Koninklijk Besluit van 08 november 2016
gepubliceerd op 22 december 2016

Koninklijk Besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 januari 2003 houdende modaliteiten voor de wettelijke medewerkingsplicht bij gerechtelijke vorderingen met betrekking tot elektronische communicatie, betreffende de tarieven voor de vergoed

bron
federale overheidsdienst justitie en federale overheidsdienst economie, k.m.o., middenstand en energie
numac
2016009642
pub.
22/12/2016
prom.
08/11/2016
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

Numac : 2016009642

FEDERALE OVERHEIDSDIENST JUSTITIE EN FEDERALE OVERHEIDSDIENST ECONOMIE, K.M.O., MIDDENSTAND EN ENERGIE


8 NOVEMBER 2016. - Koninklijk Besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 januari 2003 houdende modaliteiten voor de wettelijke medewerkingsplicht bij gerechtelijke vorderingen met betrekking tot elektronische communicatie, betreffende de tarieven voor de vergoeding van de medewerking


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Algemeen De materie van de gerechtelijke vorderingen met betrekking tot elektronische communicatie, inzonderheid de tarieven voor de vergoeding van de medewerking is in de voorbije jaren een belangrijk discussiepunt gebleven omdat de technologische evoluties in dit domein razendsnel gaan.

Daarenboven blijkt uit de statistieken dat "de telefoontaps" een steeds meer gebruikt instrument zijn om te kunnen komen tot een geobjectiveerde en efficiënte waarheidsbevinding.

Bovengenoemde vaststellingen hebben geleid tot een vermindering van de tarieven in 2011 op 80% van de dienstverlening en in 2013 op de resterende 20%.

Ondanks deze prijsdalingen van 50% hebben de uitgaven opnieuw het niveau van 2007 bereikt omwille van de volumeverhogingen.

Bovendien wordt er momenteel binnen de politie een project met de naam "TANK" gerealiseerd met als doelstelling de geautomatiseerde uitwisseling van de bevragingen en de antwoorden tussen de overheid en de operatoren, wat de kost voor verwerking en uitvoering van de vorderingen substantieel zal doen zakken.

Het onderhavige koninklijk besluit wijzigt deze tarieven opnieuw.

Artikelsgewijze bespreking 1. Artikel 1 Artikel 1 heft het laatste lid op van artikel 10 van het koninklijk besluit van 9 januari 2003 houdende modaliteiten voor de wettelijke medewerkingsplicht bij gerechtelijke vorderingen met betrekking tot elektronische communicatie (hierna, het koninklijk besluit van 9 januari 2003) omdat alle soorten van verzoeken die de gerechtelijke autoriteiten richten aan de operatoren van elektronische-communicatienetwerken en aan aanbieders van elektronische communicatie (hierna, de operatoren en aanbieders) voortaan worden vastgesteld door de bijlage bij het onderhavige besluit. Hoewel het de taak is van de operatoren en aanbieders om de technische middelen voor te financieren die ze moeten instellen om aan de gerechtelijke autoriteiten de gegevens te kunnen verstrekken die worden gevraagd, worden de kosten van deze technische middelen toch aan hen terugbetaald via deze verzoeken, voor zover deze technische middelen niet voor commerciële doeleinden worden gebruikt. 2. Art.2 2.1. Inleiding Artikel 2 vervangt de bijlage bij het koninklijk besluit van 9 januari 2003 dat de tarieven vaststelt die aan de operatoren en aanbieders worden betaald, en dit om de volgende moeilijkheden op te lossen: Meerdere cruciale vaststellingen hebben geleid tot een volgende herziening: - De tarieven zijn te ingewikkeld en er worden talrijke facturen voor kleine bedragen opgestuurd naar de gerechtelijke autoriteiten; - Het aantal kostenstaten is opgelopen tot meer dan 100.000, terwijl het bedrag per kostenstaat gemiddeld daalt en dit bedrag voor 50.000 facturen zo klein is dat de verwerkingskosten van deze kostenstaten bij de operatoren en de beherende diensten hoger liggen dan het factuurbedrag; - De tariefstructuur heeft geen enkele band met de kostenstructuur voor de dienstverlening en strookt niet met het kostenmodel dat de firma Marpij heeft ontwikkeld voor rekening van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie (verder, het BIPT); - Er bestaan verschillende interpretaties voor de facturering van sommige verrichtingen.

