Gerechtelijk Wetboek
gepubliceerd op 09 maart 2015
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Uittreksel uit arrest nr. 4/2015 van 22 januari 2015 Rolnummer : 5820 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 15 juli 2013 tot wijziging van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de tucht, ingesteld Het Grondw

bron
grondwettelijk hof
numac
2015200622
pub.
09/03/2015
prom.
--
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

Uittreksel uit arrest nr. 4/2015 van 22 januari 2015 Rolnummer : 5820 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 15 juli 2013 tot wijziging van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de tucht, ingesteld door de vzw « Nationale federatie van de griffiers bij de Hoven en Rechtbanken » en anderen.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters A. Alen en J. Spreutels, en de rechters J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, P. Nihoul en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter A. Alen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 24 januari 2014 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 27 januari 2014, is beroep tot gedeeltelijke vernietiging ingesteld van de wet van 15 juli 2013 tot wijziging van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de tucht (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 juli 2013) door de vzw « Nationale federatie van de griffiers bij de Hoven en Rechtbanken », Serge Dobbelaere, Geert Van Nuffel, en Franky Hulpia, allen bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. D. Matthys, advocaat bij de balie te Gent. (...) II. In rechte (...) B.1.1. De verzoekende partijen vorderen de gedeeltelijke vernietiging van de artikelen 14, 16, 18, 21 en 30 van de wet van 15 juli 2013 tot wijziging van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de tucht, in zoverre daarbij respectievelijk de nieuwe artikelen 409, § 2, 410, § 2, 411, §§ 2, 3, 4 en 5, 412, § 1, 7°, a), b), d), e) en h), en 418, § 4, in het Gerechtelijk Wetboek worden ingevoegd.

De wet van 15 juli 2013 hervormt het tuchtrecht voor de magistraten en het gerechtspersoneel.

B.1.2. De bestreden bepalingen hebben betrekking op respectievelijk de samenstelling van de kamers van de tuchtrechtbank in eerste aanleg en in hoger beroep, de aanwijzing van de leden-assessoren van de tuchtrechtbank in eerste aanleg en in hoger beroep, de aanwijzing van de overheden die bevoegd zijn om een tuchtprocedure in te stellen en de beroepsmogelijkheid bij de tuchtrechtbank voor magistraten tegen een als ordemaatregel verhulde tuchtmaatregel.

De bestreden artikelen bepalen : «

Art. 14.Artikel 409 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, wordt vervangen door wat volgt : '

Art. 409.[...] § 2. Wanneer de kamers van de tuchtrechtbank zich moeten uitspreken over een magistraat van de zetel die geen magistraat is van het Hof van Cassatie, zijn ze samengesteld uit twee rechters in de tuchtrechtbank en een assessor uit een rechtscollege van hetzelfde niveau als het rechtscollege waarvan de vervolgde persoon afkomstig is. Een stafhouder van een raad van de Orde wordt telkens met een raadgevende stem toegevoegd.

Wanneer de kamers van de tuchtrechtbank zich moeten uitspreken over een magistraat van het openbaar ministerie die geen magistraat is bij het Hof van Cassatie, zijn ze samengesteld uit twee rechters in de tuchtrechtbank en een assessor die wordt aangewezen uit de magistraten van het openbaar ministerie van hetzelfde niveau als de vervolgde persoon. Een stafhouder van een raad van de Orde wordt telkens met raadgevende stem toegevoegd.

Wanneer de tuchtprocedure betrekking heeft op een lid van het gerechtspersoneel, zijn ze samengesteld uit twee rechters in de tuchtrechtbank en een assessor die wordt aangewezen uit de assessoren die zijn aangewezen door de minister van Justitie en die van een niveau zijn dat ten minste gelijk is aan het niveau van de persoon tegen wie de tuchtprocedure loopt. Een stafhouder van een raad van de Orde wordt telkens met raadgevende stem toegevoegd.

