Burgerlijk Wetboek
gepubliceerd op 18 januari 2019
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Uittreksel uit arrest nr. 119/2018 van 4 oktober 2018 Rolnummer 6638 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 350, 356-1, tweede lid, en 356-4 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afde Het Grond

bron
grondwettelijk hof
numac
2019200015
pub.
18/01/2019
prom.
--
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

Numac : 2019200015

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 119/2018 van 4 oktober 2018 Rolnummer 6638 In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 350, 356-1, tweede lid, en 356-4 van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters F. Daoût en A. Alen, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier F. Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter F. Daoût, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 17 februari 2017 in zake S.L. tegen O.R. en anderen, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 10 maart 2017, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden artikel 350, artikel 356-1, tweede lid, en artikel 356-4 van het Burgerlijk Wetboek, al dan niet in samenhang gelezen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met andere, supranationale wetsbepalingen zoals het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met name artikel 8 ervan, in zoverre aan de vaststelling van de afstamming van een nadien geadopteerd kind geen ander gevolg toekomt dan de verbodsbepalingen van de artikelen 161 tot 164 van het Burgerlijk Wetboek, dit in tegenstelling tot een dergelijke vaststelling van de afstamming ten aanzien van een niet-geadopteerd natuurlijk kind, waaraan alle gevolgen verbonden zijn van artikel 334 van het Burgerlijk Wetboek, en dat terwijl, vermits volle adoptie in principe en onder voorbehoud van uitzonderingen in de rechtspraak onherroepelijk is, een geadopteerde niet over dezelfde rechten beschikt om aan de op een later tijdstip vastgestelde afstamming dezelfde gevolgen te laten verbinden als een afstamming die is vastgesteld ten aanzien van een niet-geadopteerd natuurlijk kind, zijnde die van artikel 334 van het Burgerlijk Wetboek ? ». (...) III. In rechte (...) B.1. Artikel 334 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « Ongeacht de wijze waarop de afstamming is vastgesteld, hebben de kinderen en hun afstammelingen dezelfde rechten en dezelfde verplichtingen ten opzichte van de ouders en hun bloed- en aanverwanten en hebben de ouders en hun bloed- en aanverwanten dezelfde rechten en dezelfde verplichtingen ten opzichte van de kinderen en hun afstammelingen ».

Artikel 350 bepaalt : « Vaststelling van de afstamming van de geadopteerde ten aanzien van de adoptant of van een van de adoptanten nadat het vonnis van adoptie in kracht van gewijsde is gegaan, maakt vanaf dat tijdstip en voor de toekomst een einde aan de adoptie ten aanzien van die adoptant of van die adoptanten.

Vaststelling van de afstamming van de geadopteerde ten aanzien van een andere persoon dan de adoptant of de adoptanten nadat het vonnis van adoptie in kracht van gewijsde is gegaan, maakt daaraan geen einde.

Indien het om een gewone adoptie gaat, heeft deze afstamming gevolgen voorzover deze niet strijdig zijn met die van de adoptie. Indien het een volle adoptie betreft, heeft die afstamming slechts de toepassing van de verbodsbepalingen inzake het huwelijk bedoeld in de artikelen 161 tot 164 tot gevolg ».

Artikel 356-1 bepaalt : « De volle adoptie verleent aan het kind en zijn afstammelingen een statuut met dezelfde rechten en verplichtingen, als ware het kind geboren uit de adoptant of uit de adoptanten.

Onder voorbehoud van de huwelijksbeletsels omschreven in de artikelen 161 tot 164, houdt het kind dat ten volle is geadopteerd, op tot zijn oorspronkelijke familie te behoren.

Kinderen of adoptieve kinderen van de echtgenoot van de adoptant, van de persoon met wie de adoptant samenwoont of van de voormalige partner van de adoptant, zelfs overleden, houden evenwel niet op te behoren tot de familie van die echtgenoot, van de persoon met wie hij samenwoont of van de voormalige partner. Indien deze nog in leven is, wordt het ouderlijk gezag over de geadopteerde gezamenlijk uitgeoefend door de adoptant en die echtgenoot, persoon met wie hij samenwoont of voormalige partner ».

