Decreet van 10 november 2004
gepubliceerd op 02 december 2004
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Decreet tot invoering van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten, tot oprichting van een « Fonds wallon Kyoto » en betreffende de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto (1)

bron
ministerie van het waalse gewest
numac
2004203609
pub.
02/12/2004
prom.
10/11/2004
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

10 NOVEMBER 2004. - Decreet tot invoering van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten, tot oprichting van een « Fonds wallon Kyoto » (Waals Kyotofonds) en betreffende de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto (1)


De Waalse Gewestraad heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Algemeenheden en begripsomchrijving Afdeling 1. - Toepassingsgebied

Artikel 1.Dit decreet is van toepassing op de broeikasgasemissies in de atmosfeer van door de Regering bepaalde installaties en activiteiten. Bij dit decreet wordt een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten vastgelegd teneinde de emissies van broeikasgassen op een kosteneffectieve en economisch efficiënte wijze te verminderen. Afdeling 2. - Begripsomchrijving

Art. 2.1° emissierecht : overeenkomstig de bepalingen van dit decreet overdraagbaar recht om, uitsluitend teneinde aan de eisen van dit decreet te voldoen, gedurende een bepaalde periode één ton kooldioxide-equivalent uit te stoten; 2° broeikasgassen : a) kooldioxide (CO2);b) methaan (CH4);c) distikstofoxide (N2O);d) onvolledig gehalogeneerde fluorkoolwaterstoffen (HFK's);e) perfluorkoolwaterstoffen (PFK's);f) zwavelhexafluoride (SF6);3° gespecificeerde broeikasgassen : broeikasgassen bedoeld door de Regering overeenkomstig bijlage I bij Richtlijn 2003/87/EG van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG;4° nieuwkomer : is voor een gegeven referentieperiode een nieuwkomer in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten : a) elke inrichting waar één of meer activiteiten of installaties met gespecificeerde broeikasgassen plaatsvinden die niet opgenomen zijn in het Waals gewestelijk toewijzingsplan meegedeeld aan de Europese commissie krachtens artikel 3, § 7, en die een milieuvergunning heeft verkregen met betrekking tot deze gespecificeerde broeikasgasemissies nadat het gewestelijk toewijzingsplan aan de Commissie is meegedeeld;b) elke inrichting waar één of meer activiteiten of installaties met gespecificeerde broeikasgassen plaatsvinden die opgenomen zijn in het toewijzingsplan meegedeeld aan de Europese commissie krachtens artikel 3, § 7, die, hetzij een milieuvergunning heeft verkregen met betrekking tot deze gespecificeerde broeikasgasemissies wegens een verandering in de aard of de werking van de installatie of wegens een uitbreiding van de installatie die zijn gespecificeerde broeikasgasemissies duidelijk verhoogd heeft in verhouding tot diegene die gediend hebben voor de bepaling van de initiële toewijzing, nadat het toewijzingsplan aan de Commissie is meegedeeld, hetzij waarvoor een verbouwing of uitbreiding, opgenomen door de exploitant in het register bedoeld in artikel 10, § 2, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, een duidelijke verhoging van deze gespecificeerde broeikasgasemissies met zich meebrengt ten opzichte van diegene die gediend hebben voor de bepaling van de initiële toewijzing, nadat het toewijzingsplan aan de Commissie is meegedeeld;5° ton koolstofdioxide-equivalent : een metrische ton koolstofdioxide (CO2) of een hoeveelheid van één van de andere in bijlage II genoemde broeikasgassen met een gelijkwaardig aardopwarmingsvermogen;6° referentieperiode : periode van vijf jaar die onder dit toewijzingsplan valt, met uitzondering van de eerste referentieperiode die drie jaar bestrijkt en die van 1 januari 2005 tot 31 december 2007 loopt;7° rapportage van de broeikasgasemissies : handeling waarbij elke exploitant van een inrichting de gespecificeerde broeikasgasemissies van de inrichting tijdens elk kalenderjaar na afloop van bedoeld jaar meedeelt aan de technisch ambtenaar bedoeld in het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en aan de door de Regering aan te wijzen dienst of instelling;8° persoon : publiek- of privaatrechtelijke natuurlijke persoon of rechtspersoon;9° derde land : land dat niet lid is van de Europese Unie en dat lid is van het Protocol van Kyoto;10° gastland : land waar investeringen worden gedaan in het kader van de flexibiliteitmechanismen;11° Protocol van Kyoto : Protocol bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, opgesteld te Kyoto, op 11 december 1997, en waarmee de Waalse Gewestraad heeft ingestemd bij decreet van 21 maart 2002; 12° R.V.N.K.V. : het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering; 13° partij bedoeld in bijlage I van de R.V.N.K.V. : een partij van bijlage I bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering die het Protocol van Kyoto heeft goedgekeurd zoals bepaald in artikel 1, § 7, van dit protocol; 14° projectactiviteit : projectactiviteit goedgekeurd door één of meerdere partijen bedoeld in bijlage I bij de R.V.N.K.V. overeenkomstig artikel 6 (project uitgevoerd krachtens de gemeenschappelijke uitvoering - JI) of artikel 12 (project uitgevoerd krachtens het mechanisme voor schone ontwikkeling - CDM) van het Protocol van Kyoto en de beslissingen goedgekeurd overeenkomstig de R.V.N.K.V of het Protocol van Kyoto; 15° eenheid van toegewezen hoeveelheid (E.T.) : eenheid vastgelegd overeenkomstig artikel 3, § 7, van het Protocol van Kyoto en de beslissingen goedgekeurd overeenkomstig de R.V.N.K.V. of het Protocol van Kyoto; 16° emissieverminderende eenheid (EVE) : eenheid verleend overeenkomstig artikel 6 van het Protocol van Kyoto en de beslissingen goedgekeurd overeenkomstig de R.V.N.K.V. of het Protocol van Kyoto; 17° gecertificeerde emissiereductie (GER) : eenheid verleend overeenkomstig artikel 12 van het Protocol van Kyoto en de beslissingen goedgekeurd overeenkomstig de R.V.N.K.V. of het Protocol van Kyoto; 18° eenheid van verwijderingen per put : eenheid opgemaakt of verleend overeenkomstig de artikelen 3.3. en 3.4. van het Protocol van Kyoto en de beslissingen goedgekeurd overeenkomstig de R.V.N.K.V. of het Protocol van Kyoto; 19° put : een proces, activiteit of mechanisme, natuurlijk of kunstmatig, waardoor een broeikasgas, een aërosol of een voorloper van een broeikasgas uit de atmosfeer wordt verwijderd;20° emissierecht : eenheid van de toegewezen hoeveelheid, emissieverminderende eenheid, gecertificeerde emissiereductie, eenheid van verwijderingen per put, uitsluitend teneinde aan de eisen van het Protocol van Kyoto en van dit decreet te voldoen en overeenkomstig de bepalingen van het protocol van Kyoto, van diens goedgekeurde beslissingen en dit decreet overdraagbaar; 21° flexibiliteitsmechanismen : mechanisme van vermindering van de broeikasgassen met als doel de partijen bedoeld in bijlage I bij de R.V.N.K.V. te helpen hun emissiedoelstellingen op kostenbesparende wijze te halen; 22° mechanisme van gemeenschappelijke uitvoering (JI) : flexibiliteitsmechanisme waarmee een partij kan investeren in de projecten tot stand gebracht in de landen opgenomen in bijlage I bij de R.V.N.K.V. om de broeikasgasemissies in het gastland te verminderen of de verwijdering ervan via koolstofputten te verhogen; 23° mechanismen voor schone ontwikkeling (CDM) : flexibiliteitsmechanisme waarmee een partij bedoeld in bijlage I bij de R.V.N.K.V. kan investeren in een land dat niet opgenomen is in bijlage I bij de R.V.N.K.V om de investeringen inzake de vermindering van broeikasgasemissies en een duurzame ontwikkeling van de ontwikkelingslanden te stimuleren; 24° bevoegde overheid : in de zin van artikel 21 is de bevoegde overheid in eerste instantie het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu, vertegenwoordigd door zijn directeur-generaal.De bevoegde overheid in beroep is de Minister van Leefmilieu. HOOFDSTUK II. - Regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten Afdeling 1. - Waals toewijzingsplan voor de broeikasgasemissierechten

