Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 07 december 2010
gepubliceerd op 28 december 2010

Koninklijk besluit met betrekking tot vastgoedbevaks

bron
federale overheidsdienst financien
numac
2010003648
pub.
28/12/2010
prom.
07/12/2010
ELI
eli/besluit/2010/12/07/2010003648/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

7 DECEMBER 2010. - Koninklijk besluit met betrekking tot vastgoedbevaks


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het koninklijk besluit genomen op basis van de bepalingen van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, dat ik de eer heb U ter ondertekening voor te leggen, strekt ertoe de wettelijke regeling te wijzigen die van toepassing is op de instellingen voor collectieve belegging die investeren in vastgoed, zoals thans vastgelegd bij koninklijk besluit van 10 april 1995 met betrekking tot vastgoedbevaks en het koninklijk besluit van 21 juni 2006 op de boekhouding, de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van openbare vastgoedbevaks, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 april 1995 met betrekking tot vastgoedbevaks.

I - Algemene beschouwingen A. Sinds de inwerkingtreding van het voormelde koninklijk besluit van 10 april 1995, heeft de materie van de instellingen voor collectieve belegging op wetgevend vlak een aantal ontwikkelingen gekend. Een aantal bepalingen van het koninklijk besluit van 10 april 1995 dienden te worden aangepast, hetzij omdat hun toepassing bepaalde problemen met zich bracht, hetzij omdat een actualisering zich opdrong gezien de evolutie van de financiële markten. Opdat de vastgoedbevak zijn aantrekkelijke karakter zou behouden en de bescherming van de beleggers gewaarborgd zou blijven, diende het geldende juridische kader te worden aangepast.

Gezien de omvang van de vooropgestelde wijzigingen, leek het opportuun om de bestaande reglementering op te heffen en een nieuw besluit op te stellen waarin zowel de bepalingen van het koninklijk besluit van 10 april 1995 als van het koninklijk besluit van 21 juni 2006 werden overgenomen.

Over het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening is voorgelegd, werd overleg gepleegd met de betrokken sector.

B. Zoals reeds is aangestipt, houdt de voorgestelde wijziging enerzijds rekening met verschillende wetswijzigingen die de voorbije jaren werden doorgevoerd, namelijk : - de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles; - de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt; - het koninklijk besluit van 14 november 2007 betreffende de verplichtingen van emittenten van financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt; - Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen.

Anderzijds wil het ontwerp van koninklijk besluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, hoewel het zich in het kielzog van het koninklijk besluit van 10 april 1995 bevindt, tevens een aantal vernieuwingen doorvoeren en de geldende regeling voor de vastgoedbevaks wijzigen en moderniseren. - Naast de figuur van de vastgoedbevak, die een openbare instelling voor collectieve belegging is, ingesteld bij koninklijk besluit van 10 april 1995 (hierna de "openbare vastgoedbevak" genoemd), biedt het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd de mogelijkheid om een institutionele vastgoedbevak op te richten.

Deze nieuwe optie strekt ertoe het gebruik van een ad hoc vehikel toe te laten opdat de openbare vastgoedbevaks specifieke projecten zouden kunnen verwezenlijken met een derde. De institutionele vastgoedbevak is uitsluitend bestemd voor een dergelijk doeleinde.

Belangrijk is dat dit nieuwe statuut eveneens het beginsel huldigt van "collectief beheer in het uitsluitend belang van de aandeelhouders" dat krachtens artikel 9 van de wet van 20 juli 2004 ten grondslag ligt aan de figuur van de instelling voor collectieve belegging. Het is derhalve noodzakelijk te waarborgen dat het beheer van de activa die worden ondergebracht in een institutionele vastgoedbevak niet indruist tegen het belang van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak en dat door de oprichting van een institutionele vastgoedbevak niet de mogelijkheid wordt gecreëerd om op dat niveau verrichtingen uit te voeren die niet zouden kunnen worden verricht op het niveau van de openbare vastgoedbevak. De raad van bestuur van de openbare vastgoedbevak krijgt in dat verband een belangrijke taak te vervullen via het beheer van de deelnemingen van de openbare vastgoedbevak. De invoering van de figuur van de openbare vastgoedbevak doet dus geen afbreuk aan de plicht om bij het beheer uitsluitend het belang van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak voor ogen te houden. Het belang van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak zal met andere woorden de grenzen vormen waarbinnen de oprichting van een institutionele vastgoedbevak is toegestaan.

Om deze twee redenen schrijft het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd inzonderheid voor dat een institutionele vastgoedbevak onder de exclusieve of gezamenlijke controle moet staan van een openbare vastgoedbevak. Bovendien verbiedt het ontwerpbesluit de constructie waarbij een institutionele vastgoedbevak onder de gezamenlijke controle staat van twee vastgoedbevaks, voor zover deze laatste niet gecontroleerd worden door eenzelfde openbare vastgoedbevak. Een dergelijke situatie leek immers moeilijk te rijmen met het beginsel van "collectief beheer in het uitsluitend belang van de aandeelhouders". Tot slot wordt een deelneming in een institutionele vastgoedbevak of in een vastgoedvennootschap ten behoeve van het onderhavige besluit enkel beschouwd als een vastgoed als zij (gezamenlijke of exclusieve) controle over de betrokken vennootschap verleent.

Er dient te worden opgemerkt dat de institutionele vastgoedbevaks die onder gezamenlijke controle vallen, door het onderhavige ontwerpbesluit deels aan een andere regeling worden onderworpen dan de institutionele vastgoedbevaks die onder exclusieve controle staan.

Wanneer immers een gezamenlijke controle wordt uitgeoefend, zal de institutionele vastgoedbevak de facto niet enkel worden beheerd in het belang van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak maar ook van de overige aandeelhouders. Door het gezamenlijke karakter van de controle, zal deze niet over de volledige beslissingsmacht beschikken.

Bijgevolg zijn aanvullende waarborgen vereist om het belang van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak te waarborgen.

De institutionele vastgoedbevaks vallen onder het toezicht van de CBFA in de mate bepaald door het besluit en moeten, net als de openbare vastgoedbevaks, bij de CBFA worden ingeschreven.

Voor een gedetailleerde toelichting van de regeling die van toepassing is op de institutionele vastgoedbevaks, wordt verwezen naar de commentaar bij de artikelen.

Het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, laat (net zoals de regeling van het koninklijk besluit van 10 april 1995) de openbare vastgoedbevaks eveneens toe om de controle te hebben over vastgoedvennootschappen. Deze laatste vennootschappen staan uiteraard niet onder toezicht van de CBFA. Indien een openbare vastgoedbevak dergelijke deelnemingen bezit, is zij evenwel onderworpen aan regels waarin bepaalde elementen zijn overgenomen van de regeling voor de institutionele vastgoedbevaks. Wanneer in een artikel van het ontwerpbesluit de term "dochtervennootschap" wordt gehanteerd (in tegenstelling tot de uitdrukking "institutionele vastgoedbevak"), betekent dit dat de betrokken bepaling zowel geldt voor dochtervennootschappen die het statuut van vastgoedbevak hebben als voor dochtervennootschappen die dit statuut niet hebben. Dit verschil in behandeling lijkt verantwoord gelet op de gunstige fiscale regeling die de institutionele vastgoedbevaks genieten krachtens artikel 185bis, § 1 van het Wetboek op de Inkomstenbelastingen. - Het ontwerpbesluit eist dat er ten minste drie onafhankelijke bestuurders in de zin van artikel 526ter van het Wetboek van vennootschappen zetelen in de raad van bestuur van de openbare vastgoedbevak. - Er komen nieuwe regels voor de deskundige die door de vastgoedbevak is aangesteld om haar vastgoedportefeuille te waarderen. De vereiste onafhankelijkheid van de deskundige wordt sterker benadrukt en er wordt gepreciseerd dat zijn vergoeding geen verband mag houden met de waarde van het vastgoed dat door hem aan een expertise is onderworpen.

Tevens is voor de vastgoedbevak de verplichting ingevoerd om te zorgen voor een rotatie van de deskundige(n) die zij aanstelt. Voor nadere toelichting hierover wordt verwezen naar de commentaar bij de artikelen. - Het koninklijk besluit van 10 april 1995 bood de vastgoedbevaks de mogelijkheid om de vorm aan te nemen van een commanditaire vennootschap op aandelen (zie artikel 4, § 1, 1°), bestuurd door een zaakvoerder-rechtspersoon. Kenmerkend voor een dergelijke juridische structuur is dat de vastgoedbevak feitelijk bestuurd wordt door de raad van bestuur van zijn zaakvoerder-rechtspersoon (hoewel het juridisch gezien om afzonderlijke personen gaat). Het ligt geenszins in de bedoeling van het ontwerpbesluit om deze regeling te wijzigen of te verbieden, maar de zaakvoerder-rechtspersoon van de vastgoedbevak wordt, in functie van de opgezette structuur, wel onderworpen aan een aantal organisatorische regels, eigen aan de vastgoedbevak zelf (5), teneinde te vermijden dat deze regels in de praktijk niet zouden worden toegepast ingeval de vastgoedbevak beheerd wordt door de raad van bestuur van haar zaakvoerder-rechtspersoon. Dit punt wordt nader toegelicht in de commentaar bij de artikelen. - Teneinde een eind te maken aan de bestaande rechtsonzekerheid ter zake, verleent het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd de mogelijkheid om andere effecten uit te geven dan aandelen. Enkel de uitgifte van winstbewijzen (of andere effecten die het kapitaal niet vertegenwoordigen en vergelijkbaar zijn met winstbewijzen) blijft verboden. Het is immers niet opportuun om vastgoedbevaks toe te staan dergelijke instrumenten uit te geven omdat een winstbewijs een effect is dat door een vennootschap wordt uitgegeven in ruil voor een inbreng die niet economisch gewaardeerd kan worden, omdat in een dergelijk geval de aandeelhouders een verwateringsrisico lopen en om de gelijkheid tussen de aandeelhouders niet in het gedrang te brengen. - De regeling voor de kapitaalverhogingen werd herbekeken. Het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd beoogt een versoepeling van de voorwaarden waaronder de openbare vastgoedbevaks geld kunnen ophalen op de kapitaalmarkt, waarbij evenwel de aandeelhouders van deze openbare vastgoedbevaks in belangrijke mate worden beschermd. Tegenover de versoepeling van de voorwaarden, staan een zeker aantal randvoorwaarden. In die context kan worden opgemerkt dat de nieuw ingevoerde regels strikter zijn dan de regels van het gemeen vennootschapsrecht. Hieronder worden de voornaamste wijzigingen die het ontwerpbesluit invoert bondig overlopen. Voor meer gedetailleerde informatie hieromtrent wordt verwezen naar de commentaar bij de artikelen. Enerzijds werd de mogelijkheid ingevoerd om een kapitaalverhoging te verwezenlijken met opheffing van het voorkeurrecht, mits verlening van een onherleidbaar toewijzingsrecht aan de bestaande aandeelhouders op het ogenblik van de toekenning van de nieuwe effecten. Anderzijds werden de regels voor kapitaalverhoging door inbreng in natura verder uitgewerkt en is de uitkering van een keuzedividend thans uitdrukkelijk toegestaan en gereglementeerd.

Indien, ten slotte, op het niveau van de institutionele vastgoedbevak een kapitaalverhoging met disagio wordt doorgevoerd, is de raad van bestuur van de openbare vastgoedbevak verplicht om hier een verslag over op te stellen en te publiceren. Deze laatste regel sluit nauw aan bij de verplichtingen waaraan de bestuurders van de openbare vastgoedbevak moeten voldoen ten aanzien van de aandeelhouders. - Omwille van de aard van de activiteit van de vastgoedbevaks (belegging in vastgoed), leek het niet opportuun om de bestaande regels met betrekking tot de bewaarder te handhaven. Bijgevolg zullen de vastgoedbevaks niet langer verplicht zijn om een bewaarder aan te stellen. - Met het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, wordt de regeling aangepast die thans geldt voor de vergoedingen, provisies en kosten die gedragen worden door de vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen. In tegenstelling tot de regeling van artikel 20 van het koninklijk besluit van 10 april 1995, eist het ontwerpbesluit niet langer dat de vergoedingen, provisies en kosten die ten laste komen van de vastgoedbevak, vooraf door de CBFA worden goedgekeurd. Daarentegen gelden er openbaarmakingsverplichtingen voor de vergoeding van de eventuele zaakvoerder-rechtspersoon van de openbare vastgoedbevak die de vorm heeft aangenomen van een commanditaire vennootschap op aandelen, voor de persoon belast met de financiële dienst alsook voor de deskundige(n) en commissaris(sen).

De vaste vergoeding van de bestuurders en de effectieve leiders mag niet afhangen van de verrichtingen en transacties die de openbare vastgoedbevak of haar dochters uitvoeren : het is dus uitgesloten dat hen een vergoeding zou worden verleend op basis van het zakencijfer.

Deze regel geldt eveneens voor de variabele vergoeding. Indien de variabele vergoeding wordt vastgesteld in functie van het resultaat, mag daarbij enkel worden uitgegaan van het geconsolideerde nettoresultaat.

Uiteraard is ook de algemene regeling voor de genoteerde vennootschappen ter zake relevant. - De reikwijdte van de regels ter voorkoming van belangenconflicten werd uitgebreid en aangepast aan de invoering van de figuur van de institutionele vastgoedbevak. - De promotor van de openbare vastgoedbevak krijgt een ruimere rol en meer verplichtingen toebedeeld wat de verplichte verspreiding in het publiek betreft van ten minste 30 % van de aandelen van de openbare vastgoedbevak. Voortaan zal deze middelenverbintenis een permanent karakter hebben. Voor het overige wordt verwezen naar de commentaar bij de artikelen. - Afgezien van de mogelijkheid om institutionele vastgoedbevaks op te richten (zie supra), werden de verplichtingen op het vlak van het beleggingsbeleid op een aantal punten aangepast. Er wordt verwezen naar de commentaar bij de artikelen waar de wijzigingen die worden aangebracht in de vroegere regeling, gedetailleerd aan bod komen. - Het ontwerpbesluit beperkt, zowel op enkelvoudig als op geconsolideerd niveau, de schuldenlast van de openbare vastgoedbevak tot 65 %. Om een proactief beheer van de schuldgraad te waarborgen, dient de openbare vastgoedbevak een financieel plan voor te leggen zodra haar geconsolideerde schuldgraad 50 % overschrijdt. De institutionele vastgoedbevaks zijn niet verplicht om zich op enkelvoudig niveau te houden aan een maximale schuldgraad.

II. Commentaar bij de artikelen Titel 1 - Algemene bepalingen Deze titel bevat de algemeen geldende bepalingen van het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, en is dus van toepassing op zowel de openbare als de institutionele vastgoedbevaks.

Artikel 1 - Dit artikel omschrijft de wettelijke grondslag op basis waarvan (a) een categorie van openbare instellingen voor collectieve belegging met een vast aantal rechten van deelneming (openbare vastgoedbevaks) en (b) een categorie van institutionele instellingen voor collectieve belegging met een vast aantal rechten van deelneming (institutionele vastgoedbevaks), die allebei in vastgoed beleggen (art. 7, eerste lid, 5°, van de wet van 20 juli 2004), kunnen worden gecreëerd.

Art. 2 - Dit artikel definieert een aantal begrippen uit het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd.

Er werd een definitie ingevoerd van het begrip "netto-inventariswaarde". Voor verduidelijking van de begrippen die in de definitie worden gebruikt, verwijzen we naar de relevante bepalingen van de IFRS-normen. Zo wordt met "eigen aandelen die op geconsolideerd niveau worden gehouden" bedoeld de aandelen van de moedervennootschap die worden aangehouden door de moedervennootschap zelf en de andere vennootschappen die in de consolidatieperimeter van de groep zijn opgenomen.

Het begrip "vastgoed" (art. 2, 20°, van het ontwerpbesluit) wordt op een aantal vlakken uitgebreid. Twee daarvan worden hier nader toegelicht. Zo worden met name de door vastgoedvennootschappen of door institutionele vastgoedbevaks uitgegeven aandelen als vastgoed beschouwd, op voorwaarde echter dat zij exclusief of gezamenlijk door de openbare vastgoedbevak worden gecontroleerd. Dit vereiste inzake de gezamenlijke of exclusieve controle over de dochtervennootschappen van de openbare vastgoedbevaks blijft gehandhaafd, om te kunnen nagaan of de activa die in een institutionele vastgoedbevak zijn ondergebracht, niet worden beheerd op een manier die indruist tegen het belang van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak (wat niet zou kunnen worden gewaarborgd als de betrokken dochtervennootschap door een andere aandeelhouder dan de vastgoedbevak zou worden gecontroleerd).

Overigens worden niet alleen de rechten die voortvloeien uit leasingovereenkomsten, maar ook de gebruiksrechten die analoog zijn aan de rechten die voortvloeien uit leasingovereenkomsten, door het ontwerpbesluit als vastgoed beschouwd. Deze verwijzing is bedoeld om op expliciete wijze situaties te dekken waarin het aan de bouw en de terbeschikkingstelling van een gebouw verbonden risico aan de vastgoedbevak wordt overgedragen in ruil voor de betaling door de medecontractant van een langdurige vaste of geïndexeerde vergoeding.

Hoewel zo'n structuur economisch vergelijkbaar is met de toekenning van een opstalrecht, moet worden opgemerkt dat ter zake geen enkel - zelfs geen tijdelijk - zakelijk recht wordt toegekend. Dergelijke structuur is typisch voor partnerschappen tussen de openbare en de privésector, een domein waarin ook vastgoedbevaks actief zijn (1).

Met de begrippen "buitenlandse instellingen voor collectieve belegging in vastgoed" en "instellingen voor collectieve belegging in vastgoed die in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd" worden de instellingen voor collectieve belegging bedoeld die voor een soortgelijke beleggingscategorie hebben geopteerd als die waarvan sprake in artikel 7, eerste lid, 5°, van de wet van 20 juli 2004, die wordt gedefinieerd door de wet die in hun land van herkomst van toepassing is.

De definitie van het begrip "promotor" is gewijzigd. Voor de toepassing van dit ontwerp worden de personen die de controle hebben over de openbare vastgoedbevak, en de personen die de controle hebben over de zaakvoerder-rechtspersoon van de openbare vastgoedbevak die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen heeft aangenomen, als promotoren beschouwd. Ook de personen die, tijdens het leven van de openbare vastgoedbevak, over haar of over de zaakvoerder-rechtspersoon de controle verwerven, worden als promotoren beschouwd. Op te merken valt dat de functie van promotor een permanent karakter heeft.

Voor de definitie van de begrippen "controle", "gezamenlijke controle", "exclusieve controle", "dochtervennootschap", "gezamenlijke dochtervennootschap", "verbonden personen", "deelnemingen" en "vennootschappen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat" wordt verwezen naar de artikelen 5 tot 14 van het Wetboek van vennootschappen. Ter zake moet ook worden opgemerkt dat de regels van het Belgische boekhoudrecht zullen worden toegepast bij de beoordeling of de consolidatieplicht geldt. De bepaling van de consolidatiekring zal daarentegen onderworpen zijn aan de IFRS-normen, zoals goedgekeurd door de Europese Commissie met toepassing van artikel 3 van verordening (EG) nr. 1606/2002.

Titel II - Openbare vastgoedbevak Deze titel regelt het statuut van de openbare vastgoedbevaks. Sommige artikelen van deze titel gelden echter ook voor de institutionele vastgoedbevaks. In deze commentaar wordt voor elk artikel verduidelijkt in hoeverre het van toepassing is op de institutionele vastgoedbevaks. In dit verband wordt ook verwezen naar de commentaar bij artikel 60.

Hoofdstuk I - Inschrijvingsvoorwaarden Dit hoofdstuk handelt over de voor de openbare vastgoedbevaks geldende inschrijvingsvoorwaarden, waarbij niet enkel aandacht wordt besteed aan het inschrijvingsdossier, maar ook aan de verplichting om een onafhankelijk deskundige aan te stellen, en aan de inhoud van de statuten. Afdeling 1 - Inschrijvingsdossier

Art. 4 en 5 - Deze artikelen verduidelijken met name welke informatie moet worden verstrekt in het inschrijvingsdossier dat bij de CBFA wordt ingediend. Ook wordt verwezen naar de desbetreffende circulaires en mededelingen van de CBFA, inzonderheid naar mededeling CBFA_2009_20 van 8 mei 2009.

Hier wordt verduidelijkt dat de door artikel 4 vereiste informatie betreffende de bestuurders van de vastgoedbevak of de zaakvoerder-rechtspersoon van de vastgoedbevak die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen heeft aangenomen, ook moet worden verstrekt voor de permanente vertegenwoordigers van de eventuele bestuurders-rechtspersonen. Het betreft hier een specifieke toepassing van artikel 61, § 2, van het Wetboek van vennootschappen.

Wat de vastgoedbevaks betreft die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen hebben aangenomen, spreekt het voor zich dat artikel 40 van de wet van 20 juli 2004 enkel met betrekking tot de vastgoedbevak zelf en/of de zaakvoerder-rechtspersoon moet worden nageleefd, afhankelijk van de door de vastgoedbevak ingevoerde organisatie (zie commentaar bij artikel 11).

Art. 6 - Dit artikel betreft de aanstelling van een onafhankelijke deskundige door de openbare vastgoedbevaks en zijn rol.

De rol van de onafhankelijke vastgoeddeskundige van de openbare vastgoedbevak is uiterst belangrijk. Hij is immers belast met de waardering van het vastgoed van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen. Aldus moet de deskundige de raad van bestuur bijstaan om te garanderen dat er een hoog niveau van transparantie is met betrekking tot het vermogen van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen om te vermijden dat zich mogelijke belangenconflicten zouden voordoen en om te verzekeren dat de belangen van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak worden nageleefd bij de verrichtingen met betrekking tot de vermogensbestanddelen van de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen.

Bijgevolg moet de onafhankelijkheid van de deskundige op passende wijze worden gewaarborgd, waarbij er vooral moet worden op toegezien dat hij niet met de promotor van de vastgoedbevak verbonden is. In diezelfde optiek wordt verduidelijkt dat de vergoeding van de deskundige niet mag afhangen van de waarde van het vastgoed dat hij aan een expertise onderwerpt; dit neemt natuurlijk niet weg dat hem een vergoeding wordt toegekend die wordt berekend op basis van een objectief criterium, zoals de oppervlakte van het betrokken vastgoed.

Bovendien voert het U ter ondertekening voorgelegde ontwerpbesluit een dubbel rotatievereiste in. Zo mag de vastgoedbevak de deskundige slechts voor een hernieuwbare termijn van drie jaar benoemen.

Bovendien mag de deskundige gedurende maximaal drie jaar met de waardering van een bepaald vastgoed worden belast, waarna een "cooling off"-periode van eveneens drie jaar moet volgen. Een deskundige die al een termijn van drie jaar achter de rug heeft, zal dus slechts voor een nieuwe termijn van drie jaar mogen worden aangesteld als hij tijdens die termijn instaat voor de waardering van een ander deel van het vermogen van de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen. Er gelden specifieke regels als de deskundige een rechtspersoon is.

De door de deskundige uitgevoerde waardering heeft in beginsel een periodiek karakter; daarnaast moet ook occasioneel, naar aanleiding van bepaalde verrichtingen, een waardering worden uitgevoerd (zie hieronder). In bepaalde gevallen heeft die waardering een bindend karakter (zie hieronder).

In zoverre de door de deskundige uitgevoerde waarderingen betrekking hebben op het vastgoed van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen, werd het niet nuttig geacht de institutionele vastgoedbevaks te verplichten een onafhankelijke deskundige aan te stellen. Afdeling 2 - Statuten

Art. 7 en 8 - Deze artikelen definiëren de inhoud van de statuten en bepalen dat elke wijziging van de statuten vooraf ter goedkeuring aan de CBFA moet worden voorgelegd. Voor de institutionele vastgoedbevaks is in een specifieke regeling voorzien. Artikel 8 van het ontwerpbesluit werd gewijzigd teneinde rekening te houden met een opmerking ter zake van de afdeling wetgeving van de Raad van State.

Hoofdstuk II - Werking Afdeling 1 - Bestuur

Art. 9 - Krachtens paragraaf 1 van dit artikel moet de raad van bestuur van de openbare vastgoedbevak uit minstens drie onafhankelijke bestuurders bestaan. Die bestuurders moeten voldoen aan de criteria van artikel 526ter van het Wetboek van vennootschappen, ingevoegd bij de wet van 17 december 2008 inzonderheid tot oprichting van een auditcomité in de genoteerde vennootschappen en de financiële ondernemingen. Gelet op het belang van de aangebrachte wijziging met betrekking tot (a) de samenstelling van de raad van bestuur (7) en (b) de criteria voor de beoordeling van de onafhankelijkheid van de bestuurders, wordt voorzien in een overgangsperiode, die geënt is op de overgangsperiode vermeld in artikel 24, § 3, van voornoemde wet van 17 december 2008 (zie art. 74, § 4, van het ontwerpbesluit). Die overgangsregeling stelt de bestuurders die uitsluitend aan de vroeger geldende onafhankelijkheidscriteria voldoen (8), in staat om tot 1 juli 2011 als onafhankelijke bestuurders te blijven zetelen. De in artikel 526ter van het Wetboek van vennootschappen gedefinieerde criteria zullen wel onmiddellijk gelden voor de bestuurders die na de inwerkingtreding van het koninklijk besluit worden benoemd (of van wie het mandaat na die inwerkingtreding wordt hernieuwd). Er moet worden opgemerkt dat de aldus voorziene overgangsregeling niet slaat op de verplichte aanwezigheid van onafhankelijke bestuurders in de raad van bestuur, maar uitsluitend op de criteria waaraan zij moeten voldoen.

Zoals wordt onderstreept in de algemene beschouwingen hierboven, is één van de doelstellingen van het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, te voorkomen dat, wanneer de vastgoedbevak de vorm aanneemt van een commanditaire vennootschap op aandelen en zij in de praktijk door het bestuursorgaan van de zaakvoerder-rechtspersoon wordt beheerd, de artikelen van het besluit met betrekking tot de organisatie van de vastgoedbevak niet zouden kunnen worden toegepast.

Het tweede lid van paragraaf 1 strekt ertoe te voorkomen dat een persoon die niet voldoet aan de geldende onafhankelijkheidscriteria om een mandaat van onafhankelijk bestuurder in de raad van bestuur van de openbare vastgoedbevak te mogen uitoefenen, als onafhankelijk bestuurder zitting zou krijgen in de raad van bestuur van de zaakvoerder-rechtspersoon (zelfs als op dat niveau is voldaan aan de criteria voor de beoordeling van de onafhankelijkheid).

Deze paragraaf is niet van toepassing op de institutionele vastgoedbevaks.

Paragraaf 2 van dit artikel schetst de externe vertegenwoordigingsbevoegdheden van de leden van het bestuursorgaan van de openbare vastgoedbevak in verband met de daden van beschikking met betrekking tot vastgoed. Voor verrichtingen van beperkte omvang wordt in een dubbele de minimis-drempel voorzien. Deze bepaling is onverkort van toepassing op de institutionele vastgoedbevaks.

Art. 10 - Dit artikel betreft de gevallen waarin de vastgoedbevak de vorm aanneemt van een commanditaire vennootschap op aandelen die wordt beheerd door een zaakvoerder-rechtspersoon die het volledige beheer van de vastgoedbevak voor zijn rekening neemt. Het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, bepaalt dat in deze gevallen de zaakvoerder-rechtspersoon en zijn bestuurders onder de toepassing vallen van de artikelen 38 en 39 van de wet van 20 juli 2004 met betrekking tot de effectieve leiding en de beleidsstructuur van de instellingen voor collectieve belegging. Het spreekt voor zich dat artikel 40 ook in dat geval van toepassing is op de vastgoedbevak zelf en/of op haar zaakvoerder-rechtspersoon, afhankelijk van de plaats waar de beleidsstructuur van de vastgoedbevak is gelokaliseerd.

Dit artikel is van toepassing op de institutionele vastgoedbevaks.

Art. 11 - De mogelijkheid tot delegatie waarin artikel 11 van het ontwerpbesluit voorziet, is met name belangrijk in het kader van het nieuwe besluit. Ingevolge de invoering van het statuut van institutionele vastgoedbevak wordt immers verwacht dat het vermogen van de openbare vastgoedbevaks vaak onder verschillende vennootschappen zal worden verdeeld. Tegen die achtergrond kan het voor vastgoedbevaks interessant zijn om het beheer van het door hen gehouden vastgoed bij één enkele vennootschap te centraliseren. Daarom wordt voor de openbare vastgoedbevaks en hun dochtervennootschappen voorzien in de mogelijkheid om het beheer van hun portefeuille te delegeren aan een door hen gecontroleerde vennootschap die gespecialiseerd is in vastgoedbeheer. Het spreekt voor zich dat deze beheerfunctie door de dochtervennootschappen van de openbare vastgoedbevak ook aan die vastgoedbevak zelf of aan een andere vennootschap uit de groep kan worden gedelegeerd, in zoverre deze over een daartoe passende organisatie beschikt en haar leiders aan de in het besluit vermelde voorwaarden voldoen.

In zoverre het ontwerpbesluit de openbare vastgoedbevaks de mogelijkheid biedt om het kapitaal van hun dochtervennootschappen samen met derden te houden, terwijl zij toch steeds een exclusieve of gezamenlijke controle behouden, zou het niet passend zijn dat alle kosten voor het beheer van de portefeuilles van die dochtervennootschappen door die openbare vastgoedbevaks worden gedragen. Die problematiek komt aan bod in artikel 13, tweede lid, van het besluit.

Er werd geen rekening gehouden met de opmerking die de afdeling wetgeving van de Raad van State geformuleerd heeft in haar advies over deze bepaling : artikel 41, § 1, 5°, tweede lid, lijkt aan de Koning immers de vereiste machtiging te geven om af te wijken van artikel 41, § 1, 4° voor de vastgoedbevaks. Afdeling 2 - Kapitaal

Art. 12 - Het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, gaat uit van het beginsel dat de vastgoedbevaks andere effecten dan aandelen (b.v. obligatieleningen) kunnen uitgeven onder de voorwaarden van het gemeen recht van de vennootschappen. De uitgifte van effecten die het kapitaal niet vertegenwoordigen, als tegenprestatie voor een bijdrage die niet economisch kan worden gewaardeerd en dus niet voldoet aan de definitie van een inbreng in geld of in natura (b.v. een inbreng van nijverheid), is krachtens artikel 12 van het ontwerpbesluit echter in ieder geval verboden. Dit artikel is van toepassing op de institutionele vastgoedbevaks.

Art. 13 - Dit artikel strekt ertoe de openbare vastgoedbevak een aantal specifieke verplichtingen op te leggen bij een kapitaalverhoging, zowel op het niveau van de openbare vastgoedbevak zelf als op dat van de institutionele vastgoedbevaks waarvan zij het kapitaal niet volledig in handen heeft.

Een belangrijke verandering ten opzichte van de huidige regeling is dat de openbare vastgoedbevaks voortaan kapitaalverhogingen met opheffing van het voorkeurrecht kunnen doorvoeren onder de voorwaarden bepaald door het gemeen recht van de vennootschappen (art. 592 tot 598 van het Wetboek van vennootschappen). Tegen de achtergrond van die versoepeling is voor de bestaande aandeelhouders naar een bijkomende garantie gezocht bovenop de garanties die het Wetboek van vennootschappen hun reeds biedt. Zo moet aan de aandeelhouders een onherleidbaar toewijzingsrecht worden verleend wanneer een openbare vastgoedbevak een kapitaalverhoging met beperking of opheffing van het voorkeurrecht doorvoert.

Dat recht strekt ertoe hetzelfde economische effect te sorteren als het voorkeurrecht, maar dan zonder de nadelen daarvan (lange inschrijvingsperiode enz.). Kenmerkend voor het onherleidbaar toewijzingsrecht is dat het, in tegenstelling tot het in artikel 592 van het Wetboek van vennootschappen bedoelde voorkeurrecht, bij de toewijzing van de aandelen (en dus niet bij de inschrijving) wordt uitgeoefend. Dit houdt dus in dat enkel de aandeelhouders die hebben ingeschreven, ervoor in aanmerking komen. In antwoord op een opmerking die in het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State geformuleerd wordt, merken we op dat dit onherleidbaar toewijzingsrecht zich ook onderscheidt, door zijn verplichte aard en modaliteiten, van het facultatief recht van voorrang met variabele inhoud, waarin voorzien is in artikel 599 van het Wetboek van vennootschappen. Het blijft dus mogelijk gebruik te maken van de mogelijkheid die deze laatste bepaling biedt, op voorwaarde uiteraard dat voldaan is aan de vereisten van artikel 13 van het ontwerpbesluit.

