Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 09 juli 1997
gepubliceerd op 09 augustus 1997

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers

bron
ministerie van sociale zaken, volksgezondheid en leefmilieu
numac
1997022568
pub.
09/08/1997
prom.
09/07/1997
ELI
eli/besluit/1997/07/09/1997022568/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

9 JULI 1997. Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, inzonderheid op de artikelen 3, eerste lid, 2°, gewijzigd bij de wet van 15 mei 1984, 3, eerste lid, 3°, vervangen bij de wet van 5 juni 1970, 3, eerste lid, 4°, vervangen bij de wet van 5 juni 1970 en gewijzigd bij de wet van 15 mei 1984, 8 en 20, gewijzigd bij de wet van 15 mei 1984;

Gelet op het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, inzonderheid op de artikelen 2, 4 en 12;

Gelet op het koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust-en overlevingspensioen voor werknemers, inzonderheid op de artikelen 3ter, 6, 7, 24bis, 32bis, 34, 35, 36, 52, 76 en 78;

Gelet op het advies van het Beheerscomité van de Rijksdienst voor pensioenen, gegeven op 28 april 1997;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 28 mei 1997;

Gelet op het akkoord van Onze Minister van Begroting, gegeven op 6 juni 1997;

Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door de omstandigheid enerzijds dat het onontbeerlijk is voor de toepassing van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, dat in werking treedt op 1 juli 1997, dat de toepassingsmodaliteiten inzake de maatregelen met betrekking tot de berekening van het pensioen, dringend worden bekendgemaakt en anderzijds dat de Rijksdienst voor pensioenen de nodige schikkingen moet kunnen treffen om in de uitvoering ervan te voorzien en de gepensioneerden tijdig in kennis te stellen van hun recht;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 18 juni 1997 met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, vervangen door de wet van 4 augustus 1996;

Op de voordracht van Onze Minister van Pensioenen, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Artikel 3ter van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 21 december 1970, artikel 2 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 17 augustus 1978, artikel 2, 5 april 1976, artikel 2, 8 februari 1978, artikel 2, 30 januari 1986, artikel 3, 19 maart 1990, artikel 1 en 4 december 1990, artikel 8, wordt opgeheven.

De bepalingen van bedoeld artikel blijven van toepassing op de aanvragen die vóór 1 juli 1997 zijn ingediend.

Art.In artikel 6 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 4 april 1968, artikel 3, 3 december 1970, artikel 1, 11 april 1973, artikel 7, 10 oktober 1974, artikel 1, 7 maart 1975, artikel 1, 5 april 1976, artikel 3, 20 september 1984, artikel 4, 19 maart 1990, artikel 1 en 4 december 1990, artikel 11, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° 4 wordt vervangen door de volgende bepaling : « 4.Het voordeel van het bepaalde in 1 en in 3bis is afhankelijk gesteld van het storten van het aandeel van de werknemer in de sociale zekerheidsbijdrage, die, voor de te regulariseren perioden, bestemd is voor de rust- en overlevingspensioenen voor werknemers.

Het voordeel van het bepaalde in 2 en 3 is afhankelijk gesteld van het storten van het aandeel van de werknemer en dat van de werkgever in de sociale zekerheidsbijdrage, die voor de te regulariseren periode bestemd is voor de rust- en overlevingspensioenen voor werknemers.

De regularisatiebijdrage wordt berekend op een maandelijks loon dat gelijk is aan het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen van F 37897, aan index 143,59 (1981 = 100), zoals dit is vastgesteld krachtens artikel 1 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43bis van 16 mei 1989, tot aanvulling van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 houdende wijziging en coördinatie van de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 21 van 15 mei 1975 en nr. 23 van 25 juli 1975 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimum maandinkomen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 19 juli 1989. Dit bedrag verandert overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van de genoemde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988.

Voor de vaststelling van het in het voorgaand lid bedoelde maandelijks loon wordt steeds het loon in aanmerking genomen van de maand waarin de aanvraag om regularisatie werd ingediend. ». 2° Het laatste lid van 7 wordt opgeheven.3° 9 wordt vervangen door de volgende bepaling : « 9.De inlichtingen betreffende het in 4 bedoelde loon, betreffende de perioden waarop de bijdragen betrekking hebben, en betreffende het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers der consumptieprijzen van het jaar waarin de aanvraag om regularisatie werd ingediend, worden door toedoen van de Rijksdienst voor pensioenen op de individuele rekening van de werknemers ingeschreven.

