Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 03 april 2003
gepubliceerd op 30 april 2003

Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen 2 en 8, van de wet van 14 januari 2003 betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen

bron
federale overheidsdienst financien
numac
2003003232
pub.
30/04/2003
prom.
03/04/2003
ELI
eli/besluit/2003/04/03/2003003232/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

3 APRIL 2003. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen 2 en 8, van de wet van 14 januari 2003 betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van besluit dat wij de eer hebben ter ondertekening aan Zijne Majesteit voor te leggen schrijft zich in in de maatregelen die voortvloeien uit het akkoord dat de Regering op 14 september 2000 met de werkgeversfederaties en syndicale organisaties van de sector van het wegvervoer heeft gesloten.

Artikel 2 van de wet van 14 januari 2003 betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen heeft in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 een artikel 44bis ingevoegd dat in een volledige vrijstelling voorziet van de meerwaarden verwezenlijkt bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen.

In § 2 van dat ingevoegd artikel is voorzien dat de herbelegging moet gebeuren in bedrijfsvoertuigen die beantwoorden aan de ecologische normen bepaald door de Koning bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit.

Artikel 8 van de voormelde wet stelt daarenboven dat de Koning, eveneens na een bij overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit, de datum van inwerkingtreding ervan bepaalt.

Het doel van het ontwerp is bijgevolg tweeërlei : enerzijds de ecologische normen vaststellen waaraan de bedrijfsvoertuigen die voor de beoogde herbelegging in aanmerking komen moeten beantwoorden en anderzijds de datum van inwerkingtreding van de voormelde wet van 14 januari 2003 regelen.

Commentaar op de artikelen

Artikel 1.De inleidende zin van het ontworpen artikel 20, § 1, werd in overeenstemming gebracht met de tekst voorgesteld door de Raad van State. Niettemin werden de woorden "van de opbrengst van de tegeldemaking" weggelaten aangezien de woorden niet geheel in overeenstemming zijn met de terminologie van art. 44bis, § 1, eerste lid, WIB 92.

In de eerste paragraaf van het ontworpen artikel 20, worden de gestelde ecologische normen opgesomd voor de bedrijfsvoertuigen waarin moet worden herbelegd om bij toepassing van voormeld artikel 44bis volledige vrijstelling te bekomen van de meerwaarden verwezenlijkt bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen.

Voor de vervangende aanhangwagens en opleggers met een maximum toegelaten massa (in het ontwerp wordt conform de gebruikelijke terminologie inzake de fiscaliteit op de voertuigen deze term behouden in plaats van "toegestane maximummassa" zoals voorgesteld door de Raad van State) van minstens 4 ton moet het gaan om nieuwe voertuigen uitgerust met een luchtvering of als gelijkwaardig erkende vering.

Deze norm die bijdraagt tot een mindere graad van wegbeschadiging wordt reeds, overeenkomstig de geldende Europese regelgeving, in hoofde van de trekkende voertuigen in aanmerking genomen voor de berekening van de verkeersbelasting (wet van 8 april 2002 tot wijziging van de artikelen 5, 9, 11, 21 en 42 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen in uitvoering van de richtlijn nr. 1999/62/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware vrachtvoertuigen).

Voor de in het 2° punt vermelde aanhangwagens die uitsluitend getrokken worden door autobussen en autocars is het voldoende dat zij in nieuwe staat zijn verkregen en geldt om technische redenen de bijkomende voorwaarde om uitgerust te zijn met een luchtvering of als gelijkwaardig erkende vering niet.

De vrachtauto's, trekkers, autobussen en autocars, onderwerp van het 3° punt, van de voormelde eerste paragraaf, moeten of in nieuwe staat zijn verkregen of op het moment van de verkrijging niet meer dan 3 jaar oud zijn sinds hun eerste inverkeerstelling. Samen met deze voorwaarde qua ouderdom moeten deze voertuigen daarenboven eveneens aan één (dit woord werd niet opgenomen in de Nederlandse vertaling van het advies van de Raad van State hoewel het zeer belangrijk is vermits slechts één van de alternatieve normen moet vervuld zijn) van de hierna opgesomde normen beantwoorden : - een bepaalde NOx-norm niet overschrijden; - uitgerust zijn met een luchtvering of als gelijkwaardig erkende vering; - gedeeltelijk recycleerbaar zijn; - op een niet-milieubelastende manier zijn afgewerkt; - voorzien zijn, voor de transmissie, van een elektronisch gestuurde versnellingsbak; - uitgerust zijn met bepaalde veiligheidsvoorzieningen.

De emissie van stikstof draagt bij tot de verzuring van het milieu (zure regen). Met een zoals in het ontwerp vastgestelde stikstofemissienorm (NOx-norm) die lager is dan 4,9 gr/kWh zal dergelijk voertuig beter scoren dan het overgrote deel van de thans op de markt zijnde milieuvriendelijke voertuigen waarvan diezelfde stikstofemissienorm conform de geldende Europese regelgeving niet lager ligt dan 5gr/kWh.

