Koninklijk Besluit van 10 april 2015
gepubliceerd op 13 mei 2015
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 september 2014, gesloten in het Paritair Comité voor de stoffering en de houtbewerking, betreffende de permanente vorming van de arbeiders en opleidi

bron
federale overheidsdienst werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg
numac
2015201540
pub.
13/05/2015
prom.
10/04/2015
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

Numac : 2015201540

FEDERALE OVERHEIDSDIENST WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG


10 APRIL 2015. - Koninklijk besluit waarbij algemeen verbindend wordt verklaard de collectieve arbeidsovereenkomst van 17 september 2014, gesloten in het Paritair Comité voor de stoffering en de houtbewerking, betreffende de permanente vorming van de arbeiders en opleidingsinitiatieven ten voordele van de risicogroepen (1)


FILIP, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, inzonderheid op artikel 28;

Gelet op het verzoek van het Paritair Comité voor de stoffering en de houtbewerking;

Op de voordracht van de Minister van Werk, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Algemeen verbindend wordt verklaard de als bijlage overgenomen collectieve arbeidsovereenkomst van 17 september 2014, gesloten in het Paritair Comité voor de stoffering en de houtbewerking, betreffende de permanente vorming van de arbeiders en opleidingsinitiatieven ten voordele van de risicogroepen.

Art. 2.De minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 10 april 2015.

FILIP Van Koningswege : De Minister van Werk, K. PEETERS _______ Nota (1) Verwijzing naar het Belgisch Staatsblad : Wet van 5 december 1968, Belgisch Staatsblad van 15 januari 1969. Bijlage Paritair Comité voor de stoffering en de houtbewerking Collectieve arbeidsovereenkomst van 17 september 2014 Permanente vorming van de arbeiders en opleidingsinitiatieven ten voordele van de risicogroepen (Overeenkomst geregistreerd op 28 oktober 2014 onder het nummer 123961/CO/126) HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied

Artikel 1.Deze collectieve arbeidsovereenkomst is van toepassing op de werkgevers, arbeiders en arbeidsters van de ondernemingen die ressorteren onder de bevoegdheid van het Paritair Comité voor de stoffering en de houtbewerking.

Zij wordt gesloten in uitvoering van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) (Belgisch Staatsblad van 28 december 2006), titel XIII, hoofdstuk VIII, afdeling 1 - betreffende de inspanningen ten voordele van personen die behoren tot risicogroepen. HOOFDSTUK II. - Realisatie van de vormingsinspanningen

Art. 2.Teneinde een antwoord te bieden aan de vereisten geformuleerd in het interprofessioneel akkoord 2007-2008 en artikel 24 van de wet van 17 mei 2007 houdende uitvoering van het interprofessioneel akkoord voor de periode 2007-2008 (Belgisch Staatsblad van 19 juni 2007), verbinden de sociale gesprekspartners zich ertoe, tijdens de looptijd van deze overeenkomst een jaarlijkse toename van de participatiegraad aan vorming en opleiding met minstens 5 procentpunten te realiseren.

Deze verbintenis wordt gerealiseerd via de volgende acties : - de uitwerking en de promotie van gegevensbanken die vraag en aanbod beter op elkaar afstemmen, zoals bepaald in artikel 6; - de herziening van de vormingsprogramma's en de toegangsvoorwaarden tot deze opleidingsprogramma's, voor kleine ondernemingen (- 20 werknemers) zoals bepaald in artikel 8; - het aanbod van opleiding tijdens en buiten de arbeidsuren, onder de voorwaarden zoals gesteld in artikelen 7 en 9; - een crisisaanbod te realiseren ten behoeve van arbeiders in periodes van economische werkloosheid. HOOFDSTUK III. - Doelgroepen

Art. 3.De sociale gesprekspartners verbinden zich ertoe voor de duur van deze overeenkomst de inspanningen verder te zetten op het vlak van de permanente vorming van de arbeiders en de opleidingsinitiatieven ter attentie van risicogroepen. Hierbij streven zij ernaar, te anticiperen op de noden van de ondernemingen inzake de evolutie van de arbeidsmarkt, van de technologie en van de arbeidsorganisatie.

Opleiding wordt in de sector erkend als een recht en een plicht voor de werknemers.

Zij willen daarbij de volgende doelgroepen bereiken : Een eerste categorie zijn de arbeiders/sters, in dienst van een onderneming van de sector. Voor hen moeten bijzondere inspanningen worden geleverd om hun inzetbaarheid te vergroten. Zij kunnen geconfronteerd worden met de invoering van nieuwe technologieën of met een wijzigende arbeidsorganisatie.