Art. 3.§ 1. De Regering werkt een Waals toewijzingsplan uit voor elke referentieperiode, met inachtneming van het Samenwerkingsakkoord van 14 november 2002 betreffende het opstellen, het uitvoeren en het opvolgen van een Nationaal Klimaatplan, alsook het rapporteren, in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake Klimaatverandering en het Protocol van Kyoto.

Dit plan bepaalt de totale hoeveelheid emissierechten die de Regering zal toewijzen tijdens de in overweging genomen referentieperiode en de wijze waarop ze worden toegekend.

Voor de tweede referentieperiode en voor de latere referentieperiodes bepaalt dit plan het percentage van het aan elke installatie toegekende emissierecht waarbij de exploitanten de GE en de EVE in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten kunnen gebruiken overeenkomstig de bepalingen van artikel 8.

Dit plan berust op objectieve en transparante criteria, met name die vermeld in bijlage III. § 2. De totale hoeveelheid toe te wijzen emissierechten voor de referentieperiode wordt bepaald met inachtneming van o.a. : 1° de internationale verbintenissen van de Belgische staat inzake broeikasgasemissies en de verbintenis van het Gewest ten gevolge van de verdeling van de internationale verbintenissen binnen de Staat;2° het globaal relatief aandeel van de gespecificeerde broeikasgasemissies afkomstig van de installaties en activiteiten aangewezen door de Regering in de totale broeikasgasemissies in het Waalse Gewest;3° de vooruitzichten van de evolutietrend van broeikasgasemissies in elke activiteitssector;4° de technische en economische mogelijkheden tot vermindering van de emissies van elke activiteitensector die gespecificeerde broeikasgassen uitstoot, meer bepaald diegene vastgelegd bij milieuovereenkomsten bedoeld in het decreet van 20 december 2001 betreffende de milieuovereenkomsten;5° de vooruitzichten voor de oprichting, uitbreiding of stopzetting van de door de Regering aangewezen installaties en activiteiten die gespecificeerde broeikasgassen uitstoten;6° de noodzaak om te beschikken over een reserve aan emissierechten die bestemd is voor nieuwkomers. § 3. Het plan bevat de lijst met de door de Regering aangewezen installaties en activiteiten die gespecificeerde broeikasgassen uitstoten en bepaalt de in overweging genomen verdeling van emissierechten die aanvankelijk worden toegewezen aan deze installaties en activiteiten.

Deze verdeling : 1° wordt uitgevoerd overeenkomstig een billijkheidsprincipe;2° leidt niet tot hogere toewijzingen dan diegene die naar alle waarschijnlijkheid noodzakelijk zijn voor de toepassing van de toewijzingscriteria;3° houdt rekening met de noodzaak om nieuwkomers toegang tot de emissierechten te verlenen;4° houdt rekening met de oriëntaties voor de tenuitvoerlegging van criteria, uitgewerkt door de Europese commissie overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad. § 4. Het plan bevat informatie over het beheer van de emissierechtenreserves, namelijk diegene die bestemd zijn voor nieuwkomers. § 5. Voor de eerste referentieperiode zal de Regering 100 % van de emissierechten kosteloos toewijzen.

Voor de tweede referentieperiode zal de Regering 90 % van de emissierechten kosteloos toewijzen.

Voor de latere referentieperiodes zal de Regering het minimale percentage kosteloos toe te wijzen emissierechten bepalen.

Het plan bevat informatie over de toewijzingsmodaliteiten van de emissierechten onder bezwarende titel. § 6. De Regering bepaalt de modaliteiten voor het opstellen en inkijken van het plan, waaronder de verspreiding op de internetsite van de dienst die zij aanwijst.

Het plan houdt rekening met de gemaakte opmerkingen. § 7. Het plan wordt door de Regering in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt en aan de Europese Commissie en de andere lidstaten meegedeeld.

Vanaf 1 januari 2008 wordt het plan ten minste achttien maanden vóór de aanvang van bedoelde periode meegedeeld. § 8. De opmerkingen geformuleerd door de Europese Commissie worden in geheel of gedeeltelijk opgenomen in het plan van de Regering. De wijzigingen voorgesteld door de Regering worden meegedeeld aan de Europese Commissie. Afdeling 2. - Toewijzing, verlening en beheer van de

broeikasgasemissierechten

Art. 4.§ 1. Op basis van het gewestelijk toewijzingsplan bepaalt de Regering voor de eerste referentieperiode de totale hoeveelheid emissierechten die voor deze periode worden toegewezen.

Daarna beslist zij volgens de procedure die zij bepaalt over de aanvankelijke toewijzing van deze emissierechten aan de exploitant van elke inrichting met één of meerdere installaties of activiteiten die gespecificeerde broeikasgassen uitstoten.