Zoals voor de aanhangwagens en opleggers geldt ook voor de trekkende voertuigen dat het gebruik van een luchtvering of een als gelijkwaardig erkende vering bijdraagt tot een mindere graad van wegbeschadiging.

Met het stimuleren van de aanschaf van (gedeeltelijk) recycleerbare voertuigen of van het gebruik bij de constructie van niet-milieubelastende lakken (bijv. op waterbasis of met een laag gehalte aan vluchtige stoffen) wordt eveneens een ecologische impuls gegeven.

Het gebruik van een elektronisch gestuurde versnellingsbak zorgt door het verhinderen van hoge toerentallen voor een lager gebruik en lagere geluidsoverlast.

De aanmoediging tot het plaatsen van een dodehoekspiegel of het inbouwen van technologie (camera of radar) ter verbetering van het gezichtsveld van de bestuurder is een maatregel die de verkeersveiligheid ten goede komt evenals deze die dan specifiek geldt voor de autocars en autobussen namelijk alle zetels uitrusten met veiligheidsgordels.

Vermits verkeersongevallen ook een belangrijke factor vertegenwoordigen in de bepaling van de externe kosten van de mobiliteitsproblematiek draagt de vermindering van het ongevallenrisico ontegensprekelijk bij tot een reductie van de door het verkeer veroorzaakte hinder en schade.

Voor de autovoertuigen aangewend tot een taxidienst, hetzij tot verhuring met bestuurder, besproken in het 4° punt, geldt als enige voorwaarde dat zij in nieuwe staat moeten verkregen zijn om de eenvoudige reden dat, zeker in het segment van de personenauto's, auto's dubbel gebruik en minibussen, de technische evolutie dermate is dat een nieuw voertuig minstens gelijkwaardig maar quasi altijd milieuvriendelijker zal zijn dan datgene dat het vervangt.

In de tweede paragraaf wordt bepaald dat de bij de voorwaarde van ouderdom bijkomende ecologische normen slechts gelden indien de toepassing ervan niet wettelijk verplicht is. De door de Raad van State voorgestelde tekst van artikel 20, § 2, KB/WIB 92, werd overgenomen waaraan ter verduidelijking wordt toegevoegd dat het voertuig aan minstens één van de andere alternatieve voorwaarden moet voldoen om als geldige wederbelegging in aanmerking te kunnen komen.

Zo zal bijvoorbeeld voor een in nieuwe staat verkregen vrachtauto vanaf 1 januari 2003 de plaatsing van een dodehoekspiegel niet meer aanvaard worden als een bijkomende norm omdat vanaf die datum dergelijke spiegel tot de wettelijk verplichte uitrusting van de nieuwe vrachtauto's behoort. Om voor de vrijstelling in aanmerking te komen zal het voertuig dus zeker nog aan één van de andere opgesomde voorwaarden moeten voldoen.

In dit specifiek voorbeeld zal het uitrusten van zo een vrachtauto met een camera- of radarbewaking ter bijkomende verbetering van het gezichtsveld van de bestuurder dan wel als een vervulde voorwaarde aanvaard worden.

Hetzelfde doet zich vanaf 31 maart 2003 voor met de voorwaarde van de veiligheidsgordels voor alle zetels in de in nieuwe staat verkregen autobussen en autocars omdat vanaf die datum dit een wettelijk verplicht deel van de uitrusting moet zijn.

In de derde paragraaf van het ontworpen artikel 20, worden de documenten opgesomd die aan de ambtenaar, bevoegd voor de vestiging van de belasting, moeten worden voorgelegd tot staving van het genot van de vrijstelling voorzien in artikel 44bis, WIB 92.

Dit zijn documenten afgeleverd door de constructeur, de invoerder of de installateur die het voldoen aan één of meerdere van de bijkomende voorwaarden zullen staven.

Art. 2.Dit artikel regelt de inwerkingtreding. De Franse tekst werd in overeenstemming gebracht met de tekst voorgesteld door de Raad van State. Wat de Nederlandse tekst betreft, werd rekening gehouden met het advies van de Raad van State door de invoeging van de woorden "ten vroegste". Voor het overige werd de Nederlandse tekst niet aangepast aan het voorstel van de Raad van State om redenen van overeenstemming met de terminologie van het WIB 92 in het algemeen en artikel 44bis, WIB 92 in het bijzonder.

Het advies van de Raad van State werd gegeven op 26 maart 2003. Zoals hiervoor al vermeld, werd er rekening gehouden met dit advies behalve voor wat betreft de opmerking dat veiligheidsvoorzieningen in het voertuig (dodehoekspiegel, camera- of radarbewaking ter verbetering van het gezichtsveld, veiligheidsgordels in autocars en -bussen) moeilijk als "ecologische normen" kunnen beschouwd worden Inderdaad, de ecologie is de wetenschap die de relatie tussen planten, dieren en hun levend en niet-levend milieu bestudeert evenals de relatie tussen planten en dieren onderling.

