Decreet van 15 mei 2003
gepubliceerd op 24 juni 2003
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Decreet betreffende de buurtpreventie in de Waalse steden en gemeenten

bron
ministerie van het waalse gewest
numac
2003027462
pub.
24/06/2003
prom.
15/05/2003
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

15 MEI 2003. - Decreet betreffende de buurtpreventie in de Waalse steden en gemeenten (1)


De Waalse Gewestraad heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en omschrijving van het plan voor buurtpreventie

Artikel 1.Dit decreet regelt, overeenkomstig artikel 138 van de Grondwet, een aangelegenheid bedoeld in artikel 128, § 1, van de Grondwet.

Het is van toepassing op het grondgebied van het Franse taalgebied.

Art. 2.In de zin van dit decreet wordt verstaan onder : 1° buurtpreventie : de preventie van maatschappelijke uitstoting in de ruime zin van het woord, door een geschikt en overkoepelend wijkbeleid;2° plan voor buurtpreventie, hierna plan genoemd : het plan met als overkoepelend doel de buurtpreventie binnen de steden en gemeenten en dat alle door de gemeenteoverheid ingevoerde acties overkoepelt, ongeacht het bevoegdheidsgebied, met inachtneming van de bestaande beleidsvormen, beschikkingen en reglementeringen, die de door de andere op het betrokken grondgebied actieve overheids- of privé-sectoren eventueel gevoerde acties aanvullen;3° gemeenteoverheid : de gemeente(n) die in het kader van dit decreet alleen of samen een project indienen.

Art. 3.Het plan beoogt de coördinatie, de samenhang en de aaneenschakeling van alle uitgewerkte projecten.

De in het plan opgenomen acties, zoals bepaald in artikel 2, zorgen voor een overleg tussen de verschillende diensten en actoren die voor de buurtpreventie op het grondgebied van de betrokken gemeente(n) optreden en hebben tot doel : 1° in plaatselijke behoeften te voorzien inzake preventie van groeiende bestaansonzekerheid, armoede en uitsluiting;2° in plaatselijke behoeften te voorzien inzake vermindering van risico's van drugsverslaving;3° het sociale, intergenerationele en interculturele weefsel te herstellen;4° in plaatselijke behoeften te voorzien inzake preventie van criminaliteit en bijstand aan slachtoffers.

Art. 4.Het plan is een samenwerkingsverband tussen het Gewest en de gemeenteoverheid teneinde acties te ondersteunen en te ontwikkelen zoals omschreven in de artikelen 2 en 3.

In het plan worden de beoogde doelstellingen, de verschillende partners en hun bijdragen tot de uitvoering van het plan verduidelijkt.

De Regering bepaalt de minimale vermeldingen en de wijze van uitwerking, goedkeuring, uitvoering en van evaluatie van het plan.

Art. 5.Het plan wordt over een hernieuwbare periode van drie jaar ten uitvoer gelegd vanaf 1 januari van het jaar volgend op het jaar van de installatie van de gemeenteraad en vanaf 1 januari van het vierde jaar volgend op het jaar van de installatie van de gemeenteraad. HOOFDSTUK II. - Wijze van selectie van gesubsidieerde plannen

Art. 6.De lijst van de gemeenten die voor het plan in aanmerking komen wordt op grond van volgende criteria opgemaakt : 1° het percentage leefloongerechtigden;2° het percentage schoolgaande kinderen van zes tot achttien jaar op het grondgebied van de gemeente;3° het percentage werkzoekenden;4° het percentage gezinnen met een bescheiden inkomen en die in een bestaansonzekere toestand verkeren;5° het percentage sociale woningen;6° het percentage éénoudergezinnen;7° het percentage van de bevolking dat permanent in een weekendverblijfpark of op een camping woont;8° het aantal inwoners. De Regering bepaalt de wijze van berekening van de percentages en de voorwaarden om voor het plan in aanmerking te komen.

Art. 7.In de loop van de maand januari van het laatste jaar van de implementering van het plan, doet de Regering een oproep tot het indienen van projecten aan de in aanmerking komende gemeenten.

Het college van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeenteoverheid maakt een ontwerp van plan op, dat op grond van het op het desbetreffende grondgebied gevoerde beleid voor buurtpreventie wordt gevoerd en stuurt het aan de Regering volgens de door haar bepaalde regels.

In het ontwerp van plan worden per actie die in de zin van artikel 3 wordt gevoerd de te ontwikkelen initiatieven, de verwachte resultaten en de betrokken partners vermeld.

