Etaamb.openjustice.be
Arrest
gepubliceerd op 09 oktober 2017

Uittreksel uit arrest nr. 87/2017 van 6 juli 2017 Rolnummers 6439 en 6519 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de recht(...)

bron
grondwettelijk hof
numac
2017204594
pub.
09/10/2017
prom.
--
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

GRONDWETTELIJK HOF


Uittreksel uit arrest nr. 87/2017 van 6 juli 2017 Rolnummers 6439 en 6519 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek (taak en bevoegdheden van de Orde van Vlaamse balies en van de « Ordre des barreaux francophones et germanophone »), gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik, en door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters J. Spreutels en E. De Groot, en de rechters L. Lavrysen, A. Alen, J.-P. Snappe, J.-P. Moerman, E. Derycke, T. Merckx-Van Goey, P. Nihoul, F. Daoût, T. Giet en R. Leysen, bijgestaan door de griffier P.-Y. Dutilleux, onder voorzitterschap van voorzitter J. Spreutels, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging a. Bij vonnis van 24 mei 2016 in zake de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en anderen tegen de Belgische Staat, Federale Overheidsdienst Justitie, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 juni 2016, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek, in die interpretatie dat het de ' Ordre des barreaux francophones et germanophone ' niet toelaat voor de gewone rechtscolleges een vordering in te stellen die ertoe strekt de belangen van de rechtzoekende te verdedigen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de ' Ordre des barreaux francophones et germanophone ' niet toelaat een vordering in te stellen die de bescherming beoogt van de fundamentele vrijheden zoals die worden erkend door de Grondwet en de internationale verdragen waarbij België partij is, terwijl sommige wetten het mogelijk hebben gemaakt dat voor de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde een vordering wordt ingesteld door rechtspersonen die een collectief belang aanvoeren in verband met de bescherming van de fundamentele vrijheden zoals die worden erkend door de Grondwet en de internationale verdragen waarbij België partij is ? ». b. Bij vonnis van 9 september 2016 in zake de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » en D.D. tegen de Belgische Staat, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 28 september 2016, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel dezelfde prejudiciële vraag gesteld.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6439 en 6519 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. (...) III. In rechte (...) B.1. De prejudiciële vraag, die in beide samengevoegde zaken identiek is, heeft betrekking op artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek. Dat artikel, zoals het van toepassing is op de in het geding zijnde geschillen, bepaalt : « De Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des Barreaux francophones et germanophone hebben, elk voor de balies die er deel van uitmaken, de taak te waken over de eer, de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van hun leden en zijn bevoegd voor de juridische bijstand, de stage, de beroepsopleiding van de advocaten-stagiairs en de vorming van alle advocaten behorende tot de balies die er deel van uitmaken.

Ze nemen initiatieven en maatregelen die nuttig zijn voor de opleiding, de tuchtrechtelijke regels en de loyauteit in het beroep en voor de behartiging van de belangen van de advocaat en van de rechtzoekende.

Elk van beide kan betreffende die aangelegenheden voorstellen doen aan de bevoegde overheden ».

B.2.1. De prejudiciële vraag betreft het verschil in behandeling dat, volgens de interpretatie die de verwijzende rechters aan de bepaling geven, zou bestaan tussen, enerzijds, de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » (OBFG), die geen vordering zou kunnen instellen die ertoe strekt de fundamentele vrijheden van de rechtzoekenden voor de hoven en rechtbanken te verdedigen zoals die zijn erkend door de Grondwet en door de internationale verdragen die België binden, en, anderzijds, de rechtspersonen die krachtens sommige wetten voor de hoven en rechtbanken een vordering kunnen instellen waarbij een collectief belang van de rechtzoekenden wordt aangevoerd dat verbonden is aan de bescherming van de fundamentele vrijheden zoals die worden gewaarborgd door de Grondwet en de internationale verdragen die België binden.

B.2.2. Voor de verwijzende rechters beoogt de OBFG de vordering inzake een collectief belang te verdedigen die zij heeft ingesteld tegen de Belgische Staat, die zij aansprakelijk acht voor de overbevolking in de gevangenissen van respectievelijk Lantin (zaak nr. 6439) en Vorst (zaak nr. 6519). Haar toegang tot de gewone rechtscolleges wordt volgens haar echter verhinderd in de interpretatie van artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek volgens welke zij niet zou doen blijken van de hoedanigheid, noch van het rechtstreekse belang die bij artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek zijn vereist.

B.3. Artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « De rechtsvordering kan niet worden toegelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen ».

B.4.1. De in het geding zijnde bepaling, die moet worden gelezen in samenhang met artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek, houdt in dat de OBFG en de Orde van Vlaamse balies (OVB) het beginsel in acht nemen volgens hetwelk de vereiste van een belang om in rechte te treden, als gemeen recht van de gerechtelijke procedure, zowel aan de natuurlijke personen als aan de verenigingen en andere rechtspersonen wordt opgelegd, onverminderd de wetten die de wetgever zou aannemen om aan verenigingen of aan andere rechtspersonen een specifiek vorderingsrecht toe te vertrouwen.