Als men dus de impact van de mobiliteit op het milieu wil bekijken zullen niet alleen de meest bekende elementen als daar zijn de luchtverontreiniging en de geluidshinder moeten in aanmerking genomen worden maar ook de verkeersongevallen. Trouwens in wetenschappelijke studies naar de externe milieukosten veroorzaakt door het transport wordt steeds met de factor "ongevalkosten" rekening gehouden.

Bovendien is de bevordering van de verkeersveiligheid steeds één van de doelstellingen van de Regering geweest en draagt het stimuleren van de installatie van nog niet wettelijke verplichte uitrusting daar zeker toe bij.

Tevens wordt eveneens opgemerkt dat dit ontwerp niet voorafgaandelijk aan de Europese Commissie ter kennis werd gebracht overeenkomstig artikel 88, § 3, van het EG-Verdrag, zoals voorzichtigheidshalve werd gesuggereerd door de Raad van State. België heeft immers het wetsontwerp betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen in toepassing van voornoemd artikel 88, derde lid, bij brief van 7 mei 2001 aangemeld bij de Europese Commissie. Na de toepassing van artikel 4.6 van de Verordening nr. 659/1999 van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag, heeft de Europese Commissie haar stilzwijgende goedkeuring gegeven, zodat voormelde wet van 14 januari 2003 volledig in werking kan treden. In de mate dat dit ontwerp, zoals in voormelde wet is voorzien, bijkomende voorwaarden oplegt om van de vrijstelling te kunnen genieten, wordt de kennisgeving derhalve niet meer noodzakelijk geacht. Bovendien is voornoemde kennisgeving evenmin noodzakelijk aangezien de voorwaarden (inzonderheid voor de voertuigen bestemd voor het vervoer van goederen en de autocars en autobussen) vastgelegd in dit besluit supplementair zijn aan deze die door de Europese regelgeving zijn opgelegd.

Overeenkomstig artikel 1, 3) en 9), derde gedachtestreep, van Richtlijn 98/34 van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, zal via CIBELNOR (c/o Belgisch Instituut voor Normalisatie) de Europese Commissie door de administratie wel in kennis worden gesteld van dit besluit.

Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uw Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister van Financiën, D. REYNDERS

ADVIES 35.138/2 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE DE RAAD VAN STATE, afdeling wetgeving, tweede kamer, op 21 maart 2003 door de Minister van Financiën verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "tot uitvoering van de artikelen 2, § 2, en 8, van de wet van 14 januari 2003 betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen", heeft op 26 maart 2003 het volgende advies gegeven : Overeenkomstig artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1996, moeten in de adviesaanvraag in het bijzonder de redenen worden aangegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan.

In het onderhavige geval luidt die motivering in de brief met de adviesaanvraag aldus : « (het verzoek om spoedbehandeling wordt gemotiveerd door het feit) - dat het akkoord dat de Regering op 14 september 2000 met de werkgeversfederaties en syndicale organisaties van de sector van het wegvervoer heeft gesloten, voorzag dat de vertegenwoordigers van de werkgeversfederaties nauw werden betrokken bij de werkzaamheden inzake het stelsel van de meerwaarden; - dat zowel tijdens de besprekingen die hebben geleid tot dat akkoord als tijdens de vergaderingen nadien, de vertegenwoordigers van de werkgeversfederaties en van de syndicaten er steeds hebben op aangedrongen dat de nieuwe maatregel zo vlug mogelijk zou worden toegepast; zulks geldt inzonderheid om reeds voor het boekjaar 2000 een vrijstelling van de betreffende meerwaarden te verkrijgen; - dat het de bedoeling is, om in uitvoering van dat voormeld akkoord. de in artikel 44bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 14 januari 2003 betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen, bedoelde vrijstelling op de meerwaarden verwezenlijkt bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen uitwerking te laten hebben op de meerwaarden die vanaf 1 januari 2000 zijn verwezenlijkt en voor zover de datum van de verwezenlijking behoort tot het belastbare tijdperk dat aan aanslagjaar 2001 verbonden is; - dat België het wetsontwerp betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen in toepassing van artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag bij brief van 7 mei 2001 heeft aangemeld bij de Europese Commissie (dossier Staatssteun N 384/2001); - dat de behandeling van de procedure van voorafgaande adviesaanvraag door de Europese Commissie lange tijd heeft aangesleept; - dat België, de Europese Commissie op 18 februari 2003 in kennis heeft gesteld dat toepassing wordt gemaakt van artikel 4.6, van de Verordening nr. 659/1999 van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag, waardoor de Commissie haar stilzwijgende goedkeuring geeft aan de maatregel aangezien zij binnen de vijftien werkdagen na ontvangst van de kennisgeving geen beschikking heeft gegeven; - dat overeenkomstig artikel 44bis, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 14 januari 2003 betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen, de ecologische normen worden vastgesteld waaraan de bedrijfsvoertuigen die zijn bedoeld in artikel 44bis, § 1, derde lid, van hetzelfde Wetboek, moeten beantwoorden; - dat dit besluit dus onverwijld moet worden getroffen. » .

