Document van 19 november 2010
gepubliceerd op 08 december 2010

Besluit van de Vlaamse Regering houdende algemene bepalingen over het energiebeleid

bron
vlaamse overheid
numac
2010035890
pub.
08/12/2010
prom.
19/11/2010
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

VLAAMSE OVERHEID


19 NOVEMBER 2010. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende algemene bepalingen over het energiebeleid


De Vlaamse Regering, Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen, artikel 6, § 1, VII, h), artikel 20 en artikel 87, § 1, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993;

Gelet op de wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, artikel 57, § 4, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2008;

Gelet op het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003, artikel 6, § 2 en artikel 7, derde lid;

Gelet op het Energiedecreet van 8 mei 2009;

Gelet op het koninklijk besluit van 27 augustus 1925 op de elektriciteitsvoorziening - Verklaring van openbaar nut;

Gelet op het koninklijk besluit van 4 december 1933 tot regeling van het innen der rechten wegens gebruik van het openbaar domein voor elektrische leidingen;

Gelet op het koninklijk besluit van 15 maart 1966 tot heffing van retributies voor de bezetting van het openbaar of privaat domein van de Staat, de provinciën of de gemeenten door installaties voor gasvervoer door middel van leidingen;

Gelet op het koninklijk besluit van 26 oktober 1967 betreffende de inrichting en de werking van het Vast-Electrotechnisch Comité en van de vaste afdelingen van dit comité;

Gelet op het koninklijk besluit van 26 november 1973 betreffende de wegvergunningen bedoeld bij de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening;

Gelet op het koninklijk besluit van 26 november 1973 tot vaststelling van de door de Staat, de provinciën, de gemeenten, de verenigingen van gemeenten en de houders van een concessie van elektriciteitsvoorziening te volgen regelen voor het benutten van een weg die geen deel uitmaakt, naar gelang het geval, van hun eigen openbaar domein, van dat van de gemeenten aangesloten bij de vereniging van gemeenten, of dat van de concessieverlenende gemeente of van de gemeenten aangesloten bij de concessieverlenende vereniging van gemeenten;

Gelet op het koninklijk besluit van 10 februari 1983 houdende aanmoedigingsmaatregelen voor het rationeel energieverbruik;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 1992 houdende instelling van een aanpassingspremie en een verbeteringspremie voor woningen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 1997 betreffende de samenstelling en de werking van de lokale adviescommissie omtrent de minimale levering van elektriciteit, gas en water;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 2001 met betrekking tot de leveringsvergunningen voor elektriciteit;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 2001 met betrekking tot de distributienetbeheerders voor elektriciteit;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 betreffende de elektriciteitsvoorziening aan bepaalde afnemers;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 houdende nadere regeling van de voorwaarden om als afnemer in de zin van artikel 12 van het Elektriciteitsdecreet in aanmerking te komen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2001 houdende het gratis vervoer en de gratis levering van een hoeveelheid elektriciteit als sociale openbaredienstverplichting;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 11 oktober 2002 houdende de organisatie van de aardgasmarkt;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2003 houdende bepaling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van de Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 14 november 2003 tot vaststelling van de nadere regels voor de toekenning en de verrekening van gratis elektriciteit voor huishoudelijke afnemers;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 inzake de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 tot vaststelling van de openbaredienstverplichting, opgelegd aan de netbeheerders met betrekking tot de openbare verlichting;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 16 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap het Vlaams Energieagentschap;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 inzake energieplanning voor ingedeelde energie-intensieve inrichtingen en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende de algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004 betreffende het rapporteren van afname- en productiegegevens door de beheerders van de aardgas- en elektriciteitsnetten, de brandstofleveranciers, de exploitanten van warmtekracht-, hernieuwbare energie en zelfopwekkingsinstallaties;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 11 maart 2005 tot vaststelling van de eisen op het vlak van de energieprestaties en het binnenklimaat van gebouwen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 18 november 2005 tot vaststelling van de openbaredienstverplichting, opgelegd aan de netbeheerders met betrekking tot het ter beschikking stellen van de mogelijkheid voor afnemers op laagspanning om te kunnen genieten van een elektriciteitstarief op basis van een dag- en een nachtmeter;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juli 2006 ter bevordering van de elektriciteitsopwekking in kwalitatieve warmtekrachtinstallaties;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2007 inzake de openbaredienstverplichtingen ter bevordering van het rationeel energiegebruik, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 september 2009;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2007 betreffende de invoering van het energieprestatiecertificaat voor publieke gebouwen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2007 houdende vaststelling van de regels die de behoefte aan nieuwbouw of uitbreiding bepalen en van de fysische en financiële normen voor de schoolgebouwen, internaten en centra voor leerlingenbegeleiding;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 houdende de financiering van de sociale huisvestingsmaatschappijen voor de realisatie van sociale huurwoningen en de daaraan verbonden werkingskosten;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 11 januari 2008 houdende de invoering van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen bij verkoop en verhuur en de uitvoering van de energieaudit;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 tot toekenning van premies voor het uitvoeren van energiebesparende investeringen in woongebouwen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juni 2008 betreffende de verzekering gewaarborgd wonen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008 houdende de toekenning van een subsidie voor de plaatsing van microwarmtekrachtinstallaties en warmtepompen door niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2008 houdende de invoering van het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen bij verkoop en verhuur;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2008 tot toekenning van subsidies aan sociale verhuurkantoren voor het uitvoeren van energiebesparende investeringen in woongebouwen;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 13 maart 2009 betreffende de sociale openbaredienstverplichtingen in de vrijgemaakte elektriciteits- en aardgasmarkt;

Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2010 tot toekenning van steun aan energieconsulentenprojecten;

Overwegende dat Richtlijn 2002/91/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende de energieprestatie van gebouwen de lidstaten oplegt een verbeterde energieprestatie van gebouwen te stimuleren via het vaststellen van een berekeningsmethodiek, het vaststellen van eisen met betrekking tot de energieprestaties voor zowel nieuwe als bestaande gebouwen en het invoeren van energieprestatiecertificatensystemen voor gebouwen die worden verkocht of verhuurd;

Overwegende dat Richtlijn 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling op basis van de vraag naar nuttige warmte binnen de interne energiemarkt en tot wijziging van Richtlijn 92/42/EEG een definitie van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling invoert, bepaalt dat alle lidstaten een systeem van garanties van oorsprong moeten invoeren, de lidstaten tevens oplegt regelmatig te rapporteren over het potentieel van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, en de ontwikkeling van het aandeel warmtekrachtkoppeling in de elektriciteitsproductie oplegt;

Overwegende dat Richtlijn 2006/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende energie-efficiëntie bij het eindgebruik en energiediensten en houdende intrekking van Richtlijn 93/76/EEG van de Raad de lidstaten de algemene doelstelling oplegt om de energie-efficiëntie bij de eindgebruikers te bevorderen door voorwaarden te scheppen voor de ontwikkeling en bevordering van een markt voor energiediensten en door de verplichting op te leggen om via actieplannen daarover regelmatig en uitgebreid aan de Europese Commissie te rapporteren;

Overwegende dat Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare energiebronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG de lidstaten oplegt een nationaal actieplan hernieuwbare energie uit te werken en uit te voeren dat de realisatie van de bindende hernieuwbare energiedoelstelling voor 2020 mogelijk moet maken;

Overwegende dat Richtlijn 2009/72/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en tot intrekking van Richtlijn 2003/54/EG bijkomende maatregelen vooropstelt voor een verdere liberalisering van de elektriciteitsmarkt, zoals op het vlak van toegang van nieuwe leveranciers, de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening, nieuwe regels voor de ontvlechting van verschillende marktactiviteiten, nog grotere bescherming van energieconsumenten, de onafhankelijkheid van de energieregulator, en de oprichting van een Europese energieregulator;

Overwegende dat Richtlijn 2009/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor aardgas en tot intrekking van richtlijn 2003/55/EG bijkomende maatregelen vooropstelt voor een verdere liberalisering van de aardgasmarkt, zoals op het vlak van toegang van nieuwe leveranciers, de zekerheid van de elektriciteitsvoorziening, nieuwe regels voor de ontvlechting van verschillende marktactiviteiten, nog grotere bescherming van energieconsumenten, de onafhankelijkheid van de energieregulator, en de oprichting van een Europese energieregulator;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 6 juli 2010;

Gelet op het advies van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen, gegeven op 23 september 2010;

Gelet op het advies van de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen, gegeven op 15 september 2010;

Gelet op het advies van de Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt, gegeven op 1 september 2010;

Gelet op het advies nr. 48.811/3 van de Raad van State, gegeven op 26 oktober 2010, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op voorstel van de Vlaamse minister van Energie, Wonen, Steden en Sociale Economie;

Na beraadslaging, Besluit : TITEL I. - Algemene bepalingen Artikel 1.1.1 § 1. De begrippen en definities, vermeld in het decreet van 8 mei 2009 houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid, zijn van toepassing op dit besluit. § 2. In dit besluit wordt verstaan onder : 1° aangesloten wooneenheid of residentieel gebouw : wooneenheid of residentieel gebouw, aangesloten op het distributienet; 2° aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning : de aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning als vermeld in artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009; 3° afrekeningsfactuur : de factuur voor de afrekening van een gemeten, geschatte of conventioneel overeengekomen verbruik over een bepaalde periode, met uitzondering van de facturen voor de betaling van voorschotten;4° auditsoftware : de software die ter beschikking wordt gesteld door het Vlaams Energieagentschap aan de energiedeskundigen type B om een energieaudit residentieel uit te voeren, waarmee een fiscaal attest kan worden opgesteld en waarmee de berekende resultaten en de gegevens die aan de grondslag liggen van de energieaudit residentieel, kunnen worden doorgestuurd naar een databank die het Vlaams Energieagentschap heeft aangewezen;5° basisbelasting : de belasting, berekend overeenkomstig artikel 130 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992;6° belastingvrije sommen : de belastingvrije sommen, vermeld in artikel 131 tot en met 133 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, na toepassing van artikel 134 van het hetzelfde wetboek; 7° beschermde afnemer : huishoudelijke eindafnemer waarbij op het adres van de aansluiting minstens één persoon gedomicilieerd is die behoort tot de lijst van residentiële klanten met een laag inkomen of in een kwetsbare situatie, vermeld in artikel 4 van de Programmawet van 27 april 2007, in artikel 2 van het ministerieel besluit van 30 maart 2007Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 30/03/2007 pub. 19/06/2007 numac 2007011308 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Ministerieel besluit houdende vaststelling van sociale maximumprijzen voor de levering van aardgas aan de beschermde residentiële klanten met een laag inkomen of in een kwetsbare situatie type ministerieel besluit prom. 30/03/2007 pub. 06/07/2007 numac 2007011371 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Ministerieel besluit houdende vaststelling van sociale maximumprijzen voor de levering van elektriciteit aan de beschermde residentiële klanten met een laag inkomen of in een kwetsbare situatie sluiten tot vaststelling van maximumprijzen voor de levering van aardgas aan de beschermde residentiële afnemers met een laag inkomen of in een kwetsbare positie en artikel 2 van het ministerieel besluit van 30 maart 2007Relevante gevonden documenten type ministerieel besluit prom. 30/03/2007 pub. 19/06/2007 numac 2007011308 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Ministerieel besluit houdende vaststelling van sociale maximumprijzen voor de levering van aardgas aan de beschermde residentiële klanten met een laag inkomen of in een kwetsbare situatie type ministerieel besluit prom. 30/03/2007 pub. 06/07/2007 numac 2007011371 bron federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie Ministerieel besluit houdende vaststelling van sociale maximumprijzen voor de levering van elektriciteit aan de beschermde residentiële klanten met een laag inkomen of in een kwetsbare situatie sluiten tot vaststelling van maximumprijzen voor de levering van elektriciteit aan de beschermde residentiële afnemers met een laag inkomen of in een kwetsbare positie.; 8° betalingsjaar : het kalenderjaar waarin de saldofactuur of alle facturen voor de werkzaamheden, vermeld in artikel 7.1.3 tot en met 7.1.6, is of zijn betaald; 9° biomassa : de biologisch afbreekbare fractie van producten, afvalstoffen en residuen van de landbouw met inbegrip van plantaardige en dierlijke stoffen, de bosbouw en aanverwante bedrijfstakken, alsook de biologisch afbreekbare fractie van industrieel en huishoudelijk afval;10° biotransportbrandstof : biomassa die wordt aangewend om een voertuig aan te drijven;11° bruikbare vloeroppervlakte : de som van de brutovloeroppervlakten van alle vloerniveaus binnen het beschermde volume van het gebouw, berekend volgens de door het Vlaams Energieagentschap vastgelegde specificaties; 12° certificaatgerechtigde : natuurlijke persoon of rechtspersoon die recht heeft op groenestroomcertificaten, overeenkomstig artikel 7.1.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, of op warmtekrachtcertificaten, overeenkomstig artikel 7.1.2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009; 13° certificatenverplichting : verplichting tot het inleveren van een aantal groenestroomcertificaten of warmtekrachtcertificaten, als vermeld in respectievelijk artikel 7.1.10 en 7.1.11 van het Energiedecreet van 8 mei 2009; 14° certificatiesoftware niet-residentieel : de software die ter beschikking wordt gesteld door het Vlaams Energieagentschap aan de energiedeskundigen type D voor de certificering van een of meer types van bestaande niet-residentiële gebouwen, waarmee het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen kan worden opgesteld en waarmee de berekende resultaten en de gegevens die aan de grondslag liggen van het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen, kunnen worden doorgestuurd naar de certificatendatabank;15° certificatiesoftware residentieel : de software die ter beschikking wordt gesteld door het Vlaams Energieagentschap aan de energiedeskundigen type A voor de certificering van bestaande residentiële gebouwen, waarmee het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen kan worden opgesteld en waarmee de berekende resultaten en de gegevens die aan de grondslag liggen van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen, kunnen worden doorgestuurd naar de certificatendatabank;16° collectieve huisvesting : huisvesting waarbij verschillende personen buiten gezinsverband in hetzelfde residentiële gebouw zijn gedomicilieerd;17° dagmeter : elektriciteitsmeter waarmee het verbruik wordt gemeten tijdens de normale uren, zoals vastgelegd door de netbeheerder;18° datum van indienstneming : datum waarop een productie-installatie voor het eerst in dienst werd genomen of datum waarop een warmtekrachtinstallatie ingrijpend gewijzigd werd;19° de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen : de afdeling Milieuvergunningen van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie, zoals bepaald met toepassing van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Vlaamse ministeries;20° directe actie : stimulerend onderdeel van een actie waarbij de doelgroep financieel ondersteund wordt voor de uitvoering van een REG-investering;21° dominerende aandeelhouder : elke natuurlijke of rechtspersoon die geen gemeente is en elke groep van personen die in onderling overleg optreden, die, rechtstreeks of onrechtstreeks, ten minste 10 procent bezitten van het kapitaal van de netbeheerder of van de stemrechten, verbonden aan de effecten die door hem zijn uitgegeven;22° EAN-code : code die bestaat uit 18 cijfers voor de unieke identificatie van een toegangspunt op het elektriciteits- of aardgasnet (European Article Numbering);23° economisch aantoonbare vraag : de vraag die de behoefte aan warmte of koeling niet overstijgt en waaraan anders onder marktvoorwaarden zou worden voldaan door andere processen van energieopwekking dan warmtekrachtkoppeling; 24° eenheidsprijs per kWh : de gewogen gemiddelde kWh marktprijs voor huishoudelijke afnemers in het Vlaamse Gewest op 1 januari van het jaar waarvoor de hoeveelheid gratis elektriciteit, vermeld in artikel 5.1.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wordt toegekend; 25° elektrisch rendement : netto-elektriciteitsproductie, gedeeld door het totale brandstofverbruik, uitgedrukt op de onderste verbrandingswaarde;26° energieaudit : doorlichting van een gebouw, domein of infrastructuur, waarbij het besparingspotentieel wordt onderzocht.Een energieaudit gaat gepaard met een uitgebreid rapport met gedetailleerde gegevens over economisch verantwoorde maatregelen om geld en energie te besparen door efficiënter met energie om te gaan, zonder het comfortniveau te verlagen. Het rapport omvat : a) de huidige toestand van het gebouw en de installaties;b) het energieverbruik (elektriciteit en brandstof), uitgezet tegen algemene referentiewaarden;c) het huidige comfort van de gebruikers, uitgezet tegen het gewenste comfortniveau;d) concrete energiebesparende maatregelen;27° energieaudit residentieel : een met behulp van de auditsoftware uitgevoerde analyse van de energie-efficiëntie van een bestaand residentieel gebouw, waarbij in een gedetailleerd auditrapport energiebesparingsmaatregelen worden geïdentificeerd, gekwantificeerd en geprioriteerd in overleg met de aanvrager;28° energieconsulentenproject : een samenhangend geheel van activiteiten voor een specifieke doelgroep die gericht zijn op de bevordering van rationeel energiegebruik en -beheer via het voeren van campagnes en acties of informatieverzameling en -verstrekking inzake rationeel energiegebruik of de organisatie van vorming over rationeel energiegebruik;29° energiedeskundige type A : de natuurlijke persoon, onderworpen aan het sociaal statuut van zelfstandige, of de bezoldigde medewerker van een rechtspersoon, die het energieprestatiecertificaat voor residentiële gebouwen opmaakt;30° energiedeskundige type B : de natuurlijke persoon, onderworpen aan het sociaal statuut van zelfstandige, of de bezoldigde medewerker van een rechtspersoon, die de energieaudit voor residentiële gebouwen opmaakt;31° energiedeskundige type C : de natuurlijke persoon, onderworpen aan het sociaal statuut van zelfstandige, of de bezoldigde medewerker van een rechtspersoon, die energieadvies over publieke gebouwen verstrekt;32° energiedeskundige type D : de natuurlijke persoon, onderworpen aan het sociaal statuut van zelfstandige, of de bezoldigde medewerker van een rechtspersoon, die het energieprestatiecertificaat voor niet-residentiële gebouwen opmaakt;33° energiegebruik : het primaire elektriciteitsgebruik en het primaire energetische gebruik van energiedragers en niet het non-energetische gebruik van energiedragers in de vorm van als grondstof ingezette energiedragers;34° energie-intensieve inrichting : inrichting met een jaarlijks energiegebruik van ten minste 0,1 PJ;35° energieprestatiecertificaat bij de bouw : het certificaat waarin het resultaat is vermeld van de berekening van de totale energie-efficiëntie van een nieuw gebouw, uitgedrukt in een of meer numerieke indicatoren;36° energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen : het certificaat waarin het resultaat is vermeld van de berekening van de totale energie-efficiëntie van een bestaand niet-residentieel gebouw, uitgedrukt in een of meer numerieke indicatoren;37° energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen : het certificaat waarin het resultaat is vermeld van de berekening van de totale energie-efficiëntie van een bestaand residentieel gebouw, uitgedrukt in één of meer numerieke indicatoren 38° energiescan : doorlichting die, op basis van een bezoek ter plaatse, een eerste beeld geeft van de energiesituatie en het energiebesparingspotentieel op het vlak van gebouwschil, verwarming, sanitair warm water, verlichting, elektrische apparaten en gedrag, en waarbij tijdens het eerste bezoek op de plaatsen waar dat zinvol wordt geacht, spaarlampen, een spaardouchekop, radiatorfolie en buisisolatie worden geplaatst, of een voortgangscontrolebezoek waarbij energiebesparende investeringen kunnen worden uitgevoerd;39° energiezorgsysteem : een systeem dat systematisch het energieverbruik in eigen beheer controleert en dat tot eenvoudige ingrepen leidt om onnodig energieverbruik te vermijden en het duurzame energiebeleid te versterken.De energieboekhouding vormt het geraamte van energiezorg. Een energieaudit van een of meer entiteiten kan ook een onderdeel zijn van een energiezorgsysteem voor zover de resultaten ervan leiden tot concrete besparingsmaatregelen met controleerbare effecten. Ook de effectieve besparingsmaatregelen vormen een onderdeel van een energiezorgsysteem; 40° EPB-haalbaarheidsstudie : studie waaruit blijkt dat de technische, milieukundige en economische haalbaarheid van alternatieve energiesystemen voor de start van de bouw in aanmerking werd genomen; 41° facturatiejaar : het kalenderjaar waarin kosten voor de werkzaamheden, vermeld in artikel 7.1.3 tot en met 7.1.6, door de geregistreerde aannemer worden gefactureerd; 42° fiscaal voordeel : belastingvermindering met toepassing van het Wetboek van de inkomenstenbelasting 1992, inzonderheid in het kader van artikel 145-24;43° gebouw met een andere specifieke bestemming : gebouw dat niet valt onder residentieel gebouw, kantoorgebouw, schoolgebouw of industrieel gebouw.Daaronder vallen : a) ziekenhuizen;b) hotels en restaurants;c) sportvoorzieningen;d) groot- en kleinhandelsgebouwen;e) andere typen energieverbruikende gebouwen;44° gebouw : voor de toepassing van titel VIII en IX, elk gebouw in zijn geheel of delen ervan die zijn ontworpen of aangepast om afzonderlijk te worden gebruikt en waarvoor energie verbruikt wordt om ten behoeve van mensen een specifieke binnentemperatuur te bereiken;45° gebouwsite : een of meer gebouwen op dezelfde locatie die geheel of gedeeltelijk door een publieke organisatie worden gebruikt, en die minstens één gemeenschappelijke teller gebruiken;46° gecorrigeerde basisbelasting : de basisbelasting, verminderd met de belasting op belastingvrije sommen, verminderd met de verminderingen voor langetermijnsparen en bouwsparen, verminderd met de belastingvermindering voor pensioenen en vervangingsinkomsten, verminderd met de belastingvermindering voor inkomsten uit het buitenland;47° gezondheidsvoorziening : een organisatie die erkend is door de Vlaamse Gemeenschap en activiteiten uitoefent op het gebied van de zorgverstrekking, de gezondheidsopvoeding en de preventieve gezondheidszorg, vermeld in artikel 5, § 1, I, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, met uitzondering van de voorzieningen werkzaam op het vlak van de medisch verantwoorde sportbeoefening;48° huishoudelijke eindafnemer : ofwel elke natuurlijke persoon die elektriciteit afneemt om te voorzien in zijn behoeften of die van de personen die samen met hem in de woning in kwestie verblijven, behalve als het leveringscontract voor de levering van elektriciteit op het afnamepunt in kwestie werd gesloten door een rechtspersoon, ofwel de eigenaar van de woning in kwestie, behalve als het leveringscontract voor de levering van elektriciteit op het afnamepunt in kwestie werd gesloten door een rechtspersoon;49° industrieel gebouw : gebouw dat bestemd is voor de productie, de bewerking, de opslag of manipulatie van goederen;50° ingrijpende wijziging : wijziging van een warmtekrachtinstallatie, waarbij minstens voldaan is aan een van de volgende voorwaarden : a) de relatieve primaire energiebesparing, uitgedrukt in procenteenheden, stijgt met minstens 5 procenteenheden, waarbij de relatieve primaire energiebesparing wordt berekend op basis van de referentierendementen die voor de bestaande warmtekrachtinstallatie werden vastgelegd;b) de warmtekrachtinstallatie vervangt een warmtekrachtinstallatie die ouder is dan tien jaar voor motoren en twintig jaar voor turbines. Daarbij moet minstens de motor of de turbine vervangen worden door een nog niet gebruikte motor of turbine; c) het elektrisch of mechanisch vermogen neemt toe met minstens 25 %, terwijl de relatieve primaire energiebesparing ook toeneemt;51° inspectieprotocol niet-residentieel : het document dat het Vlaams Energieagentschap ter beschikking stelt aan de energiedeskundige type D en dat vastlegt op welke wijze de inspectie ter plaatse wordt uitgevoerd, alsook de manier waarop de energiedeskundige type D de gegevens op een uniforme manier moet meten en omzetten bij gebruik van de certificatiesoftware niet-residentieel;52° inspectieprotocol residentieel : het document dat het Vlaams Energieagentschap ter beschikking stelt aan de energiedeskundige type A en dat vastlegt op welke wijze de inspectie ter plaatse wordt uitgevoerd, alsook de manier waarop de energiedeskundige type A de gegevens op een uniforme manier moet meten en omzetten bij gebruik van de certificatiesoftware residentieel;53° Inspectieprotocol : inspectieprotocol residentieel of inspectieprotocol niet-residentieel;54° intern verzelfstandigd agentschap : een agentschap, vermeld in artikel 6 tot en met 9 van het kaderdecreet Bestuurlijk Beleid van 18 juli 2003;55° inventaris van het bouwkundig erfgoed : de inventaris van het bouwkundig erfgoed, vermeld in artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Vlaams Instituut voor het Onroerend Erfgoed;56° kantoorgebouw : gebouw dat bestemd is voor een dienstverleningsfunctie, waarin voornamelijk administratief werk wordt verricht, en waaronder ook de gebouwen vallen die bestemd zijn om te worden gebruikt voor de uitoefening van een vrij beroep als vermeld in de wet van 2 augustus 2002 betreffende de misleidende en vergelijkende reclame, de onrechtmatige bedingen en de op afstand gesloten overeenkomsten inzake de vrije beroepen;57° kengetal niet-residentieel : de verhouding tussen enerzijds het primaire energieverbruik dat nodig is voor onder meer de verwarming, de sanitaire warmwatervoorziening, de koeling, de ventilatie en de ingebouwde lichtinstallatie van een niet-residentieel gebouw, en anderzijds de bruikbare vloeroppervlakte van het niet-residentiële gebouw, namelijk de som van de brutovloeroppervlakten van alle vloerniveaus binnen het beschermde volume van het niet-residentiële gebouw, zoals berekend volgens de door het Vlaams Energieagentschap vastgelegde specificaties;58° kengetal publiek : de verhouding tussen enerzijds het bijgehouden gemeten globaal energieverbruik voor de verwarming, de warmtapwatervoorziening, de koeling, de ventilatie, de verlichting van een publiek gebouw en andere energieverbruik, en anderzijds de bruikbare vloeroppervlakte van het publieke gebouw;59° kengetal residentieel : de verhouding tussen enerzijds het primair energieverbruik dat nodig is voor de verwarming, de sanitairwarmwatervoorziening, de koeling en de ventilatie van een residentieel gebouw, en anderzijds de bruikbare vloeroppervlakte van het residentiële gebouw, namelijk de som van de brutovloeroppervlakten van alle vloerniveaus binnen het beschermde volume van het residentiële gebouw, zoals berekend volgens de door het Vlaams Energieagentschap vastgelegde specificaties;60° klantenkantoor : elk permanent kantoor dat toegankelijk is voor de eindafnemers die bij een elektriciteitsdistributienetbeheerder zijn aangesloten, waar onder andere informatie verstrekt wordt over aansluitingsmogelijkheden, elektriciteitstarieven of tarieven voor het gebruik van het elektriciteitsdistributienet;61° kleinschalige warmtekrachtkoppeling : productie, afkomstig van warmtekrachtkoppelingseenheden met een geïnstalleerd vermogen van minder dan 1 MWe;62° korteomloophout : hout van snelgroeiende houtachtige gewassen, waarbij de bovengrondse biomassa periodiek tot maximaal acht jaar na de aanplanting of na de vorige oogst in haar totaliteit wordt geoogst;63° laagspanning : spanningsniveau van 1 000 V of lager; 64° leesrecht : recht op toegang tot de centrale databank als vermeld in artikel 6.1.14 en 6.2.11, om gegevens over bepaalde groenestroomcertificaten of warmtekrachtcertificaten te consulteren; 65° leveringsvergunning : vergunning voor de levering van elektriciteit of aardgas, als vermeld in artikel 4.3.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009; 66° micro-WKK : warmtekrachtkoppelingseenheid met een maximumcapaciteit van minder dan 50 kWe 67° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid;68° nachtmeter : elektriciteitsmeter waarmee het verbruik wordt gemeten tijdens de stille uren, zoals vastgelegd door de netbeheerder;69° nettoafname : de afgenomen brutohoeveelheid elektriciteit, verminderd met de geïnjecteerde hoeveelheid elektriciteit op hetzelfde aansluitingspunt;70° netto-elektriciteitsproductie : a) voor de toepassing van titel VI, de geproduceerde elektriciteit, verminderd met de gemeten elektriciteitsafname of de equivalente elektriciteitsafname van de utiliteitsvoorzieningen die horen bij de productie-installatie.Als die utiliteitsvoorzieningen andere energiebronnen dan elektriciteit, mechanische energie of thermische energie gebruiken, wordt de equivalente elektriciteitsafname berekend door de VREG als de elektriciteit die in een referentie-installatie met dezelfde hoeveelheid energie kan worden opgewekt. Voorzieningen die nodig zijn om de brandstof voor de productie-installatie te produceren, uitgaande van dierlijke mest, afvalwater of organisch-biologische afvalstoffen, worden niet als utiliteitsvoorzieningen beschouwd op voorwaarde dat aan de VREG wordt aangetoond dat het energieverbruik van die voorzieningen ook noodzakelijk is als ze niet zouden worden aangewend voor energierecuperatie; b) voor de toepassing van titel X, de brutogeproduceerde elektriciteit, verminderd met de elektriciteitsafname van de utiliteitsvoorzieningen die bij de productie-installatie horen;71° niet-huishoudelijke eindafnemer : elke eindafnemer die niet voldoet aan de definitie van huishoudelijke eindafnemer;72° niet-residentieel gebouw : alle gebouwen met uitzondering van residentiële gebouwen, alleenstaande gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van minder dan 50 m2, tijdelijke gebouwen die in principe niet langer dan twee jaar worden gebruikt, gebouwen die worden gebruikt voor erediensten en religieuze activiteiten, industriepanden, werkplaatsen of niet voor bewoning bestemde gebouwen van een landbouwbedrijf;73° nuttige warmte : warmte die in een warmtekrachtinstallatie wordt geproduceerd om aan een economisch aantoonbare vraag te voldoen;74° onafhankelijke bestuurder : elke bestuurder die een natuurlijke persoon of een eenpersoonsvennootschap met een natuurlijke persoon als aandeelhouder is en die : a) geen goederen of diensten levert aan en geen significant vermogensbelang heeft in een vennootschap of vereniging die goederen of diensten levert aan de netbeheerder, zijn werkmaatschappij of aan met de netbeheerder verbonden of geassocieerde ondernemingen;b) geen lid is van het orgaan dat belast is met de dagelijkse leiding van de netbeheerder en die geen familiebanden tot en met de derde graad heeft met een lid van dat orgaan;c) geen enkele functie of activiteit uitoefent, al dan niet bezoldigd, voor een producent, een houder van een leveringsvergunning of een tussenpersoon of voor een dominerende aandeelhouder, en die zo'n functie of activiteit niet heeft uitgeoefend tijdens de twaalf maanden voor zijn benoeming als bestuurder van de netbeheerder;d) geen enkele andere, directe of indirecte, relatie onderhoudt met een van de personen, vermeld in punt c), of met daarmee verbonden of geassocieerde ondernemingen die, volgens de VREG, zijn oordeel kunnen beïnvloeden;75° onderste verbrandingswaarde : de hoeveelheid warmte die vrijkomt bij de volledige verbranding van een brandstof, zonder condensatie van de waterdamp in de verbrandingsgassen;76° onderwijsinstelling : alle scholen, internaten, centra voor volwassenenonderwijs en voor basiseducatie, centra voor leerlingenbegeleiding, hogescholen en universiteiten, die gefinancierd, gesubsidieerd of erkend zijn door het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming;77° openbare verlichting : de verlichting die gelegen is boven, onder, op of langs wegen, paden, pleinen, bruggen, tunnels en waterlopen, waarbij die wegen, paden, pleinen, bruggen, tunnels of waterlopen onder het beheer van een gemeente of een autonoom gemeentebedrijf vallen;78° organisch-biologische stoffen of afvalstoffen : organische stoffen of afvalstoffen van biologische oorsprong, meer bepaald stoffen die via natuurlijke biologische processen in een korte tijdspanne kunnen worden omgezet in elementaire chemische bouwstenen;79° personen die in onderling overleg optreden : alle natuurlijke of rechtspersonen waartussen een akkoord bestaat met als doel of gevolg dat ze een parallelle gedragslijn volgen voor de uitoefening van hun stemrechten binnen de netbeheerder;80° petroleumproducten : lpg, benzine, kerosine, lamppetroleum, gas- en dieselolie, zware stookolie, propaan en butaan;81° primaire energiebesparing : relatieve besparing ten opzichte van het normale verloop van het primaire energieverbruik als geen REG-actieplan wordt uitgevoerd;82° promotor : een niet-commerciële instelling die een projectvoorstel indient, die het project coördineert en die de eindverantwoordelijkheid draagt van het project;83° publiek gebouw : gebouw dat vaak door het publiek wordt bezocht omdat er een publieke organisatie in is gevestigd; 84° publieke organisatie : de federale overheid, inclusief de parastatalen, de Vlaamse overheid, inclusief de intern en extern verzelfstandigde agentschappen, de provinciale overheden, de gemeentelijke overheden, inclusief de O.C.M.W.'s, overheidsbedrijven en onderwijsinstellingen, welzijns- of gezondheidsvoorzieningen; 85° referentie-installatie : installatie voor elektriciteitsproductie of voor warmteproductie, die gebruikmaakt van de best beschikbare technologie die algemeen toepasbaar is;86° relatieve primaire energiebesparing : verhouding tussen enerzijds de warmtekrachtbesparing, en anderzijds het energieverbruik van de referentie-installatie of de best beschikbare aandrijftechnologie om dezelfde hoeveelheid elektriciteit, mechanische energie of nuttige warmte op te wekken;87° residentieel gebouw : elk gebouw dat bestemd is voor individuele of collectieve bewoning;88° restafval : niet-selectief ingezameld afval;89° R-waarde : warmteweerstand van een constructieonderdeel;90° samenwonende partner : natuurlijke persoon die in dezelfde wooneenheid woont, en die op het adres van de wooneenheid van de premieaanvragende persoon gedomicilieerd is;91° schoolgebouw : gebouw dat bestemd is voor een onderwijsfunctie; 92° schrijfrecht : recht op toegang tot de centrale databank, vermeld in artikel 6.1.14 en 6.2.11, om gegevens over bepaalde groenestroomcertificaten of warmtekrachtcertificaten te consulteren en die gegevens aan te passen; 93° sensibilisering en algemene informatieverspreiding : actie die gericht is op de verspreiding van informatie over rationeel energiegebruik en de promotie ervan, door middel van onder meer brochures, publicaties en uitzendingen in de geschreven en audiovisuele pers, deelname aan beurzen en andere evenementen;94° site : de locatie van een kwalitatieve warmtekrachtinstallatie of een verzameling kwalitatieve warmtekrachtinstallaties voor de productie van mechanische energie of elektriciteit, dan wel een installatie of verzameling installaties voor de productie van elektriciteit op basis van dezelfde hernieuwbare energiebron en dezelfde productiemethode, waarbij de geproduceerde elektriciteit ter plaatse verbruikt of geleverd wordt aan het distributienet, het plaatselijk vervoernet van elektriciteit of het transmissienet of aan directe lijnen via één aansluitingspunt en waarvoor de overeenstemmende warmtekrachtcertificaten of groenestroomcertificaten toekomen aan één certificaatgerechtigde;95° sociale maximumprijs voor aardgas : de aardgasprijs, vermeld in artikel 15/10, § 2 en § 3, 4° en 5°, van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen;96° sociale maximumprijs voor elektriciteit : de elektriciteitsprijs, vermeld in artikel 20, § 2 en § 3, 4°, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt;97° specifiek energiegebruik : het energiegebruik per eenheid van product van een bepaalde kwaliteit; 98° stedenbouwkundige vergunning : de stedenbouwkundige vergunning, vermeld in artikel 4.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; 99° SVK : sociaal verhuurkantoor, erkend door de Vlaamse minister, bevoegd voor de huisvesting, met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 2004 houdende bepaling van de erkennings- en subsidievoorwaarden van sociale verhuurkantoren;100° thermisch rendement : nuttige warmte, gedeeld door het totale brandstofverbruik, uitgedrukt op de onderste verbrandingswaarde;101° unieke code : een code die op een unieke wijze het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen of niet-residentiële gebouwen identificeert en onder andere een unieke identificatie van de ligging van het gebouw en van de energiedeskundige respectievelijk type A of type D bevat;102° utiliteitsvoorzieningen : voorzieningen die nodig zijn voor de goede werking van de warmtekrachtinstallatie of de installatie voor productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen, of die nodig zijn om de gebruikte energiebron voor de opwekking van elektriciteit of mechanische energie geschikt te maken;103° verhuur : a) de gewone huur, als het gaat over een verhuur over een periode van meer dan twee maanden, de onroerende leasing en de woninghuur van residentiële gebouwen;b) de gewone huur, als het gaat over een verhuur over een periode van meer dan twee maanden, de handelshuur, de onroerende leasing en de concessies van niet-residentiële gebouwen;104° verkoop : de zuivere verkoop van het geheel in volle eigendom van een residentieel gebouw dat niet door de burgemeester ongeschikt of onbewoonbaar is verklaard of van een niet-residentieel gebouw;105° vestigingseenheid : een plaats die geografisch gezien geïdentificeerd kan worden door een adres, waar ten minste een activiteit van de onderneming wordt uitgeoefend of vanwaaruit de activiteit wordt uitgeoefend, als vermeld in artikel 2, 6°, van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse andere bepalingen;106° welzijnsvoorziening : een organisatie die erkend is door de Vlaamse Gemeenschap en activiteiten uitoefent op het gebied van het gezin, het maatschappelijk welzijn, het onthaal en de integratie van inwijkelingen, de mindervaliden, de bejaarden, de jeugdbescherming en de sociale hulpverlening aan gedetineerden met het oog op hun sociale re-integratie, vermeld in artikel 5, § 1, II, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen;107° werkdag : elke dag van de week, met uitzondering van zaterdag, zondag en de wettelijke feestdagen;108° Wonen-Vlaanderen : het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Wonen-Vlaanderen, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2005 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid Wonen-Vlaanderen;109° zelfopwekkingsinstallatie : een elektriciteitsopwekkingsinstallatie, zonder warmtebenuttiging, waarmee een natuurlijke of rechtspersoon elektriciteit produceert die hoofdzakelijk bestemd is voor eigen gebruik; TITEL II. - Het Vlaams Energieagentschap HOOFDSTUK I. - Benaming, doel en taakstelling van het Vlaams Energieagentschap Art. 2.1.1 § 1. Binnen het Vlaams ministerie van Leefmilieu, Natuur en Energie wordt een intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid opgericht, onder de benaming Vlaams Energieagentschap.

Alle officiële akten, officiële aankondigingen of andere officiële stukken, uitgaande van het Vlaams Energieagentschap, moeten de benaming van het agentschap vermelden, met onmiddellijk daarvoor of daarna, de volgende leesbaar en voluit geschreven woorden : "intern verzelfstandigd agentschap zonder rechtspersoonlijkheid van de Vlaamse overheid". Die verplichting geldt niet voor informatieverstrekking om promotionele of voorlichtingsredenen. § 2. Het Vlaams Energieagentschap wordt opgericht voor de uitvoering van een op duurzaamheid gericht energiebeleid. § 3. Het Vlaams Energieagentschap behoort tot het beleidsdomein Leefmilieu, Natuur en Energie. § 4. Het Vlaams Energieagentschap heeft een centrale zetel waarvan de vestigingsplaats wordt bepaald door de minister. Het hoofd van het agentschap kan beslissen om een of meerdere vestigingen buiten de centrale zetel op te richten.

Art. 2.1.2 Het Vlaams Energieagentschap heeft als missie de uitvoering van een op duurzaamheid gericht energiebeleid door de beleidsinstrumenten op een kostenefficiënte en kwaliteitsvolle manier in te zetten.

Art. 2.1.3 Het Vlaams Energieagentschap vervult de volgende taken : 1° het bevorderen van de milieuvriendelijke energieproductie en het beheer van de daartoe bestemde middelen en fondsen;2° het bevorderen van het rationeel energiegebruik en het beheer van de daartoe bestemde middelen en fondsen;3° de toepassing van de regelgeving in verband met het beheer en de uitbouw van de distributienetten van elektriciteit, gas en warmte, en van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit;4° het voeren van eigen sensibiliserings- en communicatieacties over milieuvriendelijke energieproductie en rationeel energiegebruik en het coördineren van sensibiliserings- en communicatieacties over milieuvriendelijke energieproductie die aan derden worden uitbesteed;5° het uitvoeren, of laten uitvoeren, van analyses ter ondersteuning van de beleidsuitvoering inzake het duurzame energiebeleid;6° het verwerken van de uit de beleidsuitvoering verworven informatie om beleidsgerichte input aan het departement te leveren;7° het bijdragen tot de uitvoering van het Vlaams Klimaatbeleidsplan;8° alle andere beleidsuitvoerende taken betreffende het energiebeleid die bij decreet of door de Vlaamse Regering aan het agentschap worden toevertrouwd. Art. 2.1.4 De concretisering van de kwalitatieve en kwantitatieve wijze waarop het agentschap zijn taken moet vervullen, met strategische en operationele doelstellingen, beschreven aan de hand van meetbare criteria, wordt geregeld in de beheersovereenkomst, vermeld in artikel 2.2.2.

Art. 2.1.5 Bij de uitoefening van zijn missie en taken treedt het agentschap op namens de rechtspersoon Vlaamse Gewest.

HOOFDSTUK II. - Aansturing en leiding van het Vlaams Energieagentschap Art. 2.2.1 Het Vlaams Energieagentschap ressorteert onder het hiërarchische gezag van de minister.

Art. 2.2.2 De minister stuurt het Vlaams Energieagentschap aan, vooral via de beheersovereenkomst.

De beheersovereenkomst wordt, na onderhandeling, gesloten tussen de Vlaamse Regering, vertegenwoordigd door de minister, en het hoofd van het agentschap.

De beheersovereenkomst, alsook elke verlenging, wijziging, schorsing of ontbinding ervan, wordt voorafgaandelijk aan de Vlaamse Regering ter goedkeuring voorgelegd, op voorstel van de minister.

Art. 2.2.3 Het hoofd van het agentschap is belast met de algemene leiding, de werking en de vertegenwoordiging van het Vlaams Energieagentschap.

HOOFDSTUK III. - Delegatie van beslissingsbevoegdheden Art. 2.3.1 Naast de delegatie van beslissingsbevoegdheden voor de aangelegenheden die zijn vastgelegd in het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de intern verzelfstandigde agentschappen van de Vlaamse overheid, worden aan het hoofd van het agentschap de volgende specifieke delegaties verleend : 1° de delegatie tot de toekenning van attesten, vermeld in artikel 49 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, inzonderheid met betrekking tot de investeringsaftrek voor activa, zoals bedoeld in artikel 69, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;2° de delegatie tot de ondertekening van wegovereenkomsten als vermeld in het koninklijk besluit van 26 november 1973 tot vaststelling van de door de Staat, provincies, de gemeenten, de verenigingen van gemeenten en de houders van concessie van elektriciteitsvoorziening te volgen regelen. HOOFDSTUK IV. - Controle, opvolging en toezicht Art. 2.4.1 De minister is verantwoordelijk voor de opvolging van en het toezicht op het Vlaams Energieagentschap.

Art. 2.4.2 Het Vlaams Energieagentschap is belast met de interne controle van zijn bedrijfsprocessen en activiteiten.

Art. 2.4.3 De Interne Audit van de Vlaamse Administratie evalueert de interne controlesystemen van het Vlaams Energieagentschap en kan in voorkomend geval administratieve onderzoeken instellen.

Art. 2.4.4 De daartoe aangewezen diensten van het beleidsdomein Financiën en Begroting, zijn bevoegd voor de financiële controle en de certificering van de rekeningen.

Art. 2.4.5 De informatieverstrekking en de rapportering door het Vlaams Energieagentschap omvatten ten minste : 1° een jaarlijks ondernemingsplan en een operationeel plan op middellange en lange termijn;2° een periodiek rapport over het gebruik van de verleende delegaties;3° een jaarlijks rapport, alsook een eindrapport, over de uitvoering van de beheersovereenkomst, op basis van beleids- en beheersrelevante indicatoren en kengetallen. Art. 2.4.6 De minister kan, in het kader van de opvolging en de uitoefening van het toezicht, op ieder ogenblik aan het hoofd van het agentschap informatie, rapportering en verantwoording vragen over bepaalde aangelegenheden, zowel op geaggregeerd niveau als op niveau van individuele onderwerpen en dossiers.

TITEL III. - Organisatie van de elektriciteits- en gasmarkt HOOFDSTUK I. - Het beheer van de distributienetten en het plaatselijk vervoernet van elektriciteit in het Vlaamse Gewest Afdeling I. - De voorwaarden waaraan de netbeheerder moet voldoen Onderafdeling I. - De voorwaarden betreffende financiële en technische capaciteit Art. 3.1.1 De netbeheerder beschikt over voldoende financiële en technische capaciteit om de activiteiten als netbeheerder uit te oefenen.

Art. 3.1.2 De financiële capaciteit kan onder meer aangetoond worden met de volgende documenten : 1° passende bankverklaringen;2° balansen, uittreksels uit de balansen of jaarrekeningen, als de wetgeving van het land waar de netbeheerder gevestigd is de bekendmaking van de balansen voorschrijft;3° een verklaring over de omzet van de laatste drie boekjaren. Art. 3.1.3 De technische capaciteit kan onder meer aangetoond worden door de volgende documenten : 1° een lijst met de relevante studie- en beroepskwalificaties van de personeelsleden;2° een lijst met de belangrijkste activiteiten in de laatste drie jaar;3° een verklaring die de vermelding bevat van de werktuigen, het materiaal en de technische uitrusting waarover de netbeheerder beschikt voor het beheer van het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit;4° een verklaring die de gemiddelde jaarlijkse personeelsbezetting en de omvang van het kader weergeeft tijdens de laatste drie jaar;5° een verklaring waarin de technici of de technische diensten vermeld worden die, al dan niet deel uitmakend van de netbeheerder, ter beschikking staan van de netbeheerder voor het beheer van het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit. Onderafdeling II. - De voorwaarden betreffende de professionele betrouwbaarheid Art. 3.1.4 De netbeheerder geeft blijk van voldoende professionele betrouwbaarheid om de activiteiten als netbeheerder uit te oefenen.

Art. 3.1.5 Er wordt geen blijk gegeven van professionele betrouwbaarheid door degene : 1° die in staat van faillissement of van vereffening verkeert, die zijn werkzaamheden heeft gestaakt of die in een overeenstemmende toestand verkeert als gevolg van een soortgelijke procedure die bestaat in de wetgevingen en reglementeringen van de lidstaten van de Europese Unie;2° die aangifte heeft gedaan van zijn faillissement, voor wie een procedure van vereffening aanhangig is, of die het voorwerp is van een soortgelijke procedure die bestaat in de wetgevingen en reglementeringen van de lidstaten van de Europese Unie. Art. 3.1.6 De VREG kan beslissen dat er geen blijk van professionele betrouwbaarheid wordt gegeven door degene : 1° die zelf, of waarvan een bestuurs- of directielid, bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld is geweest voor een misdrijf dat zijn professionele integriteit aantast;2° die bij zijn beroepsuitoefening een ernstige fout heeft begaan, vastgesteld op elke grond die de VREG aannemelijk kan maken;3° die niet voldaan heeft aan de verplichtingen inzake de betaling van de bijdragen voor de sociale zekerheid die op hem rusten overeenkomstig de Belgische wetgeving of de wetgeving van het land waar hij gevestigd is;4° die niet voldaan heeft aan de verplichtingen inzake de betaling van belastingen die op hem rusten overeenkomstig de Belgische wetgeving of de wetgeving van het land waar hij gevestigd is;5° die zich schuldig heeft gemaakt aan het afleggen van valse verklaringen bij het verstrekken van inlichtingen die op grond van het Aardgasdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan verstrekt moeten worden;6° die een gerechtelijk akkoord heeft verkregen, voor wie een procedure van gerechtelijk akkoord aanhangig is, of die het voorwerp is van een soortgelijke procedure die bestaat in de wetgevingen en reglementeringen van de lidstaten van de Europese Unie. Art. 3.1.7 Het bewijs dat iemand zich niet bevindt in een van de gevallen, vermeld in artikel 3.1.5 of 3.1.6, kan, onder meer, geleverd worden door de volgende stukken : 1° voor artikel 3.1.5,1° : een bewijs van niet-faillissement en een bewijs van inschrijving, of evenwaardige documenten, uitgereikt door een gerechtelijke of overheidsinstantie van het land van oorsprong, waaruit blijkt dat aan de gestelde eisen is voldaan; 2° voor artikel 3.1.5, 2°, en artikel 3.1.6, 1° en 6° : een uittreksel uit het strafregister of een evenwaardig document, uitgereikt door een gerechtelijke of overheidsinstantie van het land van oorsprong of herkomst, waaruit blijkt dat aan de gestelde eisen is voldaan; 3° voor artikel 3.1.6, 3° en 4° : een getuigschrift, uitgereikt door de bevoegde overheidsinstantie van het land in kwestie.

Als een van de documenten of getuigschriften, vermeld in het eerste lid, niet uitgereikt wordt in het land in kwestie, kan het vervangen worden door een verklaring onder eed of een plechtige verklaring van de betrokkene voor een gerechtelijke of overheidsinstantie, voor een notaris of voor een bevoegde beroepsorganisatie van het land van oorsprong of herkomst.

Onderafdeling III. - De voorwaarden betreffende het eigendoms- of exploitatierecht op het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit Art. 3.1.8 De netbeheerder beschikt over de volle eigendom op, of het exploitatierecht van, het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit waarvoor hij de aanvraag ingediend heeft.

Onderafdeling IV. - De voorwaarden betreffende de beheersmatige en juridische onafhankelijkheid van de netbeheerder ten aanzien van producenten, houders van een leveringsvergunning en tussenpersonen Art. 3.1.9 De voorwaarden die in deze onderafdeling worden opgelegd betreffende de beheersmatige en juridische onafhankelijkheid van de netbeheerder ten aanzien van invoerders van buitenlands aardgas, producenten, houders van een leveringsvergunning en tussenpersonen, gelden niet voor netbeheerders voor de productie en leveringsactiviteiten die zij uitoefenen op grond van artikel 4.1.7 en 4.1.22 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, op grond van het technische reglement, vermeld in artikel 11 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, en op grond van de gedragscode, vermeld in artikel 15/5undecies van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen.

Art. 3.1.10 De netbeheerder en de werkmaatschappijen mogen geen andere activiteiten ondernemen inzake productie en levering van aardgas of elektriciteit dan de activiteiten, vermeld in artikel 4.1.20 en 4.1.22 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, in het technische reglement, vermeld in artikel 11 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en in de gedragscode, vermeld in artikel 15/5undecies van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen.