Artikel 356-4 bepaalt : « Volle adoptie is onherroepelijk.

Herziening is mogelijk overeenkomstig artikel 351 ».

B.2. De prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of de artikelen 350, 356-1, tweede lid, en 356-4 van het Burgerlijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, schenden doordat, « vermits volle adoptie in principe en onder voorbehoud van uitzonderingen in de rechtspraak onherroepelijk is », de vaststelling van de afstamming van een ten volle geadopteerd kind na die adoptie geen ander gevolg heeft dan dat de verbodsbepalingen inzake het huwelijk bedoeld in de artikelen 161 tot 164 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing worden terwijl de vaststelling van de afstamming van een niet-geadopteerd kind alle gevolgen inzake afstamming zoals bedoeld in artikel 334 van het Burgerlijk Wetboek doet ontstaan.

De prejudiciële vraag betreft aldus het verschil in behandeling tussen ten volle geadopteerde kinderen voor wie de vaststelling van de met de biologische werkelijkheid overeenstemmende afstamming van vaderszijde, na de volle adoptie, geen enkel gevolg heeft behoudens de huwelijksbeletselen inzake het huwelijk, en niet-geadopteerde kinderen voor wie de vaststelling van de afstamming van vaderszijde alle gevolgen inzake afstamming heeft, met name op erfrechtelijk vlak.

B.3. De vordering die bij de verwijzende rechter aanhangig is gemaakt, is ingesteld door een meerderjarige die ten volle werd geadopteerd (vroegere benaming : wettiging door adoptie) toen zij minderjarig was en van wie de afstamming van vaderszijde werd vastgesteld ten aanzien van haar biologische vader, na de adoptie en na diens overlijden. De vordering strekt ertoe de eisende partij voor de verwijzende rechter te laten erkennen als erfgename van die laatste.

Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese.

B.4.1. De eisende partij voor de verwijzende rechter voert aan dat de prejudiciële vraag niet pertinent is in zoverre zij artikel 356-1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek beoogt, aangezien haar « oorspronkelijke familie » in de zin van die bepaling die van de eerste echtgenoot van haar moeder is, en niet die van de biologische vader ten aanzien van wie haar afstamming na de adoptie werd vastgesteld.

B.4.2. In de regel komt het de verwijzende rechter die het Hof een vraag stelt toe vast te stellen welke de normen zijn die toepasselijk zijn op het aan hem voorgelegde geschil en, algemener, na te gaan of het antwoord op een prejudiciële vraag nuttig is om dat geschil te beslechten. Enkel wanneer het antwoord klaarblijkelijk niet nuttig is om het geschil te beslechten, met name omdat de in het geding zijnde normen klaarblijkelijk niet erop van toepassing zijn, vermag het Hof te beslissen dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft, wat te dezen niet het geval is.

B.5. In tegenstelling tot hetgeen de eisende partij voor de verwijzende rechter aanvoert, berust het verschil in behandeling tussen de twee categorieën van kinderen die in de prejudiciële vraag worden beoogd niet op het statuut van het kind van wettig of natuurlijk kind, maar op het feit al dan niet ten volle te zijn geadopteerd voordat de met de biologische werkelijkheid overeenstemmende afstamming van vaderszijde werd vastgesteld.

Dat criterium is objectief.

B.6.1. De wettiging door adoptie werd in het Burgerlijk Wetboek ingevoerd bij de wet van 21 maart 1969 « tot wijziging van artikel 45 van het Burgerlijk Wetboek, van de titels VIII en X van boek I van hetzelfde Wetboek, alsmede van de wetten op de verwerving, het verlies en de herkrijging van de nationaliteit, gecoördineerd op 14 december 1932 ». Tijdens de parlementaire voorbereiding werd de opportuniteit om een wettiging door adoptie in te voeren in het Belgische recht uitvoerig besproken.

De Commissie voor de Justitie van de Kamer gaf in dat verband aan : « De leden van de Commissie hebben langdurig de vraag besproken of het wel nuttig is de adoptieve wettiging in onze wetgeving in te voeren.