Het plan wordt door de gemeenteraad van de betrokken gemeenteoverheid aangenomen.

Art. 8.De Regering bepaalt de lijst van de plannen waarvan de implementering wordt gesubsidieerd.

Zij moet haar beslissing met redenen omkleden en het bedrag van de subsidie voor drie jaar bepalen volgens de door haar gestelde regels en op grond van volgende criteria : 1° de beoordeling van de in artikel 6 vermelde percentages;2° de omvang van de gezochte en bestaande partners;3° de samenhang van de in het plan ontwikkelde acties met de soort van bestaande partners;4° de samenhang van de in het plan ontwikkelde acties met artikel 3. De Regering bepaalt de regels voor de toekenning van de subsidie alsmede het aantal punten die toegekend zijn overeenkomstig het decreet van 25 april 2002 betreffende de tegemoetkomingen ter bevordering van de indienstneming van niet-werkende werkzoekenden door de plaatselijke, gewestelijke en gemeenschapsoverheden, door bepaalde werkgevers in de niet-commerciële sector, het onderwijs en de commerciële sector.

De diensten, beschikkingen of acties in de plannen voor buurtpreventie waarvoor d.m.v. preventie- en veiligheidscontracten partnerschapsovereenkomsten ofwel met een ander overheidsniveau, ofwel met andere onder het Waalse Gewest vallende beschikkingen reeds gesloten werden, zullen, in geval van positieve evaluatie, bij voorrang voor financiering in aanmerking komen voorzover ze de in artikel 3 bepaalde doelstellingen bereiken.

Art. 9.De Regering bepaalt het percentage voor de bijdrage van de gemeenten tot de financiering van de plannen en legt de uitgaven vast die voor de subsidie in aanmerking komen alsmede de toekenning van punten geco's (gesubsidieerde contractuelen).

Art. 10.Voor elk jaar van de driejarige periode vereffent de Regering 50 % van het bedrag van één derde van de subsidie.

Het saldo van het jaarlijks bedrag van de subsidie wordt vereffend na goedkeuring door de Regering van de door de betrokken gemeenteoverheid gedane uitgaven. HOOFDSTUK III. - Werking van het plan

Art. 11.Het college van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeenteoverheid ziet toe op de coördinatie, de samenhang en de aaneenschakeling van de uitgewerkte projecten.

Art. 12.Voor de implementering van het plan wordt op initiatief van de gemeenteoverheid een commissie voor de buurtpreventie opgericht op grond van een bij een overeenkomst georganiseerd samenwerkingsverband.

Deze partnerschapsovereenkomst wordt uiterlijk vóór de implementering van het plan gesloten.

De commissie bestaat uit : 1° één voorzitter, lid van het of één van de college(s) van burgemeester en schepenen, bijgestaan door één ondervoorzitter, lid van het vast bureau van het of één O.C.M.W. en die door hem of hen aangewezen is; 2° één projectleider aangewezen door de raad (raden) van de gemeenteoverheid onder het gemeentepersoneel of het personeel van het O.C.M.W.; 3° één of verscheidene hoofden van de sociale coördinatie van het of de O.C.M.W's; 4° vertegenwoordigers van betrokken instellingen en diensten in het kader van het in artikel 4 bedoelde overleg. De functies van voorzitter en projectleider zijn niet met elkaar te verenigen.

De Commissie voor de Buurtpreventie vergadert zo dikwijls als nodig en minstens driemaal per jaar. Zij is bevoegd om ieder voorstel of iedere aanbeveling te formuleren aan het of de college(s) van burgemeester en schepenen in het kader van haar opdracht voor de coördinatie van projecten en met het oog op het opstellen van het in artikel 13 bedoelde verslag.

Op grond van het door de Regering opgemaakte model en op voorstel van de commissie keurt het college van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeenteoverheid het deontologisch handvest goed dat binnen het plan van toepassing is.

In de in het eerste lid bedoelde partnerschapsovereenkomst wordt verwezen naar het deontologisch handvest.

De vertegenwoordiger van de regeringsdiensten kan op gewone aanvraag aan de in het vijfde lid bedoelde vergaderingen deelnemen. HOOFDSTUK IV. - Evaluatie van de plannen

Art. 13.Het college van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeenteoverheid brengt een jaarverslag uit en bezorgt het aan het Waalse Gewest. Dit verslag wordt ook ter informatie aan elk lid van de Commissie voor de Buurtpreventie toegezonden.

Het verslag bestaat uit een vorderingsstaat van het plan, uit initiatieven die het plan ondersteunen en voorstellen voor het behoud of de aanpassing van de uitgevoerde projecten.

