Koninklijk Besluit van 02 december 2018
gepubliceerd op 18 januari 2019
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene structuur van het Ministerie van Landsverdediging en tot vaststelling van de bevoegdheden van bepaalde autoriteiten

bron
ministerie van landsverdediging
numac
2018015479
pub.
18/01/2019
prom.
02/12/2018
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

Numac : 2018015479

MINISTERIE VAN LANDSVERDEDIGING


2 DECEMBER 2018. - Koninklijk besluit tot bepaling van de algemene structuur van het Ministerie van Landsverdediging en tot vaststelling van de bevoegdheden van bepaalde autoriteiten


FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de Grondwet, artikelen 37 en 167, § 1, tweede lid;

Gelet op de wet van 23 december 1955 betreffende de hulpofficieren van de luchtmacht, piloten en navigatoren, artikel 4bis, tweede lid, ingevoegd bij de wet van 20 mei 1994 en gewijzigd bij de wetten van 16 juli 2005 en 21 november 2016;

Gelet op de wet van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, artikel 43, § 3, gewijzigd bij de wetten van 10 april 1995, 19 oktober 1998, 27 december 2004, 20 juli 2005 en 4 april 2006;

Gelet op de wet van 16 maart 1994 betreffende het statuut en de bezoldiging van het onderwijzend personeel van de Koninklijke Militaire School, artikel 3, § 5, vervangen bij de wet van 27 maart 2003;

Gelet op de wet van 20 mei 1994 inzake de rechtstoestanden van het personeel van Defensie, de artikelen 90, §§ 2, vervangen bij de wet van 22 maart 2001 en 3, vervangen bij de wet van 22 maart 2001 en gewijzigd bij de wetten van 5 maart 2006 en 27 december 2006, 96, § 5, en 97, § 1, eerste en tweede lid, vervangen bij de wet van 27 maart 2003;

Gelet op de wet van 28 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de Krijgsmacht, artikel 66, § 1, tweede lid, gewijzigd bij de wet van 31 juli 2013;

Gelet op het koninklijk besluit van 9 maart 1995 betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid van en de rechtshulp aan militairen en de vergoeding van de door hen opgelopen schade;

Gelet op het koninklijk besluit van 28 juli 1995 betreffende de beoordelingsprocedure voor de militairen van het actief kader en van het reservekader;

Gelet op het koninklijk besluit van 25 april 2004 betreffende het statuut van de militaire luchtverkeersleiders en de medische geschiktheid van de militaire luchtverkeersleiders en luchtgevechtleiders;

Gelet op het koninklijk besluit van 17 september 2005 betreffende de geschiktheid voor luchtdienst;

Gelet op het koninklijk besluit van 23 november 2005 tot bepaling van het tuchtreglement van het onderwijzend burgerpersoneel van de Koninklijke Militaire School en tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 augustus 1998 tot vaststelling van het statuut van de burgerlijke repetitors bij de Koninklijke Militaire School;

Gelet op het koninklijk besluit van 3 december 2006 betreffende de biotheek van Defensie;

Gelet op het koninklijk besluit van 6 juni 2017 tot vaststelling van de taalkaders van het burgerpersoneel van de centrale diensten van het Ministerie van Landsverdediging;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 6 november 2018;

Op de voordracht van de Minister van Defensie, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK 1. - Algemene structuur

Artikel 1.Het Ministerie van Landsverdediging bestaat uit de volgende organen en onderafdelingen: 1° het secretariaat van de minister en de cel Defensie;2° de hoge raad voor defensie;3° het administratief en technisch secretariaat;4° de defensiestaf;5° de strijdkrachten, bestaande uit: - de landcomponent; - de luchtcomponent; - de marinecomponent; - de medische component; 6° het inspectoraat-generaal;7° de directieraad;8° de diensten voor arbeids- en milieu-inspectie;9° het koninklijk hoger instituut voor Defensie. De organen en de onderafdelingen bedoeld in het eerste lid, 3° tot 6°, vormen de Krijgsmacht.

De bepalingen betreffende de strategische cel bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 7 november 2000 houdende inrichting en samenstelling van de organen die gemeenschappelijk zijn aan iedere federale overheidsdienst en de bepalingen betreffende de secretariaten bedoeld in artikel 8 van het koninklijk besluit van 19 juli 2001 betreffende de invulling van de beleidsorganen van de federale overheidsdiensten en betreffende de personeelsleden van de federale overheidsdiensten aangewezen om deel uit te maken van het kabinet van een lid van een regering of van een college van een gemeenschap of een gewest, zijn van toepassing op de organen bedoeld in het eerste lid, 1°.

Art. 2.Voor de toepassing van dit besluit moet verstaan worden onder: 1° "de minister": de minister van Defensie;2° "het departement": het Ministerie van Landsverdediging;3° "operaties": de opdrachten bedoeld in artikel 3, § 1, van de wet van 20 mei 1994 betreffende de perioden en de standen van de militairen van het reservekader alsook betreffende de aanwending en de paraatstelling van de Krijgsmacht.

Art. 3.De organisatie en de bevoegdheden van het secretariaat van de minister, van de cel Defensie, van het administratief en technisch secretariaat, van de directieraad, van de diensten voor arbeids- en milieu-inspectie en van het koninklijk hoger instituut voor Defensie worden door de Koning bij bijzondere bepalingen vastgelegd.