Sommige leden hebben opgemerkt dat de gevolgen van de gewone adoptie, zoals zij in dit wetsvoorstel zijn uitgewerkt, zeer weinig verschillen van die van de adoptieve wettiging.

Het verschil beperkt zich hiertoe dat bij adoptieve wettiging iedere band tussen het kind en zijn oorspronkelijke familie wordt verbroken, zodat de verplichting tot uitkering van onderhoud en het erfrecht tussen hen wegvallen; tussen het kind en de familie van de adoptanten wordt daarentegen een erfrecht in het leven geroepen.

De Commissie meent niettemin dat het van belang is de adoptieve wettiging in te voeren, omdat deze de volledige gelijkstelling van het kind met een wettig kind met zich brengt » (Parl. St., Kamer, 1961-1962, nr. 436/2, p. 68).

Wat het onherroepelijke karakter van een volle adoptie betreft, gaf de wetgever aan dat het « een gevolg [was] van de toekenning, aan het kind, van het statuut van wettig kind » (ibid., p. 71).

B.6.2. Door het instituut van de wettiging door adoptie te vervangen door dat van de volle adoptie, strekte de wet van 27 april 1987 « tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de adoptie " ertoe discriminatie tussen natuurlijke en wettige kinderen te weren in het perspectief van de hervorming van het afstammingsrecht bij de wet van 31 maart 1987 (Parl. St., Senaat, 1985-1986, nr. 256-2, pp. 4 en 6;

Parl. St., Kamer, 1985-1986, nr. 489/3, p. 2).

B.6.3. Bij de hervorming van de adoptie door de wet van 24 april 2003 « tot hervorming van de adoptie », heeft de wetgever het onderscheid tussen een gewone adoptie en een volle adoptie en het beginsel van de onherroepelijkheid van een volle adoptie behouden. Wat de onherroepelijkheid van een volle adoptie betreft, gaf de wetgever aan dat « vooral adopties ' op proef ' moesten worden voorkomen, en dat onherroepelijkheid een ernstige waarschuwing [vormde] tegen misbruiken ter zake » en dat « de negatieve gevolgen van de onherroepelijkheid (discriminatie tussen ' biologische ' kinderen die kunnen worden geadopteerd en adoptieve kinderen bij wie zulks niet meer mogelijk was) » verdwenen, gelet op de verruimde mogelijkheden voor een ten volle geadopteerd kind om opnieuw te worden geadopteerd (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1366/001 en 50-1357/001, p. 43).

B.7. Bij zijn arrest nr. 13/2010 van 18 februari 2010 oordeelde het Hof betreffende een nagenoeg identieke prejudiciële vraag die was gesteld in een context die vergelijkbaar is met die welke aan de verwijzende rechter wordt voorgelegd : « B.5. Met de regel dat de volle adoptie aan het kind en zijn afstammelingen een statuut met dezelfde rechten en verplichtingen verleent, als ware het kind geboren uit de adoptant of uit de adoptanten, en dat het ten volle geadopteerde kind ophoudt tot zijn oorspronkelijke familie te behoren, onder voorbehoud van de huwelijksbeletsels (artikel 356-1, eerste en tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek), zelfs indien achteraf de afstamming van de geadopteerde ten aanzien van een andere persoon dan de adoptant of de adoptanten wordt vastgesteld (artikel 350, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek), heeft de wetgever, enerzijds, de gelijkstelling met de gewone afstammingsband nagestreefd en, anderzijds, de stabiliteit van de verwantschapsbanden en de gezinsomgeving van de geadopteerde willen waarborgen.

Het verschil in behandeling, wat de gevolgen inzake vaststelling van de afstamming betreft, tussen ten volle geadopteerden en niet-geadopteerden steunt op een objectief criterium, dat relevant is ten aanzien van de voormelde doelstelling.

