Koninklijk Besluit van 03 februari 2011
gepubliceerd op 04 maart 2011
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 betreffende de werking van de kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse III. - Addendum

bron
federale overheidsdienst justitie
numac
2011009157
pub.
04/03/2011
prom.
03/02/2011
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

3 FEBRUARI 2011. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 betreffende de werking van de kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse III. - Addendum


In het Belgisch Staatsblad van 24 februari 2011, blz. 13222, akte nr. 2011/09098, moet het Advies van de Raad van State bijgevoegd worden : ADVIES 46.959/2/V VAN 22 JULI 2009 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De RAAD VAN STATE, afdeling Wetgeving, tweede vakantiekamer, op 25 mei 2009 door de Staatssecretaris voor de Coördinatie van de fraudebestrijding, toegevoegd aan de Eerste Minister verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit « tot wijziging van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 betreffende de werking van de kansspelen waarvan de exploitatie is toegelaten in de kansspelinrichtingen klasse III », heeft het volgende advies gegeven : Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zoals het is vervangen bij de wet van 2 april 2003, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.

Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen.

Voorafgaande vormvereisten Artikel 6, § 4, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, zoals die bepaling gewijzigd is bij artikel 11, 7°, van de wet van 15 mei 2007, luidt als volgt : « Elke geautomatiseerde controle van de kaart door optische of andereleesprocédés moet het voorwerp uitmaken van een koninklijk besluit, na advies vanhet sectoraal comité van het Rijksregister bedoeld in artikel 15 van de wet van8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen. » Doordat het ontworpen besluit bij zo een controle aansluit, dient het aan het voornoemde comité te worden voorgelegd. Ingeval de tekst van het ontwerp grondig gewijzigd zou worden om met dat advies rekening te houden, zou hij opnieuw moeten worden voorgelegd aan de afdeling Wetgeving van de Raad van State.

Algemene opmerking Hoewel artikel 62 van de wet van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/05/1999 pub. 30/12/1999 numac 1999010222 bron ministerie van justitie Wet op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers sluiten op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers de verplichting inhoudt om een identiteitsbewijs over te leggen teneinde toegang te krijgen tot de speelzalen van kansspelinrichtingen van de klassen I en II, bevat die wet geen enkele soortgelijke bepaling voor de inrichtingen van klasse III. Die kansspelinrichtingen waar drank, ongeacht de aard ervan, wordt verkocht voor gebruik ter plaatse en waarin maximaal twee kansspelen worden geëxploiteerd (artikel 39 van dezelfde wet), zijn de inrichtingen waarop dit ontwerp betrekking heeft.

De steller van het ontwerp verwijst naar geen enkele wetsbepaling waarbij hij gemachtigd zou zijn om spelers er in alle omstandigheden toe te verplichten hun identiteitskaart over te leggen of te laten controleren om toegang te kunnen krijgen tot de kansspelen die geëxploiteerd mogen worden in kansspelinrichtingen van klasse III. Artikel 6, § 7, van de voornoemde wet van 19 juli 1991 kan die rechtsgrond niet opleveren, aangezien de Koning daarbij alleen gemachtigd wordt om te bepalen wie de openbare overheden en ambtenaren zijn op wier vordering de kaart moet worden getoond.

Doordat de steller van het ontwerp niet van een wettelijke machtiging doet blijken, zal hij het bijgevolg aldus moeten aanpassen dat een potentiële speler toegang tot de spelen kan krijgen zonder zijn identiteitskaart te hoeven gebruiken. Hij zou bijvoorbeeld het ontworpen artikel 1, 11°, tweede lid, kunnen wijzigen door na het woord « beschikt » de woorden « of er geen gebruik van wenst te maken » in te voegen, teneinde die speler in staat te stellen om met de uitbaterskaart toegang te krijgen tot het toestel.

Bijzondere opmerkingen Aanhef Het advies d.d. 7 januari 2009 van de Kansspelcommissie is uitgebracht overeenkomstig artikel 20 van de voornoemde wet van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/05/1999 pub. 30/12/1999 numac 1999010222 bron ministerie van justitie Wet op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers sluiten. Het ging dus om een facultatieve raadpleging. Bijgevolg dient de vermelding van haar advies in de aanhef van het ontworpen besluit niet te worden voorafgegaan door de woorden « Gelet op » maar door het woord « Overwegende » en behoort die vermelding te volgen op de vermelding van de verplichte vormvereisten (1).

