Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 19 juni 2008

Uittreksel uit arrest nr. 76/2008 van 8 mei 2008 Rolnummer 4203 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 32, 2°, en 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Rec Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechter(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2008202110
pub.
19/06/2008
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

Uittreksel uit arrest nr. 76/2008 van 8 mei 2008 Rolnummer 4203 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 32, 2°, en 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Luik.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters M. Melchior en M. Bossuyt, en de rechters E. De Groot, A. Alen, J.-P. Moerman, E. Derycke en J. Spreutels, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter M. Melchior, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 3 mei 2007 in zake A.J. tegen F.K., waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 10 mei 2007, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Luik de volgende prejudiciële vragen gesteld : 1. « Schenden artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 32, 2°, en 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek, gecombineerd met de artikelen 46, § 2, en 792 van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij voor de aanvang van de termijn van beroep of verzet de kennisgeving bij gewone brief als regel aannemen, terwijl voor de andere betwistingen van vergelijkbare aard de kennisgeving bij gerechtsbrief de regel is ? »;2. « Schenden artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 32, 2°, en 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij voor de aanvang van de termijn van verzet of beroep de kennisgeving van de beslissing bij gewone brief als regel aannemen, terwijl de artikelen 203 en 203bis van het Burgerlijk Wetboek een betekening vereisen voor de aanvang van de termijn van verzet of beroep ? ». (...) III. In rechte (...) B.1.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de artikelen 32, 2°, en 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek en 203ter van het Burgerlijk Wetboek, in samenhang gelezen, wat de eerste vraag betreft, met de artikelen 46, § 2, en 792 van dat laatste Wetboek.

B.1.2. Artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek - waarvan enkel de laatste zin van het eerste lid in het geding is - bepaalt : « Indien de schuldenaar een van de verplichtingen opgelegd bij de artikelen 203, 203bis, 205, 207, 303 of 336 van dit Wetboek of de krachtens artikel 1288, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek aangegane verbintenis niet nakomt, kan de schuldeiser, onverminderd het recht van derden, zich doen machtigen om, met uitsluiting van voornoemde schuldenaar, onder de voorwaarden en binnen de grenzen door het vonnis gesteld, de inkomsten van deze laatste of iedere andere hem door een derde verschuldigde geldsom te ontvangen. De rechtspleging en de bevoegdheden van de rechter worden geregeld volgens de artikelen 1253bis tot 1253quinquies van het Gerechtelijk Wetboek.

Het vonnis kan worden tegengeworpen aan alle tegenwoordige of toekomstige derden-schuldenaars, na kennisgeving door de griffier op verzoek van de eiser.

Wanneer het vonnis ophoudt gevolg te hebben, geeft de griffier daarvan bericht aan de derden-schuldenaars.

De griffier vermeldt in zijn kennisgeving wat de derde-schuldenaar moet betalen of ophouden te betalen ».

B.1.3. De artikelen 32, 46, § 2, 792 en 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek bepalen : «

Art. 32.In dit wetboek wordt verstaan : 1° onder betekening : de afgifte van een afschrift van de akte;zij geschiedt bij deurwaardersexploot; 2° onder kennisgeving : de toezending van een akte van rechtspleging in origineel of in afschrift;zij geschiedt langs de post of, in de gevallen die de wet bepaalt, in de vormen die deze voorschrijft ». «

Art. 46.[...] § 2. In de gevallen die de wet bepaalt, zorgt de griffier ervoor dat de kennisgeving bij gerechtsbrief geschiedt.

De gerechtsbrief wordt door de postdienst ter hand gesteld aan de geadresseerde in persoon of aan diens woonplaats zoals bepaald in de artikelen 33, 35 en 39. De persoon aan wie de brief wordt ter hand gesteld, tekent het ontvangstbewijs, dat door de post aan de afzender wordt teruggezonden. Weigert die persoon te tekenen, dan maakt de postbeambte van die weigering melding onderaan op het ontvangstbewijs.

