Decreet van 11 maart 1999
gepubliceerd op 08 juni 1999
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Decreet betreffende de milieuvergunning

bron
ministerie van het waalse gewest
numac
1999027439
pub.
08/06/1999
prom.
11/03/1999
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

11 MAART 1999. - Decreet betreffende de milieuvergunning (1)


De Waalse Gewestraad heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Afdeling 1. - Begripsomschrijving

Artikel 1.Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder : 1° milieuvergunning : beslissing van de bevoegde overheid op grond waarvan een exploitant gedurende een bepaalde tijd en onder bepaalde voorwaarden een inrichting van eerste of tweede klasse mag exploiteren, verplaatsen, verbouwen of uitbreiden;2° aangifte : handeling waarbij de aangever de bevoegde overheid op de bij dit decreet bepaalde wijze in kennis stelt van zijn bedoeling een inrichting van klasse 3 te exploiteren;3° inrichting : technisch-geografische eenheid bestaande uit één of meer installaties of activiteiten ingedeeld op het gebied van milieubescherming, alsmede elke andere installatie en/of activiteit die daarmee rechtstreeks verband houdt en een weerslag op de emissies en de verontreiniging kan hebben;4° tijdelijke inrichting : inrichting die tijdelijk is van wege haar aard en waarvan de vaste exploitatie niet langer duurt dan : a.drie jaar als de inrichting noodzakelijk is voor een bouwwerf; b. de termijn voor de sanering van de plaats als de inrichting bestemd is voor de sanering van een verontreinigde site;c. drie maanden of een kortere termijn die de Regering bepaalt voor inrichtingen die zij aanwijst;5° proefinrichting : inrichting die niet langer dan zes maanden mag functioneren en uitsluitend of voornamelijk gebruikt wordt om nieuwe methodes of producten tot stand te brengen of te testen;6° mobiele inrichting : door de Regering aangewezen installatie die is ontworpen om op verschillende plaatsen te worden geëxploiteerd en niet langer dan één jaar op dezelfde site;7° exploitatie : bouw, indienststelling, behoud, instandhouding, onderhoud of gebruik van een inrichting;8° exploitant : persoon die een ingedeelde inrichting exploiteert of voor wiens rekening een ingedeelde inrichting wordt geëxploiteerd;bij de procedure voor de vergunningafgifte wordt de aanvrager gelijkgesteld met de exploitant; 9° aangever : persoon die een aangifte doet;10° project : inrichting waarvoor een milieuvergunning of een aangifte vereist is;11° gemengd project : project waarvan bij de indiening van de vergunningaanvraag blijkt dat een milieu- of een stedenbouwvergunning vereist is voor de uitvoering ervan; 12° eenmalige vergunning : beslissing van de bevoegde overheid m.b.t. een gemengd project, gegeven na afloop van de procedure bedoeld in hoofdstuk XI en gelijkstaand met de milieuvergunning in de zin van artikel 1, 1°, van dit decreet en met de stedenbouwvergunning in de zin van de artikelen 84 en 127 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium; 13° sanering : geheel van handelingen om de inrichting weer in het leefmilieu te integreren, rekening houdende met het feit dat de nieuwe bestemming ervan een functioneel gebruik betreft, en/of om gevaar voor verontreiniging vanaf de inrichting te voorkomen;14° dossier van de milieueffectrapportering : korte uiteenzetting van de rapportering of effectonderzoek vereist krachtens de wetgeving op de organisatie van de milieueffectrapportering in het Waalse Gewest;15° bevoegde overheid : overheid die bevoegd is om de aangifte in ontvangst te nemen of om de milieuvergunning af te geven;16° technisch ambtenaar : de door de Regering aangewezen ambtenaar/ambtenaren;17° CWATUP : Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium;18° gemachtigd ambtenaar : de door de Regering gemachtigde ambtenaar, in de zin van het `CWATUP';19° beste beschikbare technieken : meest doeltreffende en gevorderde ontwikkelingsfase van de installaties en activiteiten, alsmede van de wijze waarop ze ontworpen, gebouwd, geëxploiteerd en onderhouden worden, waarbij aangetoond wordt dat de specifieke technieken in princiep geschikt zijn om als grondslag te dienen voor de emissiegrenswaarden ter voorkoming en, als dit onmogelijk blijkt te zijn, ter algemene beperking van de emissies en van de weerslag ervan op het milieu in het algemeen, voor zover deze technieken tot stand gebracht worden op een schaal waarop ze in de betrokken industriesector toegepast kunnen worden met inachtneming van haalbare technisch-economische normen en voor zover ze in normale omstandigheden toegankelijk zijn;20° verontreiniging : het rechtstreeks of onrechtstreeks introduceren, via menselijke activiteiten, van stoffen, trillingen, warmte, lawaai in water, lucht of bodem, hetgeen de menselijke gezondheid of de milieukwaliteit kan schaden, goederen kan beschadigen, de erkenning van het milieu of andere legitieme gebruiken ervan kan benadelen of verhinderen;21° emissie : rechtstreekse of onrechtstreekse uitworp, vanaf punctuele of diffuse bronnen in de inrichting, van stoffen, trillingen, warmte of geluid in lucht, water of bodem. Afdeling II. - Toepassingsgebied

Art. 2.Dit decreet heeft ten doel in het kader van een geïntegreerd beleid inzake de vervuilingspreventie en -beperking mens en milieu te beschermen tegen gevaren, hinder of ongemakken die een inrichting rechtstreeks of onrechtstreeks zou kunnen veroorzaken tijdens of na de exploitatie ervan. Het betreft zowel de bevolking buiten de omheining van de inrichting als personen die binnen de inrichting niet dezelfde bescherming als de werknemers genieten.

Dit decreet moet ook doelstellingen helpen nastreven zoals het klimatologische evenwicht, het behoud van de kwaliteit van het water, de lucht, de bodem, de ondergrond, de biodiversiteit en het milieu i.v.m. hinder, en het rationele beheer van water, grond, ondergrond, energie en afval.

Art. 3.De installaties en activiteiten zijn opgenomen in rubrieken en onderverdeeld in drie klassen (klasse 1, klasse 2 en klasse 3), al naar gelang het afnemende belang van hun weerslag op mens en milieu, alsmede hun geschiktheid om aan algemene, sectorale en integrale normen te voldoen.

Klasse 3 omvat de installaties en activiteiten die weinig effect op mens en milieu hebben en waarvoor de Regering integrale normen heeft uitgevaardigd.

Voor de bepaling van de klasse van de inrichting wordt uitgegaan van de installatie of activiteit die de meeste weerslag op mens of milieu heeft.

De lijst en de indeling van de installaties en activiteiten worden door de Regering bepaald. Als de Regering wijzigingen aanbrengt in de lijst en de indeling van de installaties, moet ze haar beslissing met redenen omkleden. Afdeling III. - Algemene, sectorale, integrale en specifieke normen

Art. 4.De Regering bepaalt de algemene, sectorale, integrale en specifieke normen waaraan voldaan moet worden om de in artikel 2 bedoelde doelstellingen te halen. Ze hebben reglementaire waarde.

De algemene, sectorale, integrale en bijzondere normen worden bepaald op grond van richtlijnen op middellange en lange termijn die vastliggen in het Milieuplan voor een duurzame ontwikkeling en in sectorale programma's bedoeld in het decreet van 21 april 1994 betreffende de milieuplanning in het kader van de duurzame ontwikkeling.

Deze normen kunnen o.a. betrekking hebben op : 1° het aanleggen van financiële garanties en de verplichting een verzekeringspolis aan te gaan;2° de bevoegdheid en de kwalificaties van het personeel en, met name, op de verplichting houder van een erkenning te zijn;3° de gegevens die regelmatig verstrekt moeten worden aan de overheden die de Regering aanwijst, en die betrekking hebben op : a.de emissies van de inrichting; b. de getroffen maatregelen om milieuhinder te beperken;c. de getroffen maatregelen voor de vorming van het personeel van de inrichting en de voorlichting van de omwonenden; 4° het toezicht op de lozingen, met opgave van de meetmethodes, en de frequentie ervan, de procedure voor de evaluatie van de maatregelen en de verplichting de bevoegde overheid de nodige gegevens te verstrekken i.v.m. de inachtneming van de exploitatienormen; 5° de vermindering, de minimalisering of de uitschakeling van de vervuiling, met inbegrip van de langeafstands- of grensoverschrijdende vervuiling;6° de voorschriften betreffende het opstarten, de lekkages, de slechte werking, de tijdelijke en de definitieve stopzetting van de exploitatie;7° de verplichting voor de exploitant de plaats te saneren na het verstrijken van de vergunning of van de aangifte, of in geval van opschorting of intrekking van de milieuvergunning of van de beslissing waarbij de opschorting of het verbod tot exploitatie van een inrichting waarvoor een aangifte verlangd wordt, onverminderd de bepalingen van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium;8° het beheer van de afvalstoffen die de inrichting voortbrengt.

Art. 5.§ 1. De algemene normen zijn van toepassing op het geheel van de installaties en activiteiten. § 2. De sectorale normen zijn van toepassing op de installaties en activiteiten van een territoriale economische sector of van een sector waar rekening moet worden gehouden met een specifiek risico.

De sectoren worden door de Regering aangewezen. De Regering kan de vestiging van bepaalde installaties of activiteiten op bepaalde plaatsen ook beperken of verbieden om de mens of het milieu te beschermen.

De sectorale normen vullen de algemene normen aan en kunnen ervan afwijken voor zover ze met redenen omkleed zijn. § 3. De integrale normen bestaan uit een geheel van voorschriften inzake de preventie of de beperking van elke vorm van hinder, gevaar of ongemak die de inrichting of de installatie voor de mens of het milieu kan inhouden.

De integrale normen zijn van toepassing op de installaties van klasse 3. Ze kunnen afwijken van de algemene en sectorale normen. In geval van afwijking moet het verwachte resultaat voor de bescherming van de mens of het milieu ten minste gelijk zijn aan het resultaat dat behaald zou worden als er geen afwijking was.

Art. 6.De bevoegde overheid kan specifieke normen opleggen die de algemene en sectorale normen van de milieuvergunning aanvullen. De specifieke normen mogen niet minder strikt zijn dan de algemene en sectorale normen, behalve in de gevallen en binnen de grenzen die in deze laatste vermeld worden.

In geval van afwijking moet het verwachte resultaat voor de mens of het milieu ten minste gelijk zijn aan het resultaat dat behaald zou worden als er geen afwijking was.

Art. 7.§ 1. Bij het vastleggen van algemene, sectorale of integrale normen neemt de Regering de imperatieve waarden in acht en houdt ze rekening met de richtwaarden inzake immissie. § 2. Bij het opleggen van specifieke normen neemt ook de bevoegde overheid de imperatieve waarden in acht en houdt ze eveneens rekening met de richtwaarden.

Wat de inachtneming van de richtwaarden betreft, houdt de bevoegde overheid met name rekening met de specifieke kenmerken van de inrichting en het milieu waarin ze geëxploiteerd wordt, met de aanwezigheid of afwezigheid van andere inrichtingen of geplande inrichtingen, met de noodzaak voor een juiste verdeling te zorgen, en, in voorkomend geval, met de gevolgen van een vergunningweigering op de leefbaarheid van een bedrijf en, bijgevolg, op de economische welvaart en het tewerkstellingsniveau.

Bij het vastleggen van specifieke normen moet de bevoegde overheid zich richten naar de door de Regering bepaalde technische voorschriften.

Art. 8.De door de Regering vastgelegde algemene, sectorale en integrale normen zijn gegrond op de beste beschikbare technieken.

Hierbij wordt niet geëist dat een specifieke techniek of technologie wordt toegepast en wordt geen rekening gehouden met de kenmerken van de bedoelde installatie, de ligging ervan en de plaatselijke milieuomstandigheden.

Art. 9.Wanneer de Regering algemene, sectorale en integrale normen vastlegt, wijzigt of aanvult, bepaalt ze binnen welke termijn de nieuwe normen van toepassing zijn op de bestaande inrichtingen. Als ze geen termijn opgeeft, zijn de nieuwe normen niet van toepassing op goedgekeurde inrichtingen of op inrichtingen die aangegeven worden na de inwerkingtreding ervan. Afdeling IV. - Grondslag van de verplichting tot vergunning of

aangifte

Art. 10.§ 1. Inrichtingen van klasse 1 of 2 mogen niet zonder vergunning geëxploiteerd worden.

De vergunning wordt eveneens vereist voor : 1° de verplaatsing van een inrichting van klasse 1 of 2;2° de verbouwing of de uitbreiding van een inrichting van klasse 1 of 2 wanneer ze de toepassing van een andere indelingsrubriek dan klasse 3 tot gevolg heeft, of wanneer daardoor de risico's, hinder en ongemakken voor mens of milieu rechtstreeks of onrechtstreeks toenemen. § 2. Elke verbouwing of uitbreiding van een inrichting van klasse 1 of 2 die niet opgenomen is in paragraaf 1, tweede lid, en niet beantwoordt aan de bij de vergunning gevoegde beschrijving en plannen, moet door de exploitant in een register opgenomen worden.

Overeenkomstig hoofdstuk IX kunnen de door de Regering aangewezen ambtenaren en personeelsleden dat register op gewoon verzoek inzien.

De Regering bepaalt de periodiciteit en de termijn binnen welke de exploitant een afschrift van de lijst van de verbouwingen en uitbreidingen moet overleggen aan de technisch ambtenaar en aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op het grondgebied waarvan de inrichting gelegen is.

Als de technisch ambtenaar of het college acht dat een op de lijst vermelde verbouwing of uitbreiding overeenstemt met een verbouwing of uitbreiding bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, vraagt hij/het dat de exploitant binnen vijftien dagen na ontvangst van bedoelde lijst onmiddellijk een aanvraag om milieuvergunning indient. § 3. In geval van gedeeltelijke of gehele afbraak van de inrichting beslist de bevoegde overheid bij wie een aanvraag aanhangig is gemaakt, of een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd voor het geheel of voor een gedeelte van de inrichting, overeenkomstig de doelstellingen bedoeld in artikel 2.

Art. 11.Inrichtingen van klasse 3 mogen niet zonder voorafgaande aangifte geëxploiteerd worden.

Er wordt een nieuwe aangifte verlangd : 1° in geval van verplaatsing, verbouwing of uitbreiding, voor zover de verbouwing of uitbreiding betrekking heeft op een activiteit waarvoor een aangifte verlangd wordt;2° om de tien jaar. De verbouwing of de uitbreiding van een inrichting van klasse 3 die daardoor in een andere klasse wordt ingedeeld, is evenwel aan een milieuvergunning onderworpen.

Art. 12.Als een bestaande inrichting of een inrichting van klasse 3 ondergebracht wordt in klasse 1 of 2 nadat de Regering de lijst van de ingedeelde installaties en activiteiten heeft gewijzigd, beschikt de exploitant over negen maanden vanaf de inwerkingtreding van het besluit van de Regering om een aangifte te doen of een vergunningaanvraag in te dienen. De exploitatie kan voortgezet worden gedurende die termijn en, in het geval van een inrichting waarvoor een vergunning wordt verlangd, tot de kennisgeving van de definitieve beslissing betreffende de vergunningaanvraag.

Als een inrichting van klasse 1 of 2 na een wijziging in de lijst in klasse 3 wordt ondergebracht, voldoet de reeds afgegeven vergunning aan de verplichting tot aangifte.

Als een inrichting van klasse 1 in klasse 2 wordt ondergebracht of een inrichting van klasse 2 in klasse 1 na een wijziging in de lijst van de ingedeelde installaties en activiteiten, blijft de reeds afgegeven vergunning geldig. Afdeling V - Bevoegde overheid

Art. 13.Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op het grondgebied waarvan de vestiging van de inrichting gepland is, is bevoegd om kennis te nemen van de aangiften en de aanvragen om milieuvergunning.

In afwijking van het eerste lid is de technisch ambtenaar bevoegd om kennis te nemen van de aangiften en de aanvragen om milieuvergunning voor mobiele inrichtingen, alsmede van de aanvragen om milieuvergunning voor inrichtingen gelegen op het grondgebied van verschillende gemeenten.

De Regering is bevoegd om kennis te nemen van de beroepen tegen de beslissingen betreffende milieuvergunningen die afgegeven worden door de overheid bedoeld in het eerste en het tweede lid. HOOFDSTUK II. - Stelsel van de aangifte

Art. 14.§ 1. De aangifte wordt bij ter post aangetekend schrijven met bericht van ontvangst verstuurd of tegen ontvangbewijs afgegeven aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op het grondgebied waarvan de inrichting gelegen is.

In afwijking van het eerste lid : 1° wordt de aangifte voor een mobiele inrichting aan de technisch ambtenaar gericht;2° wordt de aangifte voor een op het grondgebied van verschillende gemeenten gelegen inrichting gericht aan de gemeente waarvan de naam vermeld staat in het adres van de exploitatiezetel. § 2. De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de aangifte, alsmede het aantal in te dienen exemplaren. § 3. De aangifte is niet-ontvankelijk : 1° als ze ingediend of afgegeven wordt in strijd met artikel 14, § 1;2° als krachtens artikel 14, § 2, vereiste gegevens of stukken ontbreken. Als de aangifte niet-ontvankelijk is, geeft de bevoegde overheid of haar gemachtigde de aangever binnen acht dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van de aangifte, kennis van de beslissing en van de redenen van de niet-ontvankelijkheid. § 4. Als de aangifte ontvankelijk is, verwittigt de bevoegde overheid of haar gemachtigde de aangever en de technisch ambtenaar binnen vijftien dagen, te rekenen van de datum waarop de aangifte in ontvangst is genomen.

De bevoegde overheid of haar gemachtigde verwittigt ook de aanvrager en de technisch ambtenaar binnen dezelfde termijn als de in paragraaf 5 bedoelde aanvullende normen vereist worden. § 5. Als de integrale normen niet volstaan voor de beperking van de gevaren, hinder en ongemakken die de inrichting voor de mens of het milieu tot gevolg kan hebben, kan de bevoegde overheid aanvullende exploitatienormen opleggen binnen dertig dagen, te rekenen van de datum waarop de aangifte in ontvangst is genomen.

In het geval bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 2°, pleegt de bevoegde overheid overleg met de andere gemeenten op het grondgebied waarvan de inrichting gelegen is.

Deze aanvullende normen mogen niet minder strikt zijn dan de integrale normen bedoeld in artikel 5, § 3.

Ze zijn van toepassing gedurende de geldigheidsperiode van de aangifte. Ze kunnen gewijzigd worden door de bevoegde overheid, na advies van de technisch ambtenaar.

De bevoegde overheid stuurt haar beslissing aan de aangever en een afschrift ervan aan de technisch ambtenaar binnen de termijn bedoeld in het eerste lid. Als de bevoegde overheid de beslissing niet binnen die termijn verstuurt, wordt ze geacht de geplande inrichting vrij te stellen van aanvullende exploitatienormen. § 6. De gemeente en de technisch ambtenaar houden een register van de aangiften. De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van het register.

Art. 15.De aangever mag de inrichting beginnen te exploiteren : 1° vijftien dagen na de indiening van zijn aangifte als ze niet onontvankelijk is verklaard overeenkomstig artikel 14, § 3;2° dertig dagen na de indiening van zijn aangifte als de bevoegde overheid aanvullende exploitatienormen voorschrijft overeenkomstig artikel 14, § 5. HOOFDSTUK III. - Procedure voor de toekenning van de milieuvergunning Afdeling I. - Aanvraag

Art. 16.De aanvraag om milieuvergunning wordt bij ter post aangetekend schrijven met bericht van ontvangst verstuurd of tegen ontvangbewijs afgegeven aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op het grondgebied waarvan de inrichting gelegen is.

Als de inrichting op het grondgebied van verschillende gemeenten gelegen is, wordt de aanvraag, naar keuze van de aanvrager, tegen ontvangbewijs afgegeven aan één van de gemeenten op het grondgebied waarvan de vestiging van de inrichting gepland is.

Art. 17.De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de aanvraag, alsmede het aantal in te dienen exemplaren, de schaal en de inhoud van de verschillende bij te voegen plannen.

De aanvraag bevat o.a. : 1° de identiteit van de exploitant en, in voorkomend geval, zijn technische capaciteiten en financiële middelen;2° de ligging en de beschrijving van de geplande installaties en/of activiteiten;3° de lijst van de grondstoffen en bijkomende stoffen, bestanddelen en energieën die in de installatie gebruikt of geproduceerd worden;4° de aard, hoeveelheden en noemenswaardige effecten van de voorzienbare emissies van de geplande installatie en/of activiteit op elk milieu;5° de naam van de technieken ter voorkoming van emissies of, als zulks niet mogelijk is, ter beperking ervan;6° de lijst van de maatregelen waarin voorzien wordt voor de preventie of de nuttige toepassing van de door de geplande installatie voortgebrachte afval;7° gegevens die als vertrouwelijk worden beschouwd of die betrekking hebben op het fabricage- en brevetgeheim;8° de lijst van de erfdienstbaarheden uit hoofde van de mens of van de bij overeenkomst aangegane verplichtingen betreffende het grondgebruik die zich tegen de uitvoering van het project kanten. De aanvraag bevat een dossier van de milieueffectrapportering en, in voorkomend geval, elk vereist stuk betreffende het bedwingen van de risico's inherent aan de voornaamste ongevallen waarmee gevaarlijke stoffen gemoeid zijn.