Art. 3.1.11 De netbeheerder zorgt met eigen personeel en middelen of via een werkmaatschappij voor de voorbereiding van de beslissingen met betrekking tot de volgende, voor het netbeheer strategische en vertrouwelijke aangelegenheden : 1° de exploitatie, het onderhoud en de ontwikkeling van het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit;2° de toegang tot het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, de aansluitingsvoorwaarden, de technische voorwaarden en de tarieven;3° het aflezen van de verbruiksmeters en het databeheer van de verbruiksgegevens van de in aanmerking komende klanten;4° de boekhouding met betrekking tot het netbeheer;5° de uitbesteding van de werkzaamheden. De netbeheerder en de werkmaatschappijen, kunnen geen beroep doen op producenten, invoerders van buitenlands aardgas, houders van een leveringsvergunning of tussenpersonen of met die ondernemingen verbonden of geassocieerde ondernemingen, voor de uitvoering van de beslissingen met betrekking tot de volgende, voor het netbeheer strategische en vertrouwelijke aangelegenheden : 1° contacten met de in aanmerking komende afnemers over de toegang tot het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, de aansluitingsvoorwaarden, de technische voorwaarden en de tarieven;2° het aflezen van de verbruiksmeters en het databeheer van de verbruiksgegevens van de in aanmerking komende afnemers;3° de boekhouding met betrekking tot het netbeheer. In voorkomend geval adviseert de VREG de Vlaamse Regering om te bepalen welke aanvullende aangelegenheden als strategisch en vertrouwelijk moeten worden beschouwd in de zin van het eerste of tweede lid.

Art. 3.1.12 Producenten, invoerders van buitenlands aardgas, houders van een leveringsvergunning, tussenpersonen of de met die ondernemingen verbonden of geassocieerde ondernemingen bezitten alleen of gezamenlijk ten hoogste 30 % van het kapitaal van de netbeheerder en de werkmaatschappij.

Art. 3.1.13 De netbeheerder en de werkmaatschappijen houden geen rechtstreekse of onrechtstreekse deelneming aan, in welke vorm ook, in producenten, invoerders van buitenlands aardgas, houders van een leveringsvergunning, tussenpersonen of in de met die ondernemingen verbonden of geassocieerde ondernemingen.

Art. 3.1.14 De netbeheerder en de werkmaatschappijen bevoordelen geen enkele producent, invoerder van buitenlands aardgas, houder van een leveringsvergunning, tussenpersoon of met die ondernemingen verbonden of geassocieerde ondernemingen boven andere ondernemingen en kennen geen voordelen toe die verder gaan dan in het normale handelsverkeer gebruikelijk is.

Het is de netbeheerder en de werkmaatschappijen in ieder geval verboden : 1° een onderneming goederen of diensten te verstrekken tegen een vergoeding die lager is dan de redelijkerwijze daaraan toe te rekenen kosten, verhoogd met een redelijke winstmarge;2° van een onderneming goederen of diensten aan te kopen tegen een vergoeding die hoger is dan de redelijkerwijze daaraan toe te rekenen kosten, verhoogd met een redelijke winstmarge; 3° rechtstreeks of onrechtstreeks een onderneming inzicht te verstrekken in de informatie, vermeld in artikel 3.1.19; 4° een onderneming toe te staan de naam en het beeldmerk van de netbeheerder te gebruiken. Art. 3.1.15 § 1. Als de gemeenten rechtstreeks of onrechtstreeks meer dan 25 % van het kapitaal bezitten van een distributienetbeheerder die een distributienet beheert op een spanningsniveau, lager dan 20 kV, bepalen de statuten van die distributienetbeheerder met betrekking tot de samenstelling van het bestuursorgaan dat het minstens voor 70 % samengesteld is uit bestuurders die voorgedragen worden door de gemeenten-aandeelhouders. Het bestuursorgaan is minstens voor de helft samengesteld uit onafhankelijke bestuurders.

In alle andere gevallen bepalen de statuten van de netbeheerder met betrekking tot de samenstelling van het bestuursorgaan dat het minstens voor de helft samengesteld is uit onafhankelijke bestuurders. § 2. Als de netbeheerder die beantwoordt aan de vereisten, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, een beroep doet op een werkmaatschappij, moet het bestuursorgaan van de werkmaatschappij minstens voor 70 % samengesteld zijn uit onafhankelijke bestuurders. § 3. Als de netbeheerder die beantwoordt aan de vereisten, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, een beroep doet op een werkmaatschappij, moet het orgaan, vermeld in artikel 3.1.28, tweede lid, volledig samengesteld zijn uit bestuurders die voorgedragen zijn door de gemeenten-aandeelhouders van de distributienetbeheerder. In alle andere gevallen moet het dat orgaan volledig samengesteld zijn uit onafhankelijke bestuurders.

Art. 3.1.16 De bestuurders die voorgedragen worden door de gemeenten-aandeelhouders, mogen geen enkele functie of activiteit uitoefenen, al dan niet bezoldigd, voor een producent, een invoerder van buitenlands aardgas, een houder van een leveringsvergunning of een tussenpersoon.

Art. 3.1.17 Met betrekking tot de werking van het bestuursorgaan van een netbeheerder bepalen de statuten ervan minstens dat : 1° bij het bestuursorgaan een corporategovernancecomité wordt opgericht dat uitsluitend is samengesteld uit onafhankelijke bestuurders en dat onder meer belast is met de volgende taken : a) op verzoek van elke onafhankelijke bestuurder of van het orgaan dat belast is met de dagelijkse leiding van de netbeheerder, elk belangenconflict onderzoeken tussen de netbeheerder enerzijds, en een gemeente-aandeelhouder, een dominerende aandeelhouder, met een dominerende aandeelhouder verbonden of geassocieerde ondernemingen, of de werkmaatschappijen anderzijds, en daarover jaarlijks verslag uitbrengen aan het bestuursorgaan;b) zich uitspreken over de gevallen van onverenigbaarheid wat betreft de personeelsleden van de netbeheerder of van de werkmaatschappijen;c) binnen de netbeheerder en binnen de werkmaatschappijen toezien op de naleving van de bepalingen van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en de uitvoeringsbesluiten ervan, de doeltreffendheid ervan evalueren ten aanzien van de eisen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het beheer van het distributienet en elk jaar daarover verslag uitbrengen aan het bestuursorgaan;d) de rekeningen onderzoeken en de controle van het budget waarnemen;e) de auditwerkzaamheden controleren;f) de betrouwbaarheid van de financiële informatie evalueren;g) de interne controle organiseren en daarop toezicht uitoefenen;2° het bestuursorgaan verplicht is het advies van het corporategovernancecomité te vragen voor het een beslissing neemt over de aanstelling, het ontslag en de bezoldiging van de leden van het orgaan dat belast is met de dagelijkse leiding van de netbeheerder en van de werkmaatschappijen;3° het comité de bevoegdheid heeft een onderzoek in te stellen in elke aangelegenheid die onder zijn bevoegdheid valt en daarom toegang heeft tot alle informatie, met uitzondering van de persoonlijke en commerciële gegevens over de netgebruikers, ook als die zich bevindt bij de werkmaatschappijen;4° het comité over de mogelijkheid beschikt om, op verzoek van ten minste een derde van de leden, het advies van externe en onafhankelijke deskundigen in te winnen op kosten van de netbeheerder;5° het comité, op verzoek van ten minste een derde van de leden, het recht heeft een vergadering van de raad van bestuur samen te roepen, overeenkomstig de oproepingsformaliteiten, bepaald in de statuten. Art. 3.1.18 Met betrekking tot de besluitvorming binnen het bestuursorgaan van de netbeheerder bepalen de statuten minstens dat : 1° met behoud van de toepassing van de wettelijke bepalingen over de vereiste aanwezigheid van bestuurders, de instemming of aanwezigheid van een of meer bestuurders niet als voorwaarde kan worden gesteld voor de rechtsgeldige totstandkoming van beslissingen waarvoor in het bestuursorgaan van de netbeheerder een meerderheid bestaat; 2° met behoud van de toepassing van de bepalingen van punt 1°, de beslissingen van het bestuursorgaan die betrekking hebben op de aangelegenheden, vermeld in artikel 3.1.11, eerste lid, de instemming van een meerderheid van de onafhankelijke bestuurders vereisen.

Met betrekking tot de besluitvorming binnen het bestuursorgaan van de werkmaatschappijen bepalen de statuten van die werkmaatschappijen minstens dat, met behoud van de toeapssing van de wettelijke bepalingen over de vereiste aanwezigheid van bestuurders, de instemming of aanwezigheid van een of meer bestuurders niet als voorwaarde kan worden gesteld voor de rechtsgeldige totstandkoming van beslissingen waarvoor in het bestuursorgaan van de werkmaatschappijen een meerderheid bestaat.

Art. 3.1.19 Met behoud van de toepassing van de bevoegdheden van het bestuursorgaan van de netbeheerder nemen de netbeheerder en de werkmaatschappijen de maatregelen die nodig zijn om de toegang tot de persoonlijke en commerciële gegevens over de netgebruikers en tot de verwerking van die gegevens te beperken tot de leden van het orgaan, belast met de dagelijkse leiding van de netbeheerder, en tot de personeelsleden die die informatie nodig hebben om hun taken uit te oefenen.

Art. 3.1.20 De leden van het orgaan dat belast is met de dagelijkse leiding van de netbeheerder of van een werkmaatschappij, en de personeelsleden van de netbeheerder of van een werkmaatschappij mogen geen enkele functie of activiteit uitoefenen, al dan niet bezoldigd, voor een producent, een invoerder van buitenlands aardgas, een houder van een leveringsvergunning, een tussenpersoon of met die ondernemingen verbonden of geassocieerde ondernemingen uitoefenen als die functie of activiteit niet voor een netbeheerder is, of het lidmaatschap van het bestuursorgaan van een van de voornoemde personen betreft.

Afdeling II. - De procedure tot aanwijzing van een netbeheerder Onderafdeling I. - Algemene bepalingen Art. 3.1.21 Het opstarten van de procedure tot aanwijzing van een of meer netbeheerders wordt door de VREG bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad met een aankondiging.

De aankondiging vermeldt onder meer : 1° de naam, het adres, het telefoon- en faxnummer van de VREG;2° de termijn waarin de aanvragen tot aanwijzing als netbeheerder ingediend moeten worden;3° de stukken die nodig zijn om na te gaan of de kandidaat-netbeheerder : a) over een voldoende technische en financiële capaciteit beschikt;b) voldoet aan de voorwaarden betreffende professionele betrouwbaarheid;c) over de volle eigendom of een exploitatierecht over het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit beschikt of zal beschikken op het ogenblik van zijn aanwijzing;d) voldoet aan de voorwaarden betreffende beheersmatige en juridische onafhankelijkheid ten aanzien van producenten, invoerders van buitenlands aardgas, houders van een leveringsvergunning en tussenpersonen;4° de wijze waarop het dossier van de kandidaat-netbeheerders samengesteld moet zijn. Met behoud van de toepassing van de bepalingen in lid 2, 3°, bevat het dossier minstens : 1° een schriftelijk en door de gemeente of groep van gemeenten ondertekend voorstel tot aanwijzing, als de kandidaat-netbeheerder, overeenkomstig artikel 4.1.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, voorgesteld wordt door een gemeente of een groep van gemeenten; 2° een gedetailleerde omschrijving van het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft. Art. 3.1.22 De aanvraag tot aanwijzing als netbeheerder wordt gericht aan de VREG, en wordt ingediend met een aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs.

Art. 3.1.23 De VREG gaat na of de aanvraag volledig is.

Als de aanvraag niet volledig is, brengt de VREG binnen een maand na de ontvangst van de aanvraag de kandidaat-netbeheerder daarvan per aangetekende brief op de hoogte. Daarbij worden de redenen vermeld waarom de aanvraag niet volledig werd bevonden en de termijn waarin de kandidaat-netbeheerder, op straffe van verval van de aanvraag, het dossier kan vervolledigen.

Art. 3.1.24 De VREG gaat op grond van de inlichtingen over de eigen situatie van iedere kandidaat-netbeheerder en van de inlichtingen en documenten waarover ze beschikt na of de kandidaat-netbeheerder voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.1.1 tot en met 3.1.20 en aan de openbaredienstverplichtingen, opgelegd op grond van artikel 4.1.20, 4.1.21 en 4.1.22 van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

Als de kandidaat-netbeheerder niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, brengt de VREG binnen drie maanden na de ontvangst van de volledige aanvraag de kandidaat-netbeheerder daarvan per aangetekende brief op de hoogte. Daarbij worden de redenen vermeld waarom niet aan de voorwaarden werd voldaan, en de termijn waarin de kandidaat-netbeheerder, op straffe van verval van de aanvraag, aan die voorwaarden kan voldoen.

In afwijking van het tweede lid kan de VREG de kandidaat-aardgasdistributienetbeheerder in het gebied van de gemeente Baarle-Hertog, dat volledig omgeven is door Nederlands grondgebied, aanwijzen als netbeheerder, zelfs als niet voldaan is aan alle voorwaarden, vermeld in het eerste lid, als daarvoor een technische of financiële noodzaak bestaat. De aanwijzingsbeslissing bepaalt de voorwaarden, vermeld in het eerste lid waaraan voldaan moet worden.

Art. 3.1.25 De naam en het adres van de netbeheerder, de gebiedsomschrijving, alsook de datum van de aanvang van de periode waarvoor de netbeheerder aangewezen is, worden door de VREG bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Onderafdeling II. - De voorwaardelijke aanwijzing als netbeheerder Art. 3.1.26 De VREG kan in een gemotiveerde beslissing overgaan tot aanwijzing van een kandidaat als netbeheerder hoewel die niet voldoet aan alle voorwaarden van dit besluit.

Van die mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, kan alleen gebruikgemaakt worden als voor het distributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit in kwestie geen enkele kandidaat voldoet aan alle voorwaarden, in dit besluit vermeld, en als de kandidaat, vermeld in het eerste lid, voldoet aan de voorwaarden, vermeld in titel III, hoofdstuk I, afdeling I, onderafdelingen I, II en III. Als de met toepassing van dit artikel aangestelde netbeheerder niet binnen een jaar na zijn aanwijzing aan alle voorwaarden van dit besluit voldoet, beslist de VREG tot beëindiging van zijn aanwijzing.

Onderafdeling III. - Beëindiging van de aanwijzing als netbeheerder Art. 3.1.27 Als de aanwijzing van een netbeheerder wordt beëindigd met toepassing van artikel 4.1.4 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wijst de VREG een nieuwe netbeheerder aan overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 3.1.21 tot en met 3.1.25 of, in voorkomend geval, overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 3.1.26. De aanwijzing heeft betrekking op de resterende duurtijd van de aanwijzing die beëindigd werd.

Afdeling III. - De voorwaarden van en de procedure tot het verkrijgen van de toestemming om een beroep te doen op een werkmaatschappij Art. 3.1.28 Als de netbeheerder een beroep doet op een werkmaatschappij, mag geen afbreuk worden gedaan aan de onafhankelijkheid van de netbeheerder en moet de netbeheerder daarvan de garanties geven als vermeld in artikel 3.1.10 tot en met 3.1.15 en artikel 3.1.17 tot en met 3.1.20.

De werkmaatschappij van de netbeheerder voorziet in alle gevallen minstens in de oprichting van een orgaan dat bevoegd is voor de voorbereiding van de beslissingen over de voor het netbeheer strategische en vertrouwelijke aangelegenheden, vermeld in 3.1.11.

Art. 3.1.29 Binnen een maand nadat in het ter zake bevoegde bestuursorgaan van de netbeheerder beslist wordt om een beroep te doen op een werkmaatschappij, vraagt de netbeheerder de toestemming van de VREG daarvoor aan per aangetekende brief. In deze brief geeft de netbeheerder aan hoelang hij een beroep wil doen op deze werkmaatschappij.

Art. 3.1.30 Nadat de VREG de aanvraag, vermeld in 3.1.29, ontvangen heeft, meldt ze aan de netbeheerder welke stukken bezorgd moeten worden om na te gaan of de werkmaatschappij voldoet aan de vereisten vermeld in artikel 3.1.10 tot en met 3.1.20, en binnen welke termijn die stukken bezorgd moeten worden.

De netbeheerder dient het aanvraagdossier per aangetekende brief in of geeft het tegen ontvangstbewijs af bij de VREG. De VREG gaat na of het aanvraagdossier volledig is. Als het aanvraagdossier niet volledig is, brengt de VREG de netbeheerder per aangetekende brief op de hoogte binnen een maand na ontvangst van het aanvraagdossier. Daarbij worden de redenen vermeld waarom het aanvraagdossier niet volledig werd bevonden en de termijn waarin de netbeheerder, op straffe van verval van de aanvraag, het dossier kan vervolledigen.

Art. 3.1.31 Na de ontvangst van een volledig aanvraagdossier gaat de VREG op grond van de inlichtingen over de eigen situatie van de werkmaatschappij in kwestie of op grond van de inlichtingen en documenten waarover ze beschikt, na of de werkmaatschappij voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.1.10 tot en met 3.1.20. In voorkomend geval geeft ze de netbeheerder de toestemming om een beroep te doen op de werkmaatschappij binnen drie maanden na de ontvangst van het volledige aanvraagdossier.

Als de werkmaatschappij niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, brengt de VREG de netbeheerder daarvan per aangetekende brief op de hoogte binnen drie maanden na de ontvangst van het volledige dossier. Daarbij worden de redenen vermeld waarom niet aan de voorwaarden werd voldaan alsook de termijn waarin de netbeheerder, op straffe van verval van de aanvraag, aan die voorwaarden moet voldoen.

Als de werkmaatschappij in kwestie nog niet opgericht is op het ogenblik van de kennisgeving, vermeld in artikel 3.1.29, vangt de termijn van drie maanden, vermeld in het tweede lid, pas aan op het ogenblik waarop de VREG in kennis gesteld werd van de datum van de oprichting van de werkmaatschappij en hiervan de nodige bewijsstukken ontvangen heeft. In dat geval moet de netbeheerder de VREG ter gelegenheid van de kennisgeving van de oprichting ook in het bezit stellen van alle stukken die ze nodig heeft om na te gaan of de werkmaatschappij voldoet aan de gestelde eisen. De VREG bepaalt welke stukken ze daarvoor nodig heeft.

De VREG maakt haar beslissing waarmee de toestemming verleend wordt aan de netbeheerder om een beroep te doen op de werkmaatschappij, alsook de naam en het adres van de netbeheerder en de werkmaatschappij in kwestie bekend in het Belgisch Staatsblad.

Afdeling IV. - Informatieverstrekking door de netbeheerder Art. 3.1.32 Het bestuursorgaan van de netbeheerder bezorgt jaarlijks, op een door de VREG te bepalen datum, aan de VREG een verslag over de wijze waarop voldaan is aan de voorwaarden van afdeling I, of, voor de netbeheerders die aangewezen zijn conform artikel 3.1.24, derde lid, aan de voorwaarden van de aanwijzingsbeslissing.

Met betrekking tot de vertrouwelijke en strategische aangelegenheden, vermeld in artikel 3.1.11, worden in het verslag gegevens aangereikt over de wijze waarop derden bij de besluitvorming en de uitvoering van de beslissingen van de netbeheerder betrokken werden, wie die derden zijn, welke de aard en de omvang was van de aan hen toevertrouwde opdrachten en welke vergoedingen daarvoor werden betaald.

Met betrekking tot de persoonlijke en commerciële gegevens, vermeld in artikel 3.1.19, bevat het verslag minstens : 1° een gedetailleerde classificatie van de informatie die als vertrouwelijk wordt behandeld;2° een opsomming van de categorieën van personeelsleden die tot die vertrouwelijke informatie toegang hebben, alsook de aspecten van die informatie waartoe ze toegang hebben;3° een overzicht van de procedures en voorzorgsmaatregelen die de vertrouwelijkheid van die informatie waarborgen. Art. 3.1.33 Het bestuursorgaan van de netbeheerder bezorgt jaarlijks aan de VREG de goedgekeurde jaarrekening van de netbeheerder, met een bijgevoegde toelichting waaruit onder meer blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.1.12 en 3.1.13.

Art. 3.1.34 Met behoud van de toepassing van de verplichtingen, vermeld in artikel 3.1.32 en 3.1.33, bezorgt het bestuursorgaan van de netbeheerder aan de VREG de volgende informatie : 1° elke wijziging van de statuten van de netbeheerder zoals ze bij de aanvraag tot aanwijzing zijn gevoegd, alsook de notulen van de vergadering van het orgaan dat tot de statutenwijziging beslist heeft;2° elke wijziging van het aandeelhouderschap van de netbeheerder;3° elke wijziging in de samenstelling van het bestuursorgaan van de netbeheerder;4° elke andere belangrijke wijziging die gevolgen kan hebben voor de wijze waarop de netbeheerder voldoet aan de voorwaarden van dit hoofdstuk. Met behoud van de toepassing van de verplichtingen, vermeld in artikel 3.1.32 en 3.1.33, kan de VREG voor de informatie die de netbeheerders moeten verstrekken, vermeld in het eerste lid en in artikel 3.1.32 en 3.1.33, zich ook wenden tot de werkmaatschappijen, zonder dat het informatieverstrekkingsrecht en de informatieverstrekkingsplicht van de netbeheerder zelf daardoor kunnen worden aangetast.

Afdeling V. - Openbaredienstverplichtingen, opgelegd aan de netbeheerder Onderafdeling I. - Nacht- en weekendtarief Art. 3.1.33 Iedere elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit zorgt ervoor dat elke afnemer op laagspanning de mogelijkheid heeft om een elektriciteitstarief op basis van een dag- en een nachtmeter te genieten en investeert daartoe in de apparatuur die nodig is voor de sturing van meetinrichtingen en voedingscircuits met het oog op de toepassing van verschillende tariefperiodes.

De installatie- en onderhoudskosten van een dag- en een nachtmeter bij de afnemer worden gedragen door de afnemer.

Art. 3.1.34 In overeenstemming met het technisch reglement distributie elektriciteit bepaalt de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit de tijdstippen waarop de omschakeling plaatsvindt van de dagmeter naar de nachtmeter, en omgekeerd.

De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit zorgt ervoor dat het elektriciteitsverbruik van elke afnemer op laagspanning met een dag- en een nachtmeter gedurende het hele weekend, van zaterdagmorgen tot zondagavond, geregistreerd wordt op de nachtmeter.

Art. 3.1.37 De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit informeert de afnemers op laagspanning over de kosten die gepaard gaan met de installatie van een meetinstallatie met een dag- en een nachtmeter over de mogelijkheden en voordelen van een elektriciteitstarief op basis van een dag- en een nachtmeter.

Art. 3.1.38 De kosten voor de investeringen, vermeld in artikel 3.1.35, eerste lid, en 3.1.36, en de kosten voor de informatievoorziening, vermeld in 3.1.37, worden beschouwd als kosten ten gevolge van de openbaredienstverplichtingen van de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit.

Onderafdeling II. - Openbare verlichting Art. 3.1.39 Iedere elektriciteitsdistributienetbeheerder die de netten tot 15.000 volt beheert, draagt zorg voor de exploitatie van de openbare verlichting in het geografische gebied van de netbeheerder, vermeld in artikel 1.1.3, 32° van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

Art. 3.1.40 De werkzaamheden die worden verstaan onder exploitatie, vermeld in artikel 3.1.39, zijn : 1° de werkzaamheden voor het onderhoud van de elektriciteitskabels, de verlichtingspalen, de palen, ankers, buizen, steunen, moffen, kasten en andere benodigdheden ter ondersteuning of ter bescherming van de verlichtingsinfrastructuur, de verlichtingsarmaturen en de lampen, de schakelaars, de meet-, regel- en communicatieapparatuur en de eventuele transformatoren;2° de organisatie en de bemanning van een meldpunt voor defecte, gestoorde of storende openbare verlichting;3° het opstellen van de aanbestedingsdossiers voor de aankoop van de openbareverlichtingsinfrastructuur en van de vervangstukken;4° het verlenen van bijstand aan de betreffende gemeenten bij het opstellen van hun aanbestedingsdossier voor de energieaankoop voor de openbare verlichting;5° het vijfjaarlijks uitvoeren of laten uitvoeren van een energieaudit met betrekking tot de openbare verlichting in het geografische gebied van de netbeheerder;6° het jaarlijks uitvoeren van acties ter bevordering van rationeel energiegebruik in de openbare verlichting, uitgevoerd in het kader van de REG-acties van de netbeheerders;7° het sensibiliseren van de gemeenten die gelegen zijn in het geografische gebied van de netbeheerder, op het vlak van de lichthinder van openbare verlichting. De vijfjaarlijkse audit, vermeld in het eerste lid, 5°, werd voor de eerste maal uitgevoerd in 2005. Het rapport dat wordt opgesteld naar aanleiding van een energieaudit, wordt telkens vóór 1 juni bezorgd aan de Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid. De minister legt vast welke gegevens in het rapport moeten worden opgenomen.

Art. 3.1.41 De kosten voor de werkzaamheden, vermeld in artikel 3.1.40, eerste lid, 1° tot en met 7°, worden beschouwd als kosten tengevolge van de openbaredienstverplichtingen van de netbeheerder.

Alle andere kosten en in het bijzonder de kosten voor de plaatsing of de uitbreiding van de openbare verlichting, de kosten van de vervangstukken inclusief lampen, de kosten voor de energielevering, de aansluitkosten van het verlichtingsnet op het distributienet en de transport- en distributiekosten van de benodigde elektrische energie vallen niet onder de kosten, vermeld in het eerste lid.

HOOFDSTUK II. - Levering Afdeling I. - De voorwaarden waaraan de houder van een leveringsvergunning moet voldoen Onderafdeling I. - De voorwaarden betreffende financiële en technische capaciteit Art. 3.2.1 De houder van een leveringsvergunning beschikt over voldoende financiële en technische capaciteit om de levering van elektriciteit of aardgas aan zijn klanten te verzekeren.

Art. 3.2.2 De financiële capaciteit kan, onder meer, aangetoond worden door de documenten, vermeld in artikel 3.1.2.

Art. 3.2.3 De technische capaciteit kan onder meer aangetoond worden met de volgende documenten : 1° een lijst met de relevante studie- en beroepskwalificaties van de personeelsleden;2° een lijst met de belangrijkste activiteiten in de laatste drie jaar;3° een verklaring over de gemiddelde jaarlijkse personeelsbezetting en over de omvang van het personeelskader weergeeft tijdens de laatste drie jaar. Onderafdeling II. - De voorwaarden betreffende professionele betrouwbaarheid Art. 3.2.4 De houder van een leveringsvergunning geeft blijk van voldoende professionele betrouwbaarheid om de levering van elektriciteit of aardgas aan zijn klanten te verzekeren als vermeld in artikel 3.1.5 tot en met 3.1.7.

Onderafdeling III. - De voorwaarden betreffende capaciteit om aan de behoeften van de klant te voldoen Art. 3.2.5 De houder van een leveringsvergunning beschikt over voldoende capaciteit om aan de behoeften van zijn klanten te voldoen bij de levering van elektriciteit of aardgas.

Art. 3.2.6 De capaciteit om aan de behoeften van zijn klanten te voldoen voor de levering van elektriciteit kan onder meer aangetoond worden met de volgende documenten : 1° een beschrijving van de hoeveelheid elektriciteit die zelf opgewekt wordt of aangekocht wordt bij derden, alsook de productiewijze en de productieplaats;2° een beschrijving van de hoeveelheid en de aard van de geleverde elektriciteit;3° een beschrijving van de manier waarop het evenwicht tussen geproduceerde en geleverde elektriciteit gerealiseerd wordt. De capaciteit om aan de behoeften van zijn klanten te voldoen voor de levering van aardgas kan onder meer aangetoond worden met de volgende documenten : 1° een beschrijving van de hoeveelheid aardgas die zelf ingevoerd wordt of aangekocht wordt bij derden, alsook de oorsprong van het aardgas;2° een beschrijving van de hoeveelheid en de aard van het geleverde aardgas;3° een beschrijving van de manier waarop het evenwicht tussen het ingevoerde of gekochte aardgas en het geleverde aardgas gerealiseerd wordt. Onderafdeling IV. - De voorwaarden betreffende de beheersmatige en juridische onafhankelijkheid van de houder van een leveringsvergunning ten opzichte van de netbeheerders Art. 3.2.7 De houder van een leveringsvergunning voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.1.12, 3.1.13, 3.1.14 en 3.1.20.

Afdeling II. - De procedure tot toekenning van een leveringsvergunning Art. 3.2.8 De aanvraag tot toekenning van een leveringsvergunning wordt gericht aan de VREG. De aanvraag wordt ingediend per aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs.

De aanvrager bezorgt daarbij een dossier waarin hij aantoont dat hij voldoet aan de voorwaarden van dit hoofdstuk.

Art. 3.2.9 De VREG gaat na of de aanvraag volledig is.

Als de aanvraag niet volledig is, brengt de VREG, binnen een maand na ontvangst van de aanvraag, de aanvrager daarvan per aangetekende brief op de hoogte. Daarbij worden de redenen vermeld waarom de aanvraag niet volledig werd bevonden en de termijn waarin de aanvrager, op straffe van verval van de aanvraag, het dossier kan vervolledigen.

Art. 3.2.10 De VREG gaat op grond van de inlichtingen over de eigen situatie van iedere aanvrager en van de inlichtingen en documenten waarover ze beschikt, na of de aanvrager voldoet aan de voorwaarden, vermeld Titel III, Hoofdstuk II, afdeling I, en aan de openbaredienstverplichtingen opgelegd op grond van artikel 4.3.2. van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

Art. 3.2.11 Als de aanvrager voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.2.10, brengt de VREG, binnen twee maanden na de ontvangst van het volledige dossier, de aanvrager per aangetekende brief op de hoogte van haar beslissing tot toekenning van de leveringsvergunning.

Als de aanvrager niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 3.2.10, brengt de VREG binnen twee maanden na de ontvangst van het volledige dossier de aanvrager op de hoogte van de beslissing om geen leveringsvergunning toe te kennen. Daarbij worden de redenen vermeld waarom niet aan de voorwaarden werd voldaan en de termijn waarin de aanvrager, op straffe van verval van de aanvraag, alsnog aan die voorwaarden kan voldoen.

Art. 3.2.12 Een leveringsvergunning wordt toegekend voor onbepaalde termijn.

Art. 3.2.13 De beslissing tot toekenning van een leveringsvergunning wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, met vermelding van de naam en het adres van de houder van een leveringsvergunning.

Afdeling III. - Opheffing van de leveringsvergunning Art. 3.2.14 Als de VREG van oordeel is dat een houder van een leveringsvergunning niet meer aan de voorwaarden van dit hoofdstuk voldoet, brengt ze de houder van de leveringsvergunning daarvan per aangetekende brief op de hoogte. daarbij worden de redenen vermeld waarom niet meer aan de voorwaarden wordt voldaan.

Als de houder van een leveringsvergunning niet de nodige handelingen stelt in door de VREG te bepalen termijn, om aan de voorwaarden van dit hoofdstuk te voldoen, zal de VREG, op voorwaarde dat de houder van de leveringsvergunning werd gehoord of naar behoren werd opgeroepen, de leveringsvergunning opheffen.

De gemotiveerde beslissing van de VREG om de leveringsvergunning op te heffen, wordt per aangetekende brief bekendgemaakt aan de aanvrager.

Die beslissing en de datum waarop de opheffing ingaat, worden door de VREG ook bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Afdeling IV. - Controlewijziging, fusie of splitsing Art. 3.2.15 De houder van een leveringsvergunning meldt iedere controlewijziging, fusie of splitsing waarbij hij betrokken is, onmiddellijk aan de VREG. Hij kan daarbij een aanvraag indienen tot behoud van de leveringsvergunning.

De leveringsvergunning kan behouden blijven, als de houder van een leveringsvergunning aan de voorwaarden van afdeling I blijft voldoen.

Als de houder van een leveringvergunning niet meer aan de voorwaarden van Titel III, Hoofdstuk II, afdeling I voldoet, zal de VREG de procedure instellen, vermeld in artikel 3.2.14.

De VREG brengt de houder van een leveringsvergunning, binnen een maand na ontvangst van de aanvraag tot behoud, op de hoogte van haar beslissing tot behoud van de leveringsvergunning of het instellen van de procedure, vermeld in artikel 3.2.14.

Afdeling V. - Informatieverstrekking door de houder van een leveringsvergunning Art. 3.2.16 De houder van een leveringsvergunning bezorgt de VREG jaarlijks, op een door de VREG te bepalen datum, een verslag over de wijze waarop aan de voorwaarden van dit besluit is voldaan.

Art. 3.2.17 Met behoud van de toepassing van de verplichting, vermeld in artikel 3.2.16, bezorgt de houder van een leveringsvergunning de volgende informatie onmiddellijk aan de VREG : 1° elke wijziging van de statuten van de houder van een leveringsvergunning, alsook de notulen van de vergadering van het orgaan dat tot de statutenwijziging beslist heeft;2° elke andere belangrijke wijziging die gevolgen kan hebben voor de wijze waarop de houder van een leveringsvergunning voldoet aan de voorwaarden van dit besluit. TITEL IV. - De jaarlijkse toekenning van een hoeveelheid gratis elektriciteit Art. 4.1.1 § 1. De leverancier die op 1 april van een bepaald jaar elektriciteit levert aan een huishoudelijke afnemer, vermeldt uiterlijk op de eerste afrekeningsfactuur die hij na 1 mei van dat jaar aan de betrokken afnemer voorlegt, onder de benaming « korting gratis elektriciteit », de hoeveelheid elektriciteit, vermeld in artikel 5.1.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009. Hij vermenigvuldigt die hoeveelheid met de eenheidsprijs per kWh en trekt dat bedrag vervolgens af van het normaal te betalen bedrag.

De eenheidsprijs per kWh wordt jaarlijks door de VREG berekend voor 1 maart van het jaar in kwestie, gepubliceerd op haar website en onmiddellijk ook bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. § 2. Als het verbruik van de afgelopen twaalf maanden lager is dan de hoeveelheid elektriciteit, vermeld in paragraaf 1, wordt de te vermelden hoeveelheid elektriciteit, vermeld in paragraaf 1, beperkt tot het door de meetinstallatie van de aansluiting op het distributienet gemeten nettoverbruik tussen afname en eventuele injectie op het distributienet van de afgelopen twaalf maanden.

Als de leverancier niet op de hoogte is van het verbruik van de laatste twaalf maanden, vraagt hij dat op bij de netbeheerder. De netbeheerder beschikt over een periode van twintig werkdagen om die gegevens te verstrekken.

Voor de afnemers waarvan geen verbruiksgegevens van de laatste twaalf maanden bekend zijn, wordt het verbruik lineair geëxtrapoleerd op basis van het aantal maanden waarop het door de netbeheerder meegedeelde verbruik betrekking heeft. § 3. Als een huishoudelijke afnemer geen of onvoldoende gratis elektriciteit heeft ontvangen overeenkomstig de bepalingen, vermeld in paragraaf 1, meldt hij dat aan de betrokken leverancier. Die bezorgt aan de huishoudelijke afnemer een document waarin hij moet aangeven hoeveel aantal personen op 1 januari van het jaar in kwestie gedomicilieerd waren op het adres van de aansluiting in kwestie. De huishoudelijke afnemer stuurt dat document ingevuld en ondertekend terug naar de leverancier. De leverancier stuurt binnen een maand na de ontvangst van die verklaring een creditnota ter waarde van de onterecht niet-toegekende of onvoldoende toegekende gratis elektriciteit, overeenkomstig de principes, vermeld in paragraaf 1, of verrekent het bedrag op een factuur die binnen een maand na de ontvangst van die verklaring aan de afnemer wordt gericht. § 4. Indien een huishoudelijke afnemer verhuisd is in de periode tussen 1 januari en 1 april van het jaar in kwestie, zal de leverancier met wie hij een leveringscontract heeft op 1 april van het betrokken jaar, op basis van het aantal gedomicilieerde personen in de woning waar hij gedomicilieerd was op 1 januari van het betrokken jaar, gratis elektriciteit toekennen conform de paragrafen 1, 2 en 3.

Art. 4.1.2 § 1. De leverancier wordt door de netbeheerder vergoed voor de bedragen die hij met toepassing van artikel 4.1.1, § 1, heeft afgetrokken of zal aftrekken van de facturen van de huishoudelijke afnemers die op het net van de betrokken netbeheerder zijn aangesloten, en factureert die bedragen aan de betrokken netbeheerder.

De VREG stelt in overleg met de betrokken sector de nadere regels vast voor de praktische uitvoering van het eerste lid. § 2. De gratis elektriciteit die de leverancier of de netbeheerder moet leveren ter uitvoering van andere wetten en decreten, wordt vergoed op basis van de regels, vermeld in de desbetreffende wetten en decreten.

Art. 4.1.3 De netbeheerder verstrekt jaarlijks voor 15 april aan de leverancier die elektriciteit levert via zijn distributienet, de gegevens over het aantal inwoners die op 1 januari van het betreffende jaar gedomicilieerd zijn op het adres van het leveringspunt van de afnemers die door de betreffende leverancier op 1 april worden bevoorraad. De VREG bepaalt de wijze waarop en de vorm waarin de netbeheerder de gegevens verstrekt aan de leverancier.

Art. 4.1.4 De VREG bepaalt de nadere technische toepassingsvoorwaarden van deze titel.

TITEL V. - Sociale energiemaatregelen HOOFDSTUK I. - Beschermingsmaatregelen bij wanbetaling ten opzichte van een leverancier Art. 5.1.1 Als de huishoudelijke afnemer na het verstrijken van de uiterste datum voor betaling, vermeld op de factuur of het betalingsverzoek, maar met een minimumtermijn van vijftien kalenderdagen na ontvangst van de factuur of het betalingsverzoek, niet heeft betaald, stuurt de leverancier een herinneringsbrief. De factuur wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag na de dag van de verzending ervan.

In de herinneringsbrief vermeldt de leverancier de procedure voor ingebrekestelling, vermeld in artikel 5.1.2.

Art. 5.1.2 Als de huishoudelijke afnemer na het verstrijken van de uiterste datum voor het treffen van een regeling voor de betaling van de openstaande rekeningen, maar met een minimumtermijn van vijftien kalenderdagen na de verzending van de herinneringsbrief, nog geen regeling heeft getroffen voor de betaling van de openstaande rekeningen, stelt de leverancier met een aangetekende brief de huishoudelijke afnemer in gebreke.

Art. 5.1.3 § 1. De leverancier vermeldt zowel in de herinneringsbrief als in de ingebrekestelling : 1° de naam en het telefoonnummer van zijn bevoegde dienst;2° de mogelijkheden om in geval van betalingsmoeilijkheden een regeling te treffen voor de betaling van de openstaande rekeningen. Die mogelijkheden zijn : a) de uitwerking van een afbetalingsplan met de leverancier;b) de uitwerking van een afbetalingsplan via het OCMW;c) de uitwerking van een afbetalingsplan via een erkende instelling voor schuldbemiddeling;3° de mogelijkheid die hij heeft om het leveringscontract voor elektriciteit of aardgas op te zeggen en de gevolgen daarvan; 4° de procedure voor de levering van elektriciteit en aardgas door de distributienetbeheerder, de plaatsing van de budgetmeter voor elektriciteit en voor aardgas en de procedure voor minimale levering van elektriciteit, vermeld in artikel 5.3.1 tot en met 5.4.17; 5° de procedure voor de afsluiting van de toevoer van elektriciteit of aardgas en de uitschakeling van de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit, vermeld in artikel 5.3.1 tot en met 5.4.17; 6° de voordelen voor beschermde afnemers, vermeld in artikel 5.1.4. § 2. Als de huishoudelijke afnemer ervoor kiest om een afbetalingsplan uit te werken via het OCMW of via een erkende instelling voor schuldbemiddeling, stuurt de leverancier het dossier onmiddellijk voor verder onderzoek door naar het OCMW van de woonplaats van de huishoudelijke afnemer of naar de door de huishoudelijke afnemer aangewezen erkende instelling voor schuldbemiddeling.

De huishoudelijke afnemer deelt uiterlijk binnen vijftien kalenderdagen na de verzending van de ingebrekestelling zijn keuze schriftelijk mee aan de leverancier. § 3. De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de herinneringsbrief en de ingebrekestelling.

Art. 5.1.4 De kosten die verbonden zijn aan het versturen van de herinneringsbrief en ingebrekestelling aan een beschermde afnemer, vallen ten laste van de leverancier.

De minister kan nadere regels vastleggen voor de indieningsprocedure en de vorm en inhoud van de bewijsstukken, waaruit blijkt dat de huishoudelijke afnemer een beschermde afnemer is.

Art. 5.1.5 De eventuele nalatigheidsinterest die door de leverancier wordt aangerekend, mag niet meer bedragen dan de wettelijke interest.

HOOFDSTUK II. - Beschermingsmaatregelen bij opzegging van het leveringscontract door de leverancier Art. 5.2.1 § 1. Een leverancier kan een contract voor de levering van elektriciteit of aardgas alleen opzeggen als hij een opzeggingstermijn van ten minste zestig kalenderdagen in acht neemt. § 2. In geval van wanbetaling kan een leverancier pas overgaan tot opzegging van het leveringscontract met een huishoudelijke afnemer in de volgende gevallen : 1° de huishoudelijke afnemer heeft binnen vijftien kalenderdagen na de verzending van de ingebrekestelling niet schriftelijk meegedeeld welke regeling hij wil treffen voor de betaling van de openstaande rekeningen;2° de huishoudelijke afnemer heeft binnen vijftien kalenderdagen nadat hij schriftelijk heeft meegedeeld welke regeling hij wil treffen voor de betaling van de openstaande rekeningen, geen van de volgende acties ondernomen : a) zijn vervallen factuur betaald;b) een afbetalingsplan aanvaard;3° de huishoudelijke afnemer komt, na de aanvaarding van een afbetalingsplan, zijn afbetalingsverplichtingen niet na. Art. 5.2.2 § 1. Als de leverancier een leveringscontract met een huishoudelijke afnemer opzegt, brengt de leverancier via een opzeggingsbrief de huishoudelijke afnemer op de hoogte van de datum van het einde van de opzeggingstermijn en van het feit dat de klant een nieuw leveringscontract moet sluiten dat ingaat op het einde van de opzeggingstermijn, uiterlijk binnen acht kalenderdagen voor het einde van de opzeggingstermijn. In de opzeggingsbrief vermeldt de leverancier ook de gevolgen als de huishoudelijke afnemer geen nieuw leveringscontract sluit dat ingaat op de datum van het einde van de opzeggingstermijn. § 2. De leverancier brengt de distributienetbeheerder minstens zestig kalenderdagen voor het einde van de opzeggingstermijn op de hoogte van de opzegging van het leveringscontract. § 3. Uiterlijk binnen tien kalenderdagen na de ontvangst van het bericht, vermeld in paragraaf 2, brengt de distributienetbeheerder op zijn beurt de huishoudelijke afnemer schriftelijk op de hoogte van de datum van het einde van de opzeggingstermijn en van het feit dat de klant een nieuwe leverancier moet zoeken uiterlijk acht kalenderdagen voor het einde van de opzeggingstermijn. In die brief vermeldt de distributienetbeheerder ook de gevolgen als de huishoudelijke afnemer geen nieuw leveringscontract sluit, dat ingaat op de datum van het einde van de opzeggingstermijn. § 4. De minister kan nadere regels bepalen voor de manier waarop de informatie uitgewisseld wordt tussen de leverancier en de huishoudelijke afnemer, tussen de leverancier en de distributienetbeheerder, en tussen de distributienetbeheerder en de huishoudelijke afnemer. § 5. De minister kan nadere regels vastleggen voor de vorm en de inhoud van respectievelijk de opzeggingsbrief, vermeld in paragraaf 1, en de brief, vermeld in paragraaf 3.

Art. 5.2.3 § 1. Als een leveringscontract met een huishoudelijke afnemer werd opgezegd en die afnemer uiterlijk acht kalenderdagen voor het einde van de opzeggingstermijn geen leveringscontract met een nieuwe leverancier heeft gesloten, dat ingaat vanaf het einde van de opzeggingstermijn, wordt de huishoudelijke afnemer vanaf de afloop van de opzeggingstermijn verder van elektriciteit of van aardgas beleverd door zijn distributienetbeheerder. § 2. De meteropname vindt plaats uiterlijk dertig kalenderdagen na het einde van de opzeggingstermijn van het leveringscontract. Op basis van die meteropname maakt de distributienetbeheerder afhankelijk van het profiel van de betreffende afnemer een schatting van de meterstand op het einde van de opzeggingstermijn. De geschatte meterstand wordt onmiddellijk doorgegeven aan de betrokken leverancier voor de opmaak van een eindafrekening. De leverancier bezorgt de huishoudelijke afnemer uiterlijk binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van de metergegevens een eindafrekening.

HOOFDSTUK III. - Budgetmeter voor elektriciteit Afdeling I. - Plaatsen, inschakelen en uitschakelen van de budgetmeter voor elektriciteit bij wanbetaling ten opzichte van de elektriciteitsdistributienetbeheerder Art. 5.3.1 § 1. Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer na het verstrijken van de uiterste datum voor betaling, vermeld op de factuur, maar met een minimumtermijn van vijftien kalenderdagen na de ontvangst van de factuur, niet heeft betaald, stuurt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een herinneringsbrief. De factuur wordt geacht ontvangen te zijn de derde werkdag na de dag van de verzending ervan.

Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer vijftien kalenderdagen na de verzending van de herinneringsbrief zijn openstaande rekeningen niet heeft betaald, stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit met een aangetekende brief de huishoudelijke elektriciteitsafnemer in gebreke.

De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de herinneringsbrief en de ingebrekestelling.

De kosten die verbonden zijn aan het versturen van de herinneringsbrief en de ingebrekestelling aan een beschermde afnemer vallen ten laste van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit. § 2. De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit plaatst of schakelt de budgetmeter voor elektriciteit in binnen zestig kalenderdagen als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer binnen vijftien kalenderdagen na de verzending van de ingebrekestelling zijn openstaande rekeningen niet heeft betaald, op voorwaarde dat hij normale toegang heeft tot de ruimte waarin de budgetmeter voor elektriciteit zal worden opgesteld of staat opgesteld.

De minister kan de verdere werkwijze voor de plaatsing van de budgetmeter voor elektriciteit vastleggen. § 3. In afwijking van paragraaf 2, eerste lid, hoeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit geen budgetmeter voor elektriciteit te plaatsen of in te schakelen als hij minder dan honderd huishoudelijke elektriciteitsafnemers heeft.

De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit plaatst of schakelt de budgetmeter voor elektriciteit in binnen zestig kalenderdagen als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer binnen vijftien kalenderdagen na de verzending van de ingebrekestelling zijn openstaande rekeningen niet heeft betaald, op voorwaarde dat hij normale toegang heeft tot de ruimte waarin de budgetmeter voor elektriciteit zal worden opgesteld of staat opgesteld.

De elektriciteitsafnemer wordt zonder enige beperking beleverd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit. Bij wanbetaling volgen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, vermeld in artikel 5.3.13 tot en met 5.3.16. § 4. Als het technisch gezien niet mogelijk is om een budgetmeter voor elektriciteit bij de betreffende huishoudelijke elektriciteitsafnemer te plaatsen, wordt een autonome stroombegrenzer geplaatst in plaats van een budgetmeter voor elektriciteit. Bij wanbetaling volgen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit de procedure, vermeld in artikel 5.3.13 tot en met 5.3.16. § 5. Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer geen normale toegang geeft tot de ruimte waarover hij het gebruiks- of eigendomsrecht heeft en waarin de elektriciteitsmeter is opgesteld, voor de plaatsing, de controle of meteropname van de meter, inclusief de budgetmeter voor elektriciteit en de autonome stroombegrenzer, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een verzoek tot afsluiting van de elektriciteitstoevoer indienen bij de lokale adviescommissie. § 6. De budgetmeter voor elektriciteit wordt door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit zodanig ingesteld dat een hulpkrediet voor een bedrag dat overeenkomt met de waarde van 200 kWh tegen de sociale maximumprijs voor elektriciteit, ter beschikking wordt gesteld van de huishoudelijke elektriciteitsafnemer. § 7. De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit stelt bij de plaatsing of inschakeling van de budgetmeter voor elektriciteit minstens de volgende informatie ter beschikking van de betrokken huishoudelijke elektriciteitsafnemer : 1° een gebruikshandleiding;2° een telefoonnummer voor het melden van problemen en voor noodgevallen;3° een lijst met de plaats en de toegankelijkheid van de dichtstbijzijnde oplaadmogelijkheden;4° gedetailleerde informatie en instructies over de gegevens die van de budgetmeter voor elektriciteit kunnen worden afgelezen;5° het toegepaste elektriciteitstarief;6° de minimale levering van elektriciteit die ter beschikking wordt gesteld, en de manier waarop het elektriciteitsverbruik dat verbonden is aan de minimale levering, wordt verrekend bij het opladen van de budgetmeter voor elektriciteit;7° het ter beschikking gestelde hulpkrediet en de manier waarop het hulpkrediet wordt verrekend bij het opladen van de budgetmeter voor elektriciteit;8° de beoordeling van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit om vast te stellen dat de huishoudelijke elektriciteitsafnemer al dan niet op de minimale levering van elektriciteit is overgeschakeld als hij gedurende een periode van zestig kalenderdagen zijn budgetmeter voor elektriciteit niet oplaadt, en de mogelijke gevolgen daarvan. § 8. Op vraag van het OCMW bezorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit het OCMW een lijst met geplaatste actieve budgetmeters voor elektriciteit uit de gemeente waarin het OCMW actief is.

Art. 5.3.2 Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer zijn openstaande rekeningen bij zijn elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit heeft betaald en een contract voor de levering van elektriciteit heeft geloten met een leverancier, wordt de huishoudelijke elektriciteitsafnemer verder van elektriciteit beleverd door zijn leverancier.

In dat geval gaat de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit over tot uitschakeling van de budgetmeter voor elektriciteit of wegneming van de autonome stroombegrenzer, daar waar een ingeschakelde budgetmeter of een autonome begrenzer aanwezig is.

Art. 5.3.3 § 1. Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer bij wie een budgetmeter voor elektriciteit werd geplaatst, verhuist, wordt van de budgetmeter voor elektriciteit op het oude adres als volgt uitgeschakeld : 1° door de nieuwe huishoudelijke elektriciteitsafnemer zelf door middel van een specifiek daarvoor bedoelde kaart of te volgen procedure of een combinatie van beide.Die kaart en procedure worden hem toegestuurd per post binnen twee werkdagen na de aanvraag of worden hem ter beschikking gesteld in de klantenkantoren van de elektriciteitsdistributienetbeheerder, waarbij de kaart en procedure op zijn vroegst bezorgd kunnen worden vanaf de verhuisdatum; 2° door de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, na afspraak met de nieuwe huishoudelijke elektriciteitsafnemer die kan eisen dat de afspraak plaatsvindt binnen vijf werkdagen na de melding van de verhuizing door de nieuwe bewoner, waarbij de afspraak op zijn vroegst kan plaatsvinden vanaf de verhuisdatum. Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer bij wie een autonome stroombegrenzer werd geplaatst, verhuist, wordt de autonome stroombegrenzer weggenomen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, na afspraak met de nieuwe huishoudelijke elektriciteitsafnemer die kan eisen dat de afspraak plaatsvindt binnen vijf werkdagen na de melding van de verhuizing door de nieuwe bewoner, waarbij de afspraak op zijn vroegst kan plaatsvinden vanaf de verhuisdatum. § 2. Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit het nieuwe adres kent van de huishoudelijke elektriciteitsafnemer die verhuist en die over een budgetmeter voor elektriciteit of over een autonome stroombegrenzer beschikt op zijn oude adres, of op verzoek van de huishoudelijke elektriciteitsafnemer die verhuist en die over een budgetmeter voor elektriciteit of over een autonome stroombegrenzer beschikt, plaatst de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een budgetmeter voor elektriciteit, schakelt hij een budgetmeter voor elektriciteit in of plaatst hij een autonome stroombegrenzer op het nieuwe adres, naargelang van het geval.