De stafhouder wordt aangewezen door de Orde van Vlaamse Balies of door de Ordre des barreaux francophones et germanophone, op schriftelijk verzoek van de voorzitter van de tuchtrechtbank. [...] ' ». «

Art. 16.Artikel 410 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, wordt vervangen door wat volgt : '

Art. 410.[...] § 2. Wanneer de kamers van de tuchtrechtbank in hoger beroep zich moeten uitspreken over een magistraat van de zetel die geen magistraat is van het Hof van Cassatie, zijn ze samengesteld uit twee raadsheren in de tuchtrechtbank in hoger beroep en een raadsheer-assessor uit een rechtscollege van hetzelfde niveau als het rechtscollege waarvan de vervolgde persoon afkomstig is. Een stafhouder van een raad van de Orde wordt telkens met een raadgevende stem toegevoegd.

Wanneer de kamers van de tuchtrechtbank in hoger beroep zich moeten uitspreken over een magistraat van het openbaar ministerie die geen magistraat is bij het Hof van Cassatie, zijn ze samengesteld uit twee raadsheren in de tuchtrechtbank in hoger beroep en een raadsheer-assessor die wordt aangewezen uit de magistraten van het openbaar ministerie van hetzelfde niveau als de vervolgde persoon. Een stafhouder van een raad van de Orde wordt telkens met een raadgevende stem toegevoegd.

Wanneer de tuchtprocedure betrekking heeft op een lid van het gerechtspersoneel, zijn de kamers van de tuchtrechtbank in hoger beroep samengesteld uit twee raadsheren in de tuchtrechtbank in hoger beroep en een raadsheer-assessor die wordt aangewezen uit de assessoren die zijn aangewezen door de minister van Justitie en die van een niveau zijn dat ten minste gelijk is aan dat van de persoon tegen wie de tuchtprocedure loopt. Een stafhouder van een raad van de Orde wordt telkens met een raadgevende stem toegevoegd.

De stafhouder wordt aangewezen door de Orde van Vlaamse Balies of door de Ordre des barreaux francophones et germanophone, op schriftelijk verzoek van de voorzitter van de tuchtrechtbank in hoger beroep. [...] ' ». «

Art. 18.Artikel 411 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 juli 2002, wordt vervangen door wat volgt : '

Art. 411.[...] § 2. De leden-assessoren van de tuchtrechtscolleges worden aangewezen uit de werkende beroepsmagistraten of op rust gestelde magistraten en uit het gerechtspersoneel van niveau A en B. Om als lid-assessor van de tuchtrechtscolleges te worden aangewezen, moet de kandidaat tien ambtsjaren binnen de Rechterlijke Orde vervuld hebben, waarvan vijf jaar respectievelijk in het ambt van magistraat van de zetel, van magistraat van het openbaar ministerie of van personeelslid van niveau A of B, en mag hij geen enkele tuchtstraf hebben ondergaan.

De kandidaat-assessoren richten hun kandidatuur respectievelijk aan hun algemene vergadering, hun korpsvergadering of aan de minister van Justitie binnen dertig dagen na de oproep tot kandidaten bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. § 3. De magistraten van de zetel die in aanmerking komen om zitting te hebben als lid-assessor in de tuchtrechtscolleges worden door hun algemene vergadering uitgekozen binnen zestig dagen na de oproep tot kandidaten bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De magistraten van het openbaar ministerie die in aanmerking komen om zitting te hebben als lid-assessor in de tuchtrechtscolleges worden door hun korpsvergadering uitgekozen binnen diezelfde termijn.

In elk rechtsgebied van het hof van beroep wijzen de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg, van de rechtbanken van koophandel en van de arbeidsrechtbanken alsook de voorzitter van de algemene vergadering van de vrederechters en van de rechters in de politierechtbank gezamenlijk, uit de door de algemene vergaderingen uitgekozen kandidaten, vier leden van die rechtbanken aan die zitting kunnen hebben als assessor in de tuchtrechtbank of als assessor in de tuchtrechtbank in hoger beroep. In het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel worden vier Nederlandstalige en vier Franstalige magistraten op dezelfde wijze aangewezen.

De aanwijzingen worden met redenen omkleed.

In elk rechtsgebied van de hoven van beroep wijzen de eerste voorzitters van de hoven van beroep en van de arbeidshoven gezamenlijk, uit de door de algemene vergaderingen uitgekozen kandidaten, drie leden van die hoven aan om zitting te hebben als assessor in de tuchtrechtbank in hoger beroep of als assessor in de tuchtrechtbank.