Art. 18.Het gemeentebestuur stuurt de aanvraag aan de technisch ambtenaar binnen drie werkdagen, te rekenen van de dag van ontvangst ervan, en verwittigt gelijktijdig de aanvrager bij gewone brief.

Als het gemeentebestuur de aanvraag niet verstuurt binnen de in het eerste lid bedoelde termijn, kan de aanvrager zich rechtstreeks tot de technisch ambtenaar wenden door hem bij ter post aangetekend schrijven een afschrift te sturen dat hij eensluidend verklaart met de aanvraag die hij aanvankelijk aan het college van burgemeester en schepenen heeft gericht.

Art. 19.De aanvraag is onvolledig als krachtens artikel 17 vereiste gegevens of stukken ontbreken.

De aanvraag is niet-ontvankelijk : 1° als ze in strijd met artikel 16 wordt ingediend;2° als ze tweemaal onvolledig wordt bevonden;3° als de aanvrager de ontbrekende gegevens niet binnen de in artikel 20, tweede lid, bedoelde termijn verstrekt.

Art. 20.De technisch ambtenaar stuurt zijn beslissing waarbij hij de aanvraag volledig en ontvankelijk bevindt binnen vijftien dagen aan de aanvrager, te rekenen van de dag waarop hij de aanvraag in ontvangst neemt overeenkomstig artikel 18.

Als de aanvraag onvolledig is, wijst de technisch ambtenaar de aanvrager op de ontbrekende stukken. De aanvrager beschikt dan over dertig dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van de aangetekende brief, om de technisch ambtenaar de vereiste gegevens per post toe te sturen of tegen ontvangbewijs af te geven.

De technisch ambtenaar stuurt zijn beslissing waarbij hij de aanvraag volledig en ontvankelijk bevindt binnen vijftien dagen na ontvangst van de ontbrekende gegevens aan de aanvrager. Als de technisch ambtenaar de aanvraag een tweede keer onvolledig bevindt, verklaart hij ze niet-ontvankelijk.

Als de aanvraag niet-ontvankelijk is, wijst de technisch ambtenaar de aanvrager, op de wijze en binnen de termijn bedoeld in het eerste lid of, in voorkomend geval, binnen de termijn bedoeld in het tweede lid, op de redenen van de niet-ontvankelijkheid.

Art. 21.In de beslissing waarbij de technisch ambtenaar de aanvraag volledig en ontvankelijk verklaard overeenkomstig artikel 20, vermeldt hij de bevoegde overheid, alsmede de gemeenten waar een onderzoek moet worden georganiseerd en de te raadplegen organen.

Dezelfde dag stuurt hij de bevoegde overheid en het college van burgemeester en schepenen een afschrift van de beslissing waarbij de aanvraag volledig en ontvankelijk wordt verklaard en, in voorkomend geval, de krachtens artikel 20 ontvangen ontbrekende gegevens.

De Regering kan bepalen welke organen geraadpleegd moeten worden of criteria vastleggen op grond waarvan de technisch ambtenaar die organen aanwijst.

Art. 22.Als de technisch ambtenaar de aanvrager geen beslissing heeft meegedeeld op de wijze en binnen de termijn bedoeld in artikel 20, wordt de aanvraag ontvankelijk bevonden. In dat geval stuurt de technisch ambtenaar het aanvraagdossier aan de bevoegde overheid en wordt de procedure voortgezet.

Art. 23.De termijn voor de procedure tot de besluitvorming bedoeld in artikel 35 gaat in : 1° de dag waarop de technisch ambtenaar zijn beslissing verstuurt waarbij de aanvraag ontvankelijk wordt verklaard;2° zo niet, de dag na de termijn die hem wordt toegestaan om zijn beslissing te versturen waarbij de aanvraag ontvankelijk wordt verklaard. Afdeling II. - Openbaar onderzoek

Art. 24.Behalve afwijkingen bepaald bij dit decreet of door de Regering, moet elk project waarvoor een milieuvergunning wordt verlangd, onderworpen worden aan een openbaar onderzoek betreffende de eventuele effecten op de belangen en aspecten bedoeld in artikel 2.

De afwijkingen bedoeld in het eerste lid worden slechts toegestaan met inachtneming van de vigerende Europese wetgeving en voor projecten die niet geen noemenswaardig risico, hinder of ongemak voor de mens of het milieu inhouden.

Art. 25.Het openbaar onderzoek dient voornamelijk om de aanvraag en de desbetreffende gegevens ter inzage te leggen van de bevolking en haar de mogelijkheid te geven opmerkingen en bezwaren i.v.m. het project te formuleren en, tot slot, de aanvrager in staat te stellen de bevolking te wijzen op het belang van het project voor een duurzame ontwikkeling.

Het openbaar onderzoek wordt georganiseerd door het college van burgemeester en schepenen van de gemeenten(n) op het grondgebied waarvan het project uitgevoerd moet worden.

De Regering kan bovendien criteria vastleggen om te bepalen in welke andere gemeenten een onderzoek moet worden georganiseerd als het project ook daar gevaar, hinder of ongemakken voor de mens of het milieu kan veroorzaken.

Art. 26.§ 1. Voor de uitvoering van het openbaar onderzoek heeft de Regering de volgende regels bepaald : 1° het moet ten minste vijftien dagen duren;2° de dossiers liggen ter inzage in het gemeentehuis op werkdagen en ten minste één dag tot twintig uur, of op zaterdagochtend;3° opmerkingen en bezwaren mogen schriftelijk of mondeling ingediend worden tot de slotdag van het onderzoek;4° technische uitleg kan verkregen worden op de door de Regering bepaalde wijze. De Regering bepaalt met name de duur van het openbaar onderzoek en de aan een onderzoek te onderwerpen stukken.

De Regering of de gemeente kan een bijkomende wijze van openbaarmaking en raadpleging opleggen.

De Regering kan in het kader van het openbaar onderzoek voorzien in bijzondere voorschriften voor mobiele, tijdelijke of proefinrichtingen. § 2. Het openbaar onderzoek wordt opgeschort tussen 16 juli en 15 augustus.

De opschorting houdt de verlenging in van : 1° de in artikel 30 bedoelde termijn waarover de geraadpleegde organen beschikken om advies uit te brengen;2° de in artikel 32 bedoelde termijn waarover de technisch ambtenaar beschikt om het syntheserapport over te maken;3° de in artikel 35 bedoelde termijn waarover de bevoegde overheid beschikt om haar beslissing aan de aanvrager te sturen.

Art. 27.Na de sluiting van het openbaar onderzoek maakt het college van burgemeester en schepenen notulen op, alsmede een synthese van de geschreven en mondelinge bezwaren die tijdens het onderzoek zijn geformuleerd.

Art. 28.Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente waar een openbaar onderzoek wordt georganiseerd, stuurt de technisch ambtenaar binnen tien dagen na de sluiting van het onderzoek de geschreven en mondelinge bezwaren die tijdens het onderzoek zijn geformuleerd, met inbegrip van de notulen en de synthese bedoeld in artikel 27. Hij voegt er eventueel zijn advies bij.

Art. 29.Als het college van burgemeester en schepenen bij de organisatie van het openbaar onderzoek zijn verplichtingen niet nakomt, kan de technisch ambtenaar hem bij aangetekend schrijven een met redenen omklede waarschuwing sturen waarbij hij wijst op de maatregelen die het verzuimt te nemen en waarbij hem een redelijke termijn wordt toegestaan om orde op zaken te stellen en zijn houding te rechtvaardigen.

Indien geen gevolg wordt gegeven aan deze waarschuwing, kan de technisch ambtenaar zich op de door de Regering bepaalde wijze in de plaats stellen van het college en elke nuttige maatregel treffen in de plaats van de gemeentelijke overheid. Afdeling III. - Advies

Art. 30.De technisch ambtenaar maakt het aanvraagdossier voor advies over aan de verschillende organen die hij aanwijst, de dag waarop hij de bevoegde overheid zijn beslissing toestuurt waarbij de aanvraag overeenkomstig artikel 21 volledig en ontvankelijk wordt bevonden, of na afloop van de termijn bedoeld in artikel 20, eerste en derde lid.

Deze organen verzenden of geven hun advies af tegen ontvangbewijs binnen een termijn van zestig dagen als de aanvraag een inrichting van klasse 1 betreft, of binnen dertig dagen als ze een inrichting van klasse 2 betreft, te rekenen van de datum waarop de aanvraag aanhangig wordt gemaakt bij de technisch ambtenaar.

Als het advies niet binnen de in het tweede lid bedoelde termijn tegen ontvangbewijs wordt verzonden of afgegeven, wordt het geacht gunstig te zijn.

Art. 31.Op verzoek van de technisch ambtenaar of van één van de geraadpleegde besturen en overheden, plegen deze laatste ten minste één keer overleg om hun standpunt over het project te harmoniseren.

De overlegregels worden door de Regering vastgelegd.

Art. 32.§ 1. Op basis van de ingewonnen adviezen maakt de technisch ambtenaar een syntheserapport op. Dat rapport bevat de tijdens de procedure ingewonnen adviezen, alsmede het advies van de technisch ambtenaar waarbij een voorstel van beslissing gaat, met, in voorkomend geval, specifieke exploitatienormen.

Het syntheserapport wordt aan de bevoegde overheid overgemaakt binnen een termijn van : 1° vijftig dagen als de vergunningaanvraag betrekking heeft op een inrichting van klasse 2;2° honderd dagen als de vergunningaanvraag betrekking heeft op een inrichting van klasse 1 die gelegen is in een bedrijfsruimte, een specifieke bedrijfsruimte of een gebied met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat, zoals bepaald bij het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium;3° honderd en tien dagen als de vergunningaanvraag betrekking heeft op een inrichting van klasse 1 die niet in 2° vermeld wordt. De technisch ambtenaar verwittigt de aanvrager de dag waarop hij het syntheserapport overmaakt. § 2. De in paragraaf 1 bedoelde termijn kan verlengd worden bij beslissing van de technisch ambtenaar. De verlengde termijn mag niet langer lopen dan dertig dagen. Deze beslissing wordt binnen de in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde termijn aan de bevoegde overheid en de aanvrager gestuurd.

Art. 33.De Regering bepaalt de minimale inhoud van de adviezen.

Elk advies wordt met redenen omkleed.

Art. 34.Als het syntheserapport niet binnen de voorgeschreven termijn aan de bevoegde overheid wordt gestuurd, zet deze laatste de procedure voort rekening houdende met het dossier van de effectrapportering, de resultaten van het onderzoek, het overeenkomstig artikel 28 uitgebrachte advies van het of de college(s) van burgemeester en schepenen, en met elk nader gegeven waarover ze beschikt. Afdeling V. - {dt}Beslissing{edt}

Art. 35.De bevoegde overheid stuurt haar beslissing bij ter post aangetekend schrijven aan de aanvrager en aan de technisch ambtenaar als deze laatste niet de bevoegde overheid is, en bij gewone post aan elke geraadpleegde overheid en elk geraadpleegd bestuur binnen een termijn van : 1° zeventig dagen als de vergunningaanvraag betrekking heeft op een inrichting van klasse 2;2° honderddertig dagen als de vergunningaanvraag betrekking heeft op een inrichting van klasse 1 die gelegen is in een bedrijfsruimte, een specifieke bedrijfsruimte of een gebied met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat, zoals bepaald bij het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium;3° honderdveertig dagen als de vergunningaanvraag betrekking heeft op een inrichting van klasse 1 die niet in 2° vermeld wordt. Als het syntheserapport overgemaakt wordt voor het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 32, § 1, tweede lid, stuurt de bevoegde overheid, in afwijking van het eerste lid, haar beslissing bij ter post aangetekend schrijven aan de aanvrager en aan de technisch ambtenaar als deze laatste niet de bevoegde overheid is, en bij gewone post aan elke geraadpleegde overheid en elk geraadpleegd bestuur binnen een termijn van : 1° twintig dagen, te rekenen van de dag waarop ze het syntheserapport ontvangt overeenkomstig artikel 32, voor inrichtingen van klasse 2;2° dertig dagen, te rekenen van de dag waarop ze het syntheserapport ontvangt overeenkomstig artikel 32, voor inrichtingen van klasse 1. In de hypothese van artikel 32, § 2, wordt de termijn waarover de bevoegde overheid beschikt om haar beslissing te verzenden verlengd met dezelfde termijn als die door de technisch ambtenaar bepaald wordt.

Art. 36.De technisch ambtenaar en de gemeente houden elk een vergunningenregister. De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van het register.

Art. 37.Als het syntheserapport overeenkomstig artikel 32 wordt verzonden en een gunstig advies van de technisch ambtenaar alsmede, in voorkomend geval, specifieke normen bevat, wordt de beslissing, indien ze niet binnen de in artikel 35 bedoelde termijn is verstuurd, geacht genomen te zijn overeenkomstig de algemene en sectorale normen bedoeld in artikel 5 en de specifieke normen die eventueel opgenomen zijn in het in artikel 32 bedoelde syntheserapport dat de technisch ambtenaar aan de aanvrager stuurt.

Als de beslissing niet binnen de in artikel 35 bedoelde termijn wordt verzonden en als het syntheserapport niet overeenkomstig artikel 32 wordt verzonden of een ongunstig advies van de technisch ambtenaar bevat, wordt de vergunning geacht geweigerd te zijn.

Art. 38.§ 1. In de gemeente(n) op het grondgebied waarvan een openbaar onderzoek wordt georganiseerd, laat de burgemeester gedurende minimum tien dagen een bericht aanplakken met de volgende gegevens : 1° het voorwerp van de beslissing;2° de plaats(en) waar de beslissing ter inzage ligt;3° de dagen waarop de beslissing ter inzage ligt, waarvan ten minste één werkdag per week tot twintig uur of zaterdagochtend;4° het adres van het door de Regering aangewezen bestuur waar de bezwaren kunnen worden ingediend, alsmede de desbetreffende voorschriften en termijnen;5° het recht om inzage te nemen van het dossier bij de diensten van de bevoegde overheid, binnen de perken bepaald bij het decreet van 13 juni 1991 betreffende de vrije toegang van de burger tot informatie over het leefmilieu. § 2. Het bericht wordt aangeplakt binnen tien dagen hetzij nadat het college van burgemeester en schepenen de beslissing heeft genomen, hetzij na ontvangst van de beslissing door het gemeentebestuur, hetzij na afloop van de in artikel 35 bedoelde termijn : 1° nabij de plaats waar het project uitgevoerd moet worden, op een plek die zichtbaar is vanaf de openbare weg;2° in het gemeentehuis;3° op de gebruikelijke aanplakplaatsen. Aan het einde van de aanplaktermijn bevestigt de burgemeester de aanplakking aan de hand van een attest.

De aanplaktermijn loopt vanaf de dag volgend op de eerste dag van aanplakking. § 3. Gedurende de hele aanplakperiode worden de aanvraag en de beslissing, of het daarmee gelijkgestelde document, ter inzage afgegeven bij de diensten van het gemeentebestuur van de gemeente(n) op het grondgebied waarvan het project uitgevoerd moet worden. § 4. Als het college van burgemeester en schepenen verzuimt het bericht binnen de in paragraaf 2 bedoelde termijn aan te plakken, kan elke belanghebbende persoon, vooraleer de vergunning in werking treedt, de technisch ambtenaar bij aangetekend schrijven aanmanen binnen vijftien dagen orde op zaken te stellen en de aanplakking aan de hand van een attest te bevestigen. Afdeling V. - Vereenvoudigde procedure

Art. 39.De aanvragen voor tijdelijke inrichtingen en proefinrichtingen worden onderworpen aan een vereenvoudigde procedure waarvan de regels in de leden 2 tot 6 vastliggen.

In afwijking van artikel 24, eerste lid, en binnen de perken bedoeld in het tweede lid van die bepaling, zijn de aanvragen voor tijdelijke inrichtingen en proefinrichtingen niet onderworpen aan een openbaar onderzoek. Als desalniettemin een openbaar onderzoek wordt geëist, mag het niet langer duren dan vijftien dagen.

In afwijking van artikel 30, tweede lid, verzenden de organen hun advies binnen een termijn van twintig dagen.

In afwijking van artikel 32, § 1, tweede lid, wordt het syntheserapport van de technisch ambtenaar binnen een termijn van dertig dagen aan de bevoegde overheid gestuurd.

In afwijking van artikel 32 verstuurt de bevoegde overheid haar beslissing binnen een termijn van veertig dagen.

Als de beslissing niet binnen die termijn wordt verzonden : 1° wordt de beslissing geacht genomen te zijn overeenkomstig de algemene en sectorale normen bedoeld in artikel 5 en, in voorkomend geval, de specifieke normen bedoeld in het syntheserapport, als het rapport overeenkomstig het vierde lid is verstuurd en een gunstig advies van de technisch ambtenaar bevat;2° of wordt de vergunning geacht geweigerd te zijn, als het syntheserapport niet overeenkomstig het vierde lid is verzonden of een ongunstig advies van de technisch ambtenaar bevat. In de gemeente(n) op het grondgebied waarvan de vestiging van de inrichting gepland is, laat de burgemeester een bericht aanplakken volgens dezelfde voorschriften als die bedoeld in artikel 38. HOOFDSTUK IV. - Beroep

Art. 40.§ 1. Elke belangstellende natuurlijke of rechtspersoon of de technisch ambtenaar kan bij de Regering een beroep instellen tegen de beslissingen van de in artikel 13, eerste en tweede lid, bedoelde overheden m.b.t. de afgifte van milieuvergunningen voor niet-tijdeljke inrichtingen en tegen het feit dat die overheden na afloop van de in artikel 35 bedoelde termijn geen beslissing hebben genomen.

Het feit dat de in artikel 13, eerste lid, bedoelde overheden geen beslissing hebben genomen i.v.m. de afgifte van milieuvergunningen voor niet-tijdelijke inrichtingen houdt in dat die overheden geen beroep kunnen indienen.

Het beroep wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, bij ter post aangetekende brief tegen bericht van ontvangst verstuurd of tegen ontvangbewijs afgegeven aan de inzake beroepen bevoegde technisch ambtenaar, binnen een termijn van twintig dagen te rekenen van : 1° de dag van ontvangst van de in artikel 35 bedoelde beslissing voor de aanvrager en de technisch ambtenaar;2° de eerste dag van aanplakking van de beslissing overeenkomstig artikel 38 voor de personen die niet onder 1° opgenomen zijn.Als de beslissing in verschillende gemeenten wordt aangeplakt, wordt de termijn verlengd tot de twintigste dag volgend op de eerste dag van aanplakking in de gemeente die de beslissing in laatste instantie laten aanplakken. § 2. Het beroep schorst de aangevochten beslissing niet, behalve als het door de technisch ambtenaar wordt ingesteld. § 3. De technisch ambtenaar maakt een syntheserapport op, met name op grond van de krachtens § 6 ingewonnen adviezen. Dat rapport bevat de in artikel 32 bedoelde gegevens.

Het syntheserapport wordt aan de Regering gestuurd binnen een termijn van : 1° vijftig dagen als het beroep betrekking heeft op een inrichting van klasse 2;2° zeventig dagen als het beroep betrekking heeft op een inrichting van klasse 1 gelegen in een bedrijfsruimte, een specifieke bedrijfsruimte of een gebied met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat, zoals bedoeld in het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium;3° negentig dagen als het beroep betrekking heeft op een inrichting van klasse 1 die niet onder 2° opgenomen is. De termijn begint te lopen vanaf de eerste dag na ontvangst van het beroep. Als meer beroepen worden ingesteld, begint de termijn te lopen vanaf de eerste dag na ontvangst van het laatste beroep.

De technisch ambtenaar verwittigt de aanvrager de dag waarop hij het syntheserapport overmaakt. § 4. De Regering stuurt de aanvrager haar beslissing binnen een termijn van : 1° zeventig dagen als het beroep betrekking heeft op een inrichting van klasse 2;2° negentig dagen als het beroep betrekking heeft op een inrichting van klasse 1 gelegen in een bedrijfsruimte, een specifieke bedrijfsruimte of een gebied met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat, zoals bedoeld in het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Patrimonium;3° honderd en tien dagen als het beroep betrekking heeft op een inrichting van klasse 1 die niet onder 2° opgenomen is. De termijn begint te lopen vanaf de eerste dag na ontvangst van het beroep. Als meer beroepen worden ingesteld, begint de termijn te lopen vanaf de eerste dag na ontvangst van het laatste beroep.