Zij bepaalt ook de modaliteiten voor het beheer van de emissierechtenreserves. § 2. Wat de latere referentieperiodes betreft : 1° als de Europese Commissie het gewestelijke toewijzingsplan aanvaardt, beslist de Regering minstens twaalf maanden vóór het begin van de referentieperiode van het plan en op basis daarvan, over de totale hoeveelheid emissierechten die zij toewijst voor deze periode, alsook over de verdeling van de emissierechten aanvankelijk kosteloos toegekend onder de exploitanten van de inrichtingen met installaties of activiteiten die gespecificeerde broeikasgassen uitstoten waarop het plan betrekking heeft;2° na de goedkeuring van het toewijzingsplan, beslist de Regering volgens de procedure die zij bepaalt over de aanvankelijke toewijzing van deze emissierechten aan de exploitant van elke inrichting met één of meerdere installaties of activiteiten die gespecificeerde broeikasgassen uitstoten;3° de Regering bepaalt ook de modaliteiten voor het beheer van de emissierechtenreserves;4° als de Europese Commissie het gewestelijk toewijzingsplan voor een bepaalde referentieperiode niet aanvaard heeft, bepaalt de Regering een aangepaste termijn om het in 1° bedoelde besluit te nemen. § 3. De Regering kan de modaliteiten voor de uitvoering van de bepalingen van dit artikel vastleggen.

Art. 5.Voor elk jaar van de referentieperiode bepaalt de Regering het gedeelte van de totale hoeveelheid emissierechten die zij aanvankelijk aan de exploitanten van de inrichtingen zal toewijzen. Deze emissierechten worden uiterlijk 28 februari van elk jaar van de referentieperiode aan de exploitanten verleend.

De Regering kan de beslissing tot kosteloze verlening van de emissierechten intrekken of wijzigen per schijf van een jaar wat betreft het of de overblijvende jaren van bedoelde referentieperiode in geval van : 1° definitieve stopzetting van de exploitatie van een inrichting;2° stopzetting van de exploitatie van een installatie of een activiteit gedurende minstens twee jaar;3° aanzienlijke wijziging waardoor een installatie of een activiteit niet meer onder de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten valt;4° verval van de milieuvergunning. De krachtens het vorig lid niet verleende emissierechten worden toegevoegd aan de emissierechtenreserve die voor nieuwkomers bestemd is.

De Regering kan de modaliteiten voor de uitvoering van dit artikel bepalen.

Art. 6.§ 1. De exploitant kan beroep instellen tegen de beslissingen bedoeld in artikel 4, § 1, tweede lid, en in artikel 5.

Het beroep tegen de beslissing bedoeld in artikel 5, tweede lid, is opschortend voor de omstreden beslissing. § 2. Op straffe van onontvankelijkheid wordt het beroep bij ter post aangetekend schrijven met bericht van ontvangst aan de in § 3 omschreven adviescommissie gericht of tegen ontvangbewijs afgegeven binnen een termijn van twintig dagen na ontvangst van de beslissing of, bij gebrek aan beslissing, vanaf de dag volgend op de termijn waarover de bevoegde overheid beschikt om haar beslissing te versturen. § 3. Er wordt een adviescommissie inzake beroep ingesteld.

De commissie bestaat uit : 1° een voorzitter met minstens vijf jaar ervaring in de magistratuur;2° twee personen bevoegd in de besproken aangelegenheden;3° één vertegenwoordiger van de Minister van Leefmilieu;4° één vertegenwoordiger van de Minister van Economie. De Regering wijst voor elk gewoon lid een plaatsvervangend lid aan. De vervangende voorzitter en de vervangende leden hebben zitting in geval van verhindering van de gewone voorzitter of het gewone lid die (dat) ze vervangen. Elk mandaat loopt vijf jaar. Indien een mandaat komt open te staan vóór het verstrijken van de geldigheidsduur, wordt de opvolger voor de overblijvende looptijd van het mandaat aangewezen.

De commissie beraadslaagt enkel op geldige wijze indien de voorzitter of diens plaatsvervanger en twee gewone of plaatsvervangende leden, waaronder minstens één met technische vaardigheden en één met ervaring in de besproken aangelegenheden, aanwezig zijn. Onthouding is niet toegelaten. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

De voorzitter en de overige commissieleden zijn gehouden tot geheimhouding van de beslissingen en tot vertrouwelijkheid van de tijdens hun opdracht ontvangen informatie.

De commissie wordt bijgestaan door een secretaris en twee adjunct-secretarissen, die de Regering aanwijst.

De Regering bepaalt de modaliteiten voor de indiening en de behandeling van de beroepen. § 4. De adviescommissie bezorgt de verzoeker en de Regering binnen tien dagen na ontvangst van het beroep een bericht van ontvangst met de datum van de hoorzitting bedoeld in het tweede lid.

De verzoeker en de afgevaardigde van de Regering worden binnen dertig dagen na ontvangst van het beroep verzocht voor de commissie te verschijnen.

De commissie stelt proces-verbaal van de hoorzitting op en brengt binnen vijftien dagen advies uit aan de bevoegde overheid. Bij gebreke daarvan wordt de procedure voortgezet.

De Regering stuurt haar beslissing aan de verzoeker binnen negentig dagen na ontvangst van het beroep.

Indien de beslissing van de Regering niet verstuurd wordt, wordt de in eerste instantie genomen beslissing bevestigd.

Art. 7.§ 1. Elke persoon mag emissierechten bezitten.

De emissierechten kunnen worden overgedragen tussen personen die beschikken over een rekening in een register : 1° op het grondgebied van de Europese Unie; 2° op het grondgebied van de Europese Unie en diegenen die beschikken over een register in derde landen op voorwaarde dat de emissierechten het voorwerp uitmaken van een wederzijdse erkenning met deze derde landen, overeenkomstig artikel 12, § 3, van bovengenoemde Richtlijn 2003/87/E.G. § 2. De emissierechten verleend binnen de Europese Unie krachtens toewijzingsplannen goedgekeurd overeenkomstig bovengenoemde richtlijn en de verleende emissierechten in derde landen die het voorwerp hebben uitgemaakt van een wederzijdse erkenning worden automatisch erkend voor de nakoming van de verplichtingen van de exploitanten, overeenkomstig § 3. § 3. De emissierechten blijven geldig tijdens de hele referentieperiode waarvoor ze werden toegewezen voor zover ze niet ingeleverd of geannuleerd werden. § 4. De exploitant van een inrichting met één of meer door de Regering aangewezen installaties of activiteiten en die gespecificeerde broeikasgassen uitstoten levert jaarlijks uiterlijk 30 april op basis van een nagekeken rapportage van broeikasgasemissies bij de Regering de hoeveelheid emissierechten in die gelijk is aan de gespecificeerde emissies van die inrichting gedurende het voorgaande kalenderjaar.