Art. 4.De hoge raad voor defensie is een raadgevend orgaan dat aan de minister advies verstrekt met betrekking tot de uitwerking van het beleid voor het departement, de coördinatie van de beleidsvorming tussen de verschillende stafdepartementen en algemene directies, de evaluatie van het gevoerd beleid, de algemene structuur van de Krijgsmacht, de personeelsbehoeften en de belangrijke investeringen, de deelname aan operaties en de hieraan verbonden middelen.

Art. 5.De hoge raad voor defensie bestaat uit: 1° de minister, voorzitter;2° de directeurs van het secretariaat van de minister en van de cel Defensie;3° de chef defensie;4° de chef van het administratief en technisch secretariaat;5° de personen die daartoe worden aangewezen door de minister. HOOFDSTUK 2. - De defensiestaf Afdeling 1. - Algemeen

Art. 6.§ 1. De defensiestaf wordt geleid door de chef defensie, en omvat: 1° het directiecomité;2° drie stafdepartementen, elk onder de leiding van een onderstafchef;3° zes algemene directies, elk onder de leiding van een directeur-generaal;4° de staven van de strijdkrachten;5° de diensten van de chef defensie. § 2. De stafdepartementen zijn: 1° het stafdepartement operaties en training;2° het stafdepartement strategie;3° het stafdepartement inlichtingen en veiligheid. Een stafdepartement kan over uitvoeringsorganen beschikken.

In afwijking van paragraaf 1, hangt het stafdepartement strategie rechtstreeks af van de vice-chef defensie. § 3. De algemene directies zijn: 1° de algemene directie human resources;2° de algemene directie material resources;3° de algemene directie juridische steun;4° de algemene directie budget en financiën;5° de algemene directie strategische communicatie;6° de algemene directie gezondheid en welzijn. Een algemene directie kan over uitvoeringsorganen beschikken.

Art. 7.§ 1. De chef defensie is de hoogste autoriteit die onder de minister ressorteert. § 2. De chef defensie bereidt de elementen voor tot uitwerking van het defensiebeleid. Daartoe doet hij voorstellen betreffende de te bereiken objectieven en de opdrachten, taken en structuren die daarbij horen. Hij stelt de personeelseffectieven, de materiële en budgettaire middelen voor evenals hun verdeling per te bereiken objectief. Hij stelt de plannen en de programma's op in alle domeinen, alsook de jaarlijks te verwezenlijken schijven met inbegrip van de bijhorende middelen en legt ze in de hoge raad voor defensie voor aan de minister.

Hij adviseert de minister aangaande geplande en aan de gang zijnde operaties. Daartoe doet hij voorstellen betreffende de te bereiken objectieven, de opdrachten, de structuren, de inzetregels en de middelen in personeel en materieel die daarbij horen. § 3. De chef defensie is verantwoordelijk voor de uitvoering van het door de politieke overheid vastgelegde defensiebeleid.

Daartoe is hij als commandant van de strijdkrachten verantwoordelijk voor hun training en hun voorbereiding en voor de uitvoering van de operaties.

Daarenboven is hij verantwoordelijk voor het beheer en de administratie van de Krijgsmacht en verzekert en controleert hij de uitvoering van de door de minister vastgelegde plannen. Hij bepaalt de grondbeginselen en de richtlijnen betreffende de aanwending van de middelen in functie van de opdrachten en controleert de toepassing van de wettelijke en reglementaire voorschriften. Afdeling 2. - Het directiecomité

Art. 8.Het directiecomité is belast met de leiding van de defensiestaf in uitvoering van het vastgelegd defensiebeleid en betreffende alle gegevens en informatie die aan de hoge raad voor defensie voorgelegd worden.

Art. 9.Het directiecomité bestaat uit: 1° de chef defensie, voorzitter;2° de vice-chef defensie;3° de onderstafchefs en de directeurs-generaal;4° de commandanten van de componenten;5° de personen die daartoe worden aangewezen door de chef defensie. Afdeling 3. - De bevoegdheden van de vice-chef defensie

Art. 10.De vice-chef defensie: 1° staat de chef defensie bij in de leiding van de defensiestaf en vervangt hem binnen de perken van bijzondere voorschriften vastgelegd door deze, waar en wanneer deze laatste het nodig acht;2° behandelt de dossiers binnen de voorgeschreven bevoegdheden of die, in overleg met de chef defensie, op zijn niveau kunnen worden beslist;3° is verantwoordelijk voor de horizontale coördinatie zowel intern de defensiestaf als in de relaties met externe actoren. De vice-chef defensie wordt in zijn dagelijkse werkzaamheden ondersteund door de diensten van de chef defensie bedoeld in artikel 6, § 1, 5°. Afdeling 4. - De algemene bevoegdheden van de onderstafchefs en