Voor het onherleidbaar toewijzingsrecht geldt een specifieke regeling.

Enerzijds wordt bepaald dat dit recht aan de aandeelhouders moet worden verleend naar rato van hun deelneming. Anderzijds moet het op alle uitgegeven aandelen kunnen worden uitgeoefend. Dit heeft tot gevolg dat, wanneer de bestaande aandeelhouders het bod volledig zouden onderschrijven naar rato van hun respectieve deelneming, niet zou kunnen worden voldaan aan de orders van de overige inschrijvers.

Zo is de opsplitsing van de uitgifte in verschillende schijven, waarbij de ene uitsluitend aan de bestaande aandeelhouders en de andere aan de nieuwe inschrijvers wordt voorbehouden, bijvoorbeeld verboden. Om de bestaande aandeelhouders effectief de kans te bieden om in te schrijven, wordt bepaald dat de openbare inschrijvingsperiode minimaal drie dagen duurt. Conform het koninklijk besluit van 17 mei 2007 betreffende de primaire marktpraktijken en onverminderd het verbod om de uitgifte in verschillende schijven op te splitsen, verbiedt het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, daarentegen niet dat de inschrijvers die de hoedanigheid van gekwalificeerde beleggers hebben, slechts over een kortere inschrijvingsperiode beschikken. Gelet op de beperkte duur van de inschrijvingsperiode, wordt niet geëist dat de niet-uitgeoefende rechten kunnen worden verhandeld. Nog steeds om de bestaande aandeelhouders de kans te bieden hun recht effectief uit te oefenen, wordt tot slot bepaald dat de maximale inschrijvingsprijs vóór de start van de inschrijving moet worden aangekondigd. Op dat moment hoeft niet de effectieve prijs te worden aangekondigd : de vermelding van een maximumprijs is voldoende.

Deze bijkomende garantie is echter niet van toepassing bij de uitkering van een keuzedividend. Een keuzedividend wordt gezien als een inbreng in natura, in het kader waarvan de inbreng van de dividendvordering die gekoppeld is aan een gedefinieerd aantal bestaande aandelen, recht geeft op een nieuw aandeel. Vaak bezit een aandeelhouder niet het vereiste aantal aandelen en moet hij zijn inbreng in natura "aanvullen" met een inbreng in geld. Dergelijke kapitaalverhoging in geld veronderstelt per definitie de opheffing van het voorkeurrecht. De bepaling verduidelijkt dat in zo'n geval geen recht van voorrang moet worden toegekend aan de bestaande aandeelhouders. Wel moet worden onderstreept dat de "aanvulling" in de vorm van de inbreng in geld marginaal moet zijn en er enkel mag toe strekken de "aanvulling" van de inbreng van de dividendvordering mogelijk te maken, zodat de betrokken aandeelhouder kan inschrijven op het eerstvolgend geheel aantal nieuwe aandelen. Deze vrijstelling geldt dus enkel als het aantal bestaande aandelen in het bezit van de aandeelhouder hem niet in staat stelt op een geheel aantal aandelen in te schrijven. Tot slot moet worden opgemerkt dat de uitkering van een keuzedividend onder de hier vermelde voorwaarden geen aanleiding lijkt te geven tot de toepassing van artikel 598 van het Wetboek van vennootschappen : alle aandeelhouders kunnen immers inschrijven zonder dat zij extra geld hoeven in te brengen. Bijgevolg lijkt artikel 598 van het Wetboek van vennootschappen zowel naar de letter als naar de geest te worden nageleefd (zie het ontwerp van wet tot wijziging van de wetten betreffende de handelsvennootschappen gecoördineerd op 30 november 1935, Memorie van toelichting, Parl. St. Senaat, 1990-1991, nr. 1107-1, p. 46 en 47).

Voor de institutionele vastgoedbevaks gelden de regels van het gemeen recht van de vennootschappen.

Paragraaf 2 neemt de bestaande regeling voor inbrengen in natura over en wijzigt die op bepaalde punten. Terloops wordt eraan herinnerd dat, krachtens artikel 11, § 2, van het koninklijk besluit van 10 april 1995, de uitgifteprijs bij een kapitaalverhoging tegen inbreng in natura niet minder mag bedragen dan de gemiddelde beurskoers gedurende de dertig dagen voorafgaand aan de inbreng. Het verslag van de raad van bestuur moet de identiteit van de inbrenger vermelden, alsook de impact van de voorgestelde inbreng op de toestand van de bestaande aandeelhouders.

In het U ter ondertekening voorgelegde ontwerpbesluit wordt die regel van toepassing verklaard op fusies, splitsingen en gelijkgestelde verrichtingen. Bovendien is het ontwerpbesluit in die zin vernieuwend dat het bepaalt dat het referentiepunt waarmee de uitgifteprijs moet worden vergeleken, de laagste waarde is van (a) een netto-inventariswaarde die ten hoogste vier maanden oud is, en (b) de gemiddelde slotkoers gedurende de laatste dertig kalenderdagen. Tot slot wordt verduidelijkt dat de termijn van vier maanden of van dertig dagen op basis waarvan de prijs wordt bepaald (zie § 2, 2°), naar keuze van de openbare vastgoedbevak, eindigt op de datum waarop de inbrengovereenkomst wordt afgesloten dan wel de akte van kapitaalverhoging wordt verleden. De openbare vastgoedbevaks worden geacht consequent te zijn bij de datumkeuze en zich niet louter door de omstandigheden te laten leiden. De netto-inventariswaarde waarnaar dit artikel verwijst, is de laatst gepubliceerde.

Conform een gangbare praktijk is bijsturing mogelijk bij een uitgifte "ex coupon". Die term verwijst naar uitgiften waarbij de nieuwe aandelen geen recht geven op dividend voor het lopende en/of het voorbije boekjaar (indien het betrokken dividend nog niet werd uitgekeerd). Het ontwerpbesluit verduidelijkt in dat verband dat het bedrag van het toekomstige dividend mag worden afgetrokken van de gemiddelde slotkoers gedurende de laatste dertig kalenderdagen. Hoewel de juridische regeling die wordt ingevoerd door het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, het gebruik van een "dubbele drempel" toestaat, bestaat die mogelijkheid tot bijsturing bij een uitgifte "ex coupon" dus enkel wanneer de vastgoedbevak de gemiddelde beurskoers als maatstaf hanteert voor de bepaling van de uitgifteprijs (zie (b) hierboven), en dus niet wanneer zij gebruik maakt van de netto-inventariswaarde (zie (a) hierboven). Dit verschil in aanpak berust op de volgende overwegingen. Het is bekend dat de beurskoers, in tegenstelling tot de netto-inventariswaarde per aandeel, de prijs is waartegen de aandelen van de vastgoedbevak op de markt kunnen worden verhandeld. Het is dus de enige "publiek toegankelijke" prijs.

Indien de netto-inventariswaarde per aandeel onder de gemiddelde beurskoers zou liggen, zou de vastgoedbevak het recht hebben om de uitgifteprijs uitsluitend op basis van die netto-inventariswaarde te berekenen. De vastgoedbevak ook nog toestaan om van die netto-inventariswaarde een bedrag af te trekken dat overeenstemt met de toekomstige dividenden, zou een erg grote verwatering tot gevolg hebben voor de bestaande aandeelhouders. Bovendien hebben de bestaande aandeelhouders niet de mogelijkheid om aandelen tegen dezelfde prijs te verwerven als de inbrenger (die aandelen tegen de netto-inventariswaarde heeft kunnen kopen, i.e. tegen een "niet-publieke" prijs, die ex hypothesi onder de beurskoers ligt). In dat geval zou de inbrenger overigens een meerwaarde kunnen realiseren als hij de aandelen waarop hij heeft ingeschreven, terug zou verkopen op de markt. Dat probleem stelt zich niet bij een uitgifte "ex coupon" tegen een prijs die overeenstemt met de gemiddelde beurskoers (die dan per definitie onder de netto-inventariswaarde per aandeel ligt). In tegenstelling tot de netto-inventariswaarde is de gemiddelde beurskoers immers, zoals eerder gedefinieerd, een "publiek toegankelijke" prijs. Verder dient te worden opgemerkt dat deze benadering aansluit bij de momenteel gangbare praktijk (zie hierboven), waarbij het, bij een uitgifte "ex coupon", mogelijk is de gemiddelde beurskoers te "corrigeren". Tot slot dient nog te worden opgemerkt dat van de raad van bestuur van de vastgoedbevak wordt verwacht dat hij in zijn bijzonder verslag het aldus afgetrokken dividendbedrag verantwoordt en in zijn jaarlijks financieel verslag toelichting geeft bij de financiële voorwaarden van de verrichting.

Indien gedurende een bepaald boekjaar een kapitaalverhoging heeft plaatsgevonden waarbij een correctie op de beurskoers heeft plaatsgevonden, zal dit bedrag moeten worden gerechtvaardigd aan de hand van het effectieve dividend voor het betrokken boekjaar en, in geval van verschil tussen het vooropgestelde dividend en het uiteindelijke dividend, daaraan de nodige informatie in het jaarlijks financieel verslag zal moeten worden verstrekt.

Ook is gepoogd de distorsies te beperken tussen (a) de uitgifteprijs wanneer die wordt bepaald onder verwijzing naar de datum van de inbrengovereenkomst, conform paragraaf 2, 2°, en (b) de beurskoers of de netto-inventariswaarde op het moment van de kapitaalverhoging. De bepaling onder 3° van diezelfde paragraaf verduidelijkt dat de uitgifteprijs uiterlijk op de werkdag na de afsluiting van de inbrengovereenkomst moet worden bepaald en aan het publiek moet worden meegedeeld met vermelding van de termijn waarbinnen de kapitaalverhoging effectief zal worden doorgevoerd. Als dat niet gebeurt, moet de kapitaalverhoging binnen vier maanden na de afsluiting van de inbrengovereenkomst worden doorgevoerd, wat overeenstemt met de maximumtermijn voor de registratie van die overeenkomst. Een kortere termijn lijkt niet aangewezen, gelet op de formaliteiten waarmee de eigendomsoverdracht van een gebouw gepaard gaat, bijvoorbeeld krachtens de reglementering inzake bodemverontreiniging.

Dit artikel is niet van toepassing op de uitkering van een keuzedividend, voor zover dit effectief voor alle aandeelhouders betaalbaar wordt gesteld.

De institutionele vastgoedbevaks zijn aan deze bepaling onderworpen, behalve wat de door de openbare vastgoedbevak doorgevoerde kapitaalverhoging door inbreng in natura betreft.

Art. 14 - Dit artikel beoogt de informatieverstrekking aan de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak te garanderen wanneer, bij de verhoging van het kapitaal van een door de openbare vastgoedbevak gecontroleerde institutionele vastgoedbevak, een disagio van meer dan 10 % wordt toegepast. De verplichting om verslag uit te brengen berust bij de raad van bestuur of de zaakvoerder van de openbare vastgoedbevak, en sluit aan bij zijn verplichtingen ten aanzien van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak. De regel is niet van toepassing op de institutionele vastgoedbevaks waarvan het kapitaal volledig in handen is van een openbare vastgoedbevak : in die situatie heeft een disagio immers geen invloed op de positie van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak. De netto-inventariswaarde moet op basis van de reële waarde worden bepaald. Ook hier is het onder bepaalde voorwaarden toegestaan om rekening te houden met het toekomstige dividend waarop de nieuwe aandelen eventueel geen recht zouden geven. Ter zake wordt verwezen naar de commentaar bij artikel 13. Afdeling 3 - Verzekeringsdekking

Art. 15 - Dit artikel herneemt de in artikel 17 van het huidige koninklijk besluit vervatte regel. Het is van toepassing op de dochtervennootschappen van de openbare vastgoedbevak, inclusief de institutionele vastgoedbevaks. Afdeling 4 - Vergoedingen, provisies en kosten

Art. 16 - Er wordt bijzondere aandacht besteed aan de regeling inzake vergoedingen, provisies en kosten.

Doelstelling van de eerste paragraaf van dit artikel is de informatieverstrekking aan de aandeelhouders over de vergoedingen van de persoon belast met de financiële dienst en van de deskundigen en de commissarissen te garanderen. Deze informatie moet op individuele basis worden gepubliceerd in het financieel verslag. Deze paragraaf is ook van toepassing op de vergoedingen die ten laste zijn van de openbare vastgoedvennootschap en haar dochtervennootschappen (inclusief de institutionele vastgoedvennootschappen).

Paragrafen 2 en 3 bevatten met name de regels vervat in de artikelen 19 en 20, § 1, van het koninklijk besluit van 10 april 1995. Zij zijn van toepassing op de leiders van de institutionele vastgoedbevak.

Paragraaf 2 strekt ertoe te voorkomen dat de vaste of variabele vergoeding van de leiders van de openbare vastgoedbevak zou worden bepaald in functie van de door die openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen uitgevoerde verrichtingen en transacties. Meer algemeen lijkt een vergoeding die gebaseerd is op de omzet van de openbare vastgoedbevak en/of haar dochtervennootschappen, uitgesloten.

Indien een variabele vergoeding wordt toegekend in functie van de resultaten van de openbare vastgoedbevak, mag enkel het geconsolideerde nettoresultaat in aanmerking worden genomen.

Anderzijds mag de uitvoering van een bijzondere verrichting of transactie door de openbare vastgoedbevak niet in aanmerking worden genomen bij de toekenning van de variabele vergoeding. Afdeling 5 - Voorkoming van belangenconflicten

Art. 17 - Dit artikel moet worden gelezen in samenhang met artikel 6 van het ontwerpbesluit, en strekt ertoe te voorkomen dat de onafhankelijkheid van de deskundige in het gedrang zou komen door een deelname aan de verrichtingen van de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen, ongeacht of zij al dan niet de hoedanigheid van institutionele vastgoedbevaks hebben.

Art. 18 - Dit artikel bevat de regels voor het beheer van de belangenconflicten.

Dit artikel neemt het algemeen beginsel van artikel 24 van het koninklijk besluit van 10 april 1995 over. Het beginsel van de voorafgaande informatieverstrekking aan de CBFA en de openbaarmaking van de betrokken informatie blijft dus behouden. Ook voor de verrichtingen die onder de toepassing van deze bepaling vallen, zal de door de deskundige uitgevoerde waardering een bindend karakter behouden.

Op te merken valt dat het toepassingsgebied van het artikel is uitgebreid. Het bleek immers nodig rekening te houden met de invoering van het statuut van institutionele vastgoedbevak en met het feit dat de belangen van derden die aandeelhouder zijn van de dochtervennootschappen van de openbare vastgoedbevak, kunnen verschillen van de belangen van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak. Deze bepaling zal dus van toepassing zijn op de verrichtingen van de institutionele vastgoedbevaks. In dergelijk geval berust de verplichting om de verrichting ter kennis te brengen van de CBFA bij de betrokken openbare vastgoedbevak.

Art. 19 - Krachtens dit artikel zijn de artikelen 17 en 18 van het ontwerpbesluit niet van toepassing op bepaalde verrichtingen, omdat dit niet verantwoord lijkt.

Hoofdstuk III - Uitgifte, verkoop en verhandeling van de aandelen van de openbare vastgoedbevak Afdeling 1 - Algemene bepalingen

Art. 20 - De openbare vastgoedbevaks zijn instellingen voor collectieve belegging met een vast aantal rechten van deelneming die bijgevolg niet onder de toepassing van de wet van 20 juli 2004 vallen wat de regels over het openbaar aanbod van rechten van deelneming betreft (zie art. 52, § 2, tweede lid, van de wet van 20 juli 2004).

Dit artikel verwijst dan ook naar de wet van 16 juni 2006. Afdeling 2 - Promotor

Art. 21 - Dit artikel verduidelijkt in welke omstandigheden de personen die de hoedanigheid van promotor hebben op het ogenblik dat de openbare vastgoedbevak op de lijst wordt ingeschreven, die hoedanigheid verliezen. Artikel 21 verduidelijkt dat de promotor niet langer als dusdanig wordt beschouwd wanneer (a) hij niet langer beantwoordt aan de onderdelen van de definitie van het begrip "promotor", (b) hij de oorspronkelijke verplichtingen van de promotor is nagekomen (zie hieronder), en (c) een termijn van minstens drie jaar is verstreken sinds de inschrijving van de openbare vastgoedbevak. Dit impliceert dat de personen die de hoedanigheid van promotor hadden op het ogenblik waarop de openbare vastgoedbevak op de lijst werd ingeschreven, zelfs bij verlies van de controle gedurende minstens drie jaar na die inschrijving en zolang niet aan voornoemde voorwaarden is voldaan, die hoedanigheid behouden.

Indien er verschillende promotoren zijn, dienen zij hun verplichtingen, krachtens het besluit, hoofdelijk na te komen.

Gelet op de kenmerken van de regeling voor de institutionele vastgoedbevaks, zijn deze niet verplicht een promotor aan te wijzen.

Art. 22 - Dit artikel somt de specifieke verplichtingen van de promotor van de openbare vastgoedbevak op.

Paragrafen 1 en 2 nemen zonder noemenswaardige wijzigingen de bepalingen van artikel 33, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 10 april 1995 over.

Artikel 22, §§ 3, 4 en 5 nemen de krachtens artikel 33, § 3, van het koninklijk besluit van 10 april 1995 voor de promotor geldende verplichtingen over en breiden die sterk uit. Bedoeling is ervoor te zorgen dat minstens 30 % van de effecten van de openbare vastgoedbevak te allen tijde in het bezit zijn van het publiek. Het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, wil die middelenverbintenis dus een permanent karakter geven.

De promotor bepaalt vrij welke middelen hij daarvoor gebruikt. Toch wordt verwacht dat de gebruikte middelen voor een redelijke waarnemer van dien aard zijn dat zij het mogelijk maken die drempel van 30 % te bereiken.

Hoofdstuk IV - Openbaarmaking van gegevens en boekhouding Afdeling 1 - Openbaarmaking van gegevens

Art. 23 en 24 - Deze artikelen bepalen de inhoud, de vorm alsook de openbaarmakingswijze en -termijn van de jaarlijkse en halfjaarlijkse financiële verslagen en financiële staten van de openbare vastgoedbevaks.

De openbare vastgoedbevaks vallen onder de toepassing van het koninklijk besluit van 14 november 2007 (zie art. 3, eerste lid). De aandelen van de openbare vastgoedbevaks moeten immers tot de verhandeling op een gereglementeerde markt worden toegelaten (art. 75 van de wet van 20 juli 2004 en art. 20 van het ontwerpbesluit).

De jaarlijkse en halfjaarlijkse financiële verslagen van de openbare vastgoedbevaks moeten dus conform de bepalingen van het koninklijk besluit van 14 november 2007 worden opgesteld. Bovendien bevat bijlage B bij het ontwerpbesluit een opsomming van de in de financiële verslagen op te nemen gegevens. Ook is het nuttig te vermelden dat de openbare vastgoedbevaks aan de bepalingen van het Wetboek van Vennootschappen zijn onderworpen (art. 96 en 119).

Opdat de gepubliceerde informatie gemakkelijker toegankelijk zou zijn voor het publiek, legt het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, enkel de openbare vastgoedbevaks (en dus niet de door hen gecontroleerde vennootschappen) specifieke verplichtingen op met betrekking tot de inhoud van hun periodieke rapporteringsstaten.

De inhoud van de jaarlijkse en halfjaarlijkse financiële verslagen zal dus zowel op de openbare vastgoedbevak als op haar dochtervennootschappen (inclusief de institutionele vastgoedbevaks) betrekking hebben. Artikel 23 van het ontwerpbesluit is dus niet van toepassing op de institutionele vastgoedbevaks. Indien een dochtervennootschap van een openbare vastgoedbevak op een gereglementeerde markt of een MTF genoteerd zou zijn, zouden de aan die notering verbonden verplichtingen toch op haar van toepassing zijn, onverminderd de specifiek voor de openbare vastgoedbevak geldende verplichtingen. Afdeling 2 - Opstelling van de jaarrekening

Art. 25 - Dit artikel neemt de bepalingen over van Hoofdstuk I van het koninklijk besluit van 21 juni 2006 op de boekhouding, de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van openbare vastgoedbevaks, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 april 1995 met betrekking tot vastgoedbevaks. De verplichting om een geconsolideerde jaarrekening op te stellen met toepassing van de IFRS-normen vloeit voort uit Verordening (EG) nr. 1606/2002, met als gevolg dat die verplichting niet expliciet in dit besluit hoeft te worden herhaald.

Dit artikel verwijst naar Hoofdstuk I van Bijlage C van het ontwerpbesluit voor de opsomming en de beschrijving van de rubrieken van de enkelvoudige jaarrekening. De enkelvoudige jaarrekening van de vastgoedbevaks moet dus worden opgesteld conform de voorschriften van Hoofdstuk I van Bijlage C. We benadrukken dat geen afbreuk wordt gedaan aan de verplichting om in het halfjaarlijks financieel verslag verkorte financiële overzichten te publiceren, conform artikel 13, § 2 van het koninklijk besluit van 14 november 2007 betreffende de verplichtingen van emittenten van financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt. Voor de geconsolideerde jaarrekening verwijst artikel 25 naar Hoofdstuk II van Bijlage C. Art. 26 - Met toepassing van artikel 77 van de wet van 20 juli 2004 bepaalt dit artikel dat Titel I (Jaarrekening) van Boek II en Hoofdstuk I van Titel III (Openbaarmaking van de jaarrekening en van de geconsolideerde jaarrekening) van datzelfde Boek II van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen niet van toepassing zijn. Voornoemde bepalingen van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 zijn hier niet pertinent omdat de IFRS-normen van toepassing zijn. Afdeling 3 - Resultaatverwerking

Art. 27 - Paragraaf 1 van dit artikel legt de openbare vastgoedbevaks de verplichting op om jaarlijks minstens 80 % van het conform het schema in Hoofdstuk III van Bijlage C bij dit ontwerpbesluit bepaalde bedrag als vergoeding van het kapitaal uit te keren.

Deze verplichting doet geen afbreuk aan de toepassing van artikel 617 van het Wetboek van vennootschappen. Een openbare vastgoedbevak kan dus in geen geval verplicht worden een dividend uit te keren als de voorgenomen uitkering een overtreding zou inhouden van artikel 617 van het Wetboek van Vennootschappen. Bij de toepassing van laatstgenoemd artikel moet rekening worden gehouden met het boekhoudschema in Bijlage C bij het ontwerpbesluit, en in het bijzonder met de daarin gedefinieerde posten van de onbeschikbare reserves.

Het begrip "schuldenlast" wordt in het tweede lid van deze paragraaf gedefinieerd.

Deze paragraaf is ook van toepassing op de institutionele vastgoedbevaks.

Uitsluitend met betrekking tot de openbare vastgoedbevaks verbiedt paragraaf 2 van datzelfde artikel elke uitkering aan de aandeelhouders als de geconsolideerde of enkelvoudige schuldratio van de openbare vastgoedbevak reeds boven 65 % van de statutaire of geconsolideerde activa zou liggen, of als gevolg van de uitkering boven dat percentage zou uitstijgen. Hier worden dus zowel de individuele schuldgraad van de openbare vastgoedbevak als de schuldgraad van de groep in haar geheel geviseerd.

Indien de openbare vastgoedbevak het volledige kapitaal van een of meer dochtervennootschappen in handen heeft, wordt niet haar enkelvoudige schuldratio in aanmerking genomen, maar de geconsolideerde schuldratio van het geheel dat zij samen vormt met de dochtervennootschappen waarvan zij het volledige kapitaal in handen heeft.

Krachtens § 2, tweede lid, van datzelfde artikel moeten de bedragen die, ingevolge de te hoge schuldenlast, niet konden worden uitgekeerd, aan de reserves worden toegevoegd. Die reserve mag enkel worden aangewend om de schuldgraad onder 65 % te doen dalen en pas worden uitgekeerd als de schuldgraad minder dan 65 % bedraagt. Hier wordt verwezen naar de commentaar bij de artikelen 53 en 54 van het ontwerpbesluit.

Er moet worden opgemerkt dat deze paragraaf niet van toepassing is op de institutionele vastgoedbevaks, die aan een eigen regeling zijn onderworpen (zie hieronder). Afdeling 4 - Inventaris en waardering door de deskundige

Art. 28 - Dit artikel legt de openbare vastgoedbevak de verplichting op om ten minste eenmaal per jaar een inventaris van haar vastgoed en dat van haar dochtervennootschappen op te maken. Datzelfde geldt ook telkens wanneer zij aandelen uitgeeft dan wel anders dan op een gereglementeerde markt aandelen inkoopt.

Dit artikel is ook van toepassing op de institutionele vastgoedbevaks.

Art. 29, 30 en 31 - Deze artikelen vormen een centraal gegeven van de wettelijke regeling die wordt ingevoerd door het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd. Zij beschrijven de krachtlijnen van de waarderingstaak van de deskundige van de openbare vastgoedbevak.

Deze artikelen zijn niet van toepassing op de institutionele vastgoedbevaks. Zij hoeven op hun niveau immers geen deskundige te benoemen (zie commentaar bij artikel 6 hierboven). Wel moet worden opgemerkt dat het vastgoed in het bezit van de institutionele vastgoedbevaks en de andere dochtervennootschappen van de openbare vastgoedbevaks, net als het rechtstreeks door de openbare vastgoedbevak gehouden vastgoed, wordt opgenomen in de door de deskundige van de openbare vastgoedbevak uitgevoerde waarderingen.

De waardering heeft betrekking op de reële waarde van het vastgoed, in de betekenis die de IFRS normen aan dat begrip geven.

Er dient te worden opgemerkt dat de onroerende leasing waarnaar wordt verwezen in artikel 29, § 1, eerste lid, 1° van het ontwerpbesluit, een onroerende leasing is als bedoeld in IAS 17, § 36. De vorderingen die uit dergelijke contracten voortvloeien, moeten dus niet gewaardeerd worden conform artikel 29 en volgende van het ontwerp besluit.

Het ontwerpbesluit maakt een onderscheid tussen de periodieke waarderingen van het vastgoed van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen, en de occasionele waarderingen die bij de verwezenlijking van bepaalde verrichtingen worden uitgevoerd. Zo verduidelijkt artikel 29 dat het vastgoedpatrimonium van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen aan het einde van elk boekjaar moet worden gewaardeerd. Deze jaarlijkse waardering wordt driemaandelijks geactualiseerd.

Daarnaast wordt ook in occasionele waarderingen voorzien. Zo moet de deskundige van de openbare vastgoedbevak de reële waarde van het vastgoed in het bezit van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen waarderen wanneer de openbare vastgoedbevak verrichtingen zoals fusies, splitsingen, kapitaalverhogingen en inkopen van aandelen buiten de gereglementeerde markt uitvoert. De uitgevoerde waardering is niet bindend, maar eerder bestemd als leidraad : de regeling strekt ertoe de belangen van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak te beschermen. Daartoe lijkt de interventie van een onafhankelijke derde (de deskundige) passend.

Artikel 30, vierde lid, biedt de openbare vastgoedbevaks de mogelijkheid om de driemaandelijkse waarderingen (zie hieronder) zoveel mogelijk te gebruiken bij de occasionele waarderingen die dit artikel oplegt. De noodzaak om de verrichtingen van de openbare vastgoedbevak niet meer dan nodig te bemoeilijken, en het belang om over een voldoende recente waardering te kunnen beschikken, zijn hier tegen elkaar afgewogen. Precies daarom wordt verduidelijkt dat een eerdere waardering enkel mag worden gebruikt als de deskundige bevestigt dat de onderliggende premissen niet zijn veranderd.

In dezelfde zin is het zo dat, wanneer een nieuwe driemaandelijkse waardering wordt uitgevoerd na de indiening van een splitsings- of fusievoorstel, de raad van bestuur niet verplicht is om de ruilverhouding of het bedrag van de opleg te wijzigen, als hij aan de hand van een verklaring van de deskundige aantoont dat de onderliggende premissen van de waardering niet zijn veranderd. Gelet op de termijn die kan verstrijken tussen de indiening van een splitsings- of fusievoorstel en de uitvoering van de verrichting, zou de omgekeerde oplossing de planning van zo'n verrichting onnodig kunnen bemoeilijken, zonder dat daarom aan de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak bijkomende garanties worden geboden.

Artikel 31 van het ontwerpbesluit betreft de verwervingen en overdrachten van vastgoed door de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen. Het beginsel dat in het besluit geformuleerd is, is dat elk van die vaste goederen vooraf moet worden gewaardeerd door de deskundige van de openbare vastgoedbevak. Wanneer de tegenpartij één van de personen is die bedoeld worden in artikel 18 van het besluit, dat over de belangenconflicten gaat, geldt een strengere regeling, die inhoudt dat de door de deskundige uitgevoerde waardering bindend is.

Hoofdstuk V - Toezicht Art. 32 - Deze bepaling herinnert eraan dat de openbare vastgoedbevaks conform de artikelen 80 en volgende van de wet van 20 juli 2004 onder het toezicht van de CBFA vallen, wat onder meer inhoudt dat de CBFA hen de maatregelen kan opleggen waarin de artikelen 89 en volgende van dezelfde wet voorzien. Voor de institutionele vastgoedbevaks geldt een specifieke regeling.

Hoofdstuk VI - Beleggingsbeleid Dit hoofdstuk bevat de regeling waaraan de vastgoedbevaks zijn onderworpen voor hun beleggingen en beschrijft het beleggingsbeleid dat zij moeten volgen. Afdeling 1 - Algemene bepalingen

Art. 33 - In de mate dat de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen vanuit economisch oogpunt een geïntegreerde entiteit vormen, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk die een kwantitatieve regel bevatten, op geconsolideerde basis van toepassing, tenzij anders aangegeven. Het gaat om de artikelen 34, § 2, 35, § 1, 37, tweede en derde lid, 38 en 39 van het ontwerp.

Voor de toepassing van die bepalingen wordt een onderscheid gemaakt tussen de dochtervennootschappen die exclusief gecontroleerd worden (waarbij de activa en de passiva van de dochtervennootschap en van de openbare vastgoedbevak worden samengevoegd ongeacht het effectieve deelnemingspercentage) en de gemeenschappelijke dochtervennootschappen (waarbij de activa en passiva van de dochtervennootschap en van de openbare vastgoedbevak worden samengevoegd naar verhouding van het effectieve deelnemingspercentage van de openbare vastgoedbevak).

Art. 34 - Dit artikel bepaalt dat de openbare vastgoedbevaks en hun dochtervennootschappen hun activa in vastgoed moeten beleggen en geeft aan binnen welke grenzen dit dient te gebeuren.

De vastgoedbevak mag alleen bijkomend of tijdelijk effecten houden die geen vastgoed zijn of niet-toegewezen liquide middelen bezitten. Een geval dat hiermee wordt beoogd is dat van een vastgoedbevak die over een groot bedrag aan liquide middelen komt te beschikken nadat zij een transactie heeft gesloten die betrekking heeft op haar vastgoedpatrimonium.

We benadrukken dat de twee criteria die in dit verband worden gebruikt, niet cumulatief zijn. Overigens dient het bijkomend karakter van de beleggingen die in het kader van dit artikel worden verricht, op geconsolideerd niveau te worden nagegaan. Zo is er geen sprake van een inbreuk op artikel 34 wanneer één van de door een openbare vastgoedbevak gecontroleerde vennootschappen individueel het grootste deel van haar activa belegt in effecten die geen vastgoed zijn of in liquide middelen, indien die beleggingen hun bijkomend karakter behouden wanneer de groep in haar geheel wordt beschouwd. Het houden van dergelijke activa is ook onderworpen aan de voorwaarden van artikel 35 (zie verder). Wanneer het bijkomend karakter van de uitgevoerde beleggingen onderzocht wordt, moet rekening gehouden worden met het relatieve belang van die beleggingen ten opzichte van de overige geconsolideerde activa van de openbare vastgoedbevak; tenzij die beleggingen een tijdelijk karakter hebben, mogen ze ook niet de core business van de vastgoedbevak vormen. De belegging in vastgoed moet haar core business blijven.

Er wordt van de openbare vastgoedbevak verwacht dat zij in haar jaarlijks en halfjaarlijks verslag een omstandige omschrijving en verantwoording geeft van haar beleggingen in effecten die geen vastgoed zijn, die in de loop van de betrokken periode zijn uitgevoerd.