Het verslag van de Koninklijk Commissaris voor de Gerechtelijke Hervorming vermeldt : « Moest te dezer gelegenheid aan verenigingen al of niet de machtiging worden toegekend om in rechte op te treden tot vrijwaring van collectieve belangen ? Sommige voorbeelden uit het vergelijkend recht kunnen ongetwijfeld worden aangehaald. Zo hebben in de Verenigde Staten, evenals in Groot-Brittannië verenigingen, die opgericht zijn tot bescherming of verdediging, zoals van kinderen, hun recht tot optreden kunnen doen erkennen. In Frankrijk werd daarentegen voor dertig jaar een voorstel neergelegd dat ertoe strekte aan verenigingen met erkend openbaar nut een recht tot dagvaarding te doen toekennen : het werd afgewezen. Maar, voordat daarin werd voorzien door wetten, decreten of verordeningen, heeft men aangenomen dat de rechtspersonen, de beroepsorden en -verenigingen in rechte kunnen optreden voor de vrijwaring van hun collectieve belangen. Of deze rechtspraak kan uitgebreid worden tot de ontvankelijkheid van vorderingen van verdedigingsverenigingen of van private beroepsgroeperingen, stelt een probleem met veel aspecten dat de regels van de rechtspleging te buiten gaat. In onze rechtspraak bestaan talrijke toepassingen van de erkenning van het recht tot optreden van verenigingen, ofwel ter verdediging van hun eigen belangen, wat vanzelf spreekt, ofwel voor de collectieve verdediging van de belangen van hun leden, zo deze laatsten individueel geschaad werden. Het Gerechtelijk Wetboek staat hun dit evenals gisteren toe, zo hun belang gerechtvaardigd is. Maar voor de beoordeling daarvan moet men zich bij het oordeel van de rechtbanken neerleggen. Hun toezicht geeft de mogelijkheid de klip te omzeilen die erin bestaat dat ' verenigingen met de meest verscheiden oogmerken vrij en zonder ernstige waarborgen kunnen opgericht worden ' en zich als titularis van de rechten voordoen » (Parl. St., Senaat, 1963-1964, nr. 60, pp. 23 en 24).

B.4.2. De gewone rechtscolleges hebben van de aan hen toegekende beoordelingsbevoegdheid gebruik gemaakt naar gelang van het contentieux waarvan zij moeten kennisnemen, zoals bepaald in de artikelen 144 en 145 van de Grondwet.

Aldus heeft het Hof van Cassatie geoordeeld : « Overwegende dat de vordering van een natuurlijke persoon of rechtspersoon, tenzij de wet anders bepaalt, krachtens artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek niet kan worden toegelaten indien de eiser geen persoonlijk en rechtstreeks belang, d.w.z. een eigen belang, heeft;

Overwegende dat artikel 495, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de Ordre des barreaux francophones et germanophone, elk voor de balies die er deel van uitmaken, de taak hebben te waken over de eer, de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van hun leden en bevoegd zijn voor de juridische bijstand, de stage, de beroepsopleiding van de advocaten-stagiairs en de vorming van alle advocaten behorende tot de balies die er deel van uitmaken;

Overwegende dat het tweede en derde lid van dat artikel, door aan de Ordre toestemming te verlenen initiatieven en maatregelen te nemen die nuttig zijn voor de opleiding, de tuchtrechtelijke regels en de loyauteit in het beroep en voor de behartiging van de belangen van de advocaat en van de rechtzoekende, en wat dat betreft voorstellen te doen aan de bevoegde overheden, niet tot gevolg hebben dat de opdracht die het eerste lid haar toevertrouwt, uitgebreid wordt, maar dat de voorwaarden gepreciseerd worden waaronder die opdracht uitgevoerd wordt;

Dat die bepalingen, die niet afwijken van artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek, de Ordre niet toestaan een vordering in te stellen om de belangen van de rechtzoekende te behartigen » (Cass., 4 april 2005, Arr. Cass., 2005, nr. 194).

B.5. De Ministerraad voert aan dat het in het geding zijnde verschil in behandeling verantwoord zou zijn door het gegeven dat de partijen in een aan de gewone rechtscolleges voorgelegd geschil in rechte treden om een einde te laten maken aan een schending van een recht waarvan zij beweren houder te zijn (subjectief contentieux), hetgeen niet het geval zou zijn voor de partijen die, voor het Hof of de Raad van State, de geldigheid betwisten van een wetskrachtige of reglementaire norm (objectief contentieux).