directeurs-generaal en de commandanten van de componenten

Art. 11.§ 1. De onderstafchefs, de directeurs-generaal en de commandanten van de componenten, elk in hun bevoegdheidsdomein: 1° zijn raadgevers van de chef defensie;daartoe voorzien ze hem van gegevens en informatie die hem moeten toelaten een coherent defensiebeleid voor te stellen aan de minister; 2° werken in het kader van het vastgelegd beleid en in samenspraak met de andere onderstafchefs, directeurs-generaal en commandanten van de componenten, de planning, de programmering ten behoeve van de paraatstelling en de algemene functioneringsrichtlijnen voor de Krijgsmacht uit;3° zijn, onverminderd de bevoegdheden van de onderstafchef strategie en van de directeur-generaal juridische steun, belast met de naleving en het beheer van de door het departement afgesloten akkoorden en de door België afgesloten internationale akkoorden en stellen deze akkoorden op die tot het bevoegdheidsdomein van het departement behoren;4° zijn, onverminderd de bevoegdheden van de onderstafchef strategie en van de directeur-generaal strategische communicatie, belast met de externe relaties;5° participeren in het beheer van het wetenschappelijk en technologisch onderzoek, inclusief aan nationale en internationale programma's;6° voorzien de andere onderstafchefs, directeurs-generaal en commandanten van de componenten van de gegevens en informatie die toelaten hun respectieve bevoegdheden uit te oefenen;7° verzekeren, wanneer nodig, onverminderd de bevoegdheden van de inspecteur-generaal en de evaluatiebevoegdheden van de andere onderstafchefs, directeurs-generaal en commandanten van de componenten, de productie, de verzameling en de uitbating van controle- en evaluatieinformatie met betrekking tot de processen en/of de beheersingsobjectieven die tot hun bevoegdheidsdomein behoren. § 2. De onderstafchefs, de directeurs-generaal en de commandanten van de componenten, elk in hun respectievelijke diensten: 1° verzekeren, onverminderd de bevoegdheden van de inspecteur-generaal en de evaluatiebevoegdheden van de andere onderstafchefs, directeurs-generaal en commandanten van de componenten, de productie, de verzameling en de uitbating van controle- en evaluatieinformatie;2° formuleren adviezen en aanbevelingen betreffende behoeften en toegekende middelen voor de uitvoering van hun opdracht;3° zijn verantwoordelijk voor de materiële, budgettaire en personeelsmiddelen die hen zijn toegekend;4° zijn belast met de verwezenlijking van de vormingen die de chef defensie hen toewijst, overeenkomstig de vastgestelde eindtermen en onverminderd de bevoegdheden van de directeur-generaal human resources;5° zijn belast met de interne informatieverspreiding, overeenkomstig de algemene richtlijnen bedoeld in artikel 30, 2°. § 3. Behalve de bevoegdheden vastgelegd in de eerste en de tweede paragraaf oefenen zij, elk in hun domein, de in artikelen 12 tot 35 nader beschreven staf- en commandobevoegdheden uit.

De minister legt op voorstel van de chef defensie in een reglement de bijzondere bevoegdheden vast van elke onderstafchef, directeur-generaal en commandanten van de componenten. Afdeling 5. - De stafdepartementen

Onderafdeling 1. - Het stafdepartement operaties en training

Art. 12.Het stafdepartement operaties en training staat onder de leiding van de onderstafchef operaties en training. Zijn bevoegdheidsdomein behelst de operaties en het algemeen kader voor de paraatstelling.

Art. 13.Benevens de bevoegdheden hernomen in artikel 11, oefent de onderstafchef operaties en training volgende bevoegdheden uit: 1° hij is de raadgever van de chef defensie in diens functie van commandant van de strijdkrachten;daartoe valideert hij, in samenspraak met de commandanten van de componenten en de onderstafchef inlichtingen en veiligheid, de gebruiksdoctrine op operationeel niveau en stelt hij de operatieplannen op; hij rapporteert over de situatie van de eenheden in operaties en hij formuleert adviezen en aanbevelingen inzake behoeften en toegekende middelen voor de operationele inzet; 2° hij bepaalt het kader voor de paraatstelling van de strijdkrachten volgens de regels bepaald door de chef defensie;hij stelt in samenspraak met de commandanten van de componenten en de onderstafchef inlichtingen en veiligheid, het kader voor bepaalde grote oefeningen op; hij rapporteert over het verloop van deze oefeningen; 3° hij ontvangt, voor het voeren van operaties en volgens de regels bepaald door de chef defensie, het operationeel commando over de eenheden van de componenten of over de Cybercapaciteiten van het stafdepartement inlichtingen en veiligheid, en voor specifieke opdrachten kan hij het operationeel commando delegeren naar de commandanten van de componenten, naar de onderstafchef inlichtingen en veiligheid of naar de commandanten van internationale coalities;4° hij is, in het kader van het hem toevertrouwde operationeel commando, verantwoordelijk tegenover de chef defensie voor alle aspecten van de operaties alsmede voor de personeels-, materiële- en budgettaire middelen die hem zijn toegekend;daartoe werkt hij, in samenspraak met de commandanten van de componenten en de onderstafchef inlichtingen en veiligheid, binnen het kader van de weerhouden opdrachten en doctrines, de plannen en de gebruiksprogramma's van de componenten en van de Cybercapaciteiten in directe steun van de operaties uit.

Onderafdeling 2. - Het stafdepartement strategie

Art. 14.Het stafdepartement strategie staat onder de leiding van de onderstafchef strategie. Zijn bevoegdheidsdomein behelst het defensie- en capacitair beleid, de strategische studies en de plannen.

Art. 15.Behalve de bevoegdheden hernomen in artikel 11, oefent de onderstafchef strategie volgende bevoegdheden uit: 1° hij voert studies uit betreffende de evolutie op lange en zeer lange termijn van de elementen die het defensie- en capacitair beleid beïnvloeden en stelt het defensiebeleid aan de cel Defensie voor, binnen dewelke een directeur Defensiebeleid wordt aangewezen;2° hij stelt aan de chef defensie de gebruiksdoctrine van de componenten, de te realiseren defensiecapaciteiten en het capacitaire beheersplan, alsmede de overeenkomstige strategieën betreffende het management en de bewapening voor;3° hij integreert de objectieven en beleidsplannen van de verschillende stafdepartementen, algemene directies en van de componenten, in één coherent defensieplan in overeenstemming met en ter uitvoering van het vastgelegde defensiebeleid.