Het bij 4 bedoelde loon wordt bij de berekening van het rust- of overlevingspensioen in aanmerking genomen voor een geherwaardeerd jaarbedrag. Te dien einde wordt het vermenigvuldigd met een coëfficiënt. De coëfficiënt toepasselijk op het vermelde loon, wordt bekomen door het indexcijfer waaraan de lopende pensioenen worden uitbetaald te delen door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers der consumptieprijzen van het jaar waarin de aanvraag om regularisatie werd ingediend.

In afwijking van het voorgaande lid wordt, voor een kalenderjaar gelegen vóór 1955 : a) waarvoor één van de bij 4 beoogde bijdragen voor ten minste acht maanden gestort is, voor de berekening van het pensioen het forfaitair loon in aanmerking genomen, voorzien bij artikel 9bis, 1°, van het koninklijk besluit nr.50, indien dit voor de betrokkene voordeliger is; b) waarvoor één van de bij 4 beoogde bijdragen voor minder dan acht maanden gestort is, maar waarvoor bij samentelling van deze perioden met perioden van effectieve tewerkstelling of van met tewerkstelling gelijkgestelde perioden voldaan is aan de bepalingen van artikel 29 van dit besluit, voor de berekening van het pensioen het forfaitair loon in aanmerking genomen, voorzien bij artikel 9bis, 1°, van het koninklijk besluit nr.50. ». 4° 11 wordt opgeheven.

Art. 3.In artikel 7, 6, tweede lid van hetzelfde besluit, zoals vervangen bij koninklijk besluit van 11 december 1990, artikel 1 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 januari 1994, artikel 1, worden de woorden "vijf jaar" vervangen door de woorden "tien jaar".

Art.Artikel 24bis, eerste lid, 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij koninklijk besluit van 5 april 1976 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 14 mei 1981, artikel 4, 8 augustus 1986, artikel 5, 20 februari 1989, artikel 1 en 4 december 1990, artikel 15, wordt aangevuld met de volgende bepaling : « Voor de berekening van de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan vanaf 1 juli 1997 wordt de evolutie voor elk jaar van de periode van 1968 tot en met 1975 geacht 3,2 pct. te belopen telkens ten opzichte van het voorgaande jaar.

Voor de berekening van de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan vanaf 1 januari van de jaren 1998 tot 2005 wordt het in het vorig lid bedoelde percentage voor ieder van de daarin bedoelde ingangsjaren telkens met 0,4 pct. verminderd. ».

Art. 4.Aan artikel 32bis, 1, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 21 december 1970 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 8 november 1971, 11 april 1973, 17 augustus 1973, 13 februari 1975, 5 april 1976, 1 april 1977, 20 september 1984, 30 januari 1986, 19 maart 1990 en 4 december 1990 worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid, 3° wordt vervangen door de volgende bepaling : « 3° De te betalen bijdragen zijn, in de gevallen bedoeld onder 1°, A, gelijk aan het globaal bedrag van de werkgevers- en werknemersbijdragen inzake pensioenen voor de betrokken periode, rekening houdend met de aard van de tewerkstelling.In de gevallen bedoeld onder 1°, B, zijn zij gelijk aan het globaal bedrag van de bijdragen die inzake pensioenen zouden verschuldigd geweest zijn indien de wetgeving betreffende de sociale zekerheid van de werknemers ook voor de betrokken periode toepasselijk ware geweest. De regularisatiebijdrage wordt berekend op een maandelijks loon dat gelijk is aan het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen van F 37897, aan index 143,59 (1981 = 100), zoals dit is vastgesteld krachtens artikel 1 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43bis van 16 mei 1989, tot aanvulling van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988 houdende wijziging en coördinatie van de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 21 van 15 mei 1975 en nr. 23 van 25 juli 1975 betreffende de waarborg van een gemiddeld minimum maandinkomen, algemeen verbindend verklaard bij koninklijk besluit van 19 juli 1989.