Als het syntheserapport vóór het verstrijken van de in § 3 bedoelde termijn wordt overgemaakt, stuurt de Regering, in afwijking van het eerste lid, haar beslissing binnen een termijn van : 1° twintig dagen, te rekenen van de dag waarop ze het syntheserapport overeenkomstig § 3 ontvangt, voor inrichtingen van klasse 2;2° dertig dagen, te rekenen van de dag waarop ze het syntheserapport overeenkomstig § 3 ontvangt, voor inrichtingen van klasse 1. Als de beslissing niet wordt verzonden binnen de termijn bedoeld in de leden 1 à 3 : 1° wordt ze geacht genomen te zijn met inachtneming van de algemene en sectorale normen en, in voorkomend geval, van de specifieke normen die in het syntheserapport vastliggen, als het syntheserapport overeenkomstig § 3 is overgemaakt of als het een gunstig advies van de technisch ambtenaar bevat;2° wordt de in eerste instantie genomen beslissing bevestigd, als het syntheserapport niet overeenkomstig § 3 is overgemaakt en als het een ongunstig advies van de technisch ambtenaar bevat. § 5. De Regering zendt haar beslissing gelijktijdig : 1° aan de overheid die in eerste instantie bevoegd is;2° aan de overheden en besturen die in de loop van de procedure advies hebben uitgebracht binnen de voorgeschreven termijn;3° aan de exploitant als hij niet de aanvrager is. Deze beslissing wordt ter kennis gebracht van de bevolking in elke gemeente waar een openbaar onderzoek wordt ingesteld volgens de voorschriften en binnen de termijn bedoeld in artikel 38. § 6. De Regering bepaalt : 1° de gegevens die het beroep moet bevatten, de vorm ervan en het aantal in te dienen exemplaren;2° de voorschriften volgens welke het beroep ter kennis van de bevolking wordt gebracht;3° de wijze waarop het beroep wordt onderzocht, de te raadplegen instellingen en de termijnen binnen welke de adviezen worden uitgebracht.Als een advies niet binnen de voorgeschreven termijn wordt verzonden of tegen ontvangbewijs afgegeven, wordt het geacht gunstig te zijn. § 7. Als de vergunningweigering voortvloeit uit het gebrek aan beslissing in eerste instantie en in beroep en als geen enkel syntheserapport is overgemaakt binnen de voorgeschreven termijnen, moet het Gewest een vergoeding betalen die gelijk is aan twintig maal het bedrag van het in artikel 177, tweede lid, 1° en 2°, bedoelde dossiersrecht. De vergoedingsaanvragen vallen onder de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken.

Art. 41.De aangever kan een niet-opschortend beroep bij de Regering instellen tegen de beslissingen bedoeld in artikel 14, § 5.

Het beroep wordt, op straffe van niet-ontvankelijkheid, verstuurd of afgegeven tegen ontvangbewijs binnen een termijn van twintig dagen, te rekenen van de dag waarop de aangever de in artikel 14, § 5, bedoelde beslissing in ontvangst neemt.

De Regering beslist na het advies van de technisch ambtenaar te hebben ingewonnen. De Regering stuurt haar beslissing binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen van de eerste dag na de ontvangst van het beroep. Als de beslissing niet binnen deze termijn wordt verzonden, wordt het beroep geacht verworpen te zijn. HOOFDSTUK V. - Verbouwing en uitbreiding van een ingedeelde inrichting

Art. 42.Onverminderd het tweede lid valt elke in de artikelen 10, § 1, tweede lid, 2°, of 11, derde lid, bedoelde verbouwing of uitbreiding van een ingedeelde inrichting onder de bepalingen van de hoofdstukken III en IV. Als de geplande verbouwing of uitbreiding niet van dien aard is dat ze de in artikel 2 bedoelde risico's, hinder of ongemakken kan vergroten, kan de bevoegde overheid op voorstel van de technisch ambtenaar beslissen de aanvraag niet aan een openbaar onderzoek te onderwerpen. HOOFDSTUK VI. - Mobiele inrichtingen

Art. 43.De verleende milieuvergunning of de aangifte geldt voor het geheel van de sites waar de inrichting geëxploiteerd wordt of zal worden.

Wanneer de technisch ambtenaar een vergunning voor een mobiele inrichting afgeeft, schrijft hij exploitatienormen voor op grond waarvan de inrichting overeenkomstig artikel 2 wordt geëxploiteerd, ongeacht de plaats van de exploitatie.

Hij kan met name een beperkte lijst van plaatsen opgeven waar exploitatie toegelaten is, of exploitatie op bepaalde plaatsen uitsluiten.

Art. 44.De exploitant stuurt ten minste vijftien dagen vóór elke inwerkingtreding, op een verschillende plaats, van een vergunning voor mobiele inrichtingen een afschrift van de vergunning of van de aangifte, met opgave van de duur en de exploitatieplaats, aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op het grondgebied waarvan de exploitatie zal plaatsvinden, alsmede aan de technisch ambtenaar. HOOFDSTUK VII. - Inhoud en gevolgen van de milieuvergunning Afdeling I. - Inhoud van de beslissing

Art. 45.§ 1. De beslissing waarbij de vergunning wordt verleend, vermeldt op zijn minst : 1° de identiteit van de exploitant;2° de ligging, de identificatie en de beschrijving van de goedgekeurde inrichting(en);3° de duur van de vergunning en de datum waarop ze wordt afgegeven;4° de termijn binnen welke de vergunning ten uitvoer moet worden gebracht;5° de melding dat de vergunning begint te lopen vanaf de dag waarop ze uitvoerbaar wordt overeenkomstig artikel 46;6° de voorschriften inzake de lucht-, water- en grondbescherming en de maatregelen betreffende het beheer van de door de inrichting voortgebrachte afval;7° de maatregelen en de termijn voor de sanering van de inrichting aan het einde van de exploitatie ervan. In voorkomend geval bevat ze ook : 1° de specifieke exploitatienormen en de technische en financiële garanties die de bevoegde overheid nodig acht;2° de dag waarop de vergunning uitvoerbaar wordt, ingeval ze na beroep wordt verleend;3° de gewijzigde of aangevulde gegevens van de oorspronkelijke vergunning als de beslissing waarbij de vergunning wordt verleend, betrekking heeft op de verbouwing of de uitbreiding van een inrichting. § 2. De Regering bepaalt welke andere gegevens in de vergunning vermeld moeten worden. Afdeling II. - Gevolgen van de vergunning

Art. 46.Onverminderd de artikelen 40, § 2, 54, 55, § 3, en 57, tweede lid, is de beslissing waarbij de vergunning wordt verleend, uitvoerbaar vanaf : 1° de dag na afloop van de in artikel 40, § 1, bedoelde termijn binnen welke het beroep moet worden ingesteld;2° de dag na de kennisgeving daarvan aan de aanvrager of, zoniet, de dag na afloop van de termijn waarover de voor beroepen bevoegde overheid beschikt om een beslissing te nemen, als de vergunning na beroep wordt verleend;3° de dag na de kennisgeving daarvan aan de aanvrager of, zoniet, de dag na afloop van de termijn waarover de voor bevoegde overheid beschikt om zich uit te spreken als de beslissing waarbij de vergunning wordt verleend niet vatbaar is voor beroep.

Art. 47.Voor zover de door de Regering bepaalde regels van openbaarmaking in acht worden genomen, heeft de vergunning tot gevolg dat de in de aanvraag vermelde erfdienstbaarheden die het gevolg zijn van de daad van de mens en verbintenissen bij overeenkomst vervallen of gewijzigd worden, onverminderd de door de aanvrager te betalen vergoeding van de houders van deze rechten.

Art. 48.De verleende vergunning vervalt : 1° als ze niet ten uitvoer wordt gebracht vóór het verstrijken van de door de overheid overeenkomstig artikel 53, § 1, vastgelegde termijn;2° als de goedgekeurde inrichting niet geëxploiteerd wordt gedurende twee opeenvolgende jaren.

Art. 49.De krachtens dit decreet verleende vergunningen benadelen de rechten van derden niet. Afdeling III. - Geldigheidsduur van de vergunning

Art. 50.§ 1. Onverminderd de artikelen 1, 4°, en 52, wordt de vergunning verleend voor maximum twintig jaar.

De bevoegde overheid kan de specifieke exploitatienormen opgeven die vóór het verstrijken van de vergunning moeten worden herzien, alsmede de datum waarop de aanvraag om hernieuwing moet worden ingediend. § 2. De Regering kan een kortere maximale geldigheidsduur bepalen voor de ingedeelde installaties en activiteiten die zij aanwijst. § 3. De geldigheidsduur van de vergunning wordt berekend vanaf de dag waarop de beslissing waarbij de vergunning wordt verleend, overeenkomstig artikel 46 uitvoerbaar wordt.

Art. 51.Als de vergunning betrekking heeft op de verbouwing of de uitbreiding van een inrichting, wordt ze verleend voor een termijn die verstrijkt uiterlijk de dag waarop de vergunning voor de oorspronkelijke inrichting verstrijkt.

Art. 52.§ 1. De geldigheidsduur van de vergunning kan niet verlengd worden, behalve voor een tijdelijke inrichting.

De voor een tijdelijke inrichting verleende vergunning mag één keer verlengd worden met een duur die maximum gelijk is aan die van de oorspronkelijke vergunning, zonder evenwel één jaar te mogen overschrijden. § 2. De Regering bepaalt de procedure voor de aanvraag om verlenging van de voor een tijdelijke inrichting verleende vergunning. Afdeling IV. - Tenuitvoerlegging van de vergunning

Art. 53.§ 1. De overheid die een milieuvergunning verleent, bepaalt de termijn binnen welke deze ten uitvoer moet worden gelegd. Die termijn mag niet langer lopen dan twee jaar. De overheid kan op bijzonder met redenen omkleed verzoek evenwel een nieuwe vergunning voor maximum twee jaar verlenen.

Voor een tijdelijke inrichting mag de termijn voor de tenuitvoerlegging van de vergunning niet langer lopen dan één jaar. § 2. De termijn voor de tenuitvoerlegging van de vergunning begint te lopen vanaf de dag waarop de beslissing waarbij de vergunning wordt verleend, uitvoerbaar wordt.

Art. 54.De Regering bepaalt de gevallen waarin de tenuitvoerlegging van de vergunning afhangt van de verwerving door de vergunninghouder van zakelijke rechten op de goederen waarop de exploitatie betrekking heeft. HOOFDSTUK VIII. - Exploitatienormen en verplichtingen van de exploitant Afdeling I. - Exploitatienormen

Art. 55.§ 1. Op voorstel van de technisch ambtenaar, dat in in het syntheserapport opgenomen is, kan de bevoegde overheid verlangen dat de exploitant vóór de tenuitvoerlegging van de milieuvergunning ten gunste van de Regering een zekerheid stelt om aan te geven dat hij zijn verplichtingen inzake de sanering van de site zal nakomen. Het bedrag van de zekerheid stemt overeen met de prijs die de openbare overheid zou moeten betalen voor de sanering.

De Regering bepaalt de gevallen waarin hoe dan ook een zekerheid verlangd wordt. Voor de installaties die ze aanwijst kan ze bepalen dat het bedrag van de zekerheid de kosten dekt voor de periode binnen welke de inrichting onderhouden wordt en onder controle en toezicht staat. § 2. De zekerheid wordt ten belope van het in de vergunning bepaalde bedrag gesteld d.m.v. een deposito bij de deposito- en consignatiekas, een onafhankelijke bankgarantie of elke andere vorm van zekerheid die de Regering bepaalt, naar keuze van de aanvrager.

Als de zekerheid gesteld wordt d.m.v. een storting in contanten, moet de exploitant van de inrichting de zekerheid jaarlijks verhogen ten belope van de gedurende het afgelopen jaar opgebrachte interesten.

Als de zekerheid gesteld wordt d.m.v. een onafhankelijke bankgarantie, moet deze uitgegeven worden door een kredietinstelling die erkend is door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen of door een overheid van een Lidstaat van de Europese Unie die gemachtigd is om kredietinstellingen te controleren.

De milieuvergunning kan bepalen dat de zekerheid in tranches wordt gesteld, voor zover deze overeenstemmen met exploitatiefases bedoeld in de vergunning. § 3. Als een zekerheid wordt verlangd, is de milieuvergunning pas uitvoerbaar als de technisch ambtenaar bevestigt dat de zekerheid gesteld is.

Als de zekerheid in tranches wordt gesteld, is de milieuvergunning voor een deel van de exploitatie pas uitvoerbaar wanneer de technisch ambtenaar bevestigt dat de overeenstemmende tranche van de vereiste zekerheid gesteld is. § 4. Op voorstel van de technisch ambtenaar waarbij een evolutie van de geraamde saneringskosten wordt gerechtvaardigd, kan de overheid die bevoegd is om de milieuvergunning in eerste instantie te verlenen het bedrag van de zekerheid in de loop van de exploitatie wijzigen. § 5. De technisch ambtenaar moet de sanering vaststellen binnen een termijn van zestig dagen, te rekenen van de dag waarop de exploitant de aanvraag om vaststelling heeft ingediend. Als geen beslissing wordt genomen binnen de voorgeschreven termijn, wordt de sanering geacht conform te zijn.

Na afloop van een termijn van drie maanden, te rekenen van de dag waarop de sanering is vastgesteld, en als de technisch ambtenaar geen voorbehoud maakt, wordt de zekerheid vrijgegeven en worden de eventuele interesten terugbetaald overeenkomstig de voorschriften van § 7. § 6. De technisch ambtenaar kan één enkele bijkomende termijn toestaan voor de sanering. Als de plaats niet gesaneerd is binnen de voorgeschreven termijn, laat de Regering van ambtswege tot de sanering overgaan door de zekerheidstelling te eisen.

Als het bedrag onvoldoende is, verhaalt de Regering de aanvullende kosten op de houder van de vergunning. § 7. De Regering kan bijkomende bepalingen opleggen waaraan de zekerheden moeten voldoen, en, in voorkomend geval, standaard-zekerheidsvoorwaarden. Ze bepaalt de wijze waarop de zekerheid wordt vrijgegeven wanneer de exploitant al zijn verplichtingen inzake de sanering nakomt, alsmede de procedure in geval van niet-nakoming van deze verplichtingen.

Art. 56.Onverminderd artikel 8 houdt de bevoegde overheid, wanneer ze specifieke exploitatienormen oplegt, rekening met de resultaten die geboekt kunnen worden door een beroep te doen op de beste beschikbare technieken, zonder het gebruik van een specifieke techniek of technologie op te leggen en met inachtneming van de eigenschappen van de bedoelde installatie, de ligging ervan en de plaatselijke milieuomstandigheden.

Als de milieukwaliteit strengere normen vereist dan die welke verkregen kunnen worden door een beroep te doen op de in het eerste lid bedoelde technieken, legt de bevoegde overheid bijkomende specifieke normen op. Afdeling II. - Verplichtingen van de exploitant

Art. 57.De exploitant die een milieuvergunning heeft verkregen, stelt de bevoegde overheid, het college van burgemeester en schepenen en de technisch ambtenaar ten minste vijftien dagen vóór de tenuitvoerlegging van de milieuvergunning in kennis van de datum ervan.

De bevoegde overheid of de Regering kan bepalen in welke gevallen de tenuitvoerlegging van de milieuvergunning onderworpen is aan de voorafgaande goedkeuring van de technisch ambtenaar en de termijn binnen welke ze goedgekeurd moet worden.

Art. 58.§ 1. De exploitant van een inrichting van klasse 1 of 2 moet voldoen aan de algemene, sectorale en specifieke normen of, in het geval van een inrichting van klasse 3, aan de algemene, sectorale en specifieke normen die van toepassing zijn op zijn inrichting en aan de aanvullende normen die de bevoegde overheid eventueel heeft voorgeschreven op grond van artikel 14, § 5.

Wanneer de bevoegde overheid specifieke normen oplegt en, in voorkomend geval, de in artikel 14, § 5, bedoelde specifieke normen, kan zij evenwel bepalen binnen welke termijn de normen moeten worden toegepast. § 2. Ongeacht de verleende vergunning of de aangifte en onverminderd de bij andere bepalingen opgelegde verplichtingen, moet de exploitant van een inrichting : 1° de nodige voorzorgen nemen om de aan de inrichting inherente risico's, hinder of ongemakken te voorkomen of te verhelpen;2° de bevoegde overheid onmiddellijk in kennis stellen van elk ongeval of incident dat de in artikel 2 bedoelde belangen zou kunnen schaden;3° de ambtenaren en bevoegde personeelsleden de nodige bijstand verlenen zodat ze de in artikel 61, § 1, 3°, 4° en 5° bedoelde acties tot een goed eind kunnen brengen;4° de bevoegde overheid en de technisch ambtenaar ten minste 10 dagen vóór de stopzetting van een activiteit in kennis stellen daarvan, behalve overmacht.

Art. 59.De exploitant bewaart op de plaats van de inrichting of op elke andere met de bevoegde overheid overeengekomen plaats het geheel van de geldende vergunningen of aangiften, alsmede elke beslissing van de bevoegde overheid waarbij de in artikel 14, § 5, bedoelde aanvullende exploitatienormen worden opgelegd en, in voorkomend geval, de lijst van de incidenten en ongevallen bedoeld in artikel 58, § 2, 2°. Afdeling III. - Verandering van exploitant

Art. 60.§ 1. Als een inrichting geheel of gedeeltelijk wordt geëxploiteerd door een andere persoon dan de houder van een milieuvergunning of, in het geval van een inrichting van klasse 3, door een andere persoon dan de aangever, wordt de overheid die bevoegd is om de vergunning in eerste instantie af te geven, daarvan gelijktijdig in kennis gesteld door de overdrager of zijn rechthebbenden en de overnemer.

In dat geval bevestigt de overnemer schriftelijk dat hij kennis heeft genomen van de vergunning of de aangifte en van de eventuele aanvullende normen die de bevoegde overheid heeft voorgeschreven op grond van artikel 14, § 5, dat hij dezelfde activiteit voortzet en de in de milieuvergunning vastliggende normen of de eventueel voorgeschreven aanvullende normen aanvaardt.

De bevoegde overheid verleent onmiddellijk akte van haar aangifte aan de overnemer en stelt de technisch ambtenaar in kennis daarvan. § 2. Zolang de overdracht niet gezamenlijk is aangegeven en, in voorkomend geval, geen nieuwe zekerheid is gesteld, blijft de overdragende exploitant of zijn rechthebbenden samen met de overnemer hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die zou kunnen ontstaan als de nieuwe exploitant niet voldoet aan de exploitatienormen die van toepassing zijn op zijn inrichting. § 3. De Regering kan de overdracht van de vergunningen verbieden voor de inrichtingen die ze aanwijst, of aan andere normen onderwerpen. § 4. Bij elke akte tot overdracht of aanwijzing van onroerende zakelijke rechten op de inrichting, zoals bedoeld in artikel 1 van de hypotheekwet van 16 december 1851, leest de notaris dit artikel voor aan de aanwezige partijen en vermeldt hij het in de akte. HOOFDSTUK IX. - Toezicht en administratieve maatregelen Afdeling I. - Toezicht en inspectie

Art. 61.§ 1. Onverminderd de plichten van de officieren van de gerechtelijke politie zijn de burgemeester en de door de Regering aangewezen ambtenaren en personeelsleden bevoegd om toe te zien op de uitvoering van het decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Daartoe kunnen ze in het kader van hun opdracht : 1° elk ogenblik van de dag of de nacht alle plaatsen - zelfs gesloten en overdekte - betreden wanneer ernstige redenen laten vermoeden dat een overtreding van het decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan wordt begaan;als het gaat om een als hoofdverblijfplaats bewoonde inrichting, wordt de voorafgaande toestemming van de onderzoeksrechter vereist; 2° de gemeentepolitie en de rijkswacht om bijstand vragen;3° op grond van ernstige aanwijzingen van overtreding de nodige onderzoeken, controles en enquêtes instellen, alsook alle gegevens inwinnen die zij nodig achten om zich ervan te vergewissen dat de bepalingen van het decreet daadwerkelijk worden in acht genomen, en met name : a) elke persoon ondervragen over elk feit waarvan de kennisneming nuttig is voor de uitoefening van het toezicht;b) zich ter plaatse alle documenten, stukken of titels laten overleggen of opzoeken die nuttig zijn in het kader van hun opdracht, er een fotokopie of een ander afschrift van nemen of ze tegen ontvangbewijs meenemen;4° monsters nemen volgens de door de Regering bepaalde voorschriften;5° analyses laten uitvoeren volgens de overeenkomstig artikel 62 vastgestelde voorschriften.Als uit het analyseprotocol blijkt dat een overtreding is begaan, wordt proces-verbaal opgemaakt, overeenkomstig § 2, 2°, van dit artikel.

Bovendien wordt in het proces-verbaal vermeld dat de overtreder een tegenanalyse op eigen kosten kan laten verrichten; 6° de voor het vervoer gebruikte voertuigen tegenhouden, de lading ervan controleren;7° de nodige bewarende maatregelen nemen met het oog op het beheer van het bewijs en met name binnen een termijn van maximum tweeënzeventig uren : a) verbieden voorwerpen te verplaatsen of de inrichtingen of installaties verzegelen waar vermoedelijk een overtreding is begaan;b) de vervoermiddelen en andere toestellen waarmee een overtreding zou kunnen zijn begaan, tegenhouden, tot stilstand brengen of verzegelen. Ze verwittigen binnen 24 uur de procureur des Konings en de overheid die in eerste instantie bevoegd is.