Art. 16.De onderstafchef strategie werkt het militair standpunt uit inzake veiligheid en defensie. Daartoe geeft hij de defensieattachés en de militaire raadgevers bij de ambassades en gezantschappen van België de noodzakelijke richtlijnen.

Hij verspreidt dit standpunt naar de Belgische officiële instanties, de internationale organisaties, de voornoemde defensieattachés en militaire raadgevers alsmede naar de buitenlandse militaire vertegenwoordigers, geaccrediteerd in België.

Art. 17.De onderstafchef strategie waakt over de politiek-militaire opportuniteit, de doeltreffendheid, de coherentie en de opvolging van de internationale akkoorden en relaties, en van de akkoorden afgesloten met de federale-, gemeenschaps- en gewestelijke overheidsdiensten.

Hij is in het bijzonder verantwoordelijk voor de relaties met de federale overheidsdienst die de Buitenlandse Zaken en de Internationale Samenwerking onder zijn bevoegdheid heeft.

Onderafdeling 3. - Het stafdepartement inlichtingen en veiligheid

Art. 18.Het stafdepartement inlichtingen en veiligheid staat onder de leiding van de onderstafchef inlichtingen en veiligheid. Hij is tevens chef van de algemene dienst inlichtingen en veiligheid. Zijn bevoegdheidsdomein omvat de inlichtingen en de militaire veiligheid.

Art. 19.Behalve de bevoegdheden hernomen in artikel 11, oefent de onderstafchef inlichtingen en veiligheid volgende bevoegdheden uit: 1° hij is belast met de organisatie van de steun inlichtingen en veiligheid aan operaties;2° hij is bevoegd voor het ten laste nemen van de in België geaccrediteerde buitenlandse defensieattachés en voor de relaties met de buitenlandse strijdkrachten voor dewelke ze geaccrediteerd zijn;3° hij stelt de voorschriften op betreffende de geclassificeerde archieven van de Krijgsmacht en controleert de naleving ervan;4° hij beheert de defensieattachés en de militaire raadgevers bij de ambassades en gezantschappen van België;5° hij geeft de defensieattachés en de militaire raadgevers bij de ambassades en gezantschappen van België de noodzakelijke opdrachten in het domein inlichtingen;6° hij adviseert, onverminderd de bevoegdheden van de directeur-generaal human resources, de chef defensie betreffende het beheer van het personeel tewerkgesteld in het domein inlichtingen en veiligheid;7° hij is verantwoordelijk voor de paraatstelling van de Cybercapaciteiten, met het hen toegekende personeel, materieel, infrastructuur en trainingsmiddelen, en de tewerkstelling ervan ter ondersteuning van de paraatstelling van de Krijgsmacht.

Art. 20.De onderstafchef inlichtingen en veiligheid is uit hoofde van zijn functie als chef van de algemene dienst inlichtingen en veiligheid tegenover de minister verantwoordelijk voor de uitoefening van de opdrachten bedoeld in de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen en van de richtlijnen van de Nationale Veiligheidsraad dat de vaststelling van de algemene politiek betreffende inlichtingen en veiligheid onder zijn bevoegdheden heeft. Afdeling 6. - De algemene directies

Onderafdeling 1. - De algemene directie human resources

Art. 21.De algemene directie human resources staat onder de leiding van de directeur-generaal human resources. Zijn bevoegdheidsdomein omvat alles wat het personeel aanbelangt, inclusief de taalwetgeving, het syndicaal beleid, de organisatiestructuur van het departement en het vormingsbeleid.

Art. 22.Behalve de bevoegdheden hernomen in artikel 11, oefent de directeur-generaal human resources volgende bevoegdheden uit: 1° hij bestudeert de evolutie van de arbeidsmarkt in het kader van de defensiecapaciteiten waaraan voldaan moet worden;2° hij bepaalt, in uitvoering van het vastgelegde defensiebeleid, de algemene objectieven in zijn bevoegdheidsdomein en vertaalt deze in kwalitatieve en kwantitatieve personeelsbehoeften, in doelstellingen betreffende alle andere personeelsdomeinen, in vormingseindtermen en in vormingsconcepten, in doelstellingen van het syndicaal beleid en in structuren;3° hij stelt overeenkomstig de bepaling onder 2° de plannen op lange en middellange termijn op en verzekert de realisatie ervan;4° hij verzekert het beheer en de administratie van het personeel van het departement gedurende de volledige loopbaan;5° hij is verantwoordelijk voor het opstellen van de algemene richtlijnen betreffende de personeelsprocessen in het departement;in dit kader is hij eveneens belast met de uitvoering van het vastgelegde defensiebeleid inzake werving en selectie alsook, onverminderd de bevoegdheden van de directeur-generaal strategische communicatie, inzake de informatiecampagnes die ermee gepaard gaan; 6° hij stelt, onverminderd de bevoegdheden van de directeur-generaal juridische steun, de ontwerpen van wettelijke en reglementaire teksten en de uitvoeringsrichtlijnen van het vastgestelde defensiebeleid in zijn bevoegdheidsdomein op;7° hij organiseert, in uitvoering van het vastgestelde defensiebeleid, de dialoog met de sociale partners;8° hij formuleert aan de chef defensie aanbevelingen voor de toepassing van de in België van kracht zijnde wettelijke en reglementaire bepalingen inzake diversiteit en verzekert de integratie van het diversiteitsbeleid binnen het departement;9° hij is, in samenspraak met de andere onderstafchefs, directeurs-generaal en commandanten van de componenten, verantwoordelijk voor het opstellen van de algemene richtlijnen betreffende de kwaliteit, de coherentie en de pedagogische aspecten van de vormingen verstrekt in het departement;10° hij is verantwoordelijk, onverminderd de bevoegdheden van de andere onderstafchefs, directeurs-generaal en commandanten van de componenten, voor de uitvoering van het vastgelegde defensiebeleid betreffende de kwaliteit, de coherentie en de pedagogische aspecten van de vormingen verstrekt in het departement;in dit kader verzekert hij de coördinatie en de planning van de leerplannen en de schoolprogramma's van de vormingen verstrekt in het departement.