In het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel worden drie Nederlandstalige en drie Franstalige raadsheren gezamenlijk aangewezen door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, de eerste voorzitter van het hof van beroep en de eerste voorzitter van het arbeidshof.

De aanwijzingen worden met redenen omkleed. § 4. In elk rechtsgebied van de hoven van beroep wijzen de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs gezamenlijk, uit de door de korpsvergaderingen uitgekozen kandidaten, drie magistraten van het parket van de procureur des Konings of van het arbeidsauditoraat aan die zitting kunnen hebben als assessor in de tuchtrechtbank of in de tuchtrechtbank in hoger beroep of die de bevoegdheid van het openbaar ministerie kunnen uitoefenen. In het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel worden drie Nederlandstalige en drie Franstalige magistraten gezamenlijk aangewezen door de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs.

De aanwijzingen worden met redenen omkleed.

De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, de procureurs-generaal en de federale procureur wijzen gezamenlijk uit de door de korpsvergaderingen uitgekozen kandidaten, de zes leden van de Nederlandstalige parketten-generaal en de zes leden van de Franstalige parketten-generaal aan die zitting kunnen hebben als assessor in de tuchtrechtbank of in de tuchtrechtbank in hoger beroep, of die de bevoegdheid van het openbaar ministerie kunnen uitoefenen.

De aanwijzingen worden met redenen omkleed. § 5. Per rechtsgebied van het hof van beroep worden twee personeelsleden van niveau A en twee personeelsleden van niveau B die in aanmerking kunnen komen om zitting te hebben als assessor in de tuchtrechtbank of in de tuchtrechtbank in hoger beroep aangewezen door de Minister van Justitie binnen negentig dagen na de oproep tot kandidaten, op eensluidend advies van hun hiërarchische meerdere. De Minister van Justitie vraagt het advies van de hiërarchische meerdere van de kandidaat binnen tien dagen na de ontvangst van de kandidatuur.

De adviezen worden overgezonden aan de Minister van Justitie binnen zestig dagen na de oproep tot kandidaten.

In het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel worden twee Nederlandstalige personeelsleden van niveau A, twee Franstalige personeelsleden van niveau A, twee Nederlandstalige personeelsleden van niveau B en twee Franstalige personeelsleden van niveau B aangewezen. [...] ' ». «

Art. 21.Artikel 412 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, wordt vervangen door wat volgt : '

Art. 412.§ 1. De overheden die bevoegd zijn om een tuchtprocedure in te stellen zijn : [...] 7° ten aanzien van de personeelsleden van niveau A, de griffiers, de secretarissen en het personeel van griffies, parketsecretariaten en steundiensten : a) de eerste voorzitter bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de hoofdgriffier van het Hof van Cassatie, en de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de hoofdsecretaris van het parket-generaal bij het Hof van Cassatie;b) de eerste voorzitter van het hof van beroep en het arbeidshof ten aanzien van de hoofdgriffier van het hof van beroep en van het arbeidshof, en de procureur-generaal bij het hof van beroep ten aanzien van de hoofdsecretaris van het parket-generaal bij het hof van beroep en bij het arbeidshof, alsook van de personeelsleden van het niveau A bij deze hoven, bij de parketten-generaal en bij de auditoraten-generaal; [...] d) de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg ten aanzien van de hoofdgriffier van deze rechtbank, van de hoofdgriffier van de politierechtbank en van de hoofdgriffier van het vredegerecht, en de procureur des Konings ten aanzien van de hoofdsecretaris van het parket van de procureur des Konings en van de personeelsleden van niveau A van deze rechtbanken en parketten;e) de voorzitter van de rechtbank van koophandel ten aanzien van de hoofdgriffier van de rechtbank van koophandel, en de procureur des Konings ten aanzien van de personeelsleden van niveau A bij de rechtbank van koophandel; [...] h) de hoofdgriffier ten aanzien van de griffiers-hoofden van dienst, de griffiers, de deskundigen, de administratief deskundigen en ICT-deskundigen, assistenten en medewerkers bij de griffie; [...] ' ». «

Art. 30.Artikel 418 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 juli 2002, wordt vervangen door wat volgt : '

Art. 418.[...] § 4. De magistraat die een als ordemaatregel verhulde tuchtmaatregel betwist die ten aanzien van hem is genomen door een korpschef, kan tegen die maatregel beroep instellen bij de tuchtrechtbank binnen dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing van de korpschef.