De ambtenaren en personeelsleden leggen de eed af voor de rechtbank van eerste aanleg van hun verblijfplaats. De hoofdgriffier maakt een afschrift van de aanstellingsakte en van de akte van eedaflegging over aan zijn collega's van de rechtbanken van eerste aanleg gelegen in het ambtsgebied waar de ambtenaar of het personeelslid zijn ambt moet uitoefenen.

In het geval van een gewone verandering van verblijfplaats moeten ze geen nieuwe eed afleggen. § 2. In geval van overtreding van dit decreet en van de uitvoeringsbesluiten ervan kunnen de in § 1 bedoelde ambtenaren en personeelsleden : 1° de overtreder een termijn toestaan om orde op zaken te stellen. Deze termijn kan slechts één keer verlengd worden. De ambtenaar of het personeelslid deelt de getroffen maatregelen mee aan de procureur des Konings en aan de burgemeester van de gemeente waar de inrichting gelegen is. Na afloop van de termijn of van de verlengde termijn, al naar gelang het geval, maakt de ambtenaar of het personeelslid een verslag op dat hij binnen vijftien dagen aan de overtreder en aan de procureur des Konings zendt; 2° een proces-verbaal opmaken dat bewijskracht heeft, tenzij het tegendeel is bewezen;dit proces-verbaal wordt binnen vijftien dagen na de vaststelling van de overtreding of na afloop van de in 1° bedoelde termijn bij ter post aangetekende brief gezonden aan de procureur des Konings en aan de overtreder, op straffe van nietigheid. § 3. In de verslagen en processen-verbaal kan de ambtenaar of het personeelslid, als hij/het zulks gepast acht, de procureur des Konings voorstellen de artikelen 216bis en 216ter van het Wetboek van strafvordering toe te passen. In voorkomend geval maakt hij/het gewag van de analyse- of expertisekosten.

Art. 62.De Regering bepaalt de voorwaarden voor de erkenning van de laboratoria die met de officiële analyses belast worden. Ze kan types van analyseprotocollen bepalen,alsmede methodes voor de analyses en tegenanalyses, voorschriften voor de verdeling van de analyses onder de laboratoria en regels voor de financiering van de analyses en monsternemingen.

Als de algemene, sectorale, specifieke of integrale normen voorschriften bevatten i.v.m. de analyse- en monsternemingstechnieken of als de Regering er afzonderlijk heeft opgelegd, moeten de monsternemingen, analyses en tegenanalyses volgens die voorschriften verricht worden.

Art. 63.Onverminderd de uitoefening van de in artikel 61 bedoelde toezichtsbevoegdheid, houdt de technisch ambtenaar een systematische inspectie van de inrichtingen die moeten voldoen aan de door de Regering goedgekeurde sectorale normen voor de beheersing van de risico's inherent aan ernstige ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen gemoeid zijn. Deze inspecties zijn niet afhankelijk van de ontvangst van het veiligheidsrapport of andere rapporten. Op grond van die inspecties kunnen de technische systemen, alsmede de organisatie- en beheerssystemen die in de betrokken inrichting worden toegepast op een geplande en systematische wijze onderzocht worden zodat : 1° de exploitant kan bewijzen dat hij de gepaste maatregelen heeft genomen om ernstige ongevallen te voorkomen, rekening houdende met de activiteiten van de inrichting;2° de exploitant kan bewijzen dat hij over de gepaste middelen beschikt om de gevolgen van ernstige ongevallen op en buiten de site te beperken;3° de in het veiligheidsrapport of in een ander rapport vermelde gegevens of informatie de toestand van de inrichting exact weergeven;4° personen die het slachtoffer zouden kunnen worden van een ernstig ongeval in een inrichting die een veiligheidsrapport moet opmaken, in kennis gesteld kunnen worden van de te nemen veiligheidsmaatregelen en van de in acht te nemen richtlijnen in geval van ongeval. Het in het eerste lid bedoelde inspectiesysteem voorziet in een systematisch inspectieprogramma voor alle inrichtingen die moeten voldoen aan de door de Regering goedgekeurde sectorale normen inzake de beheersing van ernstige risico's inherent aan ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen gemoeid zijn. De bevoegde overheid laat ten minste om de twaalf maanden een inspectie uitvoeren op de site van elke inrichting waar een veiligheidsrapport moet worden overgelegd, tenzij ze een inspectieprogramma heeft opgemaakt dat voorziet in een langere tussentijd tussen de inspecties, na een systematische evaluatie van de risico's inherent aan ernstige ongevallen die zich in een specifieke inrichting kunnen voordoen.

De Regering bepaalt de bij de inspectie in acht te nemen regels, de voorwerpen waarop de inspectie betrekking heeft, alsmede de frequentie waarmee elke in het eerste lid bedoelde inrichting geïnspecteerd wordt. Afdeling II. - Maatregelen inzake de administratieve politie

Onderafdeling I. - Gevolgen voor de vergunning als er geen overtreding is

Art. 64.De Regering kan bepalen in welke gevallen de specifieke exploitatienormen die in de afgegeven vergunningen opgenomen zijn, opnieuw onderzocht moeten worden. In voorkomend geval vermeldt ze de periodiciteit van de onderzoeken.

Art. 65.§ 1. Vooraleer de vergunning in eerste instantie af te geven kan de bevoegde overheid op advies van de technisch ambtenaar en van de door de Regering aangewezen organen de specifieke exploitatienormen aanvullen of wijzigen : 1° als ze vaststelt dat ze niet meer geschikt zijn om de in artikel 2 bedoelde risico's, hinder of ongemakken te voorkomen, te beperken of te verhelpen;2° om, zo nodig, te zorgen voor de inachtneming van de door de Regering bepaalde immissienormen. § 2. De in eerste instantie bevoegde overheid schorst de vergunning tijdelijk of trekt ze in na advies van de technisch ambtenaar, als blijkt dat de exploitatie zelfs na aanvulling of wijziging van de exploitatienormen risico's, hinder of ongemakken veroorzaakt die de mens of het milieu ernstige schade kunnen toebrengen.

Art. 66.Als de inrichting waarvoor de milieuvergunning wordt afgegeven, gevestigd is in de nabijheid van een zone met één of meer installaties waar gebruik wordt gemaakt van gevaarlijke stoffen waarvan de lijst door de Regering is bepaald, gaat de technisch ambtenaar na of het gevaar voor een ernstig ongeval daar toeneemt en verwittigt hij de bevoegde overheid.

Als het gevaar voor een ernstig ongeval aanzienlijk toeneemt, treft de bevoegde overheid de gepaste maatregelen waardoor : 1° de betrokken exploitanten, dank zij een vlotte informatieuitwisseling, rekening kunnen houden met de aard en de omvang van het gevaar voor een ernstig ongeval en de nodige maatregelen kunnen treffen;2° ook de exploitanten de bevolking kunnen informeren en de bevoegde overheid de nodige gegevens kunnen verstrekken voor de voorbereiding van externe noodplannen;3° alles in het werk kan worden gesteld om te voorkomen dat een incident of een ongeval buiten de inrichting het gevaar voor een ernstig ongeval vergroot.

Art. 67.De bevoegde overheid oefent de in artikel 65 bedoelde bevoegdheden uit op eigen initiatief of op verzoek van : 1° de exploitant;2° de overheden en besturen die geraadpleegd worden gedurende de procedure voor de vergunningafgifte;3° de houder van een zakelijk of persoonlijk recht op een goed dat beschadigd is of zou kunnen worden door de verlaging van de grondwaterspiegel die aan waterwinning te wijten is;4° de houder van een vroeger verleende en niet vervallen vergunning voor de winning van tot drinkwater verwerkbaar water, als de waterhoeveelheid of kwaliteit op de winplaats vermindert of dreigt te verminderen.

Art. 68.Vooraleer een beslissing op grond van artikel 65 te nemen en behalve speciaal met redenen omklede dringende noodzakelijkheid biedt de bevoegde overheid de exploitant de mogelijkheid om zijn opmerkingen mondeling of schriftelijk te doen gelden binnen een redelijke termijn.

De procedureregels worden door de Regering bepaald.

Art. 69.Alle in artikel 67 bedoelde personen kunnen overeenkomstig hoofdstuk IV beroep instellen tegen de krachtens artikel 65 genomen beslissingen tot aanvulling of wijziging van de exploitatienormen of tot schorsing of intrekking van de vergunning. Het beroep schorst de betwiste beslissing, behalve in de in artikel 65, § 2, bedoelde gevallen.

Art. 70.Elke beslissing tot aanvulling of wijziging van de exploitatienormen en tot schorsing of intrekking van de vergunning wordt meegedeeld aan de exploitant, de technisch ambtenaar en de gemeenteoverheid. Ze vermeldt de termijn voor de tenuitvoerlegging van de normen. Ze wordt bovendien ter kennis gebracht van de bevolking door aanplakking, overeenkomstig de procedure bedoeld in artikel 38.

Onderafdeling II. - Gevolgen voor de inrichting als er geen overtreding is

Art. 71.§ 1. Onverminderd de toepassing van andere veiligheidsmaatregelen als het milieu of de veiligheid of de gezondheid van de bevolking ernstig bedreigd worden en als de exploitant zich niet wil richten naar de instructies van de door de Regering aangewezen ambtenaren en personeelsleden, neemt de burgemeester van ambtswege of op grond van het rapport van één van hen de nodige maatregelen om het gevaar af te wenden, met name door : 1° de gehele of gedeeltelijke stopzetting van de exploitatie te gelasten;2° de toestellen te verzegelen en zo nodig de inrichting onmiddellijk tijdelijk te laten sluiten;3° de exploitant een interventieplan of de overlegging van een saneringsplan op te leggen en, in voorkomend geval, ten gunste van het Gewest een zekerheid te stellen volgens één van de in artikel 55 bedoelde voorschriften om de sanering te waarborgen. Dezelfde bevoegdheden worden toegekend aan de door de Regering aangewezen ambtenaren of personeelsleden als de burgemeester verzuimt op te treden of als het gevaar zo groot is dat elke vertraging een ongeval kan veroorzaken. § 2. Het saneringsplan dat volgens de door de Regering bepaalde voorschriften goedgekeurd is, geldt als milieuvergunning en als stedenbouwkundige vergunning. De Regering kan voorschriften bepalen voor het opmaken, goedkeuren en uitvoeren van de saneringsplannen. § 3. Als de exploitant verzuimt een plan over te leggen of het niet in acht neemt wanneer het goedgekeurd is, kan de burgemeester of de Regering van ambtswege tot de sanering laten overgaan. Ze handelen krachtens artikel 74, § 4. § 4. De exploitant jegens wie een veiligheidsmaatregel is genomen, kan een beroep bij de Regering instellen tegen de in § 1 bedoelde beslissing. Het beroep is niet opschortend. Als geen beslissing wordt genomen binnen de door de Regering voorgeschreven termijn, wordt het beroep geacht verworpen te zijn.

De Regering legt regels vast i.v.m. het beroep en bepaalt met name : 1° welke gegevens het moet bevatten, de vorm ervan en het aantal in te dienen exemplaren;2° de wijze waarop het ter kennis wordt gebracht van de bevolking;3° de wijze waarop het onderzocht wordt door de bevoegde technisch ambtenaar. § 5. De exploitant jegens wie de veiligheidsmaatregel is genomen, en de andere belanghebbende personen kunnen de opheffing of de wijziging van de maatregel vragen aan de overheid die ze getroffen heeft, of aan de Regering als ze zich over het beroep heeft uitgesproken.

De aanvraag is niet opschortend.

De aanvraag wordt geacht geweigerd te zijn als de overheid zich niet heeft uitgesproken binnen één maand na ontvangst ervan. Er wordt overeenkomstig § 4 beroep ingesteld tegen de stilzwijgende of uitdrukkelijke weigering, behalve als de Regering zich heeft uitgesproken over het beroep. § 6. De krachtens § 5 ingediende aanvraag mag niet gelijktijdig met het in § 4 bedoelde beroep verzonden worden, op straffe van niet-ontvankelijkheid.

Onderafdeling III. - Gevolgen voor de vergunning of de aangifte in geval van overtreding

Art. 72.§ 1. Om de in artikel 2 bedoelde risico's, hinder of ongemakken te voorkomen of te verhelpen kan de overheid die bevoegd is om de milieuvergunning in eerste instantie af te geven, als een overtreding van dit decreet of van de uitvoeringsbesluiten ervan is vastgesteld, de vergunning schorsen of intrekken, met name als : 1° niet wordt voldaan aan de algemene, sectorale of specifieke normen die van toepassing zijn op haar inrichting;2° niet wordt voldaan aan de in artikel 58, § 2, bedoelde verplichtingen. De bevoegde overheid kan de exploitant, op zijn verzoek, in buitengewone omstandigheden en op gunstig verslag van de technisch ambtenaar evenwel toestemming geven om tijdelijk af te wijken van de exploitatienormen. § 2. Om de in artikel 2 bedoelde risico's, hinder of ongemakken te voorkomen of te verhelpen kan de overheid die bevoegd is om de aangifte in ontvangst te nemen, de exploitatie van de aan de aangifte onderworpen inrichting schorsen of verbieden als een overtreding van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan is vastgesteld. In dat geval verwittigt ze de door de Regering aangewezen ambtenaar.

Voor elke nieuwe aangifte van de betrokken inrichting moet de door de Regering aangewezen ambtenaar de bevoegde overheid eerst verwittigen dat de exploitatie kan worden verzekerd onder voorwaarden die voldoen aan de bepalingen van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan. § 3. Vóór elke beslissing tot schorsing, intrekking of verbod bedoeld in de §§ 1 en 2 richt de bevoegde overheid een waarschuwing aan de exploitant en deelt ze hem mee binnen welke termijn hij zich daarnaar moet richten.

Art. 73.De artikelen 67 tot 70 zijn toepasselijk op krachtens artikel 72 genomen beslissingen tot schorsing, intrekking of verbod van exploitatie. Het beroep tegen een op grond van artikel 72 genomen beslissing is echter niet opschortend.

Onderafdeling IV. - Gevolgen voor de inrichting in geval van overtreding

Art. 74.§ 1. Wanneer proces-verbaal van een overtreding van de artikelen 10, 11, 57 of 58 is opgemaakt, kan de burgemeester om de in artikel 2 bedoelde risico's, hinder of ongemakken te voorkomen of te verhelpen, op verslag van de door de Regering aangewezen ambtenaren en personeelsleden : 1° de gehele of gedeeltelijke stopzetting van de exploitatie gelasten;2° de toestellen verzegelen en zo nodig de inrichting onmiddellijk tijdelijk laten sluiten;3° de exploitant een interventieplan of de overlegging van een saneringsplan opleggen en, in voorkomend geval, ten gunste van het Gewest een zekerheid stellen volgens één van de in artikel 55 bedoelde voorschriften om de sanering te waarborgen. Als de burgemeester verzuimt op te treden, beschikken de in het eerste lid bedoelde ambtenaren of personeelsleden over dezelfde prerogatieven als hij.

De overeenkomstig het eerste lid, 1° en 2°, genomen maatregelen bij een overtreding van artikel 10 of 11 worden van rechtswege opgeheven zodra de milieuvergunning verleend wordt of zodra de bevoegde overheid de aangifte ontvankelijk verklaart. § 2. Het saneringsplan dat op de door de Regering bepaalde wijze is goedgekeurd, geldt als milieuvergunning en als stedenbouwkundige vergunning. De Regering kan bepalen hoe de saneringsplannen opgemaakt, goedgekeurd en uitgevoerd moeten worden. § 3. Als de overtreder verzuimt een plan in te dienen of de voorschriften ervan niet in acht neemt, kan de burgemeester of de Regering van ambtswege tot de sanering laten overgaan. Ze handelen krachtens § 4. § 4. Als de overtreder de opgelegde maatregelen niet binnen de voorgeschreven termijn treft, kan de Regering of haar gemachtigde de sanering van ambtswege of op verzoek van de burgemeester voor rekening van de overtreder laten uitvoeren door de openbare maatschappij bedoeld in artikel 39 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen. Bovendien kan de Regering of haar gemachtigde eisen dat de overtreder een zekerheid stelt overeenkomstig artikel 55.

De Regering of haar gemachtigde verwittigt de persoon (personen) die de zekerheid moet(en) stellen bij aangetekend schrijven, en wijst hem (hen) op het bedrag en de mogelijke wijzen van zekerheidsstelling.

Als binnen acht dagen geen zekerheid is gesteld, laat de Regering of haar gemachtigde een bevel tot betaling binnen 24 uur aan de overtreder betekenen, op straffe van uitvoering bij beslag.

Het stellen van een zekerheid naar aanleiding van de betekening van het bevel tot betaling, waarvan het bedrag onvoldoende is, belet de voortzetting van de vervolgingen niet.

Na afloop van de termijn binnen welke het bevel tot betaling moet worden gegeven, kan de Regering of haar gemachtigde een beslag laten uitvoeren op de wijze bedoeld in het Gerechtelijk wetboek.

Art. 75.De artikelen 71 en 74 zijn niet van toepassing als de sanering krachtens dit decreet wordt uitgevoerd door de openbare maatschappij bedoeld in artikel 39 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen.

Artikel 74 is niet van toepassing in de gevallen bedoeld in artikel 7, § 3, van het decreet van 25 juni 1991 betreffende de belasting op de afvalstoffen in het Waalse Gewest. Afdeling III. - Administratieve boetes

Art. 76.§ 1. Overtredingen van de artikelen 10, § 2, 57, 58, § 2, 4°, en 59 of van de krachtens deze artikelen genomen bepalingen worden gestraft met een geldboete van maximum 500.000 BEF. De personen die krachtens dit artikel strafbaar zijn met administratieve boetes, worden aangeduid met het woord "overtreder".

De administratieve boete is slechts van toepassing op de overtreder, zelfs als de overtreding door een aangestelde of een gemachtigde wordt begaan. § 2. Voor de in § 1, eerste lid, bedoelde overtredingen wordt voorzien in strafvervolgingen of in een administratieve boete.

De administratieve boete wordt opgelegd door de technisch ambtenaar.

De vastgestelde overtredingen van de in § 1, eerste lid, bedoelde bepalingen worden bij wege van administratieve boetes vervolgd, tenzij het openbaar ministerie, rekening houdende met de ernst van de overtreding, oordeelt dat er grond is tot strafvervolgingen.

De strafvervolgingen sluiten het opleggen van een administratieve boete uit, zelfs als een betaling er een einde aan maakt. § 3. Eén exemplaar van het proces-verbaal tot vaststelling van de overtreding wordt aan de technisch ambtenaar overgemaakt.

Na ontvangst van het proces-verbaal beschikt het openbaar ministerie over een termijn van vier maanden om de technisch ambtenaar kennis te geven van zijn beslissing over het al dan niet opleggen van strafvervolgingen. § 4. Als het openbaar ministerie afziet van de vervolgingen of verzuimt zijn beslissing binnen de voorgeschreven termijn mee te delen, beslist de technisch ambtenaar, nadat hij de overtreder in staat heeft gesteld zijn verweermiddelen te doen gelden, of er grond bestaat om een administratieve boete uit hoofde van de overtreding op te leggen.

De technisch ambtenaar bepaalt het bedrag van de administratieve boete in zijn beslissing, die met redenen omkleed is. Ze wordt bij ter post aangetekend schrijven aan de overtreder medegedeeld, samen met een aanmaning tot betaling van de boete binnen de door de Regering voorgeschreven termijn.

De kennisgeving van de beslissing waarbij het bedrag van de administratieve boete wordt bepaald, doet de strafvordering vervallen.

De betaling van de boete maakt een einde aan de actie van het bestuur. § 5. De overtreder die de beslissing van de technisch ambtenaar betwist, moet binnen twee maanden na de kennisgeving van de beslissing bij wijze van verzoek een beroep instellen vóór de burgerlijke rechtbank, op straffe van verval. Dat beroep schorst de uitvoering van de beslissing.

De bepaling van het vorige lid wordt weergegeven in de beslissing waarbij de administratieve boete wordt opgelegd. § 6. Als de overtreder verzuimt de boete te betalen, wordt de beslissing van de technisch ambtenaar of de in kracht van gewijsde gegane beslissing van de burgerlijke rechtbank overgemaakt aan de Afdeling Thesaurie van het Ministerie van het Waalse Gewest met het

oog op de invordering van het bedrag van de administratieve boete. § 7. Als binnen drie jaar, te rekenen van de datum van het proces-verbaal, een nieuwe overtreding wordt vastgesteld, wordt het in § 1, eerste lid, van dit artikel bedoelde bedrag verdubbeld.