Tevens keurt hij de leerplannen goed, rekening houdend met de bepaalde vormingseindtermen; 11° hij is belast, onverminderd de bevoegdheden van de andere onderstafchefs, directeurs-generaal en commandanten van de componenten met het zoeken naar synergie en gelijkwaardigheid van brevetten en diploma's met andere burgerlijke of militaire vormingsorganismen;12° hij waakt over de synergie en informatiedoorstroming tussen de organismen bevoegd voor het wetenschappelijk en technologisch onderzoek van defensie en de organismen belast met het verstrekken van vorming in het departement. Onderafdeling 2. - De algemene directie material resources

Art. 23.De algemene directie material resources staat onder de leiding van de directeur-generaal material resources. Zijn bevoegdheidsdomein omvat het materieel, de communicatie- en informatiesystemen, de infrastructuur, het leefmilieu en de logistiek, inclusief de overheidsopdrachten.

Art. 24.Behalve de bevoegdheden hernomen in artikel 11, oefent de directeur-generaal material resources volgende bevoegdheden uit: 1° hij bestudeert de evolutie inzake materieel in het kader van de defensiecapaciteiten waaraan voldaan moet worden;2° hij bepaalt in uitvoering van het vastgestelde defensiebeleid de objectieven in zijn bevoegdheidsdomein en vertaalt deze in kwalitatieve en kwantitatieve behoeften inzake materieel, communicatie- en informatiesystemen en infrastructuur;3° hij stelt de wederuitrustingsplannen, de infrastructuurplannen en de plannen voor de technisch-logistieke steun op middellange en lange termijn op en verzekert de realisatie ervan;4° hij verzekert het beheer van alle materiële hulpbronnen van het departement gedurende de volledige levenscyclus ervan en voor de totaliteit van de technisch-logistieke steun van deze middelen;5° hij verzekert het beheer en het onderhoud van het onroerend patrimonium van het departement;6° hij verzekert de logistieke processen in de Krijgsmacht;7° hij bereidt de gunning voor van de overheidsopdrachten van werken, leveringen en diensten en verzekert de opvolging ervan;hij neemt alle noodzakelijke maatregelen teneinde de onpartijdigheid en de integriteit maximaal te waarborgen in de behandeling van deze dossiers; 8° hij bereidt de eventuele verkoop van overtollig materieel en onroerende goederen voor en voert deze uit;9° hij stelt, onverminderd de bevoegdheden van de directeur-generaal juridische steun, de ontwerpen van wettelijke en reglementaire teksten en de uitvoeringsrichtlijnen van het vastgestelde defensiebeleid in zijn bevoegdheidsdomein op;10° hij formuleert aan de chef defensie aanbevelingen voor de toepassing van de in België van kracht zijnde wettelijke en reglementaire bepalingen inzake leefmilieu en voor de organisatie van de eerbied voor het leefmilieu;11° hij verzekert de verwezenlijking van het vastgelegde defensiebeleid inzake leefmilieu;12° hij verzekert de verwezenlijking van het vastgelegde defensiebeleid met betrekking tot de ecologische en economische aspecten inzake duurzame ontwikkeling;13° hij is belast, als nationale bewapeningsdirecteur, met het onderzoeken van internationale opportuniteiten in het domein van de ontwikkeling van de capaciteiten en het bewaken van de internationale bewapeningsprogramma's. Onderafdeling 3. - De algemene directie juridische steun

Art. 25.De algemene directie juridische steun staat onder de leiding van de directeur-generaal juridische steun. Zijn bevoegdheidsdomein omvat de juridische steun.

Art. 26.Behalve de bevoegdheden hernomen in artikel 11, oefent de directeur-generaal juridische steun volgende bevoegdheden uit: 1° hij is juridisch raadgever van de chef defensie inzake nationaal en internationaal recht en internationale verdragen, de nationale akkoorden, evenals inzake iedere materie van rechtskundige of administratieve aard, en dit onverminderd de bevoegdheden van de andere onderstafchefs en directeurs-generaal en van de commandanten van de componenten;2° hij is belast met de afhandeling van rechts- en administratieve geschillen en beroepen, alsmede met de procedures voor het Grondwettelijk Hof, waarbij het departement betrokken is, evenals de regeling van ongevallen en schade waarbij het departement hetzij rechtstreeks of via verdragsrechtelijke bepalingen of akkoorden betrokken is;3° hij verleent rechtshulp aan het personeel van het departement in geschillen die het gevolg zijn van de dienst;4° hij staat in voor de afhandeling van de vraagstukken betreffende de taalwetgeving;5° hij is verantwoordelijk voor de werking van de kanselarij en van de burgerlijke stand van de personeelsleden en hun gezinnen in het buitenland;6° hij verzekert de verbinding met de autoriteiten bevoegd inzake strafrechtelijke vervolging;7° hij is verantwoordelijk voor het opstellen van het concept voor de archivering in de schoot van het departement;8° hij is belast met de uitvoering van de vertaalopdrachten en de simultaanvertalingen;9° hij verzekert de coördinatie met het oog op de toepassing van de geldende normen met betrekking tot de openbaarheid van bestuur en de bescherming van het privéleven. Onderafdeling 4. - De algemene directie budget en financiën

