer het kampeerterrein in een woud, langs een bebost terrein of op elke andere plaats met een brandrisico gelegen is, wordt het voortdurend gemaaid.

Voor bepaalde kampeerterreinen met een bijzondere ligging kunnen aanvullende blusmiddelen opgelegd worden door de territoriaal bevoegde brandweerdienst. 3.1.3. Verkeer In het kampeerterrein is het parkeren verboden op de binnen- en buitenwegen.

De richting en de weg naar de verschillende uitgangen worden van verkeerstekens voorzien.

Voor de kampeerterreinen die over een verkeersring beschikken wordt een verkeersrichting verplicht opgelegd. 3.1.4. Evacuatie 3.1.4.1. Wanneer het kampeerterrein van het type B afgebakend is door een willekeurige omheining, moet het beschikken over 2 nooduitgangen, wat de personen in staat stelt het kampeerterrein te verlaten.

De toegang tot de nooduitgangen wordt gesignaleerd en verlicht overeenkomstig de punten 3.2.1. en 3.3.1. 3.1.4.2. Wanneer het kampeerterrein van het type C afgebakend is door een willekeurige omheining, moet het beschikken over 3 nooduitgangen, wat de personen in staat stelt het kampeerterrein te verlaten.

De toegang tot de nooduitgangen wordt gesignaleerd en verlicht overeenkomstig de punten 3.2.1. en 3.3.1. 3.2. Signalisatie 3.2.1. Om het verkeer op de binnenwegen van het kampeerterrein te vergemakkelijken worden verkeerstekens geplaatst.

Die signalisatie wordt uitgevoerd door middel van de verschillende signalen vermeld in de Wegcode (wet van 16 maart 1968 betreffende de politie van het wegverkeer).

Nummers van de panelen : - parkeerverbod - E1; - stoppen - B5; - verplichting de door de pijl aangeduide richting te volgen - D1e - D1s; - verboden richting voor iedere bestuurder - C1 - C43; - voorrang verlenen - B1. 3.2.2. De nooduitgangen worden gesignaleerd aan de hand van de pictogrammen bepaald in het koninklijk besluit van 17 juni 1997 betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk conform is. 3.3. Elektrische installaties 3.3.1. Alle binnen- en buitenwegen van het kampeerterrein worden verlicht. Alleen de elektrische verlichting is toegelaten.

Die verlichting maakt een gemakkelijke verplaatsing op het hele gebied en de evacuatie van de bewoners indien nodig mogelijk.

De verlichting die 0,85 m boven de grond horizontaal en in de as van de weg wordt gemeten, is minimum 2 Lux.

Die verlichting mag niet voortdurend zijn. 3.3.2. Alle elektrische installaties moeten voldoen aan de voorschriften van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties, vigerende normen en verordeningen. Die installaties worden door een door de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie erkende instelling gecontroleerd. 3.4. Bericht- en alarmmiddelen De exploitant moet bericht- en alarmmiddelen installeren. 3.4.1. Bericht Een vast telefoontoestel dat ter beschikking wordt gesteld van de vakantiegangers moet dienen om elk ogenblik de nooddiensten 100 of 112 bedoeld in het koninklijk besluit van 9 oktober 2002 tot vaststelling van de nooddiensten overeenkomstig artikel 125 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, te kunnen waarschuwen.

Zoniet wordt een telefooncel in de onmiddellijke omgeving van het kampeerterrein geïnstalleerd.

Elk toestel met een voorafbetalingsfunctie wordt alleen toegelaten als het zonder betaling beschikt over rechtstreekse uitgangen na de bovenvermelde nooddiensten.

De telefoonnummers van de nooddiensten worden op een zichtbare wijze bij het toestel aangeplakt alsmede de inlichtingen die aan de nooddienst medegedeeld moeten worden.

Die inlichtingen vermelden het precieze adres van het kampeerterrein, de aard van het incident en een zo precieze mogelijke raming van de omvang ervan. De instructies worden in de drie landstalen en in het Engels opgesteld. 3.4.2. Alarm De exploitant organiseert zijn eigen alarmsysteem, waarbij hij de personen van het kampeerterrein erom verzoekt om het terrein zo spoedig mogelijk te evacueren.

De instructies voor het gebruik van het alarmsysteem worden aangeplakt.

De instructies worden in de drie landstalen en in Engels opgesteld. 3.5. Blusmiddelen - Watervoorraden 3.5.1. Het toeristisch kampeerterrein dient voorzien te zijn van minstens één brandbluseenheid per geheel van honderd standplaatsen of een breukdeel ervan, die op het terrein in een omtrek van elk geheel van honderd standplaatsen of een breukdeel ervan is opgesteld.