Ingeval de gerechtsbrief noch aan de geadresseerde in persoon noch aan diens woonplaats ter hand kan worden gesteld, laat de postbeambte een bericht achter dat hij is langsgekomen. De brief wordt gedurende acht dagen op het postkantoor in bewaring gehouden. Hij kan tijdens die termijn afgehaald worden door de geadresseerde in persoon of door de houder van een schriftelijke volmacht.

Wanneer evenwel de geadresseerde van de gerechtsbrief om de terugzending van zijn briefwisseling heeft verzocht of hij de bewaring ervan op het postkantoor heeft gevraagd, wordt de brief tijdens de periode die door het verzoek wordt gedekt, terug gezonden naar of bewaard op het adres dat de geadresseerde heeft aangewezen.

De aan een gefailleerde geadresseerde brief wordt aan de curator ter hand gesteld.

De Koning regelt de wijze waarop de leden 3 tot 5 worden toegepast ». «

Art. 792.Binnen acht dagen na de uitspraak van het vonnis zendt de griffier bij gewone brief een niet- ondertekend afschrift van het vonnis, aan elke partij, of, in voorkomend geval, aan hun advocaten.

In afwijking van het vorige lid, voor de zaken opgesomd in artikel 704, § 2, alsook inzake adoptie brengt de griffier binnen de acht dagen bij gerechtsbrief het vonnis ter kennis van de partijen.

Op straffe van nietigheid vermeldt deze kennisgeving de rechtsmiddelen, de termijn binnen welke dit verhaal moet worden ingesteld evenals de benaming en het adres van de rechtsmacht die bevoegd is om er kennis van te nemen.

In de gevallen, bepaald in het tweede lid, zendt de griffier een niet-ondertekend afschrift van het vonnis, in voorkomend geval, aan de advocaten van de partijen of aan de afgevaardigden bedoeld in artikel 728, § 3 ». «

Art. 1253quater.Wanneer de vorderingen gegrond zijn op de artikelen 214, 215, 216, 221, 223, 1420, 1421, 1426, 1442, 1463 en 1469 van het Burgerlijk Wetboek : a) doet de rechter de partijen oproepen in raadkamer en poogt ze te verzoenen;b) wordt de beschikking gewezen binnen 15 dagen na de indiening van het verzoek;de griffier geeft ervan kennis aan beide echtgenoten; c) kan, indien de beschikking bij verstek is gewezen, de partij die niet verschenen is, binnen een maand na de kennisgeving verzet doen bij verzoekschrift ingediend ter griffie van de rechtbank;d) is de beschikking vatbaar voor hoger beroep ongeacht het bedrag van de eis : hoger beroep wordt ingesteld binnen een maand na de kennisgeving;e) kan elk der echtgenoten te allen tijde in dezelfde vorm wijziging of intrekking vorderen van de beschikking of het arrest ». B.2. In de eerste prejudiciële vraag betreft het verschil in behandeling dat de verwijzende rechter aan het Hof voorlegt het onderscheid tussen de rechtzoekenden die tegen een beslissing hoger beroep instellen, naargelang het een beslissing betreft die steunt op artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek en, volgens de verwijzende rechter die in dat verband refereert aan een arrest van het Hof van Cassatie van 23 september 1996 (Pas. 1996, I, p. 843), het voorwerp moet uitmaken van een kennisgeving bij gewone brief, dan wel een beslissing die het voorwerp moet uitmaken van een kennisgeving bij gerechtsbrief. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, zijn de aldus omschreven categorieën van rechtzoekenden voldoende geïdentificeerd.

B.3.1. In de tweede prejudiciële vraag betreft het verschil in behandeling dat de verwijzende rechter aan het Hof voorlegt, het onderscheid onder de rechtzoekenden die hoger beroep instellen tegen een beslissing van de vrederechter, naargelang die steunt op de artikelen 203 en 203bis dan wel op artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek. In het eerste geval moet het vonnis, op grond van artikel 1051 van het Gerechtelijk Wetboek, worden betekend bij deurwaardersexploot. In het tweede geval moet de beschikking, op grond van artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek en artikel 1253quater, b), van het Gerechtelijk Wetboek, het voorwerp uitmaken van een kennisgeving bij gewone brief, waarbij de verwijzende rechter in dat opzicht refereert aan het voormelde arrest van het Hof van Cassatie van 23 september 1996.