Gelet op de zeer korte termijn die aan de Raad van State is toegemeten en op het grote aantal zaken dat hem met verzoek om spoedbehandeling is voorgelegd, beperkt hij zich tot het maken van de volgende opmerkingen.

Voorafgaande vormvereisten 1. De afdeling Wetgeving heeft in haar advies 31.312/2, uitgebracht op 23 februari 2001 over een voorontwerp van wet "betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen", dat de wet van 14 januari 2003 is geworden, het volgende opgemerkt : « Krachtens artikel 88 (het vroegere artikel 93), lid 3, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap moet de Commissie van elk voornemen tot invoering of wijziging van maatregelen voor overheidssteun tijdig op de hoogte worden gebracht, om haar opmerkingen te kunnen maken. De betrokken Lid-Staat kan de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen voordat die procedure tot een eindbeslissing heeft geleid.

Het in kennis stellen van de Europese Commissie is een voorafgaand vormvereiste : indien het niet vervuld is, is de aan de afdeling wetgeving gerichte adviesaanvraag niet ontvankelijk.

Uit de informatie die door de gemachtigde ambtenaar aan de Raad van State is verstrekt, blijkt dat die procedure weliswaar gevolgd zal worden, gezien het onderwerp van het wetsontwerp - namelijk de invoering van een fiscaal voordeel voor sommige bedrijven -, maar nog niet is aangevat.

Het is echter mogelijk dat de Commissie naar aanleiding van het onderzoek van de geplande steunmaatregelen opmerkingen maakt, waardoor de Belgische Staat haar steunproject moet herzien.

Aangezien de afdeling wetgeving haar advies alleen moet geven over ontwerpen waarvan de tekst is vastgesteld nadat alle andere voorafgaande vormvereisten zijn vervuld, is ieder verzoek om advies voorbarig zolang de Staat het steunproject niet ten uitvoer kan leggen en, in ieder geval, zolang de termijn waarover de Commissie beschikt om het ontwerp te onderzoeken, niet verstreken is.

Wat dat betreft dient erop gewezen te worden dat de laatste zin van artikel 88, lid 3, van het EG-verdrag, het bij dat artikel ingestelde controlemechanisme veilig stelt, dat op zijn beurt onontbeerlijk is om de werking van de gemeenschappetijke markt veilig te stellen. De niet-naleving van die bepaling vormt bovendien een dermate uitgesproken schending van dat mechanisme, dat ze op zich een grond kan zijn voor de toepassing van artikel 243 van het verdrag (ex 186), zodat de onmiddellijke stopzetting van de omstreden steunmaatregel kan worden bevolen en de financiële steun kan worden teruggevorderd van diegenen die ze hebben gekregen.

Het voorontwerp van wet is bijgevolg niet in zoverre gereed dat het door de Raad van State kan worden onderzocht. » . 2. Als gevolg van dat advies van de afdeling Wetgeving is het voorontwerp van wet ter kennis gebracht van de Europese Commissie. Volgens de gemachtigde ambtenaar heeft deze België om inlichtingen verzocht, maar heeft ze nooit een beslissing genomen met toepassing van artikel 4, leden 2 tot 4, van de Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag. 3. Op 14 januari 2003 is het wetsontwerp bekrachtigd.4. België heeft ten slotte, zoals vermeld in de aanhef van het voorliggende ontwerpbesluit, op 18 februari 2003 de Europese Commissie meegedeeld dat toepassing gemaakt wordt van artikel 4, lid 6, van de genoemde verordening nr.659/1999. Dat artikel bepaalt het volgende : « Indien de Commissie niet binnen de in lid 5 genoemde termijn een beschikking overeenkomstig de leden 2, 3 of 4 heeft gegeven, wordt de steun geacht door de Commissie te zijn goedgekeurd. Daarop kan de betrokken lidstaat de maatregelen ten uitvoer leggen, na de Commissie hiervan vooraf in kennis te hebben gesteld, tenzij de Commissie binnen een termijn van 15 werkdagen na de ontvangst van de kennisgeving een beschikking overeenkomstig dit artikel geeft. » . 5. De gemachtigde ambtenaar heeft verklaard dat de Commissie niet gereageerd heeft op de informatie die door België is verstrekt op 18 februari 2003. 6. Op de vraag of het voorliggende ontwerpbesluit zelf aan de Europese Commissie ter kennis is gebracht krachtens artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag, heeft de gemachtigde ambtenaar het volgende geantwoord : « De administratie heeft op 27 juli 2001 en 9 november 2001 ontwerpen van antwoord toegezonden aan het Kabinet van Financiën op de vragen die de Europese Commissie op respectievelijk 6 juli 2001 en 24 september 2001 i.v.m. het wetsontwerp had toegestuurd. Een derde vragenlijst werd ontvangen op 15 januari 2002 (waarschijnlijk op de permanente vertegenwoordiging) en door het Kabinet doorgefaxt aan de administratie op 22 januari 2002 die op haar beurt een ontwerp van antwoord op 6 februari 2002 heeft teruggestuurd.