Art. 27.De algemene directie budget en financiën staat onder de leiding van de directeur-generaal budget en financiën. Zijn bevoegdheidsdomein omvat het budget en de financiën.

Art. 28.Behalve de bevoegdheden hernomen in artikel 11, oefent de directeur-generaal budget en financiën volgende bevoegdheden uit: 1° hij is belast met de budgettaire integratie van de defensieplannen en -programma's in de verschillende domeinen en hij gaat de budgettaire haalbaarheid ervan na;2° hij staat in voor het opmaken, wijzigen, indienen en verantwoorden van de begrotingsvoorstellen;3° hij volgt de uitvoering van de begroting op en beheert de kredieten verbonden aan bestaande rechten;4° hij verzekert de financiële administratie van het departement en hiervoor: a) is hij verantwoordelijk voor de vastlegging, de vereffening en het betaalbaar stellen van uitgaven in het kader van overheidsopdrachten, diverse uitgaven en subsidies ten laste van het departement of voor rekening van derden evenals van uitgaven in het kader van bepaalde gezondheidszorgen verstrekt aan de rechthebbenden van Defensie en van de bezoldigingen en het vervullen van de hieraan gekoppelde verplichtingen van de werkgever;b) is hij verantwoordelijk voor de algemene- en de begrotingscomptabiliteit van het departement en de restauratie- en hoteldienst van defensie;c) is hij verantwoordelijk voor de boekhouding van de voorschotten van de schatkist, en voor de inning van de ontvangsten voor het departement;d) is hij bevoegd om inkomsten of uitgaven te boeken die om redenen van verjaring niet betaald of gevorderd werden;5° is hij verantwoordelijk voor de organisatie van de administratieve en begrotingscontrole en, voor het interne luik van deze controle, staat hij in voor de onafhankelijkheid van de actoren die ermee belast zijn;hun advies maakt integraal deel uit van het desbetreffende dossier; 6° is hij belast met de financiële controle ter plaatse: a) van de rekenplichtigen, onderrekenplichtigen en al de organismen van het departement die beschikken over publieke fondsen, met uitzondering van de rekenplichtige van de cel Defensie en van het secretariaat van de minister, en van de bijzondere rekenplichtige van de algemene dienst inlichtingen en veiligheid;b) in organisaties extern aan het departement die er financiële steun van genieten, onverminderd de bevoegdheden ter zake vastgelegd in andere wetten of besluiten;7° is hij binnen zijn bevoegdheidsdomein verantwoordelijk voor het ter beschikking stellen van de nodige cijfergegevens zowel binnen- als buiten het departement;8° is hij verantwoordelijk voor het opstellen van algemene richtlijnen betreffende de processen binnen zijn bevoegdheidsdomein;9° voert hij het in zijn bevoegdheidsdomein vastgestelde defensiebeleid uit en stelt, onverminderd de bevoegdheden van de directeur-generaal juridische steun, de ontwerpen van wettelijke en reglementaire teksten en de richtlijnen betreffende zijn bevoegdheidsdomein op. Onderafdeling 5. - De algemene directie strategische communicatie

Art. 29.De algemene directie strategische communicatie staat onder de leiding van de directeur-generaal strategische communicatie. Hij is de raadgever inzake strategische communicatie van de chef defensie. Zijn bevoegdheidsdomein omvat interne -, externe - en operationele communicatie.

Art. 30.Behalve de bevoegdheden hernomen in artikel 11, oefent de directeur-generaal strategische communicatie volgende bevoegdheden uit: 1° hij is verantwoordelijk, in coördinatie met alle onderstafchefs, directeurs-generaal, en met de commandanten van de componenten, voor de ontwikkeling van de algemene communicatie strategie, het beleid en de evaluatie in steun van de Defensie objectieven;2° hij is de eindverantwoordelijke voor de uitvoering van het vastgelegde defensiebeleid, de evaluatie en bijsturing van de strategische communicatie-activiteiten;hij coördineert hiervoor met de onderstafchefs, de directeurs-generaal en met de commandanten van de componenten en extern Defensie met andere overheidsdiensten en met de internationale partners en bondgenootschappen.

Art. 31.De algemene directie strategische communicatie is, via zijn informatiedienst, het enige orgaan van de Krijgsmacht gemachtigd om officiële contacten te organiseren tussen de leden van de Krijgsmacht en de persagentschappen en -organen en om officiële informatie te verspreiden ten behoeve van persagentschappen en -organen.

Onderafdeling 6. - De algemene directie gezondheid en welzijn

Art. 32.De algemene directie gezondheid en welzijn staat onder de leiding van de directeur-generaal gezondheid en welzijn. Zijn bevoegdheidsdomein omvat het welzijn op het werk, met inbegrip van het aspect welzijn in operaties.