Dat beroep heeft geen schorsende werking.

Naast de identiteit en hoedanigheid van de verzoeker en een kopie van de bestreden beslissing bevat het ondertekende verzoekschrift een uiteenzetting van de feiten en de middelen.

Binnen tien dagen nadat de zaak bij de kamer is aanhangig gemaakt, verzendt deze laatste een kopie van het verzoekschrift aan de korpschef, met het verzoek haar binnen dertig dagen het administratief dossier en zijn conclusies te bezorgen.

Een kopie van het dossier en van de conclusies van de korpschef wordt verzonden aan de verzoeker, die binnen een termijn van dertig dagen aanvullende conclusies kan toezenden. Een kopie van de aanvullende conclusies wordt verzonden aan de korpschef.

De korpschef en de verzoeker worden voor de kamer opgeroepen binnen zestig dagen na afloop van de voor de neerlegging van de aanvullende conclusies vastgestelde termijn.

De kamer kan de korpschef, de verzoeker en getuigen horen.

De kamer doet uitspraak binnen dertig dagen na de dag van verschijning voor de rechtbank. ' ».

B.2. De verzoekende partijen leiden een enig middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 151, § 1, ervan en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In de bestreden bepalingen zou een niet objectief en niet redelijk verantwoord verschil in behandeling worden ingevoerd tussen, enerzijds, magistraten van de zetel en van het openbaar ministerie en, anderzijds, griffiers en hoofdgriffiers, terwijl zij allen orgaan van de rechterlijke macht en lid van de rechterlijke orde zouden zijn. In de bestreden bepalingen zou tevens een niet objectieve en niet redelijk verantwoorde gelijke behandeling worden ingevoerd van, enerzijds, de leden van het gerechtspersoneel en, anderzijds, de griffiers en de hoofdgriffiers, terwijl uitsluitend die laatsten orgaan van de rechterlijke macht en lid van de rechterlijke orde zouden zijn.

Wat de aangevoerde schending van artikel 151, § 1, van de Grondwet en van artikel 6 van het voormelde Europees Verdrag betreft, betogen de verzoekende partijen dat de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht die door die bepalingen worden gewaarborgd, door de bestreden bepalingen in het gedrang zouden worden gebracht.

Die waarborgen zouden gelden, niet alleen ten aanzien van de rechters sensu stricto, maar ten aanzien van de rechterlijke instantie, beschouwd als een geheel, dus ook ten aanzien van de griffiers.

B.3.1. Volgens de Ministerraad zou artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens geen waarborgen ten aanzien van de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de griffier inhouden. De griffier zou op geen enkele wijze aan de eigenlijke rechtspraak deelnemen. Bijgevolg zou dat artikel 6, zoals artikel 151, § 1, van de Grondwet, niet op zinvolle wijze met een schending van het gelijkheidsbeginsel in verband kunnen worden gebracht.

B.3.2. Artikel 151, § 1, eerste lid, van de Grondwet bepaalt : « De rechters zijn onafhankelijk in de uitoefening van hun rechtsprekende bevoegdheden. Het openbaar ministerie is onafhankelijk in de individuele opsporing en vervolging onverminderd het recht van de bevoegde minister om de vervolging te bevelen en om de bindende richtlijnen van het strafrechtelijk beleid, inclusief die van het opsporings- en vervolgingsbeleid, vast te leggen ».

Die grondwetsbepaling waarborgt uitsluitend de onafhankelijkheid van de magistraten van de zetel en van het openbaar ministerie. Artikel 151, § 1, is niet van toepassing op de griffiers.

Artikel 6.1 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens bepaalt : « Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. [...] ».

Uit die verdragsbepaling kan niet worden afgeleid dat de daarin vermelde waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het gerecht ook betrekking zouden hebben op de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de griffier. Weliswaar is de griffier met belangrijke taken in het kader van een behoorlijke rechtsbedeling belast, doch neemt hij - in tegenstelling tot de magistraten van de zetel en van het openbaar ministerie - niet deel aan de eigenlijke rechtsprekende functie of het daadwerkelijk op gang brengen van een vervolging.

