Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 05 juli 1998
gepubliceerd op 13 oktober 1998

Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 25 april 1997, gesloten in het Paritair Comité voor de landbouw, betreffende de loonmarge in de landbouw

bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
numac
1998012533
pub.
13/10/1998
prom.
05/07/1998
ELI
eli/besluit/1998/07/05/1998012533/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

5 JULI 1998. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 25 april 1997, gesloten in het Paritair Comité voor de landbouw, betreffende de loonmarge in de landbouw (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28;

Gelet op de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;

Gelet op het koninklijk besluit van 20 december 1996 tot uitvoering van artikel 7, § 1 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen;

Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de landbouw;

Op de voordracht van Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 25 april 1997, gesloten in het Paritair Comité voor de landbouw, betreffende de loonmarge in de landbouw.

Art. 2.Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 5 juli 1998.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET _______ Nota (1) Verwijzingen naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Wet van 26 juli 1996, Belgisch Staatsblad van 1 augustus 1996.

Koninklijk besluit van 20 december 1996, Belgisch Staatsblad van 31 december 1996.

Bijlage Paritair Comité voor de landbouw Collectieve arbeidsovereenkomst van 25 april 1997 Loonmarge in de landbouw (Overeenkomst geregistreerdop 16 september 1997 onder het nummer 45010/CO/144) Gelet op het koninklijk besluit van 20 december 1996 tot uitvoering van artikel 7, § 1 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen waarbij voor de jaren 1997 en 1998 de maximale marge voor de loonkostenontwikkeling wordt vastgesteld, hebben de ondertekenende partijen deze collectieve arbeidsovereenkomst gesloten.

Artikel 1.De bepalingen van deze collectieve arbeidsovereenkomst zijn van toepassing op de werkgevers die ressorteren onder het toepassingsgebied van het Paritair Comité voor de landbouw en op de door hen tewerkgestelde werknemers.

Art. 2.Deze collectieve arbeidsovereenkomst wordt gesloten ter uitvoering en ter concretisering van het koninklijk besluit van 20 december 1996 tot uitvoering van artikel 7, § 1 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen.

De maximale marge van de loonkostenontwikkeling wordt vastgesteld op 6,1 pct. voor de periode 1997 en 1998.

Art. 3.De ondertekenende partijen hebben ingeschat dat de loonkostenontwikkeling die het gevolg is van de toepassing van het sectorieel voorziene indexeringsmechanisme kan bepaald worden op 3 pct. voor de periode 1997 en 1998.

Zij zijn in dit verband uitgegaan van de indexeringsaanpassingen in de jaren 1995 en 1996.

Art. 4.De vermindering van de arbeidsduur in toepassing van artikel 48 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen en waarbij de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur op jaarbasis verminderd wordt van 40 uren naar 39 uren met loonbehoud betekent een loonkostenverhoging per effectief gepresteerd uur van 2,56 pct.

Deze loonkostenverhoging moet, evenals de loonkostverhogende gevolgen van de toepassing van het sectorieel geldende indexeringssysteem, aangerekend worden op de in het hoger aangehaald koninklijk besluit van 20 december 1996 opgenomen globale loonmarge inzake de loonkostenontwikkeling.

Art. 5.De ondertekenende partijen voorzien voor de jaren 1997 en 1998 voor de risicogroepen onder de werkzoekenden een globale inspanning van 0,15 pct. en dit in toepassing van het koninklijk besluit van 27 januari 1997 houdende maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid met toepassing van artikel 7, § 2 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen.

De inspanning richt zich ook naar de werklozen op wie het begeleidingsplan van toepassing is.

De bijkomende inspanning van 0,05 pct. wordt aangerekend op de maximale marge voor de loonkostenontwikkeling

Art. 6.De ondertekenende partijen hebben voor de jaren 1997 en 1998 een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in toepassing waarvan aan de werknemers tijdens de werkuren socio-economische, professionele vorming en vorming inzake de veiligheid en de gezondheid op het werk kan gegeven worden.

Deze vorming wordt gefinancierd en de loonkost die de werkgever ter gelegenheid van deze vorming gedragen heeft, wordt terugbetaald aan de hand van de bijdragen die de werkgevers via de betaling van de sociale zekerheidsbijdragen hebben gecentraliseerd in de schoot van het Waarborg- en Sociaal Fonds voor de landbouw.

De werkgeversbijdrage die voor deze nieuwe vormingsinitiatieven voorzien wordt, bedraagt 0,10 pct. Zij wordt geind via de betaling van de sociale zekerheidsbijdragen. Deze werkgeversbijdrage wordt aangerekend op de maximale marge van loonkostenontwikkeling.

Art. 7.De ondertekenende partijen hebben voor de sector landbouw een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten waarbij een regeling inzake de syndicale premie wordt geïnstalleerd.

De werkgeversbijdrage ten behoeve van de sociale zekerheid wordt in dit kader aangepast met 0,25 pct.

De syndicale premie wordt uitbetaald door het Waarborg- en Sociaal Fonds voor de landbouw.

Art. 8.De ondertekenende partijen hebben bijkomend nog een regeling voorzien inzake aanvullende bestaanszekerheidsvergoeding bij ziekte.

De werkgeversbijdrage in dit verband bedraagt 0,10 pct. Ook deze regeling wordt aangerekend op de loonmarge.

Art. 9.De hierboven aangehaalde maatregelen hebben voor gevolg dat de loonkostenevolutie per gepresteerd uur 6,06 pct. bedraagt.

Art. 10.De ondertekenende partijen zijn zich ervan bewust dat de globale loonkostenontwikkeling niet hoger mag zijn dan 6,1 pct. over de periode 1997-1998.

De ondertekenende partijen zijn het er over eens dat zij in toepassing van voormelde wet van 26 juli 1996 een correctieregeling moeten voorzien voor het geval de loonkostenevolutie in 1997 hoger is in België dan in de drie referentielidstaten.

De ondertekenende partijen nemen zich voor om de loonkostenevolutie op de voet te volgen en geregeld de impact van de hierboven aangehaalde regelingen op de globale loonkostenontwikkeling te evalueren.

Voor zover er zich in de loop van 1998 een probleem zou voordoen, nemen zij zich voor alle nodige maatregelen te nemen om de globale loonkostenmarge te respecteren. Dit kan inhouden dat er eventueel aan bepaalde collectieve arbeidsovereenkomsten een bijsturing of een aanpassing moet aangebracht worden.

Art. 11.De ondertekenende partijen zijn van oordeel dat zij in hun onderhandelingsronde 1997 - 1998 de letter en de geest van het koninklijk besluit van 20 december 1996 tot uitvoering van artikel 7, § 1 van de wet van 26 juli 1996 tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen hebben gerespecteerd.

Art. 12.Deze collectieve arbeidsovereenkomst is gesloten voor een bepaalde duur. Zij treedt in werking op 1 januari 1997 en houdt op van kracht te zijn op 1 januari 1999.

Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 5 juli 1998.

De Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Mevr. M. SMET

^