De administratieve beslissing waarbij de administratieve boete wordt opgelegd, mag niet meer worden genomen vijf jaar na het constitutieve feit van een in dit artikel bedoelde overtreding. Het in § 4 bedoelde verzoek binnen de in het vorige lid bepaalde termijn waarbij de overtreder gevraagd wordt zijn verweermiddelen te doen gelden, onderbreekt evenwel de loop ervan. Met deze daad begint een nieuwe termijn van gelijke duur te lopen, zelfs ten opzichte van personen die er niet bij betrokken zijn. § 8. De Regering bepaalt de wijze van invordering van de boete. HOOFDSTUK X. - Straffen

Art. 77.§ 1. Er wordt voorzien in een gevangenisstraf van acht dagen à drie jaar en in een geldboete van 100 BEF tot 1 miljoen BEF, of in één van deze straffen voor : 1° een overtreding van de artikelen 10, § 1 en 11;2° een overtreding van artikel 58, § 1;3° de belemmering van de uitvoering van de in artikel 61 bedoelde toezichtsopdracht; § 2. Er wordt voorzien in een gevangenisstraf van acht dagen à één jaar en in een geldboete van 100 BEF tot 500.000 BEF, of in één van deze straffen voor : 1° een overtreding van artikel 58, § 2, 3°;2° een overtreding van artikel 58, § 2, 4°, die het milieu in gevaar brengt. § 3. De overtreder van de artikelen 10, § 2, 57, 58, § 2, 1°, 2°, 4°, en 59 wordt gestraft met een geldboete van 26 BEF tot 10.000 BEF. § 4. De overtreder van de overeenkomstig de vermelde artikelen genomen uitvoeringsbesluiten wordt gestraft met de straffen bedoeld in de §§ 1, 2 of 3.

Art. 78.De in dit decreet bedoelde straffen kunnen het dubbel van het maximum bedragen als een nieuwe overtreding, zoals bedoeld in artikel 77, wordt begaan binnen een termijn van vijf jaar, te rekenen van een in kracht van gewijsde uitgesproken vroegere veroordeling wegens overtreding van één van deze artikelen.

Bovendien mag de minimale straf in dit geval niet lager zijn dan het tienvoud van het minimumbedrag.

Art. 79.In geval van overtreding van de artikelen 10, § 1, 11, 58, § 1, kan de rechtbank de overtreder ook veroordelen : 1° tot de overlegging op eigen kosten van een karakteriseringonderzoek om maatregelen te bepalen i.v.m. de veiligheid of het gepaste herstel; dit onderzoek omvat een plaatsbeschrijving en een beschrijving van het milieu, alsmede voorstellen van herstelmaatregelen; 2° tot de uitvoering van maatregelen teneinde de buren of het milieu tegen de veroorzaakte hinder te beschermen. Ze kan tevens de uitvoering van werken bevelen om de hinder te beperken of af te wenden of om de toegang tot de plaats te verbieden; 3° tot de stopzetting van de exploitatie op de plaats van de overtreding, gedurende de termijn die zij bepaalt. Het in 1° bedoelde karakteriseringonderzoek wordt uitgevoerd door een erkende auteur van milieu-effectonderzoeken, behoudens individuele afwijking toegestaan door de Regering of de technisch ambtenaar. De Regering bepaalt de inhoud van het karakteriseringonderzoek. § 2. De rechtbank beveelt, op verzoek van de Regering of, bij delegatie, van de technisch ambtenaar of op verzoek van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op het grondgebied waarvan de overtreding is begaan, dat een karakteriseringonderzoek op kosten van de overtreder wordt overgelegd en dat de site wordt gesaneerd, hetzij door de veroordeelde zelf volgens de voorschriften van de technisch ambtenaar, hetzij door de aangewezen persoon (personen), op kosten van de veroordeelde. In dit geval worden de kosten na uitvoering van de werken of naarmate de uitvoering ervan terugbetaald op overleggen van een gewone staat die door de technisch ambtenaar is opgemaakt. Deze staat wordt uitvoerbaar verklaard.

In voorkomend geval geldt het vonnis, voor de persoon op wie het betrekking heeft, als milieuvergunning en stedenbouwkundige vergunning of als aangifte in de zin van dit decreet. § 3. De rechter gelast de veroordeelde binnen acht dagen volgend op de dag waarop het vonnis definitief is geworden, een zekerheid ten gunste van de Regering te stellen op de in artikel 55 bedoelde wijze, op straffe van dwangsom. Het bedrag van de zekerheid is gelijk aan het bedrag van de geraamde kosten van de opgelegde maatregelen. § 4. De krachtens § 1 en § 2 veroordeelde die de door de rechtbank opgelegde verplichtingen niet binnen de voorgeschreven termijn nakomt of de door haar uitgevaardigde verboden schendt of zich tegen de maatregelen verzet die zij ambtshalve oplegt, is strafbaar met een gevangenisstraf van zes maanden à vijf jaar en met een geldboete van 1000 BEF tot 500.000 BEF, of met één van deze straffen.

Bij niet-nakoming van de door de rechtbank opgelegde verplichtingen kan de Regering, of, bij delegatie, de technisch ambtenaar alsmede het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op het grondgebied waarvan de overtreding is begaan, ervoor zorgen dat ze nagekomen worden en de kosten ervan invorderen, zoals bepaald in § 2. § 5. De griffier van de burgerlijke rechtbank of van het strafgerecht bezorgt de technisch ambtenaar een afschrift van de verzoekschriften of dagvaardingen voor het gerecht wegens een in § 1 en § 4 bedoelde overtreding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. De technisch ambtenaar maakt dezelfde dag een afschrift ervan over aan de Regering en aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op het grondgebied waarvan de overtreding is begaan. § 6. De vonnissen en arresten waarop dit artikel van toepassing is, worden door de griffier van het gerecht gelijktijdig overgemaakt aan het gewestelijk bestuur en aan de veroordeelde.

Art. 80.De Regering, of, bij delegatie, de technisch ambtenaar, alsmede het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op het grondgebied waarvan de overtreding is begaan, kan de uitvoering van de in artikel 79 bedoelde maatregelen voor de burgerlijke rechtbank voortzetten. HOOFDSTUK XI. - Eenmalige vergunning Afdeling I. - Toepassingsveld en bevoegde overheid

Art. 81.§ 1. Elk gemengd project, met uitzondering van de projecten die betrekking hebben op tijdelijke inrichtingen, proefinrichtingen of op onroerende goederen bedoeld in artikel 109 van het « CWATUP », is onderworpen aan een aanvraag om eenmalige vergunning. § 2. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente op het grondgebied waarvan de vestiging van de inrichting wordt gepland, is bevoegd om kennis te nemen van de aanvragen om eenmalige vergunning.

In afwijking van het eerste lid, zijn de ambtenaren die de Regering heeft aangewezen binnen het bestuur Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw en het bestuur Leefmilieu, gezamenlijk bevoegd om kennis te nemen van de aanvragen om eenmalige vergunning betreffende handelingen en werkzaamheden of inrichtingen op het grondgebied van verschillende gemeenten. Afdeling II. - Aanvraag, openbaar onderzoek en advies

Art. 82.De vergunningaanvraag wordt bij ter post aangetekend schrijven met bericht van ontvangst verzonden of tegen ontvangbewijs aan de gemeente afgegeven.

Als de inrichting op het grondgebied van verschillende gemeenten gelegen is, wordt de aanvraag verzonden bij ter post aangetekend schrijven met bericht van ontvangst of tegen ontvangbewijs afgegeven aan één van de gemeenten op het grondgebied waarvan de vestiging van de inrichting gepland wordt, naar keuze van de aanvrager.

Art. 83.De Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de vergunningaanvraag. Ze bepaalt het aantal dossiersexemplaren die de aanvraag moet bevatten, alsmede de schaal en de inhoud van de verschillende plannen die erbij gevoegd moeten worden.

De aanvraag moet de in artikel 17 van dit decreet bedoelde gegevens bevatten, alsook de stukken vereist krachtens artikel 115, tweede lid, van het « CWATUP ».

Het dossier van de effectrapportering bevat het geheel van de aanwijzingen die de twee rapporteringsdossiers moeten bevatten als de stedenbouw- en de milieuvergunning afzonderlijk worden beschouwd.

Art. 84.Binnen een termijn van drie werkdagen, te rekenen van de datum van ontvangst van de aanvraag, stuurt de gemeente gelijktijdig aan de technisch ambtenaar en aan de gemachtigde ambtenaar een exemplaar van de vergunningaanvraag, met inbegrip van het ontvangbewijs van de aanvraag of een afschrift van het in artikel 82 bedoelde ontvangbewijs. Ze bewaart er een exemplaar van en verwittigt de aanvrager bij gewone post.

Als het gemeentebestuur de aanvraag niet binnen de in het eerste lid voorgeschreven termijn overmaakt, kan de aanvrager de zaak onmiddellijk aanhangig maken bij de technisch ambtenaar door hem bij ter post aangetekend schrijven een afschrift te richten dat hij eensluidend verklaart met de aanvraag die hij aanvankelijk aan het college van burgemeester en schepenen heeft gericht. In dat geval stuurt de technisch ambtenaar binnen dezelfde termijn als die bedoeld in het eerste lid een exemplaar van de aanvraag aan de gemachtigde ambtenaar.

Art. 85.De vergunningaanvraag is onvolledig als krachtens artikel 83 vereiste gegevens of stukken ontbreken.

De vergunningaanvraag is niet-ontvankelijk als : 1° ze in strijd met artikel 82 wordt ingediend;2° ze tweemaal onvolledig wordt bevonden;3° de aanvrager de ontbrekende gegevens niet verstrekt binnen de termijn bedoeld in artikel 86, tweede lid.

Art. 86.De technisch ambtenaar en de gemachtigde ambtenaar sturen de beslissing waarbij de aanvraag volledig en ontvankelijk wordt bevonden binnen vijftien dagen aan de aanvrager, te rekenen van de dag waarop de technisch ambtenaar de aanvraag in ontvangst neemt overeenkomstig artikel 84.

Als de aanvraag onvolledig is, wijzen de technisch ambtenaar en de gemachtigde ambtenaar de aanvrager bij aangetekend schrijven op de ontbrekende stukken. De aanvrager beschikt dan over dertig dagen, te rekenen van de dag van ontvangst van de aangetekende brief, om de gevraagde ontbrekende stukken bij ter post aangetekend schrijven met bericht van ontvangst aan de technisch ambtenaar te sturen of tegen ontvangbewijs af te geven.

Zodra de technisch ambtenaar de gevraagde ontbrekende stukken heeft ontvangen, stuurt hij binnen vijf dagen, te rekenen van de datum van ontvangst, een exemplaar aan de gemachtigde ambtenaar.

Binnen vijftien dagen na ontvangst van de ontbrekende stukken door de technisch ambtenaar, sturen deze laatste en de gemachtigde ambtenaar de beslissing waarbij de aanvraag volledig en ontvankelijk wordt bevonden, aan de aanvrager met inachtneming van de procedure bedoeld in het eerste en het tweede lid. Als de aanvraag een tweede keer onvolledig wordt bevonden door de ambtenaren, wordt ze niet-ontvankelijk verklaard.

Als de aanvraag niet-ontvankelijk is, wijzen de technisch ambtenaar en de gemachtigde ambtenaar de aanvrager, met inachtneming van de voorschriften en de termijn bedoeld in het eerste lid, of, in voorkomend geval, de termijn bedoeld in het vierde lid, op de redenen van de niet-ontvankelijkheid.

Art. 87.In de beslissing waarbij de aanvraag volledig en ontvankelijk wordt bevonden overeenkomstig artikel 86, vermelden de ambtenaren : 1° of de tussenkomst van de Regering of de gemachtigde ambtenaar vereist is i.v.m. de aanvraag om afwijking bedoeld in artikel 114 van het « CWATUP »; 2° de te raadplegen organen en, in voorkomend geval, de desbetreffende termijnen;3° de duur en de begindatum van het openbaar onderzoek, behalve afwijking bedoeld in dit decreet, en de gemeenten waar het onderzoek georganiseerd moet worden;4° de bevoegde overheid en de termijn binnen welke de beslissing genomen moet worden. Dezelfde dag sturen ze de bevoegde overheid een afschrift van de beslissing waarbij de aanvraag volledig en ontvankelijk wordt bevonden en, in voorkomend geval, de krachtens artikel 86 verkregen ontbrekende stukken.

De Regering kan de te raadplegen organen aanwijzen of criteria bepalen op grond waarvan de technisch ambtenaar en de gemachtigde ambtenaar die organen aanwijzen.

Art. 88.Als de technisch ambtenaar en de gemachtigde ambtenaar de aanvrager geen beslissing hebben gestuurd volgens de voorschriften en binnen de termijnen bedoeld in artikel 86, wordt de aanvraag als ontvankelijk beschouwd.

In dat geval sturen de ambtenaren het aanvraagdossier aan de bevoegde overheid en wordt de procedure voortgezet.

Art. 89.De termijn voor de procedure tot de in artikel 93 bedoelde besluitvorming loopt : 1° vanaf de dag waarop de technisch ambtenaar en de gemachtigde ambtenaar de beslissing hebben verstuurd waarbij de aanvraag volledig en ontvankelijk is bevonden;2° bij gebrek hieraan, vanaf de dag volgend op de termijn waarover ze beschikten om de beslissing te versturen waarbij de aanvraag volledig en ontvankelijk is bevonden.

Art. 90.Er wordt een openbaar onderzoek georganiseerd overeenkomstig de artikelen 24, 25 en 26, § 1.

Het openbaar onderzoek wordt opgeschort tussen 16 juli en 15 augustus.

Deze opschorting houdt de verlenging in van : 1° de in artikel 91 bedoelde termijn waarover de geraadpleegde organen beschikken om advies uit te brengen;2° de in artikel 92 bedoelde termijn waarover de ambtenaren beschikken om het gezamenlijk opgemaakte syntheserapport over te maken;3° de in artikel 93 bedoelde termijn waarover de bevoegde overheid beschikt om haar beslissing aan de aanvrager te sturen. De artikelen 27 à 29 en 42, tweede lid, zijn van toepassing.

Art. 91.De dag waarop de technisch ambtenaar en de gemachtigde ambtenaar de bevoegde overheid de beslissing sturen waarbij de aanvraag volledig en ontvankelijk wordt bevonden overeenkomstig artikel 86 of, bij gebrek hieraan, binnen de termijn bedoeld in artikel 88, maakt de technisch ambtenaar het aanvraagdossier voor advies over aan de verschillende aangewezen organen. Deze organen versturen of delen hun advies mee tegen bericht van ontvangst en binnen zestig dagen als de aanvraag een inrichting van klasse 1 betreft of dertig dagen als ze een inrichting van klasse 2 betreft, te rekenen van de dag waarop de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de technisch ambtenaar. Ze sturen volgens dezelfde voorschriften een afschrift ervan aan de gemachtigde ambtenaar.

Als het advies niet wordt verzonden of tegen ontvangbewijs afgegeven binnen de termijn bedoeld in het vorige lid, wordt het geacht gunstig te zijn.

Art. 92.§ 1. Op basis van de ingewonnen adviezen maken de technisch ambtenaar en de gemachtigde ambtenaar samen een syntheserapport op.

Dat rapport bevat een voorstel van beslissing gemotiveerd op grond van de verschillende ingewonnen adviezen en, in voorkomend geval, de beslissing van de Regering of de gemachtigde ambtenaar waarbij de in artikel 114 van het « CWATUP » bedoelde afwijking wordt toegestaan of geweigerd. § 2. De geraadpleegde overheden of besturen plegen, op verzoek van één van hen, ten minste één keer overleg om hun standpunt m.b.t. het project te harmoniseren. De Regering kan de wijze van overleg bepalen. § 3. Het syntheserapport en de integrale aanvraag worden bij ter post aangetekend schrijven aan de bevoegde overheid overgemaakt binnen een termijn van : 1° vijftig dagen als de vergunningaanvraag een inrichting van klasse 2 betreft;2° honderd dagen als de vergunningaanvraag betrekking heeft op een inrichting van klasse 1 die gelegen is in een bedrijfsruimte, een specifieke bedrijfsruimte of een gebied met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat, zoals bepaald bij het « CWATUP »;3° honderd en tien dagen als de vergunningaanvraag betrekking heeft op een inrichting van klasse 1 die niet onder 2° opgenomen is. De technisch ambtenaar en de gemachtigde ambtenaar verwittigen de aanvrager de dag waarop ze het syntheserapport overmaken. § 4. Na afloop van de termijn bedoeld in paragraaf 3 worden de technisch ambtenaar en de gemachtigde ambtenaar gezamenlijk gehoord als de bevoegde overheid het vraagt. § 5. De termijnen bedoeld in paragraaf 3 kunnen verlengd worden bij gezamenlijke beslissing van de technisch ambtenaar en de gemachtigde ambtenaar. De verlenging mag niet langer duren dan dertig dagen. Deze beslissing wordt binnen de in artikel 93, § 1, termijn aan de bevoegde overheid en de aanvrager gestuurd. § 6. Als het syntheserapport niet binnen de toegestane termijn aan de bevoegde overheid wordt gestuurd, zet deze laatste de procedure voort rekening houdende met het dossier van de effectrapportering, de resultaten van het onderzoek, het advies van het of de college(s) van burgemeester en schepenen en elk ander gegeven waarover ze beschikt. Afdeling III. - {dt}Beslissing{edt}

Art. 93.§ 1. De bevoegde overheid stuurt haar beslissing bij ter post aangetekend schrijven aan de aanvrager, de technisch ambtenaar en de gemachtigde ambtenaar en bij gewone post aan elke geraadpleegde overheid of geraadpleegd bestuur binnen : 1° zeventig dagen als de vergunningaanvraag betrekking heeft op een inrichting van klasse 2;2° honderd dertig dagen als de vergunningaanvraag betrekking heeft op een inrichting van klasse 1 gelegen in een bedrijfsruimte, een specifieke bedrijfsruimte of een gebied met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat, zoals bepaald bij het « CWATUP »;3° honderd veertig dagen als de vergunningaanvraag betrekking heeft op een inrichting van klasse 1 die niet onder 2° is opgenomen. Als het syntheserapport vóór het einde van de in artikel 92, § 3, tweede lid, bedoelde termijn wordt overgemaakt, stuurt de bevoegde overheid, in afwijking van het eerste lid, haar beslissing bij ter post aangetekend schrijven aan de aanvrager, de technisch ambtenaar en de gemachtigde ambtenaar en bij gewone post aan elke geraadpleegde overheid of geraadpleegd bestuur binnen een termijn van : 1° twintig dagen, te rekenen van de dag waarop ze het syntheserapport overeenkomstig artikel 92, § 3, in ontvangst neemt, voor inrichtingen van klasse 2;2° dertig dagen, te rekenen van de dag waarop ze het syntheserapport overeenkomstig artikel 92, § 3, in ontvangst neemt, voor inrichtingen van klasse 1. Als de bevoegde overheid van het syntheserapport afwijkt, geeft ze de redenen op. § 2. In het geval van artikel 92, § 3, wordt de termijn waarover de bevoegde overheid beschikt om haar beslissing te versturen, verlengd met dezelfde duur als de door de technisch ambtenaar en de gemachtigde ambtenaar bepaalde duur. § 3. De artikelen 36 en 38 van dit decreet zijn van toepassing op de beslissingen die de overheid krachtens deze afdeling neemt.

Art. 94.Als het syntheserapport overeenkomstig artikel 92 wordt verzonden, wordt de beslissing, indien ze niet binnen de in artikel 93 bedoelde termijn is verstuurd, geacht te zijn genomen op grond van de conclusies van het syntheserapport. Dit laatste wordt door de technisch ambtenaar aan de aanvrager gestuurd.

Als de beslissing niet binnen de in artikel 93 voorgeschreven termijn wordt verzonden en als het syntheserapport niet overeenkomstig artikel 92 wordt verzonden, wordt de vergunning geacht geweigerd te zijn. Afdeling V. - Beroep

Art. 95.§ 1. Elke belangstellende natuurlijke of rechtspersoon kan, evenals de technisch ambtenaar en de gemachtigde ambtenaar, een beroep bij de Regering instellen tegen de beslissingen van de in artikel 81 bedoelde overheden i.v.m. de afgifte van eenmalige vergunningen en tegen het feit dat die overheden geen beslissing hebben genomen bij het verstrijken van de termijnen bedoeld in artikel 81. § 2. Op straffe van niet-ontvankelijkheid wordt het beroep aan het bestuur Leefmilieu gezonden of tegen ontvangbewijs afgegeven binnen een termijn van twintig dagen, te rekenen van : 1° de datum van ontvangst van de beslissing of, bij gebrek hieraan, bij het verstrijken van de in artikel 93 bedoelde termijnen, voor de aanvrager, de technisch ambtenaar en de gemachtigde ambtenaar;2° de eerste dag van aanplakking van de beslissing, overeenkomstig artikel 93, voor de personen die niet onder 1° zijn opgenomen. Het in het eerste lid bedoelde bestuur maakt binnen vijf dagen een afschrift van het beroep over aan het bestuur Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw.

Als de beslissing in verschillende gemeenten wordt aangeplakt, wordt de termijn verlengd tot de dertigste dag volgend op de eerste dag van aanplakking in de gemeente die de beslissing in eerste instantie heeft laten aanplakken. § 3. Op basis van de ingewonnen adviezen maken de besturen Leefmilieu en Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw samen een syntheserapport op.