Aangezien de ten volle geadopteerde een volledige gelijkstelling geniet met de kinderen geboren uit de adoptant of de adoptanten, doen de in het geding zijnde bepalingen geen onevenredige gevolgen ontstaan in zoverre zij hem verhinderen, wanneer de afstamming van de geadopteerde ten aanzien van een andere persoon dan de adoptant of de adoptanten wordt vastgesteld, dezelfde rechten en verplichtingen te hebben als de andere kinderen van de voormelde andere persoon.

Het in de eerste prejudiciële vraag voorgelegde verschil in behandeling is derhalve niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.6. Het onderzoek van de in het geding zijnde bepalingen ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, leidt niet tot een andere conclusie ».

B.8. Uit de in B.6.3 vermelde parlementaire voorbereiding blijkt dat, door in artikel 356-4 van het Burgerlijk Wetboek te bepalen dat de volle adoptie onherroepelijk is, de wetgever de gelijkstelling met de gewone afstammingsband heeft nagestreefd. Die bepaling kan niet los worden gezien van de regel volgens welke alle banden van het geadopteerde kind met zijn oorspronkelijke familie worden verbroken en van het daaruit voor de geadopteerde voortvloeiende risico, in geval van herroeping van de adoptie, om geheel zonder familie te vallen. De onherroepelijkheid van de volle adoptie beoogt dus eveneens de stabiliteit van het statuut van het adoptiekind.

B.9. Om dezelfde redenen als die van het voormelde arrest nr. 13/2010, is het in B.2 vermelde verschil in behandeling redelijk verantwoord.

De omstandigheid dat de vaststelling van de afstamming van een ten volle geadopteerde ten aanzien van diens biologische vader na de volle adoptie geen gevolgen heeft op vermogensrechtelijk vlak en de principiële onherroepelijkheid van de volle adoptie hangen samen met de aard zelf van een volle adoptie, die berust op het beginsel van gelijkstelling van het adoptiekind in de adoptiefamilie volgens het model van de gewone afstamming. Een volle adoptie creëert een band die vergelijkbaar is met die van een afstamming en die de gevolgen van de oorspronkelijke afstammingsband tenietdoet, onder voorbehoud van de huwelijksbeletsels, en komt in de plaats ervan, onder meer op vermogensrechtelijk vlak.

De in het geding zijnde bepalingen doen niet op onevenredige wijze afbreuk aan de rechten van een ten volle geadopteerde aangezien deze, in zijn adoptiefamilie, over eenzelfde erfgerechtigdheid beschikt als de kinderen die zijn geboren uit de adoptant of uit de adoptanten.

B.10. De toetsing aan artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens leidt niet tot een andere conclusie.

Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zijn de kwesties van erfopvolgingen ab intestat tussen naaste bloedverwanten nauw verbonden met het begrip « gezinsleven » (EHRM, 13 juni 1979, Marckx t. België, § § 52-53; 3 oktober 2000, Camp en Bourimi t. Nederland, § 35; 13 januari 2004, Haas t. Nederland, § 43; 13 juli 2004, Pla en Puncernau t. Andorra, § 26).

Uit artikel 8 kan evenwel geen recht worden afgeleid om, met het oog op erfgerechtigdheid, te worden erkend als erfgenaam van een overleden persoon (EHRM, 13 januari 2004, Haas t. Nederland, § 43). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde reeds dat een ten volle geadopteerde in geen enkel opzicht wordt gediscrimineerd wegens de hoedanigheid van zijn afstamming, meer bepaald omdat hij over een afstammingsband beschikt ten aanzien van zijn adoptieouders, met een vermogensrechtelijk en erfrechtelijk belang (EHRM, grote kamer, 13 februari 2003, Odièvre t. Frankrijk, § 56).

B.11. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Ten aanzien van een meerderjarige die ten volle is geadopteerd en wiens afstamming van vaderszijde na de adoptie wordt vastgesteld ten aanzien van zijn overleden biologische vader, schenden de artikelen 350, 356-1, tweede lid, en 356-4 van het Burgerlijk Wetboek niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 4 oktober 2018.

De griffier, F. Meersschaut De voorzitter, F. Daoût


begin


Publicatie : 2019-01-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^