Art. 5.3.4 De kosten die verbonden zijn aan de budgetmeter voor elektriciteit, met inbegrip van de plaatsing, de inschakeling en de uitschakeling van de budgetmeter voor elektriciteit, en de kosten die verbonden zijn aan de autonome stroombegrenzer, met inbegrip van de plaatsing en het wegnemen van de autonome stroombegrenzer, vallen altijd ten laste van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit.

De kosten die verbonden zijn aan het wegnemen van de budgetmeter voor elektriciteit, vallen altijd ten laste van de aanvrager van het wegnemen van een budgetmeter.

Afdeling II. - Minimale levering van elektriciteit Art. 5.3.5 De huishoudelijke elektriciteitsafnemer kan overschakelen op de minimale levering van elektriciteit zodra het bedrag waarmee de budgetmeter voor elektriciteit werd opgeladen, alsook het hulpkrediet waarmee die uitgerust is, opgebruikt zijn.

Art. 5.3.6 De minimale levering van elektriciteit wordt vastgesteld op een vermogen dat overeenstemt met tien ampère onder eenmaal 230 volt.

Het elektriciteitsverbruik dat verbonden is aan de minimale levering van elektriciteit, valt ten laste van de huishoudelijke elektriciteitsafnemer.

Afdeling III. - Het opladen van de budgetmeter voor elektriciteit Art. 5.3.7 Iedere elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit zorgt binnen zijn distributienetgebied voor de terbeschikkingstelling van een systeem voor het opladen van budgetmeters voor elektriciteit.

Voor de betaling van de opladingen worden verschillende betalingsmogelijkheden aan de huishoudelijke elektriciteitsafnemer aangeboden. De minister kan de betalingsmogelijkheden nader bepalen.

De minister kan technische vereisten vaststellen waaraan het systeem voor het opladen van de budgetmeters voor elektriciteit moet voldoen.

Art. 5.3.8 In iedere gemeente waar een budgetmeter voor elektriciteit in gebruik is, is minstens één oplaadmogelijkheid aanwezig.

Afhankelijk van de behoeften, kan de minister aanvullende vereisten opleggen voor de organisatie van oplaadmogelijkheden.

Afdeling IV. - Uitschakelen en herinschakelen van de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit Art. 5.3.9 § 1. Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit vaststelt dat een huishoudelijke elektriciteitsafnemer gedurende een periode van zestig kalenderdagen zijn budgetmeter voor elektriciteit niet oplaadt, maakt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een inschatting van het verbruik na de laatste oplading en beoordeelt hij of de betreffende elektriciteitsafnemer op de minimale levering van elektriciteit is overgeschakeld. § 2. Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit vermoedt dat de betreffende elektriciteitsafnemer op de minimale levering van elektriciteit is overgeschakeld, stuurt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit op basis van de beoordeling, vermeld in paragraaf 1, een brief naar de huishoudelijke elektriciteitsafnemer met de vraag om binnen vijftien kalenderdagen contact op te nemen. De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit vermeldt de naam, het adres en het telefoonnummer van zijn bevoegde dienst. § 3. Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer niet reageert op die brief, vermeld in paragraaf 2, stuurt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit de huishoudelijke elektriciteitsafnemer een aangetekende brief met de vraag om binnen vijftien kalenderdagen contact op te nemen. § 4. De kosten die verbonden zijn aan het versturen van de brieven, vermeld in paragrafen 2 en 3, zijn ten laste van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit. § 5. Als na het contact tussen de huishoudelijke elektriciteitsafnemer met de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit blijkt dat de huishoudelijke elektriciteitsafnemer overgeschakeld is op de minimale levering van elektriciteit, dient de huishoudelijke elektriciteitsafnemer met de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een regeling te treffen voor de betaling van het elektriciteitsverbruik uit het verleden voor zover de elektriciteit werd verbruikt vanaf 1 juli 2003 en geleverd werd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit.

Art. 5.3.10 § 1. Als geen regeling getroffen wordt binnen vijftien kalenderdagen na de verzending van de aangetekende brief en op voorwaarde dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een normale toegang heeft tot de budgetmeter voor elektriciteit, wordt de huishoudelijke elektriciteitsafnemer niet afgesloten. De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit kan een verzoek tot uitschakeling van de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit indienen bij de lokale adviescommissie. Daarbij zal de huishoudelijke elektriciteitsafnemer alleen elektriciteit kunnen verbruiken als de budgetmeter voor elektriciteit opgeladen is.

De minister kan de verdere werkwijze, onder meer de manier waarop contact opgenomen wordt met de huishoudelijke elektriciteitsafnemer, vastleggen voor de uitschakeling van de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit. § 2. Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer geen normale toegang geeft tot de ruimte waarin de budgetmeter voor elektriciteit is opgesteld, om de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit uit te schakelen, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een verzoek tot afsluiting indienen bij de lokale adviescommissie.

Art. 5.3.11 De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit schakelt de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit op verzoek van de huishoudelijke elektriciteitsafnemer opnieuw in als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer 50 % van de openstaande rekeningen bij zijn elektriciteitsdistributienetbeheerder of bij de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit betaald heeft. Op verzoek van de huishoudelijke elektriciteitsafnemer of zijn aangestelde en na overleg met de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit kan vroeger overgegaan worden tot de herinschakeling van de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit als daarvoor specifieke redenen zijn.

De stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit wordt opnieuw ingeschakeld vijf werkdagen na de aanvraag van de huishoudelijke elektriciteitsafnemer.

De minister kan nadere regels vastleggen om de stroombegrenzer in de budgetmeter voor elektriciteit vroeger in te schakelen.

Afdeling V. - Schuldafbouw via de budgetmeter voor elektriciteit Art. 5.3.12 § 1. Voor niet-betaald elektriciteitsverbruik en voor de kosten die gerelateerd zijn aan onbetaalde verbruiksfacturen voor elektriciteit voor een bedrag vanaf 750 euro, geleverd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit of door een andere elektriciteitsdistributienetbeheerder onder dezelfde werkmaatschappij, voordat een budgetmeter voor elektriciteit geplaatst is, zal de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een dossier indienen bij de lokale adviescommissie. Het dossier zal niet worden ingediend als met de klant een afspraak tot stand kwam om de betaling van de schuld te regelen.

Ingeval er voor dezelfde huishoudelijke afnemer gelijktijdig met de schuld, vermeld in het eerste lid, ook schulden voor niet-betaald aardgasverbruik en kosten gerelateerd aan onbetaalde verbruiksfacturen voor aardgas bestaan en voor zover dat aardgas wordt geleverd door dezelfde netbeheerder of door een netbeheerder onder dezelfde werkmaatschappij, tevens optredend als aardgasdistributienetbeheerder, voordat een budgetmeter voor aardgas geplaatst werd, zal deze voor een bedrag van de gezamenlijke schuld voor dit aardgas- en elektriciteitsverbruik vanaf 1 000 euro, een dossier indienen bij de lokale adviescommissie. Het dossier zal niet worden ingediend als met de klant een afspraak tot stand kwam om de betaling van de schuld te regelen. § 2. Voor niet-betaald elektriciteitsverbruik en voor de kosten die gerelateerd zijn aan onbetaalde verbruiksfacturen voor elektriciteit tot een bedrag van 750 euro, geleverd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit of door een andere elektriciteitsdistributienetbeheerder onder dezelfde werkmaatschappij, voordat een budgetmeter voor elektriciteit geplaatst is, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit in de budgetmeter voor elektriciteit een afbetalingsplan activeren dat de schuld afbouwt met 5 euro per week.

De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit brengt de huishoudelijke afnemer minstens dertig kalenderdagen voor het begin van dit afbetalingsplan per brief op de hoogte. In de brief vermeldt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit dat de huishoudelijke afnemer de mogelijkheid heeft om tot vijf dagen voor het vastgestelde begin van het afbetalingsplan contact kan opnemen met de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit om een andere regeling voor de betaling van de schulden uit te werken. § 3. Ook als de huishoudelijke afnemer de budgetmeter voor elektriciteit niet tijdig of onvoldoende oplaadt en het verbruikskrediet in de budgetmeter voor elektriciteit negatief wordt, loopt het afbetalingsplan voor 5 euro per week verder.

Bij het opladen van de budgetmeter voor elektriciteit kan dan een gedeelte van het opgeladen bedrag gebruikt worden voor de betaling van niet-betaald elektriciteitsverbruik en van de kosten die gerelateerd zijn aan onbetaalde verbruiksfacturen voor elektriciteit, zoals geregeld werd via het geactiveerde afbetalingsplan, vermeld in paragraaf 2 en voor zover dat van toepassing is, voor het verbruikte deel van het hulpkrediet, vermeld in artikel 10, § 6, en voor het verbruik van de minimale levering, vermeld in artikel 14 en 15.

Het gedeelte van het opgeladen bedrag, vermeld in het tweede lid, bedraagt 35 % voor opladingen tot en met een oplaadbedrag van 50 euro.

Voor oplaadbedragen die groter zijn dan 50 euro, kan het gedeelte boven dat bedrag integraal gebruikt worden voor de schuldafbouw.

Afdeling VI. - Het indienen van een verzoek tot afsluiting van de elektriciteitstoevoer bij wanbetaling Art. 5.3.13 Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit verder blijft leveren via de gewone elektriciteitsmeter of als bij de huishoudelijke elektriciteitsafnemer een autonome stroombegrenzer werd geplaatst omdat het technisch niet mogelijk is om een budgetmeter voor elektriciteit te plaatsen als vermeld in artikel 5.3.1, § 5, en als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer na het verstrijken van de uiterste datum voor betaling, vermeld op de elektriciteitsfactuur, maar met een minimumtermijn van vijftien kalenderdagen na de ontvangst van de factuur, niet betaald heeft, stuurt de elektriciteitsdistributienetbeheerder een herinneringsbrief. De factuur wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag na de verzending ervan.

In de herinneringsbrief vermeldt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit de procedure voor ingebrekestelling, vermeld in artikel 5.3.14.

Art. 5.3.14 Als de huishoudelijke elektriciteitsafnemer vijftien kalenderdagen na de verzending van de herinneringsbrief, vermeld in artikel 5.3.13, nog geen regeling heeft getroffen voor de betaling van de openstaande facturen, stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit de huishoudelijke elektriciteitsafnemer in gebreke met een aangetekende brief.

Art. 5.3.15 § 1. De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit vermelden zowel in de herinneringsbrief als in de ingebrekestelling : 1° de naam en het telefoonnummer van zijn bevoegde dienst;2° de mogelijkheden om in geval van betalingsmoeilijkheden een regeling te treffen voor de betaling van de openstaande facturen. Die mogelijkheden zijn : a) de uitwerking van een afbetalingsplan met de elektriciteitsdistributienetbeheerder;b) de uitwerking van een afbetalingsplan via het OCMW;c) de uitwerking van een afbetalingsplan via een erkende instelling voor schuldbemiddeling;3° de mogelijkheid die hij heeft om een verzoek tot afsluiting in te dienen bij de lokale adviescommissie. § 2. De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de herinneringsbrief en de ingebrekestelling. § 3. De kosten die verbonden zijn aan het versturen van de herinneringsbrieven en ingebrekestellingen aan beschermde afnemers, vallen ten laste van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit.

Art. 5.3.16 De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit kan bij wanbetaling pas overgaan tot het indienen van een verzoek tot afsluiting van de elektriciteitstoevoer bij de lokale adviescommissie in de volgende gevallen : 1° de huishoudelijke elektriciteitsafnemer heeft binnen vijftien kalenderdagen na de verzending van de ingebrekestelling niet schriftelijk meegedeeld welke regeling hij wil treffen voor de betaling van de openstaande facturen;2° de huishoudelijke elektriciteitsafnemer heeft binnen vijftien kalenderdagen nadat hij schriftelijk heeft meegedeeld welke regeling hij wil treffen voor de betaling van de openstaande rekeningen geen van de volgende acties ondernomen : a) zijn vervallen factuur betaald;b) een afbetalingsplan aanvaard;3° de huishoudelijke elektriciteitsafnemer komt, na de aanvaarding van een afbetalingsplan, zijn afbetalingsverplichtingen niet na. HOOFDSTUK IV. - Budgetmeter voor aardgas Afdeling I. - Plaatsen, inschakelen en uitschakelen van de budgetmeter voor aardgas bij wanbetaling ten opzichte van de aardgasdistributienetbeheerder Art. 5.4.1 § 1. Als de huishoudelijke aardgasafnemer na het verstrijken van de uiterste datum voor betaling, vermeld op de factuur, maar met een minimumtermijn van vijftien kalenderdagen na de ontvangst van de factuur, niet heeft betaald, stuurt de aardgasdistributienetbeheerder een herinneringsbrief. De factuur wordt geacht ontvangen te zijn de derde werkdag na de dag van de verzending ervan.

Als de huishoudelijke aardgasafnemer vijftien kalenderdagen na de verzending van de herinneringsbrief zijn openstaande rekeningen niet heeft betaald, stelt de aardgasdistributienetbeheerder met een aangetekende brief de huishoudelijke aardgasafnemer in gebreke.

De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de herinneringsbrief en de ingebrekestelling.

De kosten die verbonden zijn aan het versturen van de herinneringsbrief en de ingebrekestelling aan een beschermde afnemer, vallen ten laste van de aardgasdistributienetbeheerder. § 2. De aardgasdistributienetbeheerder plaatst de budgetmeter voor aardgas of schakelt de budgetmeter voor aardgas in binnen zestig kalenderdagen als de huishoudelijke aardgasafnemer binnen vijftien kalenderdagen na de verzending van de ingebrekestelling zijn openstaande rekeningen niet heeft betaald, op voorwaarde dat hij normale toegang heeft tot de ruimte waarin de budgetmeter voor aardgas zal worden opgesteld of staat opgesteld.

De minister kan de verdere werkwijze voor de plaatsing van de budgetmeter voor aardgas vastleggen. § 3. De aardgasdistributienetbeheerder voor het gebied van de gemeente Baarle-Hertog, dat volledig is omgeven door Nederlands grondgebied, is ertoe gehouden om, als de leverancier het contract voor de levering van aardgas aan de huishoudelijke afnemer heeft opgezegd en als de huishoudelijke afnemer uiterlijk acht kalenderdagen voor het einde van de opzegtermijn, overeenkomstig artikel 5.2.1, geen nieuwe leverancier heeft gevonden, een budgetmeter te plaatsen bij de huishoudelijke afnemer, op voorwaarde dat de aardgasdistributienetbeheerder normale toegang heeft tot de woning. § 4. Als het technisch gezien niet mogelijk is om een budgetmeter voor aardgas bij de betreffende huishoudelijke aardgasafnemer te plaatsen, levert de aardgasdistributienetbeheerder verder via de gewone aardgasmeter. Bij wanbetaling volgt de aardgasdistributienetbeheerder de procedure, vermeld in artikel 5.4.14 tot en met 5.4.17. § 5. Als de huishoudelijke aardgasafnemer geen normale toegang geeft tot de ruimte waarover hij het gebruiks- of eigendomsrecht heeft en waarin de aardgasmeter is opgesteld, voor de plaatsing, de controle of meteropname van de meter, inclusief de budgetmeter voor aardgas, kan de aardgasdistributienetbeheerder een verzoek tot afsluiting van de aardgastoevoer indienen bij de lokale adviescommissie. § 6. De budgetmeter voor aardgas wordt door de aardgasdistributienetbeheerder zodanig ingesteld dat een hulpkrediet voor een bedrag dat overeenkomt met de waarde van 1 000 kWh tegen de sociale maximumprijs voor aardgas, ter beschikking wordt gesteld van de huishoudelijke aardgasafnemer. § 7. De aardgasdistributienetbeheerder stelt bij de plaatsing of inschakeling van de budgetmeter voor aardgas minstens de volgende informatie ter beschikking van de betrokken huishoudelijke aardgasafnemer : 1° een gebruikshandleiding;2° een telefoonnummer voor het melden van problemen en voor noodgevallen;3° een lijst met de plaats en de toegankelijkheid van de dichtstbijzijnde oplaadmogelijkheden;4° gedetailleerde informatie en instructies over de gegevens die van de budgetmeter voor aardgas kunnen worden afgelezen;5° het toegepaste aardgastarief;6° het ter beschikking gestelde hulpkrediet en de manier waarop het hulpkrediet wordt verrekend bij het opladen van de budgetmeter voor aardgas. § 8. Op vraag van het OCMW bezorgt de aardgasdistributienetbeheerder het OCMW een lijst met geplaatste actieve budgetmeters voor aardgas uit de gemeente waarin het OCMW actief is.

Art. 5.4.2 Als de huishoudelijke afnemer in de periode van november tot en met maart gedurende een periode van dertig kalenderdagen zijn budgetmeter voor aardgas niet oplaadt, beoordeelt de aardgasdistributienetbeheerder op basis van het bekende oplaadgedrag en verbruikspatroon uit het verleden het risico dat de huishoudelijke afnemer in kwestie loopt op onderbreking van de aardgaslevering, nadat het hulpkrediet voor aardgas is verbruikt.

Ingeval de aardgasdistributienetbeheerder de kans reëel acht dat de huishoudelijke afnemer binnen een termijn van tien dagen zonder aardgaslevering valt, stuurt de aardgasdistributienetbeheerder op basis van de beoordeling, vermeld in het eerste lid, een brief naar de huishoudelijke afnemer met de vraag om de budgetmeter binnen tien kalenderdagen op te laden of, als dat niet lukt of er volgens de huishoudelijke afnemer geen noodzaak toe is, binnen de tien kalenderdagen contact op te nemen. De aardgasdistributienetbeheerder vermeldt de naam, het adres en het telefoonnummer van zijn bevoegde dienst.

De aardgasdistributienetbeheerder bezorgt het OCMW wekelijks een lijst van huishoudelijke afnemers die binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, niet opladen, met uitzondering van diegenen die gemeld hebben dat daar geen noodzaak toe is, en van de huishoudelijke afnemers die binnen de termijn, vermeld in het tweede lid, geen contact hebben opgenomen met de aardgasdistributienetbeheerder.

Art. 5.4.3 De aardgasdistributienetbeheerder schakelt de budgetmeter voor aardgas uit als de huishoudelijke aardgasafnemer zijn openstaande rekeningen bij zijn aardgasdistributienetbeheerder heeft betaald en een contract voor de levering van aardgas heeft gesloten met een leverancier. Vanaf dat moment wordt de huishoudelijke aardgasafnemer verder van aardgas beleverd door zijn leverancier.

Art. 5.4.4 § 1. Als de huishoudelijke aardgasafnemer bij wie een budgetmeter voor aardgas werd geplaatst, verhuist, wordt de budgetmeter voor aardgas op het oude adres als volgt uitgeschakeld : 1° door de nieuwe huishoudelijke aardgasafnemer zelf door middel van een specifiek daarvoor bedoelde kaart of te volgen procedure of een combinatie van beide.Die kaart en procedure worden hem toegestuurd per post binnen twee werkdagen na de aanvraag of worden hem ter beschikking gesteld in de klantenkantoren, waarbij de kaart en procedure op zijn vroegst bezorgd kunnen worden vanaf de verhuisdatum; 2° door de aardgasdistributienetbeheerder na afspraak met de nieuwe huishoudelijke aardgasafnemer die kan eisen dat de afspraak plaatsvindt binnen vijf werkdagen na de melding van de verhuizing door de nieuwe bewoner, waarbij de afspraak op zijn vroegst kan plaatsvinden vanaf de verhuisdatum. § 2. Als de aardgasdistributienetbeheerder het nieuwe adres van de oude huishoudelijke aardgasafnemer die verhuist en die over een budgetmeter voor aardgas beschikt, kent, of op verzoek van de oude huishoudelijke aardgasafnemer die verhuist en die over een budgetmeter voor aardgas beschikt, plaatst de aardgasdistributienetbeheerder een budgetmeter voor aardgas of schakelt hij er een in op het nieuwe adres.

Art. 5.4.5 De kosten die verbonden zijn aan de budgetmeter voor aardgas, met inbegrip van de plaatsing en de inschakeling en uitschakeling van de budgetmeter voor aardgas, vallen altijd ten laste van de aardgasdistributienetbeheerder.

De kosten die verbonden zijn aan het wegnemen van de budgetmeter voor aardgas, vallen altijd ten laste van de aanvrager van het wegnemen van de budgetmeter.

Afdeling II. - Minimale levering van aardgas Art. 5.4.6 De huishoudelijke afnemer bij wie een budgetmeter voor aardgas werd geïnstalleerd, kan het OCMW ervan op de hoogte brengen dat hij niet beschikt over voldoende middelen om de budgetmeter voor aardgas op te laden waardoor de aardgaslevering tijdens de winterperiode onderbroken dreigt te worden.

Art. 5.4.7 Het OCMW kan er voor opteren gebruik te maken van een systeem van minimale levering van aardgas via de aardgasbudgetmeter.

Het OCMW dat opteert voor het systeem van minimale levering van aardgas via de aardgasbudgetmeter, stelt voor de huishoudelijke afnemer, vermeld in artikel 5.4.2 en 5.4.6, op basis van een sociaal vooronderzoek binnen de termijn bepaald in de OCMW-wet vast of er een reëel probleem van energiearmoede bestaat waardoor de huishoudelijke afnemer niet over voldoende middelen beschikt om zijn budgetmeter voor aardgas tijdens de winterperiode voldoende op te laden.

Als er een reëel probleem van energiearmoede, zoals vermeld in het tweede lid, bestaat, kan het OCMW op basis van een tabel, vastgesteld door de minister, de kost bepalen van de hoeveelheid aardgas, die de huishoudelijke afnemer per veertien kalenderdagen nodig heeft om tot het einde van de winterperiode te beschikken over een minimale verwarming van de woning.

Art. 5.4.8 Het OCMW dat opteert voor het systeem van minimale levering van aardgas via de aardgasbudgetmeter, kan het bedrag dat overeenkomt met de kost, bedoeld in artikel 5.4.7, derde lid, per periode van veertien kalenderdagen ter beschikking stellen van de huishoudelijke afnemer tot maximaal het einde van de winterperiode inclusief de mogelijke verlenging ervan door de minister, vermeld in artikel 5.5.6.

Het OCMW kan aan het ter beschikking stellen van het bedrag, vermeld in het eerste lid, voorwaarden verbinden op het vlak van : 1° schuldbegeleiding en schuldafbouw;2° het nemen van maatregelen om het verbruik van energie door de huishoudelijke afnemer te verminderen;3° het verplicht opladen van de budgetmeter buiten de winterperiode. Art. 5.4.9 Het OCMW dat opteert voor het systeem van minimale levering van aardgas via de aardgasbudgetmeter, zoals beschreven in artikel 5.4.7 en 5.4.8, kan het bedrag, vermeld in artikel 5.4.8, eerste lid, dat via de oplading van de budgetmeterkaart door het OCMW ter beschikking wordt gesteld voor maximum 70 % recupereren bij de aardgasdistributienetbeheerder. Het resterende percentage kan het OCMW ofwel terugvorderen bij de huishoudelijke afnemer via een afbetalingsplan, ofwel kwijtschelden.

De recuperatie door het OCMW bij de aardgasdistributienetbeheerder van maximaal 70 % van de gemaakte kosten, bedoeld in het eerste lid, is een openbaredienstverplichting van de aardgasdistributienetbeheerder zoals bedoeld in artikel 4.1.22 van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

Art. 5.4.10 Het OCMW dat opteert voor het systeem van minimale levering van aardgas via de aardgasbudgetmeter, zoals beschreven in artikel 5.4.7 tot 5.4.9, kan de gemaakte kosten die overeenstemmen met de hoeveelheid aardgas die het toekent via de oplading van de budgetmeterkaart, vermeld in artikel 5.4.8, voor voor maximum 70 % recupereren bij de aardgasdistributienetbeheerder. Het resterende percentage kan het OCMW na de winterperiode ofwel terugvorderen bij de huishoudelijke aardgasafnemer via een afbetalingsplan, ofwel kwijtschelden.

Afdeling III. - Het opladen van de budgetmeter voor aardgas Art. 5.4.11 Iedere aardgasdistributienetbeheerder zorgt binnen zijn distributienetgebied voor de terbeschikkingstelling van een systeem voor het opladen van budgetmeters voor aardgas.

Voor de betaling van de opladingen worden verschillende betalingsmogelijkheden aan de huishoudelijke aardgasafnemer aangeboden. De minister kan de betalingsmogelijkheden nader bepalen.

De minister kan technische vereisten vaststellen waaraan het systeem voor het opladen van de budgetmeters voor aardgas moet voldoen.

Art. 5.4.12 In iedere gemeente waar een budgetmeter voor aardgas in gebruik is, is minstens een oplaadmogelijkheid aanwezig. Afhankelijk van de behoeften kan de minister aanvullende vereisten opleggen voor de organisatie van oplaadmogelijkheden.

Afdeling IV. - Schuldafbouw via de budgetmeter voor aardgas Art. 5.4.13 § 1. Voor niet-betaald aardgasverbruik en voor de kosten die gerelateerd zijn aan onbetaalde verbruiksfacturen voor aardgas voor een bedrag vanaf 750 euro, geleverd door de aardgasdistributienetbeheerder of door een andere aardgasdistributienetbeheerder onder dezelfde werkmaatschappij, voordat een budgetmeter voor aardgas geplaatst is, zal de aardgasdistributienetbeheerder een dossier indienen bij de lokale adviescommissie. Het dossier zal niet worden ingediend als met de klant een afspraak tot stand kwam om de betaling van de schuld te regelen.

Ingeval er voor eenzelfde huishoudelijke afnemer gelijktijdig met de schuld, vermeld in het eerste lid, ook schulden voor niet-betaald elektriciteitsverbruik en kosten gerelateerd aan onbetaalde verbruiksfacturen voor elektriciteit bestaan, voor zover geleverd door dezelfde aardgasdistributienetbeheerder, of door een netbeheerder onder dezelfde werkmaatschappij, tevens optredend als netbeheerder, voordat een budgetmeter voor elektriciteit geplaatst werd, zal deze voor een bedrag voor de gezamenlijke schuld voor dit aardgas- en elektriciteitsverbruik vanaf 1 000 euro, een dossier indienen bij de lokale adviescommissie. Het dossier zal niet worden ingediend als met de klant een afspraak tot stand kwam om de betaling van de schuld te regelen. § 2. Voor niet-betaald aardgasverbruik en kosten die gerelateerd zijn aan onbetaalde verbruiksfacturen voor aardgas tot een bedrag van 750 euro, geleverd door de aardgasdistributienetbeheerder of een andere netbeheerder onder dezelfde werkmaatschappij, voordat een budgetmeter voor aardgas geplaatst is, kan de aardgasdistributienetbeheerder in de budgetmeter voor aardgas een afbetalingsplan activeren dat de schuld afbouwt met 5 euro per week.

De aardgasdistributienetbeheerder brengt de huishoudelijke afnemer minstens dertig kalenderdagen voor het begin van dit afbetalingsplan per brief op de hoogte. In de brief, gestandaardiseerd voor het hele Vlaamse Gewest, vermeldt de aardgasdistributienetbeheerder dat de huishoudelijke afnemer de mogelijkheid heeft om tot vijf dagen voor het vastgestelde begin van het afbetalingsplan contact kan opnemen met de aardgasdistributienetbeheerder om een andere regeling voor de betaling van de schulden uit te werken. § 3. Ook als de huishoudelijke afnemer de budgetmeter voor aardgas niet tijdig of onvoldoende oplaadt en het verbruikskrediet in de budgetmeter voor aardgas negatief wordt, loopt het afbetalingsplan voor 5 euro per week verder.

Bij het opladen van de budgetmeter voor aardgas kan dan een gedeelte van het opgeladen bedrag gebruikt worden voor de betaling van niet-betaald aardgasverbruik en voor de kosten die gerelateerd zijn aan onbetaalde verbruiksfacturen voor aardgas, zoals geregeld werd via het geactiveerde afbetalingsplan, vermeld in paragraaf 2, en, voor zover dat van toepassing is, voor het verbruikte deel van het hulpkrediet, vermeld in artikel 26, § 6.

Het gedeelte van het opgeladen bedrag, vermeld in het tweede lid, bedraagt 35 % voor opladingen tot en met een oplaadbedrag van 50 euro.

Voor oplaadbedragen die groter zijn dan 50 euro, kan het gedeelte boven dat bedrag integraal gebruikt worden voor de schuldafbouw.

Afdeling V. - Het indienen van een verzoek tot afsluiting van de aardgastoevoer bij wanbetaling ten opzichte van de aardgasdistributienetbeheerder als er geen budgetmeter voor aardgas is geplaatst Art. 5.4.14 Als de aardgasdistributienetbeheerder verder blijft leveren via de gewone aardgasmeter en als de huishoudelijke aardgasafnemer na het verstrijken van de uiterste datum voor betaling, vermeld op de aardgasfactuur, maar met een minimumtermijn van vijftien kalenderdagen na de ontvangst van de factuur, niet betaald heeft, stuurt de aardgasdistributienetbeheerder een herinneringsbrief. De factuur wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag na de verzending ervan.

In de herinneringsbrief vermeldt de aardgasdistributienetbeheerder de procedure voor ingebrekestelling, vermeld in artikel 5.4.15.

Art. 5.4.15 Als de huishoudelijke aardgasafnemer vijftien kalenderdagen na de verzending van de herinneringsbrief, vermeld in artikel 5.4.14, nog geen regeling heeft getroffen voor de betaling van de openstaande facturen, stelt de aardgasdistributienetbeheerder de huishoudelijke aardgasafnemer in gebreke met een aangetekende brief.

Art. 5.4.16 § 1. De aardgasdistributienetbeheerder vermeldt zowel in de herinneringsbrief als in de ingebrekestelling : 1° de naam en het telefoonnummer van zijn bevoegde dienst;2° de mogelijkheden om in geval van betalingsmoeilijkheden een regeling te treffen voor de betaling van de openstaande rekeningen. Die mogelijkheden zijn : a) de uitwerking van een afbetalingsplan met de aardgasdistributienetbeheerder;b) de uitwerking van een afbetalingsplan via het OCMW;c) de uitwerking van een afbetalingsplan via een erkende instelling voor schuldbemiddeling;3° de mogelijkheid die hij heeft om een verzoek tot afsluiting in te dienen bij de lokale adviescommissie. § 2. De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van de herinneringsbrief en de ingebrekestelling. § 3. De kosten die verbonden zijn aan het versturen van herinneringsbrieven en ingebrekestellingen aan beschermde afnemers, vallen ten laste van de aardgasdistributienetbeheerder.

Art. 5.4.17 De aardgasdistributienetbeheerder kan bij wanbetaling pas overgaan tot het indienen van een verzoek tot afsluiting van de aardgastoevoer bij de lokale adviescommissie in de volgende gevallen : 1° de huishoudelijke aardgasafnemer heeft binnen vijftien kalenderdagen na de verzending van de ingebrekestelling niet schriftelijk meegedeeld welke regeling hij wil treffen voor de betaling van de openstaande rekeningen;2° de huishoudelijke aardgasafnemer heeft binnen vijftien kalenderdagen nadat hij schriftelijk heeft meegedeeld welke regeling hij wil treffen voor de betaling van de openstaande rekeningen geen van de volgende acties ondernomen : a) zijn vervallen factuur betaald;b) een afbetalingsplan aanvaard;3° de huishoudelijke aardgasafnemer komt, na de aanvaarding van een afbetalingsplan, zijn afbetalingsverplichtingen niet na. HOOFDSTUK V. - Afsluiten en heraansluiten van de elektriciteits- en aardgastoevoer Afdeling I. - Afname van elektriciteit of aardgas zonder leveringscontract na een verhuizing Art. 5.5.2 § 1. Nadat een huishoudelijke afnemer zijn leverancier heeft ingelicht over zijn verhuizing en als die leverancier geen bericht van klant- en leverancierswissel heeft ontvangen van de leverancier van de nieuwe bewoner, meldt de leverancier uiterlijk binnen dertig kalenderdagen aan de distributienetbeheerder dat hij zijn levering op het oude adres van de huishoudelijke afnemer wil stopzetten uiterlijk binnen dertig kalenderdagen.

Vanaf de verhuisdatum van de oude bewoner vallen alle kosten die vanaf die datum veroorzaakt worden door de levering van elektriciteit of aardgas, ten laste van de nieuwe bewoner of van de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner. § 2. De netbeheerder brengt op zijn beurt de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, schriftelijk op de hoogte van zijn plicht om zo snel mogelijk en uiterlijk binnen tien kalenderdagen na de ontvangst van de brief een van de volgende acties te ondernemen : 1° zijn huidige leverancier te verwittigen van zijn verhuizing;2° een leveringscontract te sluiten met een nieuwe leverancier;3° de elektriciteits- of aardgastoevoer te laten afsluiten door middel van verzegeling. De netbeheerder meldt ook de gevolgen, vermeld in artikel 5.5.2, als de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, niet reageert op de brief. De brief wordt geacht ontvangen te zijn op de derde werkdag na de dag van de verzending ervan. § 3. Als de nieuwe bewoner of de eigenaar niet reageert op de brief, vermeld in paragraaf 2, gaat de netbeheerder binnen vijftien kalenderdagen ter plaatse om een regularisatiedocument te laten ondertekenen. De netbeheerder brengt in dat geval de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, op de hoogte van de gevolgen, vermeld in artikel 5.5.2, als hij het document niet ondertekent.

Het regularisatiedocument biedt aan de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, drie mogelijkheden : 1° als de nieuwe bewoner over een geldig leveringscontract beschikt op zijn oude adres, maar zijn leverancier nog niet verwittigd heeft van zijn verhuizing, dan geeft hij de naam van zijn huidige leverancier door;2° als de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, nog niet over een geldig leveringscontract beschikt, wijst hij de laatst bekende leverancier van de vorige bewoner aan als zijn leverancier vanaf de verhuisdatum.Die leverancier belevert dan de betreffende huishoudelijke afnemer. Als hij een opzeggingstermijn van dertig kalenderdagen in acht neemt, kan de huishoudelijke afnemer overstappen naar een andere leverancier zonder dat hem een verbrekingsvergoeding wordt aangerekend; 3° de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, laat de elektriciteits- of aardgastoevoer afsluiten door middel van verzegeling. De netbeheerder stuurt, indien nodig, het ingevulde en ondertekende regularisatiedocument binnen vijf werkdagen door naar de betreffende leverancier, die binnen vijf werkdagen de toestand van de betreffende huishoudelijke afnemer regulariseert.

De minister kan nadere regels bepalen voor de vorm en de inhoud van het verhuisformulier en het regularisatiedocument. § 4. Als de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, niet thuis is op het ogenblik van het bezoek van de netbeheerder, laat die een document achter, waarin gevraagd wordt om binnen vijftien kalenderdagen een afspraak te maken voor een nieuw bezoek om de situatie te regelen.

Art. 5.5.2 Als de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner, weigert om het regularisatiedocument in te vullen en te ondertekenen, of als de nieuwe bewoner of de eigenaar niet reageert op de brieven of de documenten, vermeld in artikel 5.5.1, mag de netbeheerder de elektriciteits- of aardgastoevoer afsluiten, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 4°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

De leverancier levert gedurende maximaal dertig kalenderdagen na de melding dat hij de levering op het oude adres van de huishoudelijke afnemer wil stopzetten, verder aan de nieuwe bewoner, of de eigenaar in afwachting van een nieuwe bewoner. Na die termijn levert de netbeheerder verder in afwachting van een regularisatie van de situatie of een afsluiting van de elektriciteits- of aardgastoevoer.

Afdeling II. - Fraude Art. 5.5.3 Als de netbeheerder objectief vaststelt dat de huishoudelijke afnemer fraude pleegt, neemt hij de nodige maatregelen om een einde te stellen aan die fraude door de installatie te laten aanpassen conform het technisch reglement. Als de huishoudelijke afnemer zich verzet tegen de poging van de netbeheerder om een einde te stellen aan de fraude, is de netbeheerder gemachtigd om onmiddellijk over te gaan tot de afsluiting van de elektriciteits- of aardgastoevoer, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 3°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

De kosten die de netbeheerder heeft gemaakt om de fraude ongedaan te maken en de kosten voor de onrechtmatig afgenomen elektriciteit of het onrechtmatig afgenomen aardgas, vallen ten laste van de betreffende huishoudelijke afnemer.

Afdeling III. - Leegstaande woning Art. 5.5.4 § 1. Als de netbeheerder na een bezoek van een personeelslid of een aangestelde een vermoeden heeft van leegstand van een aangesloten wooneenheid of residentieel gebouw, zoekt de distributienetbeheerder de identiteit van de eigenaar van de aangesloten wooneenheid of het residentiële gebouw op via het kadaster.

De netbeheerder verstuurt een brief naar de eigenaar van de aangesloten wooneenheid of het residentiële gebouw met het verzoek om binnen vijftien kalenderdagen contact op te nemen met de netbeheerder om kenbaar te maken of de aangesloten wooneenheid of het residentiële gebouw al dan niet bewoond is.

Als de eigenaar van de aangesloten wooneenheid of het residentiële gebouw reageert en bevestigt dat de wooneenheid of het residentiële gebouw leegstaat, wordt de eigenaar verzocht om binnen dertig kalenderdagen een leveringscontract te sluiten, dat met onmiddellijke ingang start, of de elektriciteits- of aardgastoevoer te laten afsluiten door middel van verzegeling.

Als de eigenaar van de aangesloten wooneenheid of het residentiële gebouw niet reageert, stuurt de distributienetbeheerder opnieuw een personeelslid of een aangestelde ter plaatste om nogmaals te verifiëren of er al dan niet een vermoeden is van bewoning.

De minister kan nadere regels vastleggen om te bepalen of er al dan niet een vermoeden van bewoning is en voor de vorm en de inhoud van de brief, vermeld in het tweede lid. § 2. Tenzij de eigenaar de elektriciteits- of aardgastoevoer heeft laten afsluiten door middel van verzegeling, mag de netbeheerder in de volgende gevallen overgaan tot de afsluiting van de elektriciteits- of aardgastoevoer, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 2°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 : 1° als de eigenaar bevestigt dat een aangesloten wooneenheid of residentieel gebouw leegstaat, en als hij binnen dertig kalenderdagen geen leveringscontract heeft gesloten dat met onmiddellijke ingang start;2° als de eigenaar niet gereageerd heeft op de brief, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, en als de controle, vermeld in paragraaf 1, vierde lid, heeft plaatsgevonden en het vermoeden van leegstand heeft bevestigd. Afdeling IV. - Afsluiten van de elektriciteits- en aardgastoevoer als het leveringscontract van de huishoudelijke afnemer werd opgezegd om een andere reden dan wanbetaling Art. 5.5.5 § 1. Als het leveringscontract van een huishoudelijke afnemer werd opgezegd om een andere reden dan wanbetaling, dient de betreffende huishoudelijke afnemer een contract met een leverancier te sluiten binnen een periode van negentig kalenderdagen, te rekenen vanaf het moment dat de betreffende afnemer door de netbeheerder wordt beleverd. De netbeheerder brengt de betreffende huishoudelijke afnemer daarvan schriftelijk op de hoogte binnen dertig kalenderdagen na het einde van de opzeggingstermijn van het vorige leveringscontract. § 2. Als de huishoudelijke afnemer geen nieuw leveringscontract sluit dat uiterlijk ingaat op het einde van de periode, vermeld in paragraaf 1, mag de netbeheerder een verzoek tot afsluiting indienen bij de lokale adviescommissie.

Afdeling V. - Afsluiten in de winterperiode Art. 5.5.6 Bij de huishoudelijke afnemer kan in de gevallen, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 5°, 6°, 7°en 8°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, de toevoer van elektriciteit of aardgas niet worden afgesloten tijdens de periode van 1 december tot 1 maart. De minister kan die periode afhankelijk van de weersomstandigheden verlengen.

Afdeling VI. - Heraansluiten van de elektriciteits- en aardgastoevoer Art. 5.5.7 § 1. De netbeheerder sluit de toevoer van elektriciteit of aardgas van een huishoudelijke afnemer opnieuw aan als aan minstens een van de volgende voorwaarden voldaan is : 1° na het beëindigen van een situatie, als vermeld in 6.1.2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009; 2° na een beslissing tot heraansluiting van de lokale adviescommissie, overeenkomstig de procedure, vermeld in hoofdstuk III, afdeling III, van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 1997 betreffende de samenstelling en de werking van de lokale adviescommissie omtrent de minimale levering van elektriciteit, gas en water; 3° op verzoek van de huishoudelijke afnemer op voorwaarde dat de huishoudelijke afnemer over een geldig leveringscontract beschikt voor de levering van elektriciteit en gas, met uitzondering van de afsluitingen om de redenen, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 1° en 3°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, en op voorwaarde dat de huishoudelijke afnemer geen schulden meer heeft bij de netbeheerder.

In de gevallen, vermeld in 1° en 2°, levert de netbeheerder elektriciteit of aardgas als de betreffende huishoudelijke afnemer niet over een geldig leveringscontract voor elektriciteit of aardgas beschikt. § 2. De heraansluiting van de elektriciteits- of de aardgastoevoer vindt plaats binnen de vijf werkdagen na de aanvraag van de huishoudelijke afnemer in de gevallen vermeld in paragraaf 1, 1° en 3°, en binnen vijf werkdagen na de beslissing van de lokale adviescommissie in het geval, vermeld in paragraaf 1, 2°. § 3. De kosten van de heraansluiting vallen altijd ten laste van de huishoudelijke afnemer die aan de oorzaak ligt van de afsluiting.

Afdeling VII. - Uitwisseling van gegevens Art. 5.5.8 De netbeheerders bezorgen aan de lokale adviescommissie telkens de gegevens van de huishoudelijke afnemers die werden afgesloten of heraangesloten.

HOOFDSTUK VI. - Overige sociale openbaredienstverplichtingen Art. 5.6.1 Elke leverancier is ertoe gehouden : 1° aan alle huishoudelijke elektriciteitsafnemers een jaarlijkse totale afrekeningsfactuur voor de verkoop en het vervoer van elektriciteit te bezorgen, op voorwaarde dat de leverancier over de nodige meetgegevens beschikt;2° aan alle huishoudelijke aardgasafnemers een jaarlijkse totale afrekeningsfactuur voor de verkoop en het vervoer van aardgas te bezorgen, op voorwaarde dat de leverancier over de nodige meetgegevens beschikt;3° begrijpbare facturen, herinneringsbrieven en ingebrekestellingen te sturen;4° verschillende betalingsmogelijkheden aan de huishoudelijke afnemer aan te bieden, waaronder in ieder geval betalingen per maand of per kwartaal, en waaronder betalingen via overschrijving en domiciliëring;5° kosteloos de factuur zowel naar een derde partij, aangewezen door de huishoudelijke afnemer, als naar de afnemer zelf te sturen;6° aan alle huishoudelijke afnemers de mogelijkheid te bieden om telefonisch of via een ander communicatiemiddel uitleg te vragen over de factuur;7° aan alle huishoudelijke afnemers de mogelijkheid te geven om inlichtingen te vragen en klachten in te dienen over de levering en facturatie van elektriciteit of aardgas;8° een leveringscontract te bezorgen, behalve als het leveringen van de standaardleverancier betreft, waarin minstens de volgende gegevens zijn opgenomen : a) de identiteit en het adres van de leverancier en de distributienetbeheerder;b) de geleverde diensten en de bijbehorende prijs;c) de duur van het contract;d) de voorwaarden voor verlenging en beëindiging van het contract;e) het bestaan van het recht op opzegging;f) de methode voor het indienen van een klacht bij de leverancier;g) de methode voor het inleiden van procedures voor de beslechting van geschillen met de leverancier. Art. 5.6.2 Elke distributienetbeheerder is ertoe gehouden : 1° speciale voorzieningen te treffen voor de ondubbelzinnige identificatie van personen die handelen in naam van de distributienetbeheerder en die zich bij de huishoudelijke afnemer aanbieden;2° de meteropname minstens tweejaarlijks ter plaatse te laten uitvoeren door een personeelslid of aangestelde van de distributienetbeheerder, of via afstandsmeting;3° op verzoek de meter zonder meerkosten te plaatsen op of te verplaatsen naar een goed toegankelijke, veilige en technisch en economisch verantwoorde plaats. De huishoudelijke afnemer of de eigenaar is verplicht om het personeelslid van de distributienetbeheerder of zijn aangestelde voor de meteropname, vermeld in het eerste lid, toegang te geven tot de ruimte waarin de meter, waarover de distributienetbeheerder het gebruiks- of eigendomsrecht heeft, is opgesteld, op voorwaarde dat het personeelslid of zijn aangestelde zich voldoende kan legitimeren.

Art. 5.6.3 Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder is ertoe gehouden om in elke wooneenheid die door een door de Vlaamse Regering erkende lokale sociale huisvestingsmaatschappij wordt gebouwd en die nieuw aangesloten wordt op het distributienet, een budgetmeter voor elektriciteit te plaatsen in plaats van een standaardelektriciteitsmeter. De meerkosten van de budgetmeter voor elektriciteit ten opzichte van een standaardelektriciteitsmeter vallen ten laste van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. 5.6.4 Elke aardgasdistributienetbeheerder is ertoe gehouden om in elke wooneenheid die door een door de Vlaamse Regering erkende lokale sociale huisvestingsmaatschappij wordt gebouwd en die nieuw aangesloten wordt op het aardgasdistributienet, een budgetmeter voor aardgas te plaatsen in plaats van een standaardaardgasmeter.

De meerkosten van de budgetmeter voor aardgas ten opzichte van een standaardaardgasmeter vallen ten laste van de aardgasdistributienetbeheerder.