De derde paragraaf van dit artikel handelt over de onderschrijving van afdekkingsinstrumenten door de vastgoedbevaks. Volgens de regeling die wordt ingevoerd door het besluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, is de onderschrijving van dergelijke instrumenten maar toegelaten indien de verrichting een bijkomend karakter heeft : het doel van de verrichting moet de indekking van rente- en wisselkoersrisico's blijven en verrichtingen met speculatief oogmerk zijn uitgesloten.

De onderschrijving van afdekkingsinstrumenten met fysieke afwikkeling of ter verwezenlijking van een ander doel dan de indekking van de voornoemde risico's, is dus verboden.

Overigens wordt van de vastgoedbevak verlangd dat zij een beleid vastlegt voor de indekking van financiële risico's, waar de onderschrijving van afdekkingsinstrumenten deel van moet uitmaken.

Wanneer een positie wordt afgewikkeld vóór vervaldatum, moet dit verantwoord worden in het licht van dit beleid.

Art. 35.Deze bepaling moet ervoor zorgen dat de beleggingen in effecten die in het kader van artikel 34 worden verricht, gediversifieerd zijn.

De beperkingen die in dit verband zijn vastgelegd, moeten op geconsolideerde basis worden toegepast, rekening houdend met alle beleggingen van die aard die op groepsniveau worden uitgevoerd.

Art. 36.Deze bepaling betreft het sluiten, als leasingnemer, van overeenkomsten van onroerende leasing door openbare vastgoedbevaks en hun dochtervennootschappen, ongeacht of die dochtervennootschappen het statuut van institutionele vastgoedbevak hebben of niet. Het tweede lid geldt enkel voor de openbare vastgoedbevak en moet op individuele (niet op geconsolideerde) basis worden toegepast.

Art. 37.Dit artikel betreft het sluiten, als verhuurder, van overeenkomsten van onroerende leasing door de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen (ongeacht of die dochtervennootschappen het statuut van institutionele vastgoedbevak hebben of niet). Er wordt gepreciseerd dat die activiteit maar als hoofdactiviteit mag worden uitgeoefend indien de in leasing gegeven onroerende goederen bestemd zijn voor doeleinden van algemeen belang. In de andere gevallen moet op geconsolideerde basis worden nagegaan of de activiteit al dan niet bijkomend is van aard. Afdeling 2 - Diversificatie van de beleggingen

Art. 38 et 39. Deze bepalingen moeten ervoor zorgen dat de door de openbare vastgoedbevak uitgevoerde beleggingen gediversifieerd zijn.

Ook hier merken we op dat de vereisten voor de diversificatie van de beleggingen die door de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen worden uitgevoerd, op geconsolideerde basis moeten worden toegepast.

Artikel 38 omschrijft in grote lijnen de verplichting tot diversificatie. De vastgoedbevaks dienen in hun statuten te vermelden welke diversificatiecriteria zij toepassen. De regeling van het koninklijk besluit van 10 april 1995 wordt op dit vlak niet aanzienlijk gewijzigd door het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd.

Artikel 39 bevat een specifieke regel die het beginsel van artikel 38 verfijnt voor wat betreft de "vastgoedgehelen" waarin de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen beleggen. Het begrip "vastgoedgeheel" is gebaseerd op het idee dat verschillende vaste goederen ten aanzien van het risico dat eraan verbonden is, toch een samenhangend geheel kunnen vormen. Bijgevolg is het gerechtvaardigd dat men zich ervan vergewist dat het vermogen van de openbare vastgoedbevak, ook al is dit in verschillende vaste goederen belegd, niet op buitensporige wijze is blootgesteld aan één enkel risico dat verbonden is aan vastgoed dat in werkelijkheid een geheel vormt. Net zoals in de regeling van het koninklijk besluit van 10 april 1995, is die regel maar van toepassing op het ogenblik dat de betrokken verrichting wordt uitgevoerd. Indien de drempel van 20 % overschreden wordt ten gevolge van een wijziging in de reële waarde van de portefeuille van de vastgoedbevak, is er dus geen sprake van een schending van deze bepaling. Hierbij dient evenwel opgemerkt te worden dat de algemene verplichting tot diversificatie van de beleggingen in een dergelijk geval van toepassing blijft. Indien de raad van bestuur met een dergelijke situatie geconfronteerd wordt, dient hij deze situatie op te volgen en te beslissen of de risicopositie van de vastgoedbevak verminderd moet worden. Het spreekt voor zich dat een openbare vastgoedbevak waarvan meer dan 20 % van de geconsolideerde activa in één enkel vastgoedgeheel is belegd, (ongeacht of de oorspronkelijke overschrijding (a) te wijten is aan een verrichting die door de openbare vastgoedbevak of een van haar dochtervennootschappen is uitgevoerd, (b) te wijten is aan een gebeurtenis buiten haar wil, zoals een wijziging in de reële waarde van de portefeuille of (c) gedekt is door een afwijking toegekend door de CBFA - zie verder) in geen geval een transactie mag verrichten waardoor de situatie verergert. Verrichtingen die de vastgestelde overschrijding van de drempel van 20 % doen dalen, vallen daarentegen niet onder de toepassing van artikel 39 (ook al hebben ze niet tot gevolg dat de risicopositie van de openbare vastgoedbevak onder de limiet van 20 % zakt).

Er kunnen afwijkingen worden toegestaan door de CBFA. De toegestane afwijkingen en de eventuele voorwaarden die eraan zijn verbonden, moeten gepubliceerd worden in de jaarlijkse en halfjaarlijkse financiële verslagen van de openbare vastgoedbevak, evenals, in voorkomend geval, in het prospectus. Zoals dit al het geval was onder het koninklijk besluit van 10 april 1995, kan de CBFA geen afwijking toestaan wanneer de geconsolideerde schuldgraad van de openbare vastgoedbevak meer bedraagt dan 33 %. Een hoge schuldgraad houdt immers een groter risico in, en indien het risico groter is, is het zeker van belang dat de vereisten inzake de diversificatie van de beleggingen strikt worden nageleefd.

De verplichting om te diversifiëren geldt zodra de openbare vastgoedbevak is ingeschreven.

Zoals dit al het geval was onder het koninklijk besluit van 10 april 1995, wordt bij het toezicht op de naleving van de verplichting om te diversifiëren, voor wat betreft het risico dat slaat op de identiteit van de huurder of de gebruiker van het vastgoed, geen rekening gehouden met het vastgoed dat gedekt is door een langetermijnverbintenis van een publiekrechtelijke instelling.

Art. 40.Deze bepaling houdt in dat de raad van bestuur van de openbare vastgoedbevak, wanneer hij vaststelt dat de reglementaire en statutaire bepalingen inzake de diversificatie van de beleggingen niet worden nageleefd, verplicht is een algemene vergadering bijeen te roepen om over de ontbinding van de openbare vastgoedbevak te beraadslagen en te besluiten. De te volgen procedure is vergelijkbaar met die van artikel 633 van het Wetboek van vennootschappen. Zoals vermeld in het tweede en het derde lid, is deze bepaling uiteraard niet van toepassing wanneer er voor de vastgestelde overschrijding een afwijking wordt toegestaan door de CBFA (uiteraard voor zover de schuldratio lager ligt dan 33 %) of wanneer de overschrijding van de limiet voor beleggingen in een bepaald vastgoedgeheel enkel te wijten is aan een variatie van de reële waarde van de portefeuille (in dit laatst geval dient rekening gehouden te worden met de overgangsperiode van twee jaar). Afdeling 3 - Deelnemingen in andere vennootschappen

Art. 41.In dit artikel wordt het basisprincipe geformuleerd dat geldt voor beleggingen van de openbare vastgoedbevak in aandelen. Om te garanderen dat de openbare vastgoedbevak haar volledige vermogen in het belang van haar aandeelhouders beheert, wordt verlangd dat zij over de vastgoedvennootschappen waarin zij aandelen bezit, de controle uitoefent. Deze controle kan exclusief of gemeenschappelijk zijn.

Conform artikel 2, 20°, wordt een deelneming in een openbare of institutionele vastgoedbevak of in een vastgoedvennootschap voor de toepassing van het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, maar als vastgoed beschouwd indien de openbare of institutionele vastgoedbevak door die deelneming een (gezamenlijke of exclusieve) controle verwerft over de betrokken vennootschap. Een dergelijke belegging kan dus enkel worden uitgevoerd binnen de grenzen van de artikelen 34, § 2 en 35.

Zoals hierboven wordt uiteengezet in de Algemene Beschouwingen, gelden er bijkomende regels wanneer er een gezamenlijke controle wordt uitgeoefend over een dochtervennootschap, om de belangen van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak te vrijwaren. Een gezamenlijke controle houdt namelijk in dat een beperkt aantal aandeelhouders samen de controle uitoefenen over een vennootschap. In een dergelijk geval heeft de openbare vastgoedbevak dus niet de volledige zeggenschap over de betrokken dochtervennootschap.

Het is uitgesloten dat de gezamenlijke controle over een vastgoedvennootschap of over een institutionele vastgoedbevak wordt uitgeoefend door twee openbare vastgoedbevaks. Dit zou indruisen tegen het principe dat een instelling voor collectieve belegging in het uitsluitende belang van de effectenhouders moet worden beheerd (art. 9 van de wet van 20 juli 2004). In een dergelijk geval zou het immers per definitie onmogelijk zijn een beheer te voeren dat in het uitsluitende belang is van de aandeelhouders van de twee openbare vastgoedbevaks, aangezien deze twee groepen aandeelhouders uiteenlopende belangen hebben. Sommige bepalingen van het ontwerpbesluit, zoals de artikelen 18 en 43, zouden overigens niet-toepasbaar worden indien er een gezamenlijke controle zou worden uitgeoefend door twee openbare vastgoedbevaks.

Art. 42.Dit artikel bepaalt binnen welke grenzen de openbare vastgoedvennootschap andere vennootschappen kan controleren zonder er het volledige kapitaal van te bezitten.

Eerst en vooral dient opgemerkt te worden dat er geen specifieke drempel of voorwaarde geldt voor het bezit van aandelen van een vastgoedvennootschap of van een institutionele vastgoedbevak waarvan het volledige kapitaal in het bezit is van de openbare vastgoedbevak zelf (of van dochtervennootschappen die volledig in haar bezit zijn).

Dergelijke drempels of voorwaarden zouden immers overbodig zijn in een dergelijke situatie, waar alle vermogens- en vennootschapsrechten aan de openbare vastgoedbevak toekomen.

Wat de dochtervennootschappen betreft die exclusief gecontroleerd worden maar waarvan een deel van het kapitaal rechtstreeks of onrechtstreeks wordt aangehouden door een derde, geldt een limiet (30 % van het geconsolideerde nettoactief van de openbare vastgoedbevak) voor de waarde van de minderheidsbelangen die in alle exclusief gecontroleerde dochtervennootschappen samen worden aangehouden. Dit criterium valt dus in principe voordeliger uit voor openbare vastgoedbevaks met een lage schuldgraad. De dochtervennootschappen waarover een exclusieve controle wordt uitgeoefend door de openbare vastgoedbevak en waarvan de rest van het kapitaal in handen is van een publiekrechtelijke instelling, worden niet in aanmerking genomen voor dit criterium en worden dus niet opgenomen in de berekening van de voornoemde limiet van 30 %. Voor die dochtervennootschappen geldt namelijk een specifieke limiet (zie verder).

Anderzijds wordt ook geëist dat de openbare vastgoedbevak rechtstreeks of onrechtstreeks minstens 50 % van het kapitaal bezit. Voor de openbare vastgoedbevaks die ten minste sedert 1 januari 2009 niet aan deze voorwaarde voldoen, is in een grandfathering-clausule voorzien.

Dat hier een strengere regeling geldt dan voor de dochtervennootschappen waarvan het volledige kapitaal in het bezit is van de openbare vastgoedbevak, is gerechtvaardigd. Ondanks het feit dat de openbare vastgoedbevak door haar exclusieve controle de volledige beslissingsbevoegdheid heeft, komt immers een deel van de vermogensrechten toe aan de andere aandeelhouders van de betrokken dochtervennootschap. Voor de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak is een dergelijke situatie minder gunstig dan een inbreng van goederen in het vermogen van de openbare vastgoedbevak zelf : indien de goederen rechtstreeks worden ingebracht in het vermogen van de openbare vastgoedbevak, zullen haar tegoeden immers meer gediversifieerd zijn.

Voor gezamenlijk gecontroleerde dochtervennootschappen ten slotte, geldt een specifieke regeling die gerechtvaardigd is omwille van het feit dat de rechten op het vermogen van de dochtervennootschap en de beslissingsbevoegdheid verdeeld zijn onder de openbare vastgoedbevak en de andere aandeelhouders.

Enerzijds mag de totale waarde van de deelnemingen verwerkt via vermogensmutatie of het totaal van de proportioneel geconsolideerde activa (naargelang van de gebruikte consolidatiemethode) niet meer bedragen dan 20 % van het geconsolideerde actief van de openbare vastgoedbevak. Voor de openbare vastgoedbevaks die dit plafond ten minste sedert 1 januari 2009 overschrijden, is voorzien in een grandfathering-clausule van twee jaar. Er wordt gepreciseerd dat de openbare vastgoedbevaks die van deze bepaling gebruik maken, het percentage van hun deelnemingen in gezamenlijk aangehouden vennootschappen tijdens die periode van twee jaar niet mogen verhogen.

Die periode van twee jaar is immers enkel bedoeld om de openbare vastgoedbevaks die die drempel van 20 % overschrijden, in staat te stellen de omvang van hun gezamenlijke deelnemingen te doen afnemen.

Zoals blijkt uit de woorden "ten minste sedert 1 januari 2009", kan een openbare vastgoedbevak die deze drempel van 20 % zou hebben over- of onderschreden na 1 januari 2009, zich niet meer beroepen op deze bepaling.

De dochtervennootschappen waarover een gezamenlijke controle wordt uitgeoefend met een publiekrechtelijke instelling, dienen niet opgenomen te worden in de berekening van de voornoemde drempel van 20 %. Voor die dochtervennootschappen geldt namelijk een specifieke limiet (zie verder).

Bovendien wordt gepreciseerd dat wanneer de openbare vastgoedbevak een onrechtstreekse deelneming aanhoudt, slechts één dochtervennootschap als tussenschakel mag fungeren tussen de openbare vastgoedbevak en de gezamenlijk gecontroleerde dochtervennootschap. In dit verband merken we op dat de gezamenlijke controle moet worden uitgeoefend door de openbare vastgoedbevak zelf (en niet door de dochtervennootschap). Het zou immers niet aanvaardbaar zijn dat de dochtervennootschap die als tussenschakel fungeert, eveneens gezamenlijk gecontroleerd wordt. Dan zou niet langer voldaan zijn aan het vereiste dat op de dochtervennootschap een gezamenlijke controle moet worden uitgeoefend door de openbare vastgoedbevak. Ook hier is in een grandfathering-clausule voorzien voor de openbare vastgoedbevaks die ten minste sedert 1 januari 2009 niet aan dit vereiste voldoen.

Net zoals wanneer het om een exclusieve controle gaat, wordt van de openbare vastgoedbevak verlangd dat zij rechtstreeks of onrechtstreeks (in dit laatste geval via vennootschappen waarop zij een exclusieve controle uitoefent), minstens 50 % bezit van het kapitaal van de vennootschappen waarop zij een gezamenlijke controle uitoefent. Ook hier is in een grandfathering-clausule van twee jaar voorzien voor de openbare vastgoedbevaks die ten minste sedert 1 januari 2009 niet aan dit vereiste voldoen.

Indien de in dit artikel 42 vastgelegde drempels worden overschreden als gevolg van een wijziging van de reële waarde van de activa, beschikt de openbare vastgoedbevak over een periode van twee jaar om zich in regel te stellen. Van deze overgangsperiode kan uiteraard geen gebruik gemaakt worden bijvoorbeeld wanneer de betrokken overschrijding nog is toegenomen als gevolg van een nieuwe verwerving.

Art. 43.Deze bepaling zorgt ervoor dat de belangen van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak gevrijwaard blijven wanneer er sprake is van een patstelling binnen een gezamenlijk gecontroleerde dochtervennootschap. Zo dient de contractuele overeenkomst tussen de openbare vastgoedbevak en haar medeaandeelhouder bepalingen te bevatten die aan de openbare vastgoedbevak het recht geven om bij een conflict tussen aandeelhouders zijn deelneming te verkopen of de deelneming van de ander te kopen. Gelijkaardige rechten kunnen eventueel aan de andere aandeelhouder verleend worden, op voorwaarde dat er altijd een voorrang aan de openbare vastgoedbevak toegekend wordt. Voor de vaststelling van de prijs wordt dan een beroep gedaan op deskundigen.

De eventuele contractuele overeenkomsten die in dit kader worden gesloten, mogen uiteraard geen belemmering vormen voor de toepassing van andere bepalingen van het besluit (met name over de maximale schuldratio); zij dienen dus gesloten te worden zonder afbreuk te doen aan de toepassing van die bepalingen.

Art. 44.Dit artikel bepaalt dat de algemene regeling die geldt voor de dochtervennootschappen van openbare vastgoedbevaks niet van toepassing is op de dochtervennootschappen waarvan een deel van het kapitaal in handen is van de openbare vastgoedbevak en het andere in het bezit is van een of meer lidstaten van de Europese Economische Ruimte. Rekening houdend met de kenmerken van een partnerschap met een publiekrechtelijke instelling, leek het niet opportuun te voorzien in een even strenge regeling als die welke van toepassing is op de andere dochtervennootschappen van de openbare vastgoedbevaks. Om diezelfde reden is er in specifieke drempels voorzien voor de partnerschappen met publiekrechtelijke instellingen.

Indien er een exclusieve controle wordt uitgeoefend, geldt er een specifieke regeling. Enerzijds geldt er een specifieke limiet (30 % van het geconsolideerde nettoactief van de openbare vastgoedbevak) voor de waarde van de minderheidsbelangen die worden aangehouden in alle dochtervennootschappen waarover een exclusieve controle wordt uitgeoefend door de openbare vastgoedbevak en waar een publiekrechtelijke instelling de rest van het kapitaal aanhoudt. Die limiet van 30 % is niet inbegrepen in de in artikel 42, § 1, eerste lid, 1° bepaalde drempel.

Bij dochtervennootschappen waarover een gezamenlijke controle wordt uitgeoefend door een openbare vastgoedbevak en een publiekrechtelijke instelling, mag de totale waarde van de deelnemingen verwerkt via vermogensmutatie of, naargelang het geval, het totaal van de proportioneel geconsolideerde activa, voor alle dochtervennootschappen waarover samen met een publiekrechtelijke instelling een gezamenlijke controle wordt uitgeoefend, niet meer bedragen dan 20 % van het geconsolideerde actief van de openbare vastgoedbevak. Die limiet van 20 % is niet inbegrepen in de in artikel 42, § 2, tweede lid, 1° bepaalde drempel.

Tot slot mag de openbare vastgoedbevak in het algemeen minder dan 50 % bezitten van het kapitaal van een dochtervennootschap waarover zij een exclusieve of gezamenlijke controle uitoefent, op voorwaarde uiteraard dat de rest van het kapitaal in handen is van een publiekrechtelijke instelling. Met deze versoepeling wordt tegemoetgekomen aan de ter zake geldende eisen van het publiek recht.

Art. 45.Het is wenselijk dat de openbare vastgoedbevaks een keuze maken inzake de structuur van de groep die zij controleren : een openbare vastgoedbevak mag in principe geen dochtervennootschappen hebben die wel het statuut van vastgoedvennootschap hebben en andere dochtervennootschappen die dit statuut niet hebben. Met deze bepaling wordt fiscale arbitrage voorkomen.

Indien een openbare vastgoedbevak die al de controle heeft over institutionele vastgoedbevaks, daarnaast ook de controle verwerft over een vastgoedvennootschap, beschikt zij over een periode van 24 maanden om die vastgoedvennootschap te laten inschrijven als institutionele vastgoedbevak.

Om geen afbreuk te doen aan reeds bestaande situaties, werd een vrijwaringsclausule ingevoerd voor vastgoedvennootschappen waarin een openbare vastgoedbevak ten minste sedert 1 januari 2009 aandelen bezit. De regel van artikel 45, eerste en tweede lid, is niettemin volledig van toepassing op de overige dochtervennootschappen van de betrokken openbare vastgoedbevak.

Art. 46.Dit artikel bepaalt dat het voor bepaalde personen verboden is, wegens de banden die zij met de openbare vastgoedbevak hebben, om deelnemingen te bezitten in een dochtervennootschap van de openbare vastgoedbevak. Dit artikel moet beletten dat partijen die een deelneming bezitten in of de controle hebben over de openbare vastgoedbevak, hun positie versterken door ook een deelneming te bezitten in of de controle te hebben over een dochtervennootschap van de openbare vastgoedbevak. Een dergelijke structuur zou het immers mogelijk maken dat een referentieaandeelhouder via een cascade van deelnemingen een groot deel van het vermogen van de openbare vastgoedbevak controleert en bepaalde delen van dit vermogen afleidt naar dochtervennootschappen die hij de facto exclusief zou controleren. De bepaling slaat ook op de leiders van de openbare vastgoedbevak en op de personen die er een deelneming in bezitten of haar controleren, eveneens omwille van het feit dat een dergelijke situatie een risico op belangenconflicten inhoudt.

Art. 47.Dit artikel biedt aan de openbare vastgoedbevaks en aan hun dochtervennootschappen de mogelijkheid om vennootschappen te bezitten waarvan het maatschappelijk doel aansluit bij hun eigen doel. Dit stelt de vastgoedbevaks in staat het beheer van hun vermogen (beheer van onroerende goederen, financiering,...) op een soepele manier te organiseren. Die vennootschappen zijn niet onderworpen aan de bepalingen van Hoofdstuk VI van het ontwerpbesluit.

Hoofdstuk VII - Verplichtingen en verbodsbepalingen

Art. 48.Zoals ook het geval is voor Hoofdstuk VI, zijn de bepalingen van dit hoofdstuk die een kwantitatieve regel bevatten, op geconsolideerde basis van toepassing, wat betekent dat met de volledige groep rekening dient te worden gehouden. Het feit dat één van de betrokken bepalingen niet wordt nageleefd door een bepaalde, individueel genomen vennootschap, heeft in principe geen invloed op de beoordeling van de naleving van deze bepaling (die op groepsniveau gebeurt).

Art. 49.Dit artikel houdt in dat de openbare vastgoedbevak een persoon belast met de financiële dienst moet aanduiden.

Art. 50.Met toepassing van artikel 67, § 3 van de wet van 20 juli 2004, wordt in dit artikel bepaald dat artikel 67, § 1 en 2 van dezelfde wet niet van toepassing is op openbare vastgoedbevaks. Deze uitzondering is meer dan gerechtvaardigd, aangezien de openbare vastgoedbevaks de verplichting hebben om hun dochtervennootschappen te controleren. Dit artikel geldt ook voor de institutionele vastgoedbevaks.

Art. 51.Dit artikel neemt de verbodsbepaling over die opgenomen is in artikel 48 van het koninklijk besluit van 10 april 1995. Het geldt ook voor de institutionele vastgoedbevaks.

Art. 52.Dit artikel neemt de verbodsbepalingen over die opgenomen zijn in artikel 51 van het koninklijk besluit van 10 april 1995, met uitzondering van punt 4° (verbod om effecten te verwerven die uitgegeven zijn door vennootschappen die niet ten minste voor twee boekjaren een jaarrekening hebben openbaar gemaakt), waarvan het behoud niet gerechtvaardigd is. Het artikel is ook van toepassing op de institutionele vastgoedbevaks.

Art. 53.De regels die betrekking hebben op de schuldratio zijn van bijzonder belang in de regeling die wordt ingevoerd door het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd. Er wordt een maximale schuldgraad vastgelegd. Net zoals in het koninklijk besluit van 10 april 1995, bedraagt die maximale schuldratio 65 %. Dit maximumpercentage moet op twee niveaus worden gerespecteerd. Enerzijds wordt er een eerste begrenzing vastgelegd, die inhoudt dat de geconsolideerde schuldgraad niet meer mag bedragen dan 65 % van de geconsolideerde activa van de groep. Anderzijds is de openbare vastgoedbevak verplicht haar enkelvoudige schuldgraad te beperken tot 65 % van haar statutaire activa. Indien een vennootschap van de groep die niet de openbare vastgoedbevak is, die schuldgraad individueel overschrijdt, vormt dit dus geen inbreuk op dit artikel. De openbare vastgoedbevak mag haar schulden dus toewijzen zoals zij wil binnen de groep, voor zover de enkelvoudige schuldgraad van de openbare vastgoedbevak nooit meer bedraagt dan 65 % van haar statutaire activa.

Artikel 53, eerste lid, geldt niet wanneer de overschrijding van de schuldgraad uitsluitend het gevolg is van een daling van de reële waarde van de activa. Een passieve overschrijding van de limiet van 65 % wordt niet in aanmerking genomen. Wanneer een nieuwe schuld wordt aangegaan, moet de waarde die de activa op dat ogenblik hebben, dus in aanmerking worden genomen om na te gaan of er al dan niet sprake is van een overschrijding van de limiet van 65 %. Met andere woorden, indien de schuldratio de limiet van 65 % reeds heeft overschreden vóór de nieuwe schuld wordt aangegaan, ten gevolge van een daling van de reële waarde van de portefeuille, belet dit niet dat deze bepaling wordt toegepast met inaanmerkingneming van de reële waarde die de activa hebben op het ogenblik dat de nieuwe schuld wordt aangegaan.

Indien de overschrijding van de maximale schuldgraad langer duurt dan twee jaar te rekenen vanaf de vaststelling van de overschrijding, moet de algemene vergadering bijeenkomen om te beraadslagen en te besluiten over de eventuele ontbinding van de openbare vastgoedbevak en eventueel over andere maatregelen. Zoals de woorden "voor welke reden dan ook" aangeven in het ontwerpbesluit, is die regel ook van toepassing wanneer de overschrijding uitsluitend veroorzaakt wordt door een variatie van de reële waarde van de activa van de vastgoedbevak.

Voor de beschrijving van de impact van de schuldgraad op de dividenduitkering wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 27.

Art. 54.Dit artikel vormt een aanvulling op de regeling die geldt voor de schuldgraad van de vastgoedbevaks en moet verhinderen dat de 65 % waarvan sprake is in artikel 53, overschreden wordt.

Indien de geconsolideerde schuldgraad meer bedraagt dan 50 % van de geconsolideerde activa, moet de openbare vastgoedbevak een financieel plan opstellen waarin zij een beschrijving geeft van de maatregelen die zullen worden genomen om te verhinderen dat de schuldgraad boven 65 % van de geconsolideerde activa zou stijgen. Over dit financieel plan wordt een verslag opgesteld door de commissaris. Het plan moet voorgelegd worden aan de CBFA en de algemene richtlijnen ervan moeten opgenomen worden in de periodieke verslagen. Indien de bekendmaking van bepaalde maatregelen de belangen van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen kan schaden, is het niet wenselijk te verlangen dat die maatregelen gedetailleerd worden bekendgemaakt.

Art. 55.In dit artikel wordt de regel overgenomen van artikel 52, § 1, derde lid van het koninklijk besluit van 10 april 1995. Dit artikel vormt een aanvulling op de regels over de maximale schuldgraad.

Terwijl deze laatste regels de schulden van de vastgoedbevak vergelijken met haar activa, wordt in dit artikel een vergelijking gemaakt tussen (a) de financiële lasten die aan de schulden verbonden zijn en (b) het operationeel resultaat evenals bepaalde elementen van het financieel resultaat van de vastgoedbevak.

Art. 56 en 57. Via deze bepalingen wordt de regeling van artikel 53 van het koninklijk besluit van 10 april 1995 gewijzigd. De nieuwe regeling bestaat uit twee delen.

Enerzijds bepaalt artikel 56 dat de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen enkel binnen de groep zelf kredieten mogen verstrekken en zekerheden mogen stellen. Derden zijn dus uitgesloten.

Artikel 57, eerste lid, voegt hieraan toe dat de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen enkel zekerheden mogen stellen in het kader van de financiering van hun vastgoedactiviteiten.

De burgerrechtelijke gevolgen bij niet-naleving van deze bepaling vallen onder de algemene theorie van de nietigheid zoals die in de rechtspraak en de rechtsleer is ontwikkeld. Artikel 56 en artikel 57, eerste lid, zijn cumulatief van toepassing.

Anderzijds legt artikel 57, tweede en derde lid, kwantitatieve beperkingen op. In dit verband merken we op dat de maximumpercentages (maar niet de drempels) van artikel 53, tweede lid van het koninklijk besluit van 10 april 1995 behouden werden.

Art. 58.Dit artikel beperkt de verwerving door de vastgoedbevak van met een hypotheek bezwaarde onroerende goederen. Het stemt overeen met artikel 54 van het koninklijk besluit van 10 april 1995.

Titel III - Institutionele vastgoedbevak Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen

Art. 59.Dit artikel bepaalt dat Titel III uitsluitend van toepassing is op institutionele vastgoedbevaks.

Art. 60.Zoals hierboven vermeld wordt, wijkt de regeling waaraan de institutionele vastgoedbevaks onderworpen zijn op sommige punten af van de regeling voor de openbare vastgoedbevaks. Op legistiek vlak wordt in het ontwerpbesluit de volgende werkwijze gehanteerd : alle bepalingen van Titel II (die in de eerste plaats gewijd is aan de openbare vastgoedbevak) zijn ook van toepassing op de institutionele vastgoedbevak, met uitzondering van de bepalingen die in dit artikel zijn vermeld.

Dit onderscheid in regeling vindt zijn rechtvaardiging in het feit dat de effecten van de institutionele vastgoedbevaks enkel mogen worden gehouden door institutionele of professionele beleggers die voor eigen rekening handelen en dat ze niet verondersteld worden in handen te komen van het publiek. Het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, gaat er immers van uit dat er geen institutionele vastgoedbevaks zijn die geen dochtervennootschap zijn van een openbare vastgoedbevak (zie verder, toelichting bij artikel 56). Het belang van het publiek is dus maar indirect in het geding. Aangezien een groot deel van de bepalingen van het ontwerpbesluit van toepassing zijn op de groep in zijn geheel, is het overigens niet gerechtvaardigd dat ze op statutair niveau van toepassing zijn op een institutionele vastgoedbevak.

We bespreken hier kort de voornaamste punten van onderscheid tussen de regeling voor institutionele vastgoedbevaks en die voor openbare vastgoedbevaks, zoals ze uit dit artikel naar voren komen.

Ten eerste kan opgemerkt worden dat sommige vereisten met betrekking tot de inhoud van het inschrijvingsdossier niet van toepassing zijn op de institutionele vastgoedbevaks.

De institutionele vastgoedbevaks dienen ook geen deskundige aan te duiden. De deskundige die door de openbare vastgoedbevak is aangeduid, zal evenwel ook het vastgoedpatrimonium waarderen van haar dochtervennootschappen, ongeacht of zij het statuut hebben van institutionele vastgoedbevak of niet, conform de artikelen 29, 30 en 31 van het ontwerpbesluit.

Terwijl dit niet het geval is voor de openbare vastgoedbevak, staat het de institutionele vastgoedbevak volledig vrij een kapitaalverhoging door te voeren met afschaffing van het voorkeurrecht. De openbare vastgoedbevak die controleaandeelhouder is van de institutionele vastgoedbevak bevindt zich immers niet in dezelfde situatie als de leden van het publiek die (minderheids)aandeelhouders zijn van een genoteerde vennootschap.

De bepalingen die betrekking hebben op de vergoeding van de persoon belast met de financiële dienst en van de deskundigen en commissarissen zijn niet als dusdanig van toepassing op de institutionele vastgoedbevak. De institutionele vastgoedbevak is immers niet verplicht een persoon belast met de financiële dienst aan te duiden of een deskundige te benoemen en is onderworpen aan de bepalingen van het gemeen recht voor wat betreft de commissarissen. De vergoedingen die door de dochtervennootschappen van de openbare vastgoedbevak worden uitgekeerd, vallen echter wel onder deze bepaling.