De exploitant bezorgt de Regering jaarlijks uiterlijk 30 april een verslag waarin de wijze waarop hij zijn gespecificeerde broeikasgasemissies heeft beheerd, wordt omschreven. § 5. De Regering annuleert vier maanden na het begin van de nieuwe referentieperiode de emissierechten van de vorige referentieperiode die niet meer geldig zijn en die niet overeenkomstig § 3 ingeleverd of geannuleerd zouden zijn.

Vanaf de periode die op 1 januari 2013 ingaat, verleent de Regering emissierechten aan personen voor de lopende termijn ter vervanging van emissierechten van de vorige referentieperiode die zij bezaten en die krachtens het eerste lid zijn geannuleerd. § 6. De Regering kan steeds emissierechten annuleren op verzoek van de persoon die ze bezit. § 7. De Regering kan de modaliteiten voor de toepassing van dit artikel bepalen.

Art. 8.§ 1. Onder voorbehoud van § 3, kan de Regering op verzoek van een exploitant de toelating geven om gebruik te maken van de GER en EVE die voortvloeien uit projectactiviteiten in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten ten einde aan de in artikel 7, § 4, bedoelde verplichting te voldoen. Er wordt onmiddellijk een emissierecht verleend en ingeleverd door de Regering in ruil voor een GER of en EVE waarover deze exploitant beschikt volgens het register. § 2. Voor de eerste referentieperiode mogen uitsluitend de GER worden gebruikt. De Regering annuleert de GER ingeruild tegen emissierechten geldig tijdens de eerste referentieperiode. § 3. Onverminderd artikel 16 mogen alle GER en EVE die overeenkomstig de R.V.N.K.V., het protocol van Kyoto en de in dat kader later genomen beslissingen verleend en gebruikt kunnen worden, gebruikt worden in de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten, met uitzondering van die betreffende de volgende projectactiviteiten : 1° de kerninstallaties voor de twee eerste referentieperiodes overeenkomstig de R.V.N.K.V., het protocol van Kyoto en de in dat kader later genomen beslissingen; 2° het landgebruik, de veranderingen van landbestemmingen en de bosbouw die niet ingedeeld zijn bij die welke de Regering geschikt acht. § 4. De Regering kan de modaliteiten voor de toepassing van dit artikel bepalen. Afdeling 3. - Verificatie van de rapportage

Art. 9.§ 1. De door de exploitant overgemaakte rapportage van de gespecificeerde broeikasgasemissies wordt jaarlijks nagekeken, overeenkomstig de criteria bepaald in bijlage II. § 2. De Regering wijst de verificateur(s) aan volgens een procedure die zij bepaalt.

Art. 10.§ 1. De verificateur maakt zijn verslag over aan de door de Regering aan te wijzen dienst of instelling. § 2. De dienst of de instelling beslist op basis van het verslag van de verificateur of de rapportage bevredigend is. Vóór 31 maart van hetzelfde jaar informeert hij de exploitant, de Regering, de technisch ambtenaar, zoals bedoeld in het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, en de persoon die verantwoordelijk is voor het bijhouden van het register bedoeld in artikel 11. § 3. Als de rapportage van de gespecificeerde broeikasgasemissies niet binnen de door de Regering vastgelegde termijn wordt overgemaakt of als de dienst of de instelling beslist dat de rapportage niet bevredigend is, geeft de dienst of de instelling de exploitant, de Regering of de technisch ambtenaar, zoals bedoeld in het decreet van 11 maart 1999, onmiddellijk kennis van het verbod om emissierechten van de installatie af te staan zolang een rapportage van de exploitant niet bevredigend wordt geacht.

De persoon die verantwoordelijk is voor het bijhouden van het register bedoeld in artikel 11 wordt gelijktijdig op de hoogte gebracht. § 4. De Regering bepaalt de modaliteiten voor de toepassing van dit artikel. Die modaliteiten kunnen o.a. beroepsmodaliteiten bevatten. Afdeling 4. - Register van de emissierechten en de

flexibiliteitsmechanismen

Art. 11.Er wordt een register aangelegd en bijgehouden met het oog op een nauwkeurige boekhouding van de verleende, bezeten, overgedragen, uitgewisselde en geannuleerde emissierechten, GER en EVE. Het register kan ingekeken worden door het publiek.

Het bevat afzonderlijke rekeningen voor de registratie van de emissierechten in het bezit van iedere persoon aan wie of van wie emissierechten worden verleend of overgedragen.

De emissierechten worden aan de exploitanten verleend door inschrijving op de rekening van hun begunstigde in het register.

De Regering wijst de persoon aan die het register zal bijhouden en bepaalt de modaliteiten voor de toepassing van dit artikel. Afdeling 5. - Sancties

Art. 12.§ 1. Er wordt een boete wegens overmatige emissie opgelegd aan elke exploitant die jaarlijks uiterlijk 30 april onvoldoende emissierechten heeft ingeleverd ter dekking van zijn emissies in het voorgaande jaar : 1° voor de eerste referentieperiode bedraagt de boete 40 EUR per door de inrichting uitgestoten ton kooldioxide-equivalent waarvoor de exploitant geen emissierechten heeft ingeleverd;2° voor de volgende referentieperiodes bedraagt de boete 100 EUR per door de inrichting uitgestoten ton kooldioxide-equivalent waarvoor de exploitant geen emissierechten heeft ingeleverd. § 2. De betaling van de boete stelt de exploitant niet vrij van de verplichting tot inlevering van een hoeveelheid emissierechten gelijk aan de overtollige emissies, uiterlijk bij de inlevering van de emissierechten voor het volgende kalenderjaar. § 3. Zolang de exploitant ze niet inlevert overeenkomstig artikel 7, kunnen de emissierechten die hij bezit niet vanaf 1 mei worden afgestaan naar rato van de hoeveelheid die volgens de Regering moet worden ingeleverd. § 4. De modaliteiten voor de inning van de boete worden door de Regering bepaald. Deze boetes worden gestort in het fonds bedoeld in artikel 13. § 5. De naam van de exploitant die zijn verplichting tot inlevering van voldoende emissierechten niet nakomt wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. § 6. De Regering bepaalt de modaliteiten voor de toepassing van dit artikel. HOOFDSTUK III. - Oprichting van een « Fonds wallon Kyoto »

Art. 13.§ 1. Er wordt voorzien in een « Fonds wallon Kyoto » op de ontvangstenbegroting en de algemene uitgavenbegroting van het Gewest. § 2. De ontvangsten van het fonds zijn bestemd voor de uitvoering van de volgende opdrachten : 1° de promotie van activiteiten en projecten met als resultaat verminderingen of bijkomende duurzame opslagen van broeikasgasemissies in vergelijking met het resultaat dat verkregen zou worden als de activiteit, het overgelegde project of de promotie ervan niet zou plaats vinden;2° de uitvoering van de projectgebonden mechanismen, de bijdrage tot instellingen die projectmechanisme uitvoeren, de verwerving van emissierechten afkomstig uit een projectgebonden mechanisme, de verwerving van emissierechten op de wereldmarkt;3° de overdracht van technologieën of knowhow verenigbaar met duurzame ontwikkeling in het kader van een projectmechanisme. § 3. De Regering bepaalt de criteria op grond waarvan deze activiteiten in aanmerking komen voor financiering of cofinanciering door het fonds, alsook de procedure en de modaliteiten voor hun financiering of cofinanciering en de toewijzing van de financiële winsten of de broeikasgasemissie-eenheden die er eventueel uit voortvloeien. § 4. De Regering bepaalt de modaliteiten voor de spijzing en het beheer van het fonds.