HOOFDSTUK VII. - Sociale statistieken Art. 5.7.1 Jaarlijks worden voor 31 maart minstens de volgende gegevens over het vorige kalenderjaar ter beschikking gesteld aan de VREG : 1° door de leverancier, telkens opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers : a) het aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers dat de sociale maximumprijs voor elektriciteit geniet op 31 december van het voorbije kalenderjaar;b) het aantal huishoudelijke aardgasafnemers dat de sociale maximumprijs voor aardgas geniet op 31 december van het voorbije kalenderjaar;c) het aantal huishoudelijke afnemers naar wie minstens één ingebrekestelling werd gestuurd;d) het aantal toegestane afbetalingsplannen en het gemiddelde betalingsbedrag per maand;e) het aantal afbetalingsplannen dat minstens één keer niet of te laat betaald werd;f) de gemiddelde uitstaande schuld op het moment dat het afbetalingsplan werd gesloten;g) het aantal dossiers dat werd doorgestuurd naar een OCMW;h) het aantal dossiers dat werd doorgestuurd naar een erkende instelling voor schuldbemiddeling;i) het aantal huishoudelijke afnemers waarvan het leveringscontract werd opgezegd;j) het aantal huishoudelijke afnemers waarvan het leveringscontract werd opgezegd in het kader van wanbetaling;k) het aantal annuleringen van opgezegde leveringscontracten; 2° door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, telkens opgesplitst per gemeente en in beschermde en niet-beschermde afnemers : a) het aantal afsluitingen van de elektriciteitstoevoer tijdens het voorbije kalenderjaar naar aanleiding van een advies van de lokale adviescommissie, opgesplitst volgens de reden van de afsluiting, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 5°, 6°, 7° en 8°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009; b) het aantal afsluitingen van de elektriciteitstoevoer tijdens het voorbije kalenderjaar zonder een advies van de lokale adviescommissie, opgesplitst volgens de reden van de afsluiting, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 1°, 2°, 3° en 4°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009; c) het aantal heraansluitingen van de elektriciteitstoevoer van afgesloten huishoudelijke elektriciteitsafnemers op hetzelfde toegangspunt tijdens het voorbije kalenderjaar naar aanleiding van een advies van de lokale adviescommissie en opgesplitst volgens de termijn waarin de heraansluiting werd uitgevoerd : 1) in minder dan zeven kalenderdagen;2) in zeven tot en met dertig kalenderdagen;3) in meer dan dertig kalenderdagen;d) het aantal heraansluitingen van de elektriciteitstoevoer van afgesloten huishoudelijke elektriciteitsafnemers op hetzelfde toegangspunt tijdens het voorbije kalenderjaar, zonder een advies van de lokale adviescommissie en opgesplitst volgens de termijn waarin de heraansluiting werd uitgevoerd : 1) in minder dan zeven kalenderdagen;2) in zeven tot en met dertig kalenderdagen;3) in meer dan dertig kalenderdagen;e) het totale aantal afgesloten huishoudelijke elektriciteitsafnemers op 31 december van het voorbije kalenderjaar;f) het aantal geplaatste budgetmeters voor elektriciteit tijdens het voorbije kalenderjaar;g) het aantal budgetmeters voor elektriciteit dat tijdens het voorbije kalenderjaar werd uitgeschakeld, opgesplitst volgens de reden van uitschakeling : 1) verhuizing;2) het sluiten van een leveringscontract met een leverancier;h) het aantal uitgeschakelde budgetmeters voor elektriciteit dat tijdens het voorbije kalenderjaar opnieuw werd ingeschakeld;i) het aantal actieve budgetmeters voor elektriciteit waarvan de stroombegrenzerfunctie werd uitgeschakeld tijdens het voorbije kalenderjaar naar aanleiding van een beslissing van de lokale adviescommissie;j) het aantal actieve budgetmeters voor elektriciteit waarvan de stroombegrenzerfunctie opnieuw werd ingeschakeld tijdens het voorbije kalenderjaar, zonder een beslissing van de lokale adviescommissie;k) het totale aantal actieve budgetmeters voor elektriciteit waarvan de stroombegrenzerfunctie was ingeschakeld op 31 december van het voorbije kalenderjaar;l) het totale aantal actieve budgetmeters voor elektriciteit waarvan de stroombegrenzerfunctie was uitgeschakeld op 31 december van het voorbije kalenderjaar;3° door de elektriciteitsdistributienetbeheerder : a) het totale aantal geplaatste budgetmeters voor elektriciteit op 31 december van het voorbije kalenderjaar per gemeente;b) het aantal oplaadmogelijkheden voor de budgetmeters voor elektriciteit per gemeente;c) het aantal geplaatste autonome stroombegrenzers tijdens het voorbije kalenderjaar, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;d) het aantal uitgeschakelde autonome stroombegrenzers tijdens het voorbije kalenderjaar, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;e) het totale aantal autonome stroombegrenzers op 31 december van het voorbije kalenderjaar;f) het totale aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers dat in de loop van het voorbije kalenderjaar door de elektriciteitsdistributienetbeheerder uitsluitend werd beleverd via de elektriciteitsmeter, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;g) het totale aantal huishoudelijke afnemers dat op 31 december van het voorbije kalenderjaar door de elektriciteitsdistributienetbeheerder werd beleverd via de elektriciteitsmeter, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;h) het totale aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers dat in de loop van het voorbije kalenderjaar opnieuw door een leverancier werd beleverd, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst op basis van de termijn waarin ze door de elektriciteitsdistributienetbeheerder werden beleverd : 1) minder dan twee maanden;2) van twee tot en met zes maanden;3) langer dan zes maanden;i) het aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers dat beleverd werd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder op 31 december van het voorbije kalenderjaar en dat recht heeft op de sociale maximumprijs voor elektriciteit;j) het totale aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers dat beleverd werd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder op 31 december van het voorbije kalenderjaar, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;k) het aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers waarvan het leveringscontract werd opgezegd door de leverancier, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;l) het aantal annuleringen van opgezegde leveringscontracten, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;m) het aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers dat voor het einde van de opzeggingstermijn van het leveringscontract een nieuw leveringscontract heeft gesloten, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;n) het aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers naar wie minstens één ingebrekestelling werd gestuurd, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;o) het aantal toegestane afbetalingsplannen en het gemiddelde betalingsbedrag per maand, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;p) het aantal afbetalingsplannen dat minstens één keer niet of te laat betaald werd, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;q) de gemiddelde uitstaande schuld op het moment dat het afbetalingsplan werd gesloten, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers; r) het aantal dossiers dat werd doorgestuurd naar de lokale adviescommissie, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst volgens de reden waarom het dossier werd doorgestuurd, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 5°, 6°, 7° en 8°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009; s) het aantal dossiers dat behandeld werd op de lokale adviescommissie, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst naar de reden van de behandeling, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 5°, 6°, 7° en 8°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009; t) het aantal huishoudelijke elektriciteitsafnemers waarvoor een dossier tot afsluiting werd behandeld op de lokale adviescommissie en dat aanwezig of vertegenwoordigd was;u) het aantal beslissingen van de lokale adviescommissie, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst per soort beslissing : 1) positief advies;2) negatief advies;3) voorwaardelijk advies;v) het aantal zittingen van de lokale adviescommissie en het aantal behandelde dossiers gedurende het voorbije kalenderjaar, opgesplitst per gemeente; 4° door de aardgasdistributienetbeheerder, opgesplitst per gemeente en telkens in beschermde en niet-beschermde afnemers : a) het aantal afsluitingen van de aardgastoevoer tijdens het voorbije kalenderjaar naar aanleiding van een advies van de lokale adviescommissie, opgesplitst volgens de reden van afsluiting, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 5°, 6°, 7° en 8°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009; b) het aantal afsluitingen van de aardgastoevoer tijdens het voorbije kalenderjaar zonder een advies van de lokale adviescommissie, opgesplitst volgens de reden van afsluiting, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 5°, 6°, 7° en 8°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009; c) het aantal heraansluitingen van de aardgastoevoer van afgesloten huishoudelijke aardgasafnemers op hetzelfde toegangspunt tijdens het voorbije kalenderjaar naar aanleiding van een advies van de lokale adviescommissie, opgesplitst volgens de termijn waarbinnen de heraansluiting werd uitgevoerd : 1) in minder dan zeven kalenderdagen;2) in zeven tot en met dertig kalenderdagen;3) in meer dan dertig kalenderdagen;d) het aantal heraansluitingen van de aardgastoevoer van afgesloten huishoudelijke aardgasafnemers op hetzelfde toegangspunt tijdens het voorbije kalenderjaar, zonder een advies van de lokale adviescommissie, opgesplitst volgens de termijn waarbinnen de heraansluiting werd uitgevoerd : 1) in minder dan zeven kalenderdagen;2) in zeven tot en met dertig kalenderdagen;3) in meer dan dertig kalenderdagen;e) het totale aantal afgesloten huishoudelijke aardgasafnemers op 31 december van het voorbije kalenderjaar;f) het aantal geplaatste budgetmeters voor aardgas tijdens het voorbije kalenderjaar;g) het aantal budgetmeters voor aardgas dat tijdens het voorbije kalenderjaar werd uitgeschakeld, opgesplitst volgens de reden van uitschakeling : 1) verhuis;2) het sluiten van een leveringscontract met een leverancier;h) het aantal uitgeschakelde budgetmeters voor aardgas dat tijdens het voorbije kalenderjaar opnieuw werd ingeschakeld;i) het totale aantal actieve budgetmeters voor aardgas op 31 december van het voorbije kalenderjaar; j) het aantal huishoudelijke afnemers waarvoor het OCMW een aanvraag tot recuperatie in het kader van artikel 5.4.5 van dit besluit heeft ingediend bij de netbeheerder, opgesplitst naar de categorieën zoals bepaald in de indicatieve tabel op basis van de parameters; k) het gemiddelde bedrag dat aan deze klanten toegekend werd in het kader van artikel 5.4.5 van dit besluit; l) het gemiddelde bedrag dat door de netbeheerders werd terugbetaald in het kader van artikel 5.4.9 van dit besluit; 5° door de aardgasdistributienetbeheerder : a) het totale aantal geplaatste budgetmeters voor aardgas op 31 december van het voorbije kalenderjaar per gemeente;b) het aantal oplaadmogelijkheden voor de budgetmeters voor aardgas per gemeente;c) het totale aantal huishoudelijke aardgasafnemers dat in de loop van het voorbije kalenderjaar door de aardgasdistributienetbeheerder uitsluitend werd beleverd via de aardgasmeter, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;d) het totale aantal huishoudelijke aardgasafnemers dat op 31 december van het voorbije kalenderjaar door de aardgasdistributienetbeheerder werd beleverd via de aardgasmeter, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;e) het totale aantal huishoudelijke aardgasafnemers dat in de loop van het voorbije kalenderjaar opnieuw door een leverancier werd beleverd, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst volgens de termijn waarin ze door de aardgasdistributienetbeheerder werden beleverd : 1) minder dan twee maanden;2) van twee tot en met zes maanden;3) langer dan zes maanden;f) het aantal huishoudelijke aardgasafnemers dat beleverd werd door de aardgasdistributienetbeheerder op 31 december van het vorige kalenderjaar en dat recht heeft op de sociale maximumprijs voor aardgas;g) het totale aantal huishoudelijke aardgasafnemers dat beleverd werd door de aardgasdistributienetbeheerder op 31 december van het vorige kalenderjaar, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;h) het aantal huishoudelijke aardgasafnemers waarvan het leveringscontract werd opgezegd door de leverancier, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;i) het aantal annuleringen van opgezegde leveringscontracten, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;j) het aantal huishoudelijke aardgasafnemers dat voor het einde van de opzeggingstermijn van het leveringscontract een nieuw leveringscontract heeft gesloten, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;k) het aantal huishoudelijke aardgasafnemers naar wie minstens één ingebrekestelling werd gestuurd, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;l) het aantal toegestane afbetalingsplannen en het gemiddelde betalingsbedrag per maand, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers;m) het aantal afbetalingsplannen dat minstens één keer niet of te laat werd betaald;n) de gemiddelde uitstaande schuld op het moment dat het afbetalingsplan werd gesloten, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers; o) het aantal dossiers dat werd doorgestuurd naar de lokale adviescommissie, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst volgens de reden waarom het dossier werd doorgestuurd, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 5°, 6°, 7° en 8° van het Energiedecreet van 8 mei 2009; p) het aantal dossiers dat behandeld werd op de lokale adviescommissie, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst volgens de reden van de behandeling, vermeld in artikel 6.1.2, § 1, 5°, 6°, 7° en 8° van het Energiedecreet van 8 mei 2009; q) het aantal huishoudelijke aardgasafnemers waarvoor een dossier tot afsluiting werd behandeld op de lokale adviescommissie, en dat aanwezig of vertegenwoordigd was;r) het aantal beslissingen van de lokale adviescommissie, opgesplitst in beschermde en niet-beschermde afnemers en telkens opgesplitst per soort beslissing : 1) positief advies;2) negatief advies;3) voorwaardelijk advies;s) het aantal zittingen van de lokale adviescommissie en het aantal behandelde dossiers gedurende het voorbije kalenderjaar, opgesplitst per gemeente. De VREG stelt die gegevens jaarlijks voor 31 mei ter beschikking van de minister.

De minister kan de lijst met opgevraagde gegevens verder aanvullen en uitbreiden.

TITEL VI. - Milieuvriendelijke energieproductie en rationeel energiegebruik HOOFDSTUK I. - Groenestroomcertificaten Afdeling I. - Definities Art. 6.1.1 De begrippen en definities, vermeld in de onderstaande decreten, besluiten en reglementen, zijn van toepassing voor dit hoofdstuk : 1° het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen;2° het Mestdecreet van 22 december 2006;3° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (Vlarea);4° de technische reglementen. Afdeling II. - De aanvraag en toekenning van groenestroomcertificaten Onderafdeling I. - De aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten Art. 6.1.2 § 1. Een aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten wordt ingediend door een aanvraagdossier op te sturen naar de VREG. Het aanvraagdossier bestaat uit een correct en volledig ingevuld aanvraagformulier, waarvan het model wordt bepaald door de VREG, en de in het aanvraagformulier aangeduide documenten ter staving van de aanvraag. Als de elektriciteit wordt opgewekt uit afvalstoffen, wordt in het aanvraagdossier ook een correct en volledig ingevuld inlichtingenformulier, waarvan het model wordt bepaald door de OVAM, betreffende de verwerking van de afvalstoffen opgenomen. De VREG kan verschillende modellen van aanvraagformulieren bepalen naargelang de energiebron.

Als aanvraagdossier niet volledig is, brengt de VREG binnen twee maanden na de ontvangst van de aanvraag de aanvrager daarvan schriftelijk op de hoogte. In die brief worden de redenen vermeld waarom de aanvraag niet volledig werd bevonden en de termijn waarin de aanvrager, op straffe van verval van de aanvraag, het aanvraagdossier kan vervolledigen. Die termijn kan op eenvoudig verzoek van de aanvrager verlengd worden tot maximaal drie jaar. Als het aanvraagdossier betrekking heeft op een installatie die nog niet in werking is, geeft de VREG in die brief op basis van de meegedeelde gegevens een verduidelijking over de uit te voeren metingen en de bepaling van het aantal toe te kennen groenestroomcertificaten. § 2. De VREG beslist binnen een maand na de ontvangst van het volledige aanvraagdossier of de elektriciteit, opgewekt door de betrokken productie-installatie, voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van groenestroomcertificaten, vermeld in artikel 7.1.1. van het Energiedecreet van 8 mei 2009, artikel 6.1.3 en 6.1.4 van dit besluit, en op welke wijze de hoeveelheid toe te kennen groenestroomcertificaten zal worden berekend, overeenkomstig artikel 6.1.8 tot en met 6.1.13 van dit besluit, met inbegrip van de metingen die daarvoor nodig zijn. § 3. Binnen vijf werkdagen nadat de VREG de beslissing, vermeld in paragraaf 2, heeft genomen, wordt de aanvrager daarvan op de hoogte gebracht. Als de elektriciteit opgewekt wordt uit afvalstoffen, wordt de beslissing ook overgemaakt aan de OVAM. Onderafdeling II. - De voorwaarden voor toekenning van groenestroomcertificaten Art. 6.1.3 Groenestroomcertificaten worden toegekend voor de elektriciteit, opgewekt in installaties die uitsluitend gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen, alsook voor de elektriciteit die is opgewekt met hernieuwbare energiebronnen in hybride installaties die ook met conventionele energiebronnen werken, met inbegrip van hernieuwbare elektriciteit voor accumulatiesystemen en met uitzondering van elektriciteit die afkomstig is van dergelijke systemen.

Productie-installaties voor zonne-energie die na 1 januari 2010 in dienst worden genomen en die geïnstalleerd worden op residentiële gebouwen waarvan het dak of de zoldervloer binnen het beschermd volume van het gebouw volledig geïsoleerd is, komen in aanmerking voor de toekenning van groenestroomcertificaten die kunnen worden gebruikt voor de certificatenverplichting, vermeld in artikel 7.1.10 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, voor zover de totale isolatie van het dak en de zoldervloer een warmteweerstand Rd heeft van ten minste 3 m2K/W. De minister kan nadere regels bepalen voor de toepassing van deze verplichting en voor de bepaling van het beschermde volume dat betrekking heeft op de residentiële gebouwen om toch in aanmerking te komen.

Art. 6.1.4 § 1. Voor installaties die per jaar meer dan 100 000 kWh elektriciteit opwekken uit een hernieuwbare energiebron, kunnen alleen groenestroomcertificaten toegekend worden als bij de aanvraag tot toekenning van certificaten een keuringsverslag van de productie-installatie aan de VREG wordt voorgelegd. Dat keuringsverslag opgesteld is door een erkend orgaan voor het gelijkvormigheidsonderzoek of de controle van de elektrische installaties, vermeld in artikel 275 van het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties.

Het keuringsverslag bevestigt dat de elektriciteit, geproduceerd door de productie-installatie in kwestie, opgewekt wordt uit een hernieuwbare energiebron. Het bevestigt ook dat de meting van de geproduceerde elektriciteit voldoet aan de nationale en internationale normen en voorschriften, en dat voor alle andere metingen die noodzakelijk zijn voor de berekening van het aantal toe te kennen groenestroomcertificaten, een ijkcertificaat kan worden voorgelegd, uitgereikt door een bevoegde instantie.

Installaties die per jaar meer dan 1 000 000 kWh elektriciteit opwekken uit een hernieuwbare energiebron, kunnen alleen groenestroomcertificaten blijven krijgen na de voorlegging van een nieuw keuringsverslag om de twee jaar.

De VREG kan op elk moment controleren of de vaststellingen, die opgenomen zijn in een keuringsverslag, overeenkomen met de werkelijkheid. § 2. De VREG kan een productie-installatie die elektriciteit opwekt uit een hernieuwbare energiebron, op elk moment controleren om na te gaan of de elektriciteit wel opgewekt wordt uit een hernieuwbare energiebron en of de meting van de geproduceerde elektriciteit en andere metingen die noodzakelijk zijn om de productie uit hernieuwbare energiebronnen te bepalen, overeenstemmen met de werkelijkheid.

Art. 6.1.5 De certificaatgerechtigde meldt aan de VREG onmiddellijk : 1° alle wijzigingen die ervoor kunnen zorgen dat niet langer voldaan wordt aan de voorwaarden voor de toekenning van groenestroomcertificaten, vermeld in de artikelen 6.1.3 en 6.1.4; 2° alle wijzigingen die een invloed kunnen hebben op het aantal toe te kennen groenestroomcertificaten, vermeld in artikel 6.1.8 tot en met 6.1.13; 3° iedere wijziging met betrekking tot de natuurlijke of rechtspersoon waaraan de groenestroomcertificaten toegekend moeten worden, zoals vermeld in artikel 7.1.1.van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

Bij wijzigingen als vermeld in het eerste lid, 1°, kan de VREG haar beslissing als vermeld in artikel 6.1.2, § 2, herroepen. Vanaf de herroeping van haar beslissing worden geen groenestroomcertificaten meer toegekend voor de elektriciteit, opgewekt in de productie-installatie in kwestie.

Bij wijzigingen als vermeld in het eerste lid, 2°, kan de VREG haar beslissing, vermeld in artikel 6.1.2, § 2, wijzigen.

De certificaatgerechtigde voor een productie-installatie die per jaar meer dan 100 000 kWh elektriciteit opwekt uit een hernieuwbare energiebron als vermeld in artikel 6.1.3, legt een nieuw keuringsverslag voor als vermeld in artikel 6.1.4, bij de melding van een wijziging als vermeld in het eerste lid, 2° .

Art. 6.1.6 Met behoud van de toepassing van artikel 6.1.4, § 2, wordt de netbeheerder gemachtigd om op verzoek van de VREG via een controle ter plaatse van de productie-installatie en de meterstanden na te gaan of aan de voorwaarden tot toekenning van groenestroomcertificaten, vermeld in artikel 6.1.3 tot en met 6.1.5, is voldaan.

Als de netbeheerder de toegang tot de installatie wordt geweigerd of indien de netbeheerder vaststelt dat niet aan de voorwaarden is voldaan, meldt deze dit onmiddellijk aan de VREG. De netbeheerder schorst vervolgens de uitbetaling van de minimumsteun voor de groenestroomcertificaten uitgegeven voor elektriciteit opgewekt in de betrokken installatie totdat de VREG deze vrijgeeft.

Als niet voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.1.3 tot en met 6.1.5, trekt de VREG de nog niet verhandelde en de in het kader van de certificatenverplichting of minimumsteun nog niet gebruikte groenestroomcertificaten in kwestie in. Als de VREG vaststelt dat een aantal van de onterecht toegekende groenestroomcertificaten toch al werden verhandeld of werden gebruikt voor de minimumsteun of voor de certificatenverplichting, compenseert de VREG voor de productie-installatie in kwestie evenredig het aantal groenestroomcertificaten dat nog toegekend zal worden conform artikel 6.1.3, met het aantal gebruikte groenestroomcertificaten dat niet voldoet aan de voorwaarden, vermeld in 6.1.3 tot 6.1.5.

Onderafdeling III. - De maandelijkse toekenning van groenestroomcertificaten Art. 6.1.7 De groenestroomcertificaten worden maandelijks toegekend voor de elektriciteit, geproduceerd in een productie-installatie waarvoor een aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten werd goedgekeurd.

De groenestroomcertificaten worden maandelijks toegekend per schijf van 1 000 kWh opgewekte elektriciteit. Het resterende aantal kWh wordt overgedragen naar de volgende maand.

De eerste groenestroomcertificaten worden toegekend op basis van de elektriciteit die is geproduceerd vanaf de datum van het volledige keuringsverslag, vermeld in artikel 6.1.4. Aan installaties die minder dan 100 000 kWh per jaar produceren, worden groenestroomcertificaten toegekend voor de elektriciteit die werd geproduceerd vanaf de datum van het verslag van het gelijkvormigheidsonderzoek of de controle van de technische installaties, vermeld in het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties, op voorwaarde dat de VREG de aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten aan deze installaties ontvangt binnen een jaar na de datum van het verslag. Als de VREG de aanvraag niet binnen die termijn ontvangt, worden de groenestroomcertificaten toegekend voor de elektriciteit die werd geproduceerd vanaf de datum van de aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten.

Art. 6.1.8 Het aantal toe te kennen certificaten wordt berekend op basis van de gegevens, vermeld in artikel 6.1.9 tot en met 6.1.13, die aan de VREG worden meegedeeld.

Art. 6.1.9 § 1. Voor installaties die per jaar meer dan 10 000 kWh elektriciteit opwekken uit een hernieuwbare energiebron, meet de netbeheerder of transmissienetbeheerder van het net waarop de productie-installatie is aangesloten, maandelijks per site de opgewekte elektriciteit.

De netbeheerder of transmissienetbeheerder brengt de VREG maandelijks op de hoogte van die meetgegevens.

De VREG kan, op eigen initiatief of op verzoek van de certificaatgerechtigde, beslissen om de meting, vermeld in het eerste lid, over te laten aan de certificaatgerechtigde. In dat geval brengt de certificaatgerechtigde de VREG maandelijks op de hoogte van de meetgegevens met betrekking tot de opgewekte elektriciteit.

De VREG kan beslissen om de meting van de opgewekte elektriciteit aan te vullen met of te vervangen door andere metingen om de nettohoeveelheid geproduceerde elektriciteit te bepalen. § 2. Voor installaties die per jaar minder dan 10 000 kWh elektriciteit opwekken uit een hernieuwbare energiebron, meet de certificaatgerechtigde de in de productie-installatie opgewekte elektriciteit.

De certificaatgerechtigde brengt de VREG op de hoogte van de meetgegevens met betrekking tot de opgewekte elektriciteit telkens als de productie-installatie 1 000 kWh heeft opgewekt uit een hernieuwbare energiebron § 3. In afwijking van paragraaf 2 kan de VREG, voor installaties die per jaar minder dan 10 000 kWh elektriciteit opwekken uit een hernieuwbare energiebron, beslissen dat de geproduceerde elektriciteit niet hoeft te worden gemeten. In die gevallen wordt de opgewekte hoeveelheid elektriciteit geschat door de VREG. § 4. De VREG kan nadere regels vastleggen voor de manier waarop de metingen, vermeld in paragrafen 1 en 2, worden uitgevoerd en meegedeeld worden aan de VREG. Art. 6.1.10 Voor productie-installaties die elektriciteit opwekken uit afvalstoffen, die al dan niet samen met andere energiebronnen worden verwerkt, bepaalt de OVAM de hoeveelheid energie die in aanmerking komt voor het verkrijgen van groenestroomcertificaten. Daarbij wordt de elektriciteitsproductie uit het organisch-biologische deel van restafval met ingang van 1 juli 2009 gelijkgesteld met 47,78 % van de totale elektriciteitsproductie uit restafval. Om de drie jaar en met ingang van 2012 evalueert de Vlaamse Regering het betreffende aandeel.

De VREG stuurt voor die productie-installaties een kopie van het aanvraagdossier, vermeld in artikel 6.1.2, of een kopie van de wijzigingen, vermeld in artikel 6.1.5, naar de OVAM. De OVAM deelt haar beslissing mee aan de VREG binnen een maand na de ontvangst van een kopie van het aanvraagdossier of de wijzigingen. De VREG kan alleen na akkoord van de OVAM afwijken van de beslissing.

Art. 6.1.11 Voor hybride productie-installaties die elektriciteit opwekken uit hernieuwbare energiebronnen en conventionele energiebronnen, kent de VREG groenestroomcertificaten toe voor de opgewekte elektriciteit, verminderd met de hoeveelheid elektriciteit die opgewekt wordt uit conventionele energiebronnen.

Art. 6.1.12 Voor productie-installaties die in het Vlaamse Gewest elektriciteit opwekken uit biomassa die ingevoerd wordt in België, kent de VREG groenestroomcertificaten toe voor de opgewekte hoeveelheid elektriciteit, verminderd met het elektriciteitsverbruik of het equivalente elektriciteitsverbruik voor het transport van de ingevoerde biomassa tot aan de grens van het Vlaamse Gewest.

Als voor het transport, vermeld in het eerste lid, andere energiebronnen dan elektriciteit gebruikt worden, wordt het equivalente elektriciteitsverbruik berekend door de VREG als de elektriciteit die in een referentie-installatie met dezelfde hoeveelheid energie opgewekt kan worden.

De VREG brengt de equivalente elektriciteitsafname voor niet-elektrisch transport niet in mindering van de geproduceerde elektriciteit, voor zover de certificaatgerechtigde aantoont dat voor het transport brandstoffen uit hernieuwbare energiebronnen worden gebruikt.

Voor productie-installaties als vermeld in het eerste lid, waarvan bij het transport van de biomassa andere energiebronnen dan elektriciteit gebruikt worden en waarvan de aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten goedgekeurd werd voor 1 juni 2007, zal de VREG de beslissing tot toekenning van groenestroomcertificaten aan de installatie in kwestie zo aanpassen dat vanaf 1 juni 2007 bij de bepaling van het maandelijks aantal toe te kennen groenestroomcertificaten rekening gehouden wordt met de regeling, vermeld in het tweede lid.

Art. 6.1.13 § 1. Groenestroomcertificaten worden toegekend zowel voor de hoeveelheid netto-elektriciteitsproductie die op de site wordt verbruikt, als voor de hoeveelheid netto-elektriciteitsproductie die aan het transmissienet, het distributienet, het plaatselijk vervoernet van elektriciteit of aan directe lijnen geleverd wordt. § 2. Groenestroomcertificaten worden toegekend voor de hoeveelheid netto-elektriciteitsproductie, gemeten vóór de eventuele transformatie naar netspanning.

De hoeveelheid netto-elektriciteitsproductie is de geproduceerde elektriciteit, verminderd met de gemeten elektriciteitsafname of de equivalente elektriciteitsafname van de utiliteitsvoorzieningen die horen bij de productie-installatie of die nodig zijn om de gebruikte hernieuwbare energiebron voor elektriciteitsopwekking geschikt te maken.

Als die utiliteitsvoorzieningen andere energiebronnen dan elektriciteit gebruiken, wordt hun equivalente elektriciteitsafname berekend door de VREG als de elektriciteit die in een referentie-installatie met dezelfde hoeveelheid energie opgewekt kan worden.

Als uit de aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten blijkt dat die elektriciteitsafname of de equivalente elektriciteitsafname klein is in verhouding tot de geproduceerde elektriciteit, kan de VREG beslissen om de netto-elektriciteitsproductie op basis van een raming te berekenen uit de totale elektriciteitsproductie.

De VREG brengt de elektriciteitsafname of de equivalente elektriciteitsafname van de utiliteitsvoorzieningen niet in mindering van de elektriciteit, geproduceerd uit mest, afval of afvalwater, voor zover de certificaatgerechtigde aantoont dat een overeenkomstig energieverbruik ook vereist is bij de toepassing van de best beschikbare techniek voor de verwerking of noodzakelijke behandeling van mest, afval of afvalwater.

De VREG brengt de equivalente elektriciteitsafname van de niet-elektrische utiliteitsvoorzieningen niet in mindering van de geproduceerde elektriciteit voor zover de certificaatgerechtigde aantoont dat de utiliteitsvoorzieningen met brandstoffen uit hernieuwbare energiebronnen worden gevoed.

Voor productie-installaties waarvan de aanvraag tot toekenning van groenestroomcertificaten goedgekeurd werd voor 1 juni 2007, moet de certificaatgerechtigde voor 1 december 2007 aan de VREG in voorkomend geval schriftelijk het bewijs voorleggen dat voor de niet-elektrische utiliteitsvoorzieningen brandstoffen uit hernieuwbare energiebronnen aangewend worden. De VREG zal op basis daarvan de beslissing tot toekenning van groenestroomcertificaten aan de installatie in kwestie zo aanpassen dat vanaf 1 juni 2007 bij de bepaling van het maandelijkse aantal toe te kennen groenestroomcertificaten rekening gehouden wordt met de regeling, vermeld in het tweede lid.

De VREG kan een uniforme aanpak voorstellen per hernieuwbare energiebron om de netto-elektriciteitsproductie te berekenen en om het gebruik van brandstoffen uit hernieuwbare energiebronnen aan te tonen.

Afdeling III. - De registratie van groenestroomcertificaten Art. 6.1.14 § 1. De VREG registreert de gegevens van de toegekende groenestroomcertificaten in een centrale databank. Die registratie waarborgt de echtheid van de groenestroomcertificaten. § 2. Voor elk groenestroomcertificaat worden minstens de volgende gegevens geregistreerd : 1° de gegevens van de eigenaar van het groenestroomcertificaat;2° het registratienummer van het groenestroomcertificaat;3° de gegevens van de productie-installatie, waaronder de productieplaats, het nominale vermogen, de datum van indienstname en de steun die voor de productie-installatie werd ontvangen;4° het productiejaar en de maand van productie;5° de gebruikte hernieuwbare energiebron, waarbij voor biomassa de aard van de biologisch afbreekbare fractie wordt omschreven; 6° de vermelding of het groenestroomcertificaat aanvaardbaar of niet aanvaardbaar is voor het voldoen aan de certificatenverplichting, vermeld in artikel 6.1.16; 7° als het groenestroomcertificaat aanvaardbaar is, de vermelding of het groenestroomcertificaat al of niet werd voorgelegd in het kader van de certificatenverplichting, of dat het niet meer kan worden voorgelegd, zoals in de gevallen, vermeld in artikel 7.1.5. § 1, 1°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009; 8° de vermelding of het groenestroomcertificaat kan worden gebruikt als garantie van oorsprong. § 3. De vermelding die gebruikt wordt in het geval, vermeld in paragraaf 2, 6°, is : 1° "aanvaardbaar" : als het groenestroomcertificaat voldoet aan de voorwaarden van artikel 6.1.16, § 1, en niet is uitgevoerd, zoals vermeld in artikel 6.1.16, § 2; 2° "niet aanvaardbaar" : als het groenestroomcertificaat niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 6.1.16, § 1, en in de gevallen, vermeld in artikel 6.1.16, § 2. § 4. De vermelding die gebruikt wordt in het geval, vermeld in paragraaf 2, 7°, is : 1° "ingeleverd" : als het groenestroomcertificaat al werd voorgelegd om te voldoen aan de certificatenverplichting, overeenkomstig de procedure vermeld in artikel 6.1.15; 2° "nog niet ingeleverd" : als het groenestroomcertificaat nog niet voorgelegd werd om te voldoen aan de certificatenverplichting, overeenkomstig de procedure vermeld in artikel 6.1.15; 3° "niet van toepassing » : als de vermelding « niet aanvaardbaar » is, als vermeld in paragraaf 2, 6°, § 5.De vermelding die gebruikt wordt in het geval, vermeld in paragraaf 2, 8°, is : 1° "nog niet gebruikt" : in de gevallen, vermeld in paragraaf 6 en artikel 6.1.19, § 2; 2° "ter plaatse gebruikt" : in de gevallen, vermeld in paragraaf 7; 3° "gebruikt" : in de gevallen, vermeld in artikel 6.1.17; 4° "uitgevoerd" : in de gevallen, vermeld in artikel 6.1.18; 5° "vervallen" : in de gevallen, vermeld in artikel 6.1.20; 6° "Niet van toepassing" : in de gevallen, vermeld in artikel 6.1.22. § 6. Bij de creatie van een groenestroomcertificaat is de vermelding die gebruikt wordt in het geval, vermeld in paragraaf 2, 8°: "nog niet gebruikt". § 7. In afwijking van paragraaf 6, wordt bij een aantal groenestroomcertificaten dat overeenstemt met de hoeveelheid elektriciteit die op de site van de productie-installatie in kwestie wordt verbruikt of op een directe lijn wordt geïnjecteerd, de vermelding « ter plaatse gebruikt », vermeld in paragraaf 2, 8°, onmiddellijk aangebracht door de VREG op basis van het verschil tussen de geproduceerde elektriciteit en de gegevens die haar bezorgd worden over de hoeveelheid elektriciteit die door de productie-installatie in kwestie wordt opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, en op het distributienet, plaatselijk vervoernet van elektriciteit, of transmissienet wordt geïnjecteerd.

De gegevens over de hoeveelheid elektriciteit die door de productie-installatie in kwestie wordt opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, en op het distributienet, plaatselijk vervoernet van elektriciteit of transmissienet wordt geïnjecteerd, worden gemeten en aan de VREG bezorgd door de distributienetbeheerder of door de transmissienetbeheerder van het net waarop de installatie is aangesloten.

Als het gaat om een productie-installatie, die per jaar meer dan 10 000 kWh elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen opwekt, worden de gegevens, vermeld in het tweede lid, maandelijks bezorgd.

Als het gaat om een productie-installatie die per jaar 10 000 kWh of minder elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen opwekt en als de gegevens op de site via een aparte meter worden opgemeten, worden de gegevens, vermeld in het tweede lid, jaarlijks bezorgd. Als op de site geen aparte meter is geplaatst voor de meteropname van de gegevens, wordt er geacht geen geïnjecteerde nettohoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen te zijn.

De VREG kan nadere regels vastleggen voor de manier waarop de metingen, vermeld in het tweede lid uitgevoerd moeten worden, en voor de manier waarop de gegevens aan de VREG bezorgd moeten worden. § 8. De eigenaar van een groenestroomcertificaat heeft leesrecht in de centrale databank voor de gegevens van de groenestroomcertificaten waarvan hij eigenaar is. § 9. Als de vermelding, vermeld paragraaf 2, 8°, « nog niet gebruikt » is, heeft de eigenaar van een groenestroomcertificaat schrijfrecht om de vermelding te wijzigen in « gebruikt » of « uitgevoerd », met toepassing van respectievelijk artikel 6.1.17 en 6.1.18.

Afdeling IV. - Het gebruik van de groenestroomcertificaten Onderafdeling I Het gebruik van de groenestroomcertificaten in het kader van de certificatenverplichting Art. 6.1.15 De VREG bepaalt de procedure voor de voorlegging van groenestroomcertificaten om te voldoen aan de certificatenverplichting.

Art. 6.1.16 § 1. Voor het voldoen aan de certificatenverplichting aanvaardt de VREG alleen de groenestroomcertificaten die worden toegekend voor elektriciteit, opgewekt door middel van : 1° zonne-energie;2° windenergie;3° waterkracht kleiner dan 10 MW;4° getijdenenergie en golfslagenergie;5° aardwarmte;6° biogas dat voortkomt uit de vergisting van organisch-biologische stoffen : a) in vergistingsinstallaties;b) in stortplaatsen;7° energie opgewekt uit volgende organisch-biologisch stoffen : a) producten, bestaande uit plantaardige materialen of delen daarvan van landbouw of bosbouw, met uitzondering van de houtstromen die niet behoren tot b), c), e) of f) en die gebruikt worden in een installatie waarvoor de stedenbouwkundige aanvraag en de milieuvergunningsaanvraag werden ingediend na 1 juni 2007;b) korteomloophout;c) houtstromen die niet gebruikt worden als industriële grondstof;d) dierlijke mest;e) organisch-biologische afvalstoffen die selectief ingezameld werden en niet in aanmerking komen voor materiaalrecyclage of worden verwerkt conform de bepalingen van het van toepassing zijnde sectorale uitvoeringsplan;f) organisch-biologische afvalstoffen die gesorteerd worden uit restafval en niet in aanmerking komen voor materiaalrecyclage of worden verwerkt conform de bepalingen van het sectorale uitvoeringsplan dat van toepassing is;g) het organisch-biologische deel van restafval, op voorwaarde dat de verwerkingsinstallatie in kwestie door energierecuperatie een primaire energiebesparing realiseert van minstens 35 % van de energie-inhoud van de afvalstoffen, verwerkt in de installatie. Voor de bijstook tot 60 % van biomassa in een kolencentrale met een nominaal elektrisch vermogen van meer dan 50 MW, is slechts een op de twee groenestroomcertificaten die uitgereikt zijn voor de productie vanaf 1 januari 2010, aanvaardbaar voor de certificatenverplichting.

Het respectieve percentage wordt berekend op de afzonderlijke elektriciteitsproductie-eenheden waar producten met de GN-codes 2701, 2702, 2703 of 2704, vermeld in de EG-verordening nr. 2031/2001 van de Europese commissie van 6 augustus 2001 tot wijziging van bijlage I van EEG-verordening nr. 2658/87 van de Raad met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief, als brandstof worden en werden gebruikt. De VREG bepaalt de berekening van het percentage bijstook, rekening houdend met het feit dat de hoeveelheid van de bijstook van biomassa voor een productie-eenheid om bedrijfstechnische redenen kan schommelen. § 2. De groenestroomcertificaten die naar het buitenland werden uitgevoerd, worden niet aanvaard om te voldoen aan de certificatenverplichting. § 3. Groenestroomcertificaten die werden gebruikt als garantie van oorsprong als vermeld in titel VI, hoofdstuk I, Afdeling IV, onderafdeling II, kunnen nog worden gebruikt in het kader voor de certificatenverplichting, vermeld in artikel 7.1.10 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, op voorwaarde dat de vermelding, vermeld in artikel 6.1.14, § 2, 6°, "aanvaardbaar" is, en dat de vermelding, vermeld in artikel 6.1.14, § 2, 7°, "nog niet ingeleverd" is.

Onderafdeling II. - Het gebruik van groenestroomcertificaten als garanties van oorsprong Art. 6.1.17 § 1. Groenestroomcertificaten worden gebruikt als garantie van oorsprong als vermeld in artikel 7.1.5., § 1, 1°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, als ze worden voorgelegd in het kader van de verkoop van elektriciteit aan afnemers als elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen of onder een andere benaming die erop wijst dat de elektriciteit werd opgewekt door middel van hernieuwbare energiebronnen.

Alleen groenestroomcertificaten die nog niet gebruikt werden als garantie van oorsprong, en waarvan bijgevolg de vermelding, vermeld in artikel 6.1.14, § 2, 8°, "nog niet gebruikt" is, kunnen gebruikt worden in de zin van het eerste lid. § 2. Een leverancier wijzigt maandelijks de vermelding, vermeld in 6.1.14, § 2, 8°, van « nog niet gebruikt » in « gebruikt » bij het aantal groenestroomcertificaten dat overeenkomt met de hoeveelheid elektriciteit, opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen die hij in de voorgaande maand heeft verkocht aan afnemers in het Vlaamse Gewest.

Daarbij worden ook de maand en het jaar geregistreerd waarin die overeenstemmende hoeveelheid elektriciteit werd verkocht.

De VREG kan de nadere procedure vastleggen voor de wijze waarop een leverancier bij groenestroomcertificaten waarvan hij eigenaar is, de vermelding « nog niet gebruikt », vermeld in artikel 6.1.14, § 2, 8°, kan wijzigen in « gebruikt ».

Art. 6.1.18 Alleen groenestroomcertificaten waarvan de vermelding, vermeld in artikel 6.1.14, § 2, 8°, « nog niet gebruikt » is, kunnen worden uitgevoerd buiten het Vlaamse Gewest. Als een dergelijk groenestroomcertificaat buiten het Vlaamse Gewest wordt uitgevoerd als garantie van oorsprong, draagt de VREG op verzoek van de eigenaar van het groenestroomcertificaat in kwestie de nodige gegevens van het groenestroomcertificaat over aan de bevoegde instantie in het gewest of het land waarnaar het groenestroomcertificaat werd uitgevoerd. Na de overdracht wordt de vermelding, vermeld in 6.1.14, § 2, 8°, van het groenestroomcertificaat in kwestie, in de databank gewijzigd van « nog niet gebruikt » in « uitgevoerd ».

Art. 6.1.19 § 1. Een garantie van oorsprong die afkomstig is uit een ander gewest of een ander land, kan in het Vlaamse Gewest worden ingevoerd om er te worden aangewend als garantie van oorsprong, op voorwaarde dat de eigenaar ervan aan de VREG aantoont dat voldaan wordt aan de volgende voorwaarden : 1° de garantie van oorsprong vermeldt minstens de volgende gegevens : a) de gebruikte hernieuwbare energiebron;b) de gegevens van de productie-installatie, waaronder de productieplaats en voor waterkrachtcentrales het nominale vermogen van de productie-installatie;c) de datum van de productie van de overeenstemmende hoeveelheid elektriciteit;d) een identificatie van de instantie die de garantie van oorsprong heeft uitgereikt;e) de hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen waarop de garantie van oorsprong betrekking heeft;2° de garantie van oorsprong is uitgereikt voor netto-elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen;3° de garantie van oorsprong is het enige bewijs dat voor de betreffende hoeveelheid elektriciteit werd uitgereikt en dat aantoont dat een producent in een daarin aangegeven jaar een daarin aangegeven hoeveelheid elektriciteit, uitgedrukt in kWh, heeft opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen;4° de hoeveelheid elektriciteit waarop de garantie van oorsprong betrekking heeft, is nog niet verkocht onder de benaming elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen of een gelijkwaardige benaming. § 2. Als de garantie van oorsprong uit een ander gewest of een ander land wordt ingevoerd, worden de gegevens ervan geregistreerd in de centrale databank in de vorm van een groenestroomcertificaat met de volgende vermeldingen : 1° « niet aanvaardbaar » : als vermeld in artikel 6.1.14, § 2, 6°; 2° « niet van toepassing » : als vermeld in artikel 6.1.14, § 2, 7°; 3° « nog niet gebruikt » : als vermeld in artikel 6.1.14, § 2, 8°.

Groenestroomcertificaten uit een ander gewest of een ander land kunnen worden geregistreerd met de vermelding « aanvaardbaar » als de Vlaamse Regering beslist de betreffende certificaten te aanvaarden.

De registratie, vermeld in het tweede lid, gebeurt na de overdracht van de nodige gegevens van de garantie van oorsprong aan de VREG door de bevoegde instantie van het andere gewest of het andere land, en nadat in het andere gewest of land de garantie van oorsprong definitief onbruikbaar is gemaakt.

De VREG bepaalt via welk formaat, welk medium en welke procedure die garanties van oorsprong kunnen worden ingevoerd uit een ander gewest of een ander land.

Art. 6.1.20 Als een groenestroomcertificaat na afloop van de termijn, vermeld in artikel 7.1.5., § 3, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, nog niet werd gebruikt als garantie van oorsprong, wordt de vermelding, vermeld in artikel 6.1.14, § 2, 8°, van het groenestroomcertificaat door de VREG gewijzigd van « nog niet gebruikt » in « vervallen ».

Art. 6.1.21 § 1. Een leverancier van elektriciteit bezorgt maandelijks aan iedere netbeheerder en aan de transmissienetbeheerder een lijst van de afnemers die op zijn net aangesloten zijn en die door de leverancier worden voorzien van elektriciteit, opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen, met per afnemer vermelding van het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in de totale elektriciteitslevering aan deze afnemer.

De VREG kan nadere regels vastleggen voor de wijze waarop de leverancier de gegevens, vermeld in het eerste lid, moet bezorgen. § 2. De netbeheerders en de transmissienetbeheerder melden maandelijks aan de VREG en aan de betrokken leverancier de geaggregeerde afnamegegevens van de afnemers, vermeld in paragraaf 1, opgesplitst naargelang het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen in de totale elektriciteitslevering aan die afnemers.

De VREG kan nadere regels vastleggen betreffende de manier waarop deze metingen dienen te gebeuren en de meetgegevens ervan dienen te worden bezorgd aan de VREG. § 3. De VREG controleert maandelijks, op basis van de gegevens, vermeld in paragraaf 2, of een leverancier bij het correcte aantal groenestroomcertificaten de vermelding heeft aangebracht dat die werden gebruikt als garantie van oorsprong.

Als de leverancier bij te veel groenestroomcertificaten de vermelding "nog niet gebruikt" heeft gewijzigd in "gebruikt", vermeld in artikel 6.1.14, § 2, 8°, wordt het overschot overgedragen naar de volgende maand.

Als de leverancier bij onvoldoende groenestroomcertificaten de vermelding, vermeld in artikel 6.1.14, § 2, 8°, heeft gewijzigd in "gebruikt", brengt de VREG de betrokken leverancier daarvan op de hoogte. De leverancier wijzigt binnen tien werkdagen na deze melding bij het ontbrekende aantal groenestroomcertificaten de vermelding, vermeld in artikel 6.1.14, § 2, 8°, in "gebruikt". § 4. De VREG biedt op haar website aan afnemers van elektriciteit de mogelijkheid aan om te controleren of, en in welke mate, hun leverancier hun elektriciteit heeft geleverd die werd opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen. Daarbij wordt uitgegaan van de gegevens van de controle, vermeld in paragraaf 3.

Art. 6.1.22 Op schriftelijk verzoek van de producent kan de VREG beslissen om bij de toekenning van het groenestroomcertificaat de vermelding, vermeld in artikel 6.1.14, § 2, 8°, te veranderen in "niet van toepassing".

Onderafdeling III. - De handel in groenestroomcertificaten Art. 6.1.23 § 1. Groenestroomcertificaten zijn vrij verhandelbaar. § 2. Binnen vijf werkdagen na de verkoop van een groenestroomcertificaat bezorgt de verkoper de VREG de gegevens over de verhandelde groenestroomcertificaten, de nieuwe eigenaar, de verkoopprijs en de datum van de verkoop.

De VREG bevestigt de registratie van de gegevens, vermeld in het eerste lid, binnen tien werkdagen aan de nieuwe eigenaar.

Art. 6.1.24 De VREG publiceert maandelijks de gemiddelde prijs van de groenestroomcertificaten, opgesplitst naargelang die overeenkomstig artikel 6.1.16, aanvaard kunnen worden voor het voldoen aan de certificatenverplichting, en naargelang die al dan niet nog kunnen worden gebruikt als garantie van oorsprong, overeenkomstig de bepalingen van Titel VI, Hoofdstuk I, afdeling IV, onderafdeling III. De VREG publiceert maandelijks het aantal toegekende groenestroomcertificaten, opgesplitst per hernieuwbare energiebron.

De VREG biedt op een algemeen toegankelijke manier de mogelijkheid om het aanbod van en de vraag naar groenestroomcertificaten bekend te maken.

HOOFDSTUK II. - Warmtekrachtcertificaten Afdeling I. - Definities Art. 6.2.1 De begrippen en definities, vermeld in de technische reglementen, zijn ook van toepassing op dit hoofdstuk.

Afdeling II. - De aanvraag en toekenning van warmtekrachtcertificaten Onderafdeling I. - De aanvraag tot toekenning van warmtekrachtcertificaten Art. 6.2.2 § 1. Een aanvraag tot toekenning van warmtekrachtcertificaten wordt ingediend door een aanvraagdossier op te sturen naar de VREG. Een aanvraagdossier bestaat uit : 1° een correct en volledig ingevuld aanvraagformulier, waarvan het model wordt bepaald door de VREG en waarvan de vorm verschillend kan zijn naargelang van de gebruikte energiebron;2° voor een warmtekrachtinstallatie met een elektrisch of mechanisch nominaal vermogen dat kleiner is dan of gelijk is aan 200 kW : technische bewijsstukken ter staving van de berekening van de warmtekrachtbesparing; 3° voor een warmtekrachtinstallatie met een elektrisch of mechanisch nominaal vermogen, groter dan 200 kW : de meetresultaten van de metingen die met behulp van de meetapparatuur, vermeld in 6.2.5, § 1, werden verricht, met een bijgevoegde berekeningsnota van de warmtekrachtbesparing; 4° voor een warmtekrachtinstallatie met een elektrisch of mechanisch nominaal vermogen van meer dan 1 MW : een keuringsverslag van een geaccrediteerde keuringsinstantie, waarin de geaccrediteerde keuringsinstantie bevestigt dat de metingen die met behulp van de meetapparatuur, vermeld in 6.2.5, § 1, werden verricht, voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6.2.5, § 1. Het keuringsverslag vermeldt ook de meterstand, de datum van indienstname en de gebruikte energiebron; 5° voor een warmtekrachtinstallatie waarin afvalstoffen worden aangewend : een correct en volledig ingevuld inlichtingenformulier, waarvan het model wordt bepaald door de OVAM, met betrekking tot de verwerking van de afvalstoffen. De VREG meldt de aanvrager schriftelijk binnen twee maanden na de ontvangst van het aanvraagdossier of het volledig en correct is samengesteld. In die brief worden in voorkomend geval de redenen vermeld waarom de aanvraag niet volledig werd bevonden en de termijn waarin de aanvrager, op straffe van verval van de aanvraag, het aanvraagdossier kan vervolledigen. Die termijn kan op eenvoudig verzoek van de aanvrager verlengd worden tot maximaal drie jaar. Als het aanvraagdossier betrekking heeft op een warmtekrachtinstallatie die nog niet in werking is of ingrijpend wordt gewijzigd, geeft de VREG in die brief op basis van de meegedeelde gegevens een verduidelijking over de uit te voeren metingen en de bepaling van het aantal toe te kennen warmtekrachtcertificaten als er minstens duidelijkheid bestaat over het brandstofverbruik, de warmtebenutting en de productie van elektriciteit of mechanische energie. § 2. De VREG beslist binnen een maand na de volledigverklaring van het aanvraagdossier of de warmtekrachtbesparing, gerealiseerd door de warmtekrachtinstallatie in kwestie, voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van de warmtekrachtcertificaten, vermeld in artikel 6.2.3, en op welke wijze de hoeveelheid toe te kennen warmtekrachtcertificaten zal worden berekend, overeenkomstig artikel 6.2.8 tot en met 6.2.10, met inbegrip van de metingen die daarvoor nodig zijn. § 3. Binnen vijf werkdagen nadat de VREG de beslissing, vermeld in paragraaf 2, heeft genomen, wordt de aanvrager daarvan op de hoogte gebracht. Als de warmtekrachtinstallatie gebruikmaakt van afvalstoffen, wordt de beslissing ook bezorgd aan de OVAM. Onderafdeling II. - De voorwaarden voor toekenning van warmtekrachtcertificaten Art. 6.2.3 De VREG kent alleen warmtekrachtcertificaten toe voor de warmtekrachtbesparing die gerealiseerd werd door gebruik te maken van een warmtekrachtinstallatie die gelegen is in het Vlaamse Gewest, die voldoet aan de voorwaarden voor kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, vermeld in bijlage I, die bij dit besluit is gevoegd. De minister legt de referentierendementen vast die nodig zijn voor de toepassing van bijlage I. De certificaatgerechtigde voor een warmtekrachtinstallatie met een nominaal elektrisch of mechanisch vermogen van meer dan 1 MW legt om de twee jaar een nieuw keuringsverslag voor.

De VREG kan een kwalitatieve warmtekrachtinstallatie op ieder moment controleren om na te gaan of de meting van het energieverbruik en van de geproduceerde elektriciteit, warmte en mechanische energie en andere metingen die noodzakelijk zijn om het aantal toe te kennen warmtekrachtcertificaten en de productie van elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling te bepalen, overeenstemmen met de werkelijkheid.

Art. 6.2.4 § 1. De totale elektriciteitsproductie, de netto-elektriciteitsproductie, de nuttige warmte, de nettoproductie aan mechanische energie en het brandstof- of energieverbruik van een warmtekrachtinstallatie met een elektrisch of mechanisch nominaal vermogen dat kleiner is dan of gelijk is aan 200 kW, worden berekend op basis van de nominale waarden, vermeld op de technische bewijsstukken, die bij de aanvraag gevoegd zijn. § 2. De totale elektriciteitsproductie, de netto-elektriciteitsproductie, de nuttige warmte, de nettoproductie aan mechanische energie en het brandstof- of energieverbruik van een warmtekrachtinstallatie met een elektrisch of mechanisch nominaal vermogen dat groter is dan 200 kW, wordt gemeten met behulp van de meetapparatuur, vermeld in artikel 6.2.5, § 1.

Voor de controle of een warmtekrachtinstallatie voldoet aan de voorwaarden voor kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, vermeld in bijlage I, die bij dit besluit is gevoegd, worden de totale elektriciteitsproductie, de netto-elektriciteitsproductie, de nuttige warmte en het brandstof- of energieverbruik berekend op basis van het gemiddelde van de metingen tijdens een periode van 365 opeenvolgende dagen die eindigt tijdens de maand, voor de maand waarin het aanvraagdossier bij de VREG wordt ingediend, of voor de maand waarin een controle wordt uitgevoerd.

Voor de controle of een warmtekrachtinstallatie voldoet aan de voorwaarden voor kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, vermeld in bijlage I, die bij dit besluit is gevoegd, worden de totale elektriciteitsproductie, de netto-elektriciteitsproductie, de nuttige warmte en het brandstof- of energieverbruik van een warmtekrachtinstallatie met een elektrisch nominaal vermogen dat groter is dan 200 kW, die minder dan 365 dagen in dienst is, berekend op basis van de nominale waarden, vermeld op de technische bewijsstukken die bij de aanvraag gevoegd zijn. § 3. Als blijkt dat de gemeten elektriciteitsafname of de equivalente elektriciteitsafname van de utiliteitsvoorzieningen klein is in verhouding tot de totale hoeveelheid geproduceerde elektriciteit, kan de VREG beslissen om voor de bepaling van het elektrisch rendement van de warmtekrachtinstallatie de netto-elektriciteitsproductie op basis van een raming te berekenen uit de totale elektriciteitsproductie.

Als blijkt dat de gemeten warmteafname of de equivalente warmteafname van de utiliteitsvoorzieningen klein is in verhouding tot de totale hoeveelheid geproduceerde warmte, kan de VREG beslissen om voor de bepaling van het thermisch rendement van de warmtekrachtinstallatie de nettowarmteproductie op basis van een raming te berekenen uit de totale warmteproductie.

Als blijkt dat de gemeten afname van mechanische energie of de equivalente afname van mechanische energie van de utiliteitsvoorzieningen klein is in verhouding tot de totale hoeveelheid geproduceerde mechanische energie, kan de VREG beslissen om voor de bepaling van het mechanisch rendement van de warmtekrachtinstallatie de nettoproductie van mechanische energie op basis van een raming te berekenen uit de totale productie van mechanische energie.