De Regering kan de vorm van het verslag bepalen. Het verslag wordt aan de Regering doorgezonden.

Een financieel verslag voor het afgelopen jaar alsmede een begrotingsstuk met alle geraamde uitgaven met betrekking tot het plan voor het lopend jaar worden bij het in het eerste lid bedoelde verslag gevoegd.

Na afloop van de driejarige periode maakt het college van burgemeester en schepenen van de betrokken gemeenteoverheid een evaluatie op van het gezamenlijk plan dat tijdens de driejarige periode wordt uitgevoerd, d.m.v. een globaal document waarbij een financieel verslag wordt gevoegd.

Art. 14.De in artikel 13 bedoelde documenten worden door de gemeenteraad van de betrokken gemeenteoverheid aangenomen en naar de Regering verstuurd.

Art. 15.De Regering maakt de jaarlijkse en eindevaluaties van het plan op volgens de door haar gestelde regels. Deze evaluaties hebben betrekking op de gezamenlijke doelstellingen en projecten die voor de implementering van het plan nodig zijn.

Art. 16.De Regering bezorgt het Parlement een globaal evaluatieverslag over de plannen voor buurtpreventie. HOOFDSTUK V. - Stelsel voor een degressief voordeel

Art. 17.§ 1. De gemeenteoverheid die, enerzijds, een subsidie voor het plan tijdens de vorige driejarige periode genoot en krachtens artikel 15 een positieve evaluatie heeft gekregen, en die, anderzijds, niet meer voor een subsidie in aanmerking kan komen in uitvoering van artikel 6, of waarvan het ontwerp van plan voor de volgende driejarige periode niet aangenomen is krachtens artikel 8, komt, indien gewenst, in aanmerking voor een degressieve subsidie over een periode van drie jaar.

Het bedrag van de in het eerste lid bepaalde subsidie wordt berekend als volgt : 1° voor het eerste jaar, 75 % van de laatste subsidie die voor de uitvoering van een plan ontvangen is;2° voor het tweede jaar, 50 % van de laatste subsidie die voor de uitvoering van een plan ontvangen is;3° voor het derde jaar, 25 % van de laatste subsidie die voor de uitvoering van een plan ontvangen is. § 2. Wanneer het bedrag van de subsidie voor het plan van de volgende driejarige periode met 50 % of hoger verminderd is, kan de gemeenteoverheid, indien gewenst, in aanmerking komen voor een degressieve subsidie gelijk aan : 1° voor het eerste jaar, 75 % van de laatste subsidie die voor de uitvoering van een plan ontvangen is;2° voor het tweede jaar, 50 % van de laatste subsidie die voor de uitvoering van een plan ontvangen is;3° voor het derde jaar, tegen de bij de mededeling toegekende rente. § 3. De artikelen 13 tot en met 16 blijven van toepassing tijdens het stelsel voor een degressief voordeel. HOOFDSTUK VI. - Bijstand aan slachtoffers in de politiezones

Art. 18.Ondanks de erkenning van een plan door de Waalse Regering kan een subsidie volgens de door de Regering bepaalde regels worden verleend aan één van de gemeenten die lid zijn van de betrokken politiezone. Deze subsidie wordt besteed aan de kosten van een maatschappelijk werker die in het territoriaal rechtsgebied van de zone, tot taak heeft de lokale politiediensten te begeleiden en voor een betere eerstelijnsopvang van slachtoffers te zorgen.

De Regering wijst minstens één in het eerste lid bedoelde maatschappelijk werker per provincie aan die ook voor de globale coördinatie inzake hulp aan slachtoffers zal zorgen voor het betrokken provinciale grondgebied. HOOFDSTUK VI. - Wijzigingsbepalingen

Art. 19.In artikel 15 van het decreet van 25 april 2002 betreffende de tegemoetkomingen ter bevordering van de indienstneming van niet-werkende werkzoekenden door de plaatselijke, gewestelijke en gemeenschapsoverheden, door bepaalde werkgevers in de niet-commerciële sector, het onderwijs en de commerciële sector, worden paragraaf 1, eerste lid, 11°, en paragraaf 2, eerste lid, 11°, opgeheven.

In artikel 15, § 1, tweede lid, van hetzelfde decreet, worden de woorden "paragraaf 1, 4° en 6° tot en met 12°" vervangen door de woorden "paragraaf 1, 1° tot en met 4°, 6° tot en met 10° en 12°".