Het fonds wordt o.a. gespijsd door : 1° de opbrengst van de boetes die krachtens artikel 12 worden opgelopen;2° de opbrengst van de eventuele verkoop van de overblijvende emissierechten in de toewijzingsreserves aan het einde van de periode;3° de opbrengst van de toekenning van de emissierechten tegen betaling die niet kosteloos worden toegewezen, overeenkomstig artikel 3, § 5;4° de opbrengst van de verkoop van eenheden van broeikasgasemissies. HOOFDSTUK IV. - Flexibiliteitsmechanismen

Art. 14.§ 1. De eenheden verkregen door het Gewest door de gemeenschappelijke uitvoering (JI) door het mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM) en door de uitwisseling van emissierechten kunnen gebruikt worden om de verbintenissen inzake de beperking van broeikasgasemissies van het Gewest na te komen, zoals bepaald na de verdeling van de internationale verbintenissen inzake broeikasgasemissies binnen de Belgische Staat, volgens de regels en procedures vastgelegd bij het Protocol van Kyoto en bij de in dat kader genomen beslissingen.

Het gebruik van de flexibiliteitsmechanismen vult de gewestelijke acties inzake emissievermindering aan. § 2. De Regering wijst de dienst of de instelling aan die belast is met de goedkeuring van de krachtens de gemeenschappelijke uitvoering (JI) uitgevoerde projecten en diegene voor de goedkeuring van de krachtens het mechanisme voor schone ontwikkeling (CDM) uitgevoerde projecten. § 3. De Regering bepaalt de modaliteiten voor de toepassing van dit artikel.

Art. 15.§ 1. De op projecten gegronde mechanismen en meer bepaald de mechanismen voor schone ontwikkeling (CDM) worden bestudeerd en uitgevoerd in verband met het beheer van de internationale betrekkingen en de ontwikkelingssamenwerking. § 2. De Regering bepaalt de criteria inzake betoelaagbaarheid en de procedures voor de goedkeuring van de projectgebonden mechanismen. Ze wijst de dienst of de instelling(en) aan die belast is (zijn) met het namens haar uitvoeren van de flexibiliteitsmechanismen. § 3. De Regering kan bepaalde rechtspersonen machtigen tot deelname aan projectgebonden mechanismen.

De Regering blijft verantwoordelijk voor de nakoming van de verplichtingen die haar worden opgelegd krachtens de R.V.N.K.V. en het Protocol van Kyoto en zorgt ervoor dat deze deelname overeenstemt met de overeenkomstig de R.V.N.K.V. of het Protocol van Kyoto relevante en goedgekeurde oriëntaties, modaliteiten en procedures. § 4. De emissierechten worden opgenomen in een register dat opgemaakt is overeenkomstig de R.V.N.K.V., het Protocol van Kyoto en latere beslissingen uit hoofde van deze titel. Dit register wordt opgenomen in het register bedoeld in artikel 11. § 5. De Regering bepaalt de modaliteiten voor de toepassing van dit artikel.

Art. 16.§ 1. De Regering bepaalt of de projectgebonden activiteiten waaraan zij deelneemt of waaraan rechtspersonen met haar toestemming mogen deelnemen en die ondernomen worden buiten het grondgebied van de Europese Unie, worden voorbereid en uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 6 en 12 van het Protocol van Kyoto en de beslissingen goedgekeurd in het kader van deze bepalingen.

Deze projectgebonden activiteiten hebben als gezamenlijk resultaat : 1° verminderingen of verwijderingen van bijkomende en duurzame reële emissies in vergelijking met wat er zou gebeuren als de overgelegde projectgebonden activiteit niet zou plaatsvinden;2° de overdracht of het tot stand brengen van technologieën of knowhow die zonder gevaar voor het milieu en ecologisch rationeel zijn. De Regering stelt ook vast dat het gastland verzocht werd zijn voorrechten uit te oefenen om te bevestigen dat de projectgebonden activiteiten tot een duurzame ontwikkeling bijdragen. § 2. De referentieniveaus bepaald door de latere beslissingen goedgekeurd uit hoofde van de R.V.N.K.V. of het Protocol van Kyoto voor de projectgebonden activiteiten die ondernomen worden in de landen die een toetredingsverdrag met de Europese Unie hebben ondertekend, moeten volkomen overeenstemmen met het acquis van de Gemeenschap, met inbegrip van de voorlopige afwijkingen voorzien in het toetredingsverdrag. § 3. Wat betreft de JI- of CDM-projecten die de emissies van een installatie die onder het toepassingsveld van Richtlijn 2003/87/EG valt, rechtstreeks verminderen of beperken, kunnen EVE of GER slechts tot 31 december 2012 verleend worden indien in het register een gelijke hoeveelheid emissierechten van de overeenstemmende rekeningen van de exploitant van die inrichting geannuleerd werden.

Wat betreft de JI- of CDM-activiteiten die de emissies van een installatie die onder het toepassingsveld van bovengenoemde richtlijn valt, onrechtstreeks verminderen of beperken, kunnen EVE of GER slechts tot 31 december 2012 verleend worden indien een gelijke hoeveelheid emissierechten in het gastland geannuleerd werd. HOOFDSTUK V. - Wijzigingsbepalingen van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning

Art. 17.In artikel 10, § 2, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden « of nog een bron van gespecificeerde broeikasgasemissie » ingevoegd tussen de woorden « vergunning » en « moet »;2° het derde lid wordt aangevuld met de woorden « en aan de instelling die zij aanwijst als de verbouwing of uitbreiding een bron van gespecificeerde broeikasgasemissie aanzienlijk wijzigt.»