Bovendien heeft een delegatie bestaande uit kabinetsleden van de Ministers van Financiën en Mobiliteit, samen met ambtenaren van de Administratie van Fiscale Zaken op 22 november 2001 tekst en uitleg verstrekt omtrent het principe van de vrijstelling en de daarvoor te vervullen voorwaarden op de bevoegde directie van de Europese Commissie.

Vermits de Commissie na al deze contacten geen afwijzende beslissing heeft getroffen en zelfs haar stilzwijgende toestemming heeft gegeven (ingevolge de toepassing van artikel 4.6 van de Verordening nr. 659/1999 van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag), kan aangenomen worden dat tegen het principe van de vrijstelling van de meerwaarden geen bezwaren meer zijn. Het ontwerp van koninklijk besluit legt thans de ecologische voorwaarden vast waaraan de voertuigen moeten beantwoorden om in aanmerking te komen en omdat deze voorwaarden, inzonderheid voor de voertuigen bestemd voor het vervoer van goederen en de autocars en autobussen, supplementair zijn aan deze die door de Europese regelgeving zijn opgelegd, is het voorleggen van het ontwerp van koninklijk besluit aan de Commissie niet meer nodig. » . 7. Het voorliggende ontwerpbesluit bakent concreet de strekking af van de regeling waarvan het principe is ingevoerd bij de wet van 14 januari 2003, en de voorwaarden om het fiscale voordeel te kunnen genieten zijn bijzonder ruim.In die context en om alle kritiek achteraf van de Europese Commissie te voorkomen, zou het voorzichtigheidshalve beter zijn het ontwerpbesluit, overeenkomstig artikel 88, lid 3, van het EG-Verdrag ter kennis te brengen van de Europese Commissie. 8. Het ontwerp van koninklijk besluit moet hoe dan ook ter kennis worden gebracht van de Europese Commissie omdat het technische voorschriften vaststelt in de zin van artikel 1, 11), van richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en van de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (1).9. Op de vraag hoe het staat met de vervulling van dat vormvoorschrift, heeft de gemachtigde ambtenaar het volgende geantwoord : « Zoals voor vorige dossiers zal ook ditmaal de Administratie Fiscale Zaken overeenkomstig artikel 1, 3) en 9), derde gedachtstreep, van Richtlijn 98/34 van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften, via CIBELNOR (c/o Belgisch Instituut voor Normalisatie) de Europese Commissie in kennis stellen van de getroffen maatregel.» . 10. Gezien dat antwoord, wordt de aandacht van de steller van het ontwerp erop gevestigd dat de kennisgeving aan de Europese Commissie moet plaatsvinden voordat het onderzochte ontwerp wordt goedgekeurd. Onderzoek van het ontwerp Bij de wet van 14 januari 2003 tot tenuitvoerlegging waarvan het ontwerp strekt, is in het WIB een artikel 44bis ingevoegd waarbij de meerwaarden die op sommige bedrijfsvoertuigen worden verwezenlijkt, worden vrijgesteld, op voorwaarde onder meer dat een bedrag gelijk aan de opbrengst van de tegeldemaking wordt herbelegd in bedrijfsvoertuigen in de zin van de wet "die beantwoorden aan de ecologische normen bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad", binnen de termijn bepaald in de wet.

Bij artikel 8 van de wet van 5 februari 2003 wordt aan de Koning de bevoegdheid opgedragen om bij een na overleg in de Ministerraad vastgesteld besluit de datum van inwerkingtreding van de wet te bepalen.