De verplichtingen die de openbare vastgoedbevak als openbare en genoteerde vennootschap heeft, zijn niet van toepassing op de institutionele vastgoedbevak. Het betreft hier de verplichting om een promotor te hebben, om ervoor te zorgen dat minstens 30 % van de effecten onder het publiek wordt verspreid, om een jaarverslag te publiceren conform de bepalingen van het koninklijk besluit van 14 november 2007 en van de bijlage bij dit ontwerpbesluit en om belangrijke persmededelingen te laten goedkeuren door de CBFA. Van deze regel wordt uiteraard afgeweken wanneer de institutionele vastgoedbevak genoteerd is op een gereglementeerde markt. In dit geval gelden de wettelijke bepalingen die op alle genoteerde vennootschappen van toepassing zijn.

De bepalingen over het beleggingsbeleid zijn niet van toepassing op de individueel beschouwde institutionele vastgoedbevak. De situatie van de groep moet in haar geheel worden beschouwd, rekening houdend met alle vennootschappen die in de consolidatieperimeter zijn opgenomen.

Dit geldt ook voor de bepalingen van Hoofdstuk VII (Verplichtingen en verbodsbepalingen).

Art. 61 - Met toepassing van artikel 110 van de wet van 20 juli 2004, somt dit artikel de bepalingen van dezelfde wet op die van toepassing zijn op institutionele vastgoedbevaks en bepaalt het op die manier welke verplichtingen en verbodsbepalingen gelden voor die vastgoedbevaks. We vermelden hier in het bijzonder de artikelen over de inschrijvingsvoorwaarden en het inschrijvingsdossier, de beleidsstructuur (met uitzondering van sommige bepalingen van artikel 41 - zie verder), de statuten, de belangenconflicten, de boekhouding en het toezicht, evenals de administratieve maatregelen die de CBFA kan nemen.

Hoofdstuk II - Inschrijving Art. 62 tot 64 - Deze artikelen regelen de bijzondere aspecten van de inschrijvingsprocedure die geldt voor institutionele vastgoedbevaks.

Hoofdstuk III - Werking Art. 65 tot 67 - De artikelen 65 en 66 bepalen de wijze waarop sommige bepalingen van het ontwerpbesluit moeten worden toegepast op de institutionele vastgoedbevaks.

Artikel 67 verlangt dat de raad van bestuur van institutionele vastgoedbevaks waarvan het volledige kapitaal niet rechtstreeks of onrechtstreeks in het bezit is van de openbare vastgoedbevak, voor minstens een kwart is samengesteld uit niet-uitvoerende bestuurders die op het niveau van de openbare vastgoedbevak de hoedanigheid hebben van onafhankelijk bestuurder.

Hoofdstuk IV - Aandeelhoudersstructuur Art. 68 - In dit artikel wordt een van de basisprincipes geformuleerd van de regeling die geldt voor institutionele vastgoedbevaks. De controle die door een openbare vastgoedbevak wordt uitgeoefend over een institutionele vastgoedbevak wordt in het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd enkel beschouwd als een bijzondere modaliteit van de uitoefening van de eigen activiteit van die openbare vastgoedbevak. Het ontwerpbesluit moet de openbare vastgoedbevak in staat stellen om met een externe partner projecten uit te voeren op bepaalde goederen. Daarom is het uitgesloten dat een institutionele vastgoedbevak niet in fine gecontroleerd wordt door een openbare vastgoedbevak.

Art. 69 - Dit artikel legt de voorwaarden vast waaraan de institutionele vastgoedbevaks moeten voldoen om geacht te worden passende maatregelen te hebben genomen om te garanderen dat de houders van haar effecten de hoedanigheid van institutioneel of professioneel belegger hebben. In dit artikel worden de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 september 2006 houdende bepaalde uitvoeringsmaatregelen voor de institutionele instellingen voor collectieve belegging in schuldvorderingen grotendeels overgenomen.

Hoofdstuk V - Resultaatverwerking Art. 70 - Voor de institutionele vastgoedbevaks geldt net zoals voor de openbare vastgoedbevaks de verplichting een dividend uit te keren, conform artikel 27, § 1 van het ontwerpbesluit en binnen de perken van artikel 617 van het Wetboek van vennootschappen. Die verplichting tot dividenduitkering is echter niet van toepassing wanneer de geconsolideerde of enkelvoudige schuldgraad van de openbare vastgoedbevak reeds meer bedraagt dan 65 % of dat percentage zou overschrijden als gevolg van de betrokken dividenduitkering. In een dergelijk geval heeft de institutionele vastgoedbevak de mogelijkheid om een uitkering aan haar aandeelhouders te verrichten, indien de openbare vastgoedbevak die over haar de controle uitoefent, het deel van de uitkering dat haar toekomt, als onbeschikbare reserve reserveert. De regeling die voor die reservering geldt, is vergelijkbaar met die waarin voorzien is in artikel 27, § 2, tweede en derde lid. In tegenstelling tot de openbare vastgoedbevak, heeft de institutionele vastgoedbevak wel de mogelijkheid een uitkering te verrichten wanneer haar enkelvoudige schuldgraad meer bedraagt dan 65 %.

Deze bepaling is niet van toepassing op de institutionele vastgoedbevaks waarvan het kapitaal rechtstreeks of onrechtstreeks volledig in handen is van dezelfde openbare vastgoedbevak.

Die regel, die inhoudt dat er aan de uitkeringen aan de aandeelhouders door de institutionele vastgoedbevak een voorwaarde is verbonden waarvan de verwezenlijking (tenminste in bepaalde gevallen) niet van haarzelf afhangt, strekt tot bescherming van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak. Die hebben er belang bij dat de eventuele partnerschappen met derden geen afbreuk doen aan de financiële soliditeit van de openbare vastgoedbevak. Het belang van de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak, dat beschermd wordt door artikel 9 van de wet van 20 juli 2004, beperkt immers de mate waarin de oprichting en het beheer van een institutionele vastgoedbevak is toegestaan door het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd. Er dient ook benadrukt te worden dat de institutionele vastgoedbevak er eveneens belang bij heeft dat de openbare vastgoedbevak die haar controleert, over voldoende financiële soliditeit beschikt.

Hoofdstuk VI - Toezicht Art. 71 et 72 - In deze artikelen wordt bepaald dat de institutionele vastgoedbevaks onderworpen zijn aan het toezicht van de CBFA en worden de grenzen van dit toezicht vastgelegd.

Titel IV - Inwerkingtreding en diverse bepalingen Art. 73, 74 en 75 - Deze bepalingen regelen de inwerkingtreding van het ontwerpbesluit. Zij werden aangepast aan de opmerkingen van de afdeling wetgeving van de Raad van State.

Het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd, voorziet in de opheffing van de reglementaire bepalingen die momenteel van toepassing zijn, namelijk de koninklijk besluiten van 10 april 1995 en 21 juni 2006.

Wat de boekhoudkundige bepalingen betreft, was het wenselijk in een bijzondere inwerkingtredingsregeling te voorzien, om het verloop van de lopende boekjaren niet te verstoren. De inwerkingtreding van de artikelen 23, 25 en 26 van het ontwerpbesluit en de opheffing van de artikelen 37 en 38 van het koninklijk besluit van 10 april 1995 evenals van de artikelen 2 tot 5 van het koninklijk besluit van 21 juni 2006 wordt dus uitgesteld tot de eerste dag van het eerste volledige boekjaar dat volgt op de inwerkingtreding van het ontwerpbesluit.

Aangezien daarvoor geen enkele grond bestaat, komen de openbare vastgoedbevaks die na de inwerkingtreding van het besluit zijn ingeschreven, echter niet in aanmerking voor deze bijzondere regeling.

Anderzijds biedt artikel 74, § 2 de mogelijkheid aan de openbare vastgoedbevaks die dit wensen, om de nieuwe boekhoudregels onmiddellijk toe te passen voor de jaar- en halfjaarrekeningen die nog niet zijn opgesteld door de raad van bestuur of de zaakvoerder van de vastgoedbevak op het ogenblik van de inwerkingtreding van het ontwerpbesluit dat U ter ondertekening wordt voorgelegd.

Er wordt verduidelijkt dat voor de institutionele vastgoedbevaks dezelfde overgangsregeling geldt als voor de openbare vastgoedbevak die over hen de controle heeft. In de veronderstelling dat de openbare vastgoedbevak die de controle heeft over de betrokken institutionele vastgoedbevak al ingeschreven is op de datum van bekendmaking van het besluit, zal deze laatste bijvoorbeeld de boekhoudschema's toepassen waarin de bestaande regeling voorziet (koninklijk besluiten van 10 april 1995 en van 21 juni 2006) of de boekhoudschema's waarin het nieuwe besluit voorziet, naargelang de openbare vastgoedbevak al dan niet gebruik maakt van de mogelijkheid die in artikel 74, § 2 wordt geboden. Indien de institutionele vastgoedbevak gecontroleerd wordt door een openbare vastgoedbevak die niet is ingeschreven op de datum van bekendmaking van het besluit, zijn de nieuwe boekhoudschema's onmiddellijk van toepassing. Die regeling is een uitvloeisel van het beginsel dat een pas ingeschreven institutionele vastgoedbevak onmiddellijk de IFRS-normen moet kunnen toepassen.

Artikel 27, § 1, dat betrekking heeft op de verplichting van de vastgoedbevak om een dividend uit te keren, is in elk geval onmiddellijk van toepassing. De openbare vastgoedbevaks die geen gebruik maken van de voornoemde mogelijkheid (alsook de institutionele vastgoedbevaks die zij controleren), moeten bijgevolg extracomptabel het schema opstellen dat opgenomen is in Hoofdstuk 4 van bijlage C van het ontwerpbesluit, om het bedrag te bepalen van het dividend dat uitgekeerd kan worden. Die regel is enkel van toepassing indien de jaarrekening en het dividend met betrekking tot het boekjaar op het ogenblik van de inwerkingtreding van het koninklijk besluit nog niet zijn opgesteld door de raad van bestuur om aan de algemene vergadering te worden voorgelegd.

Voor de inwerkingtreding van de regel die de enkelvoudige schuldratio van de openbare vastgoedbevaks beperkt, is voorzien in een overgangsperiode van twaalf maanden. Het koninklijk besluit van 10 april 1995 bevat namelijk geen dergelijke regel (onder de bestaande regeling wordt de schuldratio altijd op geconsolideerd niveau gemeten), en bovendien leek het aangewezen een zekere termijn te geven aan de vastgoedbevaks waarvan de enkelvoudige schuldratio momenteel meer bedraagt dan 65 %, zodat ze hun schuld kunnen herstructureren.

Bijgevolg wordt ook de toepassing van artikel 27, § 2 van het ontwerpbesluit, dat een verbod bevat voor de openbare vastgoedbevak om uitkeringen aan haar aandeelhouders te verrichten indien haar enkelvoudige of geconsolideerde schuldratio meer bedraagt dan 65 %, met twaalf maanden uitgesteld voor overschrijdingen van de enkelvoudige schuldratio. Dit geldt ook voor artikel 70 van het voorontwerp, dat tijdens die periode enkel van toepassing zal zijn op overschrijdingen van de geconsolideerde schuldratio van de openbare vastgoedbevak. Die bepalingen zijn onmiddellijk en volledig van toepassing op alle dividenduitkeringen die nog niet zijn goedgekeurd door de algemene vergadering na een termijn van twaalf maanden na de inwerkingtreding van het besluit.

Er wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 9 voor de bespreking van de overgangsregeling waarin voorzien is betreffende de verplichte aanwezigheid van de onafhankelijke bestuurders in de raad van bestuur.

De bepalingen over de vergoeding van de deskundige evenals over de duur van de termijn waarvoor hij is benoemd, zijn niet onmiddellijk van toepassing.

Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, D. REYNDERS _______ Nota's (1)Inzonderheid aan de regels voor de samenstelling van de raad van bestuur, de effectieve leiding en de beheerstructuur van de vastgoedbevak. (2) Ter zake wordt bijvoorbeeld verwezen naar het decreet van de Franse Gemeenschap van België van 14 november 2008 betreffende het programma voor uitzonderlijke financiering van renovatie, bouw-, verbouwings- of uitbreidingsprojecten voor schoolgebouwen via partnerschappen tussen de openbare en privésectoren.(3) Op te merken valt dat er, met toepassing van artikel 524 van het Wetboek van vennootschappen (intragroepsverrichtingen), nu reeds drie onafhankelijke bestuurders moeten zijn.Het gaat hier om een occasionele verplichting (die van toepassing is bij bepaalde, duidelijk gedefinieerde verrichtingen) en niet om een continue verplichting, zoals de verplichting die wordt ingevoerd door het U ter ondertekening voorgelegde besluit. (4) Criteria gedefinieerd in artikel 524, § 4, tweede lid, van het Wetboek van Vennootschappen, zoals vervangen bij artikel 32 van de wet van 2 augustus 2002 houdende wijziging van het Wetboek van vennootschappen alsook van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen. 7 DECEMBER 2010. - Koninklijk besluit met betrekking tot vastgoedbevaks ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de Grondwet, artikel 108;

Gelet op de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, de artikelen 7, tweede lid, 17, gewijzigd bij artikel 48 van de wet van 20 juni 2005 en bij artikel 83 van de wet van 16 juni 2006, 19, 29, 41, § 1, 5°, tweede lid, 44, 65, gewijzigd bij artikel 54 van de wet van 20 juni 2005, 67, § 3, gewijzigd bij artikel 55 van de wet van 20 juni 2005, 68, gewijzigd bij artikel 56 van de wet van 20 juni 2005, 72, gewijzigd bij artikel 57 van de wet van 20 juni 2005, 74, gewijzigd bij de artikel 59 van de wet van 20 juni 2005, 76, § 3, derde lid, 77, 100, derde lid, ingevoegd bij artikel 113 van de wet van 16 juni 2006, 107, 110 en 112;

Gelet op het koninklijk besluit van 10 april 1995 met betrekking tot vastgoedbevaks;

Gelet op het koninklijk besluit van 21 juni 2006 op de boekhouding, de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van openbare vastgoedbevaks, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 april 1995 met betrekking tot vastgoedbevaks;

Gelet op het koninklijk besluit van 7 december 2007 met betrekking tot de inwerkingtreding van de artikelen 97 tot 99, 107, 110, eerste lid, en 112 van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles;

Gelet op het koninklijk besluit van 20 september 2009 tot vaststelling van de inwerkingtreding van de artikelen 100 tot 102 van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles;

Gelet op de open raadpleging in de zin van artikel 2, 18°, van de wet van 2 augustus 2002, die werd georganiseerd door de FOD Financiën en die liep van 12 tot 26 februari 2010;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 8 juni 2010;

Gelet op het advies van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen, gegeven op 12 mei 2010;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, d.d. 27 oktober 2010;

Gelet op advies 48.884/2 van de Raad van State, gegeven op 24 november 2010, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, Besluit : TITEL I - Algemene bepalingen

Artikel 1.§ 1. Dit besluit definieert, krachtens artikel 7, tweede lid, van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, de in artikel 7, eerste lid, 5°, van diezelfde wet bedoelde categorie van toegelaten beleggingen.

Dit besluit is van toepassing op de volgende instellingen voor collectieve belegging : 1° de in de artikelen 17 en 19 van voornoemde wet bedoelde openbare instellingen voor collectieve belegging met een vast aantal rechten van deelneming die opteren voor de in deze paragraaf bedoelde categorie van toegelaten beleggingen;2° de in de artikelen 100 en 102 van voornoemde wet bedoelde institutionele instellingen voor collectieve belegging met een vast aantal rechten van deelneming die opteren voor de in deze paragraaf bedoelde categorie van toegelaten beleggingen. § 2. De in § 1 bedoelde instellingen kunnen enkel als beleggingsvennootschap met vast kapitaal worden opgericht.

Art. 2.Voor de toepassing van dit besluit wordt, behoudens andersluidende bepaling, verstaan onder : 1° de wet : de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles;2° de wet van 22 maart 1993 : de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen;3° de wet van 6 april 1995 : de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen;4° de wet van 2 augustus 2002 : de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;5° de wet van 16 juni 2006 : de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt;6° de wet van 2 mei 2007 : de wet van 2 mei 2007 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in emittenten waarvan aandelen zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt en houdende diverse bepalingen (1);7° het koninklijk besluit van 10 april 1995 : het koninklijk besluit van 10 april 1995 met betrekking tot vastgoedbevaks;8° het koninklijk besluit van 30 januari 2001 : het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen;9° het koninklijk besluit van 7 maart 2006 : het koninklijk besluit van 7 maart 2006 met betrekking tot de effectenleningen door bepaalde instellingen voor collectieve belegging;10° het koninklijk besluit van 21 juni 2006 : het koninklijk besluit van 21 juni 2006 op de boekhouding, de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van openbare vastgoedbevaks, en tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 april 1995 met betrekking tot vastgoedbevaks;11° het koninklijk besluit van 14 november 2007 : het koninklijk besluit van 14 november 2007 betreffende de verplichtingen van emittenten van financiële instrumenten die zijn toegelaten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt;12° Verordening (EG) nr.1606/2002 : Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen; 13° vennootschap met vast kapitaal voor belegging in vastgoed (verkort : "vastgoedbevak") : de instelling voor collectieve belegging naar Belgisch recht bedoeld in de artikelen 17 en 19 of de artikelen 100 en 102 van de wet, met als uitsluitend doel de collectieve belegging in de in artikel 7, eerste lid, 5°, van de wet bedoelde categorie van toegelaten beleggingen;14° openbare vastgoedbevak : de instelling voor collectieve belegging bedoeld in artikel 1, § 1, tweede lid, 1°;15° institutionele vastgoedbevak : de instelling voor collectieve belegging bedoeld in artikel 1, § 1, tweede lid, 2°;16° vastgoedvennootschap : de vennootschap naar Belgisch of buitenlands recht met als statutair hoofddoel de oprichting, de verwerving, het beheer, het verbouwen of de verkoop, alsook de verhuur van vastgoed voor eigen rekening, of het bezit van deelnemingen in vennootschappen met een soortgelijk doel;17° gereglementeerde markt : een gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, 3°, 5°, 6°, van de wet van 2 augustus 2002;18° institutionele of professionele beleggers : de institutionele of professionele beleggers in de zin van artikel 5, § 3, van de wet;19° netto-inventariswaarde : de waarde die wordt verkregen door het geconsolideerde nettoactief van de vastgoedbevak, na aftrek van de minderheidsbelangen, of, indien geen consolidatie plaatsvindt, het nettoactief op statutair niveau, te delen door het aantal door de vastgoedbevak uitgegeven aandelen, na aftrek van de eigen aandelen die, in voorkomend geval op geconsolideerd niveau, worden gehouden;20° vastgoed : - onroerende goederen als gedefinieerd in artikel 517 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, en de zakelijke rechten op onroerende goederen; - aandelen met stemrecht uitgegeven door vastgoedvennootschappen, die exclusief of gezamenlijk worden gecontroleerd door de vastgoedbevak; - optierechten op vastgoed; - aandelen van openbare of institutionele vastgoedbevaks, op voorwaarde dat hierover, in laatstgenoemd geval, een gezamenlijke of exclusieve controle wordt uitgeoefend; - rechten van deelneming in buitenlandse instellingen voor collectieve belegging in vastgoed die zijn ingeschreven op de in artikel 129 van de wet bedoelde lijst; - rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging in vastgoed die in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte zijn gevestigd en niet zijn ingeschreven op de in artikel 129 van de wet bedoelde lijst, voor zover zij aan een gelijkwaardig toezicht zijn onderworpen als de openbare vastgoedbevaks; - vastgoedcertificaten, zoals bedoeld in artikel 5, § 4, van de wet van 16 juni 2006; - rechten die voortvloeien uit contracten waarbij aan de vastgoedbevak één of meer goederen in leasing worden gegeven, of andere analoge gebruiksrechten worden verleend; 21° leasing : de leasing waarvan sprake in de IFRS-normen;22° effecten : de effecten zoals gedefinieerd in artikel 2, 31°, van de wet van 2 augustus 2002;23° toegelaten afdekkingsinstrumenten : de financiële instrumenten bedoeld in artikel 2, 1°, d), van de wet van 2 augustus 2002, die er uitsluitend toe strekken het rente- en wisselkoersrisico te dekken in het kader van de financiering en het beheer van het vastgoed van de vastgoedbevak;24° promotoren van de openbare vastgoedbevak : onder voorbehoud van artikel 21, de personen die een exclusieve of gezamenlijke controle uitoefenen over de openbare vastgoedbevak of over de zaakvoerder-rechtspersoon van de openbare vastgoedbevak die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen heeft aangenomen;25° deskundige : de krachtens artikel 6 door de vastgoedbevak aangeduide vastgoeddeskundige(n);26° persoon belast met de financiële dienst : de conform artikel 49 aangeduide financiële instelling die instaat voor de financiële dienst en voor de uitkering van het dividend en het overschot na vereffening, voor de afwikkeling van de door de openbare vastgoedbevak uitgegeven effecten en voor de verkrijgbaarstelling van de informatie die de vastgoedbevak krachtens de wetten en reglementen openbaar moet maken;27° controle : de controle zoals gedefinieerd in artikel 5 en volgende van het Wetboek van vennootschappen;28° gezamenlijke controle : de gezamenlijke controle zoals gedefinieerd in artikel 9 van het Wetboek van vennootschappen;29° exclusieve controle : de exclusieve controle zoals gedefinieerd in artikel 8 van het Wetboek van vennootschappen;30° in onderling overleg handelende persoon : de persoon die in onderling overleg handelt zoals gedefinieerd in artikel 3, § 1, 13°, van de wet van 2 mei 2007;31° dochtervennootschap : de dochtervennootschap zoals gedefinieerd in artikel 6, 2°, van het Wetboek van Vennootschappen;32° gezamenlijke dochtervennootschap : de gezamenlijke dochtervennootschap zoals gedefinieerd in artikel 9, tweede lid, van het Wetboek van vennootschappen;33° verbonden personen : de personen bedoeld in artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen;34° deelneming : de deelneming zoals gedefinieerd in artikel 13 van het Wetboek van vennootschappen;35° vennootschappen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat : de vennootschappen bedoeld in artikel 14 van het Wetboek van vennootschappen;36° IFRS-normen : de internationale standaarden voor jaarrekeningen goedgekeurde door de Europese Commissie met toepassing van artikel 3 van Verordening (EG) nr.1606/2002; en 37° CBFA : de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen bedoeld in artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002. TITEL II - Openbare vastgoedbevak

Art. 3.Deze titel regelt het statuut van de openbare vastgoedbevaks. HOOFDSTUK I - Inschrijvingsvoorwaarden Afdeling 1 - Inschrijvingsdossier

Art. 4.§ 1. De openbare vastgoedbevak moet een inschrijvingsaanvraag indienen bij de CBFA. Onverminderd de wettelijke bepalingen, moet bij de inschrijvingsaanvraag een dossier met de volgende informatie worden gevoegd : 1° een kopie van de statuten van de openbare vastgoedbevak (in voorkomend geval, in ontwerpvorm) alsook, in voorkomend geval, een kopie van de statuten van de zaakvoerder-rechtspersoon van de openbare vastgoedbevak die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen heeft aangenomen;2° de opgave van de personen met wie de openbare vastgoedbevak is verbonden of een deelnemingsverhouding heeft, en de aandeelhoudersovereenkomsten die de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak, in voorkomend geval, hebben gesloten;3° de opgave van de identiteit van de promotoren van de openbare vastgoedbevak;4° de samenstelling van de vennootschapsorganen van de openbare vastgoedbevak en van de zaakvoerder-rechtspersoon van de openbare vastgoedbevak die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen heeft aangenomen, alsook de opgave van de identiteit van de commissaris(sen) van de openbare vastgoedbevak;5° de opgave van de identiteit van de bestuurders, de zaakvoerders, de leden van het directiecomité, de personen belast met het dagelijks bestuur en de effectieve leiders van de openbare vastgoedbevak en van de zaakvoerder-rechtspersoon van de openbare vastgoedbevak die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen heeft aangenomen, waarbij met name een curriculum vitae en een recent uittreksel uit het strafregister worden overgelegd;6° de elementen waaruit blijkt dat voornoemde personen voldoen aan de artikelen 38 en 39 van de wet;7° de elementen waaruit blijkt dat de openbare vastgoedbevak en, in voorkomend geval, de zaakvoerder-rechtspersoon van de openbare vastgoedbevak die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen heeft aangenomen, voldoen aan artikel 40 van de wet;8° een beschrijving van de beleidsstructuur en van de administratieve, boekhoudkundige, financiële en technische organisatie van de openbare vastgoedbevak en, in voorkomend geval, van de zaakvoerder-rechtspersoon van de openbare vastgoedbevak die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen heeft aangenomen, in het licht van de door de openbare vastgoedbevak voorgenomen werkzaamheden;9° een financieel plan over een periode van drie jaar vanaf de datum van inschrijving op de in artikel 31 van de wet bedoelde lijst, met daarin inzonderheid (a) prospectieve balansen en resultatenrekeningen, (b) een minimum beleggingsbudget dat de openbare vastgoedbevak in staat stelt het door haar aangekondigde beleggingsbeleid tijdens voornoemde periode te verwezenlijken, alsook (c) een inventaris van het vastgoed dat de vennootschap al in bezit heeft, en van ander relevant vastgoed, samen met de informatie die nodig is om de naleving van de relevante bepalingen van Hoofdstukken VI en VII van deze Titel te kunnen verifiëren;10° de opgave van de identiteit van de in artikel 6 bedoelde deskundigen;11° de modelovereenkomst die wordt gesloten met de in artikel 6 bedoelde deskundige(n);12° behalve wanneer haar aandelen vóór haar vergunning al tot de verhandeling op een in artikel 2, 5°, van de wet van 2 augustus 2002 bedoelde Belgische gereglementeerde markt zijn toegelaten, de verbintenis van de openbare vastgoedbevak om de toelating van haar aandelen tot een dergelijke verhandeling te vragen binnen een termijn van maximum een jaar na haar inschrijving op voornoemde lijst;13° de bevestiging van de in artikel 22 bedoelde verbintenissen van de promotoren van de openbare vastgoedbevak;14° de opgave van de identiteit van de conform artikel 49 aangeduide persoon belast met de financiële dienst;en 15° elk ander element dat nodig is voor de beoordeling van de inschrijvingsaanvraag. § 2. De openbare vastgoedbevak wordt voor onbepaalde duur opgericht.

In afwijking van het eerste lid kan de CBFA toestaan dat een openbare vastgoedbevak voor bepaalde duur wordt opgericht, wanneer die duur verantwoord is op grond van de kenmerken van de geplande beleggingen.

Art. 5.Na haar inschrijving deelt de openbare vastgoedbevak de CBFA onmiddellijk elke wijziging in de elementen van haar inschrijvingdossier mee.

Op basis van deze nieuwe elementen en van alle andere informatie waarvan zij kennis heeft, onderzoekt de CBFA of nog steeds is voldaan aan de inschrijvingsvoorwaarden van de openbare vastgoedbevak.

Indien de CBFA, rekening houdend met deze nieuwe elementen, oordeelt dat niet langer aan de inschrijvingsvoorwaarden is voldaan, is Hoofdstuk V van Titel II van Boek II van de wet van toepassing.

Art. 6.§ 1. De openbare vastgoedbevak duidt één of meer onafhankelijke vastgoeddeskundigen aan die verantwoordelijk zijn voor de waardering van het in artikel 29, § 1, bedoelde vastgoed.

De deskundige is niet verbonden of heeft geen deelnemingsverhouding met de promotor, oefent bij hem geen beheertaken uit en heeft met hem geen andere band of relatie die zijn onafhankelijkheid in het gedrang zou kunnen brengen.

De deskundige bezit de voor vastgoedwaardering vereiste professionele betrouwbaarheid en passende ervaring, en beschikt over een geschikte organisatie voor zijn opdrachten als deskundige.

De vergoeding van de deskundige mag rechtstreeks noch onrechtstreeks verband houden met de waarde van het door hem aan een expertise onderworpen vastgoed. § 2. Onverminderd het tweede en het derde lid wordt de deskundige aangeduid voor een hernieuwbare termijn van drie jaar.

Een deskundige mag slechts gedurende maximaal drie jaar met de waardering van bepaald vastgoed worden belast.

Na afloop van die drie jaar mag dezelfde deskundige bepaald vastgoed pas waarderen nadat een periode van drie jaar is verstreken na afloop van de vorige periode.

Indien de deskundige een rechtspersoon is, zijn de in het tweede en het derde lid van deze paragraaf bedoelde regels uitsluitend van toepassing op de natuurlijke personen die de rechtspersoon vertegenwoordigen, op voorwaarde dat de deskundige aantoont dat tussen hen een passende functionele onafhankelijkheid bestaat. Afdeling 2 - Statuten

Art. 7.Onverminderd de relevante bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en van dit besluit, bevatten de statuten tenminste de in Bijlage A vermelde gegevens.

Art. 8.Elk ontwerp tot wijziging van de statuten van de openbare vastgoedbevak moet vooraf aan de CBFA worden voorgelegd. De CBFA geeft aan de openbare vastgoedbevak kennis van haar goedkeuring of weigering van de voorgestelde wijziging. HOOFDSTUK II - Werking Afdeling 1 - Bestuur

Art. 9.§ 1. De statuten van de openbare vastgoedbevak of, naargelang het geval, van de zaakvoerder-rechtspersoon van de openbare vastgoedbevak die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen heeft aangenomen, bepalen dat haar raad van bestuur zo wordt samengesteld dat de openbare vastgoedbevak autonoom en in het uitsluitend belang van haar aandeelhouders kan worden bestuurd. Verder bepalen de statuten ook dat de raad van bestuur minstens drie onafhankelijke leden telt in de zin van artikel 526ter van het Wetboek van vennootschappen.

Ingeval de openbare vastgoedbevak de vorm aanneemt van een commanditaire vennootschap op aandelen die door een zaakvoerder-rechtspersoon wordt bestuurd, bepalen de statuten van die zaakvoerder-rechtspersoon dat de naleving van de in artikel 526ter van het Wetboek van vennootschappen bedoelde criteria ook wordt beoordeeld alsof het betrokken onafhankelijke lid van de raad van bestuur van de zaakvoerder-rechtspersoon zelf bestuurder van de openbare vastgoedbevak zou zijn. § 2. De statuten van de openbare vastgoedbevak bepalen dat zij, voor elke daad van beschikking op vastgoed, wordt vertegenwoordigd door ten minste twee bestuurders samen of, indien zij de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen heeft aangenomen, door twee zaakvoerders, behalve wanneer zij slechts één zaakvoerder-rechtspersoon heeft. In laatstgenoemd geval, bepalen de statuten van de zaakvoerder-rechtspersoon dat hij door zijn permanente vertegenwoordiger en ten minste één bestuurder samen moet worden vertegenwoordigd.

De statuten kunnen bepalen dat de in het eerste lid vermelde regel niet van toepassing is wanneer een verrichting betrekking heeft op een goed waarvan de waarde minder bedraagt dan het laagste bedrag van 1 % van het geconsolideerde actief van de openbare vastgoedbevak en 2.500.000 EUR.

Art. 10.De bestuurders van de zaakvoerder-rechtspersoon van de openbare vastgoedbevak die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen heeft aangenomen, voldoen aan de artikelen 38 en 39 van de wet.

Bij de openbare vastgoedbevaks die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen hebben aangenomen, voldoet, in functie van de gekozen beleidsstructuur, de zaakvoerder-rechtspersoon of de openbare vastgoedbevak zelf aan artikel 40 van de wet.

Art. 11.De openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen kunnen de in artikel 3, 9°, a), van de wet bedoelde beheertaak toevertrouwen aan een verbonden vennootschap die is gespecialiseerd in vastgoedbeheer. Deze vennootschap moet over een administratieve, boekhoudkundige, financiële en technische organisatie beschikken die passend is voor het beheer van de beleggingsportefeuille van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen, en voor vastgoedbeleggingen. De bestuurders en de personen die de facto de effectieve leiding waarnemen, moeten de vereiste professionele betrouwbaarheid en de voor de uitoefening van die taken passende ervaring bezitten.

Indien één van de in artikel 3, 9°, van de wet bedoelde beheertaken aldus aan een derde wordt toevertrouwd door een dochtervennootschap van de openbare vastgoedbevak waarvan deze het kapitaal niet volledig in handen heeft, moeten de beheerkosten door die dochtervennootschap worden gedragen. Afdeling 2 - Kapitaal

Art. 12.De statuten van de openbare vastgoedbevak kunnen bepalen dat zij, met uitzondering van winstbewijzen en soortgelijke effecten en onder voorbehoud van de specifieke bepalingen van dit besluit, de in artikel 460 van het Wetboek van vennootschappen bedoelde effecten mag uitgeven conform de daar voorgeschreven regels.