Dit bedrag verandert overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van de genoemde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 43 van 2 mei 1988. ». 2° het tweede lid wordt opgeheven.3° het derde lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « Voor de vaststelling van het in het eerste lid, 3°, bedoelde maandelijks loon wordt steeds het loon in aanmerking genomen van de maand waarin de aanvraag om regularisatie werd ingediend.». 4° het zevende lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « De betaling van de bijdragen gebeurt ineens binnen de zes maanden vanaf de datum waarop de in het eerste lid, 2°, bedoelde beslissing definitief is geworden.Zo de betaling niet binnen deze termijn gebeurt, is een verwijlinterest van 10 pct. per jaar, met een minimum van F 50, verschuldigd, onder voorbehoud van het bepaalde in volgende lid. » 5° het tiende lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « De inlichtingen betreffende het bedoelde loon, betreffende de perioden waarop de bijdragen betrekking hebben, en betreffende het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers der consumptieprijzen van het jaar waarin de aanvraag om regularisatie werd ingediend, worden door toedoen van de Rijksdienst voor pensioenen op de individuele rekening van de werknemers ingeschreven.». 6° het elfde lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « Het hierboven bedoelde loon wordt bij de berekening van het rust- of overlevingspensioen in aanmerking genomen voor een geherwaardeerd jaarbedrag.Te dien einde wordt het vermenigvuldigd met een coëfficiënt. De coëfficiënt, toepasselijk op het vermelde loon, wordt bekomen door het indexcijfer waaraan de lopende pensioenen worden uitbetaald te delen door het gemiddelde van de maandelijkse indexcijfers der consumptieprijzen van het jaar waarin de aanvraag om regularisatie werd ingediend. 7° het twaalfde, dertiende en veertiende lid worden opgeheven.8° het vijftiende lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « In afwijking van het voorgaande lid, wordt, voor een kalenderjaar gelegen vóór 1955 : a) waarvoor één van de in 1°, A of B bedoelde bijdragen voor ten minste acht maanden gestort is, voor de berekening van het pensioen het forfaitair loon in aanmerking genomen, voorzien bij artikel 9bis, 1°, van het koninklijk besluit nr.50, indien dit voor de betrokkene voordeliger is; b) waarvoor één van de in 1°, A of B bedoelde bijdragen voor minder dan acht maanden gestort is, maar waarvoor bij samentelling van deze perioden met perioden van effectieve tewerkstelling of van met tewerkstelling gelijkgestelde perioden voldaan is aan de bepalingen van artikel 29 van dit besluit, voor de berekening van het pensioen het forfaitair loon in aanmerking genomen, voorzien bij artikel 9bis, 1°, van het koninklijk besluit nr.50". 9° het zestiende lid wordt opgeheven.

Art. 6.In artikel 34, 2, 2, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 november 1970, artikel 2, 3 december 1970, artikel 5, 21 december 1970, artikel 7, 11 augustus 1972, artikel 1, 10 mei 1976, artikel 2, 12 juli 1976, artikel 4, 30 december 1982, artikel 2, 21 maart 1985, artikel 7, 8 augustus 1986, artikel 10, 1°, 2° en 3°, 19 maart 1990, artikel 1, 2 mei 1990, artikel 2, wordt het eerste lid aangevuld met de woorden : « en voor zover hij uitsluitend onder het toepassingsgebied valt van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, uit hoofde van de laatste beroepsarbeid die de periode van arbeidsongeschiktheid voorafgaat ».

Art. 7 In artikel 35, 1, B, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 23 december 1970, artikel 6, 21 december 1970, artikel 8, 11 augustus 1972, artikel 2, 25 november 1974, artikel 3, 5 april 1976, artikel 15, 12 juli 1976, artikel 5, 30 december 1982, artikel 3, 20 september 1984, artikel 19, 21 maart 1985, artikel 8, 8 augustus 1986, artikel 11, 3°, 8 december 1986, artikel 1, 11 september 1989, artikel 2, 19 maart 1990, artikel 1 en 4 december 1990, artikel 4, worden 1° en 2° aangevuld met de woorden : « en voor zover hij uitsluitend onder het toepassingsgebied valt van de besluitwet van 10 januari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de mijnwerkers en ermee gelijkgestelden, uit hoofde van de laatste beroepsarbeid die de periode van arbeidsongeschiktheid voorafgaat ».

Art. 8.Artikel 36, 2, eerste lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 12 november 1970, artikel 2, 12 juli 1976, artikel 6, 20 september 1984, 21 maart 1985, artikel 9, 8 augustus 1986, artikel 12, 4 december 1990, artikel 22 en 15 maart 1993, artikel 1, wordt aangevuld met de volgende woorden : « en zo hij uitsluitend onder het toepassingsgebied viel van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid van de zeelieden ter koopvaardij ».

Art.9. Artikel 52, 1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 4 december 1990, artikel 24 en 21 mei 1991, artikel 3, wordt vervangen door de volgende bepaling : « 1. Wanneer de langstlevende echtgenoot aanspraak kan maken, enerzijds, op een overlevingspensioen krachtens de pensioenregeling voor werknemers en, anderzijds, op één of meer rustpensioenen of op voordelen die als dusdanig gelden krachtens de pensioenregeling voor werknemers of één of meer andere pensioenregelingen, mag het overlevingspensioen niet worden samen genoten met de vermelde rustpensioenen dan tot beloop van een som gelijk aan 110 % van het bedrag van het overlevingspensioen dat aan de langstlevende echtgenoot zou zijn toegekend voor een volledige loopbaan.