In verband met de interpretatiemoeilijkheden is het een feit bijvoorbeeld dat observaties op het netwerk van de operatoren met het oog op het vaststellen welk telefoonnummer door een verdachte werd gebruikt op een bepaald tijdstip (art 88bis van het Wetboek van strafvordering), de aanleiding is geweest van zeer verschillende interpretaties bij het factureren van deze prestaties.

Als de plaats waar een verdachte persoon zich bevindt gedekt wordt door verschillende zendmasten en technologieën, factureerden bepaalde operatoren één vergoeding per zendmast en per technologie (2G, 3G, ...). Anderen factureerden één vergoeding per sector op de zendmast die de zone dekte en nog anderen berekenden de vergoeding op basis van de technologie.

Het is aangewezen om voor de vergoeding van de geleverde prestaties een eenvormig vergoedingssysteem te voorzien waarbij dit op duidelijke en eenvoudige wijze wordt bepaald. 2.2. Vereenvoudiging van de tarieven en beperking van het aantal facturen De nieuwe bijlage maakt een vereenvoudiging van de tarieven mogelijk.

In plaats van zevenentwintig tarieven met varianten (bijvoorbeeld activering en duur van de dienst), bevat de bijlage voortaan nog slechts vier tarieven zonder varianten voor 4 soorten dienstverlening, een forfait voor alle andere soorten van de dienstverlening en een rubriek "specifieke verzoeken". Deze laatste categorie werd gecreëerd als gevolg van de formele consultatie en op vraag van de operatoren die de specifieke verzoeken die niet in de normale tariefstructuur passen, wilden afzonderen. In die optiek kunnen ook nieuwe technologieën of evoluties die niet voorzienbaar waren concreet opgenomen worden, tot deze op een formele manier in een volgende tariefverhoging kunnen meegenomen worden. a) Tarieven voor de prestaties Voor de 4 nog bestaande tarieven worden alle dienstvarianten van het vorige tariefmodel samengebracht in één tarief, gebaseerd op de gemiddelde inhoud van de diensten. Vier van de 27 uitgavencategorieën uit het vorige besluit die 50% van de facturen uitmaakten en 89% van de uitgaven blijven dus afzonderlijk gefactureerd. Aangezien het gaat om recupereerbare gerechtskosten kunnen die ook beter dan tevoren voorgelegd worden ter recuperatie bij de FOD Financiën.

De tarieven in de bijlage zijn berekend met als uitgangspunt het kostenmodel dat de firma Marpij op verzoek van het BIPT heeft opgesteld. Dat kostenmodel steunt op de kosten van een hypothetische efficiënte operator.

De kosten die hierin zijn opgenomen zijn gebaseerd op aantal dienstverleningen uit de periode 2005 tot 2012. Sindsdien zijn de aanvragen aanzienlijk toegenomen, wat er overigens toe leidde dat de tariefvermindering van 20% in 2013 geen budgetvermindering met 20% teweegbracht maar een budgetverhoging door de toename van het aantal en de aard van de aanvragen.

Het BIPT heeft het kostenmodel aangepast rekening houdende met de volgende hypotheses: 1) de in aanmerking te nemen tarieven zijn diegene die van toepassing zijn op de operatoren die mobiele-communicatiediensten verstrekken en die een groot aantal verzoeken ontvangen vanwege de gerechtelijke autoriteiten (terwijl het model van Marpij een onderscheid maakte tussen vast en mobiel); Die optie werd genomen omdat het aandeel van het vaste deel jaarlijks aanzienlijk daalt en slechts een klein aandeel in het globale pakket vertegenwoordigt. 2) de tarieven van het BIPT-kostenmodel zijn degressief aangezien de vaste kosten en sommige variabele kosten over een groter pakket aan dienstverlening kunnen uitgespreid worden. Rekening houdende met de referentieperiode 2005-2012 en het groeipad bij de gevraagde dienstverlening, en als we ervan uitgaan dat dit tariefstelsel een aantal jaren kan standhouden, werd voor de toepassing het tarief van 2018 als gemiddelde genomen.

Enkel het aspect "retro-observatie" werd nog iets meer verminderd omdat deze dienst niet alleen een justitiedoel maar ook een commercieel doel dient. Met andere woorden, ook zonder justitie zou dergelijke tool ter beschikking moeten zijn.