Elke brandbluseenheid dient uitgerust te zijn met drie draagbare snelblussers met polyvalent ABC-poeder met een capaciteit van 6 kg of met twee draagbare snelblussers met polyvalent ABC-poeder met een capaciteit van 9 kg. 3.5.2. De snelblussers zijn conform de normen van reeks NBN-EN.3. (draagbare snelblussers). 3.5.3. Het brandblusmateriaal dient zich in een makkelijk te openen muurkast te bevinden. Laatstgenoemde is stevig vastgemaakt op een rode drager op een maximale hoogte van 1 m. 3.5.4. De brandbluseenheden worden opgesteld op nuttige plaatsen op het kampeerterrein in overeenstemming met de territoriaal bevoegde brandweerdienst.

Ze worden gesignaleerd aan de hand van de pictogrammen bepaald in het koninklijk besluit van 17 juni 1997 betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk conform is.

Die signalisatie vermeldt de vlotste weg ernaar toe. 3.5.5. Een brandkraan of-hydrant aangesloten op het openbare waterdistributienet met een debiet van 400 l/min moet beschikbaar zijn in de onmiddellijke omgeving van het kampeerterrein (zo niet wordt een watervoorraad van minstens 20 m3 voorzien). 3.5.6. Voor de terreinen van het type A is de capaciteit van de watervoorraad minstens 10 m3. 3.6. Huishoudelijk reglement 3.6.1. Het huishoudelijk reglement moet op zichtbare wijze aangeplakt worden in het onthaalbureau en bij elke sanitaire installatie. Het wordt in de drie landstalen en in Engels opgesteld. 3.6.2. Dat reglement vermeldt de volgende minimale voorschriften en inlichtingen : - De inlichtingen over de noodprocedures; (evacuatie, waarschuwing, alarm); - het verbod om de voertuigen op de buiten- en binnenwegen te parkeren; - de vergunning om de traditionele barbecues te gebruiken als ze zich op een afstand van minstens 2 m bevinden van elk brandbaar element en als de omgeving voortdurend gemaaid wordt; - het verbod om aanmaakblokjes te gebruiken; - de ligging van de nooduitgangen; - de ligging van het (of de) verzamelpunt(en) buiten het kampeerterrein in geval van incidenten waarbij een evacuatie van het kampeerterrein nodig is.

Dat reglement vermeldt de elementaire voorschriften in geval van evacuatie, waarbij de personen ertoe verzocht worden : - om rustig te blijven; - om de verschillende energievoeding te onderbreken; - om de nooddiensten te verwittigen; - om te proberen de brand te blussen; om het kampeerterrein te verlaten naar gelang van het evacuatieplan.

Dat reglement vermeldt ook de elementaire voorschriften om een brand te voorkomen, zoals bedoeld in hoofdstuk V. 3.6.3. Het plan van de installaties wordt bij de ingang van het kampeerterrein en bij elke sanitaire installatie aangeplakt. Het vermeldt de binnenwegen, de nummering van de parkeerplaatsen, de verkeersrichting, in voorkomend geval, de ligging van de nooduitgangen, van de bluseenheden, van de verbanddoos, de verschillende lokalen die risico's kunnen veroorzaken en de energiebronnen, de ligging van de waarschuwings- en telefonieposten.

Twee exemplaren van dat plan alsmede de beschrijving van het alarmsysteem worden overgemaakt aan de territoriaal bevoegde brandweerdienst. 3.6.4. Het kampeerterrein moet voorzien zijn van een makkelijk te vinden verbanddoos die zich in de ontvangstruimte bevindt, of in het lokaal dat als verpleegpost dienst doet en die overeenstemt met de regelgeving van de Codex over het welzijn op het werk. HOOFDSTUK IV. - Controles en periodiek onderhoud De bepalingen van hoofdstuk II van bijlage 9 zijn van toepassing.

HOOFDSTUK V. - Instructie voor de kampeerders - Hoe kan men brand voorkomen ? De kampeerders worden ertoe verzocht om de hierna vermelde instructie na te leven : - de kleine apparaten, zoals kampeergas, niet zonder toezicht gebruiken; - de goede praktijkcode inzake installatie van vloeibaar gemaakt petroleumgas naleven : - maximum 2 gasflessen voor de bevoorrading van de verschillende toestellen gebruiken; - volle noch lege gasflessen opslaan; - de lengte van de slang die de flessen met de toestellen verbindt, op maximum 2 m beperken; - de slangen voor de erop vermelde verjaringsdatum of in geval van beschadiging (breuk, gebarsten buis..) vervangen; - klembeugels plaatsen bij elk uiteinde van de slang; - alle gasflessen overeind zetten; - tijdens de hantering van de flessen niet roken; - geen verwarmingsapparaten met vaste of vloeibare brandstoffen zonder aansluiting op een externe afvoerleiding conform met regels der kunst gebruiken; - in geval van gebruik van verwarmingstoestellen met vaste of vloeibare brandstoffen zorgen voor de goede ventilatie van de lokalen (buitenlucht); - voor de ventilatie van de douche zorgen; - de verschillende kook- en verwarmingsapparaten onderhouden; - de afzuigkappen regelmatig reinigen; - eventueel over een blusdeken en/of een brandblusser beschikken.