Bijgevolg kan de schending, door de bestreden bepalingen, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang met artikel 151, § 1, ervan en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet dienstig worden aangevoerd.

B.3.3. Het Hof beperkt zijn onderzoek van het middel tot de aangevoerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

B.4.1. Volgens de Ministerraad zouden de griffiers in dat opzicht niet vergelijkbaar zijn met de magistraten, vermits hun respectieve functies verschillend zouden zijn.

B.4.2. Uit het feit dat de magistraten van de zetel en van het openbaar ministerie, enerzijds, en de griffiers, anderzijds, onderscheiden functies uitoefenen binnen de rechterlijke orde, kan niet worden afgeleid dat zij, wat de op hen toepasselijke tuchtregeling betreft, dermate van mekaar verschillen dat zij niet vergelijkbaar zouden zijn.

B.5. Volgens het middel schenden de artikelen 409, 410, 411, 412 en 418 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij de artikelen 14, 16, 18, 21 en 30 van de wet van 15 juli 2013, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat de erin uitgewerkte tuchtrechtelijke procedure verschillend is geregeld voor de magistraten, enerzijds, en de griffiers, anderzijds, zonder dat daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording zou bestaan. De bestreden bepalingen zouden tevens een niet objectieve en redelijk verantwoorde gelijke behandeling invoeren van de leden van het gerechtspersoneel, enerzijds, en de griffiers, anderzijds.

B.6.1. De griffiers behoren net zoals de magistraten van de zetel en van het openbaar ministerie tot de « rechterlijke orde ».

Luidens artikel 168 van het Gerechtelijk Wetboek oefent de griffier een gerechtelijke functie uit.

B.6.2. Hoewel het ambt van griffier, dat nauw verbonden is met het begrip rechtbank, in verscheidene aspecten aanleunt bij het ambt van magistraat, bestaan er tussen beide ambten essentiële verschilpunten op het vlak van de aard van de taken die aan de enen en de anderen zijn opgedragen en op het vlak van de juridische aard van hun statuut.

Magistraten van de zetel hebben een rechtsprekende bevoegdheid; magistraten van het openbaar ministerie vervullen de plichten van hun ambt bij de hoven en rechtbanken om een juiste toepassing van de wet te vorderen, alsook om de vereisten van de openbare orde en het belang van een goede rechtsbedeling te verdedigen. Beide categorieën genieten een door de Grondwet gewaarborgd statuut, gekenmerkt door een onafhankelijkheid, die elke vorm van toezicht op de uitoefening van hun taken - behoudens de in de Grondwet omschreven gevallen - uitsluit.

De griffier is, luidens artikel 168 van het Gerechtelijk Wetboek, belast met de door de wet opgesomde taken in de griffie en staat de magistraat bij in alle verrichtingen van diens ambt.

In tegenstelling tot wat geldt voor de magistraten bevat de Grondwet geen specifieke bepalingen die het statuut van de griffiers beheersen.

B.7.1. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende tuchtstatuten en van de daarin opgenomen procedureregels ten aanzien van wezenlijk verschillende functies houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake kunnen zijn, indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedures een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.

B.7.2. Het Hof dient te onderzoeken of de bestreden bepalingen, doordat zij een verschil in behandeling tussen griffiers en magistraten invoeren, de rechten van de griffiers op een onevenredige wijze beperken. Het dient tevens te onderzoeken of de bestreden bepalingen, doordat zij in een gelijke behandeling van griffiers en het overige gerechtspersoneel voorzien, de rechten van de griffiers op een onevenredige wijze beperken.

Ten aanzien van de artikelen 409, § 2, en 410, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 14, respectievelijk artikel 16 van de wet van 15 juli 2013 B.8.1. De bestreden artikelen 14 en 16 van de wet van 15 juli 2013 hebben betrekking op de samenstelling van de kamers van de tuchtrechtbank in eerste aanleg en in hoger beroep.

