Burgerlijk Wetboek
gepubliceerd op 08 november 2019
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Uittreksel uit arrest nr. 42/2019 van 14 maart 2019 Rolnummer 6795 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2272, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. H samengesteld

bron
grondwettelijk hof
numac
2019204819
pub.
08/11/2019
prom.
--
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

Numac : 2019204819

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 42/2019 van 14 maart 2019 Rolnummer 6795 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2272, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en F. Daoût, en de rechters L. Lavrysen, J.-P. Snappe, E. Derycke, P. Nihoul en T. Giet, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 6 december 2017 in zake F.D. tegen de opdrachthoudende vereniging « Iverlek », waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 18 december 2017, heeft de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Is het onderscheid op het gebied van de éénjarige verjaring als bedoeld door artikel 2272, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek tussen kooplieden wegens de levering van koopwaren, en in het bijzonder de levering van energie aan huishoudelijke consumenten, en een opdrachthoudende vereniging zoals Iverlek wegens de levering van koopwaren, en in het bijzonder de levering van energie aan huishoudelijke consumenten, omdat deze laatste handelt in het kader van een openbare dienstverlening, discriminerend ? ». (...) III. In rechte (...) B.1. Artikel 2272 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « De rechtsvordering van gerechtsdeurwaarders tot betaling van hun loon voor de akten die zij betekenen, en voor de opdrachten die zij uitvoeren;

Die van kooplieden, wegens de koopwaren die zij verkopen aan personen die geen koopman zijn;

Die van kostschoolhouders, tot betaling van het kostgeld van hun leerlingen; en van andere meesters, tot betaling van het leergeld;

Die van dienstboden die zich bij het jaar verhuren, tot betaling van hun loon, verjaren door verloop van een jaar ».

B.2. Artikel 2272 van het Burgerlijk Wetboek voert een korte verjaringstermijn van één jaar in voor sommige rechtsvorderingen, waaronder die van kooplieden, wegens de koopwaren die zij verkopen aan personen die geen koopman zijn. Die bepaling wijkt af van artikel 2262bis van hetzelfde Wetboek, op grond waarvan alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar.

De korte verjaringstermijn is gebaseerd op een vermoeden van betaling en wordt gemotiveerd door het feit dat van het ontstaan en de kwijting van dergelijke schulden doorgaans geen geschrift wordt opgesteld. Op grond van artikel 2274, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek houdt de verjaring op te lopen, « indien er een afgesloten rekening, een onderhandse of authentieke schuldbekentenis bestaat, ofwel een dagvaarding voor het gerecht, waarop geen verval van instantie is gevolgd ».

Aangezien de korte verjaringstermijn afwijkt van de algemene regel dient artikel 2272, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek beperkend te worden geïnterpreteerd.

B.3. De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of die bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in zoverre zij van toepassing is op kooplieden die energie leveren aan huishoudelijke consumenten (commerciële leveranciers), doch niet op opdrachthoudende verenigingen, zoals Iverlek, die eveneens energie leveren aan huishoudelijke consumenten (sociale leveranciers).

De opdrachthoudende vereniging is één van de vormen van een samenwerkingsverband met rechtspersoonlijkheid waarin het decreet van het Vlaamse Gewest van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking voorziet (artikel 12, § 2, 3°).

B.4.1. De Ministerraad werpt op dat de prejudiciële vraag niet nuttig is voor de oplossing van het geschil omdat het om periodieke schulden gaat. Die zouden niet onder het toepassingsgebied van artikel 2272, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek vallen, maar onder artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek. Hij verwijst daarvoor naar de rechtspraak van het Hof, alsook naar de wet van 6 juli 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/07/2017 pub. 24/07/2017 numac 2017030652 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie sluiten « houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijk recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie » die het voormelde artikel 2277 heeft gewijzigd.

B.4.2. In de regel komt het de verwijzende rechter toe te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft.

B.4.3. Artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt : « Termijnen van altijddurende renten en van lijfrenten;

Die van uitkeringen tot levensonderhoud;

Huren van huizen en pachten van landeigendommen;

Interesten van geleende sommen, en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen, Verjaren door verloop van vijf jaren ».