Art. 6.2.5 § 1. Warmtekrachtinstallaties met een elektrisch of mechanisch nominaal vermogen dat groter is dan 200 kW, zijn voorzien van de nodige meetapparatuur om permanent de totale elektriciteitsproductie, de netto-elektriciteitsproductie, de nuttige warmte, de nettoproductie aan mechanische energie en het brandstof- of energieverbruik te meten.

Warmtekrachtinstallaties met een elektrisch of mechanisch nominaal vermogen dat kleiner is dan of gelijk is aan 200 kW, zijn voorzien van de nodige meetapparatuur om permanent de netto-elektriciteitsproductie te meten.

De nuttige warmte wordt zo kort mogelijk bij de plaats van de nuttige aanwending ervan gemeten. Als er een noodkoeler in het circuit is opgesteld, wordt de meting uitgevoerd voorbij de noodkoeler. § 2. De meetapparatuur, vermeld in paragraaf 1, de meetopstelling en de toegepaste meetprocedures voldoen aan de ter zake geldende internationale en nationale normen.

Art. 6.2.6 De certificaatgerechtigde meldt aan de VREG onmiddellijk : 1° alle wijzigingen die ervoor kunnen zorgen dat hij niet langer voldoet aan de voorwaarden voor de toekenning van de warmtekrachtcertificaten, vermeld in artikel 6.2.3; 2° alle wijzigingen die een invloed kunnen hebben op het aantal toe te kennen warmtekrachtcertificaten, vermeld in artikel 6.2.8 tot en met 6.2.10; 3° alle wijzigingen die een invloed kunnen hebben op de wijze waarop een warmtekrachtinstallatie voldoet aan de voorwaarden om erkend te worden als kwalitatieve warmtekrachtinstallatie; 4° alle wijzigingen met betrekking tot de natuurlijke persoon of de rechtspersoon aan wie de warmtekrachtcertificaten moeten worden toegekend, als vermeld in artikel 6.2.7, § 2.

Bij wijzigingen als vermeld in het eerste lid, 1°, kan de VREG haar beslissing, vermeld in artikel 6.2.2, § 2, herroepen. Vanaf de herroeping van haar beslissing worden geen warmtekrachtcertificaten meer toegekend voor de warmtekrachtbesparing die gerealiseerd is in de warmtekrachtinstallatie in kwestie.

Bij wijzigingen als vermeld in het eerste lid, 2°, kan de VREG haar beslissing, vermeld in artikel 6.2.2, § 2, wijzigen. De certificaatgerechtigde voor een warmtekrachtinstallatie met een nominaal elektrisch of mechanisch vermogen van meer dan 1 MW legt een nieuw keuringsverslag voor als vermeld in artikel 6.2.2, § 1, tweede lid, 4°, bij de melding van een wijziging als vermeld in het eerste lid, 2°.

Als de VREG gegronde argumenten heeft om geen warmtekrachtcertificaten meer toe te kennen aan de certificaatgerechtigde, kan de VREG haar oorspronkelijke beslissing wijzigen of herroepen, al dan niet met terugwerkende kracht tot het ogenblik waarop het recht op de toekenning van warmtekrachtcertificaten moet ophouden.

Onderafdeling III. - De maandelijkse toekenning van warmtekrachtcertificaten Art. 6.2.7 De warmtekrachtcertificaten worden maandelijks toegekend voor de warmtekrachtbesparing die gerealiseerd is in een warmtekrachtinstallatie waarvoor een aanvraag tot toekenning van warmtekrachtcertificaten werd goedgekeurd.

De warmtekrachtcertificaten worden maandelijks toegekend per schijf van 1 000 kWh warmtekrachtbesparing, conform artikel 7.1.2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009. Het resterende aantal kWh wordt overgedragen naar de volgende maand.

De eerste warmtekrachtcertificaten worden toegekend op basis van de warmtekrachtbesparing die is gerealiseerd vanaf de datum van het volledige keuringsverslag of vanaf de eerste dag van de maand waarin het aanvraagdossier werd goedgekeurd voor kleinschalige warmtekrachtkoppeling.

Art. 6.2.8 Het aantal toe te kennen warmtekrachtcertificaten wordt berekend op basis van de gegevens die aan de VREG worden meegedeeld, vermeld in artikel 6.2.9 en 6.2.10.

Art. 6.2.9 § 1. Voor kwalitatieve warmtekrachtinstallaties meten de netbeheerders, de beheerder van het transmissienet en de beheerder van het vervoernet waarop de warmtekrachtinstallatie is aangesloten, maandelijks per site de opgewekte elektriciteit en de verbruikte hoeveelheid aardgas als dat van toepassing is.

De beheerders van het betreffende net brengen de VREG maandelijks op de hoogte van die meetgegevens.

De VREG kan, op eigen initiatief of op verzoek van de certificaatgerechtigde, beslissen om de meting, vermeld in het eerste lid, over te laten aan de certificaatgerechtigde. In dat geval brengt de certificaatgerechtigde de VREG maandelijks op de hoogte van de meetgegevens over de opgewekte elektriciteit of de verbruikte hoeveelheid aardgas als dat van toepassing is.

De certificaatgerechtigde voert per site de metingen uit, vermeld in artikel 6.2.5, § 1. De certificaatgerechtigde brengt de VREG maandelijks op de hoogte van die meetgegevens.

De VREG kan beslissen om die metingen aan te vullen met of te vervangen door andere metingen om de warmtekrachtbesparing te bepalen. § 2. De VREG kan nadere regels vaststellen voor de manier waarop de metingen, vermeld in paragraaf 1, uitgevoerd moeten worden, en voor de manier waarop de meetgegevens bezorgd moeten worden aan de VREG. Art. 6.2.10 § 1. De warmtekrachtbesparing die gerealiseerd wordt door een warmtekrachtinstallatie voor elektriciteitsproductie, wordt berekend als de primaire energiebesparing die wordt gerealiseerd door gebruik te maken van een warmtekrachtinstallatie in plaats van een referentie-installatie die dezelfde nettohoeveelheid elektriciteit en nuttige warmte zou opwekken als die warmtekrachtinstallatie.

Voor de berekening van de warmtekrachtbesparing door een warmtekrachtinstallatie met elektriciteitsproductie, wordt uitgegaan van de netto-elektriciteitsproductie die op de locatie zelf verbruikt wordt of die geleverd wordt aan het distributienet, aan het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, aan het transmissienet of aan directe lijnen. Die netto-elektriciteitsproductie wordt gemeten voor de eventuele transformatie naar netspanning. § 2. De warmtekrachtbesparing die gerealiseerd wordt door een warmtekrachtinstallatie voor de rechtstreekse mechanische aandrijving van machines, wordt berekend als de primaire energiebesparing die wordt gerealiseerd door gebruik te maken van een warmtekrachtinstallatie in plaats van de best beschikbare aandrijftechnologie en referentie-installatie die dezelfde aandrijving en dezelfde hoeveelheid nuttige warmte zouden leveren als die warmtekrachtinstallatie.

De aanvrager toont aan de VREG de correctheid van de berekening van die primaire energiebesparing aan. § 3. Voor de berekening van de warmtekrachtbesparing wordt uitgegaan van de nuttige warmte die gebruikt wordt als warmtebron en die niet voor de verdere productie van elektriciteit of mechanische energie wordt aangewend. Als blijkt dat de nuttige warmte slechts voor een klein deel gebruikt wordt voor de verdere productie van elektriciteit of mechanische energie, kan de VREG beslissen om voor de bepaling van de nuttige warmte, en voor de bepaling van de productie van elektriciteit en mechanische energie een vereenvoudigde berekeningsmethode toe te laten. § 4. Als een warmtekrachtinstallatie wordt gebruikt voor de productie van CO2, wordt de gemeten hoeveelheid geproduceerde benutte warmte met 10 % verhoogd voor de berekening van de warmtekrachtbesparing. § 5. Voor sites waar al beschikbare warmte gebruikt wordt, berekent de VREG de warmtekrachtbesparing niet op basis van het vermeden primaire energieverbruik van een referentie-installatie, maar op basis van het vermeden primaire energieverbruik van de warmteproducent dat noodzakelijk is voor de productie van dezelfde nuttige warmte, op voorwaarde dat de primaire energiebesparing van de nieuwe installatie ten opzichte van de warmteproducent kleiner is dan de primaire energiebesparing ten opzichte van een referentie-installatie. Om de hoeveelheid al beschikbare warmte te bepalen, wordt uitgegaan van het verbruik van beschikbare warmte tijdens de 365 dagen voor de certificatenaanvraag. § 6. Voor nieuwe warmtekrachtinstallaties worden de warmtekrachtbesparing en het aantal toe te kennen warmtekrachtcertificaten vanaf de ingebruikname gedurende tien jaar berekend op basis van de voorwaarden tot toekenning en aanvaarding van warmtekrachtcertificaten, de berekeningsmethode, het thermisch of elektrisch rendement van een referentie-installatie en het rendement van de best beschikbare aandrijftechnologie, die werden vastgelegd bij de aanvraag van warmtekrachtcertificaten. § 7. Het thermisch rendement van de referentie-installatie wordt gelijkgesteld aan 90 % in geval van een warmtekrachtinstallatie die haar warmte afstaat in de vorm van heet water, 93 % in het geval van een warmtekrachtinstallatie die haar warmte afstaat in de vorm van hete lucht voor droogtoepassingen, 85 % in geval van een warmtekrachtinstallatie die haar warmte afstaat in de vorm van stoom of in de vorm van nog niet vermelde media, en 500 % als referentieperformantiecoëfficiënt in het geval van een warmtekrachtinstallatie die koude produceert. Voor warmtekrachtinstallaties die gebruikmaken van biogas, wordt het thermisch rendement van de referentie-installatie gelijkgesteld aan 70 %. § 8. Het elektrisch rendement van de referentie-installatie wordt voor warmtekrachtinstallaties die gebruikmaken van fossiele energiebronnen gelijkgesteld aan 55 % in geval van een warmtekrachtinstallatie die aangesloten is op een spanningsnet met een nominale spanning die hoger is dan 15 kV, en 50 % in geval van een warmtekrachtinstallatie die aangesloten is op een spanningsnet met een nominale spanning die lager is dan of gelijk is aan 15 kV. Voor warmtekrachtinstallaties die gebruikmaken van hernieuwbare energiebronnen, wordt het elektrisch rendement van de referentie-installatie gelijkgesteld aan 42 % bij de toepassing van biogas, 42,7 % bij de toepassing van vloeibare biobrandstoffen, 34 % bij de toepassing van hout of houtafval, en 25 % bij de toepassing van andere vaste biomassastromen.

Voor warmtekrachtinstallaties die gebruikmaken van verschillende fossiele of hernieuwbare energiebronnen wordt het elektrisch rendement van de referentie-installatie gelijkgesteld aan het op basis van de energie-input gewogen gemiddelde van de elektrische rendementen van de referentie-installatie dat bepaald is overeenkomstig het eerste en het tweede lid.

Het rendement van de best beschikbare aandrijftechnologie wordt gelijkgesteld aan 52 %. § 9. De Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, past na advies van de VREG de referentierendementen, vermeld in paragraaf 7 en 8, aan de stand van de techniek aan en legt extra referentierendementen vast als dat nodig is voor de berekening van de warmtekrachtbesparing. Hij houdt daarbij rekening met de werkelijk gemeten rendementen van de referentie-installaties, de best beschikbare aandrijftechnologie en andere referentietechnologieën, enerzijds onafhankelijk van de gebruikte energiebron voor fossiele energiebronnen, en anderzijds voor hernieuwbare energiebronnen. § 10. De VREG kan nadere regels opleggen betreffende de beoordeling of voldaan wordt aan de voorwaarden voor kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, vermeld in bijlage I, en betreffende de bepaling van de warmtekrachtbesparing voor types van complexe warmtekrachtinstallaties. De VREG publiceert die nadere regels op haar website.

Afdeling III. - Registratie van warmtekrachtcertificaten Art. 6.2.11 § 1. De VREG registreert de gegevens van de toegekende warmtekrachtcertificaten in een centrale databank. Die registratie waarborgt de echtheid van de warmtekrachtcertificaten. § 2. Voor elk warmtekrachtcertificaat worden minstens de volgende gegevens geregistreerd : 1° de gegevens van de eigenaar van het warmtekrachtcertificaat;2° het productiejaar en de productiemaand;3° de productieplaats;4° de technologie, vermeld in bijlage III, die bij dit besluit is gevoegd;5° nominaal vermogen;6° datum van indienstneming van de warmtekrachtinstallatie;7° het registratienummer;8° de steun, ontvangen voor de warmtekrachtinstallatie;9° de brandstof- of energiebron, en de onderste verbrandings- of energiewaarde van de brandstof- of energiebron;10° de hoeveelheid geproduceerde elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling die het warmtekrachtcertificaat vertegenwoordigt, berekend overeenkomstig bijlage II, die bij dit besluit is gevoegd; 11° de referentierendementen die van toepassing zijn voor de berekening van de warmtekrachtbesparing, vastgelegd met toepassing van artikel 6.2.10; 12° de besparing op primaire energie, berekend overeenkomstig bijlage I en op basis van de rendementsreferentiewaarden die worden vastgelegd door de minister met toepassing van artikel 6.2.3; 13° de vermelding of het warmtekrachtcertificaat aanvaardbaar of niet aanvaardbaar is om te voldoen aan de certificatenverplichting, vermeld in artikel 7.1.11 van het Energiedecreet van 8 mei 2009; 14° als het warmtekrachtcertificaat daarvoor gebruikbt kan worden : de vermelding of het warmtekrachtcertificaat al of niet werd voorgelegd in het kader van de certificatenverplichting, of de vermelding dat het niet meer kan worden voorgelegd, zoals in de gevallen, vermeld in artikel 6.2.12, § 2 en § 3; 15° de vermelding of het warmtekrachtcertificaat kan worden gebruikt als garantie van oorsprong;16° de toepassing van de warmte die samen met de elektriciteit is gegenereerd. § 3. De vermelding die gebruikt wordt in het geval, vermeld in paragraaf 2, 13°, is : 1° « aanvaardbaar » : als het warmtekrachtcertificaat voldoet aan de voorwaarden van artikel 6.2.12, § 1 en § 2, en als het niet is uitgevoerd zoals bepaald in artikel 6.2.15; 2° « niet aanvaardbaar » : als het warmtekrachtcertificaat niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 6.2.12, § 1 en § 2, en in de gevallen, vermeld in artikel 6.2.14; § 4. De vermelding die gebruikt wordt in het geval, vermeld in paragraaf 2,14°, is : 1° « ingeleverd » : als het warmtekrachtcertificaat al werd voorgelegd om te voldoen aan de certificatenverplichting, vermeld in artikel 6.2.12, § 1; 2° « nog niet ingeleverd » : als het warmtekrachtcertificaat nog niet werd voorgelegd om te voldoen aan de certificatenverplichting, vermeld in artikel 6.2.12, § 1; 3° « niet van toepassing » : als de vermelding, vermeld in paragraaf 2, 13°, « niet aanvaardbaar » is. § 5. De vermelding die gebruikt wordt in het geval, vermeld in paragraaf 2, 15°, is : 1° "nog niet gebruikt" : in de gevallen, vermeld in paragraaf 6 en in artikel 6.2.15; 2° « ter plaatse gebruikt » : in de gevallen, vermeld in paragraaf 7; 3° « gebruikt » : in de gevallen, vermeld in artikel 6.2.13; 4° « uitgevoerd » : in de gevallen, vermeld in artikel 6.2.15; 5° « vervallen » : in de gevallen, vermeld in artikel 6.2.16; 6° « niet van toepassing » : in de gevallen, vermeld in paragraaf 7. § 6. Bij de creatie van een warmtekrachtcertificaat is de vermelding die gebruikt wordt in het geval vermeld in paragraaf 2, 15° : "nog niet gebruikt". § 7. In afwijking van paragraaf 6, wordt, bij een aantal warmtekrachtcertificaten dat overeenstemt met de hoeveelheid elektriciteit die op de site van de warmtekrachtinstallatie in kwestie wordt verbruikt of op een directe lijn wordt geïnjecteerd, de vermelding « ter plaatse gebruikt », vermeld in paragraaf 2, 15°, onmiddellijk aangebracht door de VREG op basis van het verschil tussen de geproduceerde elektriciteit en de gegevens die haar bezorgd worden over de hoeveelheid elektriciteit die door de warmtekrachtinstallatie in kwestie wordt opgewekt uit warmtekrachtkoppeling, en op het distributie- of transmissienet wordt geïnjecteerd.

Een certificaat krijgt de vermelding « niet van toepassing », vermeld in paragraaf 5, 6°, voor de hoeveelheid elektriciteit die in het openbare net is geïnjecteerd en waarvoor ook een groenestroomcertificaat toegekend is met de vermelding « nog niet gebruikt « , als vermeld in artikel 6.2.14, § 2, 8°. Op schriftelijk verzoek van de producent kan de VREG beslissen het groenestroomcertificaat volgens de bepalingen van artikel 6.1.1 tot 6.1.24 toe te kennen met de vermelding « niet van toepassing », en het warmtekrachtcertificaat toe te kennen met de vermelding « nog niet gebruikt ».

De gegevens over de hoeveelheid elektriciteit die door de warmtekrachtinstallatie in kwestie wordt opgewekt uit warmtekrachtkoppeling, en op het distributienet, plaatselijk vervoernet van elektriciteit of transmissienet wordt geïnjecteerd, worden gemeten en aan de VREG bezorgd door de distributienetbeheerder of door de transmissienetbeheerder van het net waarop de installatie is aangesloten.

De VREG kan nadere regels vastleggen voor de manier waarop de metingen, vermeld in het tweede lid, verricht moeten worden, en voor de manier waarop de meetgegevens aan de VREG bezorgd moeten worden. § 8. De eigenaar van een warmtekrachtcertificaat heeft leesrecht in de centrale databank wat betreft de gegevens van de warmtekrachtcertificaten waarvan hij eigenaar is. § 9. Als de vermelding, vermeld in paragraaf 2, 15°, « nog niet gebruikt » is, heeft de eigenaar van een warmtekrachtcertificaat schrijfrecht om de vermelding te wijzigen naar « gebruikt » of « uitgevoerd », met toepassing van respectievelijk artikel 6.2.13 en 6.2.14.

Afdeling IV. - Het gebruik van warmtekrachtcertificaten Onderafdeling I Het gebruik van de warmtekrachtcertificaten in het kader van de certificatenverplichting Art. 6.2.12 § 1. Om te voldoen aan de certificatenverplichting, aanvaardt de VREG alleen de warmtekrachtcertificaten die toegekend werden voor de warmtekrachtbesparing die gerealiseerd werd door gebruik te maken van een warmtekrachtinstallatie in het Vlaamse Gewest die voldoet aan de voorwaarden voor kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, vastgelegd ter uitvoering van artikel 7.1.2, § 2, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, en die voor het eerst in dienst werd genomen of ingrijpend gewijzigd werd na 1 januari 2002.

Zodra een warmtekrachtcertificaat wordt voorgelegd om te voldoen aan de certificatenverplichting, is het niet meer verhandelbaar en kan het niet meer worden voorgelegd als garantie van oorsprong, overeenkomstig de bepalingen van artikel 6.2.13 tot 6.2.17.

Voor de productiemaanden die meer dan vier jaar na de indienstneming of ingrijpende wijziging van de warmtekrachtinstallatie vallen, worden voor X % van de warmtekrachtbesparing in de betreffende maand certificaten toegekend die aanvaardbaar zijn voor de certificatenverplichting, en voor (100-X) % van de warmtekrachtbesparing certificaten die niet aanvaardbaar zijn voor de certificatenverplichting.

X wordt berekend volgens de volgende formule : X = 100 * (RPE - 0,2 (T-48)) / RPE, waarbij : 1° RPE : de relatieve primaire energiebesparing, uitgedrukt in procenteenheden, en berekend op basis van de meest recente gegevens die bekend zijn bij de aanvraag of die bekend zijn na een controle;2° T : de periode tussen de datum van indienstneming en de productiemaand, vermeld op het warmtekrachtcertificaat, uitgedrukt in maanden. § 2. Warmtekrachtcertificaten die uitgereikt zijn in het productiejaar n dat op het certificaat vermeld staat, kunnen voor de certificatenverplichting slechts voorgelegd worden tot en met 31 maart van het kalenderjaar n+6. Als een warmtekrachtcertificaat na afloop van de termijn nog niet werd gebruikt voor de certificatenverplichting, wordt de vermelding, vermeld in artikel 6.2.11, § 2, 13°, door de VREG gewijzigd in « niet aanvaardbaar », en wordt de vermelding, als vermeld in artikel 6.2.11, § 2, 14°, door de VREG gewijzigd in « niet van toepassing ». § 3. De warmtekrachtcertificaten die naar buiten het Vlaamse Gewest worden uitgevoerd, worden niet aanvaard om te voldoen aan de certificatenverplichting. § 4. Warmtekrachtcertificaten die gebruikt werden als garantie van oorsprong als vermeld in artikel 6.2.13, kunnen nog gebruikt worden in het kader van de certificatenverplichting op voorwaarde dat de vermelding « aanvaardbaar » is, als vermeld in artikel 6.2.11, § 2, 13°, en dat de vermelding "nog niet ingeleverd » is, als vermeld in artikel 6.2.11, § 2, 14°.

Onderafdeling II. - Het gebruik van warmtekrachtcertificaten als garantie van oorsprong Art. 6.2.13 § 1. Warmtekrachtcertificaten worden gebruikt als garantie van oorsprong als ze worden voorgelegd in het kader van de verkoop van elektriciteit aan afnemers als elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling, of onder een andere benaming die erop wijst dat de elektriciteit werd opgewekt door middel van kwalitatieve warmtekrachtkoppeling.

Alleen warmtekrachtcertificaten die nog niet gebruikt werden als garantie van oorsprong, en waarvan bijgevolg de vermelding « nog niet gebruikt « is, als vermeld in artikel 6.2.11, § 2, 15°, kunnen gebruikt worden in de zin van het eerste lid. § 2. Een leverancier wijzigt driemaandelijks de vermelding « nog niet gebruikt » in « gebruikt », als vermeld in artikel 6.2.11, § 2, 15°, bij het aantal warmtekrachtcertificaten dat overeenkomt met de hoeveelheid elektriciteit, opgewekt uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling, die hij in de voorgaande maand verkocht heeft aan afnemers in het Vlaamse Gewest. Daarbij worden de maand en het kalenderjaar geregistreerd waarin die overeenstemmende hoeveelheid elektriciteit werd verkocht.

De VREG kan de nadere procedure vastleggen voor de wijze waarop een leverancier bij warmtekrachtcertificaten waarvan hij eigenaar is, de vermelding « nog niet gebruikt » kan wijzigen in « gebruikt » in het geval, vermeld in artikel 6.2.11, § 2, 15°.

Art. 6.2.14 Alleen warmtekrachtcertificaten waarvan de vermelding « nog niet gebruikt » is in het geval, vermeld in artikel 6.2.11, § 2, 15°, kunnen worden uitgevoerd buiten het Vlaamse Gewest. Als een dergelijk warmtekrachtcertificaat naar buiten het Vlaamse Gewest wordt uitgevoerd als garantie van oorsprong, draagt de VREG op verzoek van de eigenaar van het warmtekrachtcertificaat in kwestie de nodige gegevens van het warmtekrachtcertificaat over aan de bevoegde instantie in het gewest of het land waarnaar het warmtekrachtcertificaat werd uitgevoerd. Na de overdracht wordt de vermelding in het geval, vermeld in artikel 6.2.11, § 2, 15°, van het warmtekrachtcertificaat in kwestie, in de databank gewijzigd van « nog niet gebruikt » in « uitgevoerd ». De vermelding in het geval, vermeld in artikel 6.2.11, § 2, 13°wordt gewijzigd in « niet aanvaardbaar » en de vermelding in het geval, vermeld in artikel 6.2.11, § 2, 14°, wordt gewijzigd in « niet van toepassing ».

Art. 6.2.15 § 1. Een garantie van oorsprong die afkomstig is uit een ander gewest of een ander land, kan in het Vlaamse Gewest worden ingevoerd om hier te worden aangewend als garantie van oorsprong op voorwaarde dat de eigenaar ervan aan de VREG aantoont dat voldaan wordt aan de volgende voorwaarden : 1° de garantie van oorsprong vermeldt minstens de volgende gegevens : a) de onderste verbrandings- of energiewaarde van de brandstof- of energiebron;b) de gegevens van de warmtekrachtinstallatie, waaronder de productieplaats;c) de datum van productie van de overeenstemmende hoeveelheid elektriciteit;d) een identificatie van de instantie die de garantie van oorsprong heeft uitgereikt;e) de hoeveelheid elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling waarop de garantie van oorsprong betrekking heeft, berekend overeenkomstig de bepalingen opgenomen in bijlage II, die bij dit besluit is gevoegd;f) de besparing op primaire energie, berekend overeenkomstig de bepalingen opgenomen in bijlage I die bij dit besluit is gevoegd;g) de toepassing van de warmte die samen met de elektriciteit is gegenereerd;2° de garantie van oorsprong is uitgereikt voor netto-elektriciteitsproductie uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling;3° de garantie van oorsprong is het enige bewijs dat voor de betreffende hoeveelheid elektriciteit werd uitgereikt en dat aantoont dat een producent in een daarin aangegeven kalenderjaar een daarin aangegeven hoeveelheid elektriciteit, uitgedrukt in kWh, heeft opgewekt uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling;4° de hoeveelheid elektriciteit waarop de garantie van oorsprong betrekking heeft, is nog niet verkocht onder de benaming elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling of onder een gelijkwaardige benaming. § 2. Als de garantie van oorsprong uit een ander gewest of een ander land wordt ingevoerd, worden de gegevens ervan geregistreerd in de centrale databank in de vorm van een warmtekrachtcertificaat met de vermelding « niet aanvaardbaar » in het geval, vermeld in artikel 6.2.11, § 2, 13°, met de vermelding « niet van toepassing » in het geval, vermeld in artikel 6.2.11, § 2, 14°, en met de vermelding « nog niet gebruikt « in het geval, vermeld in artikel 6.2.11, § 2, 15°.

Warmtekrachtcertificaten uit een ander gewest of een ander land kunnen worden geregistreerd met de vermelding « aanvaardbaar » in het geval, vermeld in artikel 6.2.11, § 2, 13°, als de Vlaamse Regering met toepassing van artikel 7.1.5, § 1, 2°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 beslist de betreffende certificaten te aanvaarden.

De warmtekrachtcertificaten worden geregistreerd na de overdracht van de nodige gegevens van de garantie van oorsprong aan de VREG door de bevoegde instantie van een ander gewest of een ander land, en nadat in een ander land of gewest de garantie van oorsprong definitief onbruikbaar is gemaakt.

De VREG bepaalt in welk formaat, met welk medium en welke procedure die garanties van oorsprong kunnen worden ingevoerd uit een ander gewest of een ander land.

Artikel 6.2.13 en 6.2.14 zijn van overeenkomstige toepassing.

Art. 6.2.16 Als een warmtekrachtcertificaat na afloop van de termijn, vermeld in artikel 7.1.5, § 3, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, nog niet werd gebruikt als garantie van oorsprong, wordt de vermelding, vermeld in artikel 6.2.11, § 2, 15°, door de VREG gewijzigd in « vervallen ».

Art. 6.2.17 § 1. Een leverancier van elektriciteit bezorgt maandelijks aan iedere netbeheerder en de transmissienetbeheerder een actualisatie van de lijst met de afnemers die op zijn net zijn aangesloten en die door de leverancier worden voorzien van elektriciteit, opgewekt uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling, met per afnemer de vermelding van het aandeel elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling in de totale elektriciteitslevering via het distributienet, plaatselijk vervoernet van elektriciteit of transmissienet aan die afnemer.

De VREG kan nadere regels vastleggen voor de wijze waarop de leverancier de gegevens, vermeld in het eerste lid, moet bezorgen. § 2. De netbeheerders en de transmissienetbeheerder melden maandelijks aan de VREG en aan de betrokken leverancier de geaggregeerde afnamegegevens van de afnemers, vermeld in paragraaf 1, opgesplitst naargelang van het aandeel elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling in de totale elektriciteitslevering aan die afnemers.

De VREG kan nadere regels vastleggen voor de manier waarop die metingen verricht moeten worden, en voor de manier waarop de meetgegevens bezorgd moeten worden aan de VREG. § 3. De VREG controleert driemaandelijks op basis van de gegevens, vermeld in paragraaf 2, of een leverancier bij het correcte aantal warmtekrachtcertificaten de vermelding heeft aangebracht dat ze werden gebruikt als garantie van oorsprong als vermeld in artikel 6.2.13.

Als de leverancier bij te veel warmtekrachtcertificaten de vermelding « nog niet gebruikt » heeft gewijzigd in « gebruikt », als vermeld in artikel 6.2.11, § 2, 15°, wordt het overschot overgedragen naar het volgende trimester.

Als de leverancier bij onvoldoende warmtekrachtcertificaten de vermelding, vermeld in artikel 6.2.11, § 2, 15°, heeft gewijzigd in « gebruikt », brengt de VREG de betrokken leverancier daarvan op de hoogte. De leverancier wijzigt binnen tien werkdagen na die melding bij het ontbrekende aantal warmtekrachtcertificaten de vermelding, vermeld in artikel 6.2.11, § 2, 15°, in « gebruikt ». § 4. De VREG biedt op haar website aan afnemers van elektriciteit de mogelijkheid aan om te controleren of, en in welke mate, hun leverancier aan hen elektriciteit heeft geleverd die werd opgewekt uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling. Daarbij wordt uitgegaan van de gegevens van de controle, vermeld in paragraaf 3.

Onderafdeling III. - Handel in warmtekrachtcertificaten Art. 6.2.18 § 1. Warmtekrachtcertificaten zijn vrij verhandelbaar. § 2. Binnen vijf werkdagen na de verkoop van warmtekrachtcertificaten deelt de verkoper aan de VREG de gegevens mee over de verhandelde warmtekrachtcertificaten, de nieuwe eigenaar, de verkoopprijs en de datum van verkoop.

De VREG bevestigt de registratie van de gegevens, vermeld in het eerste lid, binnen tien werkdagen aan de nieuwe eigenaar.

Art. 6.2.19 De VREG publiceert maandelijks de gemiddelde prijs van de warmtekrachtcertificaten, opgesplitst naargelang die, overeenkomstig artikel 6.2.12, aanvaard kunnen worden om te voldoen aan de certificatenverplichting, en naargelang die al dan niet nog kunnen worden gebruikt als garantie van oorsprong, overeenkomstig de bepalingen van Titel VI, Hoofdstuk II, Afdeling IV, Onderafdeling II, de VREG publiceert maandelijks het aantal toegekende warmtekrachtcertificaten.

De VREG biedt op een algemeen toegankelijke manier de mogelijkheid om het aanbod van en de vraag naar warmtekrachtcertificaten bekend te maken.

HOOFDSTUK III. - Informatieverlening over oorsprong en milieugevolgen van geleverde elektriciteit Art. 6.3.1 Bij de vermelding, vermeld in artikel 7.4.1, eerste lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, wordt de oorsprong van de elektriciteit opgegeven onder volgende categorieën : 1° elektriciteit, geproduceerd met hernieuwbare energiebronnen;2° elektriciteit, geproduceerd in kwalitatieve warmtekrachtinstallaties;3° elektriciteit, geproduceerd met fossiele brandstoffen;4° elektriciteit, geproduceerd in nucleaire centrales;5° elektriciteit, waarvan de oorsprong onbekend is. De indeling van elektriciteit in de categorie « elektriciteit, waarvan de oorsprong onbekend is », is alleen toegestaan voor een fractie die kleiner is dan 5 % of als de leverancier gemotiveerd kan aantonen dat de oorsprong niet achterhaald kan worden. De leverancier vraagt daarvoor de goedkeuring van de VREG. Art. 6.3.2 Het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen als vermeld in 6.3.1, eerste lid, 1°, wordt vanaf 1 maart van het lopende jaar bepaald op basis van de verhouding van het aantal groenestroomcertificaten, uitgedrukt in MWh, dat door de leverancier voor leveringen in het voorgaande kalenderjaar werd gebruikt als garantie van oorsprong als vermeld in artikel 6.1.17, ten opzichte van de hoeveelheid via het distributienet, plaatselijk vervoernet van elektriciteit of transmissienet geleverde elektriciteit aan afnemers in het Vlaamse Gewest door de betrokken leverancier. Die verhouding wordt bepaald zowel voor het totaal van zijn leveringen als voor zijn leveringen van het aangeboden product aan de betrokken afnemers.

Het aandeel elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling als vermeld in 6.3.1, eerste lid, 2°, wordt vanaf 1 maart van het lopende jaar bepaald op basis van de verhouding van de hoeveelheid elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling, vermeld op de warmtekrachtcertificaten, die door de leverancier voor leveringen in het voorgaande kalenderjaar werd gebruikt als garantie van oorsprong als vermeld in artikel 6.2.13, ten opzichte van de hoeveelheid geleverde elektriciteit aan afnemers in het Vlaamse Gewest door de betrokken leverancier. Die verhouding wordt bepaald zowel voor het totaal van zijn leveringen als voor zijn leveringen van het aangeboden product aan de betrokken afnemers.

Het aandeel elektriciteit uit de andere energiebronnen als vermeld in artikel 6.3.1, eerste lid, 3° tot en met 5°, wordt vanaf 1 maart van het lopende jaar bepaald als (1 - het aandeel elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling en hernieuwbare energiebronnen als vermeld in het eerste en tweede lid). Dat aandeel wordt verdeeld over de andere energiebronnen, vermeld in artikel 6.3.1, eerste lid, 3° tot en met 5°, op basis van het aandeel van die andere energiebronnen dan de hernieuwbare energie of kwalitatieve warmtekrachtkoppeling in de totale brandstofmix van het productiepark in het voorgaande kalenderjaar van de leverancier of van de elektriciteitsproducenten waarmee de leverancier rechtstreekse of onrechtstreekse overeenkomsten had gesloten om zijn leveringen van het voorgaande kalenderjaar te dekken.

Voor elektriciteit die is verkregen via invoer of via elektriciteitsuitwisseling op een elektriciteitsbeurs, kunnen de door de betrokken invoerder of elektriciteitsbeurs verstrekte geaggregeerde cijfers worden gebruikt voor de bepaling van het aandeel elektriciteit uit de andere energiebronnen, vermeld in artikel 6.3.1, eerste lid, 3° tot en met 5°.

Art. 6.3.3 De VREG kan nadere regels vastleggen voor de bepaling van de brandstofmix van het geheel van de leveringen van een leverancier, namelijk de som van de leveringen via het distributienet, plaatselijk vervoernet van elektriciteit en transmissienet enerzijds, en de rechtstreekse leveringen anderzijds.

Art. 6.3.4 De VREG gaat na of de informatie die door de leverancier wordt gegeven bij de toepassing van dit artikel correct is. De leverancier dient jaarlijks voor 1 maart een rapport in bij de VREG over de oorsprong van de geleverde elektriciteit tijdens het voorgaande kalenderjaar. De VREG stelt dat rapport ter beschikking van het Vlaams Energieagentschap. Het syntheseverslag wordt gepubliceerd op de website van de VREG, samen met de door de leveranciers gehanteerde percentages betreffende de oorsprong van de door hen geleverde elektriciteit, vermeld in artikel 7.4.1, eerste lid, 1°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

Art. 6.3.5 De minister kan nadere regels vastleggen voor de praktische uitvoering en de rapportering in het kader van dit hoofdstuk.

Zo bepaalt de minister onder meer de vorm van de vermeldingen en de referentiebronnen waarnaar moet worden verwezen als vermeld in artikel 7.4.1 van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

HOOFDSTUK IV. - Openbaredienstverplichtingen voor de leveranciers, distributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit ter stimulering van het rationeel energiegebruik en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen Afdeling I. - Resultaatsverplichtingen voor de elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit Art. 6.4.1 § 1. Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder met minstens 2 500 eindafnemers en de beheerder van het plaatselijk vervoernet voor elektriciteit realiseert bij het geheel van zijn eindafnemers in elk kalenderjaar n een primaire energiebesparing van minstens 0,035 kWh per kilowattuur dat door zijn eindafnemers tijdens het kalenderjaar n-2 werd afgenomen. Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder met minder dan 2 500 eindafnemers realiseert bij het geheel van zijn eindafnemers in elk kalenderjaar n een primaire energiebesparing van minstens 0,025 kWh per kilowattuur dat door zijn eindafnemers tijdens het kalenderjaar n-2 werd afgenomen. Om die besparing te realiseren, voert de elektriciteitsdistributienetbeheerder acties bij zowel huishoudelijke als niet-huishoudelijke eindafnemers.

De hoeveelheid primaire energiebesparing van voorgaande kalenderjaren welke de minimum opgelegde primaire energiebesparingen heeft overschreden, verminderd met de hoeveelheid primaire energiebesparing van voorgaande jaren die ten opzichte van de minimum opgelegde energiebesparing te weinig werd gerealiseerd, maar waarvoor geen administratieve geldboete als vermeld in artikel 13.4.1, § 2, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, moest worden betaald, wordt opgeteld bij de in het betrokken kalenderjaar gerealiseerde primaire energiebesparing. Alleen als het aldus verkregen saldo lager is dan de minimum opgelegde primaire energiebesparing, kan dat aanleiding geven tot een administratieve geldboete als vermeld in artikel 13.4.1, § 2, van het Energiedecreet van 8 mei 2009. § 2. De minister kan, op basis van een gemotiveerde aanvraag van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit die uiterlijk ingediend is op 1 maart in het kalenderjaar n, een vermindering toestaan van het aantal kilowattuur waarop de resultaatsverplichting, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, berekend wordt als sinds het kalenderjaar n-2 het elektriciteitsverbruik van de niet-huishoudelijke eindafnemers, aangesloten op het net van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, met meer dan 5 % is gedaald als gevolg van een afkoppeling van een of meer niet-huishoudelijke eindafnemers. § 3. De minister kan, op basis van een gemotiveerde aanvraag van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit die uiterlijk ingediend is op 15 april in het kalenderjaar n-1, van de resultaatsverplichtingen, vermeld in paragraaf 1 afwijkingen toestaan voor elektriciteitsdistributienetbeheerders met minder dan 2500 eindafnemers. De gemotiveerde aanvraag bevat naast de redenen om een afwijking aan te vragen ook een voorstel voor een compenserende actieverplichting, een compenserende financieringsverbintenis of een combinatie van beide. Na advies van het Vlaams Energieagentschap over de gemotiveerde aanvraag wordt door de minister, binnen twintig kalenderdagen na de kennisgeving van de gemotiveerde aanvraag door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, een compenserende actieverplichting of een compenserende financieringsverbintenis of een combinatie van beide vastgelegd. De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit kan uiterlijk op 1 juni van het kalenderjaar n-1 beslissen of hij ingaat op het voorstel van de minister of dat hij er alsnog voor kiest om de resultaatsverplichtingen, vermeld in paragraaf 1, na te leven. § 4. De primaire energiebesparing die door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit wordt gerealiseerd ten gevolge van een vermindering van het eindverbruik van elektriciteit, wordt berekend als de vermindering van het eindverbruik van elektriciteit, vermenigvuldigd met de omzettingsfactor 2,5.

De primaire energiebesparing ten gevolge van de vermindering van het eindverbruik van andere energiedragers wordt berekend als de vermindering van het eindverbruik van die energiedrager, vermenigvuldigd met de omzettingsfactor 1.

De minister kan de omzettingsfactoren aanpassen aan de stand van de techniek.

Afdeling II. - Actieverplichtingen voor de elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit inzake rationeel energiegebruik Art. 6.4.2 § 1. Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit bieden aan alle eindafnemers die op zijn net aangesloten zijn, alsook in elk van zijn klantenkantoren, de volgende REG-activiteiten aan : 1° de verspreiding van informatiebrochures die de Vlaamse overheid aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit ter beschikking stelt;2° een individueel REG-advies voor huishoudelijke eindafnemers. § 2. De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit stellen daarvoor per klantenkantoor tijdens de kantooruren een REG-adviseur ter beschikking. § 3. De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit wijzen ook een REG-adviseur aan die als centraal aanspreekpunt voor de overheid fungeert. § 4. De elektriciteitsdistributienetbeheerder laat in de periode 2007-2009 een aantal energiescans uitvoeren bij specifieke doelgroepen van huishoudelijke eindafnemers. Het totale aantal energiescans dat elke elektriciteitsdistributienetbeheerder moet laten uitvoeren, is gelijk aan twee per honderd huishoudelijke toegangspunten op het elektriciteitsdistributienet per 1 oktober 2006 als vermeld in bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd, en dit zo veel mogelijk gelijk gespreid over de betreffende jaren.

Daarnaast laat de elektriciteitsdistributienetbeheerder in de periode 2009-2011 een aantal energiescans uitvoeren bij de specifieke doelgroepen, vermeld in het vierde lid. Dat aantal is gelijk aan een per tweehonderd huishoudelijke toegangspunten op het elektriciteitsdistributienet op 1 oktober 2006 als vermeld in bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd.

Vanaf 2010 laat de elektriciteitsdistributienetbeheerder daarbovenop jaarlijks een energiescan uitvoeren per honderd huishoudelijke toegangspunten op het elektriciteitsdistributienet op 1 oktober 2006 als vermeld in bijlage IV, die bij dit besluit is gevoegd.

Elke gemeente bepaalt de specifieke doelgroepen waaraan de energiescans in haar gemeente worden aangeboden. Voor de scans, vermeld in het tweede en derde lid, bestaan die specifieke doelgroepen in elk geval uit de huishoudelijke eindafnemers die door de elektriciteitsdistributienetbeheerder worden beleverd, en uit de beschermde afnemers.

Elke gemeente bepaalt door wie de energiescans worden uitgevoerd. De energiescans kunnen worden uitgevoerd door gemeentepersoneel, door personeel van de elektriciteitsdistributienetbeheerder,of door derden.

De elektriciteitsdistributienetbeheerder zorgt onder meer voor de aankoop van het materiaal voor de uitvoering van de maatregelen van de energiescan, voor de opleiding van de personen die de energiescans uitvoeren, voor de verdere ondersteuning van die personen en voor de terbeschikkingstelling van de software die gebruikt moet worden bij de uitvoering van de energiescans.

Afspraken met betrekking tot de specifieke doelgroepen waaraan energiescans worden aangeboden, de te volgen procedures en de personen door wie de energiescans worden uitgevoerd, worden vastgelegd in een convenant tussen de gemeente en de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Het aantal uit te voeren energiescans wordt jaarlijks per elektriciteitsdistributienetbeheerder verdeeld over de gemeenten die aangesloten zijn op zijn net en die een convenant hebben gesloten, op basis van het aantal huishoudelijke toegangspunten per gemeente per 1 oktober 2006. De niet-uitgevoerde energiescans, vermeld in het eerste en tweede lid, worden na elk jaar herverdeeld over alle gemeenten die een convenant hebben gesloten of alsnog een convenant sluiten, op basis van het aantal huishoudelijke toegangspunten per gemeente per 1 oktober 2006.

Het Vlaams Energieagentschap legt na overleg met de elektriciteitsdistributienetbeheerders de minimumvereisten vast waaraan een energiescan moet voldoen. In afwijking van artikel 6.4.16, § 2, 2°, wordt aan die energiescans door het Vlaams Energieagentschap een forfaitaire primaire energiebesparing toegekend, die meetelt om de resultaatsverplichtingen te halen, vermeld in artikel 6.4.1.

Over de uitvoering van deze actieverplichting wordt door de elektriciteitsdistributienetbeheerder jaarlijks voor 1 mei gerapporteerd aan het Vlaams Energieagentschap. Het al dan niet naleven van de actieverplichting, vermeld in het eerste lid, wordt geëvalueerd in 2010. Het al dan niet naleven van de actieverplichting, vermeld in het tweede lid, wordt geëvalueerd in 2012. Het al dan niet naleven van de actieverplichting, vermeld in het derde lid, wordt jaarlijks geëvalueerd, voor de eerste maal in 2011.

De actieverplichtingen vermeld in deze paragraaf gelden niet voor elektriciteitsdistributienetbeheerders met minder dan 2500 eindafnemers.

Art. 6.4.3 Voor de uitvoering van de actieverplichting, vermeld in artikel 6.4.2, § 4, tweede en derde lid, wordt binnen de perken van de daarvoor op de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap uitgetrokken middelen, aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder een forfaitaire vergoeding toegekend van 200 euro per uitgevoerde energiescan. Het Vlaams Energieagentschap wordt belast met de uitbetaling van die vergoeding. De minister kan nadere regels vastleggen in verband met de uitbetalingsprocedure.

Art. 6.4.4 De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit stellen een keer per jaar op schriftelijk verzoek van een niet-huishoudelijke eindafnemer alle beschikbare afnamegegevens voor de laatste drie jaar gratis binnen twintig werkdagen ter beschikking van de betrokken eindafnemer of van een derde die de eindafnemer heeft aangewezen.

Art. 6.4.5 Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit bieden op verzoek van de onderwijsinstellingen en welzijns- en gezondheidsvoorzieningen, die aangesloten zijn op zijn grondgebied, voor hun gebouwen met een gezamenlijke bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 1000 m2 op een gebouwsite, een energieboekhouding aan.

De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit bepalen het energieboekhoudsysteem dat zij aanbieden. Dat energieboekhoudsysteem moet toelaten om het elektriciteits-, het aardgas-, het stookolie- en het waterverbruik op te volgen. De actieverplichting houdt de opstart en de voortgangscontrole van de energieboekhouding in.

De opstart, vermeld in het tweede lid omvat : 1° het ter beschikking stellen van software om een energieboekhouding te voeren;2° het vertrekken van een toelichting over de werking van de energieboekhoudingssoftware;3° de inventarisatie van de tellers;4° de opmeting van het gebouw;5° het inbrengen van de basisgegevens in de energieboekhoudingssoftware;6° de migratie van beschikbare gegevens. De voortgangscontrole, vermeld in het tweede lid omvat : 1° de maandelijkse terugkoppeling van abnormaal verbruik;2° de jaarlijkse uitreiking van een rapport met aanbevelingen en vergelijkingen met vergelijkbare gebouwen;3° het voorzien in de nodige opleiding voor de gebruikers in de instellingen en voorzieningen;4° het voorzien in het jaarlijkse onderhoud en het gebruiksrecht van de energieboekhoudingssoftware;5° de ondersteuning van de gebruikers in de onderwijsinstellingen en de welzijns- en gezondheidsvoorzieningen via een hulplijn. Iedere onderwijsinstelling en welzijns- en gezondheidsvoorziening moet na de opstart van de energieboekhouding zelf de meterstanden opnemen en invoeren in de energieboekhouding. De meterstanden moeten minstens maandelijks worden bijgehouden. Als er op frequentere basis gegevens beschikbaar zijn bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, moeten die gegevens verwerkt worden.

Onderwijsinstellingen en welzijns- en gezondheidsvoorzieningen moeten zelf de kosten van de opstart van de energieboekhouding dragen, met uitzondering van de instellingen en voorzieningen die voor 1 oktober 2006 een energieboekhouding hebben aangevraagd bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

De overige kosten van de energieboekhouding worden gedragen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit.

Primaire energiebesparingen die voortvloeien uit de actieverplichting, maken geen deel uit van de resultaatsverplichtingen, vermeld in artikel 6.4.1.

Art. 6.4.6 Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit zijn verplicht om via sensibilisering en algemene informatieverspreiding de aandacht te vestigen op rationeel energiegebruik. Die sensibilisering verschaft de eindafnemers de nodige informatie, zo veel mogelijk afgestemd op de doelgroep, over de energiebesparingsmogelijkheden en de eventuele financiële ondersteuning door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit.

In elk geval organiseert de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit voor de doelgroep beschermde afnemers afzonderlijke, op de doelgroep afgestemde, informatiesessies over rationeel energiegebruik.

De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit kunnen voor de uitvoering van de verplichtingen, vermeld in het eerste en tweede lid, samenwerken met een of meer externe organisaties.

Art. 6.4.7 Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit zetten samenwerkingsverbanden op met sociale huisvestingsmaatschappijen en sociale verhuurkantoren die actief zijn in het werkingsgebied van respectievelijk de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, om primaire energiebesparing te realiseren.

De primaire energiebesparingen, gekoppeld aan directe energiebesparende maatregelen die voortvloeien uit deze samenwerkingsverbanden tellen mee voor het halen van de resultaatsverplichtingen, vermeld in artikel 6.4.1, zonder dat een dubbeltelling mogelijk is als die maatregelen ook al worden ondersteund door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit buiten deze samenwerkingsverbanden.

Art. 6.4.8 Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit bieden aan beschermde afnemers het volgende aan : 1° een hogere financiële tegemoetkoming dan voor niet-beschermde afnemers voor elke directe actie, opgenomen op de definitieve lijst, vermeld in artikel 6.4.17; 2° kortingbonnen voor de aankoop van een energiezuinige koelkast met A+ of A++ label of een energiezuinige wasmachine met AAA of A+AA of A+AB label.In geval van wijzigingen aan de Europese energielabels die toegekend worden aan koelkasten of wasmachines, kan het Vlaams Energieagentschap bepalen welke nieuwe energielabels evenwaardig zijn aan de hier vermelde energielabels.

De primaire energiebesparingen die voortvloeien uit deze actieverplichting, tellen mee voor het halen van de resultaatsverplichtingen, vermeld in artikel 6.4.1, zonder dat een dubbeltelling mogelijk is indien deze maatregelen ook al worden ondersteund door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit voor alle huishoudelijke eindafnemers.

Art. 6.4.9 Vanaf 2009 verleent elke elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een premie aan een huishoudelijke eindafnemer die vanaf 1 januari 2009 het dak of de zoldervloer heeft geïsoleerd van zijn woning die op het elektriciteitsnet werd aangesloten voor 1 januari 2006. Aan beschermde afnemers wordt een extra premie van 20 % toegekend.

Sociale huisvestingsmaatschappijen, sociale verhuurkantoren, de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, het Vlaams Woningfonds, lokale besturen, intergemeentelijke samenwerkingsverbanden, openbare centra voor maatschappelijk welzijn en verenigingen komen ook in aanmerking voor de premie, vermeld in het eerste lid, voor de dak- of zoldervloerisolatie die ze laten uitvoeren in de woningen die ze verhuren of doorverhuren. Ze worden voor de toepassing van dit artikel en artikel 6.4.10 gelijkgesteld met huishoudelijke eindafnemers. Voor de vaststelling van de datum van 1 januari 2009, vermeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van de facturatiedatum van de levering van het isolatiemateriaal.

Een huishoudelijke eindafnemer kan alleen in aanmerking zou komen voor de premie als de nieuw aangebrachte isolatielaag een warmteweerstand Rd heeft van ten minste 3 m2K/W. In het aanvraagformulier voor de premie vraagt de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit aan de huishoudelijke eindafnemer de toestemming om een aantal gegevens van de premieaanvraag mee te delen aan de Vlaamse overheid. De lijsten met huishoudelijke eindafnemers aan wie de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit de premie heeft toegekend, en die hun toestemming hebben gegeven om hun gegevens door te geven aan de Vlaamse overheid, worden maandelijks aan het Vlaams Energieagentschap bezorgd. Die lijsten bevatten de volgende gegevens : 1° naam;2° adres;3° factuurbedrag;4° toegekend premiebedrag;5° bankrekeningnummer;6° al dan niet beschermde afnemer;7° uitvoering met geregistreerde aannemer of als doe-het-zelver;8° aantal m2 nieuw geplaatste dakisolatie;9° rijksregisternummer of KBO-nummer. De kosten voor het maandelijks opmaken en doorsturen van de lijsten zijn ten laste van de daarvoor uitgetrokken middelen op de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap.