Volgens de verzoekende partijen zouden de voormelde artikelen 14 en 16 het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schenden. Enerzijds, zouden de griffiers worden gediscrimineerd doordat de leden van de rechterlijke orde die magistraat zijn, verschijnen voor een kamer van de tuchtrechtbank in eerste aanleg of in hoger beroep die is samengesteld uit twee rechters respectievelijk twee raadsheren en een assessor respectievelijk een raadsheer-assessor van de rechterlijke orde die behoort tot hetzelfde orgaan van de rechterlijke macht als de vervolgde magistraat, terwijl voor de griffiers niets in die zin zou zijn bepaald. Anderzijds, zouden de griffiers worden gediscrimineerd, doordat zij op dezelfde wijze als het gerechtspersoneel zouden worden behandeld : zij verschijnen allen voor een kamer van de tuchtrechtbank in eerste aanleg of in hoger beroep die is samengesteld uit twee rechters, respectievelijk twee raadsheren en een assessor, respectievelijk een raadsheer-assessor die wordt aangewezen uit de assessoren die door de minister van Justitie zijn aangewezen en die van een niveau zijn dat ten minste gelijk is aan het niveau van de persoon tegen wie de tuchtprocedure loopt. Bijgevolg zou een tuchtzaak tegen een griffier kunnen worden behandeld door een kamer van de tuchtrechtbank in eerste aanleg of in hoger beroep met een assessor die geen griffier is.

B.8.2. Tot de rechten en vrijheden die aan de Belgen zijn toegekend en die bijgevolg krachtens de artikelen 10 en 11 van de Grondwet zonder discriminatie moeten worden verzekerd, behoort noch een recht om zijn zaak tuchtrechtelijk behandeld te zien door een orgaan waarvan een gelijke deel uitmaakt, noch een recht op inspraak bij de samenstelling van een tuchtorgaan.

B.8.3. Het staat aan de wetgever, binnen de door de Grondwet vastgestelde grenzen, te bepalen welke de overheden zijn die het meest geschikt zijn om een tuchtvordering te onderzoeken, en te beoordelen, op grond van eventuele bijzonderheden, of er al dan niet aanleiding toe bestaat dit op eenvormige wijze te doen.

B.8.4. De verzoekende partijen tonen niet aan in welk opzicht de rechten van de griffiers zouden zijn aangetast door de omstandigheid dat, bij de samenstelling van een kamer van een tuchtrechtbank in eerste aanleg of in hoger beroep in een zaak tegen een griffier, niet verplicht is voorzien in de aanwezigheid van een assessor die griffier is.

B.8.5. In zoverre het tegen de artikelen 14 en 16 van de wet van 15 juli 2013 is gericht, is het middel niet gegrond.

Ten aanzien van artikel 411, §§ 2, 3, 4 en 5, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 18 van de wet van 15 juli 2013 B.9.1. Het bestreden artikel 18 van de wet van 15 juli 2013 heeft betrekking op de aanwijzing van de leden-assessoren van de tuchtrechtscolleges.

Volgens de verzoekende partijen zou het bestreden artikel 18, in zoverre het een nieuw artikel 411, § 2, in het Gerechtelijk Wetboek invoegt, het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schenden.

Volgens de nieuwe bepalingen worden de leden-assessoren van de tuchtrechtscolleges aangewezen uit de werkende beroepsmagistraten of op rust gestelde magistraten en uit het gerechtspersoneel van niveau A en B. Enerzijds, zouden de griffiers worden gediscrimineerd doordat voor de leden van de rechterlijke orde die magistraat zijn, de leden-assessoren van de tuchtrechtscolleges uit hun gelijken worden aangewezen, terwijl voor de griffiers niets in die zin zou zijn bepaald. Anderzijds, zouden de griffiers worden gediscrimineerd doordat zij op dezelfde wijze als het overige gerechtspersoneel zouden worden behandeld.

Volgens de verzoekende partijen zou het bestreden artikel 18, in zoverre het een nieuw artikel 411, §§ 3, 4 en 5, in het Gerechtelijk Wetboek invoegt, het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schenden. Volgens die nieuwe bepalingen worden de magistraten van de zetel en van het openbaar ministerie die in aanmerking komen om als lid-assessor zitting te hebben in de tuchtrechtscolleges door hun algemene vergadering respectievelijk hun korpsvergadering verkozen.