Art. 18.In artikel 65, § 1, van hetzelfde decreet wordt een punt 3° toegevoegd, luidend als volgt : « om zo nodig te zorgen voor de inachtneming van de eisen inzake de bewaking en de rapportage van de gespecificeerde broeikasgasemissies van de installaties. » HOOFDSTUK VI. - Overgangsbepalingen

Art. 19.Tijdens de eerste referentieperiode kan de Regering aan de Europese Commissie vragen dat in geval van overmacht extrarechten worden verleend aan bepaalde inrichtingen waar één of meer door de Regering aangewezen activiteiten of installaties met gespecificeerde broeikasgassen plaatsvinden.

Onder voorbehoud van het akkoord van de Europese Commissie kan de Regering toestemming geven voor het verlenen van extra, niet-overdraagbare rechten aan de exploitanten van die inrichtingen.

Art. 20.Bepaalde installaties kunnen tot en met uiterlijk 31 december 2007 tijdelijk uit de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten uitgesloten worden.

De lijst van de installaties of activiteiten waarvoor een aanvraag is ingediend wordt in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

De Regering kan verzoeken om de toepassing van de procedure bedoeld in artikel 27 van Richtlijn 2003/87/EG en vergewist zich ervan dat betrokken inrichting : a) haar emissies beperkt tot een niveau dat gelijkwaardig is aan dat welk krachtens dit decreet gehaald zou worden;b) onderworpen is aan voorschriften inzake bewaking, rapportage van broeikasgasemissies en verificatie die gelijkwaardig zijn aan die waarin dit decreet voorziet;c) onderworpen is aan sancties die minstens gelijkwaardig zijn aan die bedoeld in artikel 12 in geval van niet naleving van de voorschriften die op haar van toepassing zijn. De Regering kan de modaliteiten voor de toepassing van dit artikel bepalen.

Art. 21.§ 1. De exploitant van een bestaande inrichting bedoeld in het eerste Waalse toewijzingsplan voor emissierechten richt binnen twintig dagen na de inwerkingtreding van dit decreet bij ter post aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of tegen ontvangbewijs een aanvraag om broeikasgassen te kunnen uitstoten aan de bevoegde overheid.

De aanvraag wordt opgemaakt d.m.v. een formulier dat door de bevoegde overheid vastgelegd wordt. § 2. De bevoegde overheid stuurt haar beslissing bij ter post aangetekend schrijven met bericht van ontvangst naar de exploitant binnen dertig dagen, te rekenen van de datum waarop zij de aanvraag ontvangt. § 3. De exploitant kan bij de Regering een beroep instellen tegen de beslissingen bedoeld in paragraaf 2.

Op straffe van onontvankelijkheid wordt het beroep binnen tien dagen na ontvangst van de beslissing door de exploitant bij ter post aangetekend schrijven met bericht van ontvangst gericht of tegen ontvangstbewijs afgegeven aan het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu ter attentie van de Minister van Leefmilieu.

Het beroep is niet opschortend voor de omstreden beslissing.

Binnen twintig dagen vanaf de datum van ontvangst van het beroep stuurt de Regering haar beslissing bij ter post aangetekend schrijven met bericht van ontvangst aan de verzoeker. § 4. Als de bevoegde overheid in eerste instantie of inzake beroep niet over de nodige informatie beschikt, kan zij of de instanties die in het onderzoek van de aanvraag tussenkomen de exploitant om bijkomende informatie verzoeken. § 5. De bevoegde overheid neemt haar beslissing op grond van de richtsnoeren vastgelegd bij de Europese beschikking van 29 januari 2004 betreffende de goedkeuring van richtsnoeren voor de bewaking van en rapportage over broeikasgasemissies overeenkomstig Richtlijn 2004/87/EG van het Europees Parlement en van de Raad. De Regering kan deze richtsnoeren nader bepalen.

Art. 22.Bij wijze van overgangsmaatregel kan de Regering voor de bewaking een dienst of instelling machtigen om na te gaan of de eventuele kosten die op de elektriciteitsgebruikers worden afgewenteld namens de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten ingevoerd bij dit decreet of namens het stelsel van de groene getuigschriften ingevoerd bij het decreet van 12 april 2001 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt, de opgelopen reële kosten weerspiegelen.

De Regering kan de modaliteiten voor deze bewaking bepalen.

Art. 23.Dit decreet treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Namen, 10 november 2004.

De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Huisvesting, Vervoer en Ruimtelijke Ontwikkeling, A. ANTOINE De Minister van Begroting, Financiën, Uitrusting en Patrimonium, M. DAERDEN De Minister van Vorming, Mevr. M. ARENA De Minister van Binnenlandse Aangelegenheden en Ambtenarenzaken, Ph. COURARD De Minister van Wetenschappelijk Onderzoek, Nieuwe Technologieën en Buitenlandse Betrekkingen, Mevr. M.-D. SIMONET De Minister van Economie en Tewerkstelling, J-C. MARCOURT De Minister van Gezondheid, Sociale Actie en Gelijke Kansen, Ch. VIENNE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN _______ Nota (1) Zitting 2004. Stukken van de Raad 7 (ZIT 2004) Nrs. tot 4.

Volledig verslag, openbare vergadering van 27 oktober 2004.

Bespreking. Stemming.

BIJLAGE I. - BEGINSELEN VOOR DE BEWAKING EN RAPPORTAGE VAN DE EMISSIES VAN BROEIKASEFFECTEN, bedoeld in artikel 2, 7°, en in artikel 7, § 4 Bewaking van kooldioxide-emissies.

De emissies moeten door middel van berekeningen of metingen worden bewaakt.

Berekeningen.

De emissies worden met behulp van de volgende formule berekend : Activiteitsgegevens x emissiefactor x oxidatiefactor Activiteitsgegevens (gebruikte brandstof, productieomvang enz.) worden bewaakt op basis van toevoergegevens of metingen.

Er worden geaccepteerde emissiefactoren gebruikt. Voor de activiteit specifieke emissiefactoren zijn voor alle brandstoffen aanvaardbaar.

Default-factoren zijn aanvaardbaar voor alle brandstoffen, behalve niet-commerciële (afvalbrandstoffen zoals banden en industriële procesgassen). Laagspecifieke defaults voor steenkool, en voor de EU of het producentland specifieke defaults voor aardgas worden verder uitgewerkt. IPCC-defaults zijn voor raffinaderijproducten aanvaardbaar.

De emissiefactor voor biomassa is nul.

Als de emissiefactor geen rekening houdt met het feit dat een deel van de koolstof niet wordt geoxideerd, wordt een oxidatiefactor gebruikt.

Als voor de activiteit specifieke emissiefactoren zijn berekend die al rekening houden met oxidatie, behoeft geen oxidatiefactor te worden toegepast.

Er worden default-oxidatiefactoren overeenkomstig Richtlijn 96/61/EEG gebruikt, tenzij de exploitant kan aantonen, dat voor de activiteit specifieke factoren nauwkeuriger zijn.