Wanneer de in het eerste lid bedoelde echtgenoot eveneens aanspraak kan maken op één of meer overlevingspensioenen of op voordelen die als dusdanig gelden in de zin van artikel 10bis van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967, mag het overlevingspensioen niet meer belopen dan het verschil tussen, enerzijds 110 % van het bedrag van het overlevingspensioen voor een volledige loopbaan en, anderzijds, de som van de bedragen van de rustpensioenen of van de als dusdanig geldende voordelen bedoeld in het eerste lid, en van een bedrag gelijk aan het overlevingspensioen als werknemer voor een volledige loopbaan, vermenigvuldigd met de breuk of met de som van de breuken die de belangrijkheid van de overlevingspensioenen in de andere pensioenregelingen, die van de zelfstandigen uitgezonderd, uitdrukken.

Deze breuken zijn die welke voor de toepassing van het voormelde artikel 10bis in aanmerking werden of zouden worden genomen.

De toepassing van het tweede lid kan evenwel niet tot gevolg hebben dat het overlevingspensioen wordt verminderd tot een bedrag dat kleiner is dan het verschil tussen het bedrag van het vóór de toepassing van de vorige leden toekenbaar overlevingspensioenen en de som van de bedragen van de rustpensioenen en van de als zodanig geldende voordelen, beoogd in het eerste lid.

Voor de toepassing van het eerste en het tweede lid dient onder overlevingspensioen voor een volledige loopbaan te worden verstaan, het overlevingspensioen dat toekenbaar is aan de langstlevende echtgenoot vóór de toepassing van de vorige leden, vermenigvuldigd met het omgekeerde van de breuk die, in voorkomend geval beperkt in toepassing van het genoemd artikel 10bis, gebruikt werd voor de berekening van het rustpensioen dat als basis dient voor de berekening van het overlevingspensioen. » .

Art.10 In artikel 76 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 1 juni 1977, artikel 1 en 20 september 1984, artikel 43, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het tweede en het derde lid worden vervangen door de volgende leden : « De rechten van de in artikel 75 beoogde personen worden ambtshalve onderzocht wanneer zij op het ogenblik van de echtscheiding de toepassing van artikel 74 genoten en wanneer zij, naar gelang het geval, de leeftijd bedoeld in de artikelen 2, 1, 3 en 4, 1 van het koninklijk besluit van 23 december 1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels hebben bereikt en voor zover in het laatste geval voldaan is aan de bepalingen van artikel 4, 2, 3 en 4 van hetzelfde koninklijk besluit of wanneer voor hen, die tenminste de leeftijd van 60 jaar hebben bereikt, het recht op rustpensioen krachtens een andere Belgische wettelijke pensioenregeling is geopend op de eerste dag van de maand volgend op de overschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand.». « De in het voorgaande lid beoogde personen kunnen tevens vanaf de datum waarop zij in kennis zijn gesteld van de rechterlijke beslissing waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, een aanvraag indienen in de vormen voorzien bij artikel 10 en volgende. Voor zover het onderzoek van ambtswege niet mogelijk is heeft deze aanvraag uitwerking op de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin de aanvraag is ingediend en ten vroegste op de eerste dag van de maand volgend op de overschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. ». 2° het vierde lid wordt opgeheven.

Art. 11.Artikel 78 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 september 1984, artikel 44, wordt aangevuld met een lid luidend als volgt : « Er wordt geen rekening gehouden met de jaren gelegen na 31 december van het jaar voorafgaand aan de ingangsdatum van het rustpensioen als werknemer of van een in het vorige lid bedoeld rustpensioen of als zodanig geldend voordeel verworven op basis van de eigen activiteit. ».

Art.12. 1. De bepalingen van de artikelen 2 en 5 van dit besluit hebben uitwerking op de aanvragen om regularisatie die na 30 juni 1997 zijn ingediend. 2. De bepalingen van de artikelen 4, 10 en 11 van dit besluit zijn van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ingaan vanaf 1 juli 1997.3. De bepalingen van artikel 9 van dit besluit zijn van toepassing wanneer één of meer van de daarin vermelde pensioenen daadwerkelijk en voor de eerste maal vanaf 1 juli 1997 ingaan. Art.14. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 juli 1997.

Art. 15.Onze Minister van Pensioenen is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 9 juli 1997.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Pensioenen, M. COLLA

^