Wat het gerechtspersoneel betreft, wijst de minister van Justitie de leden-assessoren aan, op eensluidend advies van hun hiërarchische meerdere. Enerzijds, zouden de griffiers worden gediscrimineerd doordat de magistraten zelf de leden-assessoren van de tuchtrechtscolleges uit hun gelijken verkiezen, terwijl voor de griffiers niets in die zin zou zijn bepaald. Aldus zouden de griffiers niet over de mogelijkheid beschikken om een assessor uit hun midden te kiezen; het is de minister van Justitie die tot de aanwijzing overgaat. Anderzijds, zouden de griffiers worden gediscrimineerd doordat zij op dezelfde wijze als het overige gerechtspersoneel zouden worden behandeld.

B.9.2. Om dezelfde redenen als die welke in B.8.2 tot B.8.4 zijn uiteengezet, is het middel, in zoverre het tegen artikel 18 van de wet van 15 juli 2013 is gericht, niet gegrond.

Bovendien tonen de verzoekende partijen niet aan hoe de aanwijzing van een lid-assessor van de tuchtrechtscolleges de rechten van de griffiers op een onevenredige wijze zou beperken. Immers, om als lid-assessor te worden aangewezen, dient de kandidaat aan de in artikel 411, § 2, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde voorwaarden te voldoen, namelijk tien ambtsjaren binnen de rechterlijke orde hebben vervuld, waarvan vijf jaar respectievelijk in het ambt van magistraat van de zetel, van magistraat van het openbaar ministerie of van personeelslid van niveau A of B en mag de kandidaat geen enkele tuchtstraf hebben ondergaan. Die voorwaarden bieden voldoende waarborgen voor de kwaliteit van de assessoren. Overigens kan de minister van Justitie, wat het gerechtspersoneel betreft, de assessoren slechts aanwijzen op eensluidend advies van hun hiërarchische meerdere (artikel 411, § 5, van het Gerechtelijk Wetboek).

Ten aanzien van artikel 412, § 1, 7°, a), b), d), e) en h), van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 21 van de wet van 15 juli 2013 B.10.1. Het gedeeltelijk bestreden artikel 21 van de wet van 15 juli 2013 heeft betrekking op de aanwijzing van de overheden die bevoegd zijn om ten aanzien van de hoofdgriffier en de griffier een tuchtprocedure in te stellen. Voor de hoofdgriffier van een rechtscollege gaat het om de korpschefs, zijnde de magistraten van de zetel of van het openbaar ministerie; voor de griffier gaat het om de hoofdgriffier.

Volgens de verzoekende partijen zou het bestreden artikel 21 het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schenden. Enerzijds, zouden de hoofdgriffiers worden gediscrimineerd in vergelijking met de magistraten, doordat de bevoegdheid om een tuchtprocedure tegen een hoofdgriffier in te stellen aan een ander orgaan van de rechterlijke macht, namelijk de korpschefs, wordt toevertrouwd, terwijl de bevoegdheid om een tuchtprocedure tegen een magistraat in te stellen aan een magistraat wordt toevertrouwd. Anderzijds, zouden de hoofdgriffiers worden gediscrimineerd in vergelijking met de griffiers, doordat voor de griffiers de tuchtprocedure wordt ingesteld door hetzelfde orgaan van de rechterlijke macht, namelijk de hoofdgriffier.

B.10.2. Het staat aan de wetgever, binnen de door de Grondwet vastgestelde grenzen, te bepalen welke de overheden zijn die het meest geschikt zijn om de tuchtvordering in te stellen, en te beoordelen, op grond van eventuele bijzonderheden, of er al dan niet aanleiding toe bestaat dit op eenvormige wijze te doen.

B.10.3. Luidens artikel 164, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek is de hoofdgriffier, onverminderd de taken en bijstand bedoeld in artikel 168, belast met de leiding van de griffie en staat daarbij onder gezag en toezicht van de korpschef, bedoeld in artikel 58bis, 2°, met wie hij regelmatig overleg pleegt. Hij verdeelt de taken onder de leden en het personeel van de griffie en wijst de griffiers aan die de magistraten bijstaan. Volgens artikel 403 van het Gerechtelijk Wetboek oefenen de leden van het openbaar ministerie toezicht uit over onder meer de hoofdgriffier, de griffiers-hoofden van dienst en de griffiers.