Sommige operatoren bewaren diverse gegevens over de gebruikers van hun diensten voor hun eigen behoeftes en eveneens voor commerciële doeleinden. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de lokalisatiegegevens die bij bepaalde operatoren automatisch worden bewaard, geanonimiseerd en verder worden gebruikt voor marketing, voor informatiebeheer over de vlotheid van het verkeer, enz. Zelfs als deze gegevens volgens andere modaliteiten worden bewaard en gestockeerd, dan nog is een deel van de investering gelijklopend. Het is dit deel dat in mindering wordt gebracht binnen het tarief dat de kosten weerspiegelt.

Bij de formele consultatie van de operatoren is duidelijk geworden dat de operatoren vrezen dat de vorderende overheden met het bestaan van niet tijdsgebonden tarieven manifest onredelijke vragen zouden kunnen opstarten. Daarenboven zou het goed zijn de evolutie bij de vorderende overheden (aantal vorderingen, inhoud, kwaliteit) alsook de voortgang van het project TANK en zijn implicaties te kunnen bespreken.

De operatoren wensen een overlegmechanisme met de vorderende overheden dat die kwesties ter bespreking legt. Een dergelijk overlegorgaan bestaat al in de vorm van het Nationaal Overlegplatform Telecommunicatie (NOT). De regering engageert zich hierbij uitdrukkelijk dat het NOT fungeert als overlegorgaan tussen enerzijds de vorderende autoriteiten, vertegenwoordigd door het college van procureurs-generaal en de onderzoeksrechters, en anderzijds het BIPT, de Minister van Telecommunicatie of zijn gedelegeerde, de Minister van Justitie of zijn gedelegeerde, de FOD Justitie en NTSU-CTIF. Op verzoek van het NOT zullen ook andere overheidsdiensten kunnen deelnemen aan dit overleg.

Het NOT zal onder andere de evolutie van het aantal en van de aard van de verzoeken vanwege de gerechtelijke autoriteiten aan de operatoren van een elektronische-communicatienetwerk en de aanbieders van elektronische-communicatiediensten, de duur van de verrichtingen en de evolutie van projecten die worden opgezet door de FOD Justitie, waaronder de automatisering van de behandeling van de verzoeken, onderzoeken. b) wettelijke medewerking vergoed met een forfait Om het aantal facturen te beperken is een forfait opgemaakt dat de andere dienstverleningen omvat.Uit de praktijk blijkt dat 5 prestaties 97% van de kosten uitmaken: IMEI-track, Identificaties, reload, IP-adres zoeken, online-tracking.

Voor de kleinere uitgavecategorieën die 50% van de facturen uitmaken en slechts 11% van de uitgaven, wordt het kostenmodel van BIPT dus niet gevolgd maar de realiteit van vandaag hernomen. Voor die groep dienen dus geen facturen meer opgemaakt te worden.

Jaarlijks zal dit forfait herbekeken worden, maar voor de jaren 2017 en 2018 wordt het forfait gebaseerd op de historische kosten (2006-2015) in afwachting dat het automatiseringsproject TANK geïmplementeerd kan worden. Dit project zal een duidelijk overzicht kunnen geven van de vorderingen, zodat een grondige objectivering van de kosten mogelijk wordt per operator.

De realisatie van het project TANK, met als doelstelling de geautomatiseerde uitwisseling van de bevragingen en de antwoorden tussen de overheid en de operatoren, zal de kost voor verwerking en uitvoering van de vorderingen substantieel doen zakken. Enkel een residuaire kost zal overblijven.

Het forfait wordt trimestrieel verdeeld volgens een verdeelsleutel gebaseerd op het gemiddelde van de historische kosten van deze rubrieken ten aanzien van de grote operatoren.

Het aandeel van de kleine operatoren is binnen dit gegeven verwaarloosbaar. Daarom wordt geopteerd voor de uitbetaling van een forfait van 1000 euro indien de kleine operatoren inspelen op de noden van Justitie: het bestaan van een concreet contactpunt en de overeenkomst om mee te werken bij het automatiseringsproject TANK. Om de opmaak van de nieuwe verdeelsleutel op een transparante manier te garanderen, zullen de FOD Justitie, NTSU-CTIF en BIPT samen overleggen om het ministerieel besluit voor te bereiden.