Voor elke activiteit, elke installatie en elke brandstof wordt een afzonderlijke berekening gemaakt.

Metingen.

Bij de meting van de emissies wordt gebruik gemaakt van genormaliseerde of aanvaarde methoden en het resultaat moet worden bevestigd door een ondersteunende emissieberekening.

Bewaking van de emissies van andere broeikasgassen.

Er moeten genormaliseerde of aanvaarde methoden worden gebruikt die door de Commissie in samenwerking met alle belanghebbenden worden ontwikkeld en volgens de procedure bedoeld in artikel 23, § 2, van de in artikel 2, 3°, van dit decreet vermelde richtlijn worden goedgekeurd.

Emissierapportage.

Elke exploitant neemt in zijn verslag over een installatie de onderstaande informatie op.

A. Gegevens ter identificatie van de installatie, waaronder : - naam van de installatie; - adres van de installatie, met postcode en land; - soort en aantal van de activiteiten als bedoeld in bijlage I, die in de installatie worden verricht; - adres, telefoon-, fax- en e-mailgegevens van een contactpersoon, en - naam van de eigenaar van de installatie en van de eventuele moedermaatschappij.

B. Voor elke in bijlage I genoemde activiteit die wordt verricht op het terrein waarvoor de emissies worden berekend : - activiteitsgegevens; - emissiefactoren; - oxidatiefactoren; - totale emissies; en - onzekerheid.

C. Voor elke in bijlage I genoemde activiteit die wordt verricht op het terrein waarvoor de emissies worden gemeten : - totale emissies; - informatie over de betrouwbaarheid van de meetmethoden, en - onzekerheid.

D. Voor de emissies als gevolg van verbranding ten behoeve van energieproductie wordt in het verslag ook de oxidatiefactor vermeld, tenzij bij de uitwerking van een voor de activiteit specifieke emissiefactor al met de oxidatie rekening is gehouden.

Gezien om te worden gevoegd bij het decreet van 10 november 2004 tot instelling van een systeem voor de uitwisseling van quota inzake de emissie van broeikaseffecten, tot oprichting van een « Fonds wallon Kyoto » en betreffende de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto.

Namen, 10 november 2004.

De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Huisvesting, Vervoer en Ruimtelijke Ontwikkeling, A. ANTOINE De Minister van Begroting, Financiën, Uitrusting en Patrimonium, M. DAERDEN De Minister van Vorming, Mevr. M. ARENA De Minister van Binnenlandse Aangelegenheden en Ambtenarenzaken, Ph. COURARD De Minister van Wetenschappelijk Onderzoek, Nieuwe Technologieën en Buitenlandse Betrekkingen, Mevr. M.-D. SIMONET De Minister van Economie en Tewerkstelling, J.-C. MARCOURT De Minister van Gezondheid, Sociale Actie en Gelijke Kansen, Mevr. Ch. VIENNE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN

BIJLAGE II. - CRITERIA VOOR DE VERIFICATIE bedoeld in artikel 9 Algemene beginselen. 1. De emissies van elke in artikel genoemde activiteit moeten aan een verificatie worden onderworpen.2. Bij het verificatieproces moeten het verslag uit hoofde van artikel 2, 7°, en van artikel 7, § 4, en de bewaking tijdens het voorafgaande jaar worden bezien.Hierbij wordt gekeken naar de betrouwbaarheid, de geloofwaardigheid en de nauwkeurigheid van de bewakingssystemen en de gerapporteerde gegevens, en naar informatie inzake de emissies, in het bijzonder : a) de gerapporteerde activiteitsgegevens en daarmee verband houdende metingen en berekeningen;b) de keuze en het gebruik van emissiefactoren;c) de berekeningen die leiden tot de bepaling van de totale emissies, en d) indien er metingen zijn gebruikt, de juistheid van de keuze en de wijze van toepassing van de meetmethoden.3. De emissies waarover verslag is uitgebracht kunnen alleen worden gevalideerd als betrouwbare, geloof waardigegegevens en informatie het mogelijk maken de emissies te bepalen met een hoge mate van zekerheid. Voor een hoge mate van zekerheid moet de exploitant aantonen dat : a) de gerapporteerde gegevens vrij zijn van inconsistenties;b) de gegevens zijn verzameld overeenkomstig de toepasselijke wetenschappelijke normen, en c) de desbetreffende documenten van de installatie volledig en consistent zijn.4. De verificateur krijgt toegang tot alle bedrijfsterreinen en tot alle informatie in verband met het onderwerp van de verificatie.5. De verificateur houdt rekening met de vraag of de installatie al dan niet ISO gecertificeerd is of in het kader van EMAS (het communautaire milieubeheer- en milieuauditsysteem) geregistreerd is. Methode.

Strategische analyse. 6. De verificatie moet worden gebaseerd op een strategische analyse van alle in de installatie verrichte activiteiten. Hiertoe heeft de verificateur een overzicht nodig van alle activiteiten en hun betekenis voor het emissieniveau van de installatie.

Procesanalyse. 7. De verificatie van de overgelegde informatie vindt zo nodig plaats op het terrein van de installatie.De verificateur neemt steekproeven om de betrouwbaarheid van de gerapporteerde gegevens en informatie vast te stellen.

Risicoanalyse. 8. De verificateur moet alle bronnen van emissies in de installatie evalueren met het oog op de betrouwbaarheid van de gegevens van elke bron die tot de totale emissies van de installatie bijdraagt.9. Aan de hand van deze analyse identificeert de verificateur uitdrukkelijk de bronnen met een groot foutenpotentieel en andere aspecten van de bewakings- en rapportageprocedure die waarschijnlijk zullen bijdragen tot fouten bij de bepaling van de totale emissies. Het betreft hier met name de keuze van de emissiefactoren en de berekeningen die nodig zijn om de emissies van afzonderlijke emissiebronnen vast te stellen. Bijzondere aandacht wordt besteed aan bronnen met een groot foutenpotentieel en aan de desbetreffende aspecten van de bewakingsprocedure. 10. De verificateur houdt rekening met alle risicobeheersingsmethoden die de exploitant toepast om de mate van onzekerheid zo klein mogelijk te houden. Verslag. 11. De verificateur stelt een verslag op over het valideringsproces, waarin wordt vermeld of het verslag bedoeld artikel 2, 7°, en van artikel 7, § 4, bevredigend is.In dit verslag komen alle onderwerpen aan de orde die voor het verrichte werk van belang zijn. Er kan worden verklaard dat het verslag bedoeld in artikel 2, 7°, en van artikel 7, § 4, bevredigend is, als, naar de mening van de verificateur, de totale emissies niet wezenlijk verkeerd zijn weergegeven.