Dispositief Artikel 1 Krachtens artikel 54, § 1, van de voornoemde wet van 7 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/05/1999 pub. 30/12/1999 numac 1999010222 bron ministerie van justitie Wet op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers sluiten is deelneming aan kansspelen in kansspelinrichtingen klasse III verboden voor minderjarigen. In het ontworpen artikel 1, 11°, tweede lid, wordt evenwel niet verwezen naar de meerderjarigheid van de speler, maar naar zijn leeftijd.

Zo ook bevat de elektronische identiteitskaart waarvan sprake is in het ontworpen artikel 1, 11°, eerste lid, niet direct inlichtingen over de minderjarigheid of meerderjarigheid van de houder ervan (2).

Er behoort te worden opgemerkt dat minderjarigheid niet altijd met zekerheid kan worden vastgesteld op basis van de geboortedatum alleen, aangezien de minderjarigheid niet noodzakelijk afloopt op de leeftijd van achttien jaar. De potentiële speler kan bijvoorbeeld houder zijn van een elektronische identiteitskaart voor vreemdelingen, wier personeel statuut bepaalt dat ze meerderjarig worden op een andere leeftijd dan die van achttien jaar. Dat de persoon in kwestie in staat van verlengde minderjarigheid is verklaard, wordt daarentegen wel vermeld op diens identiteitskaart (3).

Binnen de korte termijn die haar is toegemeten, heeft de afdeling Wetgeving van de Raad van State niet kunnen nagaan of door het aflezen van de identiteitskaart door het kansspeltoestel met de vereiste zekerheid vastgesteld zal kunnen worden of de speler voldoet aan het wettelijk criterium meerderjarig te zijn en niet een bepaalde leeftijd te hebben (4). De steller van het ontwerp wordt verzocht dat na te gaan.

Artikel 2 De woorden « nieuwe toestellen » zijn niet volkomen ondubbelzinnig.

Als het de bedoeling van de steller van het ontwerp is om het ontworpen besluit te laten gelden voor toestellen die reeds erkend zijn en die na 1 januari 2010 voor het eerst geïnstalleerd worden, maar niet voor toestellen waarvan de erkenning nog geldig is doch waarvan alleen de exploitatieplaats zou veranderen, wordt de volgende redactie voorgesteld : «

Art. 2.Dit besluit is van toepassing op elk toestel dat voor het eerst in gebruik wordt genomen na de inwerkingtreding van dit besluit. » Artikel 4 De uitvoering van het ontworpen besluit moet gewaarborgd blijven over de wisseling van ministers heen. Enerzijds moeten de ministers die bevoegd zijn voor de bij het ontworpen besluit geregelde aangelegenheid derhalve aangewezen worden met de gebruikelijke formule « De Minister bevoegd voor... en de Minister bevoegd voor... zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit » en anderzijds mag geen staatssecretaris worden aangewezen (5).

De kamer was semengesteld uit : de heren : J. VANHAEVERBEEK, staatsraad, voorzitter, J. JAUMOTTE, staatsraden, L. DETROUX, Mevr. B. VIGNERON, griffier.

Het verslag werd uitgebracht door de H. Y. DELVAL, adjunct-auditeur.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht vande H. J. JAUMOTTE. DE GRIFFIER, B. VIGNERON. DE VOORZITTER, J. VANHAEVERBEEK. _______ Nota's (1) Zie Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen vanwetgevende en reglementaire teksten, 2008, tab « Wetgevingstechniek », aanbeveling nr.35, www.raadvst-consetat.be (22.07.2009). (2) Zie artikel 6, § 2, van de voormelde wet van 19 juli 1991.(3) Artikel 487sexies van het Burgerlijk Wetboek, waarin wordt bepaald dat « Devermelding dat hij in staat van verlengde minderjarigheid is verklaard, wordtaangebracht op de identiteitskaart van de persoon voor wie de maatregelgenomen is.» (4) Vergelijk, wat de toegang tot speelzalen van kansspelinrichtingen van deklassen I en II betreft, met de regels gesteld in artikel 54, § 1, eerste zin, en §§ 2en 3.(5) Zie Beginselen van de wetgevingstechniek - Handleiding voor het opstellen vanwetgevende en reglementaire teksten, 2008, tab « Wetgevingstechniek », aanbeveling nr.167, www.raadvst-consetat.be (22 juli 2009).

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^