De vergoeding voor de identificaties en later voor IMEI-track is berekend zonder rekening te houden met het project TANK. De realisatie van het project TANK, met als doelstelling de geautomatiseerde uitwisseling van de bevragingen en de antwoorden tussen de overheid en de operatoren, zal de kosten voor verwerking en uitvoering van de vorderingen substantieel doen zakken. Enkel een residuaire kost zal overblijven.

Zowel de NTSU-CTIF als de grote operatoren hebben zich bereid verklaard verdere investeringen te doen in de automatisering van de dienstverlening, wat op termijn een gunstig effect zal hebben op de hoogte van de vergoedingen. c) Specifiek verzoek De operatoren hebben aangegeven dat specifieke verzoeken toch moeten kunnen rekenen op een specifieke betaling.Wanneer men ervan uitgaat dat nieuwe technieken en nieuwe wetgeving nieuwe verplichtingen zouden kunnen opleggen die nog niet opgenomen zijn in de tarificatie, dan zou het goed zijn dat die afzonderlijk kunnen verrekend worden in afwachting van de integratie in een tariefstelsel of het forfait.

Het speciaal verzoek moet echter specifiek gemotiveerd worden en zal vergoed worden op basis van stavingsstukken: enkel de werkelijke kosten zullen terugbetaald worden. 3. Art.3 Artikel 3 legt de datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit vast op 1 januari 2017. Om het onderhavige koninklijk besluit in acht te nemen, zullen de operatoren immers hun factureringssystemen moeten aanpassen, wat enige tijd in beslag neemt. 4. Art.4 Artikel 4 bepaalt welke ministers met de uitvoering van het besluit worden belast.

Wij hebben de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars, De Minister van Justitie, K. GEENS De Minister van Telecommunicatie, A. DE CROO

ADVIES 59.747/2/V VAN 17 AUGUSTUS 2016 VAN DE RAAD VAN STATE, AFDELING WETGEVING, OVER EEN ONTWERP VAN KONINKLIJK BESLUIT `TOT WIJZIGING VAN HET KONINKLIJK BESLUIT VAN 9 JANUARI 2003 HOUDENDE MODALITEITEN VOOR DE WETTELIJKE MEDEWERKINGSPLICHT BIJ GERECHTELIJKE VORDERINGEN MET BETREKKING TOT ELEKTRONISCHE COMMUNICATIE, BETREFFENDE DE TARIEVEN VOOR DE VERGOEDING VAN DE MEDEWERKING' Op 8 juli 2016 is de Raad van State, afdeling Wetgeving, door de Minister van Justitie verzocht binnen een termijn van dertig dagen, van rechtswege (*) verlengd tot 24 augustus 2016, een advies te verstrekken over een ontwerp van koninklijk besluit `tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 januari 2003 houdende modaliteiten voor de wettelijke medewerkingsplicht bij gerechtelijke vorderingen met betrekking tot elektronische communicatie, betreffende de tarieven voor de vergoeding van de medewerking'.

Het ontwerp is door de tweede vakantiekamer onderzocht op 17 augustus 2016.

De kamer was samengesteld uit Pierre Liénardy, kamervoorzitter, voorzitter en Pierre Vandernoot, kamervoorzitter, Luc Detroux, staatsraad, Jacques Englebert, assessor, en Colette Gigot, griffier.

Het verslag is uitgebracht door Laurence Vancrayebeck, eerste auditeur.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst van het advies is nagezien onder toezicht van Pierre Liénardy.

Het advies, waarvan de tekst hierna volgt, is gegeven op 17 augustus 2016. __________ (*) Deze verlenging vloeit voort uit artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, in fine, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State waarin wordt bepaald dat deze termijn van rechtswege verlengd wordt met vijftien dagen wanneer hij begint te lopen tussen 15 juli en 31 juli of wanneer hij verstrijkt tussen 15 juli en 15 augustus.

Aangezien de adviesaanvraag ingediend is op basis van artikel 84, § 1, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, beperkt de afdeling Wetgeving overeenkomstig artikel 84, § 3, van de voornoemde gecoördineerde wetten haar onderzoek tot de rechtsgrond van het ontwerp, de bevoegdheid van de steller van de handeling en de te vervullen voorafgaande vormvereisten.