Art. 13.§ 1. De statuten van de openbare vastgoedbevak bepalen dat, bij een kapitaalverhoging door inbreng in geld en onverminderd de toepassing van de artikelen 592 tot 598 van het Wetboek van vennootschappen, het voorkeurrecht enkel kan worden beperkt of opgeheven als aan de bestaande aandeelhouders een onherleidbaar toewijzingsrecht wordt verleend bij de toekenning van nieuwe effecten.

Dat onherleidbaar toewijzingsrecht voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° het heeft betrekking op alle nieuw uitgegeven effecten;2° het wordt aan de aandeelhouders verleend naar rato van het deel van het kapitaal dat hun aandelen vertegenwoordigen op het moment van de verrichting;3° uiterlijk aan de vooravond van de opening van de openbare inschrijvingsperiode wordt een maximumprijs per aandeel aangekondigd; en 4° de openbare inschrijvingsperiode moet in dat geval minimaal drie beursdagen bedragen. De statuten van de openbare vastgoedbevak kunnen bepalen dat, onverminderd de toepassing van de artikelen 595 tot 599 van het Wetboek van vennootschappen, de vorige leden niet van toepassing zijn bij een inbreng in geld met beperking of opheffing van het voorkeurrecht, in aanvulling op een inbreng in natura in het kader van de uitkering van een keuzedividend, voor zover dit effectief voor alle aandeelhouders betaalbaar wordt gesteld. § 2. De statuten van de openbare vastgoedbevak bepalen dat, onverminderd de artikelen 601 en 602 van het Wetboek van vennootschappen, de volgende voorwaarden moeten worden nageleefd bij de uitgifte van effecten tegen inbreng in natura : 1° de identiteit van de inbrenger moet worden vermeld in het in artikel 602 van het Wetboek van vennootschappen bedoelde verslag van de raad van bestuur of, naargelang het geval, van de zaakvoerder, alsook, in voorkomend geval, in de oproeping tot de algemene vergadering die voor de kapitaalverhoging wordt bijeengeroepen;2° de uitgifteprijs mag niet minder bedragen dan de laagste waarde van (a) een netto-inventariswaarde die dateert van ten hoogste vier maanden vóór de datum van de inbrengovereenkomst of, naar keuze van de openbare vastgoedbevak, vóór de datum van de akte van kapitaalverhoging, en (b) de gemiddelde slotkoers gedurende de dertig kalenderdagen voorafgaand aan diezelfde datum. De statuten van de vastgoedbevak kunnen bepalen dat het voor de toepassing van de vorige zin toegestaan is om van het in punt (b) van vorig lid bedoelde bedrag een bedrag af te trekken dat overeenstemt met het deel van het niet-uitgekeerde brutodividend waarop de nieuwe aandelen eventueel geen recht zouden geven, op voorwaarde dat de raad van bestuur het af te trekken bedrag van het gecumuleerde dividend specifiek verantwoordt in zijn bijzonder verslag en de financiële voorwaarden van de verrichting toelicht in zijn jaarlijks financieel verslag; 3° behalve indien de uitgifteprijs of, in het in § 3 bedoelde geval, de ruilverhouding, alsook de betrokken modaliteiten uiterlijk op de werkdag na de afsluiting van de inbrengovereenkomst worden bepaald en aan het publiek meegedeeld met vermelding van de termijn waarbinnen de kapitaalverhoging effectief zal worden doorgevoerd, wordt de akte van kapitaalverhoging verleden binnen een maximale termijn van vier maanden;en 4° het onder 1° bedoelde verslag moet ook de weerslag van de voorgestelde inbreng op de toestand van de vroegere aandeelhouders toelichten, in het bijzonder wat hun aandeel in de winst, in de netto-inventariswaarde en in het kapitaal betreft, alsook de impact op het vlak van de stemrechten. De statuten van de openbare vastgoedbevak kunnen bepalen dat deze paragraaf niet van toepassing is bij de inbreng van het recht op dividend in het kader van de uitkering van een keuzedividend, voor zover dit effectief voor alle aandeelhouders betaalbaar wordt gesteld. § 3. De statuten van de openbare vastgoedbevak bepalen dat § 2 mutatis mutandis van toepassing is op de in de artikelen 671 tot 677, 681 tot 758 en 772/1 van het Wetboek van vennootschappen bedoelde fusies, splitsingen en gelijkgestelde verrichtingen.

In laatstgenoemd geval verwijst "datum van de inbrengovereenkomst" naar de datum waarop het fusie- of splitsingsvoorstel wordt neergelegd.

Art. 14.De statuten van de openbare vastgoedbevak bepalen dat, bij een kapitaalverhoging door inbreng in geld bij een institutionele vastgoedbevak tegen een prijs die 10 % of meer lager ligt dan de laagste waarde van (a) een netto-inventariswaarde die dateert van ten hoogste vier maanden vóór de aanvang van de uitgifte, en (b) de gemiddelde slotkoers gedurende de dertig kalenderdagen vóór de aanvangsdatum van de uitgifte, de raad van bestuur van de openbare vastgoedbevak of, naargelang het geval, de zaakvoerder een verslag opstelt waarin hij toelichting geeft bij de economische rechtvaardiging van het toegepaste disagio, bij de financiële gevolgen van de verrichting voor de aandeelhouders van de openbare vastgoedbevak en bij het belang van de betrokken kapitaalverhoging voor de openbare vastgoedbevak. Dit verslag en de toegepaste waarderingscriteria en -methodes worden door de commissaris van de openbare vastgoedbevak in een afzonderlijk verslag toegelicht. De verslagen van de raad van bestuur of, naargelang het geval, de zaakvoerder en van de commissaris worden uiterlijk op de aanvangsdatum van de uitgifte en in elk geval zodra de prijs wordt vastgesteld, indien dit eerder gebeurt, gepubliceerd conform artikel 35 en volgende van het koninklijk besluit van 14 november 2007.

De statuten van de vastgoedbevak kunnen bepalen dat het voor de toepassing van de vorige leden toegestaan is om van het in punt (b) van het eerste lid bedoelde bedrag een bedrag af te trekken dat overeenstemt met het deel van het niet-uitgekeerde brutodividend waarop de nieuwe aandelen eventueel geen recht zouden geven, op voorwaarde dat de raad van bestuur van de openbare vastgoedbevak het af te trekken bedrag van het gecumuleerde dividend specifiek verantwoordt en de financiële voorwaarden van de verrichting in zijn jaarlijks financieel verslag toelicht.

Ingeval de institutionele vastgoedbevak niet genoteerd is, bepalen de statuten van de openbare vastgoedbevak dat het in het eerste lid bedoelde disagio enkel wordt berekend op basis van een netto-inventariswaarde die van ten hoogste vier maanden dateert.

Deze paragraaf is niet van toepassing op kapitaalverhogingen die volledig worden onderschreven door de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen waarvan het kapitaal rechtreeks of onrechtstreeks volledig in handen is van die openbare vastgoedbevak. Afdeling 3 - Verzekeringsdekking

Art. 15.De openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen moeten een passende verzekeringsdekking onderschrijven voor al hun onroerende goederen.

De verzekeringsdekking moet aan de gebruikelijke marktvoorwaarden voldoen.

Het percentage van de reële waarde van de onroerende goederen die onder de verzekeringsdekking vallen, wordt in het jaarlijks financieel verslag vermeld. Afdeling 4 - Vergoedingen, provisies en kosten

Art. 16.§ 1. Onder de elementen in Hoofdstuk I, Deel I, Afdeling 2, rubrieken XII, XIII en XIV van Bijlage C worden de vergoedingen van de persoon belast met de financiële dienst en van de deskundigen en de commissarissen, die ten laste zijn van de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen, alsook hun grondslagen en hun berekeningswijze op individuele basis opgesomd in het jaarlijks financieel verslag van de openbare vastgoedbevak. Daarbij wordt meer specifiek een uitsplitsing gemaakt naar de verschillende betrokken dienstverleners en de vennootschappen die de desbetreffende kosten dragen, alsook, wat de commissaris betreft, naar de bezoldigingen die hij in het kader van zijn revisorale opdracht en daarbuiten ontvangt, conform artikel 134 van het Wetboek van vennootschappen.

Deze vergoedingen worden ook vermeld in het prospectus dat door de openbare vastgoedbevak wordt opgesteld, voor zover zij op het ogenblik waarop het prospectus wordt opgesteld, bepaald of bepaalbaar zijn. § 2. De vaste vergoeding van (a) de bestuurders, de zaakvoerders, de leden van het directiecomité, de personen belast met het dagelijks bestuur en de effectieve leiders van de openbare vastgoedbevak, en (b) de bestuurders, de zaakvoerders, de leden van het directiecomité, de personen belast met het dagelijks bestuur en de effectieve leiders van de zaakvoerder-rechtspersoon van de openbare vastgoedbevak die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen heeft aangenomen, mag niet worden bepaald in functie van de door de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen uitgevoerde verrichtingen en transacties.

Aan de in het eerste lid bedoelde personen kan een variabele vergoeding worden toegekend, voor zover (a) de criteria voor de toekenning van die variabele vergoeding of van het deel van die variabele vergoeding dat van de resultaten afhangt, uitsluitend betrekking hebben op het geconsolideerde nettoresultaat van de openbare vastgoedbevak, met uitsluiting van alle schommelingen van de reële waarde van de activa en de afdekkingsinstrumenten, en (b) geen vergoeding wordt toegekend in functie van een specifieke verrichting of transactie van de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen. § 3. Met uitzondering van eventuele makelaarslonen voor effectentransacties, van de taksen met betrekking tot die transacties, en van de eventuele vergoeding van onafhankelijke externe consultants, mogen geen provisies, rechten of kosten ten laste worden gelegd van de openbare vastgoedbevak bij de verwerving van : 1° effecten die zijn uitgegeven door een vennootschap waarmee de openbare vastgoedbevak, de zaakvoerder-rechtspersoon van de openbare vastgoedbevak die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen heeft aangenomen, of een promotor van de openbare vastgoedbevak is verbonden of een deelnemingsverhouding heeft;en 2° rechten van deelneming in een andere instelling voor collectieve belegging die rechtstreeks of onrechtstreeks wordt beheerd door de zaakvoerder-rechtspersoon van de openbare vastgoedbevak die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen heeft aangenomen, door een promotor van de openbare vastgoedbevak, of door een vennootschap waarmee de openbare vastgoedbevak, de zaakvoerder-rechtspersoon van de openbare vastgoedbevak die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen heeft aangenomen, of een promotor van de openbare vastgoedbevak is verbonden of een deelnemingsverhouding heeft. Afdeling 5 - Voorkoming van belangenconflicten

Art. 17.De in artikel 6 bedoelde deskundigen, alsook, wanneer het een vennootschap betreft, haar bestuurders, de personen belast met haar dagelijks bestuur, haar zaakvoerders, directeuren of lasthebbers mogen niet optreden als tegenpartij bij verrichtingen met de openbare vastgoedbevak of één van haar dochtervennootschappen, noch enig vermogensvoordeel halen uit een verrichting op een actief van de openbare vastgoedbevak of één van haar dochtervennootschappen.

Indien verschillende deskundigen zijn benoemd, die ieder een afzonderlijk deel van het vermogen van de openbare vastgoedbevak waarderen, is het eerste lid slechts persoonlijk op hen van toepassing voor het deel van het vermogen dat zij waarderen, en voor het deel van het vermogen dat zij op een gegeven moment in de voorbije drie jaar hebben gewaardeerd.

Art. 18.§ 1. De door de openbare vastgoedbevak of één van haar dochtervennootschappen geplande verrichtingen moeten ter kennis worden gebracht van de CBFA, als één of meer van de volgende personen rechtstreeks of onrechtstreeks als tegenpartij bij die verrichtingen optreden of er enig vermogensvoordeel uit halen : 1° de personen die de openbare vastgoedbevak controleren of er een deelneming in bezitten;2° de personen met wie (a) de openbare vastgoedbevak, (b) een dochtervennootschap van de openbare vastgoedbevak, (c) de zaakvoerder-rechtspersoon van de openbare vastgoedbevak die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen heeft aangenomen, of van een door haar gecontroleerde vennootschap, (d) de promotor en (e) de andere aandeelhouders van een dochtervennootschap van de openbare vastgoedbevak, zijn verbonden of een deelnemingsverhouding hebben;3° de zaakvoerder-rechtspersoon van de openbare vastgoedbevak of één van haar dochtervennootschappen die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen heeft aangenomen;4° de promotor van de openbare vastgoedbevak;5° de andere aandeelhouders van alle dochtervennootschappen van de openbare vastgoedbevak;en 6° de bestuurders, de zaakvoerders, de leden van het directiecomité, de personen belast met het dagelijks bestuur, de effectieve leiders of de lasthebbers;a) van de openbare vastgoedbevak of een van haar dochtervennootschappen;b) van de zaakvoerder-rechtspersoon van de openbare vastgoedbevak of één van haar dochtervennootschappen die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen heeft aangenomen;c) van de promotor;d) van de andere aandeelhouders van enige dochtervennootschap van de openbare vastgoedbevak;en e) van één van de in de bepaling onder 1° van deze paragraaf bedoelde personen. § 2. In haar mededeling aan de CBFA moet de openbare vastgoedbevak aantonen dat de geplande verrichting van belang is voor haar, alsook dat die verrichting zich binnen haar beleggingsbeleid situeert.

Oordeelt de CBFA dat de gegevens in de voorafgaande mededeling onvoldoende, onvolledig, niet afdoend of irrelevant zijn, dan geeft zij hiervan kennis aan de openbare vastgoedbevak.

Wordt hiermee geen rekening gehouden, dan kan de CBFA haar standpunt publiceren.

De in deze paragraaf bedoelde gegevens, desgevallend aangepast aan het standpunt van de CBFA, worden onmiddellijk openbaar gemaakt conform artikel 35 en volgende van het koninklijk besluit van 14 november 2007, in voorkomend geval in het perscommuniqué over de verrichting.

Zij worden toegelicht in het jaarlijks financieel verslag en in het verslag van de commissaris. § 3. De in § 1 bedoelde verrichtingen moeten onder normale marktvoorwaarden worden uitgevoerd.

Artikel 31, § 2, is van toepassing.

Art. 19.De bepalingen van de artikelen 17 en 18 gelden niet voor : 1° de verrichtingen die betrekking hebben op een som die minder bedraagt dan het laagste bedrag van 1 % van het geconsolideerde actief van de openbare vastgoedbevak en 2.500.000 EUR; 2° de verwerving van effecten door de openbare vastgoedbevak of één van haar dochtervennootschappen in het kader van een openbare uitgifte door een derde-emittent, waarvoor een promotor of één van de in artikel 18, § 1, bedoelde personen als tussenpersoon optreden in de zin van artikel 2, 10°, van de wet van 2 augustus 2002;3° de verwerving van of de inschrijving op de als gevolg van een beslissing van de algemene vergadering uitgegeven aandelen van de openbare vastgoedbevak door de in artikel 18, § 1, bedoelde personen; en 4° de verrichtingen met betrekking tot de liquide middelen van de openbare vastgoedbevak of één van haar dochtervennootschappen, op voorwaarde dat de persoon die als tegenpartij optreedt, de hoedanigheid heeft van tussenpersoon in de zin van artikel 2, 10°, van de wet van 2 augustus 2002 en dat deze verrichtingen tegen marktconforme voorwaarden worden uitgevoerd. HOOFDSTUK III - Uitgifte, verkoop en verhandeling van de aandelen van de openbare vastgoedbevak Afdeling 1 - Algemene bepalingen

Art. 20.Voor elke openbare aanbieding van aandelen van een openbare vastgoedbevak alsook voor hun verplichte toelating tot de verhandeling op een Belgische gereglementeerde markt krachtens artikel 75 van de wet, moet de openbare vastgoedbevak eerst bij de CBFA zijn ingeschreven en moet een prospectus zijn opgesteld, goedgekeurd en openbaar gemaakt conform de bepalingen van de wet van 16 juni 2006. Afdeling 2 - Promotor

Art. 21.De personen met de hoedanigheid van promotor op het ogenblik van de inschrijving van de openbare vastgoedbevak op de in artikel 31 van de wet bedoelde lijst worden ten vroegste drie jaar na de inschrijving van die openbare vastgoedbevak op voornoemde lijst niet langer als promotoren in de zin van dit besluit gezien op voorwaarde dat : 1° zij niet langer de controle hebben over de openbare vastgoedbevak of over de zaakvoerder-rechtspersoon van de openbare vastgoedbevak die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen heeft aangenomen;en 2° zij de in artikel 22, §§ 1, 2 en 3, eerste lid, bedoelde verplichtingen zijn nagekomen. Indien er verschillende promotoren zijn, zijn zij hoofdelijk aansprakelijk voor de naleving van de verplichting die krachtens dit besluit worden opgelegd.

Art. 22.§ 1. De promotoren van de openbare vastgoedbevak maken zich sterk dat de uitgiftevoorwaarden van elke kapitaalverhoging van de openbare vastgoedbevak die bij openbare aanbieding geschiedt in de loop van de drie jaar die volgen op de datum van haar inschrijving op de in artikel 31 van de wet bedoelde lijst, uitdrukkelijk voorzien in het geval dat de kapitaalverhoging niet tot stand komt en dat dan het inschrijvingsbedrag aan de inschrijvers wordt terugbetaald, indien het bedrag van het reeds geplaatste kapitaal, vermeerderd met het totaalbedrag van alle inschrijvingen samen na afsluiting van de inschrijvingsperiode, lager ligt dan het bedrag van het eigen vermogen waarvan sprake is in het in artikel 4, § 1, tweede lid, 9°, bedoelde minimum beleggingsbudget.

Naast de in het eerste lid van deze paragraaf bedoelde informatie vermeldt het prospectus ook de verbintenis van de promotoren tot terugbetaling aan de inschrijvers van de door hen voor de inschrijving betaalde provisies en makelaarslonen in het in het eerste lid bedoelde geval. § 2. Het prospectus vermeldt de verbintenis van de promotoren van de openbare vastgoedbevak tot terugbetaling aan de aandeelhouders van de door hen betaalde vergoedingen, provisies en kosten bij de verwerving van aandelen van de openbare vastgoedbevak, en tot terugbetaling aan de openbare vastgoedbevak van de door haar of één van haar dochtervennootschappen betaalde vergoedingen voor de dienstverlening door een vennootschap waarmee de openbare vastgoedbevak of een promotor van de openbare vastgoedbevak is verbonden of een deelnemingsverhouding heeft, indien de openbare vastgoedbevak in de loop van de drie jaar die volgen op de datum van inschrijving op de in artikel 31 van de wet bedoelde lijst, wordt ontbonden en in vereffening gesteld. § 3. De promotoren moeten erop toezien dat, bijvoorbeeld door middel van openbare aanbiedingen tot verkoop of tot inschrijving, ten minste 30 % van de stemrechtverlenende effecten van de openbare vastgoedbevak continu en permanent in het bezit zijn van het publiek vanaf één jaar na haar inschrijving op de in artikel 31 van de wet bedoelde lijst.

Voor de promotoren geldt een middelenverbintenis met betrekking tot de effectieve inschrijving van het publiek op voornoemde aanbiedingen.

Indien tot een aanbieding tot verkoop of tot inschrijving wordt overgegaan wanneer minder dan 30 % van de stemrechtverlenende effecten van de openbare vastgoedbevak onder het publiek verspreid zijn, bepalen de promotoren de prijs per effect in het kader van dergelijke aanbieding op basis van een raming van de netto-inventariswaarde die dateert van ten hoogste vier maanden vóór de aanvangsdatum van de uitgifte of de verkoop en verantwoorden zij de eventuele verschillen ten opzichte van die waarde. De CBFA beoordeelt de redelijkheid van die prijs. § 4. Onverminderd § 3, eerste lid, van dit artikel, mag een verwerving van stemrechtverlenende effecten van de openbare vastgoedbevak door de promotor of door een persoon die in onderling overleg met de promotor optreedt, niet tot gevolg hebben dat het percentage stemrechtverlenende effecten in het bezit van het publiek onder 30 % daalt. § 5. Ten behoeve van §§ 3 en 4 van dit artikel wordt een persoon die niet in onderling overleg optreedt en geen deelnemingsverhouding met de promotor heeft, geacht deel uit te maken van het publiek. HOOFDSTUK IV - Openbaarmaking van gegevens en boekhouding Afdeling 1 - Openbaarmaking van gegevens

Art. 23.Onverminderd de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen, van de wet, van dit besluit en van het koninklijk besluit van 14 november 2007 bevat het jaarlijks financieel verslag tenminste de gegevens opgesomd in Bijlage B, Hoofdstukken I en II.

Art. 24.Onverminderd de bepalingen van de wet, van dit besluit en van het koninklijk besluit van 14 november 2007 bevat het halfjaarlijks financieel verslag ten minste de gegevens opgesomd in Bijlage B, Hoofdstuk I. Afdeling 2 - Opstelling van de rekeningen

Art. 25.§ 1. De openbare vastgoedbevaks stellen hun enkelvoudige jaarrekening op overeenkomstig de IFRS-normen, zoals goedgekeurd op hun balansdatum.

De openbare vastgoedbevaks stellen hun balans en hun enkelvoudige resultatenrekening op overeenkomstig de in Hoofdstuk I van Bijlage C opgenomen schema's.

De posten van de balans en de resultatenrekening mogen worden weggelaten wanneer zij niet dienstig zijn voor het betrokken boekjaar of halfjaar.

De posten van de balans en de resultatenrekening alsook de berekeningsschema's worden aangepast, weggelaten of aangevuld indien dergelijke wijziging kan worden gerechtvaardigd door nieuwe of gewijzigde IFRS-normen, of, in uitzonderlijke gevallen, door de specifieke activiteit of transacties van de openbare vastgoedbevak. § 2. De openbare vastgoedbevaks kunnen hun balans en hun geconsolideerde resultatenrekening opstellen overeenkomstig de in Hoofdstuk II van Bijlage C opgenomen schema's.

Art. 26.De artikelen 22 tot 105, 170 en 172 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 zijn niet van toepassing op de openbare vastgoedbevaks. Afdeling 3 - Resultaatverwerking

Art. 27.§ 1. De openbare vastgoedbevaks dienen, ten belope van het bedrag van het positief nettoresultaat van het boekjaar en na aanzuivering van de overgedragen verliezen en na de toevoegingen/onttrekkingen aan/van de reserves zoals bedoeld in "Punt B. Toevoeging/onttrekking reserves" zoals omschreven in Afdeling 4 van Deel 1 van Hoofdstuk 1 van de Bijlage C, tenminste het positieve verschil tussen de volgende bedragen uit te keren als vergoeding van het kapitaal : 1° 80 % van het bedrag bepaald volgens het in Hoofdstuk III van Bijlage C opgenomen schema;en 2° de nettovermindering, tijdens het boekjaar, van de schuldenlast van de openbare vastgoedbevak. Onder "schuldenlast" wordt verstaan alle rubrieken van de "Verplichtingen" in, naargelang het geval, de geconsolideerde of de enkelvoudige balans, met uitsluiting van de posten "I. Langlopende verplichtingen - A Voorzieningen", "I. Langlopende verplichtingen - C. Andere langlopende financiële verplichtingen - Toegelaten afdekkingsinstrumenten", "I. Langlopende verplichtingen - F. Uitgestelde belastingen - Verplichtingen", "II. Kortlopende verplichtingen - A. Voorzieningen", "II. Kortlopende verplichtingen - C. Andere kortlopende financiële verplichtingen - Toegelaten afdekkingsinstrumenten" en "II. Kortlopende verplichtingen - F. Overlopende rekeningen", zoals opgenomen in de bij dit besluit gevoegde schema's.

Er wordt geen rekening gehouden met de bedragen die de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen verschuldigd zijn voor de betaling van de verwerving van vastgoed, voor zover zij binnen de gebruikelijke termijnen worden betaald.

Indien de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen niet-volgestorte effecten verwerven, worden de niet-opgevraagde bedragen gelijkgesteld met leningen voor de toepassing van de in dit artikel bedoelde begrenzingen.

De resultaatverwerking van de openbare vastgoedbevak moet gebeuren overeenkomstig het schema "Resultaatverwerking" zoals omschreven in Afdeling 4 van Deel 1 van Hoofdstuk 1 van de Bijlage C.

De in deze paragraaf vermelde verplichting doet geen afbreuk aan de toepassing van de bepalingen van artikel 617 en volgende van het Wetboek van vennootschappen. § 2. In afwijking van § 1 is een uitkering aan de aandeelhouders niet mogelijk wanneer : 1° zij tot gevolg zou hebben dat de geconsolideerde schuldratio van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen of de enkelvoudige schuldratio van de openbare vastgoedbevak boven 65 % van de, naargelang het geval, geconsolideerde of enkelvoudige activa zou uitstijgen;en 2° de geconsolideerde schuldratio van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen of de enkelvoudige schuldratio van de openbare vastgoedbevak reeds boven 65 % van de, naargelang het geval geconsolideerde of enkelvoudige activa zou liggen, De bedragen die niet worden uitgekeerd met toepassing van het eerste lid en die anders zouden worden uitgekeerd krachtens § 1 van dit artikel, worden gereserveerd.De betrokken reserve mag enkel worden aangewend voor de terugbetalingen die nodig zijn om de geconsolideerde schuldratio van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen of, in voorkomend geval, de enkelvoudige schuldratio van de openbare vastgoedbevak onder 65 % van de, naargelang het geval, geconsolideerde of enkelvoudige activa te doen dalen.

Onverminderd het eerste lid mag het eventuele saldo van de reserve pas worden uitgekeerd als de geconsolideerde of enkelvoudige schuldratio opnieuw onder 65 % van de geconsolideerde of enkelvoudige activa is gedaald, naargelang het geval.

Onder "enkelvoudige of geconsolideerde schuldenlast" wordt de in § 1, tweede lid, bedoelde rubrieken verstaan.

Indien een openbare vastgoedbevak het volledige kapitaal van een of meer dochtervennootschappen in handen heeft, wordt de geconsolideerde schuldratio van het geheel dat de openbare vastgoedbevak samen met de aldus door haar gecontroleerde dochtervennootschappen vormt, ten behoeve van dit artikel gelijkgesteld met zijn enkelvoudige schuldratio. Afdeling 4 - Inventaris en waardering door de deskundige

Art. 28.Onverminderd de verplichting waarvan sprake in artikel 9 van de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen om ten minste eens per jaar een inventaris op te maken, maakt de openbare vastgoedbevak bij elke aandelenuitgifte een inventaris op van haar vastgoed en van het vastgoed van haar dochtervennootschappen. Datzelfde doet zij ook wanneer zij anders dan op een gereglementeerde markt aandelen inkoopt.

Art. 29.§ 1. Aan het einde van elk boekjaar waardeert de deskundige op precieze wijze de reële waarde van volgend vastgoed : 1° de onroerende goederen en de zakelijke rechten op onroerende goederen, die door de openbare vastgoedbevak of één van haar dochtervennootschappen worden gehouden, met uitzondering van de activa die, met toepassing van de IFRS-normen, als vorderingen worden geboekt in het kader van een leasing;2° de optierechten op onroerende goederen, die door de openbare vastgoedbevak of één van haar dochtervennootschappen worden gehouden, alsook de onroerende goederen waarop deze rechten slaan;en 3° de rechten uit contracten waarbij aan de openbare vastgoedbevak of één van haar dochtervennootschappen één of meer goederen in onroerende leasing worden gegeven, alsook de onderliggende onroerende goederen. Deze waarderingen zijn bindend voor de openbare vastgoedbevak wat de opstelling van haar enkelvoudige en haar geconsolideerde rekeningen betreft. § 2. Bovendien actualiseert de deskundige aan het einde van elk van de eerste drie kwartalen van het boekjaar de bepaling van de reële waarde van het in § 1 vermelde vastgoed van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen, op grond van de marktevolutie en de eigen kenmerken van het betrokken vastgoed.

Art. 30.Onverminderd artikel 29 wordt de reële waarde van het door de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen gehouden vastgoed als bedoeld in artikel 29, § 1, door de deskundige gewaardeerd telkens wanneer de openbare vastgoedbevak aandelen uitgeeft, de toelating van aandelen tot de verhandeling op een gereglementeerde markt aanvraagt, of tot een fusie, splitsing of gelijkgestelde verrichting overgaat. Datzelfde gebeurt ook wanneer de openbare vastgoedbevak anders dan op een gereglementeerde markt aandelen inkoopt. De openbare vastgoedbevak is niet gebonden door deze waardering, maar dient de uitgifte- of inkoopprijs aan de hand van deze waardering te verantwoorden.

De in het eerste lid bedoelde waardering mag niet eerder dan één maand voor de geplande verrichting worden uitgevoerd.

Er is evenwel geen nieuwe waardering nodig wanneer aandelen worden uitgegeven, wanneer aandelen tot de verhandeling op een gereglementeerde markt worden toegelaten, wanneer aandelen worden ingekocht of wanneer het voorstel met betrekking tot een fusie, splitsing of gelijkgestelde verrichting wordt ingediend binnen vier maanden na de laatste waardering of actualisering van de waardering van het betrokken vastgoed en voor zover de deskundige bevestigt dat, gezien de algemene economische toestand en de staat van dit vastgoed, geen nieuwe waardering vereist is.

Art. 31.§ 1. Onverminderd § 2 wordt de reële waarde van elk door de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen te verwerven of over te dragen vastgoed dat vermeld is in artikel 29, § 1, gewaardeerd door de deskundige vooraleer de verrichting plaatsvindt, voor zover de verrichting, in haar geheel beschouwd, een som vertegenwoordigt die hoger is dan het laagste bedrag tussen enerzijds 1 % van het geconsolideerd actief van de openbare vastgoedbevak en anderzijds 2.500.000 EUR. Wanneer er meer dan 5 % verschil is tussen de prijs van de verwerving of de overdracht van vastgoed en de in het eerste lid bedoelde waardering, in het nadeel van de openbare vastgoedbevak of van haar dochtervennootschappen, wordt de betrokken verrichting alsmede de prijs ervan verantwoord in het jaarlijks financieel verslag en, in voorkomend geval, in het halfjaarlijks financieel verslag van de openbare vastgoedbevak. § 2. Wanneer de tegenpartij één van de personen bedoeld in artikel 18, § 1 is of indien één van die personen bij de verrichting enig voordeel verkrijgt, wordt de reële waarde van het betrokken vastgoed gewaardeerd, ongeacht de waarde van de verrichting.

Indien de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen in het in het eerste lid bedoelde geval vastgoed overdragen, is de door de deskundige bepaalde reële waarde de minimumprijs waartegen het goed vervreemd kan worden. Indien de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen in het in het eerste lid bedoelde geval, vastgoed verwerven, is de door de deskundige bepaalde reële waarde de maximumprijs waartegen het goed verworven kan worden. § 3. De bepaling van de reële waarde bedoeld in de vorige paragrafen mag niet langer dan een maand vóór de betrokken verrichting hebben plaatsgevonden. § 4. Er is evenwel geen nieuwe bepaling van de reële waarde nodig wanneer de betrokken verrichting uiterlijk vier maanden na de laatste waardering door de deskundige plaatsvindt en voor zover de deskundige bevestigt dat er, gezien de algemene economische toestand en de staat van het betrokken goed, geen nieuwe waardering vereist is. HOOFDSTUK V - Toezicht

Art. 32.De openbare vastgoedbevak is onderworpen aan het toezicht van de CBFA. HOOFDSTUK VI - Beleggingsbeleid Afdeling 1 - Algemene bepalingen

Art. 33.§ 1. De artikelen 34, § 2, 35, § 1, 37, tweede en derde lid, 38 en 39 zijn op geconsolideerde basis van toepassing op de openbare vastgoedbevak en op de vennootschappen die zij consolideert met toepassing van de IFRS-normen. § 2. Voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk op de entiteiten waarover de openbare vastgoedbevak een exclusieve controle uitoefent, zoals gedefinieerd in de IFRS-normen, worden de betrokken activa en passiva van die entiteiten samengevoegd met de overeenkomstige activa en passiva van de openbare vastgoedbevak, ongeacht het effectieve percentage van deelneming van de openbare vastgoedbevak in die entiteiten.

Voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk op de personen over wie de openbare vastgoedbevak een gezamenlijke controle uitoefent, worden de activa en passiva van de betrokken vennootschappen, niettegenstaande de vermogensmutatie, samengevoegd met de overeenstemmende activa en passiva van de openbare vastgoedbevak, naar verhouding van het effectieve percentage van deelneming van de openbare vastgoedbevak in die vennootschappen. § 3. De bepalingen van dit hoofdstuk die betrekking hebben op het in artikel 29, § 1 bedoelde vastgoed worden toegepast op basis van de laatste bepaling van hun reële waarde door de deskundige van de openbare vastgoedbevak.

Art. 34.§ 1. De openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen beleggen hun activa in vastgoed. § 2. Onverminderd de artikelen 41 en volgende, mogen de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen evenwel, onder de in de statuten bepaalde voorwaarden, bijkomend of tijdelijk beleggen in effecten die geen vastgoed zijn in de zin van dit besluit en niet-toegewezen liquide middelen bezitten. § 3. Indien hun statuten dit toelaten, mogen de vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen toegelaten afdekkingsinstrumenten kopen of verkopen, met uitzondering van speculatieve verrichtingen. Die aan- of verkopen moeten deel uitmaken van een door de openbare vastgoedbevak vastgelegd beleid ter dekking van financiële risico's. Dit beleid wordt bekendgemaakt in de jaarlijkse en halfjaarlijkse financiële verslagen van de openbare vastgoedbevak.

De verkoop van afdekkingsinstrumenten vóór hun vervaldatum moet in de jaarlijkse of halfjaarlijkse financiële verslagen verantwoord worden in het licht van het in het vorige lid bedoelde beleid ter dekking van financiële risico's.

Art. 35.§ 1. De belegging in effecten, zoals bedoeld in artikel 34, § 2, vindt plaats in overeenstemming met de criteria vastgelegd in de artikelen 47 en 51 van het koninklijk besluit van 4 maart 2005 met betrekking tot bepaalde openbare instellingen voor collectieve belegging.

Voor de toepassing van de voornoemde artikelen 47 en 51 worden de daarin opgenomen begrenzingen berekend op basis van de activa van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen die op de in artikel 34, § 2 bedoelde wijze in effecten zijn belegd. § 2. Onverminderd artikel 34, § 3 mogen de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen slechts effecten zoals bedoeld in artikel 34, § 2 houden indien ze zijn toegelaten tot een Belgische of buitenlandse gereglementeerde markt zoals bedoeld in artikel 2, 3°, 5° of 6° van de wet van 2 augustus 2002.

Art. 36.De openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen mogen als leasingnemer overeenkomsten van onroerende leasing sluiten.

Alleen voor wat de openbare vastgoedbevak betreft en indien er aan haar geen koopoptie is verleend, mag de netto-investering in die overeenkomsten, zoals bedoeld in de IFRS-normen, op het ogenblik van de sluiting van die overeenkomsten niet meer bedragen dan 10 % van de activa van de openbare vastgoedbevak.

Art. 37.De openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen mogen één of meer onroerende goederen in leasing geven indien de statuten in die mogelijkheid voorzien.

Het in leasing geven van één of meer onroerende goederen met koopoptie mag evenwel slechts als bijkomende activiteit worden uitgeoefend.

In afwijking van het tweede lid mogen de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen het in leasing geven van één of meer onroerende goederen met koopoptie als hoofdactiviteit uitoefenen, indien die onroerende goederen bestemd zijn voor doeleinden van algemeen belang, met inbegrip van sociale huisvesting en onderwijs. Afdeling 2 - Diversificatie van de beleggingen

Art. 38.§ 1. De openbare vastgoedbevak diversifieert haar beleggingen zodanig dat de beleggingsrisico's op passende wijze zijn gespreid. § 2. De statuten van de openbare vastgoedbevak vermelden de criteria inzake de spreiding van de activa, in voorkomend geval op geconsolideerd niveau, van de openbare vastgoedbevak, met name per type van vastgoedbelegging, per geografische streek en per categorie van gebruiker of huurder. § 3. Met betrekking tot het criterium inzake de spreiding van de beleggingsrisico's, dat slaat op de identiteit van de huurder of de gebruiker van het vastgoed, wordt de openbare vastgoedbevak geacht te voldoen aan het in § 1 bedoelde vereiste inzake risicospreiding, ten belope van het deel van het beleggingsrisico dat gedekt wordt door een langetermijnverbintenis van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte die de hoedanigheid heeft van huurder of gebruiker van de betrokken goederen.

Voor de toepassing van het eerste lid worden openbare instellingen of instellingen van openbaar belang die opgericht zijn of beheerd worden door één of meer lidstaten van de Europese Economische Ruimte, internationale publiekrechtelijke instellingen waarvan een dergelijke lidstaat deel uitmaakt en regionale of lokale overheden van een lidstaat, gelijkgesteld met een lidstaat van de Europese Economische Ruimte.

Art. 39.§ 1. Onverminderd artikel 38 mag geen enkele door de openbare vastgoedbevak uitgevoerde verrichting tot gevolg hebben dat 1° meer dan 20 % van haar geconsolideerde activa in vastgoed wordt belegd dat één enkel vastgoedgeheel vormt;of 2° dit percentage verder toeneemt, indien het al meer bedraagt dan 20 %, ongeacht wat in dit laatste geval de oorzaak is van de oorspronkelijke overschrijding van dit percentage. Deze beperking is van toepassing op het ogenblik van de betrokken verrichting.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "vastgoedgeheel" verstaan één of meer vaste goederen met een beleggingsrisico dat voor de openbare vastgoedbevak als één risico dient te worden beschouwd.

Indien nodig kan de CBFA een of meer deskundigen aanduiden, die door de openbare vastgoedbevak worden vergoed, om te bepalen of het betrokken vastgoed een vastgoedgeheel vormt. Van het ontwerpverslag en het definitieve verslag van de deskundigen wordt tijdig een kopie overgemaakt aan de openbare vastgoedbevak, opdat zij haar opmerkingen kenbaar kan maken. § 2. De vennootschappen die vastgoedbeleggingsactiviteiten beoefenden vóór hun inschrijving op de lijst bedoeld in artikel 31 van de wet, moeten aantonen dat hun geconsolideerde activa niet voor meer dan 20 % belegd zijn in vastgoed dat één enkel vastgoedgeheel vormt. § 3. De CBFA kan op de door haar gestelde voorwaarden een afwijking toestaan van de begrenzingen bepaald in §§ 1 en 2, 1° voor een periode van maximum twee jaar vanaf de datum van inschrijving als bedoeld in artikel 31 van de wet, of 2° wanneer de openbare vastgoedbevak aantoont dat een dergelijke afwijking in het belang is van haar aandeelhouders, of 3° wanneer de openbare vastgoedbevak aantoont dat een dergelijke afwijking verantwoord is gezien de specifieke kenmerken van de belegging en inzonderheid de aard en de omvang ervan. Indien nodig kan de CBFA een of meer deskundigen aanduiden, die door de openbare vastgoedbevak worden vergoed, om haar in het kader van de toekenning van de afwijking bij te staan. Van het ontwerpverslag en het definitieve verslag van de deskundigen wordt tijdig een kopie overgemaakt aan de openbare vastgoedbevak, opdat zij haar opmerkingen kenbaar kan maken.

Die afwijking en de voorwaarden die er eventueel aan verbonden zijn, moeten gedetailleerd worden opgenomen in het prospectus en in de jaarlijkse of halfjaarlijkse financiële verslagen die worden opgesteld tot de afwijking geen uitwerking meer heeft. § 4. De afwijkingen waarin voorzien is in § 3 kunnen niet worden toegestaan door de CBFA als de geconsolideerde schuldratio van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen op het ogenblik van de betrokken verwerving of overdracht meer bedraagt dan 33 % van de geconsolideerde activa, onder aftrek van de toegelaten afdekkingsinstrumenten.

De afwijkingen bedoeld in § 3 worden ingetrokken door de CBFA indien de geconsolideerde schuldratio van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen op eender welk ogenblik tijdens de periode waarin de afwijking is toegestaan, meer bedraagt dan 33 % van de geconsolideerde activa. § 5. De begrenzing bedoeld in § 1 is, voor wat betreft het beleggingsrisico dat slaat op de identiteit van de huurder of de gebruiker van het vastgoed, niet van toepassing op vastgoed dat gedekt wordt door een langetermijnverbintenis van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte in de zin van artikel 38, § 3 dat de hoedanigheid heeft van huurder of gebruiker van de betrokken goederen.

Art. 40.Wanneer de openbare vastgoedbevak er niet in slaagt haar beleggingen te diversifiëren overeenkomstig de bepalingen van deze afdeling en de statutaire bepalingen ter zake, moet de algemene vergadering bijeenkomen, binnen drie maanden volgend op de vaststelling van de niet-naleving van de genoemde bepalingen, om te beraadslagen en te besluiten, op de voor de wijziging van de statuten voorgeschreven wijze, over de eventuele ontbinding van de openbare vastgoedbevak en eventueel over andere in de agenda aangekondigde maatregelen.

Indien de CBFA krachtens artikel 39, § 3, een afwijking heeft toegestaan en de openbare vastgoedbevak niet voldoet aan de voorwaarden die de CBFA aan deze afwijking heeft verbonden, of indien de afwijking wordt ingetrokken door de CBFA, is de in het eerste lid bedoelde verplichting om een algemene vergadering bijeen te roepen van toepassing. Afdeling 3 - Deelneming in andere vennootschappen

Art. 41.§ 1. De openbare vastgoedbevak mag maar rechtstreeks of onrechtstreeks aandelen bezitten in een institutionele vastgoedbevak of in een vastgoedvennootschap, op voorwaarde dat zij over die institutionele vastgoedbevak of vastgoedvennootschap een exclusieve of gezamenlijke controle uitoefent.

Deze paragraaf doet geen afbreuk aan de verrichtingen op effecten en op financiële instrumenten die conform artikelen 34, §§ 2 en 3 en 35 worden uitgevoerd. § 2. De openbare vastgoedbevak mag niet, samen met een andere vastgoedbevak die zij niet consolideert, de gezamenlijke controle hebben over een institutionele vastgoedbevak of een vastgoedvennootschap.

Art. 42.§ 1. Wanneer de openbare vastgoedbevak een exclusieve controle uitoefent over andere vennootschappen zonder er rechtstreeks of onrechtstreeks het volledige kapitaal van te bezitten, ziet zij erop toe dat : 1° de totale waarde van de minderheidsbelangen die in al die vennootschappen samen worden gehouden, niet meer bedraagt dan 30 % van het geconsolideerde nettoactief van de openbare vastgoedbevak.De dochtervennootschappen waarover een exclusieve controle wordt uitgeoefend door de openbare vastgoedbevak maar waarvan de rest van het kapitaal in handen is van een of meer lidstaten van de Europese Economische Ruimte, worden echter niet in aanmerking genomen voor de berekening van het voornoemde percentage; en 2° zij rechtstreeks of onrechtstreeks, via de vennootschappen waarover zij een exclusieve controle uitoefent, minstens 50 % van het kapitaal van de betrokken vennootschap bezit. Punt 2° van deze paragraaf is niet van toepassing op vennootschappen waarvan minder dan 50 % van het kapitaal tenminste sedert 1 januari 2009 in handen is van de openbare vastgoedbevak. § 2. Wanneer de openbare vastgoedbevak een gezamenlijke controle uitoefent over andere vennootschappen, ziet zij erop toe dat : 1° de totale waarde van de deelnemingen verwerkt via vermogensmutatie of, naargelang het geval, het totaal van de proportioneel geconsolideerde activa, voor alle gezamenlijk gecontroleerde dochtervennootschappen samen, niet meer bedraagt dan 20 % van het geconsolideerde actief van de openbare vastgoedbevak.De dochtervennootschappen waarover een gezamenlijke controle wordt uitgeoefend met een of meer lidstaten van de Europese Economische Ruimte worden echter niet in aanmerking genomen voor de berekening van het voornoemde percentage; 2° indien de gemeenschappelijke dochtervennootschap onrechtstreeks eigendom is van de openbare vastgoedbevak, slechts één exclusief gecontroleerde dochtervennootschap als tussenschakel fungeert tussen de openbare vastgoedbevak en die gemeenschappelijke dochtervennootschap;en 3° zij rechtstreeks of onrechtstreeks, via de vennootschappen waarover zij een exclusieve controle uitoefent, minstens 50 % van het kapitaal van de betrokken vennootschap bezit. Voor de openbare vastgoedbevaks die ten minste sedert 1 januari 2009 niet voldoen aan het eerste lid, 1° van deze paragraaf, worden de betrokken dochtervennootschappen maar in aanmerking genomen voor de berekening van de drempel van 20 % vanaf de tweede verjaardag van de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad. De openbare vastgoedbevak die van deze bepaling gebruik maakt, mag tijdens die periode het aandeel van deze deelnemingen vertegenwoordigd door de totale waarde van de deelnemingen verwerkt via vermogensmutatie of, naargelang het geval, het totaal van de proportioneel geconsolideerde activa, niet verhogen ten opzichte van haar geconsolideerde activa.

Het eerste lid, 2° van deze paragraaf is niet van toepassing op de vennootschappen die onrechtstreeks eigendom zijn van de openbare vastgoedbevak indien er tussen de openbare vastgoedbevak en de betrokken vennootschap ten minste sedert 1 januari 2009 meer dan een dochtervennootschap als tussenschakel fungeert.

Het eerste lid, 3° van deze paragraaf is niet van toepassing op vennootschappen waarvan minder dan 50 % van het kapitaal ten minste sedert 1 januari 2009 in handen is van de openbare vastgoedbevak. § 3. Indien de drempels bedoeld in §§ 1 en 2, door de variaties van de reële waarde van de activa van de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen niet meer nageleefd worden, beschikt de openbare vastgoedbevak over een periode van twee jaar om zich in regel te stellen met de paragrafen 1 en 2.

Art. 43.Wanneer de openbare vastgoedbevak een gezamenlijke controle uitoefent over een andere vennootschap, bevatten de statuten van die vennootschap of elk ander relevant document alle nuttige bepalingen om te garanderen dat de openbare vastgoedbevak, ingeval de werking van de gezamenlijk gecontroleerde vennootschap verhinderd zou worden door een geschil tussen de aandeelhouders, het recht heeft om, (a) de deelneming te verwerven van de andere aandeelhouder(s) met wie er een geschil bestaat, of (b) aan die andere aandeelhouder(s) haar eigen deelneming te verkopen. Naargelang het geval wordt de aan- of verkoopprijs vastgesteld door deskundigen die door de betrokken partijen worden aangesteld. Indien de aldus aangeduide deskundigen er niet in slagen een akkoord te bereiken over de aan- of verkoopprijs, duiden zij een bijkomende deskundige aan, die een beslissing zal nemen.

Artikel 31, § 2, tweede lid, is niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde transacties.

Het eerste lid is niet van toepassing op de vennootschappen waarover de openbare vastgoedbevak ten minste sedert 1 januari 2009 een gezamenlijke controle uitoefent.

Art. 44.§ 1. Wanneer de openbare vastgoedbevak een exclusieve controle uitoefent over een vennootschap waarvan de rest van het kapitaal in handen is van een of meer lidstaten van de Europese Economische Ruimte, ziet zij erop toe dat de totale waarde van de minderheidsbelangen die in al die vennootschappen samen worden gehouden, niet meer bedraagt dan 30% van het geconsolideerde nettoactief van de openbare vastgoedbevak.

Artikel 42, § 1 is niet van toepassing op die dochtervennootschappen van de openbare vastgoedbevak. § 2. Wanneer de openbare vastgoedbevak samen met een of meer lidstaten van de Europese Economische Ruimte een gezamenlijke controle uitoefent over andere vennootschappen, ziet zij erop toe dat de totale waarde van de deelnemingen verwerkt via vermogensmutatie of, naargelang het geval, het totaal van de proportioneel geconsolideerde activa, voor alle aldus gecontroleerde dochtervennootschappen samen, niet meer bedraagt dan 20 % van het geconsolideerde actief van de openbare vastgoedbevak.

Artikel 42, § 2 is niet van toepassing op de dochtervennootschappen van de openbare vastgoedbevak waarover een dergelijke controle wordt uitgeoefend. § 3. Voor de toepassing van artikel 42 en van de vorige paragrafen : 1° worden openbare instellingen of instellingen van openbaar belang die opgericht zijn of beheerd worden door één of meer lidstaten van de Europese Economische Ruimte, internationale publiekrechtelijke instellingen waarvan een dergelijke staat deel uitmaakt en regionale of lokale overheden van een lidstaat, gelijkgesteld met een lidstaat van de Europese Economische Ruimte;en 2° wordt ook een vennootschap waarover rechtstreeks of onrechtstreeks een exclusieve controle wordt uitgeoefend door een lidstaat van de Europese Economische Ruimte in de zin van 1°, gelijkgesteld met een dergelijke staat.Indien over de betrokken vennootschap geen exclusieve controle meer wordt uitgeoefend door een dergelijke staat, zijn de bepalingen van de artikelen 42, § 2 en 43 van toepassing op de vennootschap waarover een gezamenlijke controle wordt uitgeoefend met de openbare vastgoedbevak.

Art. 45.Indien de openbare vastgoedbevak de controle heeft over een of meer vastgoedbevaks, mag zij geen dochtervennootschap naar Belgisch recht hebben die een vastgoedvennootschap is.

Indien een openbare vastgoedbevak die de controle heeft over een of meer institutionele vastgoedbevaks, de controle verwerft over een vastgoedvennootschap naar Belgisch recht, beschikt zij over een periode van 24 maanden om zich in regel te stellen met het eerste lid.

Dit artikel is niet van toepassing op de vastgoedvennootschappen waarin een openbare vastgoedbevak tenminste sedert 1 januari 2009 aandelen houdt.

Art. 46.De volgende personen mogen geen deelneming bezitten in een dochtervennootschap van de openbare vastgoedbevak : 1° de promotor en de met hem verbonden personen;2° de personen die een deelneming bezitten in de openbare vastgoedbevak 3° de zaakvoerder-rechtspersoon van de openbare vastgoedbevak die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen heeft aangenomen, evenals de personen, buiten de openbare vastgoedbevak, met wie de zaakvoerder-rechtspersoon is verbonden of een deelnemingsverhouding heeft;en 4° de bestuurders, de zaakvoerders, de leden van het directiecomité, de personen belast met het dagelijks bestuur en de effectieve leiders of lasthebbers van de voornoemde personen en van de openbare vastgoedbevak.

Art. 47.De openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen mogen deelnemingen bezitten in vennootschappen met rechtspersoonlijkheid en met beperkte aansprakelijkheid die een maatschappelijk doel hebben dat aansluit bij dat van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen en dat voor eigen rekening of voor rekening van de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen wordt uitgeoefend, zoals het beheer of de financiering van het vastgoed van de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen.

Het kapitaal van de in het eerste lid bedoelde vennootschappen moet volledig in handen zijn van de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen.

Die deelnemingen zijn niet onderworpen aan de bepalingen van dit hoofdstuk. HOOFDSTUK VII - Verplichtingen en verbodsbepalingen

Art. 48.De artikelen 53, 54, 55 en 57, tweede lid zijn op geconsolideerde basis van toepassing op de openbare vastgoedbevak en op de vennootschappen die zij consolideert met toepassing van de IFRS-normen. Artikel 33, §§ 2 en 3 is van toepassing.

Art. 49.De openbare vastgoedbevak duidt een persoon belast met de financiële dienst aan.

Deze persoon is een kredietinstelling die ingeschreven is op de lijst bedoeld in artikel 13 van de wet van 22 maart 1993, een bijkantoor van een kredietinstelling die onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte ressorteert en die geregistreerd is conform artikel 65 van de wet van 22 maart 1993, een beursvennootschap naar Belgisch recht die ingeschreven is op de lijst bedoeld in artikel 53, tweede lid, a., van de wet van 6 april 1995, of een bijkantoor van een beheervennootschap van instellingen voor collectieve belegging die ressorteert onder het recht van een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die geregistreerd is conform artikel 203 van de wet van 20 juli 2004, voor zover dat bijkantoor die activiteit mag uitoefenen volgens het recht dat op hem van toepassing is.

Art. 50.De bepalingen van artikel 67, § 1 en 2 van de wet zijn niet van toepassing op de openbare vastgoedbevak.

Art. 51.Noch de openbare vastgoedbevak, noch een van haar dochtervennootschappen mag als bouwpromotor optreden.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder "bouwpromotor" verstaan diegene wiens hoofd- of bijberoep, met uitsluiting van occasionele verrichtingen, erin bestaat gebouwen op te richten of te laten oprichten om ze hetzij vóór de oprichting, hetzij tijdens de oprichting, hetzij binnen een termijn van vijf jaar na de oprichting, onder bezwarende titel geheel of ten dele te vervreemden.

Art. 52.Het is de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen verboden : 1° deel te nemen aan een vereniging voor vaste opneming of waarborg;2° financiële instrumenten uit te lenen, met uitzondering van uitleningen die onder de voorwaarden en volgens de bepalingen van het koninklijk besluit van 7 maart 2006 worden verricht;en 3° financiële instrumenten te verwerven die zijn uitgegeven door een vennootschap of een privaatrechtelijke vereniging die failliet werd verklaard, een minnelijk akkoord heeft gesloten met zijn schuldeisers, het voorwerp uitmaakt van een procedure van gerechtelijke reorganisatie, uitstel van betaling heeft verkregen of ten aanzien waarvan in het buitenland een gelijkaardige maatregel is getroffen.

Art. 53.§ 1. Tenzij dit het gevolg is van een variatie van de reële waarde van de activa, mag de geconsolideerde schuldratio van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen en de enkelvoudige schuldratio van de openbare vastgoedbevak niet meer bedragen dan 65 % van de, naargelang het geval, geconsolideerde of enkelvoudige activa, onder aftrek van de toegelaten afdekkingsinstrumenten.

Indien de geconsolideerde schuldratio van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen of de enkelvoudige schuldratio van de openbare vastgoedbevak om welke reden ook gedurende meer dan twee jaar na de vaststelling van de overschrijding hoger blijft dan 65 %, moet de algemene vergadering, zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van de wet en aan de andere bepalingen van het besluit, bijeenkomen, binnen drie maanden volgend op het einde van die periode van twee jaar, om te beraadslagen en te besluiten, op de voor de wijziging van de statuten voorgeschreven wijze, over de eventuele ontbinding van de openbare vastgoedbevak en eventueel over andere in de agenda aangekondigde maatregelen. § 2. Onder "schuldenlast" wordt de in artikel 27, § 1, tweede, derde en vierde lid bedoelde rubrieken verstaan. § 3. Voor de toepassing van dit artikel is artikel 27, § 2, vijfde lid van toepassing op het bepalen van de enkelvoudige schuldratio van de openbare vastgoedbevak.

Art. 54.Indien de geconsolideerde schuldratio van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen meer bedraagt dan 50 % van de geconsolideerde activa, onder aftrek van de toegelaten financiële afdekkingsinstrumenten, stelt de openbare vastgoedbevak een financieel plan op met een uitvoeringsschema, waarin zij een beschrijving geeft van de maatregelen die zullen worden genomen om te verhinderen dat de geconsolideerde schuldratio meer bedraagt dan 65 % van de geconsolideerde activa.

Over het financieel plan wordt een bijzonder verslag opgesteld door de commissaris, waarin bevestigd wordt dat deze laatste de wijze van opstelling van het plan geverifieerd heeft, met name wat betreft de economische grondslagen ervan, en dat de cijfers die dit plan bevat, overeenstemmen met die van de boekhouding van de openbare vastgoedbevak.

Het financieel plan en het bijzonder verslag van de commissaris worden ter informatie aan de CBFA overgemaakt.

De algemene richtlijnen van het financieel plan zijn gedetailleerd opgenomen in de jaarlijkse en halfjaarlijkse financiële verslagen. In de jaarlijkse en halfjaarlijkse financiële verslagen wordt beschreven en verantwoord (a) hoe het financieel plan in de loop van de relevante periode werd uitgevoerd en (b) hoe de openbare vastgoedbevak het plan in de toekomst zal uitvoeren.

Art. 55.De jaarlijkse financiële kosten die aan de schuldenlast van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen zijn verbonden, mogen op geen enkel ogenblik meer bedragen dan 80 % van de bedragen die opgenomen zijn in de posten I tot en met XV (inbegrepen) en de post XX van het schema van de resultatenrekening, zoals omschreven in Afdeling 2 van Deel I van Hoofdstuk II van Bijlage C. Onder financiële kosten wordt verstaan de bedragen die worden opgenomen onder de rubriek "XXI. Netto-interestkosten" van het schema van de resultatenrekening zoals omschreven in Afdeling 2 van Deel I van Hoofdstuk II van Bijlage C. Voor de toepassing van het eerste lid wordt geen rekening gehouden met de bedragen die de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen verschuldigd zijn voor de verwerving van vastgoed, voor zover zij binnen de gebruikelijke termijnen betaald worden.

Art. 56.Onverminderd artikel 37 en met uitzondering van (a) het verstrekken van kredieten door de openbare vastgoedbevak en het stellen van zekerheden of het geven van garanties ten gunste van een dochtervennootschap en (b) het verstrekken van kredieten door een dochtervennootschap van de openbare vastgoedbevak en het stellen van zekerheden of het geven van garanties ten gunste van de openbare vastgoedbevak of van een andere dochtervennootschap van haar, mogen de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen (a) geen kredieten verstrekken of (b) geen zekerheden stellen of garanties geven voor rekening van derden.

Voor de toepassing van het eerste lid worden de bedragen die aan de openbare vastgoedbevak verschuldigd zijn ingevolge de vervreemding van vastgoed, niet in aanmerking genomen, voor zover zij binnen de gebruikelijke termijnen worden betaald.

Art. 57.Een openbare vastgoedbevak of een dochtervennootschap van die openbare vastgoedbevak mag enkel een hypotheek verlenen of andere zekerheden stellen of garanties geven in het kader van de financiering van haar vastgoedactiviteiten of deze van de groep.

Het totale bedrag dat gedekt is door de hypotheken, zekerheden of garanties bedoeld in het eerste lid, mag niet meer bedragen dan 50 % van de totale reële waarde van het vastgoed van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen.

De door de openbare vastgoedbevak of een van haar dochtervennootschappen verleende hypotheek, zekerheid of garantie die bepaald vastgoed bezwaart, slaat op maximum 75 % van de waarde van dat bezwaard goed.

Art. 58.Een openbare vastgoedbevak of een van haar dochtervennootschappen mag geen met een hypotheek bezwaarde onroerende goederen verwerven, tenzij de overdracht van met een hypotheek bezwaarde onroerende goederen gebruikelijk is in het rechtsgebied waar het betrokken onroerend goed gelegen is.

TITEL III - Institutionele vastgoedbevak HOOFDSTUK I - Algemene bepalingen

Art. 59.Deze titel regelt het statuut van de institutionele vastgoedbevaks.

Art. 60.§ 1. Onverminderd de eventuele toepassing ervan, op geconsolideerde basis, op de openbare vastgoedbevak en op de vennootschappen die zij consolideert, zijn de artikelen 3, 4, § 1, tweede lid, 3°, 10°, 11°, 12°, 13° en 14°, 6, 9, § 1, eerste lid, tweede zin, en tweede lid, 13, § 1, 14, 20, 21, 22, 23, 24, 27, § 2, 29, 30, 31, 32, 33, 35, § 1, tweede lid, 36, tweede lid, 37, tweede en derde lid, 38, 39, 40, 41, 42, 43, 44, 45, 46, 47, 48, 49, 53, 54, 55, 56 en 57 van Titel II niet van toepassing op de institutionele vastgoedbevak. § 2. Onverminderd de bepalingen van deze titel zijn de bepalingen van Titel II die van toepassing zijn op de openbare vastgoedbevak en die niet vermeld zijn in het eerste lid van § 1, mutatis mutandis van toepassing op de institutionele vastgoedbevak.

Art. 61.De artikelen 1 tot 9, 29, 30, 33, 37 tot 40, 41, § 1, 1° tot 3°, 5°, tweede lid en 6° tot 11°, § 2 tot § 4, 42 tot 45, 64, 67, § 5, 68, 69, 71, 77 en 80 tot 96 van de wet zijn van toepassing op de institutionele vastgoedbevak. HOOFDSTUK II - Inschrijving

Art. 62.Elke institutionele vastgoedbevak dient zich te laten inschrijven bij de CBFA alvorens zij haar werkzaamheden aanvat.

Art. 63.Onverminderd de toepassing van artikel 4, § 1, moet bij de inschrijvingsaanvraag de volgende informatie worden gevoegd : 1° de opgave van de identiteit van de openbare vastgoedbevak die de controle heeft over de institutionele vastgoedbevak;en 2° de opgave van de identiteit van de aandeelhouders van de institutionele vastgoedbevak, en de aandeelhoudersovereenkomsten die die aandeelhouders in voorkomend geval hebben gesloten.

Art. 64.De CBFA stelt elk jaar een lijst op van de krachtens dit besluit ingeschreven institutionele vastgoedbevaks. Die lijst wordt elk jaar bekendgemaakt op haar website. De wijzigingen die tussen twee jaarlijkse bekendmakingen worden aangebracht in de lijst, worden geregeld bekendgemaakt op de website van de CBFA. HOOFDSTUK III - Werking

Art. 65.De statuten van de institutionele vastgoedbevak worden bekendgemaakt op de website van de openbare vastgoedbevak die over haar de controle heeft.

Art. 66.Artikel 13, §§ 2 en 3 is van toepassing, met dien verstande dat indien de institutionele vastgoedbevak niet genoteerd is, de minimale uitgifteprijs bedoeld in artikel 13, § 2, eerste lid, 2° wordt bepaald op basis van een netto-inventariswaarde die niet meer dan vier maanden oud is.

Het verslag bedoeld in artikel 602 van het Wetboek van vennootschappen wordt door de raad van bestuur van de openbare vastgoedbevak bekendgemaakt vóór de kapitaalverhoging plaatsvindt, op de wijze bepaald in de artikelen 35 en volgende van het koninklijk besluit van 14 november 2007.

De statuten van de institutionele vastgoedbevak kunnen evenwel bepalen dat artikel 13, §§ 2 en 3 niet van toepassing is (a) op kapitaalverhogingen die volledig worden onderschreven door de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen waarvan het kapitaal rechtstreeks of onrechtstreeks volledig in handen is van die openbare vastgoedbevak of (b) op de in de artikelen 671 tot 677, 681 tot 758 en 772/1 van het Wetboek van Vennootschappen bedoelde fusies, splitsingen en gelijkgestelde verrichtingen waar enkel de openbare vastgoedbevak en/of haar dochtervennootschappen waarvan het kapitaal rechtstreeks of onrechtstreeks volledig in handen is van die openbare vastgoedbevak, partij bij zijn.

Art. 67.De statuten van de institutionele vastgoedbevak bepalen dat indien de stemrechtverlenende effecten van de institutionele vastgoedbevak niet rechtstreeks of onrechtstreeks volledig in het bezit zijn van een openbare vastgoedbevak, de raad van bestuur van de institutionele vastgoedbevak of, naargelang het geval, van de zaakvoerder-rechtspersoon van de institutionele vastgoedbevak die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen heeft aangenomen, voor minstens een kwart samengesteld moet zijn uit niet-uitvoerende leden die in de raad van bestuur van de openbare vastgoedbevak of, naargelang het geval, van de zaakvoerder-rechtspersoon van die openbare vastgoedbevak, een mandaat van onafhankelijk bestuurder, in de zin van artikel 526ter van het Wetboek van vennootschappen hebben. HOOFDSTUK IV - Aandeelhoudersstructuur

Art. 68.De institutionele vastgoedbevak moet gezamenlijk of exclusief gecontroleerd worden door een openbare vastgoedbevak.