Artikel 1 1. Artikel 1 van het ontwerp herstelt een afdeling VIII met als opschrift "Vrijstelling op de meerwaarden verwezenlijkt bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen" (2) in hoofdstuk I van het besluit tot uitvoering van het WIB, gevolgd door een nieuw artikel 20, dat een paragraaf 1 en een paragraaf 2 omvat. Het opschrift van die afdeling VIII is niet geschikt, aangezien het nieuwe artikel 44bis van het WIB niet alleen betrekking heeft op de meerwaarden die verwezenlijkt zijn bij de vervreemding van de bedrijfsvoertuigen, maar ook op de meerwaarden die verwezenlijkt zijn naar aanleiding van een schadegeval. Deze afdeling moet bijgevolg het volgende opschrift krijgen: "Vrijstelling van de meerwaarden gerealiseerd op bepaalde bedrijfsvoertuigen". 2. De inleidende zin van paragraaf 1 van artikel 20 stemt niet overeen met het onderwerp zelf van het ontwerpbesluit: het is niet de bedoeling te bepalen welke bedrijfsvoertuigen worden vrijgesteld van de meerwaarde die daarop is gerealiseerd;die voertuigen zijn immers bepaald in artikel 44bis . Het gaat erom de ecologische normen vast te stellen waaraan de bedrijfsvoertuigen die worden aangekocht via herbelegging van de opbrengst van de tegeldemaking moeten voldoen.

De inleidende zin van artikel 20, § 1, moet bijgevolg als volgt worden gesteld : « § 1. Opdat de meerwaarden verwezenlijkt op de bedrijfsvoertuigen genoemd in artikel 44bis van het WIB de vrijstelling genieten waarin dat artikel voorziet, moeten de bedrijfsvoertuigen die zijn verkregen via herbelegging van de opbrengst van de tegeldemaking beantwoorden aan de volgende ecologische normen ». 3. De voorwaarden luidens welke het voertuig uitgerust moet zijn met een dodehoekspiegel of met camera- of radarbewaking ter verbetering van het gezichtsveld van de bestuurder, of uitgerust moeten zijn met veiligheidsgordels, lijken niet echt beschouwd te kunnen worden als "ecologische normen". In het verslag aan de Koning staat het volgende : « De aanmoediging tot het plaatsen van een dodehoekspiegel of het inbouwen van technologie (camera of radar) ter verbetering van het gezichtsveld van de bestuurder is een maatregel die de verkeersveiligheid ten goede komt evenals deze die dan specifiek geldt voor de autocars en autobussen namelijk alle zetels uitrusten met veiligheidsgordels ».

Om het verband te leggen tussen die vereisten en de ecologie wordt voorts in het verslag aan de Koning het volgende gesteld : « Vermits verkeersongevallen ook een belangrijke factor vertegenwoordigen in de bepaling van de externe kosten van de mobiliteitsproblematiek draagt de vermindering van het ongevallenrisico ontegensprekelijk bij tot een reductie van de door het verkeer veroorzaakte hinder en schade. » .

De vraag rijst of de steller van het ontwerp, wanneer hij zulke vereisten oplegt, de perken van de bevoegdheidsopdracht vervat in artikel 44bis van het WIB niet te buiten gaat. 4. Wat betreft de formulering van de voorwaarden gesteld in paragraaf 1 van artikel 20, moet er rekening mee worden gehouden dat de voertuigen waarin het geld wordt herbelegd bepaald zijn in artikel 44bis, § 2, van het WIB en dat alleen de ecologische normen waaraan de voertuigen moeten voldoen die aangekocht zijn via herbelegging het onderwerp zijn van het koninklijk besluit. Onder voorbehoud van de onder 3 gemaakte opmerking wordt de volgende redactie voorgesteld : « § 1. Opdat de meerwaarden (...) beantwoorden aan de volgende ecologische normen : 1° Wat betreft de aanhangwagens en opleggers bestemd voor het vervoer van goederen met een toegestane maximummassa van minstens vier ton, deze moeten in nieuwe staat zijn verkregen en uitgerust zijn met een luchtvering of een als gelijkwaardig erkende vering;2° Wat betreft de aanhangwagens die uitsluitend getrokken worden door autobussen of autocars en waarvan de toegestane maximummassa meer bedraagt dan 750 kg (3), deze moeten in nieuwe staat verkregen zijn;3° Wat betreft de trekkers en vrachtauto's aangewend voor goederenvervoer en de autobussen en autocars aangewend voor bezoldigd personenvervoer, deze moeten in nieuwe staat verkregen zijn of mogen, op het tijdstip van verwerving, niet meer dan drie jaar daarvoor in het verkeer zijn gebracht, en moeten beantwoorden aan de volgende alternatieve voorwaarden : a) het niveau van de stikstofemissie (NOx-norm) is lager dan 4,9 gr/kWh; b) het voertuig is uitgerust met een luchtvering of met een als gelijkwaardig erkende vering (...) (voorts zoals in het ontwerp, rekening houdend met de voorgestelde nieuwe formulering); 4° Wat betreft de autovoertuigen aangewend als taxidienst of tot verhuring met bestuurder, deze moeten in nieuwe staat verkregen zijn. § 2. Zodra één van de alternatieve voorwaarden genoemd in paragraaf 1, 3 °, een verplichte norm wordt, moet het voertuig aan minstens één van de andere alternatieve voorwaarden voldoen. » 5. Paragraaf 2 van het ontworpen artikel 20 zou opgenomen kunnen worden in een artikel 21.Indien dit voorstel niet wordt gevolgd, moet hij een nieuwe paragraaf 3 vormen.