Deze instructies moeten op zichtbare wijze bij de ontvangstruimte aangeplakt worden en aan de kampeerders bij elke nieuwe bewoning van een parkeerplaats overgemaakt worden ».

Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Waalse Regering van 30 april 2009 houdende verschillende maatregelen betreffende toeristische logiesverstrekkende inrichtingen, de kampeer-caravanterreinen en de organisatie van het toerisme.

De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN

Bijlage 3 BIJLAGE 1 3. - INDELINGSROOSTER VAN DE KAMPPLAATSEN Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Waalse Regering van 30 april 2009 houdende verschillende maatregelen betreffende toeristische logiesverstrekkende inrichtingen, de kampeer-caravanterreinen en de organisatie van het toerisme.

De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN Bijlage 4 BIJLAGE 14. - GEGEVENS DIE VERPLICHT VERMELD MOETEN WORDEN IN ELK HUURCONTRACT VAN EEN KAMPPLAATS De verschillende punten, hieronder vermeld, moeten verplicht vermeld worden in elk huurcontract van een kampplaats, namelijk : 1) De volledige personalia van de verhuurder;2) De volledige personalia van de huurder en van de plaatselijke groep waarvoor hij verantwoordelijk is;3) De huurperiodes met de aankomst- en vertrekuren;4) Een beknopte omschrijving van de kampplaats en adres ervan;5) De huurprijs;hij wordt bepaald in één van twee volgende vormen : o het forfaitaire bedrag van de huurprijs bedraagt ......... euro en is bepaald voor de hele duur van de kamp;

OF o de huurprijs bedraagteuro per nacht en per persoon; het geschatte aantal personen aanwezig in de kamp is : .......... (dat getal kan worden herzien op de eerste dag van het kamp met een minimum van .personen); 6) De lasten worden bepaald in één van de volgende twee vormen : o de verwarmings-, gas-, water- en elektriciteitkosten zijn in de huurprijs inbegrepen; OF o de verwarmings-, gas-, water- en elektriciteitkosten zijn niet in de huurprijs inbegrepen en worden tegen kostprijs gefactureerd aan het einde van de huurtermijn; de staat van de meters wordt door de verhuurder en de huurder aan het begin en aan het einde van de huurperiode tegensprekelijk vastgesteld; 7) Het geheel van de andere kosten gebonden aan het verblijf (gemeentelijke verblijflast, kosten van de vuilniszakken,) die de huurder moet betalen;8) De betaalwijzen : o Bedrag van het voorschot, het rekeningnummer waarop het zal worden gestort, de uiterste datum van afzegging van de groep zonder betaling van vergoeding; o De dag waarop het saldo van het huurbedrag zal worden gestort. 9) De volgende vermelding : « Als de verhuurder zijn afgifteplicht verzuimt, moet hij de huurder, naast de terugbetaling van het eventueel gekregen voorschot, een minimale niet-reduceerbare vergoeding betalen die gelijkwaardig is aan - 50 % van de huurprijs als hij er de huurder minstens 4 maanden voor het begin van het huren van verwittigd heeft; - 100 % van de prijs in de andere gevallen.

Als de huurder een hogere schade aantoont, moet de eigenaar hem daarvoor volledig schadeloosstellen.

Dit geldt ook als de huurder zijn plichten niet naleeft. » 10) De verwijzing naar een plaatsbeschrijving in bijlage met de vermelding : « Het geheel van de gehuurde goederen zal door beide partijen teruggeven worden in de staat waarin ze deze hebben gevonden, waarbij de plaatsbeschrijving aan het begin en aan het einde van de huur bewijskracht heeft. De eventuele schade zal uiterlijk op de dag van vertrek van de groep worden vastgesteld. » 11) De handtekeningen van de verhuurder en de huurder alsmede de plaats en de datum van ondertekening van het contract. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Waalse Regering van 30 april 2009 houdende verschillende maatregelen betreffende toeristische logiesverstrekkende inrichtingen, de kampeer-caravanterreinen en de organisatie van het toerisme.

De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN

Bijlage 5 BIJLAGE 15. - INDELINGSNORMEN VOOR de toerisMEverblijven De volgende tabel vermeldt de gegevens die overwogen worden voor de indeling van een toerismeverblijf in één van de vier volgende categorieën (sterren) Elk aangekruist vak duidt de verplichte uitrusting voor de indeling in de overeenstemmende categorie aan Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Waalse Regering van 30 april 2009 houdende verschillende maatregelen betreffende toeristische logiesverstrekkende inrichtingen, de kampeer-caravanterreinen en de organisatie van het toerisme.

De Minister-President, R. DEMOTTE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN

^