B.4.4. Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn arresten nrs. 1/2004, 15/2005, 13/2007, 147/2008, 6/2011, 40/2014 en 39/2016, wordt de kortere verjaringstermijn waarin artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek voorziet, verantwoord door de bijzondere aard van de schuldvorderingen die hij beoogt : het gaat erom, wanneer de schuld betrekking heeft op schuldvorderingen die « bij het jaar of bij kortere termijnen » betaalbaar zijn, ofwel de schuldenaars te beschermen en de schuldeisers tot bekwame spoed aan te zetten, ofwel te vermijden dat het totaalbedrag van de periodieke schuldvorderingen voortdurend aangroeit. De kortere verjaringstermijn maakt het ook mogelijk de schuldenaars te beschermen tegen de opeenstapeling van periodieke schulden die, na verloop van tijd, een aanzienlijke schuld zouden kunnen worden.

Uit het verwijzingsvonnis blijkt evenwel dat het te dezen geen periodieke schulden betreft. De appellant voor de verwijzende rechter betwist het bestaan van de schulden omdat zijn gasverbruik onderworpen is aan een budgetmeter en dus vooraf werd betaald.

B.4.5. Bij de wet van 6 juli 2017Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/07/2017 pub. 24/07/2017 numac 2017030652 bron federale overheidsdienst justitie Wet houdende vereenvoudiging, harmonisering, informatisering en modernisering van bepalingen van burgerlijke recht en van burgerlijk procesrecht alsook van het notariaat, en houdende diverse bepalingen inzake justitie sluiten werd het volgende lid toegevoegd aan artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek : « Schuldvorderingen wegens levering van goederen en diensten via distributienetten voor water, gas of elektriciteit of de levering van elektronische communicatiediensten of omroeptransmissie- en omroepdiensten via elektronische communicatienetwerken verjaren na verloop van vijf jaren ».

Uit de parlementaire voorbereiding van die bepaling blijkt dat de vijfjarige verjaringstermijn ook van toepassing is op distributienetbeheerders die optreden in het kader van een openbare dienstverplichting (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2259/001, p. 26).

De voormelde wetswijziging is evenwel pas op 3 augustus 2017 in werking getreden, zodat zij niet van toepassing is op het geschil voor de verwijzende rechter.

B.4.6. De exceptie van de Ministerraad is niet gegrond.

B.5. Bij zijn arrest nr. 88/2007 van 20 juni 2007 heeft het Hof naar aanleiding van een soortgelijke vraag onderzocht of artikel 2272, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek discriminerend is, in zoverre een autonoom overheidsbedrijf zoals de nv « Belgacom » niet zou kunnen worden beschouwd als koopman in de zin van die bepaling en zijn rechtsvorderingen voor de levering van koopwaren onderworpen zouden zijn aan de gemeenrechtelijke verjaringstermijn.

Het Hof heeft bij dat arrest geoordeeld : « B.5. Het aldus door de verwijzende rechter vermelde verschil in behandeling tussen schuldeisers met betrekking tot hun rechtsvorderingen wegens de levering van koopwaren, berust op een objectief criterium, namelijk de hoedanigheid van de schuldeiser, naargelang die een privaatrechtelijk persoon is, dan wel een autonoom overheidsbedrijf.

B.6. Het onderscheid tussen privaatrechtelijke personen en autonome overheidsbedrijven is evenwel niet pertinent in het licht van de doelstelling vermeld in B.3.

De enkele omstandigheid dat het gaat om een autonoom overheidsbedrijf, volstaat niet om de onderneming als dusdanig uit te sluiten van de toepassing van de korte verjaringstermijn. Op grond van artikel 8 van de wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/1991 pub. 09/01/2013 numac 2012000673 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 21/03/1991 pub. 18/01/2016 numac 2015000792 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, worden de handelingen van een autonoom overheidsbedrijf als daden van koophandel aangemerkt. Dat een dergelijk bedrijf ook publieke taken uitvoert, doet geen afbreuk aan het feit dat het vermoeden van betaling evenzeer kan worden aanvaard voor zijn rechtsvorderingen die betrekking hebben op de door dat bedrijf gestelde handelingen die de levering van ' koopwaren ' betreffen.

B.7. Aldus geïnterpreteerd dat het niet van toepassing is op de rechtsvorderingen van een autonoom overheidsbedrijf voor de levering van ' koopwaren ' aan personen die geen koopman zijn, voert artikel 2272, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek een verschil in behandeling in dat niet redelijk is verantwoord.

In die interpretatie van de in het geding zijnde bepaling dient de eerste prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.