Artikel 2 In het ontwerpbesluit, dat uitgevaardigd wordt tot tenuitvoerlegging van een wet van 14 januari 2003, wordt gesteld dat de bepalingen van die wet "uitwerking (hebben) op de meerwaarden die zijn verwezenlijkt vanaf 1 januari 2000 en voor zover de datum van de verwezenlijking behoort tot het belastbare tijdperk dat aan aanslagjaar 2001 verbonden is".

De gemachtigde van de minister verklaart dat het einde van de bepaling als volgt moet luiden : « ... op de meerwaarden die verwezenlijkt zijn vanaf 1 januari 2000 en voorzover de datum van de tegeldemaking ten vroegste valt binnen het belastbare tijdperk waarop aanslagjaar 2001 betrekking heeft (4). ». (1) Artikel 8, lid 1, van dezelfde richtlijn. (2) De nummering van deze afdeling moet gewijzigd worden in deze zin dat rekening wordt gehouden met het herstel van deze afdeling 8 en van artikel 19 van het KB/WIB 92 bij het ontwerp van koninklijk besluit tot wijziging van het KB/WIB 92 en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van artikel 396 van de programmawet van 24 december 2002, dat besproken is in advies 35.034/2, van de afdeling Wetgeving, uitgebracht op 11 maart 2003. (3) In artikel 44bis wordt deze maximummassa niet vermeld.(4) Zie voor de verantwoording van deze terugwerkende kracht de memorie van toelichting.van het wetsontwerp betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen, dat de wet van 14 januari 2003 is geworden (Gedr. St., Kamer, zitting 2002-2003, nr. 1973/1, blz. 6-7).

De kamer was samengesteld uit : De heer Y. Kreins, kamervoorzitter, De heer J. Jaumotte en Mevr. M. Baguet, staatsraden, De heer J. Kirkpatrick, assessor van de afdeling wetgeving, Mevr. B. Vigneron, griffier.

De nota van het Coördinatiebureau werd uitgebracht door de heer P. Brouwers, referendaris.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer J. Jaumotte.

De griffier, B. Vigneron.

De voorzitter, Y. Kreins.

3 APRIL 2003. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de artikelen 2 en 8, van de wet van 14 januari 2003 betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, inzonderheid op : - artikel 44bis, ingevoegd bij de wet van 14 januari 2003; - artikel 46, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 21 december 1994, 30 januari 1996, 16 april 1997, 22 december 1998 en 14 januari 2003; - artikel 47, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wetten van 22 december 1998 en 14 januari 2003; - artikel 190, gewijzigd bij de wetten van 22 december 1998 en 14 januari 2003; - artikel 231, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 21 december 1994, 30 januari 1996, 16 april 1997, 22 december 1998 en 14 januari 2003; - artikel 416, gewijzigd bij de wetten van 2 augustus 2002, 24 december 2002 en 14 januari 2003.

Gelet op de wet van 14 januari 2003 betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen, inzonderheid op artikel 8;

Gelet op het KB/WIB 92;

Gelet op het advies van de inspecteur van Financiën, gegeven op 11 maart 2003;

Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 13 maart 2003;

Gelet op het verzoek om spoedbehandeling gemotiveerd door de omstandigheid : - dat het akkoord dat de Regering op 14 september 2000 met de werkgeversfederaties en syndicale organisaties van de sector van het wegvervoer heeft gesloten, voorzag dat de vertegenwoordigers van de werkgeversfederaties nauw werden betrokken bij de werkzaamheden inzake het stelsel van de meerwaarden; - dat zowel tijdens de besprekingen die hebben geleid tot dat akkoord als tijdens de vergaderingen nadien, de vertegenwoordigers van de werkgeversfederaties en van de syndicaten er steeds hebben op aangedrongen dat de nieuwe maatregel zo vlug mogelijk zou worden toegepast; zulks geldt inzonderheid om reeds voor het boekjaar 2000 een vrijstelling van de betreffende meerwaarden te verkrijgen; - dat het de bedoeling is, om in uitvoering van dat voormeld akkoord, de in artikel 44bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 14 januari 2003 betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen, bedoelde vrijstelling op de meerwaarden verwezenlijkt bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen uitwerking te laten hebben op de meerwaarden die vanaf 1 januari 2000 zijn verwezenlijkt en voor zover de datum van de verwezenlijking behoort tot het belastbare tijdperk dat aan aanslagjaar 2001 verbonden is; - dat België het wetsontwerp betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen in toepassing van artikel 88, derde lid, van het EG-Verdrag bij brief van 7 mei 2001 heeft aangemeld bij de Europese Commissie (dossier Staatssteun N 384/2001); - dat de behandeling van de procedure van voorafgaande adviesaanvraag door de Europese Commissie lange tijd heeft aangesleept; - dat België, de Europese Commissie op 18 februari 2003 in kennis heeft gesteld dat toepassing wordt gemaakt van artikel 4.6 van de Verordening nr. 659/1999 van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag, waardoor de Commissie haar stilzwijgende goedkeuring geeft aan de maatregel aangezien zij binnen de vijftien werkdagen na ontvangst van de kennisgeving geen beschikking heeft gegeven; - dat overeenkomstig artikel 44bis, § 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 14 januari 2003 betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen, de ecologische normen worden vastgesteld waaraan de bedrijfsvoertuigen die zijn bedoeld in artikel 44bis, § 1, derde lid, van hetzelfde Wetboek, moeten beantwoorden; - dat dit besluit dus onverwijld moet worden getroffen.