Art. 33.Behalve de bevoegdheden hernomen in artikel 11, oefent de directeur-generaal gezondheid en welzijn volgende bevoegdheden uit: 1° hij formuleert aan de chef defensie de aanbevelingen voor de toepassing van de in België van kracht zijnde wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende het welzijn op het werk en vaardigt de betreffende interne regelgeving uit;2° hij formuleert aan de chef defensie de aanbevelingen aangaande de organisatie van de medische opvolging van het personeel, het welzijn op het werk, alsook de religieuze en morele bijstand en de psychosociale begeleiding van de personeelsleden;3° hij formuleert aan de chef defensie de aanbevelingen aangaande het gezondheidsbeleid van het personeel in het kader van de operationaliteit. Afdeling 7. - De componenten

Art. 34.De componenten, bedoeld in artikel 1, eerste lid, 5°, staan elk onder het bevel van een commandant. Zij bestaan uit een staf en eenheden.

Art. 35.Behalve de bevoegdheden hernomen in artikel 11, zijn de commandanten van de componenten verantwoordelijk voor de paraatstelling van hun respectievelijke capaciteiten, met het hen toegekende personeel, materieel, infrastructuur en trainingsmiddelen, en de tewerkstelling ervan ter ondersteuning van de paraatstelling van de Krijgsmacht, inclusief de intermachten capaciteiten die hen werden toegewezen.

Gemeenschappelijke aspecten van de paraatstelling, de coördinatie van de planning en de toewijzing van trainingsmiddelen worden aangestuurd en beheerd door het stafdepartement operaties en training. HOOFDSTUK 3. - Het inspectoraat-generaal

Art. 36.Het inspectoraat-generaal staat onder de leiding van de inspecteur-generaal die rechtstreeks van de chef defensie afhangt.

Art. 37.De inspecteur-generaal is bevoegd voor alle diensten die deel uitmaken van de Krijgsmacht.

De inspecteur-generaal oefent volgende bevoegdheden uit: 1° onverminderd de bevoegdheden van andere onderzoeksinstanties, van de defensiestaf en van de strijdkrachten, onderzoekt hij op vraag van de minister, van de chef defensie, op eigen initiatief of naar aanleiding van een klacht, iedere situatie die aanleiding kan geven tot aanbevelingen op het vlak van: a) de werking van de diensten en de transversale werking van de diensten van de Krijgsmacht;b) de te treffen maatregelen of op te starten procedures ten aanzien van personen;c) de uitvoering van het vastgelegde defensiebeleid;2° hij is belast met de afhandeling van de interventies;3° hij is verantwoordelijk voor de interne dienst van het beheer van de klachten;4° hij formuleert aan de chef defensie en in voorkomend geval, aan de minister, aanbevelingen ter verbetering van de werking van de Krijgsmacht;5° hij is verantwoordelijk voor de steun aan de dienst bevoegd voor de milieu- en arbeidsinspecties. De inspecteur-generaal beschikt hiervoor over een ruim initiatiefrecht en een algemeen en permanent inspectierecht om informatie te verzamelen of onderzoeken te leiden in de schoot van de diensten van de Krijgsmacht. Hiervoor kan hij commissies samenstellen of zich laten bijstaan door personeelsleden, aangeduid binnen het departement, in overleg met de betrokken overheden. Hij legt aan de chef defensie en, in voorkomend geval, aan de minister alle door hem gedane vaststellingen en opgestelde verslagen voor, waarbij zijn adviezen en bevindingen zijn gevoegd.

De minister kan de inspecteur-generaal rechtstreeks opdragen een onderzoek in te stellen voor iedere situatie bedoeld in het eerste lid,1°. De resultaten van dit onderzoek worden rechtstreeks aan de minister overgemaakt. HOOFDSTUK 4. - Overdracht van sommige bevoegdheden van de minister

Art. 38.Het is de minister toegelaten een deel van zijn bevoegdheden inzake bestuur en beheer over te dragen op de titularissen van sommige ambten, op bepaalde officieren of ambtenaren evenals op militaire autoriteiten.

In het kader van de bevoegdheden bedoeld in artikel 26 is het aan de minister toegelaten de bevoegdheid om alle nuttige documenten voor de verdediging van het departement op te eisen en neer te leggen, over te dragen aan officieren of ambtenaren van de algemene directie juridische steun.

De hierboven bedoelde bevoegdheden mogen niet worden overgedragen dan met inachtneming van het hiërarchisch gezag en van het controlerecht van de minister, en binnen het kader van de algemene bevoegdheden welke in dit besluit werden vastgelegd of door de minister overeenkomstig de bepalingen van dit besluit worden bepaald. HOOFDSTUK 5. - Aanwijzing van bepaalde autoriteiten en commissies

Art. 39.Worden door de Koning voor hun ambt aangewezen en daaruit ontslagen: 1° het hoofd van het Militair Huis van de Koning, de vleugeladjudanten en de ordonnansofficieren van de Koning of van de Koningin en die van de Prinsen en de Prinsessen van de Koninklijke Familie;2° de chef van het administratief en technisch secretariaat;3° de vice-chef defensie, de onderstafchefs, de directeurs-generaal en de commandanten van de componenten;4° de defensieattachés bij de ambassades en gezantschappen van België;5° de inspecteur-generaal.