Wat die drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen. 1. Een duidelijke rechtsgrond van het ontworpen besluit wordt gevonden in artikel 127, § 1, tweede lid, van de wet van 13 juni 2005 `betreffende de elektronische communicatie'.Het is dan ook niet nodig artikel 108 van de Grondwet te vermelden. Het eerste lid van de aanhef moet dus worden weggelaten. 2. In het vijfde lid van de aanhef moet de akkoordbevinding en niet het advies van de minister van Begroting worden vermeld.3. Artikel 1 van het ontwerp, dat artikel 10 van het koninklijk besluit van 9 januari 2003 `houdende modaliteiten voor de wettelijke medewerkingsplicht bij gerechtelijke vorderingen met betrekking tot elektronische communicatie' wijzigt, voorziet in de oprichting van een overlegorgaan dat is samengesteld uit "de vorderende autoriteiten, vertegenwoordigd door het college van procureurs-generaal" en "het BIPT, de Minister van Telecommunicatie of zijn gedelegeerde, de Minister van Justitie of zijn gedelegeerde, de FOD Justitie en NTSU-CTIF".Dat orgaan moet in het bijzonder "de evolutie [onderzoeken] van het aantal en van de aard van de verzoeken vanwege de gerechtelijke autoriteiten aan de operatoren van een elektronische-communicatienetwerk en de aanbieders van elektronische-communicatiediensten, de duur van de verrichtingen en de evolutie van projecten die worden opgezet door de FOD Justitie".

Indien de ontworpen bepaling er aldus toe strekt een raadgevende instantie op te richten die onder de uitvoerende macht ressorteert, moet daarbij de volgende opmerking worden gemaakt.

Uit de artikelen 37 en 107, tweede lid, van de Grondwet volgt dat de organen die onder de uitvoerende macht ressorteren, in principe moeten worden opgericht en georganiseerd door die uitvoerende macht en niet door de wetgever, die zich niet in die materie mag mengen. In bepaalde gevallen staat het evenwel aan de wetgever om een dergelijk orgaan op te richten, de opdrachten en de samenstelling ervan te bepalen, en de eventueel aan de leden toegekende vergoedingen of bezoldigingen en de essentiële regels inzake de werkwijze ervan te bepalen; dat is in het bijzonder zo wanneer de raadpleging van het orgaan in kwestie verplicht is of wanneer de adviezen ervan de overheid kunnen binden, of nog wanneer verplichtingen worden opgelegd aan derden, zoals de verplichting voor bepaalde instellingen om kandidaten voor te dragen met het oog op de samenstelling van het betrokken orgaan (1).

In casu blijkt uit het ontwerpbesluit dat het overlegorgaan uit derden bestaat, zoals magistraten of het BIPT, wier aanwezigheid niet facultatief is. Dat orgaan moet dus worden opgericht en georganiseerd door een wettelijke bepaling.

Artikel 127, § 1, tweede lid, van de wet van 13 juni 2005 kan niet als rechtsgrond dienen voor de oprichting van dat orgaan, aangezien het niet uitdrukkelijk in de oprichting van een dergelijk orgaan voorziet.

In de aanhef wordt ook artikel 108 van de Grondwet vermeld. Hoewel die bepaling de Koning de bevoegdheid verleent om uit het beginsel en uit de algemene opzet van een wetgevende tekst de gevolgtrekkingen te maken die daaruit logischerwijze voortvloeien volgens de geest die aan de opvatting van de wet, ten grondslag heeft gelegen en volgens de doelstellingen die de wet nastreeft (2) geeft ze Hem echter niet de bevoegdheid om zonder uitdrukkelijke machtiging een orgaan op te richten en te organiseren dat door de wetgever moet worden opgericht en georganiseerd.

Aangezien de bepaling die in de oprichting van het overlegorgaan voorziet, geen rechtsgrond heeft, moet ze worden weggelaten.

Artikel 1 moet dienovereenkomstig worden herzien. _______ Nota (1) Zie bijvoorbeeld advies 54.925/4, op 19 februari 2014 gegeven over een ontwerp dat ontstaan heeft gegeven aan het koninklijk besluit van 2 april 2014 `tot oprichting van de Adviesraad Gender en Ontwikkeling', of advies 59.607/2, op 11 juli 2016 gegeven over een ontwerp van koninklijk besluit `tot oprichting van een Overlegcomité van de gebruikers van het Rijksregister van de natuurlijke personen en tot opheffing van het koninklijk besluit van 12 augustus 1994 tot oprichting van een Comité van de gebruikers van het Rijksregister van de natuurlijke personen'. (2) Over de draagwijdte en de beperkingen van de algemene verordeningsbevoegdheid inzake tenuitvoerlegging van de wetten, die artikel 108 van de Grondwet aan de Koning verleent, zie Cass.18 november 1924, Pas. 1925, I, 25, en 23 september 1993, Pas. 1993, I, 744; de conclusie van procureur-generaal W.J. Ganshof van der Meersch voor Cass. 17 mei 1963, JT 1963, 589; M. Leroy, Les règlements et leurs juges, Bruylant, 1987, nr. 16.