Gelet op het advies 35.138/2 van de Raad van State gegeven op 26 maart 2003 met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten van de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën en op advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.In hoofdstuk I, van het KB/WIB 92 wordt, na artikel 19, een nieuwe afdeling VIIIbis ingevoegd, die artikel 20 bevat, opgeheven bij het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 en hersteld in de volgende lezing : « Afdeling VIIIbis . - Vrijstelling van de meerwaarden gerealiseerd op bepaalde bedrijfsvoertuigen.

Art. 20.§ 1. Opdat de meerwaarden verwezenlijkt op de bedrijfsvoertuigen genoemd in artikel 44bis , van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de vrijstelling genieten waarin dat artikel voorziet, moeten de bedrijfsvoertuigen die zijn verkregen via herbelegging beantwoorden aan de volgende ecologische normen : 1° wat betreft de aanhangwagens en opleggers bestemd voor het vervoer van goederen met een maximum toegelaten massa van minstens vier ton, deze moeten in nieuwe staat zijn verkregen en uitgerust zijn met een luchtvering of een als gelijkwaardig erkende vering;2° wat betreft de aanhangwagens die uitsluitend getrokken worden door autobussen of autocars en waarvan de toelaatbare maximummassa meer bedraagt dan 750 kg, deze moeten in nieuwe staat verkregen zijn;3° wat betreft de trekkers en vrachtauto's aangewend voor goederenvervoer en de autobussen en autocars aangewend voor bezoldigd personenvervoer, deze moeten in nieuwe staat verkregen zijn of mogen, op het tijdstip van verwerving, niet meer dan drie jaar daarvoor in het verkeer zijn gebracht, en moeten beantwoorden aan één van de volgende alternatieve voorwaarden : a) het niveau van de stikstofemissie (NOx-norm) is lager dan 4,9 gr/kWh;b) het voertuig is uitgerust met een luchtvering of met een als gelijkwaardig erkende vering;c) het voertuig is voor minstens 25 % uit recycleerbare materialen opgebouwd;d) het koetswerk van het voertuig is gespoten in een niet-milieubelastende laklaag;e) het voertuig maakt voor de transmissie gebruik van een elektronisch gestuurde versnellingsbak;f) het voertuig is uitgerust met een dodehoekspiegel, camera- of radarbewaking ter verbetering van het gezichtsveld van de bestuurder;g) in het geval van autocars en autobussen zijn alle zetels voorzien van veiligheidsgordels;4° wat betreft de autovoertuigen aangewend als taxidienst of tot verhuring met bestuurder, deze moeten in nieuwe staat verkregen zijn. § 2. Zodra één van de alternatieve voorwaarden genoemd in paragraaf 1, 3°, een verplichte norm wordt, moet het voertuig aan minstens één van de andere alternatieve voorwaarden voldoen om als geldige wederbelegging in aanmerking te kunnen komen. § 3. De in de eerste paragraaf vastgestelde ecologische normen moeten verantwoord worden door bewijsstukken afgeleverd door de constructeur, invoerder of installateur. ».

Art. 2.De artikelen 2 tot 7 van de wet van 14 januari 2003 betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen en artikel 1 van dit besluit hebben uitwerking op de meerwaarden die zijn verwezenlijkt vanaf 1 januari 2000 en voorzover de datum van de verwezenlijking ten vroegste behoort tot het belastbare tijdperk dat aan aanslagjaar 2001 verbonden is.

Art. 3.Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 3 april 2003.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Financiën, D. REYNDERS _______ Nota (1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad : Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, koninklijk besluit van 10 april 1992, Belgisch Staatsblad van 30 juli 1992. Wet van 14 januari 2003, Belgisch Staatsblad van 5 februari 2003.

Koninklijk besluit van 27 augustus 1993 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, koninklijk besluit van 10 april 1992, Belgisch Staatsblad van 13 september 1993.

Gecoördineerde wetten op de Raad van State, wet van 12 januari 1973, Belgisch Staatsblad van 21 maart 1973.

^