Aan de bevoegdheid van de verificateur te stellen minimumeisen. 12. De verificateur is onafhankelijk van de exploitant, voert zijn werk serieus uit op een objectieve, professionele wijze en is vertrouwd met : a) de bepalingen van deze richtlijn, alsmede de door de Commissie conform artikel 14, § 1, van de in artikel 2, 3°, van dit decreet vermelde richtlijn;b) de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die van toepassing zijn op te verifiëren activiteiten;c) de totstandkoming van alle informatie over elke emissiebron in de installatie, met name wat de verzameling, meting, berekening en rapportage van gegevens betreft.13. De verificateurs, met inbegrip van degenen geaccrediteerd overeenkomstig de procedure en de criteria die vastliggen in Verordening (EG) nr.761/2001/EG van het Europees Parlement van de Raad inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), die beschikken over de nodige bevoegdheden en ervaring inzake activiteiten ter vermindering van broeikaseffecten mogen de rol spelen van verificateur voor de in de Gemeenschap projectactiviteiten die in aanmerking komen voor gezamenlijke uitvoering.

Gezien om te worden gevoegd bij het decreet van 10 november 2004 tot instelling van een systeem voor de uitwisseling van quota inzake de emissie van broeikaseffecten, tot oprichting van een « Fonds wallon Kyoto » en betreffende de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto.

Namen, 10 november 2004.

De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Huisvesting, Vervoer en Ruimtelijke Ontwikkeling, A. ANTOINE De Minister van Begroting, Financiën, Uitrusting en Patrimonium, M. DAERDEN De Minister van Vorming, Mevr. M. ARENA De Minister van Binnenlandse Aangelegenheden en Ambtenarenzaken, Ph. COURARD De Minister van Wetenschappelijk Onderzoek, Nieuwe Technologieën en Buitenlandse Betrekkingen, Mevr. M.-D. SIMONET De Minister van Economie en Tewerkstelling, J.-C. MARCOURT De Minister van Gezondheid, Sociale Actie en Gelijke Kansen, Mevr. Ch. VIENNE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN

BIJLAGE III. - CRITERIA VOOR HET WAALSE TOEWIJZINGSPLAN bedoeld in artikel 3 1. De totale hoeveelheid voor de betrokken periode toe te wijzen emissierechten moet enerzijds overeenstemmen met de verplichtingen van de lidstaat om de emissies te beperken overeenkomstig Beschikking 2002/358/EG en het Protocol van Kyoto, met inachtneming van het aandeel in de totale emissies dat deze vertegenwoordigen in vergelijking met de emissies uit bronnen die niet onder deze richtlijn en het nationale energiebeleid vallen en stemt anderzijds overeen met het gewestelijk programma inzake klimaatverandering.De totale hoeveelheid toe te wijzen emissierechten mag niet groter zijn dan de hoeveelheid die waarschijnlijk nodig is voor de strikte toepassing van de in deze bijlage vermelde criteria. Vóór 2008 moet de hoeveelheid in overeenstemming zijn met een ontwikkeling waarmee het Waalse Gewest zijn streefdoel uit hoofde van Beschikking 2002/358/EG en het Protocol van Kyoto kan halen of overtreffen. 2. De totale hoeveelheid toe te wijzen emissierechten moet overeenstemmen met evaluaties die overeenkomstig.Beschikking 93/389/EEG zijn gemaakt van de feitelijke en de te verwachten vorderingen bij het realiseren van de bijdragen van het Waalse Gewest aan de communautaire verplichtingen. 3. De hoeveelheden toe te wijzen emissierechten moeten overeenstemmen met de mogelijkheden, waaronder de technologische mogelijkheden, van de door deze regeling bestreken activiteiten om de emissies terug te dringen.4. Het plan moet in overeenstemming zijn met andere wetgevende instrumenten en beleidsinstrumenten van de Gemeenschap.Er moet rekening worden gehouden met de toename van emissies als gevolg van nieuwe wettelijke eisen. 5. Het plan mag geen zodanig onderscheid maken tussen ondernemingen of sectoren dat bepaalde ondernemingen of activiteiten onrechtmatig worden bevoordeeld, in overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag, in het bijzonder de artikelen 87 en 88.6. Het plan moet informatie bevatten over de manier waarop nieuwkomers aan de Gemeenschapsregeling in het Waalse Gewest kunnen gaan deelnemen.7. Het plan kan rekening houden met vroegtijdige maatregelen en bevat informatie over de manier waarop vroegtijdige maatregelen in aanmerking worden genomen.Het Waalse Gewest mag bij de ontwikkeling van zijn toewijzingsplan gebruik maken van aan referentiedocumenten over de beste beschikbare technieken ontleende benchmarks en vroegtijdige maatregelen kunnen in die benchmarks worden verwerkt. 8. Het plan bevat informatie over de manier waarop rekening wordt gehouden met schone technologie, waaronder energie-efficiënte technologieën.9. Het plan moet bepalingen bevatten inzake opmerkingen door het publiek, alsmede informatie over de regelingen die moeten waarborgen dat er terdege met die opmerkingen rekening wordt gehouden alvorens een besluit over de toewijzing van emissierechten wordt genomen.10. Het plan moet een lijst bevatten van de installaties die in deze richtlijn worden opgenomen met de hoeveelheden emissierechten bestemd om te worden toegewezen aan ieder van hen.11. Het plan kan informatie bevatten over de manier waarop rekening wordt gehouden met het bestaan van concurrentie uit derde landen of uit entiteiten buiten de Unie. Gezien om te worden gevoegd bij het decreet van 10 november 2004 tot instelling van een systeem voor de uitwisseling van quota inzake de emissie van broeikaseffecten, tot oprichting van een « Fonds wallon Kyoto » en betreffende de flexibiliteitsmechanismen van het Protocol van Kyoto.

Namen, 10 november 2004.

De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Huisvesting, Vervoer en Ruimtelijke Ontwikkeling, A. ANTOINE De Minister van Begroting, Financiën, Uitrusting en Patrimonium, M. DAERDEN De Minister van Vorming, Mevr. M. ARENA De Minister van Binnenlandse Aangelegenheden en Ambtenarenzaken, Ph. COURARD De Minister van Wetenschappelijk Onderzoek, Nieuwe Technologieën en Buitenlandse Betrekkingen, Mevr. M.-D. SIMONET De Minister van Economie en Tewerkstelling, J.-C. MARCOURT De Minister van Gezondheid, Sociale Actie en Gelijke Kansen, Mevr. Ch. VIENNE De Minister van Landbouw, Landelijke Aangelegenheden, Leefmilieu en Toerisme, B. LUTGEN

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^