Art. 69.§ 1. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 100, eerste lid, 2° van de wet, wordt de institutionele vastgoedbevak, voor de toepassing van artikel 100, derde lid van de wet, geacht passende maatregelen te hebben genomen om te garanderen dat de houders van haar effecten de hoedanigheid van institutioneel of professioneel belegger hebben, wanneer zij aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° in de voorwaarden voor de uitgifte van effecten van de institutionele vastgoedbevak, in haar statuten, alsook in elk stuk dat betrekking heeft op de uitgifte van, de inschrijving op of de verwerving van effecten uitgegeven door een institutionele vastgoedbevak, is vermeld dat de door de institutionele vastgoedbevak uitgegeven effecten op naam zijn en dat enkel institutionele of professionele beleggers in de zin van artikel 5, § 3 van de wet mogen inschrijven op die effecten of ze mogen verwerven of houden;2° onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 463, 465 en 466 van het Wetboek van vennootschappen is in het register van de effecten op naam en op het certificaat betreffende de inschrijving van de effecten op naam in het register van de effecten op naam, vermeld dat die effecten enkel mogen worden verworven of gehouden door institutionele of professionele beleggers in de zin van artikel 5, § 3 van de wet;3° in elk bericht, in elke mededeling of in elk ander stuk met betrekking tot een verrichting met effecten van een institutionele vastgoedbevak of met betrekking tot de toelating van dergelijke effecten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt, of waarin een dergelijke verrichting of toelating wordt aangekondigd of aanbevolen, en die of dat uitgaat van de institutionele vastgoedbevak of van een persoon die in haar naam of voor haar rekening handelt, moet zijn gepreciseerd dat enkel institutionele of professionele beleggers in de zin van artikel 5, § 3 van de wet mogen inschrijven op die effecten of ze mogen verwerven of houden;4° indien er ingevolge de wet van 16 juni 2006 een prospectus vereist is voor de toelating tot de verhandeling op een gereglementeerde markt van effecten uitgegeven door een institutionele vastgoedbevak, moet erin vermeld zijn dat die effecten enkel mogen worden verworven of gehouden door institutionele of professionele beleggers in de zin van artikel 5, § 3 van de wet;5° de institutionele vastgoedbevak weigert om in het register van de effecten op naam een overdracht van effecten aan een overnemer in te schrijven wanneer zij vaststelt dat deze overnemer geen institutionele of professionele belegger is in de zin van artikel 5, § 3, van de wet;6° de institutionele vastgoedbevak schorst de uitkering van de dividenden of interesten gekoppeld aan effecten waarvan zij vaststelt dat zij in het bezit zijn van beleggers die geen institutionele of professionele beleggers zijn in de zin van artikel 5, § 3, van de wet; en 7° de in de punten 5° en 6° van dit artikel vastgestelde regeling wordt opgenomen in de uitgiftevoorwaarden, in de statuten, in voorkomend geval in het prospectus voor de toelating tot de verhandeling op een gereglementeerde markt, alsook in elk stuk met betrekking tot een verrichting met effecten van een institutionele vastgoedbevak of met betrekking tot de toelating van dergelijke effecten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt, of waarin een dergelijke verrichting of toelating wordt aangekondigd of aanbevolen. HOOFDSTUK V - Resultaatverwerking

Art. 70.Een uitkering aan de aandeelhouders die tot gevolg zou hebben dat de enkelvoudige of geconsolideerde schuldratio van de openbare vastgoedbevak boven 65 % van haar, naargelang het geval, enkelvoudige of geconsolideerde activa zou uitstijgen of een uitkering waartoe beslist is terwijl de enkelvoudige of geconsolideerde schuldratio reeds boven 65 % zou liggen, is maar mogelijk indien het deel van de aan de openbare vastgoedbevak toegekende uitkering door deze laatste gereserveerd wordt. De betrokken reserve mag enkel worden aangewend voor de terugbetalingen die nodig zijn om de geconsolideerde schuldratio van de openbare vastgoedbevak of, in voorkomend geval, de enkelvoudige schuldratio van de openbare vastgoedbevak, onder 65% van de, naargelang het geval, geconsolideerde of enkelvoudige activa te doen dalen.

Het eventuele saldo van de reserve mag enkel aan een andere post worden toegewezen indien de geconsolideerde en enkelvoudige schuldratio opnieuw onder 65 % van de geconsolideerde en enkelvoudige activa is gedaald, naargelang het geval.

Onder "geconsolideerde schuldenlast" wordt de in artikel 27, § 1, tweede, derde en vierde lid bedoelde rubrieken verstaan.

Dit artikel is niet van toepassing op de uitkering van dividenden door institutionele vastgoedbevaks waarvan het kapitaal rechtsreeks of onrechtstreeks volledig in handen is van dezelfde openbare vastgoedbevak. HOOFDSTUK VI - Toezicht

Art. 71.De institutionele vastgoedbevak is onderworpen aan het toezicht van de CBFA. Voor de toepassing van dit besluit zijn de rekeningen van de institutionele vastgoedbevak enkel aan het toezicht van de CBFA onderworpen voor zover dit nodig is voor het toezicht op de geconsolideerde jaarrekening van de openbare vastgoedbevak.

Art. 72.De relaties tussen een institutionele vastgoedbevak en een aandeelhouder van die institutionele vastgoedbevak die geen openbare vastgoedbevak of één van haar dochtervennootschappen is, behoren niet tot de bevoegdheid van de CBFA, tenzij het toezicht op de openbare vastgoedbevak en de naleving van de voorwaarden voor de toelating en de uitoefening van de werkzaamheden van die openbare vastgoedbevak dit vergen.

TITEL IV - Inwerkingtreding en diverse bepalingen

Art. 73.Onverminderd het tweede lid van dit artikel, worden het koninklijk besluit van 10 april 1995, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 juli 2000, 10 juni 2001 en 21 juni 2006, en het koninklijk besluit van 21 juni 2006 opgeheven.

Voor de openbare vastgoedbevaks die, op de datum van bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad, zijn ingeschreven op de in artikel 31 van de wet bedoelde lijst, worden de artikelen 37 en 38 van het koninklijk besluit van 10 april 1995 en de artikelen 2 tot 5 van het koninklijk besluit van 21 juni 2006 echter pas opgeheven op de eerste dag van het eerste volledige boekjaar dat volgt op de inwerkingtreding van dit besluit.

Art. 74.§ 1. Voor de openbare vastgoedbevaks die, op de datum van bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad, zijn ingeschreven op de in artikel 31 van de wet bedoelde lijst, treden de artikelen 23, 25 en 26 pas in werking op de eerste dag van het eerste volledige boekjaar dat volgt op de inwerkingtreding van dit besluit.

De openbare vastgoedbevaks die, op de datum van bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad, zijn ingeschreven op de in artikel 31 van de wet bedoelde lijst, kunnen de in het vorige lid bedoelde bepalingen evenwel toepassen voor de jaar- en halfjaarrekeningen die op de dag van de inwerkingtreding van dit besluit nog niet werden opgesteld door de raad van bestuur of, naargelang het geval, de zaakvoerder van de openbare vastgoedbevak. De artikelen 37 en 38 van het koninklijk besluit van 10 april 1995 en artikelen 2 tot 5 van het koninklijk besluit van 21 juni 2006 zijn niet van toepassing op die openbare vastgoedbevaks.

Voor wat de boekhouding betreft, zijn de institutionele vastgoedbevaks aan dezelfde overgangsregeling onderworpen als de openbare vastgoedbevak die hen controleert. § 2. Behalve voor de openbare vastgoedbevaks die na de datum van bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad zijn ingeschreven op de in artikel 31 van de wet bedoelde lijst, is artikel 6, § 1, vierde lid van toepassing vanaf de hernieuwing van het mandaat van de deskundige in geval van een mandaat voor bepaalde duur en twaalf maanden te rekenen vanaf de inwerkingtreding van dit besluit in geval van een mandaat voor onbepaalde duur.

Voor de berekening van de termijnen bedoeld in artikel 6, § 2, eindigt de eerste termijn van drie jaar die in deze bepaling wordt bedoeld, uiterlijk op 31 december 2011. § 3. In afwijking van de artikelen 9, § 1, en 67, kunnen de bestuurders die benoemd zijn vóór 8 januari 2009 en die voldoen aan de criteria bepaald in artikel 524, § 4, tweede lid van het Wetboek van vennootschappen, zoals vervangen bij artikel 32 van de wet van 2 augustus 2002 houdende wijziging van het Wetboek van vennootschappen alsook van de wet van 2 maart 1989 op de openbaarmaking van belangrijke deelnemingen in ter beurze genoteerde vennootschappen en tot reglementering van de openbare overnameaanbiedingen, en niet aan de criteria bepaald in artikel 526ter van hetzelfde Wetboek, zitting blijven hebben als onafhankelijke leden tot 1 juli 2011. § 4. De in artikel 53, § 1 bepaalde limiet van 65 % voor de enkelvoudige schuldratio geldt maar na het verstrijken van een termijn van twaalf maanden na de inwerkingtreding van dit besluit.

Tijdens de in het vorige lid bedoelde termijn zijn de artikelen 27, § 2 en 70 enkel van toepassing op de uitkeringen aan aandeelhouders die respectievelijk verricht worden door een openbare vastgoedbevak of door een institutionele vastgoedbevak terwijl de geconsolideerde schuldratio van de openbare vastgoedbevak door die uitkering boven 65 % van de geconsolideerde activa zou uitstijgen of terwijl die limiet reeds overschreden zou zijn.

Art. 75.De openbare vastgoedbevaks die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn ingeschreven op de in artikel 31 van de wet bedoelde lijst, alsmede de zaakvoerders-rechtspersonen van openbare vastgoedbevaks die op de datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn ingeschreven op de in artikel 31 van de wet bedoelde lijst en die de vorm hebben van commanditaire vennootschappen op aandelen, passen hun statuten binnen achttien maanden na de inwerkingtreding van dit besluit aan aan de bepalingen van dit besluit.

Art. 76.De Minister bevoegd voor Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 7 december 2010.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Financiën, D. REYNDERS

Bijlage A In de statuten op te nemen minimale gegevens - Naam en rechtsvorm van de vastgoedbevak - Maatschappelijke zetel van de vastgoedbevak - In voorkomend geval, naam van de beheervennootschap die de vastgoedbevak conform artikel 43, § 1 van de wet heeft aangesteld - In voorkomend geval, maatschappelijke zetel van de beheervennootschap - In voorkomend geval, wijze van aanstelling en ontslag van de beheervennootschap die conform artikel 43, § 1 van de wet is aangesteld, en de maatregelen om de aanstelling of het ontslag bekend te maken - Voor de openbare vastgoedbevaks, wijze van aanstelling en ontslag van de persoon belast met de financiële dienst, en de maatregelen om de aanstelling of het ontslag bekend te maken - Vermelding dat de vastgoedbevak geopteerd heeft voor de categorie van beleggingen als bedoeld in artikel 1 van dit besluit - Mogelijkheid om de effecten uit te geven bedoeld in artikel 460 van het Wetboek van vennootschappen, met uitzondering van de winstbewijzen - Bijzondere regels voor de kapitaalverhogingen conform de artikelen 13 en 14 - Indien zij bestaan, vermelding van de categorieën van aandelen - In voorkomend geval, voor de institutionele vastgoedbevaks, het verbod om in het register van de effecten op naam, een overdracht in te schrijven van effecten aan een overnemer die geen institutioneel of professioneel belegger is in de zin van artikel 5, § 3 van de wet - In voorkomend geval, voor de institutionele vastgoedbevaks, de schorsing van de uitkering van de dividenden of interesten op de effecten van beleggers die geen institutionele of professionele belegger zijn in de zin van artikel 5, § 3, van de wet - Gedetailleerde beschrijving van het beleggingsbeleid - Criteria voor de spreiding van de activa van de vastgoedbevak, met name per type vastgoedbelegging, per geografische streek en per categorie van gebruiker of huurder - In voorkomend geval, mogelijkheid voor de vastgoedbevak om leasingactiviteiten te verrichten - In voorkomend geval, mogelijkheid voor de vastgoedbevak om toegelaten afdekkingsinstrumenten te kopen of te verkopen - Werking van de raad van bestuur - Samenstelling van de raad van bestuur en beschrijving van de regels voor de vertegenwoordiging ten aanzien van derden, conform artikel 9 - Regels voor een statutenwijziging - Wijze waarop de openbare vastgoedbevak haar jaarlijks en halfjaarlijks financieel verslag alsook haar jaar- en halfjaarrekening en het verslag van de commissaris ter beschikking stelt van de aandeelhouders - Oproeping tot, alsook plaats, datum en uur van de algemene vergadering, wijze van uitoefening van het stemrecht, wijze van goedkeuring van de jaarrekening en van het verlenen van kwijting aan de bestuurders en commissarissen door de algemene vergadering - Eventuele einddatum en wijze van vereffening, van aanstelling van een of meer vereffenaars en van afronding van de vereffening van de vastgoedbevak - Begin- en einddatum van het boekjaar Bijlage B HOOFDSTUK I - In het jaarlijks en halfjaarlijks financieel verslag op te nemen gegevens Afdeling I

- Inventariswaarde van de aandelen van de openbare vastgoedbevak - Informatie over de situatie van de markten waarin de vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen hebben belegd Afdeling II

- Samenstelling van de vastgoedportefeuille van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen, op individuele en geconsolideerde basis, op grond van geografische en sectorale criteria en per categorie van gebruiker of huurder - In voorkomend geval, gedetailleerde informatie over de afwijking die door de CBFA is toegestaan krachtens artikel 39, § 3 - De conclusies van de deskundige ingevolge de actualisering als bedoeld in artikel 29, § 2 van dit besluit - Algemene bezettingsgraad van de portefeuille Afdeling III

- Informatie over de transacties die door de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen zijn uitgevoerd in de loop van het voorbije boek- of halfjaar, inzonderheid met vermelding van een lijst van de verrichtingen die werden uitgevoerde in de loop van het betrokken boek- of halfjaar en informatie over de voornaamste kenmerken van deze verrichtingen - Verantwoording van de verwervingen of overdrachten van vastgoed als bedoeld in artikel 31, § 1, tweede lid Afdeling IV

- In voorkomend geval, algemene oriëntatie van het financieel plan dat is opgesteld conform artikel 54, alsook beschrijving en verantwoording van (a) de wijze waarop het financieel plan in de loop van de relevante periode werd uitgevoerd en (b) de wijze waarop de openbare vastgoedbevak voornemens is het plan in de toekomst uit te voeren - Beschrijving van het door de openbare vastgoedbevak uitgestippelde beleid voor de dekking van financiële risico's en verantwoording van de verkoop, tijdens de betrokken periode, van afdekkingsinstrumenten vóór de vervaldatum HOOFDSTUK II - Enkel in het jaarlijks financieel verslag op te nemen gegevens Afdeling I

- Financiële kalender van de openbare vastgoedbevak - Evolutie van de beurskoers ten opzichte van de inventariswaarde van de aandelen - Relevante gegevens van het (geconsolideerde) resultaat voor de verschillende deelportefeuilles van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen - Berekening van het bedrag dat mag worden uitgekeerd krachtens artikel 617 van het Wetboek van vennootschappen - Informations relatives à la stratégie d'investissement que la sicafi publique et ses filiales ont appliqué pendant l'exercice et entendent appliquer pour les exercices suivants - Conform artikel 18, § 2, toelichting bij de verrichtingen die respectievelijk zijn uitgevoerd door de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen met personen als bedoeld in artikel 18, § 1 - In geval van kapitaalverhoging door inbreng in natura met toepassing van de artikelen 13, § 2, eerste lid, 2°, tweede zin, en 14, tweede lid, opgave van de financiële voorwaarden van de verrichting Afdeling II

- Gehanteerde waarderingscriteria - Samenvatting van de in artikel 29, § 1 bedoelde waardering met opgave, voor elke vastgoeddeelportefeuille afzonderlijk, van de reële waarde van de gewaardeerde goederen - Beschrijving van de beginselen voor de consolidatie van de openbare vastgoedbevak met haar dochtervennootschappen Afdeling III

- Totale waarde van de minderheidsbelangen in de vennootschappen die onder de exclusieve controle van de openbare vastgoedbevak staan - Totale waarde van de minderheidsbelangen in de vennootschappen die onder de exclusieve controle van de openbare vastgoedbevak staan, met uitsluiting van de dochtervennootschappen waarvan de rest van het kapitaal in handen is van één of meer lidstaten van de Europese Economische Ruimte - Totale waarde van de minderheidsbelangen in de vennootschappen die onder de exclusieve controle van de openbare vastgoedbevak staan, waarvan de rest van het kapitaal in handen is van een of meer lidstaten van de Europese Economische Ruimte - Totale waarde van de deelnemingen verwerkt via vermogensmutatie of, naargelang het geval, totaal van de proportioneel geconsolideerde activa, voor alle gezamenlijk gecontroleerde dochtervennootschappen samen - Totale waarde van de deelnemingen verwerkt via vermogensmutatie of, naargelang het geval, totaal van de proportioneel geconsolideerde activa, voor alle gezamenlijk gecontroleerde dochtervennootschappen samen, met uitsluiting van de dochtervennootschappen waarover gezamenlijk controle wordt uitgeoefend met een of meer lidstaten van de Europese Economische Ruimte - Totale waarde van de deelnemingen verwerkt via vermogensmutatie of, naargelang het geval, totaal van de proportioneel geconsolideerde activa, voor alle dochtervennootschappen samen waarover gezamenlijk controle wordt uitgeoefend met een of meer lidstaten van de Europese Economische Ruimte - Inventaris van het vastgoed van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen, met opgave, voor elke vastgoeddeelportefeuille afzonderlijk, van de aanschaffingswaarde, de verzekerde waarde, de reële waarde en de huuropbrengst. Indien een segment slechts één onroerend goed bevat, kan de openbare vastgoedbevak ervoor opteren om de aanschaffingswaarde niet te vermelden - Informatie over de lopende projecten en de renovaties, waaronder een raming van de daartoe vereiste budgetten - Informatie over de sectoren waarin de huurders van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen actief zijn, inzonderheid aangegeven, rekening houdend met de ontvangen huuropbrengsten - Specifieke informatie over het vastgoed en de vastgoedgehelen alsook over de projecten die meer dan 5 % vertegenwoordigen van de geconsolideerde activa van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen, inzonderheid met vermelding, voor elk afzonderlijk project, van het percentage dat erdoor op geconsolideerd niveau vertegenwoordigd wordt in de portefeuille van de vastgoedbevak - Specifieke informatie over het vastgoed en de vastgoedgehelen alsook over de projecten die meer dan 20 % vertegenwoordigen van de geconsolideerde activa van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen, inzonderheid met vermelding, voor elk afzonderlijk project, van (a) de reële waarde, (b) de aanschaffingswaarde en -datum, (c) de huuropbrengst en (d) het percentage dat erdoor op geconsolideerd niveau vertegenwoordigd wordt in de portefeuille van de vastgoedbevak - Voor elk onroerend goed of vastgoedgeheel in de portefeuille van de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen : beschrijving (adres, huuroppervlakte, bouwjaar of jaartal van de meest recente renovatie en bestemming), bedrag van de ontvangen huurgelden en bezettingsgraad met vermelding van de berekeningswijze en van een raming van de huurwaarde, alsook van de hypotheses waarvan werd uitgegaan voor de raming van de huurwaarde. Voor de onroerende goederen of de vastgoedgehelen die individueel beschouwd minder dan 1 % vertegenwoordigen van de geconsolideerde activa van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen : in voorkomend geval, opgave van de gegevens op algemene basis - Het bouwjaar of, in voorkomend geval, het jaartal van de meest recente renovatie van de onroerende goederen van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen. Voor het verstrekken van deze informatie : onderverdeling van de portefeuille naar ouderdomscategorie en opgave, per categorie, van het aandeel van de portefeuille dat zij vertegenwoordigt. Tevens vermelding of de volledig vernieuwde gebouwen als nieuw worden beschouwd op het ogenblik dat hun renovatie voltooid wordt - Wat de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen betreft : informatie over de resterende looptijd van de huurcontracten en de overige overeenkomsten waarmee het genot van een onroerend goed aan een derde wordt toegekend (berekend tot de eerst mogelijke opzegging), met vermelding van de betrokken huurgelden Verstrekking van deze informatie : a) (i) hetzij aan de hand van een grafiek waarin, per jaar, de huurgelden zijn opgenomen die volgens de huurcontracten zullen worden ontvangen tot de datum van de eerst mogelijke opzegging door de huurder, (ii) hetzij door de huurcontracten naar resterende looptijd onder te verdelen in verschillende categorieën en, per categorie het relevante aandeel huurcontracten ten aanzien van de desbetreffende huuropbrengsten aan te geven, en b) met bijkomende vermelding van de gemiddelde resterende looptijd van de huurcontracten als geheel beschouwd - Ingeval de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen beleggen in rechten van deelneming in buitenlandse instellingen voor collectieve belegging in vastgoed : vermelding van het risicoprofiel van de betrokken instelling en van de invloed van deze belegging op de spreiding van de beleggingsrisico's, rekening houdend met de regels waaraan de betrokken beleggingsinstelling is onderworpen, inzonderheid op het vlak van risicospreiding, beleggingsbeleid en maximale schuldratio - Organisatie van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen wat het operationele beheer van het vastgoed in portefeuille betreft - Bedrag van de betaalde premies en percentage van de reële waarde van de portefeuille dat gedekt is door de verzekering - Jaarlijkse financiële kosten gekoppeld aan de schuldenlast van de openbare vastgoedbevak en haar dochtervennootschappen Afdeling IV

- Identiteit van de persoon belast met de financiële dienst van de openbare vastgoedbevak - Identiteit van de deskundige van de openbare vastgoedbevak, alsook, in voorkomend geval, van de natuurlijke personen die de deskundige vertegenwoordigen - Identiteit van de commissaris van de openbare vastgoedbevak en van elke institutionele vastgoedbevak die zij controleert, alsook, in voorkomend geval, van de natuurlijke personen die de commissaris vertegenwoordigen - Identiteit van de bestuurders, zaakvoerders, leden van het directiecomité, personen belast met het dagelijks bestuur en effectieve leiders van de vastgoedbevak en van de zaakvoerder-rechtspersoon van de vastgoedbevak die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen heeft aangenomen - In voorkomend geval, samenstelling van de comités die zijn opgericht in de raad van bestuur of in het bestuurscollege van de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen, en van de zaakvoerder-rechtspersoon van de vastgoedbevak die de vorm van een commanditaire vennootschap op aandelen heeft aangenomen - Opsomming, conform de bepalingen van artikel 16, van de vergoeding voor de persoon belast met de financiële dienst en voor de deskundigen en de commissarissen, ten laste van de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen, alsook de grondslag en de berekeningsbasis van deze vergoeding Afdeling V

- Informatie over de aandeelhoudersstructuur van de vastgoedbevak, waaronder (a) de rechtstreekse en onrechtstreekse deelnemingen van, respectievelijk, de promotor en de personen die met hem een deelnemingsverhouding hebben of in onderling overleg handelen, alsook de volledige controleketen van de gecontroleerde vennootschappen via welke deze deelnemingen, in voorkomend geval, daadwerkelijk gehouden worden, met opgave van de naam en de statutaire zetel van elke gecontroleerde vennootschap en (b) het aandeel van het kapitaal dat in het publiek is verspreid - Vermelding van de volgende informatie : a) het houden van effecten, door andere personen dan de openbare vastgoedbevak, die zijn uitgegeven door een vennootschap die gecontroleerd wordt door de openbare vastgoedbevak, met opgave van de respectieve deelnemingen van de verschillende personen, en, in voorkomend geval, vermelding of zij en naargelang het geval met wie in onderling overleg optreden b) elke betaling of elk voordeel, inzonderheid als uitkering, rente of terugbetaling van de hoofdsom, toegekend uit hoofde van de effecten die zijn uitgegeven door een vennootschap die gecontroleerd wordt door de openbare vastgoedbevak, voor zover het niet de betalingen of voordelen zijn die uit hoofde van dezelfde effecten aan de openbare vastgoedbevak zijn toegekend, of voor zover de openbare vastgoedbevak geen effecten bezit van de betrokken categorie - Specificatie en voorwaarden van de leningen of voorschotten die de openbare vastgoedbevak of haar dochtervennootschappen hebben ontvangen of verstrekt, alsook van de door hen verleende hypotheken en van de verkregen en verleende waarborgen en zekerheden

Bijlage C Enkelvoudige en geconsolideerde jaarrekening Hoofdstuk 1.- Schema's van de enkelvoudige jaarrekening, onderverdeling en omschrijving van de rubrieken Deel 1. Schema's van de enkelvoudige jaarrekening Afdeling 1. Balansschema

ACTIVA I. Vaste Activa A. Goodwill B. Immateriële vaste activa C. Vastgoedbeleggingen D. Andere materiële vaste activa E. Financiële vaste activa F. Vorderingen financiële leasing G. Handelsvorderingen en andere vaste activa H. Uitgestelde belastingen - activa II. Vlottende activa A. Activa bestemd voor verkoop B. Financiële vlottende activa C. Vorderingen financiële leasing D. Handelsvorderingen E. Belastingvorderingen en andere vlottende activa F. Kas en kasequivalenten G. Overlopende rekeningen TOTAAL ACTIVA EIGEN VERMOGEN A. Kapitaal B. Uitgiftepremies C. Reserves D. Nettoresultaat van het boekjaar VERPLICHTINGEN I. Langlopende verplichtingen A. Voorzieningen B. Langlopende financiële schulden a. Kredietinstellingen b.Financiële leasing c. Andere C.Andere langlopende financiële verplichtingen D. Handelsschulden en andere langlopende schulden E. Andere langlopende verplichtingen F. Uitgestelde belastingen - verplichtingen a. Exit taks b.Andere II. Kortlopende verplichtingen A. Voorzieningen B. Kortlopende financiële schulden b. Kredietinstellingen b.Financiële leasing c. Andere C.Andere kortlopende financiële verplichtingen D. Handelsschulden en andere kortlopende schulden b. Exit taks c.Andere E. Andere kortlopende verplichtingen F. Overlopende rekeningen TOTAAL EIGEN VERMOGEN EN VERPLICHTINGEN Afdeling 2. Schema van de resultatenrekening

I. Huurinkomsten (+) II. Terugnemingen overgedragen en verdisconteerde huren (+) III. Met verhuur verbonden kosten (+/-) NETTO HUURRESULTAAT (= I + II + III) IV. Recuperatie van vastgoedkosten (+) V. Recuperatie van huurlasten en belastingen normaal gedragen door de huurder op verhuurde gebouwen (+) VI. Kosten van de huurders en gedragen door de eigenaar op huurschade en wederinstaatstelling op het einde van de huur (-) VII. Huurlasten en belastingen normaal gedragen door de huurder op verhuurde gebouwen (-) VIII. Andere met verhuur verbonden inkomsten en uitgaven (+/-) VASTGOEDRESULTAAT (= I + II + III + IV + V + VI + VII + VIII) IX. Technische kosten (-) X. Commerciële kosten (-) XI. Kosten en taksen van niet verhuurde goederen (-) XII. Beheerkosten vastgoed (-) XIII. Andere vastgoedkosten (-) VASTGOEDKOSTEN(= IX + X + XI + XII + XIII) OPERATIONEEL VASTGOEDRESULTAAT (I + II + III + IV + V + VI + VII + VIII + IX + X + XI + XII + XIII) XIV. Algemene kosten van de vennootschap (-) XV. Andere operationele opbrengsten en kosten (+/-) OPERATIONEEL RESULTAAT VOOR HET RESULTAAT OP DE PORTEFEUILLE (I + II+ III + IV + V + VI + VII + VIII + IX + X + XI + XII + XIII + XIV + XV) XVI. Resultaat verkoop vastgoedbeleggingen (+/-) XVII. Resultaat verkoop andere niet-financiële activa (+/-) XVIII. Variaties in de reële waarde van vastgoedbeleggingen (+/-) XIX. Ander portefeuilleresultaat (+/-) OPERATIONEEL RESULTAAT (I + II+ III + IV + V + VI + VII + VIII + IX + X + XI + XII + XIII + XIV + XV + XVI + XVII + XVIII + XIX) XX. Financiële inkomsten (+) XXI. Netto interestkosten (-) XXII. Andere financiële kosten (-) XXIII. Variaties in de reële waarde van financiële activa en passiva (+/-) FINANCIEEL RESULTAAT (XX + XXI + XXII + XXIII) RESULTAAT VOOR BELASTINGEN (I + II + III + IV + V + VI + VII + VIII + IX + X + XI + XII + XIII + XIV + XV + XVI + XVII + XVIII + XIX + XX + XXI + XXII + XXIII) XXIV. Vennootschapsbelasting (-/+) XXV. Exit taks (-/+) BELASTINGEN (XXIV + XXV) NETTO RESULTAAT (I +II + III + IV + V +VI + VII + VIII + IX + X + XI + XII + XIII + XIV + XV + XVI + XVII + XVIII + XIX + XX + XXI + XXII + XXIII + XXIV + XXV) Afdeling 3. Staat van het globaal resultaat

I. Nettoresultaat II. Andere elementen van het globaal resultaat : A. Impact op de reële waarde van geschatte mutatierechten en -kosten bij hypothetische vervreemding van vastgoedbeleggingen B. Variaties in het effectieve deel van de reële waarde van toegelaten afdekkingsinstrumenten in een kasstroomafdekking zoals gedefinieerd in IFRS C. Variaties in de reële waarde van financiële activa beschikbaar voor verkoop D. Omrekeningsverschillen die voortvloeien uit de omrekening van een buitenlandse activiteit E. Actuariële winsten en verliezen van toegezegd-pensioenregelingen F. Belasting op het resultaat met betrekking tot de "andere elementen van het globaal resultaat" G. Andere elementen van het" globaal resultaat", na belasting GLOBAAL RESULTAAT(I + II) Afdeling 4 : Resultaatverwerking

A.Nettoresultaat B. Toevoeging/onttrekking reserves (-/+) 1. Toevoeging aan/ onttrekking van de reserve voor het (positieve of negatieve) saldo van de variaties in de reële waarde van vastgoed (-/+) - boekjaar - vorige boekjaren - realisatie vastgoed 2.Toevoeging aan/onttrekking van de reserve van geschatte mutatierechten en -kosten bij hypothetische vervreemding van vastgoedbeleggingen (-/+) 3. Toevoeging aan de reserve voor het saldo van de variaties in de reële waarde van toegelaten afdekkingsinstrumenten die onderworpen zijn aan een afdekkingsboekhouding zoals gedefinieerd in IFRS (-) - boekjaar - vorige boekjaren 4.Onttrekking van de reserve voor het saldo van de variaties in de reële waarde van toegelaten afdekkingsinstrumenten die onderworpen zijn aan een afdekkingsboekhouding zoals gedefinieerd in IFRS (+) - boekjaar - vorige boekjaren 5. Toevoeging aan de reserve voor het saldo van de variaties in de reële waarde van toegelaten afdekkingsinstrumenten die niet onderworpen zijn aan een afdekkingsboekhouding zoals gedefinieerd in IFRS (-) - boekjaar - vorige boekjaren 6.Onttrekking van de reserve voor het saldo van de variaties in de reële waarde van toegelaten afdekkingsinstrumenten die niet onderworpen zijn aan een afdekkingsboekhouding zoals gedefinieerd in IFRS(+) - boekjaar - vorige boekjaren 7. Toevoeging aan/onttrekking van de reserve voor het saldo van de wisselkoersverschillen op monetaire activa en passiva (-/+) 8.Toevoeging aan/onttrekking van de reserve fiscale latenties met betrekking tot vastgoed gelegen in het buitenland (-/+) 9. Toevoeging aan/onttrekking van de reserve voor de ontvangen dividenden bestemd voor de terugbetaling van financiële schulden (-/+) 10.Toevoeging aan/onttrekking van andere reserves (-/+) 11. Toevoegingaan/onttrekking van overgedragen resultaten van vorige boekjaren (-/+) C.Vergoeding voor het kapitaal overeenkomstig artikel 27, § 1, lid 1 D. Vergoeding voor het kapitaal, - andere dan C Deel 2. Verdere onderverdeling en omschrijving van bepaalde rubrieken van de balans, de resultatenrekening, de staat van het globaal resultaat en de resultaatverwerking In dit deel worden bepaalde rubrieken van de schema's opgenomen in deel 1 verder onderverdeeld en omschreven.

Naar keuze van de vennootschap worden de hieronder vermelde posten en subposten ofwel opgenomen in, naargelang het geval, het balansschema of het schema van de resultatenrekening ofwel in een verklarende toelichting. Afdeling 1. Balansschema

ACTIVA I. Vaste Activa A. Goodwill Deze rubriek vermeldt de bedragen van de activa zoals bedoeld in IFRS 3.

B. Immateriële vaste activa Deze rubriek vermeldt de bedragen van de activa zoals bedoeld in IAS 38.

C. Vastgoedbeleggingen Deze rubriek vermeldt de bedragen van de activa zoals bedoeld in IAS 40.

Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten "Vastgoed beschikbaar voor verkoop", "Projectontwikkelingen, "Materiële vaste activa voor eigen gebruik" en "Andere D. Andere materiële vaste activa Deze rubriek vermeldt de bedragen van de activa zoals bedoeld in IAS 16.

Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten « Materiële vaste activa voor eigen gebruik » en « Andere ».

E. Financiële vaste activa Deze rubriek vermeldt de bedragen van de activa zoals bedoeld in IAS 39 of in IAS 27, § 37, andere dan de financiële vaste activa opgenomen onder de rubriek « H. Handelsvorderingen en andere vaste activa ».

Deze rubriek dient overeenkomstig de classificatie bepaald in IAS 39 verder onderverdeeld te worden in de posten « Activa aangehouden tot einde looptijd », « Activa beschikbaar voor verkoop », « Activa aan reële waarde via resultaat », « Leningen en vorderingen » en « Andere » De voormelde posten dienen in voorkomend geval verder onderverdeeld te worden in de subposten « Vastgoedcertificaten », « Afdekkingsinstrumenten », « Deelnemingen in andere vastgoedbevaks », « Deelnemingen in verbonden ondernemingen of ondernemingen met een deelnemingsverhouding » en « Andere ».

F. Vorderingen financiële leasing Deze rubriek vermeldt de bedragen van de vorderingen financiële leasing zoals bedoeld in IAS 17.

H. Uitgestelde belastingen - Activa Deze rubriek vermeldt de bedragen van de uitgestelde belastingen zoals bedoeld in IAS 12.

II. Vlottende activa A. Activa bestemd voor verkoop Deze rubriek vermeldt de bedragen van de activa die overeenkomstig IFRS 5 bestemd zijn voor verkoop.

Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten « Vastgoedbeleggingen », « Vastgoedcertificaten » en « Andere activa ».

B. Financiële vlottende activa Deze rubriek vermeldt de bedragen van de activa zoals bedoeld in IAS 39 of in IAS 27, § 37, andere dan de financiële vlottende activa opgenomen onder de rubrieken « D. Handelsvorderingen », « E. Belastingvorderingen en andere vlottende activa » en « F. Kas en kasequivalenten ».

Deze rubriek dient overeenkomstig de classificatie bepaald in IAS 39 verder onderverdeeld te worden in de posten « Activa aangehouden tot einde looptijd », « Activa beschikbaar voor verkoop », « Activa aan reële waarde via resultaat », « Leningen en vorderingen » en « Andere ».

De voormelde posten dienen in voorkomend geval verder onderverdeeld te worden in de subposten « Vastgoedcertificaten », « Toegelaten afdekkingsinstrumenten », « deelnemingen in andere vastgoedbevaks », « Deelnemingen in verbonden ondernemingen of ondernemingen met een deelnemingsverhouding » en « Andere ».

C. Vorderingen financiële leasing Deze rubriek vermeldt de bedragen van de vorderingen financiële leasing zoals bedoeld in IAS 17.

E. Belastingvorderingen en andere vlottende activa Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten « belastingen », « Bezoldigingen en sociale lasten » en « Andere ».

F. Kas en kasequivalenten Deze rubriek vermeldt de bedragen van de activa zoals bedoeld in IAS 7, § 6 tot 9.

G. Overlopende Rekeningen Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten « Gelopen, niet vervallen vastgoedopbrengsten », « Te bestemmen huurkortingen en huurvoordelen », « Voorafbetaalde vastgoedkosten », « Voorafbetaalde interesten en andere financiële kosten » en « Andere ».

TOTAAL EIGEN VERMOGEN A. Kapitaal Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten « Geplaatst kapitaal » en « Kosten kapitaalverhoging ».

C. Reserves Deze rubriek dient verder onderverdeelt te worden in de volgende posten : a. Wettelijke reserve (+) b.Reserve voor het saldo van de variaties in de reële waarde van vastgoed (+/-) c. Reserve voor de impact op de reële waarde van geschatte mutatierechten en -kosten bij hypothetische vervreemding van vastgoedbeleggingen (-) d.Reserve voor het saldo van de variaties in de reële waarde van toegelaten afdekkingsinstrumenten die onderworpen zijn aan een afdekkingsboekhouding zoals gedefinieerd in IFRS (+/-) e. Reserve voor het saldo van de variaties in de rëele waarde van toegelaten afdekkingsinstrumenten die niet onderworpen zijn aan een afdekkingsboekhouding zoals gedefinieerd in IFRS (+/-) f.Reserve voor het saldo van de wisselkoersverschillen op monetaire activa en passiva (+/-) g. Reserve voor de omrekeningsverschillen die voortvloeien uit de omrekening van een buitenlandse activiteit (+/-) h.Reserve voor eigen aandelen (-) i. Reserve voor het saldo van de variaties in de reële waarde van financiële activa beschikbaar voor verkoop (+/-) j.Reserve voor actuariële winsten en verliezen van toegezegd-pensioensregelingen (+/-) k. Reserve voor fiscale latenties met betrekking tot vastgoed gelegen in het buitenland (+/-) l.Reserve voor de ontvangen dividenden bestemd voor de terugbetaling van financiële schulden (+/-) m. Andere reserves (+/-) n.Overgedragen resultaten van vorige boekjaren (+/-) D. Nettoresultaat van het boekjaar Het bedrag opgenomen in de rubriek "Nettoresultaat van het boekjaar" stemt overeen met het "Nettoresultaat" zoals bedoeld in het schema van de resultatenrekening.

VERPLICHTINGEN I. Langlopende verplichtingen A.Voorzieningen Deze rubriek vermeldt de bedragen van de voorzieningen zoals bedoeld in IAS 37.

Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten « Pensioenen » en « Andere ».

B. Langlopende financiële schulden De post « Andere » van deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de subposten « Andere Leningen », « Ontvangen huurwaarborgen », « Voorschotten vastgoedopbrengsten met verhaal op meer dan één jaar », « Afgestane vastgoedopbrengsten met verhaal op meer dan één jaar » en « Andere ».

C. Andere langlopende financiële verplichtingen Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten « Toegelaten afdekkingsinstrumenten » en « Andere ».

D. Handelsschulden en andere langlopende schulden Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten « Handelsschulden » en « Andere ».

F. Uitgestelde belastingen - verplichtingen Deze rubriek vermeldt de bedragen van de uitgestelde belastingen zoals bedoeld in IAS 12.

II. Kortlopende verplichtingen A. Voorzieningen Deze rubriek vermeldt de bedragen van de voorzieningen zoals bedoeld in IAS 37.

Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten « Pensioenen » en « Andere ».

B. Kortlopende financiële schulden De post « Andere » van deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de subposten « Andere Leningen », « Ontvangen huurwaarborgen », « Voorschotten vastgoedopbrengsten met verhaal op ten hoogste één jaar », « Afgestane vastgoedopbrengsten met verhaal op ten hoogste één jaar » en « Andere ».

C. Andere kortlopende financiële verplichtingen Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten « Toegelaten afdekkingsinstrumenten » en « Andere ».

D. Handelsschulden en andere kortlopende schulden De post « Andere » van deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de subposten « Leveranciers », « Huurders » en « Belastingen, bezoldigingen en sociale lasten ».

F. Overlopende rekeningen Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten « Vooraf ontvangen vastgoedopbrengsten », « Gelopen, niet vervallen interesten en andere kosten » en « Andere ». Afdeling 2. Schema van de resultatenrekening

I. Huurinkomsten Onder huurinkomst wordt elke inkomst uit vastgoed verstaan.

Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten « Huur », « Gegarandeerde inkomsten », « Huurkortingen », « Huurvoordelen (incentives) », « Vergoedingen voor vroegtijdig verbroken huurcontracten » en « Vergoeding financiële leasing en soortgelijken ».

De vergoedingen uit financiële leasing en soortgelijken zoals bedoeld in IAS 17, wordt onder de post « Vergoeding financiële leasing en soortgelijken » van de rubriek « I. Huurinkomsten » opgenomen indien activiteiten van financiële leasing en soortgelijken de hoofdactiviteit van de bevak uitmaken.

Onder soortgelijken wordt onder andere erfpacht, opstal en vruchtgebruik verstaan.

II. Terugnemingen overgedragen en verdisconteerde huren In de gevallen waarbij de vastgoedbevak overgaat tot de overdracht van het recht op inning van toekomstige huurinkomsten op vastgoed aan een derde en waarbij deze overdracht volkomen is en de vastgoedbevak bevrijdt van enigerlei verplichting ten aanzien van deze derde met betrekking tot het overgedragen recht, zal de derde in ruil voor deze overdracht een bedrag betalen aan de vastgoedbevak die overeenstemt met de contante waarde van de toekomstige huurinkomsten zonder dat de vastgoedbevak een verplichting tot teruggave van dit bedrag aan die derde heeft.

Dit bedrag wordt in de gevallen en onder de voorwaarden zoals gesteld in het vorige lid, in mindering gebracht van de waarde van het vastgoed. De waarde van het vastgoed zal jaarlijks verhoogd worden met het verschil tussen de geactualiseerde waarde van de overgedragen huurinkomsten van het vorige boekjaar en de geactualiseerde waarde van de overgedragen huurinkomsten van het boekjaar. Dit verschil wordt jaarlijks in deze rubriek opgenomen.

III. Met verhuur verbonden kosten Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten « Te betalen huur op gehuurde activa », « Waardeverminderingen op handelsvorderingen » en « Terugnemingen van waardeverminderingen op handelsvorderingen ».

IV. Recuperatie van vastgoedkosten Deze rubriek vermeldt de bedragen van de kosten zoals bedoeld in de rubrieken « VI. Kosten van de huurders en gedragen door de eigenaar op huurschade en wederinstaatstelling op het einde van de huur », "IX. Technische kosten", "X. Commerciële kosten", "XI. Kosten en taksen van niet verhuurde goederen", "XII. Beheerkosten vastgoed", "XIII. Andere vastgoedkosten" die de eigenaar dient te dragen volgens het Burgerlijk wetboek of de gebruiken, maar die overeenkomstig de huurovereenkomst worden gerecupereerd van een huurder.

Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten « Verkregen vergoedingen op huurschade » en « Recuperatie van wederinstaatstellings-kosten op het einde van de huur ».

V. Recuperatie van huurlasten en belastingen normaal gedragen door de huurder op verhuurde gebouwen Deze rubriek vermeldt de bedragen van de huurlasten en belastingen zoals bedoeld in de rubriek « VII. Huurlasten en belastingen normaal gedragen door de huurder op verhuurde gebouwen » die worden doorgerekend aan de huurder.

Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten « Doorrekening van huurlasten gedragen door de eigenaar » en « Doorrekening van voorheffingen en belastingen op verhuurde gebouwen ».

VI. Kosten van de huurders en gedragen door de eigenaar op huurschade en wederinstaatstelling op het einde van de huur Deze rubriek vermeldt de bedragen van kosten m.b.t. huurschade en wederinstaatstelling op het einde van de de huur die volgens het Burgerlijk wetboek of de gebruiken dienen te worden gedragen door de huurder, maar die overeenkomstig de huurovereenkomst worden gedragen door de eigenaar. De bedoelde kosten die kunnen worden gerecupereerd van een huurder, worden opgenomen in de rubriek « IV. Recuperatie van vastgoedkosten. » VII. Huurlasten en belastingen normaal gedragen door de huurder op verhuurde gebouwen Deze rubriek vermeldt de bedragen van de huurlasten en belastingen op verhuurde gebouwen die volgens het Burgerlijk wetboek of de gebruiken dienen te worden gedragen door de huurder maar die door derden worden gefactureerd aan de eigenaar. De bedoelde huurlasten en belastingen die kunnen worden doorgerekend aan de huurder, worden opgenomen in de rubriek « V. Recuperatie van huurlasten en belastingen normaal gedragen door de huurder op verhuurde gebouwen. » Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten « Huurlasten gedragen door de eigenaar » en « Voorheffingen en belastingen op verhuurde gebouwen ».

IX. Technische kosten Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten « Recurrente technische kosten » en « Niet-recurrente technische kosten ».

De post « Recurrente technische kosten » dient verder onderverdeeld te worden in de subposten « Herstellingen », « Vergoedingen voor totale waarborgen » en « Verzekeringspremies ».

De post « Niet recurrente technische kosten » dient verder onderverdeeld te worden in de subposten « Grote herstellingen (aannemers, architecten, studiebureau, ...) » en « Schadegevallen ».

X. Commerciële kosten Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten « Makelaarscommissies », « Publiciteit » en « Erelonen van advocaten en juridische kosten ».

XII. Beheerkosten vastgoed Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten « Externe beheervergoedingen » en « (Interne) beheerkosten van het patrimonium ».

XVI. Resultaat verkoop vastgoedbeleggingen Deze rubriek vermeldt het resultaat van de verkoop van vastgoedbeleggingen zoals bedoeld in IAS 40.

Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten « Netto verkopen van de onroerende goederen (verkoopprijs - transactiekosten) en « Boekwaarde van de verkochte onroerende goederen ».

XVII. Resultaat verkoop andere niet-financiële activa Deze rubriek vermeldt het resultaat van de verkopen van activa, andere dan vastgoedbeleggingen en financiële activa.

Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten« « Netto verkopen van andere niet-financiële activa (verkoopprijs - transactiekosten) » en « Boekwaarde van de verkochte andere niet financiële activa ».

XVIII. Variaties in de reële waarde van vastgoedbeleggingen Deze rubriek vermeldt de variaties in de reële waarde van vastgoedbeleggingen zoals bedoeld in IAS 40.

Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten « Positieve variaties in de reële waarde van vastgoedbeleggingen » en « Negatieve variaties in de reële waarde van vastgoedbeleggingen » en, naargelang de keuze van de vennootschap, in de bijkomende posten "Positieve variaties van de geschatte mutatierechten en -kosten bij hypothetische vervreemding van vastgoedbeleggingen" en "Negatieve variaties van de geschatte mutatierechten en - kosten bij hypothetische vervreemding van vastgoedbeleggingen" XIX. Ander portefeuilleresultaat (+/-) Deze rubriek vermeldt de bedragen die voortvloeien uit de toepassing van de consolidatieprincipes en uit fusieverrichtingen.

XX. Financiële inkomsten Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten « Geïnde interesten en dividenden », « Vergoeding financiële leasing en soortgelijken », « Netto gerealiseerde meerwaarden op verkoop financiële activa » en « Netto gerealiseerde meerwaarden op verkoop vorderingen financiële leasing en soortgelijken ».

De vergoedingen uit financiële leasing en soortgelijken zoals bedoeld in IAS 17, wordt onder de post « Vergoeding financiële leasing en soortgelijken » van de rubriek « XIX. Financiële inkomsten » opgenomen indien activiteiten van financiële leasing en soortgelijken niet behoren tot de normale bedrijfsactiviteit van de vastgoedbevak.

Onder soortgelijken wordt onder andere erfpacht, opstal en vruchtgebruik verstaan.

XXI. Netto interestkosten Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten « Nominale interestlasten op leningen », « Wedersamenstelling van het nominaal bedrag van financiële schulden », « Kosten van toegelaten afdekkingsinstrumenten », « Inkomsten uit toegelaten afdekkingsinstrumenten » en « Andere interestkosten ».

De posten "Kosten van toegelaten afdekkinsinstrumenten" en "Inkomsten uit toegelaten afdekkingsinstrumenten" dienen verder onderverdeeld te worden in de subposten "Toegelaten afdekkingsinstrumenten die onderworpen zijn aan een afdekkingsboekhouding zoals gedefinieerd in IFRS" en "Toegelaten afdekkingsinstrumenten die niet onderworpen zijn aan een afdekkingsboekhouding zoals gedefinieerd in IFRS".

XXII. Andere financiële kosten Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten « Bankkosten en andere commissies », « Netto gerealiseerde minderwaarden op verkoop financiële activa » en « Netto gerealiseerde minderwaarden op verkoop vorderingen financiële leasing en soortgelijken » en "Andere".

XXIII. Variaties in de reële waarde van financiële activa en passiva Deze rubriek dient verder onderverdeeld te worden in de posten "Toegelaten afdekkingsinstrumenten" en "Andere".

De post "Toegelaten afdekkingsinstrumenten" dient verder onderverdeeld te worden in de subposten "toegelaten afdekkingsinstrumenten die onderworpen zijn aan een afdekkingsboekhouding zoals gedefinieerd in IFRS" en "toegelaten afdekkingsinstrumenten die niet onderworpen zijn aan een afdekkingsboekhouding zoals gedefinieerd in IFRS". Afdeling 3. Staat van het globaal resultaat

Deze afdeling omvat de staat van het globaal resultaat ("Statement of comprehensive income") zoals bedoeld in IAS 1, § 81 en verder.

I. Nettoresultaat Het bedrag opgenomen onder deze rubriek stemt overeen met het "Nettoresultaat" zoals bedoeld in het schema van de resultatenrekening II. Andere elementen van het globaal resultaat ("Other comprehensive income") Deze rubriek omvat baten en lasten (met inbegrip van herclassificatieaanpassingen) die niet in het schema van de resultatenrekening worden opgenomen zoals door andere IFRSs vereist of toegestaan. Afdeling 4. Resultaatverwerking

A. Nettoresultaat Het bedrag opgenomen onder deze rubriek stemt overeen met het "Nettoresultaat" zoals bedoeld in het schema van de resultatenrekening C. Vergoeding voor het kapitaal overeenkomstig artikel 27, § 1, lid 1 Indien het bedrag bekomen uit de som van "A. Nettoresultaat" en "B. toevoeging/onttrekking reserves" kleiner is dan het bedrag bekomen uit de berekening overeenkomstig artikel 27, § 1, lid 1 kan enkel het eerstberekende bedrag worden uitgekeerd.

Hoofdstuk 2. Schema's van de geconsolideerde jaarrekening Deel 1. Schema's van de geconsolideerde jaarrekening Afdeling 1. Balansschema

ACTIVA I. Vaste Activa A. Goodwill B. Immateriële vaste activa C. Vastgoedbeleggingen D. Andere materiële vaste activa E. Financiële vaste activa F. Vorderingen financiële leasing G. Handelsvorderingen en andere vaste activa H. Uitgestelde belastingen - activa I. Deelnemingen in geassocieerde vennootschappen en joint ventures vermogensmutatie II. Vlottende activa A. Activa bestemd voor verkoop B. Financiële vlottende activa C. Vorderingen financiële leasing D. Handelsvorderingen E. Belastingvorderingen en andere vlottende activa F. Kas en kasequivalenten G. Overlopende rekeningen TOTAAL ACTIVA TOTAAL EIGEN VERMOGEN I. Eigen vermogen toewijsbaar aan de aandeelhouders van de moedervennootschap A. Kapitaal B. Uitgiftepremies C. Reserves D. Nettoresultaat van het boekjaar II. Minderheidsbelangen VERPLICHTINGEN I. Langlopende verplichtingen A. Voorzieningen B. Langlopende financiële schulden a. Kredietinstellingen b.Financiële leasing c. Andere C.Andere langlopende financiële verplichtingen D. Handelsschulden en andere langlopende schulden E. Andere langlopende verplichtingen F. Uitgestelde belastingen - verplichtingen a. Exit taks b.Andere II. Kortlopende verplichtingen A. Voorzieningen B. Kortlopende financiële schulden a. Kredietinstellingen b.Financiële leasing c. Andere C.Andere kortlopende financiële verplichtingen D. Handelsschulden en andere kortlopende schulden a. Exit taks b.Andere E. Andere kortlopende verplichtingen F. Overlopende rekeningen TOTAAL EIGEN VERMOGEN EN VERPLICHTINGEN Afdeling 2. Schema van de resultatenrekening

I. Huurinkomsten (+) II. Terugnemingen overgedragen en verdisconteerde huren (+) III. Met verhuur verbonden kosten (+/-) NETTO HUURRESULTAAT (= I + II + III) IV. Recuperatie van vastgoedkosten (+) V. Recuperatie van huurlasten en belastingen normaal gedragen door de huurder op verhuurde gebouwen (+) VI. Kosten van de huurders en gedragen door de eigenaar op huurschade en wederinstaatstelling op het einde van de huur (-) VII. Huurlasten en belastingen normaal gedragen door de huurder op verhuurde gebouwen (-) VIII. Andere met verhuur verbonden inkomsten en uitgaven (+/-) VASTGOEDRESULTAAT (= I + II+ III + IV + V + VI + VII + VIII) IX. Technische kosten (-) X. Commerciële kosten (-) XI. Kosten en taksen van niet verhuurde goederen (-) XII. Beheerkosten vastgoed (-) XIII. Andere vastgoedkosten (-) VASTGOEDKOSTEN(= IX + X + XI + XII + XIII) OPERATIONEEL VASTGOEDRESULTAAT (I + II+ III + IV + V + VI + VII + VIII + IX + X + XI + XII + XIII) XIV. Algemene kosten van de vennootschap (-) XV. Andere operationele opbrengsten en kosten (+/-) OPERATIONEEL RESULTAAT VOOR HET RESULTAAT OP DE PORTEFEUILLE (I + II+ III + IV + V + VI + VII + VIII + IX + X + XI + XII + XIII + XIV + XV) XVI. Resultaat verkoop vastgoedbeleggingen (+/-) XVII. Resultaat verkoop andere niet- financiële activa (+/-) XVIII. Variaties in de reële waarde van vastgoedbeleggingen (+/-) XIX. Ander portefeuilleresultaat (+/-) OPERATIONEEL RESULTAAT (I + II+ III + IV + V + VI + VII + VIII + IX + X + XI + XII + XIII + XIV + XV + XVI + XVII + XVIII + XIX) XX. Financiële inkomsten (+) XXI. netto interestkosten (-) XXII. Andere financiële kosten (-) XXIII. Variaties in de reële waarde van financiële activa en passiva (+/-) FINANCIEEL RESULTAAT (XX + XXI + XXII + XXIII) XXIV. Aandeel in het resultaat van geassocieerde vennootschappen en joint ventures (+) RESULTAAT VOOR BELASTINGEN (I + II + III + IV + V + VI + VII + VIII + IX + X + XI + XII + XIII + XIV + XV + XVI + XVII + XVIII + XIX + XX + XXI + XXII + XXIII + XXIV) XXV. Vennootschapsbelasting (-/+) XXVI. Exit taks (-/+) BELASTINGEN (XXV + XXVI) NETTO RESULTAAT (I + II+ III + IV + V + VI + VII + VIII + IX + X + XI + XII + XIII + XIV + XV + XVI + XVII + XVIII + XIX + XX + XXI + XXII + XXIII + XXIV + XXV + XXVI) Afdeling 3. Staat van het globaal resultaat ("Statement of

comprehensive income") I. Nettoresultaat II. Andere elementen van het globaal resultaat ("Other comprehensive income") A. Impact op de reële waarde van geschatte mutatierechten en -kosten bij hypothetische vervreemding van vastgoedbeleggingen B. Variaties in het effectieve deel van de reële waarde van toegelaten afdekkingsinstrumenten in een kasstroomdekking zoals gedefinieerd in IFRS C. Variaties in de reële waarde van financiële activa beschikbaar voor verkoop D. Omrekeningsverschillen die voortvloeien uit de omrekekening van een buitenlandse activiteit E. Actuariële winsten en verliezen van toegezegd-pensioenregelingen F. Belasting op het resultaat met betrekking tot de "Andere elementen van het globaal resultaat" G. Deelname in de andere elementen van het globaal resultaat van de geassocieerde vennootschappen en joint ventures H. Andere elementen van het "globaal resultaat", na belasting GLOBAAL RESULTAAT (I +II) Toerekenbaar aan : Minderheidsbelangen Aandeelhouders van de groep Deel 2. Verdere onderverdeling en omschrijving van bepaalde rubrieken van de balans, de resultatenrekening, de staat van het globaal resultaat en de resultaatverwerking Tenzij hieronder anders vermeld, wordt voor de verdere onderverdeling en de omschrijving van bepaalde rubrieken van de balans en de resultatenrekening verwezen naar deel 2 van hoofdstuk 1 van de bijlage bij dit besluit. Afdeling 1. Balansschema

ACTIVA I. Vaste Activa E. Financiële vaste activa Deze rubriek vermeldt de bedragen van de activa zoals bedoeld in IAS 39 of in IAS 27, § 37, andere dan de financiële vaste activa opgenomen onder de rubrieken « H. Deelnemingen verwerkt via vermogensmutatie » en « I. Handelsvorderingen en andere vaste activa ».

Deze rubriek dient overeenkomstig de classificatie bepaald in IAS 39 verder onderverdeeld te worden in de posten « Activa aangehouden tot einde looptijd », « Activa beschikbaar voor verkoop », « Activa aan reële waarde via resultaat », « Leningen en vorderingen » en « Andere » De voormelde posten dienen in voorkomend geval verder onderverdeeld te worden in de subposten « Vastgoedcertificaten », « Toegelaten afdekkingsinstrumenten », « Deelnemingen in andere vastgoedbevaks » en « Andere ».

I. Deelnemingen in geassocieerde vennootschappen en joint ventures Deze rubriek vermeldt de bedragen van de activa zoals bedoeld in IAS 28.

II. Vlottende activa B. Financiële vlottende activa Deze rubriek vermeldt de bedragen van de activa zoals bedoeld in IAS 39 of in IAS 27, § 37, andere dan de financiële vlottende activa opgenomen onder de rubrieken « D. Handelsvorderingen », « E. Belastingvorderingen en andere vlottende activa » en « F. Kas en kasequivalenten ».

Deze rubriek dient overeenkomstig de classificatie bepaald in IAS 39 verder onderverdeeld te worden in de posten « Activa aangehouden tot einde looptijd », « Activa beschikbaar voor verkoop », « Activa aan reële waarde via resultaat », « Leningen en vorderingen » en « Andere ».

De voormelde posten dienen in voorkomend geval verder onderverdeeld te worden in de subposten « Vastgoedcertificaten », « Toegelaten afdekkingsinstrumenten, « deelnemingen in andere vastgoedbevaks » en « Andere ».

Hoofdstuk 3. Schema van de berekening van het bedrag bedoeld in artikel 27, § 1, lid 1 Deel 1. Schema van de berekening Het bedrag bedoeld in artikel 27, § 1, lid 1 is gelijk aan de som van het gecorrigeerd resultaat (A) en van de netto-meerwaarden bij realisatie van vastgoed die niet van de verplichte uitkering zijn vrijgesteld (B). (A) en (B) worden volgens het onderstaande schema berekend.

Gecorrigeerd resultaat (A) Nettoresultaat + Afschrijvingen + Waardeverminderingen - Terugnemingen van waardeverminderingen - Terugnemingen overgedragen en verdisconteerde huren +/- Andere niet-monetaire bestanddelen +/- Resultaat verkoop vastgoed +/- Variaties in de reële waarde van vastgoed = Gecorrigeerd resultaat (A) Netto-meerwaarden bij realisatie van vastgoed niet vrijgesteld van de verplichte uitkering (B) +/- Gedurende het boekjaar gerealiseerde meer-en minderwaarden op vastgoed (meer- en minderwaarden ten opzichte van de aanschaffingswaarde vermeerderd met de geactiveerde investeringskosten) - Gedurende het boekjaar gerealiseerde meerwaarden op vastgoed vrijgesteld van de verplichte uitkering onder voorbehoud van hun herbelegging binnen een termijn van 4 jaar (meerwaarden ten opzichte van de aanschaffingswaarde vermeerderd met de geactiveerde investeringskosten) + Gerealiseerde meerwaarden op vastgoed voorheen vrijgesteld van de verplichte uitkering en die niet werden herbelegd binnen een periode van 4 jaar (meerwaarden ten opzichte van de aanschaffingswaarde vermeerderd met de geactiveerde investeringskosten) = Nettomeerwaarden bij realisatie van vastgoed niet vrijgesteld van de verplichte uitkering (B) Deel 2. Toelichting bij het schema van de berekening In dit deel wordt verduidelijkt in welke rubrieken of posten van de resultatenrekening zoals opgenomen in de Hoofdstuk 1 van de bijlage bij dit besluit, de bedragen van de bestanddelen van het gecorrigeerd resultaat zijn opgenomen.

De bedragen van de « Afschrijvingen » zijn opgenomen in de rubrieken « XII. Beheerkosten vastgoed » en « XIV. Algemene kosten van de vennootschap ».

De bedragen van de « Waardeverminderingen » en de « Terugnemingen van de waardeverminderingen » zijn opgenomen in respectievelijk de posten « Waardeverminderingen op handelsvorderingen » en « Terugnemingen van waardeverminderingen op handelsvorderingen » van de rubriek « III. Met verhuur verbonden kosten ».

De bedragen van de « Terugnemingen overgedragen en verdisconteerde huren » zijn opgenomen in de rubriek « II. Terugnemingen overgedragen en verdisconteerde huren » De bedragen van de « Andere niet-monetaire bestanddelen » zijn onder meer opgenomen in de post « Huurvoordelen (incentives ») van de rubriek « I. Huurinkomsten », de post "Toegelaten afdekkingsinstrumenten" van de rubriek XXIII « Variaties in de reële waarde van financiële activa en passiva » en de post « Wedersamenstelling nominaal bedrag financiële schulden » van de rubriek « XXI. Interestkosten ».

De bedragen van het « Resultaat verkoop vastgoed » zijn opgenomen in de rubriek « XVI. Resultaat verkoop vastgoedbeleggingen », de post « Nettogerealiseerde meerwaarden op verkoop financiële activa » van de rubriek « XX. Financiële opbrengsten » en de post « Netto gerealiseerde minderwaarden op verkoop financiële activa » van de rubriek « XXII. Andere financiële kosten ».

De bedragen van de « Variaties in de reële waarde van vastgoed » zijn opgenomen in de rubriek « XVIII. Variaties in de reële waarde van vastgoedbeleggingen » en de post Andere" van de rubriek XXIII. Variaties in de reële waarde van financiële activa en passiva.

Hoofdstuk 4. Schema voor de berekening van het bedrag bedoeld in artikel 27 § 1, lid 6 Deel 1. Berekeningsschema Het bedrag als bedoeld in artikel 617 van het Wetboek van vennootschappen, van het gestort kapitaal of, als dit bedrag hoger ligt, van het opgevraagd kapitaal, verhoogd met al de reserves die volgens de wet of de statuten niet verdeeld mogen worden, moet berekend worden als de rekenkundige som van de bedragen vermeld in de volgende rubrieken : Gestort kapitaal of, als deze hoger ligt, opgevraagd kapitaal (+) Volgens de statuten niet-beschikbare uitgiftepremies (+) Reserve voor het positieve saldo van de variaties in de reële waarde van vastgoed (+) Reserve voor de impact op de reële waarde van geschatte mutatierechten en -kosten bij hypothetische vervreemding van vastgoedbeleggingen (-) Reserve voor het saldo van de variaties in de reële waarde van toegelaten afdekkingsinstrumenten die onderworpen zijn aan een afdekkingsboekhouding zoals gedefinieerd in IFRS (+/-) Reserve voor het saldo van de variaties in de reële waarde van toegelaten afdekkingsinstrumenten die niet onderworpen zijn aan een afdekkingsboekhouding zoals gedefinieerd in IFRS (+/-) Reserve voor het saldo van de wisselkoersverschillen op monetaire activa en passiva (+) Reserve voor de omrekeningsverschillen die voortvloeien uit de omrekening van een buitenlandse activiteit (+/-) Reserve voor het saldo van de variaties in de reële waarde van financiële activa beschikbaar voor verkoop (+/-) Reserve voor actuariële winsten en verliezen van toegezegd-pensioenregelingen (+) Reserve voor fiscale latenties met betrekking tot vastgoed gelegen in het buitenland (+) Reserve voor de ontvangen dividenden bestemd voor de terugbetaling van financiële schulden (+) Andere door de algemene vergadering onbeschikbaar verklaarde reserves (+) Wettelijke reserve (+) Totaal : Deel 2. Toelichting bij het schema van de berekening In het kader van het bovenvermelde berekenningsschema kunnen de rubrieken gevold door (+/-) zowel een positief als een negatief saldo vertonen. De rubrieken gevolgd door (+) kunnen alleen een positief saldo vertonen en die gevold door (-) alleen een negatief saldo.

Wat de rubrieken « Reserve voor het positieve saldo van variaties in de reële waarde van vastgoed", « Reserve voor het saldo van de wisselkoersverschillen op monetaire en op monetaire activa en passiva », « Reserve voor actuariële winsten en verliezen van toegezegd-pensioenregelingen » en « Reserve voor fiscale latenties met betrekking tot vastgoed gelegen in het buitenland » betreft : als het saldo negatief is, dient het cijfer nul in het schema ingevuld te worden.

^