B.3.2. Artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek staat de schuldeiser van de uitvoering van een verplichting, gegrond op een van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek of het Gerechtelijk Wetboek waarnaar het genoemde artikel verwijst, toe zich door de rechter te doen machtigen om, onder de voorwaarden en binnen de grenzen gesteld in hetzelfde artikel, de inkomsten van de schuldenaar of iedere andere hem door een derde verschuldigde geldsom te ontvangen.

Tijdens de parlementaire voorbereiding is opgemerkt dat die bepaling werd ingegeven « door de wens om de gedwongen tenuitvoerlegging van de alimentatieregeling te bespoedigen, doeltreffender en minder duur te maken » (Parl. St., Senaat, 1984-1985, 904, nr. 2, p. 36).

B.3.3. Artikel 203ter, eerste lid, laatste zin, met betrekking tot de rechtspleging en de bevoegdheden van de rechter in het kader van de sommendelegatie waarin het voorziet, verklaart de artikelen 1253ter tot 1253quinquies van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing en, met name, artikel 1253quater. Littera b) van dat artikel bepaalt dat van de beschikking aan beide echtgenoten kennis wordt gegeven door de griffier; littera d) van hetzelfde artikel voorziet in een termijn voor hoger beroep van één maand na die kennisgeving.

Dat artikel 203ter vermeldt tevens de kennisgeving aan de derden-schuldenaars.

B.4.1. In de zaken die aanleiding hebben gegeven tot de arresten nrs. 142/2002 en 118/2004 en die eveneens betrekking hebben op de toepassing van de artikelen 203ter van het Burgerlijk Wetboek en 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek in geschillen die analoog zijn aan datgene dat bij de verwijzende rechter aanhangig is, hadden de verwijzende rechters aan het Hof gevraagd het verschil in behandeling onder rechtzoekenden te toetsen naargelang rechterlijke beslissingen hun bij deurwaardersexploot worden betekend of hun daarvan bij gerechtsbrief wordt kennisgegeven, overwegende dat de in die geschillen genomen beslissingen het voorwerp moesten uitmaken van een kennisgeving bij gerechtsbrief met toepassing van de twee voormelde bepalingen van het Burgerlijk Wetboek en het Gerechtelijk Wetboek. Het Hof heeft die vragen in die interpretatie beantwoord, waarbij het geen schending heeft vastgesteld van de grondwetsbepalingen die het kan doen naleven.

B.4.2. In de onderhavige zaak is de verwijzende rechter van mening dat, in het aan hem voorgelegde geschil, de beslissing het voorwerp moet uitmaken van een kennisgeving bij gewone brief en niet bij gerechtsbrief, zoals de verwijzende rechters in de voormelde zaken oordeelden. Het staat in de regel niet aan het Hof - dat overigens vaststelt dat één van de tussenkomende partijen opmerkt dat de praktijk in de vredegerechten niet uniform is - de interpretatie of de toepassing te betwisten van de bepalingen die de verwijzende rechter aan zijn toetsing voorlegt. Te dezen kan de interpretatie van de verwijzende rechter overigens steunen op het feit dat, in tegenstelling tot andere bepalingen van het Burgerlijk Wetboek of van het Gerechtelijk Wetboek, de in het geding zijnde bepalingen de verzending bij gerechtsbrief niet uitdrukkelijk vereisen en dat het Hof van Cassatie in het voormelde arrest van 23 september 1996 heeft beslist dat die wijze van kennisgeving niet was verplicht voor de vorderingen bedoeld in artikel 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek. Het Hof beantwoordt de prejudiciële vragen in die interpretatie.