De griffier, C. Gigot.

De voorzitter, P. Liénardy.

8 NOVEMBER 2016. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 januari 2003 houdende modaliteiten voor de wettelijke medewerkingsplicht bij gerechtelijke vorderingen met betrekking tot elektronische communicatie, betreffende de tarieven voor de vergoeding van de medewerking FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie, artikel 127, § 1, tweede lid;

Gelet op het koninklijk besluit van 9 januari 2003 houdende modaliteiten voor de wettelijke medewerkingsplicht bij gerechtelijke vorderingen met betrekking tot elektronische communicatie, Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 10 juni 2016, Gelet op het akkoord van Onze Minister van Begroting, gegeven op 1 juli 2016, Gelet op het advies van het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie van 16 september 2015 en van 30 mei 2016, Gelet op de openbare raadpleging georganiseerd door het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie van 8 februari tot 7 maart 2016, Gelet op advies 59.747/2/V van de Raad van State, gegeven op 17 augustus 2016, in toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, Op de voordracht van de Minister van Justitie en de Minister van Telecommunicatie, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.In artikel 10 van het koninklijk besluit van 9 januari 2003 houdende modaliteiten voor de wettelijke medewerkingsplicht bij gerechtelijke vorderingen met betrekking tot elektronische communicatie, zoals vervangen door het koninklijk besluit van 8 februari 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht: 1° het vierde lid wordt opgeheven; 2° het artikel wordt aangevuld met het volgende lid: "De operator van een elektronische communicatienetwerk of de aanbieder van elektronische communicatiediensten die een accumulatie van verzoeken vanwege de gerechtelijke autoriteiten vaststelt, welke een aanzienlijk verschil doet ontstaan tussen zijn werkelijke kosten en de kosten die hem moeten worden terugbetaald krachtens dit koninklijk besluit, kan contact opnemen met de dienst NTSU-CTIF, om de meest geschikte manier te bepalen om een dergelijk verschil te vermijden of te beperken."

Art. 2.In hetzelfde besluit wordt de bijlage vervangen door de bijlage bij dit besluit.

Art. 3.Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2017.

Art. 4.De Minister van Justitie en de minister die bevoegd is voor telecommunicatie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 8 november 2016.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Justitie, K. GEENS De Minister van Telecommunicatie, A. DE CROO

Bijlage bij het koninklijk besluit van 8 november 2016 tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 januari 2003 houdende modaliteiten voor de wettelijke medewerkingsplicht bij gerechtelijke vorderingen met betrekking tot elektronische communicatie, betreffende de tarieven voor de vergoeding van de medewerking Bijlage bij het koninklijk besluit van 9 januari 2003 houdende modaliteiten voor de wettelijke medewerkingsplicht bij gerechtelijke vorderingen met betrekking tot elektronische communicatie

Artikel 1.Definities a. Bevraging Een bevraging is een verzoek van de gerechtelijke overheden aan een operator van elektronische communicatienetwerken of aan een verstrekker van elektronische communicatiediensten met het oog op het verkrijgen van informatie omtrent een gebruiker, een eindapparaat of omtrent de verleende diensten of met het oog op het activeren en uitvoeren van een maatregel. Een bevraging wordt gekenmerkt door één type van prestatie en door één meegeleverd bevragingscriterium ter uitvoering van de prestatie. b. Bevragingscriterium Onder bevragingscriterium wordt verstaan het element of de groep van elementen die door de gerechtelijke overheden aan een operator van elektronische communicatienetwerken of aan een verstrekker van elektronische communicatiediensten wordt overgemaakt met het oog op het verkrijgen van medewerking zoals voorzien in huidig Koninklijk besluit. Deze elementen zijn onder andere de volgende: telefoonnummer, IP-adres, e-mailadres, Naam/Woonplaats, MAC-Adres, Cell Global Identification (CGI), CellID, Adres, International Mobile Equipment Identity (IMEI), SIM-kaartnummer, International Mobile Subscriber Identity (IMSI) al dan niet gecombineerd met elkaar of gecombineerd met tijdstippen of periodes of met andere elementen die de bevraging verder kunnen preciseren. c. Specifiek verzoek Onder specifiek verzoek, bedoeld in artikel 2, 5°, moet worden verstaan een uitzonderlijk verzoek dat niet onder een ander punt van deze bijlage is vermeld en dat een dermate aantoonbare vorm van complexiteit vertoont zodat de operator van een elektronische-communicatienetwerk of de aanbieder van elektronische-communicatiediensten daarop niet automatisch kan reageren maar enkel via de interventie van een of meer technische experts.