De primaire energiebesparingen die voortvloeien uit de actieverplichting, tellen mee om de resultaatsverplichtingen te halen, vermeld in artikel 6.4.1.

Art. 6.4.10 Binnen de perken van de daarvoor uitgetrokken middelen op de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap, wordt aan de personen die opgenomen zijn op de lijst, vermeld in artikel 6.4.9, vierde lid, en die minstens 40 m2 dak- of zoldervloerisolatie hebben geplaatst, een aanvullende forfaitaire premie toegekend.

De aanvullende forfaitaire premie, vermeld in het eerste lid, bedraagt 500 euro. Die premie wordt voor beschermde afnemers die de isolatiewerken laten uitvoeren door een geregistreerde aannemer, verhoogd met : 1° 100 euro als minstens 40 m2 en minder dan 100 m2 dak- of zoldervloerisolatie werd geplaatst;2° 300 euro als minstens 100 m2 en minder dan 150 m2 dak- of zoldervloerisolatie werd geplaatst;3° 500 euro als 150 m2 of meer dak- of zoldervloerisolatie werd geplaatst. Die premie wordt voor beschermde afnemers die de isolatiewerken zelf uitvoeren, verhoogd met 100 euro.

Voor dezelfde woning kan slechts eenmaal een aanvullende premie als vermeld in het eerste en tweede lid, worden toegekend. Het Vlaams Energieagentschap wordt belast met de uitbetaling van de premie op basis van de gegevens die zijn opgenomen in de lijsten, vermeld in artikel 6.4.9, vierde lid.

In afwijking van het eerste en tweede lid kan de aanvullende forfaitaire premie, samen met de premie van de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, vermeld in artikel 6.4.9, nooit meer bedragen dan het factuurbedrag.

Art. 6.4.11 Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit bieden op verzoek van een lokaal bestuur ondersteuning bij de planning en implementatie van het lokale energiebeleid. De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit werken daarvoor zelfstandig een aanbod uit voor de lokale besturen. Die openbaredienstverplichting bestaat uit : 1° de voortgangscontrole van de energieboekhouding die het lokale bestuur bijhoudt, waaronder wordt verstaan : a) de maandelijkse terugkoppeling van abnormaal verbruik;b) de jaarlijkse uitreiking van een rapport met aanbevelingen en vergelijkingen met vergelijkbare gebouwen;c) het voorzien in de nodige opleiding voor de gebruikers;d) het voorzien in het jaarlijkse onderhoud van de energieboekhoudingssoftware;e) de ondersteuning van de gebruikers via een hulplijn;2° de ondersteuning van de uitvoering van energieaudits, waaronder wordt verstaan : a) een financiële ondersteuning;b) een ondersteuning bij het opstellen van lastenboeken;c) een ondersteuning bij de interpretatie van auditresultaten;3° de begeleiding van de energiezorgsystemen van het lokale bestuur, waaronder wordt verstaan;a) de voortgangscontrole van de energieboekhouding, vermeld in 1°;b) de ondersteuning van de uitvoering van energieaudits, vermeld in 2°;c) financiële en organisatorische ondersteuning bij de uitvoering van de energiebesparende investeringen die uit het energiezorgsysteem voortkomen;4° het aanbieden van formules van derdepartijfinanciering of andere financieringsmechanismen voor de uitvoering van energiebesparende investeringen. Alleen de primaire energiebesparingen die voortvloeien uit het eerste lid, 4°, tellen mee om de resultaatsverplichtingen te halen, vermeld in artikel 6.4.1.

Art. 6.4.12 De minister kan, op basis van een gemotiveerde aanvraag van de elektriciteitsdistributienetbeheerder die uiterlijk ingediend is op 15 april van het kalenderjaar n-1, van de actieverplichtingen, vermeld in artikel 6.4.2 tot en met 6.4.11, afwijkingen toestaan voor elektriciteitsdistributienetbeheerders met minder dan 2 500 eindafnemers. De gemotiveerde aanvraag bevat naast de redenen om een afwijking aan te vragen eveneens een voorstel voor een compenserende actieverplichting, een compenserende financieringsverbintenis of een combinatie van beide. Na advies van het Vlaams Energieagentschap over de gemotiveerde aanvraag wordt door de minister, binnen twintig kalenderdagen na de kennisgeving van de gemotiveerde aanvraag door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, een compenserende financieringsverbintenis vastgelegd. De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan uiterlijk op 1 juni van het kalenderjaar n-1 beslissen of hij ingaat op het voorstel van de minister of dat hij er alsnog voor kiest om de actieverplichtingen vermeld in artikel 6.4.2 tot en met 6.4.11, na te leven.

Afdeling III. - Actieverplichtingen voor de elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit inzake het gebruik van hernieuwbare energiebronnen Onderafdeling I. - Beperking van aansluitingskosten Art. 6.4.13 § 1. De aanvrager van de aansluiting draagt de noodzakelijke kosten voor de aansluiting op het elektriciteitsdistributienet of op het plaatselijk vervoernet van elektriciteit van een installatie voor de productie van hernieuwbare energie op het meest aangewezen aansluitingspunt.

Onafhankelijk van het uiteindelijk bepaalde aansluitingspunt blijven de kosten voor de aanvrager in elk geval beperkt tot de aansluitingskosten, berekend voor het geval dat de aansluiting gemaakt zou worden op het dichtstbijzijnde punt van het bestaande net op een spanning van minder dan 1 kV als het aansluitingsvermogen kleiner is dan 250 kVA, op een spanning groter dan of gelijk aan 1 kV en kleiner dan 30 kV als het aansluitingsvermogen groter is dan of gelijk is aan 250 kVA en kleiner is dan 25 MVA, op een spanningsniveau van 30 kV of meer als het aansluitingsvermogen 25 MVA of meer bedraagt. Het verschil tussen de te betalen aansluitingskosten en de werkelijke aansluitingskosten, wordt gedragen door de netbeheerder op wiens net de aansluiting gerealiseerd wordt. De kosten die hierdoor ten laste gelegd worden van de netbeheerder, worden beschouwd als kosten tengevolge van de openbaredienstverplichtingen van de netbeheerder als netbeheerder. § 2. De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit dragen alle overige kosten voor de uitbouw van respectievelijk het distributienet en het plaatselijk vervoernet van elektriciteit voor de opname en het transport van de teruggeleverde energie bij een nieuwe aansluiting van een productie-installatie van elektriciteit uit een hernieuwbare energiebron.

Onderafdeling II. - Voorrang Art. 6.4.14 De netbeheerders en de transmissienetbeheerder verlenen voorrang aan de installatie van de meetapparatuur voor de metingen, vermeld in artikel 6.1.9, § 1, en aan de realisatie van meetapparatuur en aansluitingen van productie-installaties die hernieuwbare energiebronnnen en/of het principe van warmtekrachtkoppeling gebruiken, boven de realisatie van alle andere meetapparatuur en aansluitingen.

Afdeling IV. - Plannen en rapporten van de elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit Onderafdeling I. - REG-actieplan Art. 6.4.15 De elektriciteitsdistributienetbeheerders en de en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit leggen jaarlijks voor 1 juni een ontwerp-REG-actieplan voor het volgende kalenderjaar voor aan het Vlaams Energieagentschap om de resultaatsverplichtingen, vermeld in artikel 6.4.1, te bereiken, alsook om de actieverplichtingen, vermeld in artikel 6.4.2 tot en met 6.4.12, te realiseren.

Dat ontwerp-REG-actieplan bevat twee hoofdstukken : een hoofdstuk met de acties voor de realisatie van de resultaatsverplichtingen en een hoofdstuk met de projectaanpak voor de actieverplichtingen.

De minister kan nadere regels vastleggen voor de vorm en de inhoud van het ontwerp-REG-actieplan.

Art. 6.4.16 § 1. Het Vlaams Energieagentschap hecht, voor de uitvoering van het REG-actieplan gestart kan worden, zijn goedkeuring aan : 1° de berekeningsmethode die gebruikt wordt om de overeenstemmende primaire energiebesparing te bepalen die in rekening kan worden gebracht om te voldoen aan de resultaatsverplichtingen, vermeld in artikel 6.4.1; 2° de hoogte van de voorgestelde financiële tegemoetkoming die uitgekeerd zal worden aan de huishoudelijke of niet-huishoudelijke eindafnemer de uitvoering van van energiebesparende investeringen om te voldoen aan de resultaatsverplichtingen, vermeld in artikel 6.4.1; 3° de voorwaarden, verbonden aan de financiële tegemoetkoming die uitgekeerd zal worden aan de huishoudelijke of niet-huishoudelijke eindafnemer voor de uitvoering van energiebesparende investeringen om te voldoen aan de resultaatsverplichtingen, vermeld in artikel 6.4.1; 4° de projectaanpak van de actieverplichtingen. § 2. Bij de beoordeling van de berekeningsmethode, opgenomen in het ontwerp-REG-actieplan, houdt het Vlaams Energieagentschap rekening met de volgende overwegingen : 1° alleen de directe, meetbare gevolgen van de acties waarvan het oorzakelijke verband met de REG-acties van de elektriciteitsdistributienetbeheerders of van de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit aangetoond kan worden, kunnen in rekening gebracht worden om te voldoen aan de resultaatsverplichtingen, vermeld in artikel 6.4.1; 2° in geen geval kunnen de besparingen ten gevolge van informatie- en sensibiliseringscampagnes, energieaudits, planadvies, energieboekhoudingen, energiezorgsystemen, meetapparatuur om energieverliezen op te sporen, de afregeling van installaties, voorlichtingscursussen over energiezuinig bouwen of deelname aan eenmalige kortstondige energiebesparingsinitiatieven in rekening gebracht worden om te voldoen aan de resultaatsverplichtingen, vermeld in artikel 6.4.1. § 3. Bij de beoordeling van de hoogte van de voorgestelde financiële tegemoetkoming, opgenomen in het ontwerp-REG-actieplan, houdt het Vlaams Energieagentschap rekening met de overweging dat de tegemoetkoming voldoende hoog moet zijn om de actie als effectief te kunnen beschouwen. § 4. Bij de beoordeling van de voorwaarden, verbonden aan de financiële tegemoetkoming, opgenomen in het ontwerp-REG-actieplan, houdt het Vlaams Energieagentschap er rekening mee dat die voorwaarden dezelfde moeten zijn in het hele Vlaamse Gewest. § 5. Het Vlaams Energieagentschap deelt binnen zestig kalenderdagen na de kennisgeving van het ontwerp-REG-actieplan een beslissing over het ontwerp-REG-actieplan aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder of aan de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit mee.

Als het Vlaams Energieagentschap binnen die termijn geen beslissing meedeelt, is het ontwerp-REG-actieplan goedgekeurd.

Als het Vlaams Energieagentschap het nodig acht, kan het extra gegevens opvragen bij de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder of aan de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit. Het Vlaams Energieagentschap vraagt daarbij alle ontbrekende gegevens samen op. De goedkeuringstermijn voor het ontwerp-REG-actieplan wordt in dat geval opgeschort tot de kennisgeving van de gevraagde informatie. De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit bezorgt de ontbrekende informatie binnen vijfenveertig kalenderdagen na de kennisgeving van het verzoek.

Als de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit het oneens is met de beslissing van het Vlaams Energieagentschap, kan hij binnen dertig kalenderdagen na de kennisgeving de minister met een aangetekende brief op de hoogte brengen van zijn tegenargumenten. Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit bij het verstrijken van die termijn geen tegenargumenten heeft geformuleerd, wordt de beslissing als definitief beschouwd.

De minister neemt binnen dertig kalenderdagen na de kennisgeving van de tegenargumenten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of van de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een definitieve beslissing over de onderwerpen waarvoor de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit tegenargumenten heeft geformuleerd. De door de minister genomen beslissingen worden toegepast bij de uitvoering van het REG-actieplan en de controle op de resultaats- en actieverplichtingen. Als de minister binnen de termijn van dertig kalenderdagen geen beslissing neemt, worden de tegenargumenten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of van de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit en de daarmee gepaard gaande gevolgen voor het REG-actieplan goedgekeurd.

Onderafdeling II. - Definitieve lijst van acties Art. 6.4.17 § 1. De elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit leggen jaarlijks voor 1 december een definitieve lijst met acties uit het goedgekeurde REG-actieplan voor die zullen worden gevoerd in het kalenderjaar n+1. De acties, vermeld in de lijst, worden gedurende het volledige kalenderjaar n+1 uitgevoerd. § 2. De elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit leggen gelijktijdig met de definitieve lijst met acties, vermeld in paragraaf 1, twee reserveacties uit het goedgekeurde REG-actieplan voor die in de loop van het kalenderjaar n+1 na de goedkeuring door het Vlaams Energieagentschap kunnen worden opgestart als de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit kan aantonen dat de kans reëel is dat hij zijn resultaatsverplichtingen voor het betreffende kalenderjaar niet kan nakomen.

Het Vlaams Energieagentschap deelt binnen twintig kalenderdagen na de kennisgeving van de gemotiveerde aanvraag tot opstart van de reserveacties zijn beslissing over de opstart van de reserveacties mee. Als het Vlaams Energieagentschap binnen die termijn geen beslissing meedeelt, wordt de opstart van de reserveacties goedgekeurd.

Als het Vlaams Energieagentschap het nodig acht, kan het extra informatie opvragen bij de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder of aan de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit. Het Vlaams Energieagentschap vraagt daarbij alle ontbrekende informatie samen op. De goedkeuringstermijn wordt in dat geval opgeschort tot de kennisgeving van de gevraagde informatie. De elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit bezorgt de ontbrekende informatie binnen vijf kalenderdagen na de kennisgeving van het verzoek.

Als de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit het oneens is met de beslissing van het Vlaams Energieagentschap, kan hij binnen twintig kalenderdagen na de kennisgeving de minister met een aangetekende brief op de hoogte brengen van zijn tegenargumenten. Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit bij het verstrijken van die termijn geen tegenargumenten heeft geformuleerd, wordt de beslissing als definitief beschouwd.

De minister neemt binnen twintig kalenderdagen na de kennisgeving van de tegenargumenten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een definitieve beslissing over de opstart van de reserveacties waarvoor de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit tegenargumenten heeft geformuleerd. Als de minister binnen de termijn van twintig kalenderdagen geen beslissing neemt, worden de tegenargumenten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of van de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit goedgekeurd en kunnen de reserveacties worden opgestart. § 3. Voor elk van de acties, vermeld in paragrafen 1 en 2, leggen de elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, ook voor 1 december, een aanvraagformulier voor dat zal worden gebruikt om een financiële tegemoetkoming te verkrijgen.

Art. 6.4.18 § 1. Het Vlaams Energieagentschap hecht, voor de uitvoering van het REG-actieplan gestart kan worden, zijn goedkeuring aan de inhoud van de aanvraagformulieren, vermeld in artikel 6.4.17. § 2. Bij de beoordeling van de inhoud van die aanvraagformulieren houdt het Vlaams Energieagentschap er rekening mee dat ze minstens de gegevens bevatten die de elektriciteitsdistributienetbeheerders en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit moeten rapporteren met toepassing van artikel 6.4.19. § 3. Het Vlaams Energieagentschap deelt binnen twintig kalenderdagen na de kennisgeving van de definitieve lijst van acties en de twee reserveacties een beslissing over de aanvraagformulieren aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit mee. Als het Vlaams Energieagentschap binnen die termijn geen beslissing meedeelt, worden de aanvraagformulieren goedgekeurd.

Als het Vlaams Energieagentschap het nodig acht, kan het extra gegevens opvragen bij de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder of bij de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit. Het Vlaams Energieagentschap vraagt daarbij alle ontbrekende gegevens samen op. De goedkeuringstermijn voor de aanvraagformulieren wordt in dat geval opgeschort tot de kennisgeving van de gevraagde informatie. De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit bezorgen de ontbrekende informatie binnen vijf kalenderdagen na de kennisgeving van het verzoek.

Als de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit het oneens is met de beslissing van het Vlaams Energieagentschap, kan hij binnen twintig kalenderdagen na de kennisgeving de minister met een aangetekende brief op de hoogte brengen van zijn tegenargumenten. Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit bij het verstrijken van die termijn geen tegenargumenten heeft geformuleerd, wordt de beslissing als definitief beschouwd.

De minister neemt binnen twintig kalenderdagen na de kennisgeving van de tegenargumenten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of van de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een definitieve beslissing over de onderwerpen waarvoor de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit tegenargumenten heeft geformuleerd. De door de minister genomen beslissingen worden toegepast bij de opstelling van de aanvraagformulieren. Als de minister binnen de termijn van twintig kalenderdagen geen beslissing neemt, worden de tegenargumenten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of van de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit en de daarmee gepaard gaande gevolgen voor de aanvraagformulieren goedgekeurd.

Onderafdeling III. - Rapporten Art. 6.4.19 Elke elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit leggen jaarlijks voor 1 mei aan het Vlaams Energieagentschap een ontwerp-REG-rapport voor over de uitvoering van het REG-actieplan van het voorgaande kalenderjaar. De minister legt vast welke gegevens in dat ontwerp-REG-rapport opgenomen worden.

Het ontwerp-REG-rapport, vermeld in het eerste lid, bevat in elk geval een hoofdstuk over de uitvoering van de energieboekhouding bij onderwijsinstellingen en gezondheids- en welzijnsvoorzieningen.

Het Vlaams Energieagentschap kan alle inlichtingen en gegevens opvragen die nodig zijn voor de uitvoering van de controle, hetzij bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, hetzij bij de VREG. De minister stelt jaarlijks de rapportering over de energieboekhouding bij onderwijsinstellingen en gezondheids- en welzijnsvoorzieningen ter beschikking van respectievelijk de Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs en de Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen.

Art. 6.4.20 Het Vlaams Energieagentschap beoordeelt voor 1 oktober het ingediende ontwerp-REG-rapport, vermeld in artikel 6.4.19, en legt vast welke primaire energiebesparingen worden goedgekeurd in het kader van de resultaats- en actieverplichtingen, vermeld in artikel 6.4.1 tot en met 6.4.12, alsook het al dan niet naleven van de actieverplichtingen, vermeld in artikel 6.4.2 tot en met 6.4.12. Als het Vlaams Energieagentschap binnen die termijn geen beslissing meedeelt, wordt het ontwerp-REG-rapport goedgekeurd en wordt op basis van de in het ontwerp-REG-rapport gerapporteerde gegevens bepaald of de resultaats- en actieverplichtingen, vermeld in artikel 6.4.1 tot en met 6.4.12, werden gehaald, en worden de eventueel gerealiseerde overdrachten naar het volgende kalenderjaar vastgelegd.

Als de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit het oneens is met de beslissing van het Vlaams Energieagentschap, kan hij binnen dertig kalenderdagen na de kennisgeving de minister met een aangetekende brief op de hoogte brengen van zijn tegenargumenten. Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit bij het verstrijken van die termijn geen tegenargumenten heeft geformuleerd, wordt de beslissing als definitief beschouwd.

De minister neemt binnen dertig kalenderdagen na de kennisgeving van de tegenargumenten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of van de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit een definitieve beslissing over de onderwerpen waarvoor de elektriciteitsdistributienetbeheerderof de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit tegenargumenten heeft geformuleerd. De door de minister genomen beslissingen worden toegepast. Als de minister binnen de termijn van dertig kalenderdagen geen beslissing neemt, worden de tegenargumenten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of van de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit en de daarmee gepaard gaande gevolgen voor het behaalde resultaat van het REG-actieplan en de eventuele overdrachten naar het volgende kalenderjaar goedgekeurd.

Afdeling V. - Actieverplichtingen voor de aardgasdistributienetbeheerders Art. 6.4.21 De aardgasdistributienetbeheerder stelt een keer per jaar op schriftelijk verzoek van een niet-huishoudelijke eindafnemer van aardgas alle beschikbare afnamegegevens voor de laatste drie jaar gratis binnen twintig werkdagen ter beschikking van de betrokken eindafnemer of van een derde die de eindafnemer heeft aangewezen.

Art. 6.4.22 De aardgasdistributienetbeheerder brengt de op het aardgasdistributienet aansluitbaar geworden eindafnemers op de hoogte van de mogelijkheid en de voorwaarden tot aansluiting op het aardgasdistributienet.

Afdeling VI. - Actieverplichtingen voor de leveranciers van elektriciteit Art. 6.4.23 § 1. Op elke factuur die gebaseerd is op nieuwe afnamegegevens of op een begeleidend document of, voor niet-huishoudelijke eindafnemers van elektriciteit, op een beveiligde internettoepassing waarnaar op de factuur wordt verwezen, wordt door de leverancier het jaarlijkse elektriciteitsverbruik tijdens de laatste drie jaar op een overzichtelijke manier weergegeven.

Als de facturen, vermeld in het eerste lid, frequenter dan jaarlijks worden voorgelegd en daartoe afnamegegevens over een kortere afrekeningsperiode worden gebruikt, worden de gegevens van de laatste drie jaar ook per afrekeningsperiode gegeven. De vermelde gegevens per afrekeningsperiode worden zodanig genormaliseerd dat ze altijd onderling vergelijkbaar zijn en betrekking hebben op hetzelfde aantal verbruiksdagen.

Als de factuur, vermeld in het eerste lid, betrekking heeft op meer dan acht en minder dan veertien maanden en de gegevens van de laatste twaalf maanden niet bekend zijn, worden de gegevens, vermeld in het eerste lid, voor de afnemer op laagspanning genormaliseerd naar twaalf maanden, volgens het profiel van de betrokken eindafnemer, vastgelegd door de VREG. De gegevens, vermeld in het eerste lid, worden opgemaakt per meetpunt en voor de totale meetinstallatie waarvoor een afrekening wordt voorgelegd. Voor meetinstallaties die een onderscheid maken in gebruiksperiode, namelijk daggebruik, nachtgebruik of exclusief nachtgebruik, wordt elke teller als een meetpunt beschouwd. § 2. Als de leverancier niet over de gegevens, vermeld in paragraaf 1, beschikt, vraagt hij die op bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder of bij de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit. Behoudens schriftelijk verzet van de eindafnemer verschaffen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit, op eenvoudig verzoek van de leverancier, de nodige informatie aan de leverancier. De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de beheerder van het plaatselijk vervoernet van elektriciteit beschikken over een periode van twintig werkdagen om die gegevens ter beschikking te stellen. § 3. De minister kan voorwaarden vastleggen voor de vorm waarin de gegevens, vermeld in paragrafen 1 en 2, worden verstrekt.

Art. 6.4.24 § 1. Op elke factuur of op een begeleidend document daarbij en in het promotiemateriaal dat hij rechtstreeks aan zijn eindafnemers overmaakt, vermeldt de leverancier : 1° de oorsprong van de door hem in het voorgaande kalenderjaar via het transmissienet, het plaatselijk vervoernet van elektriciteit of het distributienet geleverde elektriciteit aan eindafnemers, in totaal en voor het aangeboden product en dit vanaf 1 maart van het lopende jaar;2° de referentiebronnen waar voor het publiek toegankelijke informatie beschikbaar is over de gevolgen voor het milieu wat betreft CO2-emissies en radioactief afval van elektriciteitsproductie met verschillende energiebronnen. De minister bepaalt de vorm waarop deze vermeldingen dienen te gebeuren en de referentiebronnen waarnaar dient te worden verwezen. § 2. De oorsprong van de elektriciteit wordt opgegeven onder volgende categorieën : 1° elektriciteit geproduceerd met hernieuwbare energiebronnen;2° elektriciteit geproduceerd in kwalitatieve warmtekrachtinstallaties;3° elektriciteit geproduceerd met fossiele brandstoffen;4° elektriciteit geproduceerd in nucleaire centrales;5° elektriciteit waarvan de oorsprong onbekend is. De indeling van elektriciteit in de categorie elektriciteit waarvan de oorsprong onbekend is, is enkel toegestaan voor een fractie kleiner dan 5 % of ingeval de leverancier gemotiveerd kan aantonen dat de oorsprong niet achterhaald kan worden. De leverancier vraagt hiervoor de goedkeuring van de VREG. § 3. Het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen, als vermeld in paragraaf 2, 1°, wordt vanaf 1 maart van het lopende jaar bepaald op basis van de verhouding van het aantal groenestroomcertificaten, uitgedrukt in MWh, dat door de leverancier voor leveringen in het voorgaande kalenderjaar werd gebruikt als garantie van oorsprong, zoals vermeld in artikel 6.1.17, ten opzichte van de hoeveelheid via het distributienet, het plaatselijk vervoernet van elektriciteit of het transmissienet geleverde elektriciteit aan eindafnemers in het Vlaamse Gewest door de betrokken leverancier. Die verhouding wordt bepaald zowel voor het totaal van zijn leveringen als voor zijn leveringen van het aangeboden product aan de betrokken eindafnemers.

Het aandeel elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling, als vermeld in paragraaf 2, 2°, wordt vanaf 1 maart van het lopende jaar bepaald op basis van de verhouding van de hoeveelheid elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling, vermeld op de warmtekrachtcertificaten, die door de leverancier voor leveringen in het voorgaande kalenderjaar werd gebruikt als garantie van oorsprong, zoals vermeld in artikel 6.2.13, ten opzichte van de hoeveelheid geleverde elektriciteit aan eindafnemers in het Vlaamse Gewest door de betrokken leverancier. Die verhouding wordt bepaald zowel voor het totaal van zijn leveringen als voor zijn leveringen van het aangeboden product aan de betrokken eindafnemers.

Het aandeel elektriciteit uit de andere energiebronnen, vermeld in paragraaf 2, 3° tot 5°, wordt vanaf 1 maart van het lopende jaar bepaald als (1 - het aandeel elektriciteit uit kwalitatieve warmtekrachtkoppeling en hernieuwbare energiebronnen, vermeld in het eerste en tweede lid). Dat aandeel wordt verdeeld over de andere energiebronnen, vermeld in paragraaf 2, 3° tot 5°, op basis van het aandeel van die andere energiebronnen dan de hernieuwbare energie of kwalitatieve warmtekrachtkoppeling in de totale brandstofmix van het productiepark in het voorgaande kalenderjaar van de leverancier of van de elektriciteitsproducenten waarmee de leverancier rechtstreekse of onrechtstreekse overeenkomsten had gesloten om zijn leveringen van het voorgaande kalenderjaar te dekken.

Voor elektriciteit die is verkregen via invoer of via elektriciteitsuitwisseling op een elektriciteitsbeurs kunnen de door de betrokken invoerder of elektriciteitsbeurs verstrekte geaggregeerde cijfers worden gebruikt voor de bepaling van het aandeel elektriciteit uit de andere energiebronnen, vermeld in paragraaf 2, 3°tot 5°. § 4. De VREG kan nadere regels vastleggen voor de bepaling van de brandstofmix van de globale leveringen van een leverancier, namelijk de som van de leveringen via het distributienet, het plaatselijk vervoernet van elektriciteit en het transmissienet enerzijds en de rechtstreekse leveringen anderzijds. § 5. De VREG gaat na of de informatie die door de leverancier wordt gegeven bij de toepassing van dit artikel correct is. De leverancier dient jaarlijks voor 1 maart een rapport in bij de VREG over de oorsprong van de geleverde elektriciteit tijdens het voorgaande kalenderjaar. De VREG stelt dat rapport ter beschikking van het Vlaams Energieagentschap. Het syntheseverslag wordt gepubliceerd op de website van de VREG, samen met de door de leveranciers gehanteerde percentages inzake oorsprong van de door hen geleverde elektriciteit, vermeld in paragraaf 1, 1°. § 6. De minister kan nadere regels bepalen voor de praktische uitvoering en de rapportering in het kader van dit artikel.

Afdeling VII. - Actieverplichtingen voor de leveranciers van aardgas Art. 6.4.25 § 1. Op elke factuur die gebaseerd is op nieuwe afnamegegevens of op een begeleidend document of, voor niet-huishoudelijke eindafnemers van aardgas op een beveiligde internettoepassing waarnaar op de factuur wordt verwezen, wordt door de leverancier het jaarlijkse aardgasverbruik tijdens de laatste drie jaar op een overzichtelijke manier weergegeven.

Als de facturen, vermeld in het eerste lid, frequenter dan jaarlijks worden voorgelegd en daartoe afnamegegevens over een kortere afrekeningsperiode worden gebruikt, worden de gegevens van die laatste drie jaar ook per afrekeningsperiode gegeven.

Als de factuur, vermeld in het eerste lid, betrekking heeft op meer dan acht en minder dan veertien maanden en de gegevens van de laatste twaalf maanden niet bekend zijn, worden de gegevens, vermeld in het eerste lid, omgerekend naar twaalf maanden, volgens het profiel van de betrokken eindafnemer, vastgelegd door de VREG. De gegevens, vermeld in het eerste lid, worden opgemaakt per meetpunt en voor de totale meetinstallatie waarvoor een afrekening wordt voorgelegd. § 2. Als de leverancier niet over de gegevens, vermeld in paragraaf 1, beschikt, vraagt hij die op bij de aardgasdistributienetbeheerder.

Behoudens schriftelijk verzet van de eindafnemer verschaft de aardgasdistributienetbeheerder, op eenvoudig verzoek van de leverancier, de nodige informatie aan de leverancier. De aardgasdistributienetbeheerder beschikt over een periode van twintig werkdagen om die gegevens ter beschikking te stellen. § 3. De minister kan voorwaarden vastleggen voor de vorm waarin de gegevens, vermeld in paragrafen 1 en 2, worden verstrekt.

Afdeling VIII. - Evaluatie Art. 6.4.26 Het Vlaams Energieagentschap legt jaarlijks voor 31 december een evaluatieverslag over het kalenderjaar n-1 voor aan de VREG. Dat verslag bevat informatie over de naleving van de resultaatsverplichtingen en de actieverplichtingen, vastgelegd in dit hoofdstuk met uitzondering van afdeling III, en over het tijdig voorleggen van REG-actieplannen en -rapporten.

Voor het eerst in 2010 en vervolgens om de vijf jaar legt de minister aan de Vlaamse Regering een evaluatierapport voor, waarin de effecten van de resultaats- en actieverplichtingen, de kosten van de acties en de kosteneffectiviteit van de acties worden geëvalueerd en waarin eventueel wordt voorgesteld om de resultaatsverplichtingen en de actieverplichtingen te wijzigen.

HOOFDSTUK V. - Energieplanning voor ingedeelde energie-intensieve inrichtingen Afdeling I. - Opmaak en inhoud van de energieplannen en energiestudies Art. 6.5.1 Het energieplan en de energiestudie worden opgesteld door aanvaarde energiedeskundige(n), op initiatief en onder de verantwoordelijkheid van de exploitant. De exploitant stelt de energiedeskundige(n) alle nodige informatie ter beschikking en verleent de nodige medewerking.

Art. 6.5.2 Een energieplan dat goedgekeurd is in het kader van een energiebeleidsovereenkomst, geldt als conform verklaard energieplan voor de toepassing van dit hoofdstuk.

Art. 6.5.3 Een energieplan, goedgekeurd in het kader van een energiebeleidsovereenkomst waarin de nieuwe inrichting of de belangrijke wijzigingen aan een inrichting, waarop dit hoofdstuk van toepassing is, zijn opgenomen, geldt als energiestudie voor de toepassing van dit hoofdstuk. De exploitant voegt een kopie van het energieplan bij de vergunningsaanvraag overeenkomstig titel I, hoofdstuk III, artikel 5 van het VLAREM. Art. 6.5.4 § 1. Het energieplan bevat tenminste de volgende elementen : 1° een technische beschrijving van de inrichting;2° het gemeten jaarlijkse energiegebruik;3° de naam en het adres van de energiedeskundige(n) betrokken bij het opstellen van het energieplan;4° de resultaten van een analyse van het specifieke energiegebruik van de inrichting en de identificatie van mogelijke maatregelen om dat specifieke energiegebruik te verminderen;5° een oplijsting van de maatregelen, vermeld in 4°;6° de volgende elementen voor elk van de bedoelde maatregelen, vermeld in 4°en 5° ;a) een technische beschrijving;b) de investeringskost;c) de jaarlijkse exploitatiekost;d) de verwachte energiebesparing;e) de jaarlijkse financiële opbrengst door de energiebesparing;f) de terugverdientijd;g) de interne rentevoet na belastingen;7° een lijst van alle maatregelen die overeenkomstig de gegevens vermeld in 6°, een interne rentevoet van minstens 15 % na belastingen hebben; 8° een chronologisch stappenplan met timing tot implementatie van alle maatregelen, vermeld in 7°, volgens de tijdslimieten, vermeld in titel II, hoofdstuk 4.9, artikel 4.9.2, van het VLAREM; 9° als het een energieplan betreft dat in het kader van een aanvraag tot hervergunning wordt opgesteld, zal het chronologische stappenplan zodanig worden opgesteld dat alle maatregelen, vermeld in 7°, uitgevoerd worden binnen een termijn van drie jaar. § 2. De energiestudie bevat minstens de volgende elementen : 1° het verwachte jaarlijkse energiegebruik;2° de naam en het adres van de energiedeskundige(n) betrokken bij het opstellen van de energiestudie;3° een situering van de energie-efficiëntie van de inrichting of onderdeel ervan op basis van een vergelijking met gelijkaardige inrichtingen of onderdelen van inrichtingen die op de markt beschikbaar zijn;4° op basis van de situering, vermeld in 3°, een motivering dat de in bedrijf te stellen inrichting de meest energie-efficiënte inrichting is die economisch haalbaar is.De exploitant moet aantonen dat energie-efficiëntereinstallaties die beschikbaar zijn op de markt of dat maatregelen die extra genomen kunnen worden om de energie-efficiëntie van de inrichting te verhogen, een interne rentevoet hebben van minder dan 15 % na belastingen. De exploitant neemt daarvoor in de energiestudie een vergelijkende tabel op waarin voor al de beschikbare energie-efficiëntere installaties en voor de mogelijke extra investeringen ter verbetering van de energie-efficiëntie de volgende gegevens zijn opgenomen : a) een beknopte technische beschrijving;b) de investeringskost;c) de voorziene jaarlijkse exploitatiekosten;d) de verwachte energiebesparing ten opzichte van de vooropgestelde installatie;e) de jaarlijkse financiële opbrengst door de energiebesparing;f) de terugverdientijd;g) de interne rentevoet na belastingen. Afdeling II. - Conformverklaring van energieplannen Art. 6.5.5 § 1. Een energieplan wordt per aangetekende brief voor conformverklaring ingediend bij het Vlaams Energieagentschap. Het Vlaams Energieagentschap neemt een beslissing over de conformiteit van het energieplan. Het kan zich bij die taak laten bijstaan door externe experten. § 2. Een energieplan is conform als het aan de volgende vereisten voldoet : 1° het energieplan is ondertekend en gedateerd door de exploitant en een of meer door het Vlaams Energieagentschap aanvaarde energiedeskundigen; 2° het energieplan is opgesteld volgens de structuur vermeld in artikel 6.5.4; 3° het energieplan voldoet inhoudelijk aan de bepalingen, vermeld in artikel 6.5.4. § 3. Het Vlaams Energieagentschap kan bij onvolledigheid van het dossier en binnen twintig dagen na de dag van de ontvangst van het dossier de exploitant per aangetekende brief vragen om het aan te vullen. De exploitant is verplicht om de informatie zo snel mogelijk en uiterlijk binnen twintig dagen na de ontvangst van de aangetekende brief aan het Vlaams Energieagentschap te bezorgen. § 4. Het Vlaams Energieagentschap bezorgt, per aangetekende brief, zijn gemotiveerde beslissing over de conformiteit van het volledige energieplan aan de exploitant binnen veertig dagen na de dag van de ontvangst van het volledige energieplan. Het Vlaams Energieagentschap kan de termijn voor de beslissing over de conformiteit, bij wijze van een gemotiveerde beslissing, eenmaal verlengen met maximaal dertig dagen. Het brengt de exploitant, per aangetekende brief, op de hoogte van de verlenging van de behandelingstermijn. § 5. Als het Vlaams Energieagentschap binnen de termijn, vermeld in paragraaf 4, geen beslissing heeft genomen, wordt het ingediende energieplan als conform beschouwd. § 6. De exploitant kan binnen twintig dagen na de dag van de ontvangst van de beslissing van het Vlaams Energieagentschap, met een aangetekende brief, bij de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, een gemotiveerd beroep indienen tegen de beslissing, vermeld in paragraaf 4. § 7. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu vraagt over het beroep advies aan de gewestelijke milieuvergunningscommissie, vermeld in titel I, hoofdstuk VII, artikel 26, van het VLAREM. Het advies van de gewestelijke milieuvergunningscommissie volgt de procedure, vermeld in titel I, hoofdstuk VII, van het VLAREM. Bij de beoordeling van het beroep binnen de gewestelijke milieuvergunningscommissie hebben de volgende organen en deskundigen stemrecht : 1° de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen;2° het Vlaams Energieagentschap;3° de Vlaamse Milieumaatschappij;4° twee externe deskundigen die op grond van hun bijzondere wetenschappelijke of technische bekwaamheid zijn aangewezen door de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu. § 8. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu doet binnen drie maanden na de dag van de ontvangst van het beroep een uitspraak, bezorgt die aan het Vlaams Energieagentschap, en per aangetekende brief aan de exploitant. § 9. Als de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu binnen een termijn van drie maanden na de dag van de ontvangst van het beroep geen uitspraak heeft gedaan, wordt het betreffende energieplan als conform beschouwd.

Afdeling III. - Aanvaarding van energiedeskundigen Art. 6.5.6 § 1. Het Vlaams Energieagentschap is bevoegd voor het aanvaarden van energiedeskundigen. § 2. De energiedeskundigen voldoen minstens aan de volgende vereisten : 1° ze mogen geen deel uitmaken van het bedrijfspersoneel van de inrichting waarvoor ze een energieplan of een energiestudie opstellen;2° ze bezitten een grondige technische en bedrijfseconomische kennis van de te onderzoeken inrichting. § 3. De minister kan de verdere procedure voor de aanvaarding van de energiedeskundigen vastleggen.

Afdeling IV. - Actualisering van het energieplan Art. 6.5.7 § 1. De conformiteit van het energieplan geldt voor een periode van vier jaar, te rekenen vanaf de datum waarop het Vlaams Energieagentschap het conform heeft verklaard. § 2. De exploitant bezorgt minstens drie maanden voor de conformiteit van het lopende energieplan vervalt, aan het Vlaams Energieagentschap een aanvraag tot conformverklaring van een geactualiseerd energieplan. § 3. Het geactualiseerde energieplan voldoet aan de vereisten van artikel 6.5.4, § 1, en wordt aangevuld met de volgende onderdelen : 1° een overzicht van de uitvoering van de maatregelen uit het vorige energieplan met de vermelding van hun effecten op het vlak van energiegebruik en CO2-emissies;2° een lijst met eventuele wijzigingen aan het vorige energieplan. Gegevens die al werden opgenomen in het vorige conform verklaarde energieplan en in de tussentijd niet gewijzigd zijn, hoeven niet herhaald te worden in het geactualiseerde energieplan. Een verwijzing naar die gegevens in het geactualiseerd energieplan volstaat. § 4. Het Vlaams Energieagentschap neemt een beslissing over de conformiteit van het energieplan volgens de bepalingen in artikel 6.5.1, 6.5.4 en 6.5.5. Vanaf de datum van de conformverklaring vervangt het geactualiseerde energieplan het vorige energieplan.

Afdeling V. - Overzichtrapport van de overheid Art. 6.5.8 § 1. Het Vlaams Energieagentschap maakt jaarlijks een overzichtsrapport over de uitvoering van dit hoofdstuk. § 2. Het overzichtsrapport bevat volgende elementen : 1° het totale aantal beoordeelde energieplannen en energiestudies tijdens het vorige kalenderjaar;2° een overzicht van het aantal conform verklaarde energieplannen en energiestudies;3° de verwachte totale energiebesparing als gevolg van de energiestudies;4° op basis van de geactualiseerde energieplannen een overzicht van de al uitgevoerde maatregelen uit de vorige energieplannen met de vermelding van hun effecten op vlak van energiegebruik en CO2-emissies;5° een algemene evaluatie van de uitvoering van dit hoofdstuk. TITEL VII. - Tegemoetkomingen ter bevordering van het rationeel energiegebruik, het gebruik van hernieuwbare energiebronnen en de toepassing van flexibiliteitsmechanismen HOOFSTUK I - Steunprogramma's voor natuurlijke personen Art. 7.1.1 § 1. Binnen de middelen die door de minister daartoe na beslissing van de Vlaamse Regering in het Energiefonds worden gereserveerd, wordt aan natuurlijke personen die eigenaar of huurder zijn van een bestaand residentieel gebouw of een bestaande wooneenheid in het Vlaamse Gewest, en die onderworpen zijn aan de Belgische personenbelasting, een premie toegekend voor de uitgaven die door de aanvrager van de premie werkelijk zijn betaald voor de werkzaamheden, vermeld in artikel 7.1.3 tot en met 7.1.6.

Een bestaand residentieel gebouw of bestaande wooneenheid, is een residentieel gebouw of wooneenheid waarvan de bouwwerkzaamheden voor 1 januari 2006 minstens voorlopig zijn opgeleverd.

De premie, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend op voorwaarde dat de som van de gecorrigeerde basisbelastingen van de aanvrager van de premie en zijn samenwonende partner lager is dan het geïndexeerde, niet - verhoogde bedrag, vermeld in artikel 145/24, § 1, vierde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, waarbij het geïndexeerde bedrag van toepassing is voor het aanslagjaar dat is verbonden aan het betalingsjaar. Aan personen die kunnen gebruikmaken van het terugbetaalbare belastingskrediet, vermeld in artikel 156bis, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, kan de premie niet worden toegekend. Het terugbetaalbare belastingskrediet is voor het eerst van toepassing op subsidiedossiers waarbij de eerste betaling door de premieaanvrager van een subsidiabele investering plaatsvindt in 2010.

De voorwaarde, vermeld in het tweede lid, wordt toegepast op de inkomsten van het derde jaar dat voorafgaat aan het betalingsjaar. De aanslagbiljetten personenbelasting en aanvullende belastingen betreffende de inkomsten van het derde jaar dat voorafgaat aan het betalingsjaar van de aanvrager van de premie en zijn samenwonende partner, worden als bewijsstukken beschouwd dat aan deze voorwaarde is voldaan.

De premie, vermeld in het eerste lid, kan alleen in het betalingsjaar en de twee daaropvolgende maanden worden aangevraagd. § 2. Als uit de aanslagbiljetten personenbelasting en aanvullende belastingen betreffende de inkomsten van het derde jaar dat voorafgaat aan het betalingsjaar van een natuurlijke persoon, als vermeld in paragraaf 1, en zijn samenwonende partner, blijkt dat niet is voldaan aan de voorwaarde, vermeld in § 1, tweede lid, en de aanvrager van de premie van mening is dat uit de belastingaanslagen betreffende de inkomsten van het betalingsjaar zal blijken dat wel is voldaan aan de voorwaarde, kan aan hem een premie onder voorwaarden worden toegekend.

Die premie wordt beschouwd als definitief toegekend nadat op basis van de aanslagbiljetten personenbelasting en aanvullende belastingen over de inkomsten van het betalingsjaar is vastgesteld dat inderdaad is voldaan aan de voorwaarde, vermeld in paragraaf 1, tweede lid.

Artikel 7.1.2 blijft van overeenkomstige toepassing. § 3. In afwijking van paragraaf 1 kan aan de samenwonende partner van de natuurlijke personen, vermeld in paragraaf 1, geen premie, als vermeld in paragraaf 1, worden toegekend voor hetzelfde betalingsjaar.

Art. 7.1.2. De natuurlijke persoon die de premie aanvraagt, voegt bij zijn aanvraag een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier, het aanslagbiljet personenbelasting en aanvullende belastingen betreffende de personenbelasting met betrekking tot de inkomsten van het derde jaar dat voorafgaat aan het betalingsjaar, en, in voorkomend geval, het aanslagbiljet personenbelasting en aanvullende belastingen van zijn samenwonende partner, alsook de aan hem gerichte factuur of facturen voor de werkzaamheden waarvoor de premie wordt aangevraagd, en de betalingsbewijzen waaruit duidelijk en ondubbelzinnig blijkt op welk ogenblik en door wie de facturen volledig betaald zijn. De factuur of facturen vermelden ondubbelzinnig de nodige gegevens om na te kunnen gaan of aan de voorwaarden van dit hoofdstuk is voldaan en om het bedrag van de toe te kennen premie vast te stellen.

De natuurlijke persoon die de premie aanvraagt, verklaart op het ogenblik van zijn aanvraag dat hij en zijn samenwonende partner in de aanslagjaren met betrekking tot de inkomsten van het facturatiejaar en met betrekking tot het betalingsjaar geen gebruik zullen maken van het voordeel, vermeld in artikel 145/24, § 1, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

Art. 7.1.3 Voor de uitvoering van dakisolatiewerkzaamheden bedraagt de premie maximaal 8 euro per m2 geïsoleerde oppervlakte. De minister kan het bedrag van de toegekende premie vastleggen afhankelijk van de aard van de dakisolatiewerkzaamheden, van de aard en het isolerend vermogen van de toegepaste materialen en van de gebruikte constructie.

De volgende werkzaamheden worden beschouwd al dakisolatiewerkzaamheden als vermeld in het eerste lid : 1° de isolatie van het dak zelf;2° de isolatie van de zoldervloer onder een hellend dak;3° een combinatie van de werkzaamheden vermeld in 1° en 2° . Art. 7.1.4 Voor de vervanging van enkel glas en ramen met enkel glas door glas of glasramen met hoge isolerende eigenschappen bedraagt de premie maximaal 150 euro per m2 glasoppervlakte.

De minister kan het bedrag van de toegekende premie vastleggen afhankelijk van het isolerend vermogen van de toegepaste materialen.

Art. 7.1.5 Voor de vervanging van dubbel glas en ramen met dubbel glas door glas of glasramen met hoge isolerende eigenschappen bedraagt de premie maximaal 100 euro per m2 glasoppervlakte.

De minister kan het bedrag van de toegekende premie vastleggen afhankelijk van het isolerend vermogen van de toegepaste materialen.

Art. 7.1.6 Voor de vervanging van een of meer verwarmingstoestellen door een condensatieketel bedraagt de premie 1500 euro.

Art. 7.1.7 De werkzaamheden, vermeld in artikel 7.1.3 tot en met 7.1.6, moeten betrekking hebben op residentiële gebouwen of wooneenheden in het Vlaamse Gewest en worden uitgevoerd door een geregistreerde aannemer in opdracht van en op kosten van de aanvrager van de premie, die ook eigenaar of huurder is van het residentiële gebouw of de wooneenheid waarin de betreffende werkzaamheden worden uitgevoerd.

De minister kan nadere eisen bepalen waaraan de werkzaamheden, materialen en toestellen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de premie. Werkzaamheden in nieuwbouwwoningen komen niet in aanmerking.

Art. 7.1.8 Het gecumuleerde bedrag van de premies, vermeld in artikel 7.1.3 tot en met 7.1.6, dat per kalenderjaar aan een begunstigde wordt toegekend, mag niet meer bedragen dan het geïndexeerde, niet-verhoogde bedrag, vermeld in artikel 145/24, § 1, vierde lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, waarbij het geïndexeerde bedrag van toepassing is voor het aanslagjaar dat is verbonden aan het betalingsjaar.

De premie die toegekend wordt voor de werkzaamheden, vermeld in artikel 7.1.3 tot en met 7.1.6, kan, samen met eventuele andere premies van de Vlaamse overheid, van distributienetbeheerders of van lokale besturen, nooit meer bedragen dan de werkelijke investeringskost.

Art. 7.1.9 Overeenkomstig artikel 8.7.3 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 worden de bedragen, vermeld in artikel 7.1.3, eerste lid, artikel 7.1.4, eerste lid, artikel 7.1.5, eerste lid, artikel 7.1.6 en 7.1.8, eerste lid, telkens met 20 % verhoogd voor de beschermde afnemers.

Art. 7.1.10 Als de wooneenheid of het residentiële gebouw waarop de investering betrekking heeft, nog andere functies vervult dan bewoning door de aanvrager van de premie, worden de bedragen, vermeld in artikel 7.1.3 tot en met 7.1.6, beperkt tot de bijdrage van de woonfunctie, door de aanvrager of zijn huurder, in het geheel van de wooneenheid of het residentiële gebouw, volgens de aanrekeningsregels die worden toegepast in de aangiften van de inkomstenbelastingen voor de verschillende functies.

Voor de werkzaamheden, vermeld in artikel 7.1.3 tot en met 7.1.6, die uitgaven genereren die in aanmerking zijn genomen als werkelijke beroepskosten of die recht geven op een investeringsaftrek, als vermeld in artikel 69 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, wordt geen premie toegekend.

Art. 7.1.11 De minister bepaalt de nadere aanvraag- en toekenningsprocedures voor de premies, vermeld in artikel 7.1.3 tot en met 7.1.6.

Voor de materiële administratieve afhandeling van de dossiers kan de minister een beroep doen op de elektriciteitsdistributienetbeheerders.

Art. 7.1.12 De kosten voor de uitvoering van dit hoofdstuk zijn ten laste van het Energiefonds. Onder die kosten worden verstaan : de kosten van de uit te betalen premies en de kosten voor het gedeelte van de administratieve afhandeling van de dossiers waarvoor de minister een beroep doet op de elektriciteitsdistributienetbeheerders en, in voorkomend geval, ook de kosten die worden aangerekend door andere overheden om de controle op de naleving van dit hoofdstuk mogelijk te maken.

Voor de controle op de naleving van de bepalingen van dit hoofdstuk wordt onder meer een beroep gedaan op de Federale Overheidsdienst Financiën.

HOOFSTUK II. - Steunprogramma's voor niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen Afdeling I. - Toekenning van een subsidie voor de plaatsing van micro-WKK's en warmtepompen Art. 7.2.1 Een subsidie voor de plaatsing van micro-WKK of warmtepompen wordt toegekend aan niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen.

Tot een maximumsteunbedrag van 200.000 euro per kalenderjaar voor alle aanvragers samen en als de kredieten van het Energiefonds zover strekken, wordt een subsidie toegekend van 20 % van de kosten van de projecten voor de plaatsing van micro-WKK of warmtepompen.

Het Vlaams Energieagentschap maakt bekend binnen welke periode de aanvragen ingediend kunnen worden.

Art. 7.2.2 Als micro-WKK worden de warmtekrachtinstallaties beschouwd met een maximumcapaciteit van 50 kilowatt nominaal elektrisch vermogen.

Bij micro-WKK wordt de subsidie alleen toegekend voor warmtekrachtinstallaties die voldoen aan de voorwaarden voor kwalitatieve warmtekrachtinstallaties, vermeld in artikel 6.2.1.tot en met 6.2.19.