In artikel 15, § 1, derde lid, van hetzelfde decreet, worden de woorden "al naar gelang van de criteria bedoeld in paragraaf 1, 3°, 5°, 6°, 7°, 9° en 10°" vervangen door de woorden "naar gelang van de criteria bedoeld in paragraaf 1, 3°, 5° tot en met 10°".

In artikel 15, § 1, van hetzelfde decreet wordt een laatste lid ingevoegd, luidend als volgt : « De Regering bepaalt het aantal punten die aan iedere gemeente worden toegekend overeenkomstig het decreet betreffende de buurtpreventie in de Waalse steden en gemeenten. » HOOFDSTUK VIII. - Overgangs- en slotbepalingen

Art. 20.In afwijking van artikel 5, hebben de eerste plannen die krachtens dit decreet goedgekeurd en gesubsidieerd worden, betrekking op de jaren 2004-2007.

Art. 21.In afwijking van artikel 7 wordt de oproep tot het indienen van projecten voor de jaren 2004-2007 uiterlijk aan het einde van de maand volgend op de inwerkingtreding van dit decreet gedaan.

De ontwerpen van plannen worden uiterlijk binnen de maand volgend op de in het eerste lid bedoelde oproep tot het indienen van projecten, aan de Regering bezorgd.

Uiterlijk binnen twee maanden volgend op de in het eerste lid bedoelde oproep tot het indienen van projecten bepaalt de Regering de lijst van de plannen en het bedrag van de subsidie overeenkomstig artikel 8.

Art. 22.De steden en gemeenten die voor een gewestelijke subsidie in aanmerking kwamen in het kader van een veiligheids- en samenlevingscontract of van een geïntegreerd sociaal plan, zoals toegekend vóór de inwerkingtreding van dit decreet, overeenkomstig de besluiten van de Waalse Regering van 18 juli 2002 tot toekenning van een subsidie aan gemeenten van het Waalse Gewest voor de uitvoering van een geïntegreerd sociaal plan voor het jaar 2002 en waarbij een subsidie aan de steden Charleroi, La Louvière, Luik, Bergen, Namen, Seraing, Doornik en Verviers voor 2002 wordt verleend voor de tenuitvoerlegging van Waalse acties voor de veiligheids- en preventiecontracten, kunnen aanspraak maken op het in artikel 15 bedoelde stelsel voor een degressief voordeel. In dit geval dient evenwel rekening te worden gehouden met de door het bestuur reeds verrichte evaluaties van deze beschikkingen.

Art. 23.De artikelen 8, 9 en 19, voor wat de punten geco's betreft, hebben uitwerking wanneer het decreet van 25 april 2002 betreffende de tegemoetkomingen ter bevordering van de indienstneming van niet-werkende werkzoekenden door de plaatselijke, gewestelijke en gemeenschapsoverheden, door bepaalde werkgevers in de niet-commerciële sector, het onderwijs en de commerciële sector, en het uitvoeringsbesluit ervan in werking treden, onverminderd de inwerkingtreding van de andere bepalingen van dit decreet.

Art. 24.Alle momenteel geldende gewestelijke regelgevingen die naar de geïntegreerde sociale plannen verwijzen, zoals gesubsidieerd bij het besluit van de Waalse Regering van 18 juli 2002, en de veiligheids- en preventiecontracten, zoals gesubsidieerd bij het besluit van de Waalse Regering van 18 juli 2002, zijn van toepassing, vanaf de inwerkingtreding van dit decreet, op de plannen voor buurtpreventie zoals bepaald in dit decreet.

Art. 25.Dit decreet heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2003.

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Namen, 15 mei 2003.

De Minister-President, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE De Minister van Economie, K.M.O.'s, Onderzoek en Nieuwe Technologieën, S. KUBLA De Minister van Vervoer, Mobiliteit en Energie, J. DARAS De Minister van Begroting, Huisvesting, Uitrusting en Openbare Werken, M. DAERDEN De Minister van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Leefmilieu, M. FORET De Minister van Landbouw en Landelijke Aangelegenheden, J. HAPPART De Minister van Binnenlandse Aangelegenheden en Ambtenarenzaken, Ch. MICHEL De Minister van Sociale Aangelegenheden en Gezondheid, Th. DETIENNE De Minister van Tewerkstelling en Vorming, Mevr. M. ARENA _______ Nota (1) Zitting 2002-2003. Stukken van de Raad 493 (2002-2003) nrs. 1 tot en met 5 Volledig verslag , openbare vergadering van 29 april 2003. - Bespreking Volledig verslag , openbare vergadering van 30 april 2003. - Stemming.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^