Te dezen heeft, in tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, de door de twee verwijzende rechters aan het Hof voorgelegde vergelijking geen betrekking op het verschil tussen de twee soorten geschillenbeslechting, maar op het verschil in behandeling van, enerzijds, de rechtspersonen aan wie sommige bijzondere wetten een vorderingsrecht inzake een collectief belang voor de gewone rechtscolleges toekennen en, anderzijds, de OBFG, die, in de interpretatie die die rechters aan artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek geven, niet zou kunnen beschikken over hetzelfde vorderingsrecht om, zoals de eerstgenoemden, de fundamentele vrijheden van de rechtzoekenden te verdedigen zoals die worden gewaarborgd door de Grondwet en de internationale verdragen die België binden.

B.6. De wetgever heeft verscheidene wetten aangenomen waarbij hij aan bepaalde verenigingen die een collectief belang nastreven een vorderingsrecht toekent, onder meer in economische aangelegenheden of om de verenigbaarheid van de Belgische wetgeving met de bepalingen van internationaal recht die België binden, te verzekeren.

B.7. Bepaalde wetten hebben het overigens mogelijk gemaakt bij de hoven en rechtbanken van de rechterlijke orde een vorderingsrecht toe te kennen aan verenigingen die een collectief belang aanvoeren dat verband houdt met de bescherming van de fundamentele vrijheden zoals zij zijn erkend in de Grondwet en in de internationale verdragen die België binden. Dat geldt voor de wet van 30 juli 1981Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/07/1981 pub. 20/05/2009 numac 2009000343 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden (artikel 32), de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaalsocialistische regime is gepleegd (artikel 4), de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie (artikel 30) en de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen (artikel 35).

B.8. Artikel 495, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt met name dat de OBFG initiatieven en maatregelen neemt die nuttig zijn voor de behartiging van de belangen van de rechtzoekende. De OBFG voert voor de verwijzende rechters aan dat zij een vordering instelt die overeenstemt met de bijzondere aard van de opdracht die haar is toegewezen bij de in het geding zijnde bepaling, waarvan het onderwerp bijgevolg onderscheiden is van het algemeen belang, en die het collectief belang van de rechtzoekenden betreft dat zij, op grond van diezelfde bepaling, met name moet verdedigen. Onder die voorwaarden kan de OBFG doen blijken van een rechtstreeks belang om in rechte te treden teneinde het collectief belang van de rechtzoekenden als subjecten van rechterlijke beslissingen met betrekking tot de fundamentele vrijheden te behartigen. Dat belang valt niet noodzakelijk samen met het individueel belang van de rechtzoekende dat een advocaat moet verdedigen, hetgeen de rechter toekomt na te gaan.

B.9.1. In de interpretatie van de in het geding zijnde bepaling volgens welke, wanneer de OBFG een vordering instelt die ertoe strekt een einde te laten maken aan de schending van fundamentele vrijheden die zijn erkend door de Grondwet en door internationale verdragen die België binden, die vordering onontvankelijk is, wordt de OBFG gediscrimineerd ten opzichte van de in B.7 beoogde verenigingen : zowel de OBFG als die andere verenigingen voeren immers een collectief belang aan dat is verbonden aan de bescherming van de rechtzoekenden als subjecten van rechterlijke beslissingen met betrekking tot fundamentele vrijheden.

B.9.2. In die interpretatie is de in het geding zijnde bepaling derhalve niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en dient de prejudiciële vraag bevestigend te worden beantwoord.

B.10.1. Artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek kan evenwel, onder de in B.8 vermelde voorwaarden, zo worden geïnterpreteerd dat het de OBFG toelaat een vordering in te stellen die ertoe strekt de collectieve belangen te behartigen van de rechtzoekenden als subjecten van rechterlijke beslissingen met betrekking tot de fundamentele vrijheden zoals die zijn erkend door de Grondwet en door internationale verdragen die België binden.

B.10.2. In die interpretatie is de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en dient de prejudiciële vraag ontkennend te worden beantwoord.

Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - In die zin geïnterpreteerd dat de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » voor de gewone rechtscolleges geen vordering kan instellen die ertoe strekt het collectieve belang te behartigen van de rechtzoekenden wanneer zij met name een schending aanvoert van de fundamentele vrijheden die zijn erkend door de Grondwet en door de internationale verdragen die België binden, schendt artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - In die zin geïnterpreteerd dat de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » voor de gewone rechtscolleges een vordering kan instellen die ertoe strekt het collectieve belang te behartigen van de rechtzoekenden als subjecten van rechterlijke beslissingen met betrekking tot de fundamentele vrijheden die zijn erkend door de Grondwet en door de internationale verdragen die België binden, en waarbij zij een schending daarvan aanvoert, schendt artikel 495 van het Gerechtelijk Wetboek de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.

Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 06/01/1989 pub. 18/02/2008 numac 2008000108 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Bijzondere wet op het Arbitragehof sluiten op het Grondwettelijk Hof, op 6 juli 2017.

De griffier, P.-Y. Dutilleux De voorzitter, J. Spreutels

^