De plaatsing van warmtepompen komt alleen in aanmerking voor subsidiëring als de warmtepomp niet gebruikt kan worden voor koeling en indien voor de vermelde categorieën de coëfficiënt of performance (COP), gemeten volgens EN14511, EN255 of CETIAT, onder de vermelde condities hoger is dan of gelijk is aan : 1° 4,0 voor bodem/water warmtepompen (brontemperatuur 0, afgiftetemperatuur 35);2° 4,5 voor water/water warmtepompen (brontemperatuur 10, afgiftetemperatuur 35);3° 3,6 voor lucht/water warmtepompen (brontemperatuur 7, afgiftetemperatuur 35);4° 3,4 voor lucht/lucht warmtepompen (brontemperatuur 7, afgiftetemperatuur 20);5° 3 voor directverdamping/water warmtepompen (brontemperatuur -5, afgiftetemperatuur 35);6° 4 voor directverdamping/directcondensatie warmtepompen (brontemperatuur -5, afgiftetemperatuur 35). Ook warmtepompen die warmte onttrekken aan ventilatielucht, of warmtepompen voor de productie van sanitair warm water komen in aanmerking voor subsidiëring.

Alleen installaties die geplaatst worden in wettelijk vergunde gebouwen die volledig op het grondgebied van het Vlaamse Gewest liggen, komen in aanmerking voor subsidiëring.

Art. 7.2.3 De begunstigden van de subsidie moeten beschikken over een eigendomstitel, een geregistreerd huurcontract, erfpacht, recht van opstal of een gelijkwaardig document met betrekking tot het betreffende gebouw.

Art. 7.2.4 De subsidieaanvraag wordt ingediend bij het Vlaams Energieagentschap door middel van een op de website van het Vlaams Energieagentschap ter beschikking gesteld aanvraagformulier. De projectkosten worden aangetoond door middel van facturen. Alleen facturen die dateren van na de subsidieaanvraag komen in aanmerking.

Het Vlaams Energieagentschap rangschikt de aanvragen in volgorde van indienen.

De projecten die het eerst gerangschikt staan, worden gesubsidieerd tot het maximumsteunbedrag van 200.000 euro voor het betreffende kalenderjaar bereikt is. De resterende aanvragen worden doorgeschoven naar de volgende indieningsronde en daar opnieuw gerangschikt, samen met de nieuwe aanvragen.

Art. 7.2.5 De subsidie kan tot maximaal 100 % van de kosten van het project worden gecumuleerd met andere steun.

Art. 7.2.6 De begunstigde van de subsidie vermeldt in de mondelinge en schriftelijke communicatie over het project altijd dat het is opgezet met de steun van de Vlaamse overheid Afdeling II. - Toekenning van subsidies aan sociale verhuurkantoren voor de uitvoering van energiebesparende investeringen in residentiële gebouwen Art. 7.2.7 Binnen de middelen die door de minister daartoe, na beslissing van de Vlaamse Regering, in het Energiefonds worden gereserveerd, wordt aan een sociaal verhuurkantoor, afgekort SVK, dat huurder of erfpachthouder is van een residentieel gebouw of van een wooneenheid in het Vlaamse Gewest, een subsidie toegekend voor de uitgaven die werkelijk door dat SVK zijn betaald voor de werkzaamheden, vermeld in artikel 7.2.8 tot en met 7.2.11.

De subsidie, vermeld in het eerste lid, bedraagt 100 % van de aanvaarde investeringskosten.

Behoudens met tegemoetkomingen die de financiering van de investering faciliteren in de vorm van leningen, kan de subsidie niet worden gecumuleerd met tegemoetkomingen die worden toegekend op basis van andere regelgeving.

Art. 7.2.8 Een subsidie wordt toegekend voor de uitvoering van dakisolatiewerkzaamheden. De volgende werkzaamheden worden beschouwd als dakisolatiewerkzaamheden : 1° de isolatie van het dak zelf;2° de isolatie van de zoldervloer gelegen onder een hellend dak;3° een combinatie van de werkzaamheden vermeld in 1° en 2° . Art. 7.2.9 Een subsidie wordt toegekend voor de vervanging van enkel glas en ramen met enkel glas, door glas of glasramen met hoge isolerende eigenschappen.

Art. 7.2.10 Een subsidie wordt toegekend voor de vervanging van dubbel glas en ramen met dubbel glas door glas of glasramen met hoge isolerende eigenschappen.

Art. 7.2.11 Een subsidie wordt toegekend voor de vervanging van een of meer verwarmingstoestellen door een condensatieketel.

Art. 7.2.12 § 1. De werkzaamheden waarvoor een subsidie als vermeld in artikel 7.2.8 tot en met 7.2.11, wordt toegekend, moeten worden uitgevoerd aan de residentiële gebouwen of wooneenheden die door het betreffende SVK worden gehuurd met toepassing van artikel 2, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 2004 houdende bepaling van de erkennings- en subsidievoorwaarden van sociale verhuurkantoren. § 2. Werkzaamheden aan gemeenschappelijke stookketels in een gebouw dat niet volledig door een SVK wordt gehuurd, komen niet in aanmerking voor een subsidie.

Werkzaamheden voor dakisolatie aan een residentieel gebouw dat niet volledig door een SVK wordt gehuurd, komen in aanmerking voor een subsidie als het SVK een of meer wooneenheden op de hoogste verdieping van het residentiële gebouw huurt. § 3. De minister kan nadere eisen bepalen waaraan de werkzaamheden, materialen en toestellen moeten voldoen om in aanmerking te komen voor de subsidie.

Art. 7.2.13 § 1. Het SVK dat een subsidie wil verkrijgen, richt zijn aanvraag tot het Vlaams Energieagentschap en voegt bij zijn aanvraag minstens de volgende documenten : 1° een volledig ingevuld en ondertekend aanvraagformulier dat door het Vlaams Energieagentschap ter beschikking wordt gesteld;2° een verklaring op erewoord dat voor dezelfde werkzaamheden geen andere tegemoetkoming, toegekend op basis van andere regelgeving, wordt aangevraagd;3° een schriftelijk bewijs van de toestemming die de eigenaar aan het SVK heeft gegeven om werkzaamheden in het residentiële gebouw of de wooneenheid te laten uitvoeren;4° een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat de eigenaar het uitdrukkelijk engagement aangaat om de huurprijs niet te verhogen ten gevolge van de werkzaamheden, vermeld in dit hoofdstuk, en om gedurende negen jaar vanaf de oplevering van de werkzaamheden het huurcontract met het SVK niet op te zeggen;5° een schriftelijk bewijs waaruit blijkt dat het SVK het engagement aangaat om gedurende negen jaar vanaf de oplevering van de werkzaamheden de huurprijs niet te verhogen ten gevolge van de werkzaamheden, vermeld in dit hoofdstuk;6° een kopie van de door het SVK geselecteerde offerte;7° een verklaring van Wonen-Vlaanderen, op basis van een technisch woningonderzoek, over welke prioritaire werkzaamheden eventueel nodig zijn om het residentiële gebouw of de wooneenheid te laten beantwoorden aan de normen die vastgesteld zijn overeenkomstig artikel 5 van het decreet van 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode, en de verbintenis van de aanvrager om de werkzaamheden die Wonen-Vlaanderen als prioritair aangeeft, effectief uit te voeren. § 2. Het Vlaams Energieagentschap onderzoekt of de aanvraag volledig is. Het rangschikt de volledige aanvragen in volgorde van indiening.

De eerst gerangschikte volledige aanvragen die aan de toekenningsvoorwaarden voldoen, worden gesubsidieerd tot het beschikbare krediet in het Energiefonds uitgeput is.

Het Vlaams Energieagentschap sluit met de begunstigde van de volledige aanvragen binnen drie maanden nadat ze opgenomen zijn in de rangschikking, een subsidieovereenkomst waarin de aanvaarde investeringskosten, vermeld in artikel 7.2.7, tweede lid, zijn vermeld. Die investeringkosten kunnen nooit meer bedragen dan het bedrag van de offerte die bij de aanvraag is gevoegd. § 3. Na de ondertekening van de subsidieovereenkomst en de indiening van een schuldvordering en bestelbon wordt door het Vlaams Energieagentschap als voorschot 50 % van de in de subsidieovereenkomst opgenomen aanvaarde investeringskosten uitbetaald. § 4. Het saldo van de subsidie wordt uitbetaald nadat het SVK minstens de volgende bewijsstukken heeft voorgelegd : 1° de factuur of de facturen op naam van het SVK, gedateerd en betaald na de datum van de indiening van de subsidieaanvraag, voor de werkzaamheden waarvoor de subsidie werd aangevraagd en waarop ondubbelzinnig de nodige gegevens zijn vermeld om na te kunnen gaan of aan de voorwaarden van dit hoofdstuk is voldaan;2° de betalingsbewijzen waaruit duidelijk en ondubbelzinnig is op te maken dat de facturen door het SVK volledig werden betaald na de datum van de indiening van de subsidieaanvraag. Als een verbintenis werd aangegaan overeenkomstig paragraaf 1, 7°, kan de subsidie pas uitbetaald worden na een verklaring van Wonen-Vlaanderen waarin het aangeeft dat de prioritaire werkzaamheden effectief zijn uitgevoerd. § 5. Na de ontvangst van de bewijsstukken, vermeld in paragraaf 4, van het SVK, betaalt het Vlaams Energieagentschap de verschuldigde subsidie binnen twee maanden uit. Als uit de facturen blijkt dat het project gewijzigd werd, zal het steunbedrag worden herberekend zonder dat het maximumbedrag, vermeld in de subsidieovereenkomst, overschreden kan worden. § 6. De minister kan, na advies van de Vlaamse minister, bevoegd voor de huisvesting, nadere regels vaststellen voor de toekenningsvoorwaarden en de aanvraag-, toekennings-, terugvorderings- en uitbetalingsprocedure voor de subsidies, vermeld in artikel 7.2.8 tot en met artikel 7.2.12, § 2.

Afdeling III. - Toekenning van subsidies aan energieconsulentenprojecten Onderafdeling I. - Toepassingsgebied Art. 7.2.14 Binnen de perken van de beschikbare begrotingsmiddelen of de middelen die door de minister daartoe, na beslissing van de Vlaamse Regering, in het Energiefonds worden gereserveerd, kan overeenkomstig deze afdeling aan niet-commerciële instellingen steun worden verleend voor energieconsulentenprojecten in het Vlaamse Gewest.

Ook samenwerkingsverbanden van verschillende niet-commerciële instellingen komen in aanmerking voor steun.

Onderafdeling II. - Algemene voorwaarden Art. 7.2.15 De steun voor een energieconsulentenproject wordt toegekend in de vorm van een subsidie. De subsidie bedraagt per project maximaal 175.000 euro op jaarbasis. § 2. Alleen personeels-, werkings- en investeringskosten die direct en uitsluitend verbonden zijn aan het project, komen in aanmerking voor subsidiëring.

Personeelskosten kunnen aanvaard worden voor maximaal 2 VTE op jaarbasis. De aanvaarde personeelskosten worden gesubsidieerd voor 100 %. De subsidie voor de werkings- en investeringskosten bedraagt forfaitair 15 % van de subsidie voor de aanvaarde personeelskosten. § 3. Een energieconsulentenproject heeft een duur van maximaal drie jaar.

Onderafdeling III. - Procedure Art. 7.2 16 De subsidieaanvraag wordt ingediend na een oproep die bekend wordt gemaakt in het Belgisch Staatsblad.

De oproep bevat minstens de volgende elementen : 1° de te bereiken doelgroepen;2° de budgettaire enveloppe;3° de activiteiten waarvoor minimaal resultaatsverbintenissen moeten worden behaald;4° de minimale rapporteringsvereisten;5° de uiterste indieningsdatum;6° de beoordelingscriteria en de weging ervan;7° de beoordelingsprocedure en de wijze van jurering;8° de minimumscore die behaald moet worden. De promotoren dienen de aanvraag tot het verkrijgen van de subsidie in met de documenten die daarvoor ter beschikking worden gesteld op de website van het Vlaams Energieagentschap Art. 7.2.17 Het Vlaams Energieagentschap beoordeelt de ontvankelijkheid van de aanvragen aan de hand van volgende criteria : 1° de promotor is een niet-commerciële instelling;2° de aanvraag werd ingediend op de daarvoor voorziene formulieren;3° de aanvraag is volledig en correct ingevuld;4° de aanvraag werd tijdig ingediend. De promotor van wie het aanvraagdossier ontvankelijk is, wordt daarvan binnen een week na ontvangst schriftelijk op de hoogte gebracht.

De promotor van wie het aanvraagdossier niet ontvankelijk is, wordt daarvan binnen een week na ontvangst schriftelijk op de hoogte gebracht. Die kennisgeving vermeldt de motivering en de mogelijkheid om alsnog binnen een termijn van tien dagen vanaf de datum van de kennisgeving de aanvraag te vervolledigen.

Onderafdeling IV. - Beoordelingscriteria Art. 7.2.18 De ontvankelijke subsidieaanvragen worden door het Vlaams Energieagentschap individueel getoetst aan de criteria, vermeld in artikel 7.2.19.

Art. 7.2.19 § 1. De volgende criteria worden bij de beoordeling van de subsidieaanvraag gehanteerd : 1° de mate waarin het project inspeelt op de beleidsaccenten in de oproep;2° de deskundigheid en opgedane kennis van de promotor met betrekking tot het thema van de oproep;3° de mate waarin de promotor via zijn huidige werking één of meer van de doelgroepen, vermeld in de oproep, bereikt en activeert;4° de gevraagde subsidie voor het energieconsulentenproject. § 2. Het Vlaams Energieagentschap maakt een rangschikking op van alle aanvragen met per aanvraag een gemotiveerd advies. § 3. Tot de budgettaire enveloppe voor de oproep opgebruikt is, sluit de minister met de best gerangschikte promotoren van wie de subsidieaanvraag minstens de minimumscore behaalde een subsidieovereenkomst. Vooraleer de subsidieovereenkomsten worden ondertekend, worden ze per mededeling voorgelegd aan de Vlaamse Regering.

De subsidieovereenkomst bevat minstens de volgende elementen : 1° begunstigde;2° toegekend steunbedrag;3° resultaatsverbintenis;4° looptijd;5° uitbetalingsvoorwaarden;6° toezicht en controle;7° rapporteringsvoorwaarden;8° mogelijkheid tot het vervroegd stopzetten van het project indien uit de opvolging zou blijken dat de uitvoering ervan niet voldoet aan de bepalingen van de subsidieovereenkomst. De minister bezorgt een gemotiveerde beslissing aan de promotoren die vanwege de rangschikking van hun aanvraag niet in aanmerking komen voor een subsidie.

Onderafdeling V. - Uitbetaling van de subsidie Art. 7.2.20 De subsidie wordt als volgt uitbetaald : 1° een eerste schijf van 40 % van de subsidie wordt uitbetaald na ondertekening van de subsidieovereenkomst en na indiening van een schuldvordering bij het Vlaams Energieagentschap;2° een tweede schijf van 25 % wordt uitbetaald na : a) indiening van een schuldvordering;b) ontvangst door het Vlaams Energieagentschap van een vorderingsverslag nadat een derde van de projecttermijn verlopen is. Dat vorderingsverslag bevat een gedetailleerd overzicht van de realisatie van de resultaatsverbintenis; 3° een derde schijf van 25 % wordt uitbetaald na : a) indiening van een schuldvordering;b) ontvangst door het Vlaams Energieagentschap van een vorderingsverslag nadat twee derde van de projecttermijn verlopen is. Dat vorderingsverslag bevat een gedetailleerd overzicht van de realisatie van de resultaatsverbintenis; 4° het saldo wordt uitbetaald nadat de looptijd, vermeld in artikel 7.2.19, § 3, 4° is verstreken en na : a) indiening van een schuldvordering bij het Vlaams Energieagentschap;b) indiening van een verklaring op erewoord van eer van de promotor dat de ingediende kosten niet gesubsidieerd werden of zullen worden door andere subsidieverstrekkers;c) goedkeuring door het Vlaams Energieagentschap van het eindverslag, met inbegrip van het financiële verslag. HOOFSTUK III. - Marktintroductieprogramma Art. 7.3.1 § 1. Binnen de grenzen van de daartoe op de begroting uitgetrokken kredieten, en onder de door de minister bepaalde voorwaarden, worden tegemoetkomingen die tot 50 % van de kosten ervan kunnen dekken toegekend voor demonstratieprojecten inzake rationeel energieverbruik die een nieuwe verwezenlijking in Vlaanderen betekenen en commercialisering- en rendabiliteitsvooruitzichten bieden. § 2. Binnen de grenzen van de daartoe op de begroting uitgetrokken kredieten, en onder de door de minister bepaalde voorwaarden, worden tegemoetkomingen toegekend voor de ontwikkeling van nieuwe procedés of producten die bijzonder belangrijk zijn voor de sectoren die veel energie verbruiken. § 3. De natuurlijke personen of rechtspersonen die van een in paragraaf 1 en 2 vermelde aanmoedigingsmaatregel hebben genoten, mogen in geen geval een nieuwe tegemoetkoming voor hetzelfde type van investering aanvragen. § 4. De minister bepaalt de nadere regels betreffende het indienen en het onderzoek van de aanvragen.

TITEL VIII. - Erkenning van energiedeskundigen HOOFDSTUK I. - Erkenning als energiedeskundige type A, type B, type C en type D Art. 8.1.1 Om door het Vlaamse Gewest erkend te kunnen worden als respectievelijk energiedeskundige type A, type B, type C of type D, voldoet de kandidaat-energiedeskundige aan de volgende voorwaarden : 1° houder zijn van een door het Vlaams Energieagentschap erkend getuigschrift betreffende een opleiding tot energiedeskundige type A, type B, type C of type D;2° zich ertoe verbinden de verklaring op erewoord voor energiedeskundige type A, type B, type C of type D na te leven. De minister legt de voorwaarden vast waaraan de opleidingen, vermeld in het eerste lid, 1°, voldoen om voor erkenning in aanmerking te komen. Die voorwaarden hebben voor type A en type D minstens betrekking op de toepassing van de certificatiesoftware en het inspectieprotocol. Voor energiedeskundigen die al erkend zijn als type A, type B, type C of type D, kan de minister voorzien in een vrijstelling voor bepaalde opleidingsonderdelen van een ander type van opleiding tot energiedeskundige.

De minister kan nadere regels vastleggen voor de inhoud van de verklaring op erewoord, vermeld in het eerste lid, 2°. Die verklaring op erewoord heeft minstens betrekking op de onafhankelijke wijze van handelen van de energiedeskundige ten aanzien van opdrachtgevers, het vermijden van commerciële belangenvermenging en het naleven van een discretieplicht.

Art. 8.1.2 § 1. De kandidaat-energiedeskundige type A, type B, type C en type D registreert zich online op de door het Vlaams Energieagentschap aangewezen website. Voor kandidaat-energiedeskundigen die niet kunnen beschikken over een elektronische identiteitskaart of een federaal token, kan de minister een alternatieve procedure vaststellen. Het Vlaams Energieagentschap kent de kandidaat-energiedeskundige die voldoet aan de voorwaarden van artikel 8.1.1, een erkenningsnummer toe. De kandidaat-energiedeskundige type A ontvangt ook de meest recente versie van de certificatiesoftware residentieel en het bijbehorende inspectieprotocol residentieel.

De kandidaat-energiedeskundige type B ontvangt de meest recente versie van de auditsoftware en het bijbehorende handboek.

De kandidaat-energiedeskundige type D ontvangt de meest recente versie van de certificatiesoftware niet-residentieel en het bijbehorende inspectieprotocol niet-residentieel. § 2. De energiedeskundige brengt het Vlaams Energieagentschap onmiddellijk op de hoogte van wijzigingen in de gegevens die betrekking hebben op de erkenning. § 3. Het Vlaams Energieagentschap maakt op zijn website de lijst met erkende energiedeskundigen openbaar.

HOOFDSTUK II. - Interne energiedeskundige voor publieke gebouwen Art. 8.2.1 § 1. De interne energiedeskundige voor publieke gebouwen is een persoon die binnen de publieke organisatie van de gebruiker van het publieke gebouw een functie bekleedt met betrekking tot het aspect energiezorg en die minstens twee jaar relevante beroepservaring in die functie kan aantonen, of die een door het Vlaams Energieagentschap erkende opleiding als vermeld in artikel 8.1.1, heeft gevolgd. De minister kan nadere regels vastleggen betreffende de inhoud van de relevante ervaring. § 2. De interne energiedeskundige voor publieke gebouwen kan alleen optreden voor de publieke organisatie waarvoor hij werkt. De interne energiedeskundige voor publieke gebouwen meldt elektronisch zijn aanstelling aan het Vlaams Energieagentschap, alsook voor welke publieke organisatie hij zal optreden. Het Vlaams Energieagentschap kent aan de interne energiedeskundige voor publieke gebouwen een registratienummer toe.

TITEL IX. - Energieprestatie van gebouwen HOOFDSTUK I. - Energieprestaties en binnenklimaat van gebouwen Afdeling I. - Algemene bepalingen Art. 9.1.1 Dit hoofdstuk van toepassing op gebouwen waarvoor energie verbruikt wordt om ten behoeve van mensen een specifieke binnentemperatuur te bereiken, en waarvoor een aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning wordt ingediend. Dit hoofdstuk is ook van toepassing op de gebouwen waarvoor de verplichting tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning vervangen werd door de melding.

Afdeling II. - EPB-eisen bij nieuwbouw Onderafdeling I. - Thermische isolatie Art. 9.1.2 Nieuw op te richten woon-, kantoor- en schoolgebouwen en gebouwen met een andere specifieke bestemming voldoen aan elk van de volgende eisen : 1° voor het gebouw als geheel bedraagt het peil van de globale warmte-isolatie niet meer dan K45;2° de constructieonderdelen voldoen aan de maximale warmtedoorgangscoëfficiënt of aan de minimale warmteweerstand, vermeld in bijlage VII, die bij dit besluit is gevoegd. Art. 9.1.3 Nieuw op te richten industriële gebouwen voldoen aan een van de volgende eisen : 1° voor het gebouw als geheel bedraagt het peil van de globale warmte-isolatie niet meer dan K55;2° de constructieonderdelen voldoen aan de maximale warmtedoorgangscoëfficiënt of aan de minimale warmteweerstand, vermeld in bijlage VII, die bij dit besluit is gevoegd. Art. 9.1.4 In afwijking van de bepalingen van artikel 9.1.2 gelden voor nieuw op te richten kantoorgebouwen de eisen voor nieuw op te richten industriële gebouwen als het kantoorgebouw aan elk van de volgende voorwaarden voldoet : 1° het heeft een beschermd volume kleiner dan 800 m3 2° het maakt deel uit van een industrieel gebouw;3° alle kantoordelen samen omvatten ten hoogste 40 % van het totale beschermde volume van de delen kantoor en industrie samen. Art. 9.1.5 De invloed van bouwknopen op het specifieke warmteverlies door transmissie wordt bepaald overeenkomstig bijlage VIII, die bij dit besluit is gevoegd.

Onderafdeling II. - Ventilatie Art. 9.1.6 Nieuw op te richten residentiële gebouwen beschikken over ventilatievoorzieningen als vermeld in bijlage IX, die bij dit besluit is gevoegd.

Art. 9.1.7 Nieuw op te richten kantoorgebouwen, schoolgebouwen, gebouwen met een andere specifieke bestemming en industriële gebouwen beschikken over ventilatievoorzieningen als vermeld in bijlage X, die bij dit besluit is gevoegd.

Onderafdeling III. - E-peil en oververhitting Art. 9.1.8 Het peil van primair energieverbruik van residentiële gebouwen wordt berekend overeenkomstig de bepalingen van bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd.

De referentiewaarde om het E-peil, vermeld in het eerste lid, te bepalen, wordt berekend op basis van de volgende waarden van de constanten, vermeld in hoofdstuk 6 van bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd : 1° a1 = 115;2° a2 = 70;3° a3 = 105. Art. 9.1.9 Het peil van primair energieverbruik van kantoor- en schoolgebouwen wordt berekend overeenkomstig de bepalingen van bijlage VI, die bij dit besluit is gevoegd.

De referentiewaarde om het E-peil, vermeld in het eerste lid, te bepalen, wordt berekend op basis van de volgende waarden van de constanten, vermeld in hoofdstuk 4 van bijlage VI, die bij dit besluit is gevoegd : 1° b1 = 105;2° b2 = 175;3° b3 = 50;4° b4 = 35;5° b5 = 0,7. Als een kantoorgebouw een beschermd volume heeft dat niet groter is dan 800 m; en deel uitmaakt van een residentieel gebouw, hoeft in afwijking van het eerste lid voor het kantoorgedeelte op zich geen apart E-peil bepaald te worden. In dat geval wordt het kantoorgedeelte als onderdeel van het residentiële gebouw beschouwd en mag een gezamenlijk E-peil worden bepaald volgens de regels van artikel 9.1.8 die gelden voor residentiële gebouwen.

Art. 9.1.10 Voor de bepaling van het E-peil gelden de volgende conversiefactoren naar primaire energie (fp) : 1° fossiele brandstoffen : fp = 1;2° elektriciteit : fp = 2,5;3° door middel van warmtekrachtkoppeling zelfopgewekte elektriciteit : fp = 1,8;4° biomassa : fp = 1. Art. 9.1.11 § 1. Het E-peil van nieuw op te richten kantoor- en schoolgebouwen mag niet hoger zijn dan E100.

Het E-peil van nieuw op te richten residentiële gebouwen mag niet hoger zijn dan : 1° E100, als de melding gedaan wordt of de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd wordt voor 1 januari 2010;2° E80, als de melding gedaan wordt of de stedenbouwkundige vergunning aangevraagd wordt vanaf 1 januari 2010. § 2. Elke wooneenheid van nieuw op te richten residentiële gebouwen dient afzonderlijk te voldoen aan de E-peileis, vermeld in paragraaf 1. § 3. In afwijking van de bepalingen van paragraaf 1 gelden voor een kantoorgebouw geen eisen op het vlak van het E-peil als het aan elk van de volgende voorwaarden voldoet : 1° het heeft een beschermd volume dat kleiner is dan 800 m3 2° het maakt deel uit van een gebouw met een andere specifieke bestemming of van een industrieel gebouw;3° alle kantoordelen samen omvatten ten hoogste 40 % van het totale beschermde volume van de delen kantoor en industrie samen of van de delen kantoor en andere specifieke bestemming samen. Art. 9.1.12 Elke wooneenheid van nieuw op te richten residentiële gebouwen moet afzonderlijk voldoen aan de eis met betrekking tot de beperking van het risico op oververhitting, vermeld in hoofdstuk 8 van bijlage V, die bij dit besluit is gevoegd.

Onderafdeling IV. - EPB-haalbaarheidsstudies voor alternatieve energiesystemen Art. 9.1.13 Bij nieuw op te richten gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van meer dan 1000 m2, dient de bouwheer uiterlijk één maand na de indiening van de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning een EPB-haalbaarheidsstudie in bij het Vlaams Energieagentschap.

Art. 9.1.14 De minister legt de technologieën vast waarvoor een EPB-haalbaarheidsstudie moet worden opgesteld. Die heeft betrekking op de technische, milieutechnische en economische haalbaarheid van alternatieve systemen, zoals gedecentraliseerde systemen voor energievoorziening op basis van hernieuwbare energiebronnen, warmtekrachtkoppeling, stads/blokverwarming of -koeling indien beschikbaar, en warmtepompen onder bepaalde voorwaarden.

De EPB-haalbaarheidsstudie bepaalt voor elk van de alternatieve systemen : 1° het aangewezen te installeren vermogen van het alternatieve systeem;2° de investeringskosten zonder overheidssteun;3° de investeringskosten met overheidssteun;4° de meerinvesteringen ten opzichte van een klassiek systeem, rekening houdend met de overheidssteun;5° de besparingen of meeruitgaven qua energieverbruik en exploitatie ten gevolge van het alternatieve systeem ten opzichte van een klassiek systeem;6° de eenvoudige terugverdientijd;7° of de bouwheer van plan is, rekening houdend met de resultaten van de EPB-haalbaarheidsstudie, de technologie toe te passen. De eenvoudige terugverdientijd, vermeld in 6°, wordt berekend als de meerinvesteringen, vermeld in 4°, gedeeld door de besparingen vermeld in 5°, als die positief zijn.

De minister bepaalt de nadere regels voor de indiening van de EPB-haalbaarheidsstudie.

Afdeling III. - EPB-eisen bij herbouw, uitbreiding, verbouwing en functiewijziging Art. 9.1.15 Bij herbouw na volledige afbraak van een gebouw gelden de voorwaarden voor een nieuw op te richten gebouw met dezelfde bestemming, vermeld in artikel 9.1.2 tot en met 9.1.14.

Bij afbraak, gevolgd door herbouw van een deel van een gebouw gelden voor dat deel de eisen voor uitbreiding, vermeld in artikel 9.1.16.

Art. 9.1.16 § 1. De volgende eisen gelden voor het nieuw gebouwde toegevoegde deel van een gebouw dat uitgebreid wordt, als het beschermde volume van de uitbreiding kleiner is dan of gelijk is aan 800 m3 en als de uitbreiding niet bestaat uit het toevoegen van een of meer wooneenheden : 1° de constructieonderdelen voldoen aan de maximale warmtedoorgangscoëfficiënt of aan de minimale warmteweerstand, vermeld in bijlage VII, die bij dit besluit is gevoegd; 2° inzake ventilatie wordt voldaan aan de eisen voor nieuwe gebouwen met dezelfde bestemming, vermeld in artikel 9.1.6 en 9.1.7. Als een nieuw gebouwde residentiële ruimte alleen met bestaande ruimten in verbinding staat via bestaande verticale scheidingsconstructies waaraan niets vervangen, vernieuwd of verbouwd wordt, hoeft in die ruimte niet voldaan te worden aan : a) de luchtafvoereisen in geval de nieuw gebouwde residentiële ruimte een woonkamer, slaapkamer, studeerkamer, speelkamer of analoge ruimte is;b) de luchttoevoereisen in geval de nieuw gebouwde residentiële ruimte een keuken, toilet, wasplaats, badkamer, droogplaats of analoge ruimte is. § 2. Als een gebouw uitgebreid wordt met een of meer wooneenheden of met een bijkomend beschermd volume dat groter is dan 800 m3, gelden voor het nieuw gebouwde toegevoegde deel alle eisen, vermeld in artikel 9.1.2 tot en met 9.1.14, voor nieuw op te richten gebouwen met dezelfde bestemming.

Als het eerste lid van toepassing is, worden het E-peil en het K-peil alleen berekend met betrekking tot het door de uitbreiding toegevoegde deel van het gebouw.

Art. 9.1.17 Bij verbouwingen gelden de volgende eisen : 1° de constructieonderdelen voldoen aan de maximale warmtedoorgangscoëfficiënt of aan de minimale warmteweerstand, vermeld in bijlage VII, die bij dit besluit is gevoegd;2° in die ruimten van woon-, kantoor- en schoolgebouwen en gebouwen met andere specifieke bestemming waar ramen worden vervangen, moet worden voldaan aan de luchttoevoereisen, vermeld in bijlage IX, die bij dit besluit is gevoegd, in geval van residentiële gebouwen, en aan de luchttoevoereisen, vermeld in bijlage X, die bij dit besluit is gevoegd, in het geval van kantoor- en schoolgebouwen en gebouwen met een andere specifieke bestemming. Art. 9.1.18 Als bij de verbouwing van een gebouw met een beschermd volume dat groter is dan 3 000 m3, de dragende structuur van het gebouw behouden blijft, maar de installaties om een specifiek binnenklimaat te verkrijgen, en minstens 75 % van de gevels wordt vervangen, gelden in afwijking van artikel 9.1.17 de eisen voor nieuw op te richten gebouwen met dezelfde bestemming, vermeld in artikel 9.1.2 tot en met 9.1.14.

Art. 9.1.19 Bij een functiewijziging van een gebouw, waarbij na de functiewijziging in tegenstelling tot voordien energie verbruikt wordt om ten behoeve van mensen een specifieke binnentemperatuur te bekomen, of bij een functiewijziging van een industrieel gebouw naar woon-, kantoor- of schoolgebouw gelden, als het beschermde volume van de functiewijziging groter is dan 800 m3, de volgende EPB-eisen : 1° het peil van globale warmte-isolatie mag niet hoger zijn dan K65; 2° de ventilatie-eisen voor nieuwe gebouwen met dezelfde bestemming, vermeld in artikel 9.1.6 en 9.1.7.

Afdeling IV. - Vrijstellingen en afwijkingen Art. 9.1.20 Als bij de indiening van de aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor een gebouw met beschermd volume kleiner dan 3 000 m3 de tussenkomst van een architect niet vereist is, zijn de EPB-eisen van dit hoofdstuk niet van toepassing.

Art. 9.1.21 De EPB-eisen zijn niet van toepassing voor gebouwen waarvoor een tijdelijke vergunning, met toepassing van artikel 4.6.1, in fine, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening van 15 mei 2009 verleend wordt en voor zover de totale duur van die tijdelijke vergunning twee jaar niet overschrijdt.

Art. 9.1.22 De EPB-eisen zijn niet van toepassing op alleenstaande gebouwen met een totale bruikbare vloeroppervlakte van minder dan 50 m2.

Art. 9.1.23 Voor beschermde monumenten en bestaande gebouwen die deel uitmaken van een beschermd landschap, stads- of dorpsgezicht, zijn alleen de EPB-eisen van dit hoofdstuk bij herbouw en uitbreiding als vermeld in artikel 9.1.15 en 9.1.16, van toepassing.

Art. 9.1.24 Gebouwen die opgenomen zijn in de inventaris van het bouwkundige erfgoed, of delen van die gebouwen worden vrijgesteld van de volgende eisen, vermeld in artikel 9.1.17 : 1° het voldoen aan de maximale warmtedoorgangscoëfficiënt of aan de minimale warmteweerstand, vermeld in bijlage VII die bij dit besluit is gevoegd, voor de gevelonderdelen die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg;. 2° de luchttoevoereisen, vermeld in bijlage IX die bij dit besluit is gevoegd, in geval van residentiële gebouwen, en de luchttoevoereisen, vermeld in bijlage X, die bij dit besluit is gevoegd, in geval van kantoor- en schoolgebouwen, gebouwen met een andere specifieke bestemming in de ruimten van woon-, kantoor- en schoolgebouwen en gebouwen met een andere specifieke bestemming waar alleen ramen die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg, worden vervangen. Art. 9.1.25 Bij een functiewijziging van gebouwen die opgenomen zijn in de inventaris van het bouwkundige erfgoed, of delen van die gebouwen, gelden in afwijking van artikel 9.1.19 de volgende eisen : 1° de gevelonderdelen die niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg, voldoen aan de maximale warmtedoorgangscoëfficiënt of aan de minimale warmteweerstand, vermeld in bijlage VII, die bij dit besluit is gevoegd;2° in de ruimten van woon-, kantoor- en schoolgebouwen en gebouwen met een andere specifieke bestemming waar ramen die niet zichtbaar zijn vanaf de openbare weg, worden vervangen, moet worden voldaan aan : a) de luchttoevoereisen, vermeld in bijlage IX, die bij dit besluit is gevoegd, in geval van residentiële gebouwen, b) de luchttoevoereisen, vermeld in bijlage X, die bij dit besluit is gevoegd, in geval van kantoor- en schoolgebouwen en gebouwen met een andere specifieke bestemming. Art. 9.1.26 Gebouwen die worden gebruikt voor erediensten en religieuze activiteiten en die niet vallen onder de toepassing van artikel 9.1.23, kunnen vrijgesteld worden van een of meer van de EPB-eisen, vermeld in artikel dit hoofdstuk.

Art. 9.1.27 § 1. Bestaande gebouwen en nieuwe gebouwen die om technische, functionele of economische redenen de EPB-eisen niet kunnen behalen, kunnen vrijgesteld worden van een of meer van de EPB-eisen, vermeld in dit hoofdstuk.

In afwijking van het eerste lid kunnen nieuwe gebouwen, gebouwen die herbouwd worden na volledige afbraak, en het nieuw gebouwde toegevoegde deel van een gebouw dat uitgebreid wordt met een of meer wooneenheden of met een bijkomend beschermd volume dat groter is dan 800 m3, niet worden vrijgesteld van de E-peileisen, vermeld in dit hoofdstuk. § 2. Industriële gebouwen waarin industriële processen plaatsvinden die zelf warmte produceren en waarvoor om die reden in koeling of in een geforceerde ventilatie moet worden voorzien om een aanvaardbaar binnenklimaat te creëren, kunnen vrijgesteld worden van een of meer van de EPB-eisen, vermeld in dit hoofdstuk.

Art. 9.1.28 § 1. Voor bestaande gebouwen en nieuwe gebouwen die om technische, functionele of economische redenen de EPB-eisen niet kunnen behalen, kan een afwijking aangevraagd worden voor bepaalde onderdelen van het gebouw.

In afwijking van het eerste lid kan voor nieuwe gebouwen, gebouwen die herbouwd worden na volledige afbraak, en het nieuw gebouwde toegevoegde deel van een gebouw dat uitgebreid wordt met een of meer wooneenheden of met een bijkomend beschermd volume dat groter is dan 800 m3, geen afwijking worden aangevraagd voor de E-peileisen, vermeld in dit hoofdstuk. § 2. Voor industriële gebouwen waarin industriële processen plaatsvinden die zelf warmte produceren en waarvoor om die reden in koeling of in een geforceerde ventilatie moet worden voorzien om een aanvaardbaar binnenklimaat te creëren, kan een afwijking aangevraagd worden voor bepaalde onderdelen van het gebouw.

Art. 9.1.29 Voor gebouwen die gebruikmaken van innovatieve bouwconcepten of technologieën waarop de berekeningswijzen, vermeld in de bijlagen bij dit hoofdstuk, niet kunnen worden toegepast, kan een afwijking aangevraagd worden om te worden beoordeeld door middel van een alternatieve berekeningswijze, voor zover aangetoond kan worden dat de prestatieniveaus van het gebouw minstens gelijkwaardig zijn aan de eisen, vermeld in dit hoofdstuk.

Art. 9.1.30 § 1. De vrijstellingen, vermeld in artikel 9.1.23 en 9.1.24, en de afwijking, vermeld in artikel 9.1.25, worden ten minste acht dagen voor het aanvatten van de werken en de handelingen gemeld aan het Vlaams Energieagentschap. § 2. De vrijstellingen, vermeld in artikel 9.1.27 en de afwijkingen, vermeld in artikel 9.1.28, worden ten laatste drie maanden na het aanvragen van de stedenbouwkundige vergunning door de aangifteplichtige aangevraagd. § 3. De minister kan, na advies van het Vlaams Energieagentschap, de vrijstellingen bepalen, vermeld in artikel 9.1.26 en 9.1.27, alsook de nadere regels voor het toestaan van de afwijkingen, vermeld in artikel 9.1.28 en 9.1.29.

Afdeling V. - Uitvoeringsmaatregelen Art. 9.1.31 De minister bepaalt nadere regels voor de vorm en de inhoud en de wijze van indienen van de EPB-aangifte, de EPB-haalbaarheidsstudie en de startverklaring.

Art. 9.1.32 De minister bepaalt welke gegevens van de aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning en van de stedenbouwkundige vergunning door de gemeente in de energieprestatiedatabank moeten worden opgenomen, en bepaalt de minimale voorwaarden waaraan de energieprestatiedatabank moet voldoen.

De minister legt tevens vast in welke vorm die gegevens uitgewisseld worden en bepaalt de nadere regels met betrekking tot het toekennen van een energieprestatiedossiernummer.

Afdeling VI. - Overgangs- en slotbepalingen Art. 9.1.33 In afwijking van artikel 9.1.5 mag de invloed van bouwknopen op het specifieke warmteverlies door transmissie voorlopig buiten beschouwing gelaten worden. De minister bepaalt het tijdstip vanaf wanneer deze invloed wel in beschouwing dient te worden genomen.

HOOFDSTUK II. - Energieprestatiecertificaten Afdeling I. - Het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen Onderafdeling I. - Opmaak van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen Art. 9.2.1 § 1. Het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen wordt opgemaakt door een energiedeskundige type A en bevat minstens de volgende gegevens : 1° de datum van opmaak van het energieprestatiecertificaat;2° de identificatie van de energiedeskundige;3° de gebouwspecifieke gegevens, zoals het adres en de bestemming;4° de uitdrukking van de energieprestatie van het gebouw aan de hand van het kengetal residentieel met aanduiding van referentiewaarden;5° de unieke code;6° de aanbevelingen voor de kosteneffectieve verbetering van de energieprestatie van het gebouw. De minister bepaalt nadere regels voor de vorm en de inhoud van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen. § 2. Een energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen heeft betrekking op een enkele wooneenheid. Voor elke wooneenheid mogen gebouwdelen met een niet-residentiële bestemming ander dan industrie en met een beschermd volume van minder dan 800 m3 worden opgenomen in het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen, voor zover het aandeel van de residentiële gebouwdelen van de wooneenheid groter is dan het aandeel van de niet-residentiële gebouwdelen. § 3. De minister kan besluiten dat voor de certificering van bepaalde residentiële gebouwen, zoals appartementen en sociale woningen, gegevens van gelijksoortige gebouwen kunnen worden hergebruikt. De minister kan nadere regels vastleggen met betrekking tot het hergebruik van die gegevens. Het ministerieel besluit wordt vooraf aan de Vlaamse Regering meegedeeld. § 4. Voor de opmaak van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen gebruikt de energiedeskundige type A de certificatiesoftware residentieel. Voor energiedeskundigen die niet kunnen beschikken over een elektronische identiteitskaart of een federaal token, kan de minister een alternatieve procedure vaststellen.

Bij de verzameling van de nodige gegevens en de invoering van die gegevens in de certificatiesoftware residentieel volgt de energiedeskundige type A het inspectieprotocol residentieel. § 5. Het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen heeft een geldigheidsduur van tien jaar. Die periode vangt aan op de datum van de opmaak van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen.

Art. 9.2.2 § 1. Een energiedeskundige type A heeft alleen toegang tot de certificatendatabank voor de gebouwen die hij zelf heeft gecertificeerd. Als de energiedeskundige type A een werknemer is van een rechtspersoon, heeft hij toegang tot alle gebouwen waarvoor de rechtspersoon als energiedeskundige optreedt. De minister kan nadere regels vaststellen voor die toegang. § 2. Het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen, dat uit de certificatendatabank kan worden afgedrukt, wordt door de energiedeskundige type A ter beschikking gesteld van de aanvrager van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen.

Onderafdeling II Overdracht van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen bij verkoop en verhuur Art. 9.2.3 § 1. Een eigenaar die een residentieel gebouw te koop wil aanbieden, moet over een energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen beschikken.

De eigenaar moet op eenvoudig verzoek van een kandidaat-koper hem een geldig energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen kunnen voorleggen. Bij de verkoop van een residentieel gebouw draagt de eigenaar aan de koper een geldig energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen over. § 2. Iedereen die een onderhandse akte voor de verkoop van een residentieel gebouw opmaakt, moet vermelden of er voor het gebouw een geldig energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen bestaat en of het ter kennis werd gebracht van de koper. § 3. In alle authentieke akten voor de verkoop van residentiële gebouwen neemt de instrumenterende ambtenaar in de verklaring van de koper en de verkoper of hun gemandateerden op of de koper voor het verlijden van de authentieke akte op de hoogte is gebracht van het bestaan en de inhoud van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen. De instrumenterende ambtenaar vermeldt in de authentieke akte of het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen aan de koper ter beschikking werd gesteld en neemt de datum en de unieke code van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen in de authentieke akte op.

In het kader van de uitoefening van zijn functie als instrumenterende ambtenaar bij de verkoop van residentiële gebouwen heeft de instrumenterende ambtenaar leesrecht in de certificatendatabank.

Als de instrumenterende ambtenaar bij het verlijden van de authentieke akte vaststelt dat er voor het bewuste residentiële gebouw geen geldig energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen beschikbaar is, brengt hij het Vlaams Energieagentschap daarvan onmiddellijk op de hoogte. § 4. In afwijking van paragraaf 1 tot en met 3 hoeft bij een onteigening, afgehandeld door het Aankoopcomité, geen energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen beschikbaar te zijn.

Art. 9.2.4 Een eigenaar die een residentieel gebouw te huur wil aanbieden, moet over een energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen beschikken.

De eigenaar moet op eenvoudig verzoek van een kandidaat-huurder een geldig energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen kunnen voorleggen. Bij het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst verstrekt de eigenaar van het gebouw de huurder een kopie van een geldig energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen.

Art. 9.2.5 In afwijking van artikel 9.2.3, § 1, eerste lid, en artikel 9.2.4, eerste lid, kan de eigenaar van een residentieel gebouw of wooneenheid die al over een geldig energieprestatiecertificaat bij de bouw beschikt, dat slaat op het hele gebouw of de hele wooneenheid, dat energieprestatiecertificaat gebruiken om te voldoen aan de verplichtingen, vermeld in artikel 9.2.3, § 1, tweede lid, § 2 en § 3, en artikel 9.2.4, tweede lid.

Afdeling II. - Het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen Onderafdeling I. - Opmaak van het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen Art. 9.2.6 § 1. Het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen wordt opgemaakt door een energiedeskundige type D en bevat minstens de volgende gegevens : 1° de datum van opmaak van het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen;2° de identificatie van de energiedeskundige;3° de gebouwspecifieke gegevens, zoals het adres en de bestemming;4° de uitdrukking van de energieprestatie van het gebouw aan de hand van het kengetal niet-residentieel met vermelding van referentiewaarden;5° de unieke code;6° de aanbevelingen voor de kosteneffectieve verbetering van de energieprestatie van het gebouw. De minister bepaalt nadere regels voor de vorm en de inhoud van het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen. § 2. Voor elk niet-residentieel gebouw mogen gebouwdelen met een residentiële bestemming waarvan het beschermde volume 800 m3 of kleiner is, worden opgenomen in het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen, voor zover het aandeel niet-residentiële gebouwdelen van het gebouw groter is dan of gelijk is aan het aandeel residentiële gebouwdelen. § 3. De energiedeskundige type D maakt het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen op met de certificatiesoftware niet-residentieel. Voor energiedeskundigen die niet kunnen beschikken over een elektronische identiteitskaart of een federaal token, kan de minister een alternatieve procedure vaststellen.

Om de nodige gegevens te verzamelen per type niet-residentieel gebouw en om die gegevens in te voeren in de certificatiesoftware niet-residentieel, volgt de energiedeskundige type D het inspectieprotocol niet-residentieel.

De minister bepaalt voor welk type van niet-residentiële gebouwen de certificatiesoftware niet-residentieel kan worden gebruikt. § 4. Het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen heeft een geldigheidsduur van tien jaar. Die periode vangt aan op de datum van de opmaak van het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen.

Art. 9.2.7 Een energiedeskundige type D heeft alleen toegang tot de certificatendatabank voor de gebouwen die hij zelf heeft gecertificeerd. Als de energiedeskundige type D een werknemer is van een rechtspersoon, heeft hij toegang tot alle gebouwen waarvoor de rechtspersoon als energiedeskundige optreedt. De minister kan nadere regels vaststellen voor die toegang.

Het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen, dat uit de certificatendatabank kan worden afgedrukt, wordt door de energiedeskundige type D ter beschikking gesteld van de aanvrager van het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen.

Onderafdeling II Overdracht van het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen bij verkoop en verhuur Art. 9.2.8 § 1. Een eigenaar die een niet-residentieel gebouw te koop wil aanbieden, moet over een energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen beschikken.

De eigenaar moet op eenvoudig verzoek van een kandidaat-koper hem een geldig energieprestatiecertificaat niet - residentiële gebouwen kunnen voorleggen. Bij de verkoop van een niet-residentieel gebouw draagt de eigenaar aan de koper een geldig energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen over. § 2. Iedereen die een onderhandse akte voor de verkoop van een niet-residentieel gebouw opmaakt, moet vermelden of er voor het gebouw een geldig energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen bestaat en of het ter kennis werd gebracht van de koper. § 3. In alle authentieke akten voor de verkoop van niet-residentiële gebouwen neemt de instrumenterende ambtenaar in de verklaring van de koper en de verkoper of hun gemandateerden op of de koper voor het verlijden van de authentieke akte op de hoogte is gebracht van het bestaan en de inhoud van het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen. De instrumenterende ambtenaar vermeldt in de authentieke akte of het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen aan de koper ter beschikking werd gesteld en neemt de datum en de unieke code van het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen in de authentieke akte op.

In het kader van de uitoefening van zijn functie als instrumenterende ambtenaar bij de verkoop van niet-residentiële gebouwen heeft de instrumenterende ambtenaar leesrecht in de certificatendatabank.

Als de instrumenterende ambtenaar bij het verlijden van de authentieke akte vaststelt dat er voor het bewuste niet-residentiële gebouw geen geldig energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen beschikbaar is, brengt hij het Vlaams Energieagentschap daarvan onmiddellijk op de hoogte. § 4. In afwijking van paragraaf 1 tot en met 3, hoeft bij een onteigening, afgehandeld door het Aankoopcomité, geen energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen beschikbaar te zijn.

Art. 9.2.9 Een eigenaar die een niet-residentieel gebouw te huur wil aanbieden, moet over een energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen beschikken.

De eigenaar moet op eenvoudig verzoek van een kandidaat-huurder hem een geldig energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen kunnen voorleggen. Bij het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst verstrekt de eigenaar van het gebouw de huurder een kopie van een geldig energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen.

Art. 9.2.10 In afwijking van artikel 9.2.3, § 1, eerste lid, en artikel 9.2.4, eerste lid, kan de eigenaar van een niet-residentieel gebouw die al over een geldig energieprestatiecertificaat bij de bouw beschikt, dat slaat op het hele gebouw, dat energieprestatiecertificaat gebruiken om te voldoen aan de verplichtingen, vermeld in artikel 9.2.3, § 1, tweede lid, § 2 en § 3, en in artikel 9.2.4, tweede lid.

Afdeling III. - Het energieprestatiecertificaat bouw Art. 9.2.11 § 1. In de gevallen waarin aan het gebouw eisen worden opgelegd betreffende het E-peil, verstrekt de verslaggever de aangifteplichtige gelijktijdig met de EPB-aangifte een energieprestatiecertificaat bouw dat, overeenkomstig artikel 11.2.1, § 1, tweede en derde lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, de volgende onderdelen bevat : 1° de datum van de ingebruikneming van het gebouw;2° het resultaat van de berekening van de energieprestatie van het gebouw, vermeld in de EPB-aangifte;3° referentiewaarden met betrekking tot geldende minimumeisen en benchmarks, of een verwijzing ernaar;4° eventuele aanbevelingen voor de kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gebouw. § 2. Het energieprestatiecertificaat bouw wordt opgemaakt op basis van software die ter beschikking wordt gesteld door de administratie.

De minister bepaalt de nadere regels tot vaststelling van de vorm en de inhoud van het energieprestatiecertificaat bouw. § 3. Als de aangifteplichtige op het ogenblik van de aflevering van het energieprestatiecertificaat bouw niet de eigenaar is van het gebouw in kwestie, bezorgt hij het energieprestatiecertificaat bouw aan de eigenaar van het gebouw. § 4. Het energieprestatiecertificaat bouw heeft een geldigheidsduur van tien jaar, die aanvangt op de datum van de ingebruikneming van het gebouw. § 5. Als bij de controle, vermeld in artikel 13.1.4 van het Energiedecreet van 8 mei 2009, blijkt dat de EPB-aangifte niet met de werkelijkheid overeenstemt, vervalt het energieprestatiecertificaat bouw in kwestie. Als een nieuwe EPB-aangifte wordt ingediend, wordt ook een nieuw energieprestatiecertificaat bouw verstrekt.