Art. 2.Tarieven voor de prestaties De volgende prestaties worden als volgt vergoed: 1° Observatie in reële tijd overeenkomstig artikel 4, § 1, eerste streepje, van dit koninklijk besluit, ongeacht de duurtijd en eventuele verlengingen: 92 euro per bevraging;2° Observatie van historische gegevens (retro) overeenkomstig artikel 4, § 1, tweede streepje, of art 4, § 2 van dit koninklijk besluit, ongeacht de opgevraagde periode : 80 euro per bevraging;3° Observatie in een netwerk (op zendmasten of netwerktoegangspunten) overeenkomstig artikel 4, § 1, eerste streepje, van dit koninklijk besluit, op één of verschillende toegangspunt(en) van een telecommunicatienetwerk, ongeacht de duurtijd, de gebruikte technologie of het aantal toegangspunten : 115 euro per bevraging .4° Interceptie van communicatie op basis van artikel 5 van dit koninklijk besluit, met inbegrip van IP interceptie, ongeacht de gebruikte technologie, duurtijd en eventuele verlengingen: 140 euro per bevraging;5° Specifieke verzoeken: de werkelijke kosten van de uitvoering van dit verzoek worden vergoed na voorlegging van de stavingsstukken.

Art. 3.Wettelijke medewerking vergoed met een jaarlijks forfait Een operator wordt op forfaitaire basis vergoed voor het leveren van medewerking voor de uitvoering van de onderstaande types van bevragingen: 1° Vorderingen ter identificatie van gebruikers, eindapparatuur en diensten op basis van artikel 46bis van het Wetboek van strafvordering ongeacht de aangeleverde bevragingscriteria. 2° Alle andere administratieve en technische tussenkomsten gevorderd binnen het kader van de artikels 46bis, 88bis e.v., 90ter e.v. van het Wetboek van strafvordering en die hierboven niet werden vermeld.

Een forfait van 1.300.000 euro per jaar wordt hiervoor voorzien in 2017 en 2018.

De Minister van Justitie neemt jaarlijks een besluit na het overleg tussen FOD Justitie, NTSU en BIPT om de verdeelsleutel vast te leggen, die zal gebaseerd zijn op een voortschrijdend gemiddelde van 5 jaar van de 5 grootste prestaties qua bedragen.

Aan de kleinere operatoren wordt een forfait toegekend van 1000 euro indien is voldaan aan volgende 2 voorwaarden: - Duidelijkheid omtrent het bestaan en de contactgegevens van de Coördinatiecel Justitie; - Een overeenkomst om aan te sluiten bij het automatiseringsproject TANK. Een kleine operator is een operator die minder dan 4% van het totale pakket vertegenwoordigt.

Art. 4.Accumulatie van verzoeken De operator van een elektronisch communicatienetwerk of de aanbieder van elektronische communicatiediensten die een accumulatie van verzoeken vanwege de gerechtelijke autoriteiten vaststelt, welke een aanzienlijk verschil doet ontstaan tussen zijn werkelijke kosten en de kosten die hem moeten worden terugbetaald krachtens dit koninklijk besluit, kan contact opnemen met de dienst NTSU-CTIF om de meest geschikte manier te bepalen om een dergelijk verschil te vermijden of te beperken.

Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 8 november 2016 tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 januari 2003 houdende modaliteiten voor de wettelijke medewerkingsplicht bij gerechtelijke vorderingen met betrekking tot elektronische communicatie, betreffende de tarieven voor de vergoeding van de medewerking.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Justitie, K. GEENS De Minister van Telecommunicatie A. DE CROO


begin


Publicatie : 2016-12-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^