B.10.4. De wetgever vermocht ervan uit te gaan dat de bevoegdheid tot het instellen van een tuchtprocedure nauw verbonden is met de bevoegdheid tot het geven van leiding en het uitoefenen van toezicht, zodat de gemaakte keuzes niet zonder redelijke verantwoording zijn.

B.10.5. De verzoekende partijen tonen niet aan waarin de rechten van de hoofdgriffiers respectievelijk de griffiers zouden zijn aangetast door de omstandigheid dat de wetgever de korpschefs ten aanzien van de hoofdgriffiers, respectievelijk de hoofdgriffiers ten aanzien van de griffiers, bevoegd heeft gemaakt om de tuchtprocedure in te stellen.

B.10.6. In zoverre het tegen artikel 21 van de wet van 15 juli 2013 is gericht, is het middel niet gegrond.

Ten aanzien van artikel 418, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 30 van de wet van 15 juli 2013 B.11.1. Op grond van het bestreden artikel 30 van de wet van 15 juli 2013 kan een magistraat die een als ordemaatregel verhulde tuchtmaatregel betwist die ten aanzien van hem door een korpschef is genomen, daartegen een beroep bij de tuchtrechtbank instellen.

Volgens de verzoekende partijen zouden de griffiers worden gediscrimineerd doordat voor hen niet in die mogelijkheid is voorzien.

Bovendien zouden de griffiers zulk een betwisting niet bij de Raad van State aanhangig kunnen maken. Zelfs indien dat wel het geval zou zijn, dan nog blijft het feit dat de magistraten een als ordemaatregel verhulde tuchtmaatregel bij de tuchtrechtbank kunnen betwisten en de griffiers niet.

B.11.2. Sinds 3 februari 2014 is de afdeling bestuursrechtspraak, krachtens artikel 14, § 1, eerste lid, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 20 januari 2014 houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State, ook bevoegd, indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend, om uitspraak te doen over de beroepen tot nietigverklaring, ingesteld tegen de akten en reglementen van onder meer de organen van de rechterlijke macht met betrekking tot onder meer de aanwerving, de aanwijzing, de benoeming in een openbaar ambt of de maatregelen die een tuchtkarakter vertonen.

Uit de parlementaire voorbereiding van de voormelde wet van 20 januari 2014 blijkt dat het begrip « openbaar ambt » ruim dient te worden geïnterpreteerd, namelijk in de functionele betekenis en niet louter in organieke zin, en dat onder « tuchtsancties » ook de als ordemaatregel verhulde tuchtmaatregelen dienen te worden begrepen (Parl. St., Senaat, 2012-2013, nr. 5-2277/1, pp. 8-9). Tevens werd benadrukt dat artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een subsidiair karakter behoudt en dat het alleen van toepassing is indien een bijzondere wetgeving niet in andere rechterlijke controle op de maatregelen met tuchtkarakter heeft voorzien (ibid., p. 10).

B.11.3. Te dezen heeft de wetgever ervoor gekozen, door het bestreden artikel 30 van de wet 15 juli 2013 aan te nemen, om enkel voor de magistraten in een beroep bij de tuchtrechtbank tegen een als ordemaatregel verhulde tuchtmaatregel te voorzien.

Uit het feit dat voor de griffiers niet in die mogelijkheid is voorzien, kan niet worden afgeleid dat hun rechten op een onevenredige wijze zouden zijn aangetast, vermits zij een als ordemaatregel verhulde tuchtmaatregel die tegen hen zou worden genomen bij de Raad van State kunnen betwisten. De griffiers beschikken bijgevolg over een daadwerkelijk jurisdictioneel beroep tegen dat soort van maatregelen.

B.11.4. In zoverre het tegen artikel 30 van de wet van 15 juli 2013 is gericht, is het middel niet gegrond.

Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep.

Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 22 januari 2015.

De griffier, P.-Y. Dutilleux De voorzitter, A. Alen

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^