Als het beroep betrekking heeft op aangelegenheden die onder Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw vallen, wordt het advies van de in artikel 120 van het « CWATUP » bedoelde adviescommissie vereist binnen veertig dagen, te rekenen van de dag waarop het bestuur Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw het beroep in ontvangst neemt.

Als de Commissie geen advies uitbrengt binnen die termijn, wordt de vervolging voortgezet.

Het syntheserapport wordt aan de Regering gestuurd binnen een termijn van : 1° vijftig dagen als het beroep betrekking heeft op een inrichting van klasse 2;2° zeventig dagen als het beroep betrekking heeft op een inrichting van klasse 1 gelegen in een bedrijfsruimte, een specifieke bedrijfsruimte of een gebied met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat, zoals bepaald bij het « CWATUP »;3° negentig dagen als het beroep betrekking heeft op een inrichting van klasse 1 die niet onder 2° is opgenomen. Deze termijn loopt vanaf de eerste dag volgend op de dag van ontvangst van het beroep. Als er verschillende beroepen zijn, loopt de termijn vanaf de eerste dag volgend op de dag van ontvangst van het laatste beroep.

De in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde besturen verwittigen de aanvrager de dag waarop ze het syntheserapport overmaken. § 4. Het beroep schort de betwiste beslissing niet op, behalve als het ingesteld wordt door de ambtenaren bedoeld in paragraaf 1. § 5. De Regering bepaalt : 1° de gegevens die het beroep moet bevatten, de vorm ervan en het aantal in te dienen exemplaren;2° de wijze waarop het publiek in kennis wordt gesteld van het beroep;3° de voorschriften voor de behandeling van het beroep, de wijze waarop het syntheserapport wordt opgemaakt, de te raadplegen organen en de termijnen binnen welke de adviezen worden uitgebracht. Als het advies niet binnen de voorgeschreven termijnen wordt verzonden of tegen bericht van ontvangst afgegeven, wordt het geacht gunstig te zijn. § 6. De Regering stuurt haar beslissing aan de aanvrager binnen een termijn van : 1° zeventig dagen als het beroep betrekking heeft op een inrichting van klasse 2;2° negentig dagen als het beroep betrekking heeft op een inrichting van klasse 1 gelegen in een bedrijfsruimte, een specifieke bedrijfsruimte of een gebied met een industrieel karakter waarvan de bestemming nog niet vaststaat, zoals bepaald bij het « CWATUP »;3° honderd en tien dagen als het beroep betrekking heeft op een inrichting van klasse 1 die niet onder 2° is opgenomen. Die termijn loopt vanaf de eerste dag volgend op de dag van ontvangst van het beroep. Als er verschillende beroepen zijn, begint de termijn te lopen vanaf de eerste dag volgend op de dag van ontvangst van het laatste beroep.

Als het syntheserapport wordt overgemaakt vóór het verstrijken van de in paragraaf 3 bedoelde termijn, verstuurt de Regering haar beslissing, in afwijking van het eerste lid, binnen een termijn van : 1° twintig dagen, te rekenen van de dag waarop zij het syntheserapport van de besturen overeenkomstig paragraaf 3 ontvangt, voor inrichtingen van klasse 2;2° dertig dagen, te rekenen van de dag waarop zij het syntheserapport van de besturen overeenkomstig paragraaf 3 ontvangt, voor inrichtingen van klasse 1. § 7. Als de beslissing niet binnen de in paragraaf 6 bedoelde termijn wordt verzonden : 1° wordt ze geacht genomen te zijn op grond van de conclusies van het syntheserapport als dit laatste overeenkomstig paragraaf 3 is verzonden;het syntheserapport wordt door het bestuur Leefmilieu aan de aanvrager gezonden; 2° wordt de in laatste instantie genomen beslissing bevestigd als het syntheserapport niet overeenkomstig paragraaf 3 is verzonden. § 8. Als de vergunningweigering voortvloeit uit een gebrek aan beslissing in eerste instantie of in beroep en als geen syntheserapport binnen de voorgeschreven termijn wordt verzonden, dient een vergoeding ten laste van het Gewest te worden betaald die gelijk is aan twintigmaal het dossiersrecht bedoeld in artikel 177, tweede lid, 1° en 2°. De vergoedingaanvragen vallen onder de bevoegdheid van de hoven en rechtbanken. Afdeling V Bijzondere bepalingen voor gemengde projecten die een

wijziging van de gemeentewegen inhouden

Art. 96.§ 1. Als een gemengd project de aanleg van nieuwe verkeerswegen, de wijziging van het tracé van bestaande gemeentewegen of de verbreding of afschaffing ervan inhoudt, neemt de gemeenteraad kennis van de resultaten van het openbaar onderzoek en beraadslaagt hij over de wegenkwesties vooraleer de bevoegde overheid zich over de vergunningaanvraag uitspreekt.

De termijnen bedoeld in artikel 93 kunnen in dat geval verlengd worden bij beslissing van de bevoegde overheid. De verlengde termijn mag niet langer lopen dan zestig dagen.

Als de gemeenteraad niet beraadslaagt binnen een termijn van zestig dagen na de sluiting van het openbaar onderzoek, wordt de vergunning geweigerd.

Als de gemeenteraad zich niet moet uitspreken over de wegenkwestie of zich daarover niet uitspreekt en als een beroep overeenkomstig artikel 95 wordt ingesteld, wordt de gemeenteraad op verzoek van de Regering bijeengeroepen. De gemeenteraad spreekt zich uit over de wegenkwestie en deelt haar beslissing mee binnen een termijn van zestig dagen, te rekenen van de oproeping door de Regering. In dat geval worden de in artikel 95, § 6, bedoelde termijnen verlengd met de duur van de termijn waarover de gemeenteraad beschikt om zijn beslissing mee te delen. § 2. Als het gemengd project langs een gewestelijke weg of een provincieweg moet worden uitgevoerd, wordt het betrokken bestuur om advies gevraagd. Afdeling VI. - Slotbepalingen

Art. 97.De hoofdstukken I, VII, VIII, IX, X en XIII van dit decreet zijn van toepassing op de eenmalige vergunning.

De artikelen 50 à 52, de hoofdstukken IX en X zijn niet van toepassing op de eenmalige vergunning voor zover ze de stedenbouwvergunning vervangt.

De volgende bepalingen van het « CWATUP » zijn toepasselijk op de eenmalige vergunning : - de hoofdstukken I, II, IV en VI van titel I van boek I; - de titels II, III en IV van boek I; - de artikelen 84 à 86, 110 à 114, 123, 126, 127, § 3, 131, 132, eerste lid, 134 à 136, 138, 139, de hoofdstukken IV en V van titel V van boek I; - de titels VI, VII en VIII van boek I; - de boeken II en III. Titel VI van boek I van het « CWATUP » is niet van toepassing op de eenmalige vergunning voor zover ze de milieuvergunning vervangt. HOOFDSTUK XII. - Opheffings- en wijzigingsbepalingen Afdeling I. - Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en

Patrimonium

Art. 98.Artikel 124 van het « CWATUP », gewijzigd bij het decreet van 27 november 1997, wordt vervangen als volgt : « Art. 124 De aanvragen om stedenbouw- of verkavelingsvergunning voor projecten binnen een perimeter die onderworpen is aan de voorschriften van een plan van aanleg waarvoor een effectonderzoek is uitgevoerd en die aan de voorschriften van dat plan voldoen, zijn niet aan een effectonderzoek onderworpen.

In afwijking van het eerste lid, moet een bijkomend effectonderzoek worden uitgevoerd in het kader van de procedure betreffende de stedenbouw- of verkavelingsvergunning : 1° hetzij als de vergunningaanvraag meer dan 5 jaar na de inwerkingtreding van het plan wordt ingediend;2° hetzij als blijkt dat noemenswaardige elementen aan het licht zijn getreden waarmee geen rekening werd of kon worden gehouden tijdens het onderzoek voorafgaande aan de goedkeuring van het plan van aanleg. De beslissing van de bevoegde overheid waarbij het project aan een bijkomend onderzoek wordt onderworpen, wordt genomen binnen vijftien dagen, te rekenen van de datum van ontvangst van de in het eerst lid bedoelde aanvraag. Als geen beslissing wordt genomen binnen die termijn, wordt geen bijkomend onderzoek geëist.

De Regering kan regels bepalen voor de vaststelling en voor de uitvoering van het bijkomend effectonderzoek. »

Art. 99.Artikel 131 van het « CWATUP », gewijzigd bij het decreet van 27 november 1997, wordt vervangen als volgt : « Art. 131 In afwijking van de artikelen 84 en 127, wordt in het geval van een gemengd project in de zin van artikel 1, 11°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, een eenmalige vergunning, die de stedenbouwvergunning in de zin van dit Wetboek vervangt, afgegeven overeenkomstig de bepalingen bedoeld in hoofdstuk XI van bovenbedoeld decreet. » Afdeling II. - Water

Art. 100.De wet van 26 maart 1971 op de bescherming van het oppervlaktewater tegen verontreiniging wordt opgeheven, met uitzondering van de artikelen 1 en 3, § 2.

In artikel 3, § 2, van voormelde wet worden de woorden « en het gebruik » geschrapt.

Art. 101.In artikel 2 van het decreet van de Waalse Gewestraad van 7 oktober 1985 houdende bescherming van het oppervlaktewater tegen vervuiling worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in 8°, c, worden de woorden »het verlenen van de machtiging tot lozing » vervangen door de woorden « de toekenning van de milieuvergunning of de afgifte »;2° er wordt een punt 22° ingevoegd, luidend als volgt : « 22° milieuvergunning : de beslissing bedoeld in artikel 1, 1°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning;»; 3° er wordt een punt 23° ingevoegd, luidend als volgt : « 23° aangifte : de handeling bedoeld in artikel 1, 2°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning.»

Art. 102.Artikel 5, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt opgeheven.

Art. 103.Artikel 6 van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt : « Art. 6 Met inachtneming van de voorschriften bepaald bij het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning kan de milieuvergunning of de aangifte vereist worden voor : 1° de lozing van afvalwater in gewoon oppervlaktewater;2° de lozing van industrieel afvalwater in openbare rioleringen, verzamelriolen voor afvalwater of kunstmatige afvoerwegen voor regenwater;3° de tijdelijke of vaste afzetting van verontreinigende stoffen op een plaats waar zij door een natuurlijk verschijnsel in het oppervlaktewater of in openbare rioleringen kunnen terechtkomen;4° de lozingen van motoren van vaartuigen in gewoon oppervlaktewater;5° lozingen van huishoudelijk afvalwater in openbare rioleringen, verzamelriolen voor afvalwater of kunstmatige afvoerwegen voor regenwater;6° lozingen van afvalwater uit de landbouw in openbare rioleringen, verzamelriolen voor afvalwater of kunstmatige afvoerwegen voor regenwater;7° de installatie van sceptische putten en gelijksoortige zuiveringssystemen.»

Art. 104.In artikel 7, 1° en 2°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 juni 1994, worden de woorden « en de verzamelleidingen » vervangen door de woorden « de verzamelleidingen en het oppervlaktewater ».

Art. 105.In artikel 8 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid, gewijzigd bij het decreet van de Waalse Gewestraad van 23 juni 1994, wordt opgeheven : 2° in het tweede lid van de Franse tekst wordt het woord « Il » vervangen door de woorden « le Gouvernement ».

Art. 106.In hetzelfde decreet worden opgeheven : 1° artikel 9, gewijzigd bij het decreet van 23 juni 1994;2° artikel 10, gewijzigd bij het decreet van 23 juni 1994;3° artikel 11, gewijzigd bij het decreet van 23 juni 1994;4° artikel 12;5° artikel 13, gewijzigd bij het decreet van 23 juni 1994;6° artikel 14, gewijzigd bij het decreet van 23 juni 1994;7° artikel 15, gewijzigd bij het decreet van 23 juni 1994.

Art. 107.In artikel 21, eerste lid, gewijzigd bij het decreet van 23 juni 1994, worden de woorden « een machtiging tot lozing aan hen werd verleend » vervangen door de woorden « hen een milieuvergunning is verleend ».

Art. 108.In artikel 39, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 juni 1994, worden het eerste en het tweede lid opgeheven.

Art. 109.In artikel 49 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 juni 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid, 1°, wordt vervangen als volgt : « 1° degene die in strijd met de krachtens dit decreet genomen reglementen afvalwater loost in gewoon oppervlaktewater, openbare rioleringen of kunstmatige afvoerwegen »;2° punt 3° wordt opgeheven;3° in punt 5° worden de woorden « door de Deelregering of een van haar ambtenaren » opgeheven.

Art. 110.In artikel 50 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 juni 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° punt 3° wordt opgeheven;2° in punt 4° worden de tekens « 3° » geschrapt;3° in punt 7° worden de woorden « zonder over de in artikel 6, § 1, beoogde machtiging te beschikken » vervangen door de woorden « zonder de vereiste vergunning ».

Art. 111.In artikel 57, § 2, worden de termen « en 3° » geschrapt.

Art. 112.Artikel 66 van hetzelfde decreet, voor het laatst gewijzigd bij het decreet van 23 juni 1994, wordt vervangen als volgt : « Art. 66 Onverminderd de plichten van de officieren van de gerechtelijke politie, zijn de burgemeester en de door de Regering aangewezen ambtenaren en personeelsleden bevoegd om toe te zien op de uitvoering van het decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Ze beschikken over de prerogatieven bedoeld in artikel 61 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning om hun opdrachten te vervullen.

De ambtenaren en personeelsleden leggen de eed af voor de rechtbank van eerste aanleg van hun woonplaats.

De hoofdgriffier maakt een afschrift van de commissie en van de akte van eedaflegging over aan zijn collega's van de rechtbanken van eerste aanleg gelegen in het ambtsgebied waar de ambtenaar of het personeelslid zijn ambt moet uitoefenen.

Bij gewone verandering van woonplaats moeten ze geen nieuwe eed afleggen.

Art. 113.Artikel 67 van het decreet van 7 oktober 1985, voor het laatst gewijzigd bij het decreet van 23 juni 1994, wordt opgeheven.

Art. 114.Artikel 68 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 juni 1994, wordt vervangen als volgt : « Art. 68 - § 1. Wanneer proces-verbaal wordt opgemaakt voor een overtreding bedoeld in artikel 49, kunnen de burgemeester en de daartoe door de Regering aangewezen ambtenaren en personeelsleden, ten einde de in artikel 2 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning bedoelde risico's, hinder en ongemakken te voorkomen, te beperken of te verhelpen : 1° de gehele of gedeeltelijke stopzetting van het bedrijf gelasten;2° de toestellen verzegelen en, in voorkomend geval, onmiddellijk de tijdelijke sluiting van de inrichting gelasten;3° de exploitant een interventieplan opleggen of hem bevelen een saneringsplan in te dienen en, in voorkomend geval, met inachtneming van één van de voorschriften bedoeld in artikel 55 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, ten gunste van het Gewest een zekerheid stellen om de sanering van de plaats te waarborgen. Als de burgemeester verzuimt op te treden, beschikken de in het eerste lid bedoelde ambtenaren en personeelsleden over dezelfde prerogatieven als hij.

De overeenkomstig het eerste lid, 1° en 2°, genomen maatregelen worden van rechtswege opgeheven als de milieuvergunning wordt toegekend of als de aangifte aan het bevoegde college van burgemeester en schepenen wordt gericht. § 2. Het saneringsplan, goedgekeurd volgens de door de Regering bepaalde voorschriften, geldt als milieuvergunning. De Regering kan voorschriften bepalen voor de opstelling, de goedkeuring en de uitvoering van de saneringsplannen. § 3. Als de overtreder verzuimt een plan in te dienen of de voorschriften ervan niet in acht neemt, kan de burgemeester of de Regering ambtshalve laten overgaan tot de sanering van de plaats. Ze handelen overeenkomstig paragraaf 4. § 4. Als de overtreder de opgelegde maatregelen niet binnen de voorgeschreven termijn neemt, kan de Regering of haar gemachtigde de sanering ambtshalve of op verzoek van de burgemeester voor rekening van de overtreder laten uitvoeren door de maatschappij bedoeld in artikel 39 van het decreet van 27 juni 1996 op de afvalstoffen. De Regering of haar gemachtigde kan bovendien eisen dat de in het eerste lid bedoelde personen een zekerheid stellen overeenkomstig artikel 55.

De Regering of haar gemachtigde stelt de persoon of personen die de zekerheid moet(en) stellen bij aangetekend schrijven in kennis van het bedrag van de zekerheid en van de wijzen waarop ze gesteld kan worden.

Als de zekerheid niet gesteld is binnen acht dagen, geeft de Regering of haar gemachtigde de overtreder bevel tot betaling binnen vierentwintig uren, op straffe van tenuitvoerlegging bij wijze van beslag.

Het feit dat naar aanleiding van een bevel tot betaling een zekerheid wordt gesteld waarvan het bedrag niet volstaat, belet de voortzetting van de vervolgingen niet.

Zodra de termijn voor het bevel verstreken is, kan de Regering of haar gemachtigde beslag laten leggen op de bij het Gerechtelijk Wetboek bepaalde wijze. »

Art. 115.Artikel 69 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 juni 1994, wordt opgeheven.

Art. 116.In artikel 1 van het decreet van de Waalse Gewestraad van 30 april 1990 op de bescherming en de exploitatie van grondwater en tot drinkwater verwerkbaar water, gewijzigd bij het decreet van 23 december 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° punt 8° wordt vervangen als volgt : « 8° milieuvergunning : de beslissing bedoeld in artikel 1, 1°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning.»; 2° er wordt een punt 8bis ingevoegd, luidend als volgt : « 8bis aangifte : de handeling bedoeld in artikel 1, 2°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning.»

Art. 117.Artikel 2 van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt : « Art. 2 De milieuvergunning of de aangifte kan, met inachtneming van de voorschriften bepaald bij het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning vereist worden voor : 1° winplaatsen van grondwater en tot drinkwater verwerkbaar water;2° de waterwinplaatsen gelegen in een gebied voor tot drinkwater verwerkbaar water;3° de aanvullingen en pogingen tot kunstmatige aanvulling van grondwater. De milieuvergunning voor een waterwinplaats bepaalt de rechten en verplichtingen van de houder ervan, met name de waterhoeveelheid die jaarlijks gewonnen mag worden. Zij bepaalt eventueel de piëzometrische grenzen, alsmede de perken en het stelsel van de wincapaciteit. Zij bevat eveneens de voorschriften voor de controle op de gewonnen waterhoeveelheid.

De Regering waarborgt een duurzame rationele exploitatie van het water en de billijke verdeling ervan onder de verschillende houders van een milieuvergunning voor een waterwinplaats. »

Art. 118.In artikel 3 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 december 1993, worden de woorden « van een vergunning » vervangen door de woorden « van een milieuvergunning bedoeld ».

Art. 119.In artikel 4, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 7 maart 1996, worden de woorden « vergunningen van » geschrapt.

Art. 120.In artikel 5, § 2, 10° en 12°, en § 3, 8°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 7 maart 1996 en 17 december 1997, wordt het woord « vergunning » vervangen door het woord « milieuvergunning ».

Art. 121.Artikel 6 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 december 1993, wordt opgeheven.

Art. 122.Artikel 7 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 december 1993, wordt opgeheven.

Art. 123.In artikel 8, tweede lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 december 1993, wordt het woord « vergunning » vervangen door de woorden « milieuvergunning of aangifte ».

Art. 124.In artikel 10 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 december 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 wordt punt 1° opgeheven;2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden « van de vergunning » vervangen door de woorden « van de milieuvergunning voor een waterwinplaats »;3° de paragrafen 3 en 4 worden opgeheven.

Art. 125.In artikel 12 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 december 1993, wordt het woord « vergunning » vervangen door de woorden « milieuvergunning of aangifte ».

Art. 126.In artikel 13 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 december 1993 en 7 maart 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden « van vergunning » vervangen door de woorden « van de milieuvergunning »;2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden « aanvraag tot waterwinplaats » vervangen door de woorden « aanvraag van de milieuvergunning »;3° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden « van een vergunning » vervangen door de woorden « van de milieuvergunning » en « de waterwinningsvergunning » vervangen door de woorden « de milieuvergunning »;4° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden « van een vergunning » vervangen door de woorden « van de milieuvergunning » en « de vooraf toegekende vergunningen » vervangen door de woorden « de afgegeven milieuvergunningen ».

Art. 127.Artikel 14 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 december 1993, wordt opgeheven.

Art. 128.In artikel 15 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 7 maart 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 2, worden de tekens « 12 à 14 » vervangen door de tekens « 12 en 13 »;2° in paragraaf 3 worden de woorden « van een vergunning » vervangen door de woorden « van de milieuvergunning ».

Art. 129.Artikel 17 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 december 1993, wordt opgeheven.