Afdeling IV. - Het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen Onderafdeling I. - Opmaak van het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen Art. 9.2.12 § 1. De gebruiker van een publiek gebouw beschikt voor elk afzonderlijk publiek gebouw of voor elke gebouwsite die over een energieprestatiecertificaat publieke gebouwen. Publieke gebouwen door een publieke organisatie in gebruik worden genomen, beschikken uiterlijk vijftien maanden na de ingebruikname ervan over een energieprestatiecertificaat publieke gebouwen. § 2. De gebruiker van een publiek gebouw wijst voor de opmaak van het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen een energiedeskundige voor publieke gebouwen aan.

De volgende personen komen in aanmerking als energiedeskundige voor een publiek gebouw : 1° een energiedeskundige type C;2° een interne energiedeskundige voor publieke gebouwen. Bij de aanwijzing van een energiedeskundige voor publieke gebouwen om een energieprestatiecertificaat publieke gebouwen op te stellen, garandeert de gebruiker van een publiek gebouw formeel dat de energiedeskundige voor publieke gebouwen op een onafhankelijke wijze zijn opdracht kan uitvoeren.

Het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen bevat de volgende gegevens : 1° de datum van de opmaak van het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen;2° de uitdrukking van de energieprestatie van het gebouw aan de hand van het kengetal publiek;3° de referentiewaarden met betrekking tot de geldende minimumeisen en de benchmarks, of een verwijzing ernaar;4° de aanbevelingen voor de kosteneffectieve verbetering van de energieprestatie van het gebouw, die minstens betrekking hebben op : a) de thermische kenmerken van het gebouw;b) de verwarmingsinstallatie en de warmtevoorziening;c) de installatie voor ventilatie;d) het gebruik van passieve zonne-energie en zonnewering;e) de koelinstallatie;f) de ingebouwde lichtinstallatie;g) het gebruikersgedrag;h) het energiezorgsysteem indien beschikbaar. § 3. Het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen wordt opgemaakt op basis van een webapplicatie die door het Vlaams Energieagentschap wordt beheerd. Nadat de energiedeskundige voor publieke gebouwen de noodzakelijke gegevens via de webapplicatie elektronisch heeft ingediend, bezorgt het Vlaams Energieagentschap de energiedeskundige voor publieke gebouwen een elektronische versie van het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen. De energiedeskundige voor publieke gebouwen drukt het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen af, ondertekent het en bezorgt het aan de gebruiker.

De minister bepaalt welke gegevens via de webapplicatie elektronisch aan het Vlaams Energieagentschap worden bezorgd. Die gegevens worden bijgehouden in de certificatendatabank en hebben minstens betrekking op : 1° het type gebouw;2° de bestemming;3° het adres;4° het bouwjaar, alsook de eventuele verbouwjaren;5° de bruikbare vloeroppervlakte van het gebouw of van de gebouwen op de gebouwsite;6° het kengetal publiek van het gebouw of de gebouwsite;7° de identificatie van de energiedeskundige voor publieke gebouwen;8° de aanbevelingen, vermeld in paragraaf 2, vierde lid, 4°, aan de hand van een evaluatielijst;9° in geval van leegstand, de tijdsduur en de leegstaande oppervlakte. Voor energiedeskundigen voor publieke gebouwen die niet kunnen beschikken over een elektronische identiteitskaart of een federaal token, stelt de minister een alternatieve procedure vast. § 4. De minister bepaalt nadere regels voor de vorm en de inhoud van het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen. De minister kan ook nadere regels vastleggen met betrekking tot het gebruik en de toegankelijkheid van de certificatendatabank. § 5. Het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen heeft een geldigheidsduur van tien jaar, die aanvangt op de datum van de opmaak van het certificaat.

De energiedeskundige voor publieke gebouwen houdt tijdens de geldigheidsduur van het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen de berekeningen van de bruikbare vloeroppervlakte, de meetgegevens en de normalisatieberekening bij en stelt die op eenvoudig verzoek aan het Vlaams Energieagentschap ter beschikking. § 6. Het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen wordt door de gebruiker van het publieke gebouw opgehangen op een voor het publiek zichtbare plaats in het gebouw waarop het betrekking heeft. § 7. Als een publiek gebouw waarvoor een nog geldig energieprestatiecertificaat publieke gebouwen bestaat, een andere gebruiker krijgt, vervalt het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen in kwestie. Als de nieuwe gebruiker een publieke organisatie is, beschikt deze binnen vijftien maanden na de ingebruikname van het publieke gebouw over een energieprestatiecertificaat publieke gebouwen.

Art. 9.2.13 § 1. Een energiedeskundige type C heeft alleen toegang tot de certificatendatabank voor de gebouwen die hij zelf heeft gecertificeerd. Als de energiedeskundige type C een werknemer is van een rechtspersoon, heeft hij toegang tot alle gebouwen waarvoor de rechtspersoon als energiedeskundige optreedt. De minister kan nadere regels vaststellen voor die toegang. § 2. Het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen, dat uit de certificatendatabank kan worden afgedrukt, wordt door de energiedeskundige type C ter beschikking gesteld van de aanvrager van het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen.

Onderafdeling II. - Berekening van het kengetal publiek Art. 9.2.14 § 1. De gebruikers van publieke gebouwen houden voor de berekening van het kengetal publiek, vermeld in artikel 9.2.12, § 2, vierde lid, 2°, de volgende gegevens bij : 1° het aantal tellers voor elektriciteit, aardgas en, indien beschikbaar, de EAN-nummers ervan;2° het aantal tellers voor stookolie; 3° de bruikbare vloeroppervlakte van het gebouw, berekend volgens artikel 1.1.1, § 2, 11°; 4° de jaarlijkse hoeveelheid verbruikte elektriciteit, aardgas, stookolie en andere brandstoffen. De minister kan voor de bepaling van het kengetal publiek nadere regels vaststellen betreffende het bij te houden gemeten globaal energieverbruik van minstens de energie die nodig is voor de verwarming, warmtapwatervoorziening, koeling, ventilatie en verlichting. § 2. De hoeveelheid verbruikte elektriciteit, aardgas, stookolie en andere brandstoffen kan worden berekend op basis van de factuurgegevens, een verwerking van telemetrische opnamegegevens of de registratie van de tellers. Het stookolieverbruik wordt bijgehouden aan de hand van een stookoliedebietmeter. § 3. De elektriciteits- en aardgasmeters, alsook de plaatsing ervan, voldoen aan de technische reglementen van de VREG. De minister kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het gebruik van de tellers in het kader van de berekening van het kengetal en de minimale vereisten voor de stookoliedebietmeters.

Art. 9.2.15 Om de gegevens over het geregistreerde energieverbruik te kunnen vergelijken, wordt een normalisatie doorgevoerd aan de hand van : 1° de interpolatie van de gegevens over het gemeten energieverbruik;2° de omrekening van het verbruik naar kilowattuur met vastgestelde conversiefactoren;3° de uitschakeling van klimatologische omstandigheden door graaddagen te verrekenen;4° de omrekening naar primair energieverbruik. De gegevens, vermeld in het eerste lid, hebben betrekking op een periode van één jaar.

Het kengetal publiek, vermeld in artikel 9.2.12, § 2, vierde lid, 2°, wordt berekend op basis van het genormaliseerde energieverbruik en de bruikbare vloeroppervlakte van het gebouw. Als, gedurende de periode dat het energieverbruik in rekening wordt gebracht voor de opmaak van het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen, de bruikbare vloeroppervlakte van een gebouw wijzigt, worden de gegevens die betrekking hebben op de veranderde oppervlakte, geëxtrapoleerd over de respectieve periode.

Art. 9.2.16 De gebruiker van een publiek gebouw stelt alle gegevens die nodig zijn om het energieprestatiecertificaat publieke gebouwen op te stellen, ter beschikking van de energiedeskundige voor publieke gebouwen.

HOOFDSTUK III. - De energieaudit residentieel Art. 9.3.1 Om een energieaudit residentieel uit te voeren gebruikt de energiedeskundige type B de auditsoftware.

De minister bepaalt voor welke gebouwen de auditsoftware kan worden gebruikt ter uitvoering van een energieaudit door een erkende energiedeskundige type B. De minister kan beslissen dat gegevens die al verzameld werden in het kader van de opmaak van het energieprestatiecertificaat, kunnen worden hergebruikt bij de uitvoering van een energieaudit residentieel. De minister kan nadere regels vastleggen voor het hergebruik van die gegevens.

Art. 9.3.2 De energieaudit residentieel wordt door de energiedeskundige type B toegelicht aan en ter beschikking gesteld van de aanvrager.

Na de uitvoering van een energieaudit residentieel brengt de energiedeskundige type B op de factuur of op de ereloonnota de volgende vermelding aan : "Door het Vlaamse Gewest erkende energiedeskundige met erkenningsnummer (in te vullen door de energiedeskundige)".

Het fiscaal attest dat de auditsoftware aflevert en dat in het kader van de personenbelasting als bewijs voor de belastingvermindering voor de uitgaven van een energieaudit residentieel in een woning kan worden gebruikt, wordt als bijlage bij de factuur of de ereloonnota gevoegd.

TITEL X. - Energiebeleidsrapportering Art. 10.1.1 § 1. Elke beheerder van een aardgasdistributienet stelt jaarlijks voor 1 mei de sectoriële afnamegegevens tijdens het voorgaande kalenderjaar van alle eindafnemers die op zijn net zijn aangesloten, ter beschikking van het Vlaams Energieagentschap, alsook het aantal eindafnemers per 31 december van het voorgaande kalenderjaar. § 2. Elke beheerder van een elektriciteitsdistributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit stelt voor 1 mei van elk jaar de volgende gegevens ter beschikking van het Vlaams Energieagentschap : 1° het aantal afnamepunten per 31 december van het voorgaande kalenderjaar en de afgenomen gemeten netto- en brutohoeveelheid elektriciteit per sector tijdens het voorgaande kalenderjaar;2° de totale hoeveelheid gemeten elektriciteit die tijdens het voorgaande kalenderjaar geïnjecteerd is op het elektriciteitsdistributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit door alle productie-installaties die aangesloten zijn op dat net;3° de totale hoeveelheid gemeten elektriciteit die tijdens het voorgaande kalenderjaar door het elektriciteitsdistributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit geïnjecteerd is op alle andere netten;4° de totale hoeveelheid gemeten elektriciteit die tijdens het voorgaande kalenderjaar door het elektriciteitsdistributienet of het plaatselijk vervoernet van elektriciteit afgenomen is van alle andere netten. § 3. Elke beheerder van een transmissienet stelt voor 1 mei van elk jaar de volgende gegevens ter beschikking van het Vlaams Energieagentschap : 1° de totale hoeveelheid gemeten elektriciteit die tijdens het voorgaande kalenderjaar geïnjecteerd is op het transmissienet door alle productie-installaties die aangesloten zijn op dat net;2° de totale hoeveelheid gemeten elektriciteit die tijdens het voorgaande kalenderjaar door het transmissienet geïnjecteerd is op alle andere netten;3° de totale hoeveelheid gemeten elektriciteit die tijdens het voorgaande kalenderjaar door het transmissienet afgenomen is van alle andere netten. § 4. Elke beheerder van een transmissienet of vervoernet bezorgt aan het Vlaams Energieagentschap voor 1 mei van elk jaar een lijst met voor elk afnamepunt, per 31 december van het voorgaande kalenderjaar, de volgende gegevens : 1° de naam van de afnemer;2° het adres van het afnamepunt en, in voorkomend geval, de EAN-code van het afnamepunt;3° de sector van het afnamepunt;4° voor elektriciteit : de gemeten bruto- en nettoafname tijdens het voorgaande kalenderjaar;5° voor aardgas : de gemeten afname tijdens het voorgaande kalenderjaar. Art. 10.1.2 Elke leverancier van petroleumproducten, steenkool en biotransportbrandstoffen aan eindafnemers stelt jaarlijks voor 1 mei de sectoriële afnamegegevens van het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van het Vlaams Energieagentschap, alsook het aantal eindafnemers per 31 december van het voorgaande kalenderjaar. Voor de transportsector kan de minister de rapporteringsverplichting beperken tot elke leverancier die levert aan rechtstreekse doorverkopers aan eindafnemers. De minister kan per sector een jaarlijkse afnamehoeveelheid bepalen waaronder de rapporteringsverplichting niet geldt.

Art. 10.1.3 Voor elke warmtekrachtinstallatie stelt de exploitant jaarlijks voor 1 mei de technische kenmerken van de installatie, het brandstofverbruik per type brandstof, de bruto- en netto-elektriciteitsproductie en de warmteproductie tijdens het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van het Vlaams Energieagentschap, alsook het opgestelde elektrisch en thermisch vermogen en de sectoren waartoe de eigenaars van de warmte en de elektriciteit behoren op 31 december van het voorgaande kalenderjaar.

De minister bepaalt de technische kenmerken van de installaties waarover gegevens verstrekt moeten worden.

Art. 10.1.4 Voor elke hernieuwbare-energie-installatie stelt de exploitant jaarlijks vóór 1 mei de technische kenmerken van de installatie, de bruto- en netto-elektriciteitsproductie en de warmteproductie tijdens het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van het Vlaams Energieagentschap, alsook de hernieuwbare energiebron, het opgestelde elektrisch en thermisch vermogen en de sectoren waartoe de eigenaars van de warmte en de elektriciteit behoren op 31 december van het voorgaande kalenderjaar. De minister bepaalt de technische kenmerken van de hernieuwbare-energie-installaties waarvoor gegevens verstrekt moeten worden.

Art. 10.1.5 Voor elke zelfopwekkingsinstallatie stelt de producent jaarlijks vóór 1 mei de technische kenmerken van de installatie, het brandstofverbruik per type brandstof en de bruto- en netto-elektriciteitsproductie tijdens het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van het Vlaams Energieagentschap, alsook het opgestelde elektrisch vermogen en de sector waartoe de producent behoort op 31 december van het voorgaande kalenderjaar. De minister bepaalt de technische kenmerken van de installaties waarover gegevens verstrekt moeten worden.

Art. 10.1.6 Elke onderneming die een warmtekrachtinstallatie, een hernieuwbare-energie-installatie of een zelfopwekkingsinstallatie exploiteert en die de geproduceerde energie zelf geheel of gedeeltelijk verbruikt, bezorgt jaarlijks voor 1 mei aan het Vlaams Energieagentschap de hoeveelheid elektriciteit en de hoeveelheid brandstof per type die tijdens het voorgaande kalenderjaar werden verbruikt op de vestigingseenheid. De minister bepaalt de ingangsdatum van deze verplichting per categorie van exploitanten.

Art. 10.1.7 De minister bepaalt de sectorbenaming en -indeling, de eenheden, de vorm en de structuur waaronder de gegevens, vermeld in artikel 10.1.1 tot en met 10.1.5, ter beschikking gesteld moeten worden.

Art. 10.1.8 De minister bepaalt de rapporteringswijze van de gegevens, vermeld in artikel 10.1.1 tot en met 10.1.5.

Art. 10.1.9 De gerapporteerde gegevens geven de werkelijkheid op een objectieve en onafhankelijke wijze weer. De minister legt de eisen vast inzake accuraatheid, volledigheid en consistentie. Als het Vlaams Energieagentschap anomalieën of belangrijke incoherenties vaststelt in de gerapporteerde gegevens, vermeld in artikel 10.1.1 tot en met 10.1.5, kan het de rapporteringsplichtige verdere informatie vragen over de betreffende afzonderlijke gegevens en over de berekeningsmethode waarop samengevoegde gegevens gebaseerd zijn.

TITEL XI. - Toezicht en sancties HOOFDSTUK I. - Toezicht door het Vlaams Energieagentschap Afdeling I. - Controle op de gevolgde opleidingen van de energiedeskundigen type A, type B, type C, type D en de interne energiedeskundigen Art. 11.1.1 § 1. De ambtenaren van het Vlaams Energieagentschap worden aangesteld om de nodige controles met betrekking tot de energieaudit residentieel, de energiedeskundigen type A, type B, type C en type D, en de interne energiedeskundigen uit te voeren, en om overtredingen van de bepalingen van titel X van het Energiedecreet van 8 mei 2009 en titel VIII van dit besluit op te sporen. § 2. Het Vlaams Energieagentschap kan op elk moment nagaan of een energiedeskundige type A, type B, type C of type D, of een interne energiedeskundige voldoet aan de opleidingsvoorwaarde, vermeld in artikel 8.1.1 voor type A, type B, type C en type D, en in artikel 8.2.1 voor de interne energiedeskundige. De opleidingsinstellingen die een opleiding aanbieden die leidt tot een door het Vlaams Energieagentschap erkend getuigschrift betreffende een opleiding tot energiedeskundige type A, type B, type C of type D, bezorgen het Vlaams Energieagentschap uiterlijk een week na afloop van de opleidingen elektronisch een lijst met de afgeleverde getuigschriften.

Afdeling II. - Controle op de energiebeleidsrapportering Art. 11.1.2 De ambtenaren van het Vlaams Energieagentschap zijn bevoegd voor de controle op de naleving van de verplichtingen, vermeld in titel X. HOOFDSTUK II. - Administratieve sancties opgelegd door het Vlaams Energieagentschap Afdeling I. - Schorsing of intrekking van de erkenning van energiedeskundigen Art. 11.2.1 § 1. Als inbreuken op de regelgeving worden vastgesteld of als blijk wordt gegeven van kennelijke onbekwaamheid, kan het Vlaams Energieagentschap de erkenning als energiedeskundige type A, type B of type D, of het erkenningsnummer of het registratienummer van energiedeskundige type C of een interne energiedeskundige schorsen of intrekken. Het Vlaams Energieagentschap brengt de erkende energiedeskundige per aangetekende brief op de hoogte van zijn voornemen. De betrokken energiedeskundige kan vragen om gehoord te worden, waarna het Vlaams Energieagentschap zijn beslissing per aangetekende brief aan de energiedeskundige bezorgt. § 2. Binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de betekening van de beslissing van het Vlaams Energieagentschap kan de betrokken energiedeskundige beroep aantekenen bij de minister. De energiedeskundige kan vragen om gehoord te worden.

De minister of zijn gemachtigde neemt een beslissing binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat op de dag waarop het beroep is ontvangen. De beslissing wordt per aangetekende brief aan de energiedeskundige of de interne enerigiedeskundige meegedeeld.

Als de minister of zijn gemachtigde zijn beslissing niet heeft betekend binnen de termijnen, vermeld in het tweede lid, wordt ervan uitgegaan dat het beroep werd ingewilligd.

Art. 11.2.2 Het Vlaams Energieagentschap voert steekproefsgewijze controles uit op de kwaliteit van de verstrekte energieprestatiecertificaten en energieaudits residentieel. De eigenaar en de energiedeskundige van het residentiële gebouw of van het niet-residentiële gebouw, de gebruiker van het publieke gebouw en de energiedeskundige voor publieke gebouwen stellen alle gegevens die daarvoor noodzakelijk zijn, op het eerste verzoek ter beschikking van het Vlaams Energieagentschap.

Bij inbreuken op de regelgeving, of als het uitgereikte energieprestatiecertificaat van onvoldoende kwaliteit getuigt, kan het Vlaams Energieagentschap, na de eigenaar of de gebruiker en de energiedeskundige die het energieprestatiecertificaat heeft opgesteld, te hebben gehoord, het energieprestatiecertificaat in kwestie intrekken. Het Vlaams Energieagentschap brengt de eigenaar of de gebruiker van het gebouw waarvoor het energieprestatiecertificaat werd opgemaakt, of de energiedeskundige voor publieke gebouwen per aangetekende brief van zijn beslissing op de hoogte.

Binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de betekening van de beslissing van het Vlaams Energieagentschap kan de betrokken eigenaar of gebruiker beroep aantekenen bij de minister. De eigenaar of gebruiker kan vragen om gehoord te worden. De minister of zijn gemachtigde neemt een beslissing binnen een termijn van dertig kalenderdagen, die ingaat op de dag waarop het beroep is ontvangen.

Als de minister of zijn gemachtigde zijn beslissing niet heeft betekend binnen de termijnen, vermeld in het tweede lid, wordt ervan uitgegaan dat het beroep werd ingewilligd.

Art. 11.2.3 Ter garantie van het vereiste niveau van deskundigheid dat nodig is voor de uitvoering van de energieaudit residentieel en de opmaak van een energiecertificaat residentiële gebouwen, niet-residentiële gebouwen en publieke gebouwen, kan het Vlaams Energieagentschap, onder de voorwaarden die de minister bepaalt, de erkende energiedeskundigen en de interne energiedeskundige verplichten een aanvullende opleiding te volgen met betrekking tot de theoretische en praktische kennis van het gebruik van de auditsoftware, de certificatiesoftware of het inspectieprotocol.

Afdeling II. - Sanctieprocedure bij niet - naleving van beleidsrapportering Art. 11.2.4 Het hoofd van het Vlaams Energieagentschap beslist tot het opleggen van de administratieve geldboete, vermeld in artikel 13.4.2, § 1, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, bepaalt de hoogte van die geldboete, en stelt de rapporteringsplichtige daarvan in kennis binnen zestig dagen nadat de overtreding is vastgesteld.

Het hoofd van het Vlaams Energieagentschap beslist tot het opleggen van de administratieve geldboete, vermeld in artikel 13.4.2, § 2, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, en stelt de rapporteringsplichtige daarvan in kennis voor 1 juni van het lopende kalenderjaar.

Als de betrokkene niet akkoord gaat met de administratieve geldboete, vermeld in artikel 13.4.2, § 1, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, kan hij, conform artikel 13.4.4, § 3, van het Energiedecreet van 8 mei 2009, het hoofd van het Vlaams Energieagentschap daarvan op de hoogte brengen.

Het hoofd van het Vlaams Energieagentschap beslist over de gemotiveerde verzoeken tot kwijtschelding, vermindering of uitstel van betaling van de administratieve geldboete, vermeld in artikel 13.4.4, § 2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009.

Afdeling III. - Dwangbevel Art. 11.2.5 De Vlaamse minister, bevoegd voor de financiën, wijst de ambtenaren aan die bevoegd zijn om het dwangbevel vermeld in artikel 13.4.4, § 7, en in artikel 13.4.8, § 3, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 te viseren en uitvoerbaar te verklaren.

TITEL XII. - Wijzigings-, opheffings-, overgangs- en slotbepalingen HOOFDSTUK I. - Wijzigingsbepalingen Afdeling I. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning Art. 12.1.1 In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 september 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in punt 34° worden de woorden « artikel 3 van het besluit inzake energieplanning voor ingedeelde energie-intensieve inrichtingen » vervangen door de woorden « artikel 6.5.4 van het Energiebesluit »; 2° in punt 35° worden de woorden « artikel 3 van het besluit inzake energieplanning voor ingedeelde energie-intensieve inrichtingen » vervangen door de woorden « artikel 6.5.4 van het Energiebesluit ».

Art. 12.1.2 In artikel 5, § 8, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « hoofdstuk I en II van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2004 inzake energieplanning voor ingedeelde energie-intensieve inrichtingen » worden vervangen door de woorden » artikel 6.5.1 tot en met 6.5.8 van het Energiebesluit »; 2° de woorden « hoofdstuk I en II van het besluit van de Vlaamse Regering inzake energieplanning voor ingedeelde energie-intensieve inrichtingen » worden vervangen door de woorden artikel 6.5.1 tot en met 6.5.8 van het Energiebesluit ».

Art. 12.1.3 In artikel 21, § 10, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008 worden de woorden « hoofdstuk I en II van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 inzake energieplanning voor ingedeelde energie-intensieve inrichtingen » vervangen door de woorden « artikel 6.5.1 tot en met 6.5.8 van het Energiebesluit ».

Afdeling II. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 1992 houdende instelling van een aanpassingspremie en een verbeteringspremie voor woningen Art. 12.1.4 In artikel 13bis van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 december 1992 houdende instelling van een aanpassingspremie en een verbeteringspremie voor woningen, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 december 2008 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 februari 2010, worden de woorden « artikel 8/2, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2007 inzake de openbaredienstverplichtingen ter bevordering van het rationeel energiegebruik » telkens vervangen door de woorden « artikel 6.4.10, tweede lid, van het Energiebesluit ».

Afdeling III. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne Art. 12.1.5 In artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 november 2009, worden de definities energieplanning, vervangen door wat volgt : - « energieplan » : een energieplan overeenkomstig de bepalingen van artikel 6.5.4 van het Energiebesluit; - « geactualiseerd energieplan » : een geactualiseerd energieplan overeenkomstig de bepalingen van artikel 6.5.7 van het Energiebesluit; - « energiestudie » : een energiestudie overeenkomstig de bepalingen van artikel 6.5.4 van het Energiebesluit; - « energiegebruik » : het primaire elektriciteitsgebruik en het primaire energetische gebruik van energiedragers en niet het non-energetische gebruik van energiedragers in de vorm van als grondstof ingezette energiedragers ».

Afdeling IV.3 - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 1997 betreffende de samenstelling en de werking van de lokale adviescommissie omtrent de minimale levering van elektriciteit, gas en water, wat betreft elektriciteit en gas Art. 12.1.6 In artikel 3, 1° van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 1997 betreffende de samenstelling en de werking van de lokale adviescommissie omtrent de minimale levering van elektriciteit, gas en water, wat betreft elektriciteit en gas, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in punt a), worden de woorden « respectievelijk artikel 18quater, § 1, eerste lid, 5°, 6°, 7°, 8° en 9°, van het decreet van 17 juli 2000 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt en in artikel 17ter, § 1, eerste lid, 5°, 6°, 7° en 8°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de organisatie van de gasmarkt » vervangen door de woorden « artikel 6.1.2, § 1, 5°, 6°, 7° en 8,° van het Energiedecreet van 8 mei 2009 »; 2° in punt b), worden de woorden « artikel 18quater, § 1, eerste lid, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7°, 8° en 9°, van het decreet van 17 juli 2000 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt of in artikel 17ter, § 1, eerste lid, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7° en 8°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de organisatie van de gasmarkt » vervangen door de woorden « artikel 6.1.2, § 1, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7° en 8°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ».

Art. 12.1.7 In artikel 7, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 maart 2009, worden de woorden « artikel 18quater, § 1, eerste lid, 1° tot en met 9°, van het decreet van 17 juli 2000 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt of vermeld in artikel 17ter, § 1, eerste lid, 1° tot en met 8°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de organisatie van de gasmarkt » vervangen door de woorden « artikel 6.1.2, § 1, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7° en 8°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ».

Art. 12.1.8 In artikel 8, § 1, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 13 maart 2009, worden de woorden « artikel 18quater, § 1, eerste lid, 1° tot en met 9°, van het decreet van 17 juli 2000 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt of in artikel 17ter, § 1, eerste lid, 1° tot en met 8°, van het decreet van 6 juli 2001 houdende de organisatie van de gasmarkt » vervangen door de woorden « artikel 6.1.2, § 1, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7° en 8°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ».

Afdeling V. - Wijziging aan het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie Art. 12.1.9 In artikel 27, § 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, vervangen bij besluit van de Vlaamse regering van 24 april 2009, wordt de woorden "Reguleringsinstantie voor " vervangen door de woorden "Regulator van".

Afdeling VI. - Wijziging aan het besluit van de Vlaamse Regering van 9 maart 2007 tot regeling van de vergoedingen van de bestuurders van de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen van de Vlaamse overheid, en van de regeringsafgevaardigden die toezicht uitoefenen bij deze agentschappen Art. 12.1.10 In artikel 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 maart 2007 tot regeling van de vergoedingen van de bestuurders van de publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschappen van de Vlaamse overheid, en van de regeringsafgevaardigden die toezicht uitoefenen bij deze agentschappen wordt het woord "Reguleringsinstantie" vervangen door het woord "Regulator".

Afdeling VII. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2007 houdende vaststelling van de regels die de behoefte aan nieuwbouw of uitbreiding bepalen en van de fysische en financiële normen voor de schoolgebouwen, internaten en centra voor leerlingenbegeleiding Art. 12.1.11 In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 oktober 2007 houdende vaststelling van de regels die de behoefte aan nieuwbouw of uitbreiding bepalen en van de fysische en financiële normen voor de schoolgebouwen, internaten en centra voor leerlingenbegeleiding wordt punt 12° vervangen door wat volgt : « 12° Energiedecreet : het decreet van 8 mei 2009 houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid. ».

Art. 12.1.12 In artikel 33 van hetzelfde besluit worden de woorden « het decreet van 22 december 2006 houdende eisen en handhavingsmaatregelen op het vlak van energieprestaties en het binnenklimaat van gebouwen en tot invoering van een energieprestatiecertificaat en tot wijziging van artikel 22 van het REG-decreet » vervangen door de woorden « titel XI van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ».

Afdeling VIII. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 houdende de financiering van de sociale huisvestingsmaatschappijen voor de realisatie van sociale huurwoningen en de daaraan verbonden werkingskosten Art. 12.1.13 In artikel 6, § 3, 6°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 houdende de financiering van de sociale huisvestingsmaatschappijen voor de realisatie van sociale huurwoningen en de daaraan verbonden werkingskosten worden de woorden « decreet van 22 december 2006 houdende eisen en handhavingsmaatregelen op het vlak van de energieprestaties en het binnenklimaat van gebouwen en tot invoering van een energieprestatiecertificaat en tot wijziging van artikel 22 van het REG-decreet » vervangen door de woorden « Energiedecreet van 8 mei 2009 ».

Afdeling IX. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen Art. 12.1.14 In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 7 december 2007 inzake verhandelbare emissierechten voor broeikasgassen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, wordt punt 15° vervangen door wat volgt : « 15° Energiedecreet : het decreet van 8 mei 2009 houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid; ».

Art. 12.1.15 In artikel 27/2, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, worden de woorden « artikel 20ter, § 1, van het REG-decreet » vervangen door de woorden « artikel 9.1.3, § 1, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ».

Art. 12.1.16 In artikel 27/4 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 worden de woorden « artikel 20ter, § 2, van het REG-decreet » vervangen door de woorden « artikel 9.1.3, § 2 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 »; 2° in paragraaf 2, 2°, worden de woorden « artikel 20ter, § 2, a) of b) van het REG-decreet » vervangen door de woorden « artikel 9.1.3, § 2, a) of b), van het Energiedecreet van 8 mei 2009 »; 3° in paragraaf 2, 3°, worden de woorden « artikel 20ter, § 2, b) van het REG-decreet » telkens vervangen door de woorden « artikel 9.1.3, § 2, b), van het Energiedecreet van 8 mei 2009 »; 4° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden « artikel 20ter, § 2, a) of b) van het REG-decreet » telkens vervangen door de woorden « artikel 9.1.3, § 2, a) of b), van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ».

Art. 12.1.17 In artikel 27/6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, worden de woorden « artikel 20ter, § 6, tweede lid van het REG-decreet » vervangen door de woorden artikel 9.1.3, § 6, tweede lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ».

Art. 12.1.18 In artikel 27/7 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 worden de woorden « artikel 20ter, § 6, van het REG-decreet » vervangen door de woorden « artikel 9.1.3, § 6, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 »; 2° in paragraaf 4 worden de woorden artikel 26bis, § 1, van het REG-decreet » vervangen door de woorden « artikel 13.5.2, § 1, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ».

Art. 12.1.19 In artikel 27/8 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, worden de woorden « artikel 26bis, § 1 van het REG-decreet » vervangen door de woorden « artikel 13.5.2, § 1, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ».

Art. 12.1.20 In artikel 31 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « artikel 26, eerste lid, van het REG-decreet » worden telkens vervangen door de woorden « artikel 13.5.1, eerste lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 »; 2° de woorden « artikel 28, § 4, van het REG-decreet » worden vervangen door de woorden « artikel 13.5.4, §, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 »;

Art. 12.1.21 In artikel 31/1, § 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « artikel 26bis, eerste lid, van het REG-decreet » worden vervangen door de woorden « artikel 13.5.1, eerste lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 »; 2° de woorden « artikel 26bis, § 1, tweede lid van het REG-decreet » worden telkens vervangen door de woorden « artikel 13.5.2, § 1, tweede lid, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ».

Art. 12.1.22 In artikel 31/2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in paragraaf 1 worden de woorden « artikel 26bis, § 2 van het REG-decreet » worden vervangen door de woorden « artikel 13.5.2, § 2, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 »; 2° in paragraaf 3 worden de woorden « artikel 20ter, § 7 van het REG-decreet » worden telkens vervangen door de woorden « artikel 9.1.3, § 7, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ».

Art. 12.1.23 In artikel 32/2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009, worden de woorden « artikel 20ter, § 7 van het REG-decreet » telkens vervangen door de woorden « artikel 9.1.3, § 7, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ».

Afdeling X. - Wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juni 2008 betreffende de verzekering gewaarborgd wonen Art. 12.1.24 In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juni 2008 betreffende de verzekering gewaarborgd wonen wordt punt 14° vervangen door wat volgt : « 14° Energiedecreet : het decreet van 8 mei 2009 houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid.» Art. 12.1.25 In artikel 3, tweede lid, 10°, van hetzelfde besluit worden de woorden « artikel 3, 13°, van het EPB-decreet » vervangen door de woorden « artikel 1.1.3, 99°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ».

Art. 12.1.26 In artikel 6, § 1, 6°, b), van hetzelfde besluit worden de woorden « artikel 10 van het EPB-decreet » vervangen door de woorden « artikel 11.1.7 van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ».

Art. 12.1.27 In artikel 9, § 1, vierde lid, van hetzelfde besluit worden de woorden « artikel 3, 13°, van het EPB-decreet » vervangen door de woorden « artikel 1.1.3, 99°, van het Energiedecreet van 8 mei 2009 ».

Afdeling XI. - Wijziging aan het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2009 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering Art. 12.1.28 In artikel 3, 7°, k van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2009 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering, laatst gewijzigd bij besluit van de Vlaamse Regering van 7 juli 2010, wordt de woorden "Reguleringsinstantie voor" vervangen door de woorden "Regulator van".

HOOFDSTUK II. - Opheffingsbepalingen Art. 12.2.1 § 1. De volgende regelingen worden opgeheven : 1° het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 2001 met betrekking tot de distributienetbeheerders voor elektriciteit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 11 januari 2002 en 6 juli 2007;2° het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 betreffende de elektriciteitsvoorziening aan bepaalde afnemers;3° het besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 houdende nadere regeling van de voorwaarden om als afnemer in de zin van artikel 12 van het Elektriciteitsdecreet in aanmerking te komen;4° het besluit van de Vlaamse Regering van 15 juni 2001 met betrekking tot de leveringsvergunningen voor elektriciteit;5° het besluit van de Vlaamse Regering van 19 oktober 2001 houdende het gratis vervoer en de gratis levering van een hoeveelheid elektriciteit als sociale openbaredienstverplichting, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 februari 2002;6° het besluit van de Vlaamse Regering van 11 oktober 2002 houdende de organisatie van de aardgasmarkt, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juli 2007;7° het besluit van de Vlaamse Regering van 21 februari 2003 houdende bepaling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van de Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt;8° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 november 2003 tot vaststelling van de nadere regels voor de toekenning en de verrekening van gratis elektriciteit voor huishoudelijke afnemers, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 april 2008;9° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 maart 2004 inzake de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juni 2009;10° het besluit van de Vlaamse Regering van 26 maart 2004 tot vaststelling van de openbaredienstverplichting, opgelegd aan de netbeheerders met betrekking tot de openbare verlichting;11° het besluit van de Vlaamse Regering van 16 april 2004 tot oprichting van het intern verzelfstandigd agentschap het Vlaams Energieagentschap, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 en 15 juli 2005;12° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 mei 2004 inzake energieplanning voor ingedeelde energie-intensieve inrichtingen en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning en het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende de algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008;13° het besluit van de Vlaamse Regering van 14 juli 2004 betreffende het rapporteren van afname- en productiegegevens door de beheerders van de aardgas- en elektriciteitsnetten, de brandstofleveranciers, de exploitanten van warmtekracht-, hernieuwbare energie en zelfopwekkingsinstallaties, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 maart 2006 en 24 april 2009;14° het besluit van de Vlaamse Regering van 11 maart 2005 tot vaststelling van de eisen op het vlak van de energieprestaties en het binnenklimaat van gebouwen, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 maart 2009;15° het besluit van de Vlaamse Regering van 18 november 2005 tot vaststelling van de openbaredienstverplichting, opgelegd aan de netbeheerders met betrekking tot het ter beschikking stellen van de mogelijkheid voor afnemers op laagspanning om te kunnen genieten van een elektriciteitstarief op basis van een dag- en een nachtmeter;16° het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juli 2006 ter bevordering van de elektriciteitsopwekking in kwalitatieve warmtekrachtinstallaties;17° het besluit van de Vlaamse Regering van 2 maart 2007 inzake de openbaredienstverplichtingen ter bevordering van het rationeel energiegebruik, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 11 januari 2008, 19 december 2008, 13 maart 2009, 18 september 2009 en 5 februari 2010;18° het besluit van de Vlaamse Regering van 20 april 2007 betreffende de invoering van het energieprestatie-certificaat voor publieke gebouwen;19° het besluit van de Vlaamse Regering van 11 januari 2008 houdende de invoering van het energieprestatiecertificaat residentiële gebouwen bij verkoop en verhuur en de uitvoering van de energieaudit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 5 december 2008 en 18 september 2009;20° het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2008 tot toekenning van premies voor het uitvoeren van energiebesparende investeringen in woongebouwen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 18 september 2009 en 5 februari 2010;21° het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2008 houdende de toekenning van een subsidie voor de plaatsing van microwarmtekrachtinstallaties en warmtepompen door niet-commerciële instellingen en publiekrechtelijke rechtspersonen;22° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2008 houdende de invoering van het energieprestatiecertificaat niet-residentiële gebouwen bij verkoop en verhuur;23° het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2008 tot toekenning van subsidies aan sociale verhuurkantoren voor het uitvoeren van energiebesparende investeringen in woongebouwen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 september 2009;24° het besluit van de Vlaamse Regering van 13 maart 2009 betreffende de sociale openbaredienstverplichtingen in de vrijgemaakte elektriciteits- en aardgasmarkt;25° het besluit van de Vlaamse Regering van 29 oktober 2010 tot toekenning van steun aan energieconsulentenprojecten. § 2. De volgende regelingen worden opgeheven voor de bevoegdheden van het Vlaamse Gewest : 1° het koninklijk besluit van 27 augustus 1925 op de elektriciteitsvoorziening - verklaring van openbaar nut, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 november 1973;2° het koninklijk besluit van 4 december 1933 tot regeling van het innen der rechten wegens gebruik van het openbaar domein voor elektrische leidingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 11 december 2001 en het besluit van de Vlaamse Regering van 29 maart 2002;3° het koninklijk besluit van 15 maart 1966 tot heffing van retributies voor de bezetting van het openbaar of privaat domein van de Staat, de provinciën of de gemeenten door installaties voor gasvervoer door middel van leidingen, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 november 1984, 11 december 2001 en het besluit van de Vlaamse Regering van 29 maart 2002;4° het koninklijk besluit van 26 oktober 1967 betreffende de inrichting en de werking van het Vast-Electrotechnisch Comité en van de vaste afdelingen van dit comité, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 27 november 1975;5° het koninklijk besluit van 26 november 1973 betreffende de wegvergunningen bedoeld bij de wet van 10 maart 1925 op de elektriciteitsvoorziening, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 juni 1978 en het besluit van de Vlaamse Regering van 29 maart 2002;6° het koninklijk besluit van 26 november 1973 tot vaststelling van de door de Staat, de provinciën, de gemeenten, de verenigingen van gemeenten en de houders van een concessie van elektriciteitsvoorziening te volgen regelen voor het benutten van een weg die geen deel uitmaakt, naargelang het geval, van hun eigen openbaar domein, van dat van de gemeenten aangesloten bij de vereniging van gemeenten, of dat van de concessieverlenende gemeente of van de gemeenten, aangesloten bij de concessieverlenende vereniging van gemeenten, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 26 juni 1978 en het besluit van de Vlaamse Regering van 29 maart 2002;7° het koninklijk besluit van 10 februari 1983 houdende aanmoedigingsmaatregelen voor het rationeel energieverbruik, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 16 december 1992, 16 juni 1998, 16 april 2004, 15 juli 2005 en 29 mei 2009. HOOFDSTUK III. - Overgangsbepalingen Art. 12.3.1 In afwijking van artikel 5.4.1 tot en met 5.4.17 en van artikel 5.6.4, start op 1 juli 2009 een overgangsperiode van drie jaar waarin de aardgasdistributienetbeheerder een actieplan uitvoert, waarbij hij prioriteiten bepaalt voor de plaatsing van budgetmeters voor aardgas bij huishoudelijke aardgasafnemers die door de aardgasdistributienetbeheerder worden beleverd via de gewone aardgasmeter.

Het ontwerp van actieplan, waarin de prioriteiten en de fasering worden toegelicht, wordt negentig dagen na de inwerkingtreding van dit artikel ter goedkeuring voorgelegd aan het Vlaams Energieagentschap.

Het Vlaams Energieagentschap deelt binnen zestig kalenderdagen na de ontvangst van het ontwerp van actieplan een gemotiveerde beslissing over het ontwerp van actieplan mee aan de aardgasdistributienetbeheerder. Als het Vlaams Energieagentschap binnen die termijn geen beslissing meedeelt, is het ontwerp van actieplan goedgekeurd.

Als het Vlaams Energieagentschap het nodig acht, kan het extra gegevens opvragen bij de betrokken aardgasdistributienetbeheerder. Het Vlaams Energieagentschap vraagt daarbij alle ontbrekende gegevens samen op. De goedkeuringstermijn voor het ontwerp van actieplan wordt in dat geval opgeschort tot de ontvangst van de gevraagde informatie.

De aardgasdistributienetbeheerder bezorgt de ontbrekende informatie binnen vijfenveertig kalenderdagen na de ontvangst van het verzoek.

Als de betrokken aardgasdistributienetbeheerder het oneens is met de beslissing van het Vlaams Energieagentschap, kan hij binnen twintig kalenderdagen na de ontvangst van de beslissing de minister met een aangetekende brief op de hoogte brengen van zijn tegenargumenten. Als de aardgasdistributienetbeheerder bij het verstrijken van die termijn geen tegenargumenten heeft geformuleerd, is de beslissing definitief.

De minister neemt binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van de tegenargumenten van de aardgasdistributienetbeheerder een definitieve beslissing over de onderwerpen waarvoor de aardgasdistributienetbeheerder tegenargumenten heeft geformuleerd. De door de minister genomen beslissing wordt toegepast bij de uitvoering van het actieplan. Als de minister binnen de termijn van dertig kalenderdagen geen beslissing neemt, wordt het actieplan, zoals beargumenteerd door de aardgasdistributienetbeheerder, als goedgekeurd beschouwd.

HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen Art. 12.4.1 Het Energiedecreet van 8 mei 2009, behoudens titel XIV en artikel 15.2.1, 1°, treedt in werking.

Art. 12.4.2 Dit besluit wordt aangehaald als : het Energiebesluit van 19 november 2010.

Art. 12.4.3 Dit besluit, behoudens artikel 10.1.2 en artikel 10.1.6 waarvan de datum van inwerkingtreding wordt bepaald door de minister, treedt in werking op 1 januari 2011.

Art. 12.4.4 De Vlaamse minister, bevoegd voor het energiebeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 19 november 2010.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Energie, Wonen, Steden en Sociale Economie, F. VAN DEN BOSSCHE

Bijlage I. - Methodologie voor de bepaling van het rendement van het warmtekrachtkoppelingsproces De waarden die gebruikt worden voor de berekening van het rendement van warmtekrachtkoppeling en de besparingen op primaire energie worden bepaald op basis van de verwachte of werkelijke werking van de eenheid onder normale gebruiksomstandigheden. a) Kwalitatieve warmtekrachtkoppeling. Voor de toepassing van dit besluit moet kwalitatieve warmtekrachtkoppeling aan de volgende criteria voldoen : - Warmtekrachtkoppelingsproductie, afkomstig van warmtekrachtkoppelingseenheden, levert een besparing van primaire energie op van ten minste 10 %, berekend overeenkomstig punt b), ten opzichte van de referenties voor de gescheiden productie van warmte en elektriciteit; - de productie, afkomstig van kleinschalige en microwarmtekrachtkoppelingseenheden die een besparing van primaire energie opleveren, wordt aangemerkt als kwalitatieve warmtekrachtkoppeling. b) Berekeningen van de besparing op primaire energie. De relatieve primaire energiebesparing wordt met de volgende formule berekend : BPE = [1 - 1/W'eta'/Ref W'eta' + E'eta'/Ref E'eta'] x 100 % waarin : BPE de relatieve besparing op primaire energie is;

W'eta' het warmterendement van het proces is, gedefinieerd als de jaarlijkse opbrengst aan nuttige warmte, gedeeld door de brandstofinvoer die is gebruikt om de som van de jaarlijkse opbrengst aan warmte, elektriciteit of mechanische energie te produceren;

Ref W'eta' de rendementsreferentiewaarde voor gescheiden warmteproductie is;

E'eta' het elektriciteitsrendement van het proces is, gedefinieerd als de jaarlijkse netto-opbrengst aan elektriciteit of mechanische energie, gedeeld door de brandstofinvoer die is gebruikt om de som van de jaarlijkse opbrengst aan warmte, elektriciteit of mechanische energie te produceren. Als een warmtekrachtkoppelingseenheid mechanische energie genereert, kan de elektriciteit uit een warmtekrachtinstallatie op jaarbasis worden verhoogd met een aanvullend element dat staat voor de hoeveelheid elektriciteit die gelijk is aan die van mechanische energie. Dat aanvullende element schept geen recht om het hiervoor toegekende warmtekrachtcertificaat overeenkomstig artikel 6.2.13 als garantie van oorsprong te gebruiken;

Ref E'eta' de rendementsreferentiewaarde voor gescheiden elektriciteitsproductie of gescheiden productie van mechanische energie is.

Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 houdende algemene bepalingen over het energiebeleid.

Brussel, 19 november 2010.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Energie, Wonen, Steden en Sociale Economie, F. VAN DEN BOSSCHE

Bijlage II. - Berekening van elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling De waarden die worden gebruikt voor de berekening van elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling moeten worden bepaald op basis van de verwachte of werkelijke werking van de eenheid onder normale gebruiksomstandigheden. a) De elektriciteitsproductie uit warmtekrachtkoppeling wordt gelijkgesteld aan de totale elektriciteitsproductie van de eenheid op jaarbasis, gemeten op de aansluiting op de hoofdgeneratoren : i) in warmtekrachtkoppelingseenheden van de in bijlage III genoemde typen b), d), e), f), g) en h) met een totaal rendement op jaarbasis van ten minste 75 %; ii) in warmtekrachtkoppelingseenheden van de in bijlage III genoemde typen a) en c) met een totaal rendement op jaarbasis van ten minste 80 %. b) In warmtekrachtkoppelingseenheden met een totaal rendement op jaarbasis van minder dan de onder a), i), genoemde waarde (warmtekrachtkoppelingseenheden van de in bijlage III genoemde typen b), d), e), f), g) en h) of met een totaal rendement op jaarbasis van minder dan de onder a), ii), genoemde waarde (warmtekrachtkoppelingseenheden van de in bijlage III genoemde typen a) en c) wordt de warmtekrachtkoppeling berekend volgens de volgende formule : EWKK = WWKK.C waarin : EWKK de hoeveelheid elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling is, in elk geval beperkt tot de totale elektriciteitsproductie, geproduceerd door de warmtekrachtkoppelingseenheid;

C de elektriciteit-warmteratio is;

WWKK de hoeveelheid nuttige warmte uit warmtekrachtkoppeling is (voor dit doel berekend als de totale warmteproductie minus de warmte die is geproduceerd in aparte ketels of door aftap van directe stroom van de stoomgenerator voor de turbine).

De elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling moet worden berekend op basis van de werkelijke elektriciteit-warmteratio. Als de werkelijke elektriciteit-warmteratio van een warmtekrachtkoppelingseenheid onbekend is, kunnen, met name voor statistische doeleinden, de volgende standaardwaarden worden gebruikt voor eenheden van de in bijlage III genoemde typen a), b), c), d) en e), mits de berekende elektriciteit uit warmtekrachtkoppeling minder is dan of gelijk is aan de totale elektriciteitsproductie van de eenheid :

Type eenheid

Standaard elektriciteit-warmteratio (C)

Stoom- en gasturbine met warmteterugwinning

0,95

Tegendrukstoomturbine

0,45

Aftap-condensatiestoomturbine

0,45

Gasturbine met warmteterugwinning

0,55

Interne verbrandingsmotor

0,75


c) Als een deel van de energie-inhoud van de brandstofinvoer in het warmtekrachtkoppelingsproces wordt teruggewonnen in de vorm van chemicaliën en wordt gerecycleerd, kan dat deel op de brandstofinvoer in mindering worden gebracht voordat het totale rendement, bedoeld onder a) en b), wordt berekend. Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 houdende algemene bepalingen over het energiebeleid.

Brussel, 19 november 2010.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Energie, Wonen, Steden en Sociale Economie, F. VAN DEN BOSSCHE

Bijlage III. - Technologieën voor warmtekrachtkoppeling waarop het besluit betrekking heeft a) Stoom- en gasturbine met warmteterugwinning b) Tegendrukstoomturbine c) Aftap-condensatiestoomturbine d) Gasturbine met warmteterugwinning e) Interne verbrandingsmotor f) Microturbine g) Stirlingmotor h) Brandstofcel i) Stoommachine j) Organische Rankinecyclus k) Alle overige typen technologie en alle combinaties daarvan die onder de definitie van warmtekrachtkoppeling vallen Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 houdende algemene bepalingen over het energiebeleid. Brussel, 19 november 2010.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Energie, Wonen, Steden en Sociale Economie, F. VAN DEN BOSSCHE

Bijlage IV. - Aantal huishoudelijke toegangspunten op het elektriciteitsdistributienet per 1 oktober 2006 ELEKTRICITEITSNETBEHEERDER Totaal - AGEM : 2.902 - Gaselwest : 329.531 - Imea : 251.072 - Imewo : 439.384 - INTER-ENERGA : 325.324 - Intergem : 244.124 - IVEG : 67.361 - Iveka : 296.342 - Iverlek : 420.634 - PBE : 69.879 - Sibelgas : 49.020 - WVEM : 117.944 - Eindtotaal : 2.613.517 Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 houdende algemene bepalingen over het energiebeleid.

Brussel, 19 november 2010.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Energie, Wonen, Steden en Sociale Economie, F. VAN DEN BOSSCHE

Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 houdende algemene bepalingen over het energiebeleid.

Brussel, 19 november 2010.

De minister-president van de Vlaamse Regering, K. PEETERS De Vlaamse minister van Energie, Wonen, Steden en Sociale Economie, F. VAN DEN BOSSCHE

Raadpleging van bl. 74288 tot 74386 Beeld van de publicatie deel 1 Raadpleging van bl. 74387 tot 74486 Beeld van de publicatie deel 2 Raadpleging van bl. 74487 tot 74586 Beeld van de publicatie deel 3 Raadpleging van bl. 74587 tot 74678 Beeld van de publicatie deel 4 Raadpleging van bl. 74679 tot 74778 Beeld van de publicatie deel 5 Raadpleging van bl. 74779 tot 74878 Beeld van de publicatie deel 6 Raadpleging van bl. 74879 tot 74970 Beeld van de publicatie deel 7

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^