B.8. Het Hof stelt evenwel vast dat artikel 2272, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek anders kan worden geïnterpreteerd. Rekening houdend met het feit dat, krachtens artikel 8 van de voormelde wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/1991 pub. 09/01/2013 numac 2012000673 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 21/03/1991 pub. 18/01/2016 numac 2015000792 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten, de handelingen van een autonoom overheidsbedrijf als daden van koophandel worden bestempeld, kan de in het geding zijnde bepaling immers in die zin worden geïnterpreteerd dat zij van toepassing is op de rechtsvorderingen van een autonoom overheidsbedrijf voor de levering van ' koopwaren ' aan personen die geen koopman zijn, zodat zij geen verschil in behandeling teweegbrengt.

In die interpretatie van de in het geding zijnde bepaling dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord ».

B.6. Iverlek is evenwel geen autonoom overheidsbedrijf, zodat de voormelde redenering niet zonder meer kan worden overgenomen.

Zoals in B.3 is vermeld, is Iverlek een opdrachthoudende vereniging.

Dat is « een samenwerkingsverband met beheersoverdracht waaraan de deelnemende gemeenten de uitvoering van een of meer duidelijk omschreven bevoegdheden met betrekking tot een of meer beleidsdomeinen toevertrouwen » (artikel 12, § 2, 3°, van het voormelde decreet van 6 juli 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 06/07/2001 pub. 31/10/2001 numac 2001035984 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de intergemeentelijke samenwerking sluiten houdende de intergemeentelijke samenwerking).

Iverlek is aangeduid als beheerder van de distributienetten voor elektriciteit en aardgas voor het grondgebied van de aangesloten gemeenten. De distributienetbeheerder staat onder meer in voor het beheer en onderhoud van een veilig, betrouwbaar en efficiënt net en voor de nodige ondersteunende diensten (artikel 4.1.6, 1°, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 8 mei 2009 houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid).

Hoewel de activiteiten van een opdrachthoudende vereniging in de regel van economische aard zijn, hebben hun verbintenissen geen handelskarakter (artikel 11, tweede lid, van het voormelde decreet van 6 juli 2001Relevante gevonden documenten type decreet prom. 06/07/2001 pub. 31/10/2001 numac 2001035984 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de intergemeentelijke samenwerking sluiten houdende de intergemeentelijke samenwerking).

B.7. Een distributienetbeheerder mag geen activiteiten ondernemen inzake de levering van elektriciteit en aardgas, tenzij voor de levering ervan in het kader van een openbaredienstverplichting die op grond van dit decreet is opgelegd (artikel 4.1.7 van het voormelde decreet van 8 mei 2009Relevante gevonden documenten type decreet prom. 08/05/2009 pub. 07/07/2009 numac 2009035580 bron vlaamse overheid Decreet houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid sluiten houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid).

Die verplichting tot levering van energie ontstaat wanneer een reguliere leverancier zijn contract met een huishoudelijke afnemer opzegt wegens wanbetaling. Zij bestaat erin dat de distributienetbeheerder de huishoudelijke afnemer vanaf de afloop van de opzeggingstermijn verder van elektriciteit of van aardgas voorziet, tenzij die afnemer uiterlijk acht kalenderdagen voor het einde van de opzeggingstermijn een leveringscontract met een nieuwe leverancier heeft gesloten, dat ingaat vanaf het einde van de opzeggingstermijn (artikel 5.2.3, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 19/11/2010 pub. 14/12/2010 numac 2010035927 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van diverse bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en van het bes type besluit van de vlaamse regering prom. 19/11/2010 pub. 13/01/2011 numac 2010035951 bron vlaamse overheid Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne wat betreft de normering van vast en tijdelijk opgestelde zendantennes voor elektromagnet sluiten houdende algemene bepalingen over het energiebeleid).

De openbaredienstverplichting beoogt op die manier, door tegemoet te komen aan een basisbehoefte, voor eenieder het recht te waarborgen om een menswaardig leven te leiden.

B.8. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat een distributienetbeheerder geen koopman is in de zin van artikel 2272, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek wanneer hij aan een openbaredienstverplichting voldoet.

B.9. In sociaaleconomische aangelegenheden beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid.

Aangezien de in het geding zijnde bepaling in essentie ertoe strekt het handelsverkeer vlotter te laten verlopen, is het eruit voortvloeiende onderscheid, wat de verjaring van hun schuldvorderingen betreft, tussen kooplieden die energie leveren aan huishoudelijke consumenten (commerciële leveranciers) en opdrachthoudende verenigingen die energie leveren aan huishoudelijke consumenten in het kader van een openbaredienstverplichting (sociale leveranciers) en hun respectieve schuldenaars, niet zonder redelijke verantwoording.

B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 2272, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, op 14 maart 2019.

De griffier, P.-Y. Dutilleux De voorzitter, A. Alen


begin


Publicatie : 2019-11-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^