Art. 130.Artikel 18 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 december 1993, wordt gewijzigd als volgt : «

Art. 18.Onverminderd de plichten van de officieren van de gerechtelijke politie, zijn de burgemeester en de door de Regering aangewezen ambtenaren en personeelsleden bevoegd om toe te zien op de uitvoering van het decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Ze beschikken over de prerogatieven bedoeld in artikel 61 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning om hun opdrachten te vervullen.

De ambtenaren en personeelsleden leggen de eed af voor de rechtbank van eerste aanleg van hun woonplaats.

De hoofdgriffier maakt een afschrift van de commissie en van de akte van eedaflegging over aan zijn collega's van de rechtbanken van eerste aanleg gelegen in het ambtsgebied waar de ambtenaar of het personeelslid zijn ambt moet uitoefenen.

Bij gewone verandering van woonplaats moeten ze geen nieuwe eed afleggen. »

Art. 131.In hetzelfde decreet worden opgeheven : 1° artikel 19, gewijzigd bij het decreet van 23 december 1993;2° artikel 20, gewijzigd bij het decreet van 23 december 1993.

Art. 132.Artikel 21 van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt : « Art. 21 - § 1. Wanneer proces-verbaal is opgemaakt voor een overtreding bedoeld in artikel 49, kan de burgemeester op basis van een verslag van de door de Regering aangewezen ambtenaren en personeelsleden, ten einde de in artikel 2 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning bedoelde risico's, hinder en ongemakken te voorkomen, te beperken of te verhelpen : 1° de gehele of gedeeltelijke stopzetting van het bedrijf gelasten;2° de toestellen verzegelen en, in voorkomend geval, onmiddellijk de tijdelijke sluiting van de inrichting gelasten;3° de exploitant een interventieplan opleggen of hem bevelen een saneringsplan in te dienen en, in voorkomend geval, met inachtneming van één van de voorschriften bedoeld in artikel 55 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, een zekerheid ten gunste van het Gewest stellen om de sanering van de plaats te waarborgen. Als de burgemeester verzuimt op te treden, beschikken de in het eerste lid bedoelde ambtenaren en personeelsleden over dezelfde prerogatieven als hij.

De overeenkomstig het eerste lid, 1° en 2°, genomen maatregelen worden van rechtswege opgeheven als de milieuvergunning wordt toegekend of als de aangifte aan het bevoegde college van burgemeester en schepenen wordt gericht. § 2. Het saneringsplan, goedgekeurd volgens de door de Regering bepaalde voorschriften, geldt als milieuvergunning. De Regering kan voorschriften bepalen voor de opstelling, de goedkeuring en de uitvoering van de saneringsplannen. § 3. Als de overtreder nalaat een plan in te dienen of de voorschriften ervan niet in acht neemt, kan de burgemeester of de Regering de plaats ambtshalve laten saneren. Ze handelen overeenkomstig paragraaf 4. § 4. Als de overtreder de opgelegde maatregelen niet binnen de voorgeschreven termijn neemt, kan de Regering of haar gemachtigde de sanering ambtshalve of op verzoek van de burgemeester voor rekening van de overtreder laten uitvoeren door de maatschappij bedoeld in artikel 39 van het decreet van 27 juni 1996 op de afvalstoffen. De Regering of haar gemachtigde kan bovendien eisen dat de in het eerste lid bedoelde personen een zekerheid stellen overeenkomstig artikel 55.

De Regering of haar gemachtigde stelt de persoon of personen die de zekerheid moet(en) stellen bij aangetekend schrijven in kennis van het bedrag van de zekerheid en van de wijzen waarop ze gesteld kan worden.

Als de zekerheid niet gesteld is binnen acht dagen, geeft de Regering of haar gemachtigde de overtreder bevel tot betaling binnen vierentwintig uren, op straffe van tenuitvoerlegging bij wijze van beslag.

Het feit dat naar aanleiding van een bevel tot betaling een zekerheid wordt gesteld waarvan het bedrag niet volstaat, belet de voortzetting van de vervolgingen niet.

Zodra de termijn voor het bevel verstreken is, kan de Regering of haar gemachtigde beslag laten leggen op de bij het Gerechtelijk Wetboek bepaalde wijze. »

Art. 133.In artikel 22, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 december 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de punten 1° en 5° worden opgeheven;2° in punt 2° worden de woorden « een bepaling genomen krachtens de artikelen 8 à 12 » vervangen door de woorden « een krachtens de artikelen 8 à 12 genomen reglement of verbodmaatregel ».

Art. 134.In artikel 27, vierde lid, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 7 maart 1996, wordt het woord "vergunning" vervangen door het woord "milieuvergunning".

Art. 135.Artikel 45 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 23 december 1993 en 7 maart 1996, wordt gewijzigd als volgt : 1° § 1 wordt opgeheven;2° in § 2 worden de woorden "waarvoor krachtens dit decreet een vergunning wordt vereist" vervangen door de woorden "waarvoor krachtens dit decreet een milieuvergunning of een aangifte wordt vereist" en worden de woorden "tot waterwinningsvergunning" vervangen door de woorden "om milieuvergunning of om aangifte".

Art. 136.In artikel 1, 8°, c., van het decreet van 30 april 1990 tot instelling van een belasting op het lozen van industrieel en huishoudelijk afvalwater worden de woorden "van de lozingsvergunning" vervangen door de woorden "van de milieuvergunning".

Art. 137.In artikel 3, 2°, van hetzelfde decreet worden de woorden "van de lozingsvergunning" vervangen door de woorden "van de milieuvergunning".

Art. 138.In artikel 7, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 23 december 1993, worden de woorden "in de lozingsvergunning" vervangen door de woorden "in de milieuvergunning" en worden de woorden "vergunningsvoorwaarden" vervangen door de woorden "normen van de milieuvergunning". Afdeling III. - Afvalstoffen

Art. 139.Artikel 2 van het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen wordt gewijzigd als volgt : 1° punt 18° wordt opgeheven;2° de punten 19°, 20°, 21°, 22°, 23°, 24° en 25° worden respectievelijk de punten 18°, 19°, 20°, 21°, 22°, 23° en 24°;3° er wordt een nieuw punt 25° ingevoegd, luidend als volgt : « 25° milieuvergunning : de beslissing bedoeld in artikel 1, 1°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning";4° er wordt een punt 26° ingevoegd, luidend als volgt : « 26° aangifte : de handeling bedoeld in artikel 1, 2°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning".

Art. 140.Artikel 6, § 3, van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt : « De milieuvergunningen en de wijzigingen van de na de inwerkingtreding van dit decreet verleende vergunningen voor ingedeelde inrichtingen bevatten exploitatienormen inzake afvalpreventie.

Art. 141.In artikel 7, § 5, van hetzelfde decreet worden de woorden "installatie die erkend of geregistreerd is om ze te beheren" vervangen door de woorden "inrichting die over een vergunning beschikt of aangegeven is voor het beheer ervan".

Art. 142.In artikel 8, 3°, van hetzelfde decreet worden de woorden "de installaties of de activiteiten voor afvalbeheer aan vergunning of registratie onderwerpen, evenals" geschrapt.

Art. 143.Artikel 11 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt : 1° het eerste lid van paragraaf 1 wordt vervangen als volgt : « De vestiging en de exploitatie van een installatie voor de verzameling, verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen zijn aan een milieuvergunning of aan een aangifte onderworpen, overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning";2° in het tweede lid van dezelfde paragraaf worden de woorden "de in paragraaf 2 bedoelde voorwaarden" vervangen door de woorden "specifieke normen voor het afvalbeheer";3° in het derde lid van dezelfde paragraaf wordt het woord "vergunning" vervangen door het woord "milieuvergunning";4° de paragrafen 2 à 8 worden opgeheven en paragraaf 1 wordt het eerste lid van het artikel.

Art. 144.Artikel 12 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.

Art. 145.Artikel 13 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.

Art. 146.In artikel 14 van hetzelfde decreet worden de punten 1° en 5° geschrapt en worden de punten 2°, 3° en 4° respectievelijk de punten 1°, 2° en 3°. Het nieuwe punt 2°, c, van hetzelfde artikel wordt gewijzigd als volgt : "het stellen van een zekerheid ten gunste van de Dienst, met inachtneming van één van de normen bedoeld in artikel 55 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning, ten einde elke krachtens dit decreet opgelegde verplichting na te komen".

Art. 147.Artikel 15 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.

Art. 148.In artikel 19 van hetzelfde decreet wordt paragraaf 4 opgeheven.

Art. 149.Artikel 20 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt : 1° in § 1, eerste lid, en § 2, vijfde lid, van hetzelfde decreet wordt het woord "oorspronkelijke" ingevoegd voor het woord "afvalproducent";2° in § 2 van hetzelfde artikel worden de woorden "De in artikel 11 bedoelde vergunning tot vestiging en exploitatie" vervangen door de woorden "De milieuvergunning";3° in de §§ 3 en 4 van hetzelfde artikel worden de woorden "vergunningsaanvraag" en "vergunningen" respectievelijk vervangen door de woorden "aanvraag om milieuvergunning" en "milieuvergunningen".

Art. 150.Artikel 22 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.

Art. 151.In artikel 24, § 2, eerste en tweede lid, van hetzelfde decreet wordt het woord "oorspronkelijke" ingevoegd vóór het woord "afvalproducenten".

Art. 152.In artikel 26 van hetzelfde decreet wordt paragraaf 4 vervangen als volgt : « De aanvragen om een milieuvergunning of om een eenmalige vergunning in de zin van artikel 1, 1° of 12°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en de aanvragen om een stedenbouwvergunning in de zin van artikel 84, § 1, van het « CWATUP » betreffende een site die opgenomen is op het plan voor centra voor technische ingraving van niet inerte afvalstoffen, vallen niet onder de toepassing van de bepalingen van het decreet van 11 september 1985 tot organisatie van de milieueffectenbeoordeling in het Waalse Gewest, voor zover het voorwerp ervan overeenstemt met de bestemming waarin het plan voor die site voorziet.

Er wordt een bijkomend onderzoek in het kader van de vergunningsprocedure uitgevoerd : 1° als bovenbedoelde aanvragen meer dan vijf jaar na de goedkeuring van het plan voor centra voor technische ingraving ingediend worden;2° als blijkt dat noemenswaardige elementen aan het licht zijn getreden waarmee geen rekening werd of kon worden gehouden tijdens het effectonderzoek betreffende het ontwerp van plan voor centra voor technische ingraving. Het bijkomend effectonderzoek valt onder de bepalingen van het decreet van 11 september 1985 tot organisatie van de milieueffectenbeoordeling in het Waalse Gewest. »

Art. 153.In artikel 36, 2°, van hetzelfde decreet wordt het woord "vergunningen" geschrapt.

Art. 154.In artikel 41, § 1, van hetzelfde decreet worden de woorden "vergunning" en "registratie" vervangen door de woorden "milieuvergunning" en "aangifte".

Art. 155.In artikel 42, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet worden de woorden "vergunning" en "registratie" geschrapt.

In artikel 42, § 1, derde lid, worden de woorden "vergunning tot beheer, in de zin van dit decreet, en als vergunning tot wijziging van het reliëf van de bodem, in de zin van artikel 41, § 1, 2° van het Waalse wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium" vervangen door de woorden "milieuvergunning in de zin van artikel 1, 1°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en als stedenbouwkundige vergunning in de zin van artikel 84, § 1, van het Waalse wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium".

Art. 156.Artikel 43 van hetzelfde decreet wordt gewijzigd als volgt : 1° in § 1, derde lid, worden de woorden "de in artikel 13 bedoelde" vervangen door de woorden "de in artikel 55 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning bedoelde";2° in § 4 worden de woorden "vergunning tot beheer, in de zin van dit decreet, en als vergunning tot wijziging van het reliëf van de bodem, in de zin van artikel 41, § 1, 2° van het Waalse wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium" vervangen door de woorden "milieuvergunning in de zin van artikel 1, 1°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en als stedenbouwkundige vergunning in de zin van artikel 84, § 1, van het Waalse wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium".

Art. 157.De leden 2 à 4 van artikel 45 van hetzelfde decreet worden vervangen als volgt : « Ze beschikken over de prerogatieven bedoeld in artikel 61 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunningen om hun opdrachten te vervullen.

De ambtenaren en personeelsleden leggen de eed af voor de rechtbank van eerste aanleg van hun woonplaats.

De hoofdgriffier maakt een afschrift van de commissie en van de akte van eedaflegging over aan zijn collega's van de rechtbanken van eerste aanleg gelegen in het ambtsgebied waar de ambtenaar of het personeelslid zijn ambt moet uitoefenen.

Bij gewone verandering van woonplaats moeten ze geen nieuwe eed afleggen. »

Art. 158.Artikel 46 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.

Art. 159.In artikel 47, § 1, van hetzelfde decreet worden de woorden « de vergunning, registratie » en « een vergunning of registratie » geschrapt.

Art. 160.Artikel 49 van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt : «

Art. 49.Elke krachtens dit decreet verleende erkenning kan opgeschort of ingetrokken worden door de overheid die bevoegd is om de erkenningen te verlenen, als de bepalingen van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan of de erkenningsnormen niet in acht worden genomen.

De Regering mag optreden in de plaats van de overheid die de erkenning heeft verleend als deze laatste verzuimt het te doen. »

Art. 161.In de artikelen 51 en 52 van hetzelfde decreet worden de getallen "11, 13" geschrapt.

Art. 162.In artikel 56 van hetzelfde decreet wordt de tweede zin gewijzigd als volgt : "Bovendien kan de rechter de veroordeelde verplichten zijn krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunningen of krachtens dit decreet aan erkenning onderworpen activiteiten tijdelijk of definitief stop te zetten. »

Art. 163.Artikel 58, § 3, tweede lid, van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt : « Het vonnis geldt in voorkomend geval als milieuvergunning voor afvalverwijdering in de zin van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en als stedenbouwkundige vergunning in de zin van artikel 84, § 1, van het Waalse wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium. »

Art. 164.Artikel 69 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.

Art. 165.In artikel 70, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt het woord "bouwvergunning" vervangen door de woorden "stedenbouwkundige vergunning" en het woord « vergunning » door « milieuvergunning en stedenbouwkundige vergunning ».

In het tweede lid van hetzelfde artikel worden de woorden "tot vergunning" vervangen door de woorden "tot een milieuvergunning en een stedenbouwkundige vergunning".

Art. 166.Artikel 7, § 2, van het decreet van 25 juli 1991 betreffende de belasting op de afvalstoffen in het Waalse Gewest, gewijzigd bij de decreten van 17 december 1992 en 27 juni 1996, wordt vervangen als volgt : « § 2. In afwijking van § 1 is de aanwezigheid van afvalstoffen op een plaats waar een natuurlijke of rechtspersoon een activiteit uitgeoefend heeft of uitoefent die toegelaten is krachtens het besluit van de Regent van 4 februari 1946 houdende goedkeuring van het Algemeen Reglement voor de Arbeidsbescherming, het decreet van 5 juli 1985 betreffende de afvalstoffen, het decreet van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, het decreet van 9 mei 1985 betreffende de ontsluiting van de steenbergen, het decreet van 7 juli 1988 op de mijnen, het decreet van 27 oktober 1988 op de groeven of het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en de uitvoeringsbesluiten ervan, niet de grondslag van de belasting, voor zover de bepalingen van deze vergunningen in de aanwezigheid van die afvalstoffen voorzien. »

Art. 167.In de artikelen 12 en 13 van hetzelfde decreet, zoals gewijzigd bij het decreet van 19 december 1996, worden de woorden "en van zijn uitvoeringsbesluiten" vervangen door de woorden "of van het decreet betreffende de milieuvergunning en de uitvoeringsbesluiten ervan".

Art. 168.In artikel 22, tweede lid, van hetzelfde decreet, zoals gewijzigd bij het decreet van 19 december 1996, worden de woorden "of van het decreet betreffende de milieuvergunning" ingevoegd na de woorden "betreffende de afvalstoffen".

Art. 169.In artikel 25 van hetzelfde besluit, zoals gewijzigd bij het decreet van 19 december 1996, worden de woorden "en van zijn uitvoeringsbesluiten" vervangen door de woorden "of van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning en van de uitvoeringsbesluiten ervan". Afdeling IV. - Effectrapportering

Art. 170.De bepalingen van het decreet van 11 september 1985 tot organisatie van de milieu-effectenbeoordeling in het Waalse Gewest en de bijlage erbij worden vervangen als volgt : "TITEL I. - Begripsomschrijving en princiepen

Artikel 1.Voor de toepassing van dit decreet wordt verstaan onder : 1° systeem van milieu-effectrapportering : de gezamenlijke procedures bedoeld in dit decreet en de toepassingsbesluiten ervan waarbij de weerslag van de projecten op het milieu onderzocht wordt vooraleer beslist wordt een vergunning te verlenen;2° project : operatie, activiteit, werk, bouw, afbraak, verbouwing, uitbreiding of buitengebruikstelling van installaties, programma of plan waardoor het leefmilieu wijzigingen ondergaat en waarvan de uitvoering gepland wordt door een privaat- en publiekrechtelijke natuurlijke of rechtspersoon;3° plan van aanleg : plan van aanleg in de zin van het « CWATUP »;4° vergunningen : a) de vergunningen verleend krachtens het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning;b) de vergunningen verleend krachtens de artikelen 84, 89 en 127 van het « CWATUP »;c) de winningsvergunningen verleend krachtens het decreet van 27 oktober 1988 op de groeven;d) de krachtens het decreet van 9 mei 1985 betreffende de ontsluiting van de steenbergen verleende vergunningen voor de nuttige toepassing van de steenbergen;e) de door de Regering opgesomde en krachtens wetten, decreten en reglementen genomen bestuurshandelingen waarbij besloten wordt een project geheel of gedeeltelijk uit te voeren;5° korte uiteenzetting van de milieueffectrapportering : document waarin de voornaamste ecologische parameters van het project opgenomen zijn en waarin de nadruk wordt gelegd op de effecten ervan op het milieu;6° effectonderzoek : wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd door een erkende persoon, waarin de nadruk wordt gelegd op de effecten van het project op het milieu;7° bevoegde overheid : al dan niet beraadslagend orgaan, met of zonder rechtspersoonlijkheid, dat met een openbare opdracht belast is en bevoegd is om de in dit artikel bedoelde vergunning te verlenen, met inbegrip van de inzake beroepen bevoegde overheid;8° niet-technische samenvatting : het document bevattende de voornaamste resultaten van het effectonderzoek, een synthese van de effecten van het project op het milieu, een lijst van de maatregelen die overwogen worden om de negatieve effecten van het project op het milieu te voorkomen, te beperken en, indien mogelijk, te verhelpen.

Art. 2.De tenuitvoerlegging van de bij dit decreet bepaalde procedures heeft als hoofddoel : - de kwaliteit van het leefklimaat en de leefomstandigheden van de bevolking te beschermen en te verbeteren en haar een gezonde, veilige en aangename omgeving te verschaffen; - de leefomgeving en de natuurlijke hulpbronnen te beheren met het oog op het behoud van hun kwaliteiten en op het rationeel en oordeelkundig gebruik van hun potentialiteiten; - evenwicht te brengen tussen de menselijke behoeften en het leefmilieu, waardoor de gezamenlijke bevolking op lange termijn zal kunnen genieten van een goed leefklimaat en van degelijke leefomstandigheden.

Art. 3.In het Waalse Gewest wordt een systeem ingevoerd om de effecten van de projecten op het milieu te evalueren.

Art. 4.De afgifte van elke vergunning is onderworpen aan de tenuitvoerlegging van het in dit decreet bedoelde systeem van milieu-effectrapportering.

Als verschillende vergunningen worden vereist, wordt voorzien in één enkel systeem van effectrapportering voor zover het betrekking heeft op alle aspecten van de vergunningen die noodzakelijk zijn om het project tot een goed einde te brengen.

De Regering bepaalt de regels voor de toepassing van dit artikel op grond van algemene normen.

Art. 5.De inzake beroepen bevoegde overheid en de administratieve rechter kunnen iedere vergunning die verleend wordt in strijd met de bepalingen van artikel 4, eerste lid, nietig verklaren.

De nietigheid moet hoe dan ook uitgesproken worden in de volgende gevallen : 1° bij gebrek aan een korte uiteenzetting als ze krachtens het decreet wordt vereist;2° in geval van overtreding van één van de bepalingen van artikel 14;3° bij gebrek aan een effectonderzoek als het vereist wordt bij of krachtens dit decreet;4° als de met het onderzoek belaste persoon niet erkend is;5° bij gebrek aan een niet-technische samenvatting;6° bij gebrek aan de in artikel 12 bedoelde raadpleging van de bevolking.

Art. 6.De vergunning en de vergunningsweigering moeten met redenen omkleed zijn, met name op grond van de milieueffecten en van de doelstellingen bedoeld in artikel 12.

TITEL II. - Systeem voor de rapportering van de effecten van de projecten op het milieu

Art. 7.Elke vergunningsaanvraag bevat ofwel een korte uiteenzetting van de milieueffectrapportering, ofwel een milieu-effectonderzoek.