Art. 40.De minister is gemachtigd commissies samen te stellen met het oog op de coördinatie van bijzondere activiteiten.

Art. 41.Worden door de minister voor hun ambt aangewezen en daaruit ontslagen: 1° opperofficieren en opperambtenaren belast met een bijzonder mandaat;2° de leden van de commissies bedoeld in artikel 40 of de overheid gemachtigd om deze leden aan te duiden. HOOFDSTUK 6. - Wijzigingsbepalingen Afdeling 1. - Wijziging van het koninklijk besluit van 9 maart 1995

betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid van en de rechtshulp aan militairen en de vergoeding van de door hen opgelopen schade

Art. 42.In artikel 13, vervangen bij het koninklijk besluit van 11 september 1995, en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 maart 2007 en 29 januari 2016, van het koninklijk besluit van 9 maart 1995 betreffende de burgerlijke aansprakelijkheid van en de rechtshulp aan militairen en de vergoeding van de door hen opgelopen schade, worden de woorden "en bemiddeling" opgeheven. Afdeling 2. - Wijziging van het koninklijk besluit van 28 juli 1995

betreffende de beoordelingsprocedure voor de militairen van het actief kader en van het reservekader

Art. 43.In artikel 9, § 4, van het koninklijk besluit van 28 juli 1995 betreffende de beoordelingsprocedure voor de militairen van het actief kader en van het reservekader, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 september 2004, en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 6 april 2010 en 29 januari 2016, worden de woorden "het hoofd van de interne audit," opgeheven. Afdeling 3. - Wijziging van het koninklijk besluit van 25 april 2004

betreffende het statuut van de militairen luchtverkeersleiders en de medische geschiktheid van de militaire luchtverkeersleiders en luchtgevechtleiders

Art. 44.In artikel 40, tweede lid, van het koninklijk besluit van 25 april 2004 betreffende het statuut van de militaire luchtverkeersleiders en de medische geschiktheid van de militaire luchtverkeersleiders en luchtgevechtleiders, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 april 2010, worden de woorden "onderstafchef well-being" vervangen door de woorden "directeur-generaal gezondheid en welzijn". Afdeling 4. - Wijziging van het koninklijk besluit van 17 september

2005 betreffende de geschiktheid voor luchtdienst

Art. 45.In artikel 24, tweede lid, van het koninklijk besluit van 17 september 2005 betreffende de geschiktheid voor luchtdienst, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 april 2010, worden de woorden "onderstafchef well-being" vervangen door de woorden "directeur-generaal gezondheid en welzijn". Afdeling 5. - Wijziging van het koninklijk besluit van 23 november

2005 tot bepaling van het tuchtreglement van het onderwijzend burgerpersoneel van de Koninklijke Militaire School en tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 augustus 1998 tot vaststelling van het statuut van de burgerlijke repetitors bij de Koninklijke Militaire School

Art. 46.In artikel 12, §§ 2, eerste lid, 1°, en 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 23 november 2005 tot bepaling van het tuchtreglement van het onderwijzend burgerpersoneel van de Koninklijke Militaire School en tot wijziging van het koninklijk besluit van 31 augustus 1998 tot vaststelling van het statuut van de burgerlijke repetitors bij de Koninklijke Militaire School worden de woorden "en bemiddeling" opgeheven. Afdeling 6.- - Wijziging van het koninklijk besluit van 3 december

2006 betreffende de biotheek van Defensie

Art. 47.In de artikelen 5, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 april 2006, en 13, eerste lid, 4°, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 6 april 2010 en 29 januari 2016, van het koninklijk besluit van 3 december 2006 betreffende de biotheek van Defensie, worden de woorden "onderstafchef well-being" vervangen door de woorden "directeur-generaal gezondheid en welzijn".

Art. 48.In artikel 18, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 april 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in de bepalingen onder 2° en 3°, worden de woorden "van het stafdepartement well-being" vervangen door de woorden "van de algemene directie gezondheid en welzijn";b) in de bepaling onder 7°, worden de woorden "en bemiddeling" opgeheven.

Art. 49.In artikel 19 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht: a) in het eerste lid wordt de bepaling onder 1°, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 april 2010, vervangen als volgt: "1° een geneesheer behorend tot het stafdepartement gezondheid en welzijn, aangewezen op voorstel van de directeur-generaal gezondheid en welzijn;"; b) in het eerste lid, 3°, worden de woorden "en bemiddeling" opgeheven;c) in het vijfde lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 april 2010, worden de woorden "onderstafchef well being" vervangen door de woorden "directeur-generaal gezondheid en welzijn". Afdeling 7. - Wijziging van het koninklijk besluit van 6 juni 2017 tot

vaststelling van de taalkaders van het burgerpersoneel van de centrale diensten van het Ministerie van Landsverdediging

Art. 50.In de tabel van het artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 juni 2017 tot vaststelling van de taalkaders van het burgerpersoneel van de centrale diensten van het Ministerie van Landsverdediging worden de woorden "en bemiddeling" opgeheven. HOOFDSTUK 7. - Opheffings- en slotbepalingen

Art. 51.Het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot bepaling van de algemene structuur van het Ministerie van Landsverdediging en tot vaststelling van de bevoegdheden van bepaalde autoriteiten wordt opgeheven.

Art. 52.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 53.De minister bevoegd voor Defensie is belast met de uitvoering van dit besluit.

Brussel, 2 december 2018.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Defensie, S. LOONES


begin


Publicatie : 2019-01-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^