B.5. In de interpretatie van de verwijzende rechter wijkt artikel 203ter, doordat het de kennisgeving bij gewone brief in aanmerking neemt als wijze van mededeling, aldus af van de regels van het gerechtelijk privaatrecht volgens welke de vonnissen het voorwerp uitmaken van een kennisgeving bij gerechtsbrief (eerste prejudiciële vraag), dan wel worden betekend (tweede prejudiciële vraag), waarbij die laatste regel met name geldt voor de mededeling van de vonnissen die worden gewezen op vorderingen die zijn gegrond op de artikelen 203 en 203bis van het Burgerlijk Wetboek.

B.6. Het staat aan de wetgever te bepalen op welke wijze de mededeling van akten van rechtspleging wordt geregeld.

De keuze voor de gewone brief in deze aangelegenheid is onder meer verantwoord door de zorg om de kosten van de rechtspleging te drukken en de uitvoering van de beslissing te bespoedigen.

B.7. De sommendelegatie die in artikel 203ter van het Burgerlijk Wetboek wordt geregeld, onderscheidt zich op objectieve wijze van de verschillende maatregelen die het voorwerp uitmaken van een kennisgeving bij gerechtsbrief (eerste prejudiciële vraag) en van de maatregelen die steunen op de artikelen 203 en 203bis van het Burgerlijk Wetboek en het voorwerp uitmaken van een betekening bij deurwaardersexploot (tweede prejudiciële vraag).

De sommendelegatie betreft immers een manier om een op een familieband berustende verplichting die de rechter oplegt aan een schuldenaar die in gebreke blijft, rechtstreeks te doen uitvoeren door derden-schuldenaars.

De situatie van de schuldeiser van een niet nagekomen onderhoudsverplichting vereist dat de niet-betaling van de alimentatievergoeding zonder verwijl wordt verholpen.

B.8. De in B.7 uitgedrukte zorg mag evenwel niet ertoe leiden dat de rechten van de schuldenaar op discriminerende wijze worden aangetast.

Te dezen verantwoordt de wil om de kosten van de rechtspleging te beperken of het verloop ervan te versnellen, niet dat de schuldenaar, die wordt geconfronteerd met een beslissing waartegen hij beroep kan aantekenen, dat beroep zou kunnen worden ontnomen of dat de uitoefening daarvan zou worden beperkt wanneer de beslissing hem wordt meegedeeld bij gewone brief waarvan de afhandeling niet gepaard gaat met bijzondere waarborgen, en wanneer de beroepstermijn bovendien, zoals te dezen, is beginnen te lopen vanaf de verzending van de brief.

B.9. Weliswaar heeft de wet van 13 december 2005 een artikel 53bis in het Gerechtelijk Wetboek ingevoegd, dat bepaalt : « Ten aanzien van de geadresseerde, en tenzij de wet anders bepaalt, worden de termijnen die beginnen te lopen vanaf een kennisgeving op een papieren drager berekend : 1° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij gerechtsbrief of bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs, vanaf de eerste dag die volgt op deze waarop de brief aangeboden werd op de woonplaats van de geadresseerde of, in voorkomend geval, op zijn verblijfplaats of gekozen woonplaats;2° wanneer de kennisgeving is gebeurd bij aangetekende brief of bij gewone brief, vanaf de derde werkdag die volgt op die waarop de brief aan de postdiensten overhandigd werd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst ». Hoewel de dubbele waarborg vervat in het 2° van die bepaling de in B.8 aangegeven aantastingen van de rechten van de rechtzoekenden kan verhelpen, kan hij die daarentegen niet verhelpen in de geschillen waar, zoals te dezen, de in het geding zijnde termijn is verstreken, zodat die bepaling niet zou kunnen worden toegepast.

B.10. De prejudiciële vragen dienen bevestigend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Onverminderd hetgeen in B.9 is gezegd, schenden de artikelen 203ter van het Burgerlijk Wetboek en 32, 2°, en 1253quater van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

Aldus uitgesproken in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, op de openbare terechtzitting van 8 mei 2008.

De griffier, P.-Y. Dutilleux.

De voorzitter, M. Melchior.

^