Art. 8.§ 1. Onverminderd de artikelen 42 en 50 van het « CWATUP » dient de effectrapportering, ongeacht of het gaat om de korte uiteenzetting van de milieueffectrapportering of om het effectonderzoek, voor de identificatie, de omschrijving en de evaluatie van de rechtstreekse en onrechtstreekse effecten, op korte, middellange en lange termijn, van de inrichting en de tenuitvoerlegging van het project op : 1° de mens, de fauna en de flora;2° de bodem, het water, de lucht, het klimaat en de landschappen;3° de materiële goederen en het cultureel patrimonium;4° de wisselwerking tussen de factoren bedoeld in 1°, 2° en 3° van dit lid. § 2. De Regering bepaalt de lijst van de projecten die van wege hun aard, omvang of lokalisatie noemenswaardige effecten zouden kunnen hebben op het milieu en aan een milieu effectonderzoek onderworpen moeten worden.

De Regering bepaalt de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde lijst op grond van de selectiecriteria bedoeld in de bijlage bij dit decreet. § 3. De volgende aanvragen zijn onderworpen aan een milieueffectrapportering : 1° de vergunningsaanvragen betreffende projecten die niet opgenomen zijn in § 2;2° in afwijking van § 2, de vergunningsaanvragen die betrekking hebben op projecten gelegen in een perimeter die onderworpen is aan de voorschriften van een plan van aanleg waarvoor een milieu-effectonderzoek werd verricht, en die aan de voorschriften van dat plan voldoen. § 4. In afwijking van § 3, 2°, moet het milieu-effectonderzoek in het kader van de vergunningsprocedure aangevuld worden : 1° als de vergunningsaanvraag meer dan vijf jaar na de inwerkingtreding van het plan wordt ingediend;2° als blijkt dat noemenswaardige elementen aan het licht zijn getreden waarmee geen rekening werd of kon worden gehouden bij het onderzoek voorafgaande aan de goedkeuring van het plan van aanleg. De beslissing van de bevoegde overheid waarbij het project aan een bijkomend onderzoek wordt onderworpen, wordt genomen binnen vijftien dagen na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde aanvraag. Als geen beslissing wordt genomen binnen deze termijn, wordt geen bijkomend onderzoek verlangd.

De Regering kan de regels bepalen voor de door de bevoegde overheid te verrichten vaststelling en voor de uitvoering van het aanvullend effectonderzoek.

Art. 9.§ 1. De Regering bepaalt de vorm en de minimale inhoud van de korte uiteenzetting van de milieu-effectrapportering. Ze kan beslissen dat het dossier van de vergunningsaanvraag gelijk staat met de korte uiteenzetting van de milieueffectrapportering. § 2. De Regering kan de vorm en de minimale inhoud van het milieueffectonderzoek bepalen.

Het effectonderzoek bevat ten minste : 1° een omschrijving van het project met gegevens over de site, het ontwerp en de afmetingen ervan;2° de nodige gegevens voor de identificatie en de evaluatie van de voornaamste effecten die het plan op het milieu zou kunnen hebben;3° een beschrijving van de geplande maatregelen om belangrijke negatieve effecten te voorkomen en te beperken en, indien nodig, te verhelpen;4° een schets van de voornaamste vervangingsoplossingen die door de aanvrager onderzocht zijn en een opgave van de voornaamste redenen van zijn keuze rekening houdende met de effecten op het milieu;5° een niet-technische samenvatting van de bovenvermelde gegevens. Als de aanvrager de bevoegde overheid om advies vraagt over de in het kader van het effectonderzoek te verstrekken informatie, bepaalt de Regering hoe het advies moet worden uitgebracht.

Art. 10.De bevoegde overheid evalueert de effecten van het project op grond van het milieu-effectonderzoek of van de korte uiteenzetting van de milieueffectrapportering, de ingewonnen adviezen en van elk ander gegeven dat ze nuttig acht.

Wanneer de bevoegde overheid of de door de Regering aangewezen organen die bij de behandeling van de aanvraag betrokken zijn, niet beschikken over de vereiste gegevens, kunnen ze bijkomende informatie verlangen van de aanvrager of de auteur van onderzoeken.

De auteur van het project kiest een krachtens artikel 11 erkende persoon om het onderzoek uit te voeren.

TITEL III. - Milieueffectonderzoeken

Art. 11.De Regering erkent, volgens de door haar bepaalde criteria en procedure, de natuurlijke en rechtspersonen die belast kunnen worden met milieueffectonderzoeken; ze bepaalt hoe de erkenning wordt verleend en ingetrokken. De erkenning kan namelijk tijdelijk of definitief worden ingetrokken als de Regering, na een eerste behoorlijk meegedeelde waarschuwing, de uiterst matige kwaliteit van een onderzoek vaststelt.

De "Conseil wallon de l'Environnement pour le développement durable" (Waalse Milieuraad voor de duurzame ontwikkeling), ingesteld bij het decreet van 21 april 1994 betreffende de milieuplanning in het kader van de duurzame ontwikkeling, moet geraadpleegd worden vóór elke intrekking van erkenning, evenals de « Commission régionale d'aménagement du territoire » (Gewestelijke Commissie voor ruimtelijke ordening) in het geval van een effectonderzoek betreffende een plan van aanleg.

De Regering bepaalt in welke gevallen een erkende persoon onbevoegd kan worden verklaard voor de uitvoering van een onderzoek.

Art. 12.Voor de aan een effectonderzoek onderworpen projecten wordt de bevolking geraadpleegd vóór de indiening van de vergunningsaanvraag. De raadpleging dient met name om te wijzen op specifieke punten die zouden kunnen worden aangesneden in het effectonderzoek, en om alternatieven voor te leggen die de auteur van het project redelijkerwijs in overweging zou kunnen nemen bij de uitvoering van het effectonderzoek.

De Regering bepaalt : 1° hoe deze alternatieven worden medegedeeld aan de met het onderzoek belaste persoon;2° de voorschriften voor de raadpleging en de maatregelen om de bevolking daarvan in kennis te stellen.

Art. 13.De "Conseil wallon de l'Environnement pour le développement durable" of zijn afgevaardigde alsmede, in het geval van een effectonderzoek betreffende een plan van aanleg, de « Commission régionale d'aménagement du territoire » hebben het recht om de betrokken openbare overheden, de aanvrager en de persoon die het onderzoek uitvoert om elk gegeven te verzoeken i.v.m. de vergunningsaanvraag en het verloop van het effectonderzoek. Zij kunnen de Regering en de bevoegde overheid nuttige opmerkingen en suggesties i.v.m. het effectonderzoek verstrekken.

Art. 14.De projecten waarvoor een effectonderzoek wordt verricht, zijn onderworpen aan een openbaar onderzoek waarbij de volgende principes in acht worden genomen : 1° de niet-technische samenvatting en het effectonderzoek worden openbaar gemaakt;2° het openbaar onderzoek duurt dertig dagen;3° het openbaar onderzoek wordt opgeschort tussen 16 juli en 15 augustus.Als de in het eerste lid, 2°, bedoelde termijn voor het openbaar onderzoek langer is dan die welke toepasselijk is op de vergunningsaanvraag, worden de bij andere wetten, decreten en besluiten bepaalde proceduretermijnen verlengd met een duur die gelijk is aan het verschil tussen de twee bovenvermelde termijnen.

Voor de aan een effectonderzoek onderworpen projecten kan de Regering, naast de bij andere wetten, decreten of besluiten bepaalde regels betreffende een openbaar onderzoek, in bijkomende regels voorzien.

De Regering kan regels bepalen voor de organisatie van het openbaar onderzoek als de met de organisatie belaste overheid haar verplichtingen niet nakomt.

Art. 15.De bevolking kan op werkuren inzage nemen van een dossier op een plaats die de bevoegde overheid bepaalt. Dit dossier bevat het onderzoek in origineel of een door de auteur voor eensluidend verklaard afschrift ervan, een afschrift van de adviezen en briefwisseling die door de burgers en de verschillende betrokken diensten of instellingen gezonden worden. De overheid voegt de briefwisseling en de geschreven adviezen die ze in het kader van het openbaar onderzoek ontvangt, bij het dossier.

Art. 16.§ 1. Als van een in het Waalse Gewest te verwezenlijken project wordt vermoed dat het schadelijk kan zijn voor het milieu in een ander Gewest, een andere Lidstaat van de Europese Unie of een Staat die partij is bij het Verdrag inzake milieu-effectrapportage in grensoverschrijdend verband, opgemaakt te Espoo op 25 februari 1991, wordt het dossier betreffende de vergunningsaanvraag, samen met het effectonderzoek en de eventuele gegevens over de grensoverschrijdende effecten overgemaakt aan de bevoegde overheden van het andere Gewest, de andere Lidstaat van de Europese Unie of de andere Staat die partij is bij het Verdrag van Espoo.

De Regering bepaalt : 1° welke organen belast zijn met de overdracht van het dossier aan de in het eerste lid bedoelde overheden;2° de voorwaarden waaronder de bevoegde overheden van het betrokken Gewest of de betrokken Staat mogen deelnemen aan de procedure betreffende de milieueffectrapportering;3° de wijze waarop de in artikel 17 bedoelde gegevens verstrekt worden aan de in het eerste lid bedoelde overheden. § 2. Als een project dat verwezenlijkt moet worden in een ander Gewest, een andere Lidstaat van de Europese Unie of een Staat die partij is bij het Verdrag van Espoo, schade kan toebrengen aan het milieu van het Waalse Gewest, worden de gegevens bedoeld in artikel 7.3. van Richtlijn 85/337/EEG betreffende de waardering van de weerslagen van sommige openbare en privé-ontwerpen op het leefmilieu, zoals gewijzigd bij Richtlijn 97/11/EEG, overgemaakt door de bevoegde overheden van het andere Gewest of de andere Staat en ter beschikking gesteld van de betrokken bevolking en de door de Regering aangewezen organen.

De Regering bepaalt : 1° de wijze waarop de in het eerste lid bedoelde gegevens ter beschikking worden gesteld van de bevolking en de in het eerste lid bedoelde organen;2° hoe het advies van de bevolking en de geraadpleegde organen wordt ingewonnen en meegedeeld.

Art. 17.De Regering bepaalt de wijze van bekendmaking van : 1° de beslissing van de bevoegde overheid, in voorkomend geval vergezeld van de exploitatienormen;2° de grondslag van de beslissing;3° in voorkomend geval, een beschrijving van de voornaamste maatregelen die getroffen moeten worden om de belangrijke negatieve effecten van het project te voorkomen, te beperken en, indien mogelijk, te compenseren. TITEL IV. - Algemene en strafbepalingen

Art. 18.De belemmering van de uitvoering van het openbaar onderzoek of het onttrekken van stukken van het in artikel 15 bedoelde dossier voor het openbaar onderzoek, wordt gestraft met een gevangenisstraf van één à zes maanden en met een geldboete van 100 BEF tot 250 BEF, of met één van deze straffen.

De met het effectonderzoek belaste personen worden gelijkgesteld met "personen belast met een openbare dienst" voor de toepassing van Titel IV, hoofdstuk IV, van het Strafwetboek dat omkoping bestraft.

TITEL V. - Slot- en overgangsbepalingen

Art. 19.Onverminderd de in artikel 11 bedoelde mogelijkheid die de Regering heeft om een erkenning tijdelijk of definitief in te trekken, blijven de vóór de inwerkingtreding van dit decreet verleende vergunningen geldig totdat de termijn waarvoor ze verleend worden verstreken is.

Art. 20.De vergunningsaanvragen alsmede de georganiseerde administratieve beroepen die vóór de inwerkingtreding van dit decreet worden ingediend, worden behandeld volgens de op de dag van de indiening van de aanvraag vigerende procedure.

Bijlage bij het decreet van 11 september 1985 tot organisatie van de milieueffectrapportering in het Waalse Gewest Selectiecriteria bedoeld in artikel 8, § 2 1. Eigenschappen van de aan een effectrapportering onderworpen projecten De eigenschappen van de bovenbedoelde projecten moeten in aanmerking worden genomen met name in verband met : - de omvang van het ontwerp; - de cumulatie met andere projecten; - het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; - het voortbrengen van afvalstoffen; - verontreiniging en hinder; - gevaar voor ongevallen, rekening houdende namelijk met de gebruikte stoffen of aangewende technologieën. 2. Lokalisatie van de aan een effectrapportering onderworpen projecten De ecologische sensibiliteit van de geografische zones waar het project schade zou kunnen veroorzaken, moet in overweging worden genomen met inachtneming van : - de ingebruikneming van de bestaande gronden; - de relatieve rijkdom, de kwaliteit en de regeneratiecapaciteit van de natuurlijke hulpbronnen van de zone; - het belastingsvermogen van het natuurlijke milieu 3. Eigenschappen van de potentiële impact De noemenswaardige effecten die een project zou kunnen hebben, moeten gezien worden op grond van de in 1 en 2 bedoelde criteria, met name in verband met : - de omvang van de impact (geografische zone en aantal betrokken inwoners); - de grensoverschrijdende aard van de impact; - de omvang en de complexiteit van de impact; - de waarschijnlijkheid van de impact; - de duur, de frequentie en omkeerbaarheid van de impact. » Afdeling V. - Ontplofbare stoffen

Art. 171.De wet van 28 mei 1956 betreffende ontplofbare en voor de deflagratie vatbare stoffen en mengsels en de daarmee geladen tuigen houdt op van toepassing te zijn in het Waalse Gewest wat betreft de buitenpolitie van de gevaarlijke, ongezonde en hinderlijke inrichtingen. Afdeling VI. - Steenbergen

Art. 172.In artikel 1, 3°, van het decreet van 9 mei 1985 betreffende de ontsluiting van steenbergen, zoals gewijzigd bij het decreet van 6 mei 1993, worden de woorden "bedoeld in artikel 42, § 1" vervangen door de woorden "in de zin van".

Art. 173.Het eerste lid van artikel 2 van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt : « De vergunning tot ontsluiting van een steenberg houdt van rechtswege de afgifte in van de bouwvergunning in de zin van artikel 84 van het Waalse Wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium en van de milieuvergunning in de zin van artikel 1, 1°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning om de steenberg te exploiteren. » Afdeling VII. - Natuurparken

Art. 174.Artikel 13, § 1, van het decreet van 16 juli 1985 betreffende natuurparken wordt gewijzigd als volgt : 1° de woorden "door de bevoegde overheid" worden geschrapt;2° punt 1° wordt vervangen als volgt : "1° de toekenning van milieuvergunningen voor inrichtingen van klasse 1 in de zin van artikel 3 van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning";3° in 3° worden de woorden "machtigingen tot" vervangen door de woorden "milieuvergunning voor een";4° in 5° worden de woorden "machtigingen tot" vervangen door de termen "milieuvergunning voor de". In artikel 13, § 2, van hetzelfde decreet worden het eerste en het tweede lid vervangen als volgt : « De in het eerste lid, 1°, 3° en 5°, bedoelde adviezen worden gevraagd door de technisch ambtenaar bedoeld in artikel 1, 14°, van het decreet van 11 maart 1999 betreffende de milieuvergunning. Ze worden overgemaakt aan de technisch ambtenaar.

De in het eerste lid, 1°, 2°, 4°, 6° en 7°, bedoelde adviezen worden gevraagd door de bevoegde overheid.

De voor het afgeven van de in § 1 bedoelde vergunningen bevoegde overheden mogen slechts bij een speciaal met redenen omklede beslissing van dit advies afwijken. » Afdeling VIII. - Vervoer van gevaarlijke producten en exploitatie van

ondergrondse bergruimten in situ bestemd voor gasopslag

Art. 175.De wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen en de wet van 18 juli 1975 betreffende het opsporen en exploiteren van ondergrondse bergruimten in situ bestemd voor het opslaan van gas worden opgeheven wat betreft de milieubescherming voor de in dit decreet bedoelde inrichtingen. HOOFDSTUK XIII. - Slot- en overgangsbepalingen

Art. 176.Behoudens andersluidende bepaling geschiedt elke verzending bedoeld in de hoofdstukken II, III en IV bij ter post aangetekend schrijven, waarbij de poststempel bewijskracht heeft. De verzending moet uiterlijk op de vervaldag geschieden.

De vervaldag wordt ingerekend in de termijn. Als de vervaldag een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, dan wordt hij naar de volgende werkdag verschoven.

Art. 177.De natuurlijke of rechtspersoon die een aanvraag indient of een beroep instelt overeenkomstig dit decreet, moet een dossiersrecht betalen waarvan het bedrag integraal wordt gestort op de ontvangstenbegroting van het Waalse Gewest.

Het in het eerste lid bedoelde dossiersrecht wordt berekend als volgt : 1° 20.000 BEF voor de aanvraag van een milieuvergunning betreffende een inrichting van klasse 1; 2° 5.000 BEF voor de aanvraag van een milieuvergunning betreffende een inrichting van klasse 2; 3° 1.000 BEF voor een overeenkomstig artikel 41 ingesteld beroep.

Het dossiersrecht moet betaald worden de dag waarop de aanvraag wordt ingediend of het beroep ingesteld.

De Regering bepaalt hoe de dossiersrechten worden geheven.

Art. 178.De Regering kan, in samenspraak met de Minister van Landsverdediging, bijzondere regels voor de toepassing van dit decreet vastleggen voor de ingedeelde installaties en activiteiten die onder het Ministerie van Landsverdediging ressorteren, voor zover ze betrekking hebben op de Staatsveiligheid.

Art. 179.De Regering kan de bepalingen van dit decreet codificeren met de bepalingen die ze uitdrukkelijk of impliciet zouden hebben gewijzigd en met andere decreten die van toepassing zijn op het milieu, het waterbeleid en het natuurbehoud.

Daartoe kan ze : 1° de volgorde, de nummering en, in het algemeen, de presentatie van de bepalingen wijzigen;2° de in de te codificeren bepalingen opgegeven verwijzingen wijzigen om ze in overeenstemming te brengen met de nieuwe nummering;3° de opstelling van de te codificeren bepalingen wijzigen om te zorgen voor de overeenstemming ervan en om de terminologie ervan te uniformeren met inachtneming van de in deze bepalingen bedoelde princiepen. De codificatie krijgt de titel : "Waalse Milieucode".

Het codificatiebesluit van de Regering zal het voorwerp uitmaken van een ontwerp van bekrachtigingsdecreet dat aan de Waalse Gewestraad zal worden voorgelegd.

Art. 180.Onder vergunning in de zin van dit artikel wordt verstaan elke vergunning, machtiging of registratie die vóór de inwerkingtreding van dit decreet verleend moet worden voor de exploitatie van een inrichting.

De vóór de inwerkingtreding van dit decreet verleende vergunningen blijven geldig voor de vastgelegde termijn, onverminderd de toepassing van de hoofdstukken VIII, IX en X. De vóór de inwerkingtreding van dit decreet ingediende vergunningsaanvragen en ingestelde georganiseerde administratieve beroepen worden behandeld volgens de procedure die van toepassing is de dag waarop de aanvraag wordt ingediend.

Art. 181.Wanneer vóór de inwerkingtreding van dit decreet vergunningen worden afgegeven voor installaties en/of activiteiten die krachtens dit decreet zijn ingedeeld en die deel uitmaken van overeenkomstig dit decreet ingedeelde inrichtingen, en wanneer één van deze vergunningen voor deze als aanhorig ingedeelde installaties en/of activiteiten verstrijkt, moet de vergunninghouder : 1° ofwel een nieuwe milieuvergunning aanvragen of een aangifte indienen voor de betrokken inrichting waarvan de installatie en/of de activiteit deel uitmaakt;2° ofwel, in afwijking van de artikelen 10 en 11, een nieuwe milieuvergunning aanvragen of een aangifte indienen voor de installatie en/of de activiteit die deel uitmaakt van de inrichting.

Art. 182.De wet van 5 mei 1888 betreffende het toezicht op de gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke inrichtingen en op de stoommachines en ketels wordt opgeheven wat betreft de in dit decreet bedoelde inrichtingen.

Deze opheffing geldt niet voor de maatregelen van interne politie die betrekking hebben op de arbeidsbescherming.

Art. 183.Dit decreet treedt in werking op de door de Regering bepaalde datum.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Namen, 11 maart 1999.

De Minister-President van de Waalse Regering, belast met Economie, Buitenlandse Handel, K.M.O.'s, Toerisme en Patrimonium, R. COLLIGNON De Minister van Ruimtelijke Ordening, Uitrusting en Vervoer, M. LEBRUN De Minister van Binnenlandse Aangelegenheden en Ambtenarenzaken, B. ANSELME De Minister van Begroting en Financiën, Tewerkstelling en Vorming, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Leefmilieu, Natuurlijke Hulpbronnen en Landbouw, G. LUTGEN De Minister van Sociale Actie, Huisvesting en Gezondheid, W. TAMINIAUX De Minister van Onderzoek, Technologische Ontwikkeling, Sport en Internationale Betrekkingen, W. ANCION _______ Nota (1) Zitting 1998-1999 : Stukken van de Raad 392 (1997-1998), nrs.1 à 170.

Volledig verslag. - Openbare vergadering van 3 maart 1999.

Bespreking. - Stemming.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^