Ook zullen verdere projecten in samenwerking met het Ervaringsfonds worden gepromoot.

Het "Opleidingscentrum Hout" zal hierbij benadrukken dat, naast ergonomische maatregelen ter bevordering van de arbeidsmogelijkheden van oudere werknemers, het verbeteren van de arbeidsvoorwaarden ook mogelijk is op het vlak van de arbeidsorganisatie, de werktijd, van functieaanpassing of -wijziging, het overstappen van nacht- naar dagwerk, het inzetten van oudere werknemers als bedrijfsinstructeur,...

Een tweede categorie zijn de toekomstige werknemers.

Tot deze categorie behoren de volgende personen voor wie de te bereiken doelstellingen nader dienen te worden omschreven : 1. de deeltijds leerplichtigen;2. de jonge werkzoekenden;3. de andere werkzoekenden, ongeacht hun leeftijd. De inspanningen inzake bevordering van de diversiteit van de werknemers in de ondernemingen worden verder gezet.

De derde categorie betreft de arbeiders/sters die worden geconfronteerd met ontslag ingevolge sluiting, herstructurering of afslanking van de onderneming.

Art. 4.De sector zal zijn medewerking blijven verlenen aan de tewerkstellingsmaatregelen voor langdurig werklozen in de mate dat er voor deze doelgroep ook effectieve tewerkstelling in de sector aan kan verbonden worden. HOOFDSTUK IIIbis. - Bijzondere doelgroepen in het kader van het koninklijk besluit van 19 februari 2013

Art. 4bis.Een inspanning van ten minste 0,05 pct. van de loonmassa, bedoeld in artikel 189, 1ste en 4de lid van dezelfde wet, wordt voorbehouden aan één of meerdere van de volgende risicogroepen : 1° de werknemers van minstens 50 jaar oud die in de sector werken;2° de werknemers van minstens 40 jaar oud die in de sector werken en bedreigd zijn met ontslag : a) hetzij doordat hun arbeidsovereenkomst werd opgezegd en de opzeggingstermijn loopt;b) hetzij doordat zij tewerkgesteld zijn in een onderneming die erkend is als onderneming in moeilijkheden of in herstructurering;c) hetzij doordat zij tewerkgesteld zijn in een onderneming waar een collectief ontslag werd aangekondigd;3° de niet-werkenden en de personen die sinds minder dan één jaar werken en niet-werkend waren op het ogenblik van hun indiensttreding. Onder "niet-werkenden" wordt verstaan : a) de langdurig werkzoekenden, zijnde de personen in het bezit zijn van een werkkaart, bedoeld in artikel 13 van het koninklijk besluit van 19 december 2001 tot bevordering van de tewerkstelling van langdurig werkzoekenden;b) de uitkeringsgerechtigde werklozen;c) de werkzoekenden die laaggeschoold of erg-laaggeschoold zijn in de zin van artikel 24 van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de tewerkstelling;d) de herintreders, zijnde de personen die zich na een onderbreking van minstens één jaar terug op de arbeidsmarkt begeven;e) de personen die gerechtigd zijn op maatschappelijke integratie in toepassing van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie en personen die gerechtigd zijn op maatschappelijke hulp in toepassing van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;f) de werknemers die in het bezit zijn van een verminderingskaart herstructureringen in de zin van het koninklijk besluit van 9 maart 2006 betreffende het activerend beleid bij herstructureringen; 4g) de werkzoekenden die niet de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie bezitten of van wie minstens één van de ouders deze nationaliteit niet bezit of niet bezat bij overlijden of van wie minstens twee van de grootouders deze nationaliteit niet bezitten of niet bezaten bij overlijden; h) de werkzoekenden die nog geen 26 jaar oud zijn;4° de personen met een verhinderde arbeidsgeschiktheid, namelijk : - de personen die voldoen aan de voorwaarden om ingeschreven te worden in een regionaal agentschap voor personen met een handicap; - de personen met een definitieve arbeidsongeschiktheid van minstens 33 pct.; - de personen die voldoen aan de medische voorwaarden om recht te hebben op een inkomensvervangende of een integratietegemoetkoming ingevolge de wet van 27 februari 1987 op de tegemoetkomingen aan personen met een handicap; - de personen die als doelgroepwerknemer tewerkgesteld zijn of waren bij een werkgever die valt onder het toepassingsgebied van het Paritair Comité voor de beschutte en de sociale werkplaatsen; - de gehandicapte die het recht op verhoogde kinderbijslag opent op basis van een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van minstens 66 pct.; - de personen die in het bezit zijn van een attest afgeleverd door de Algemene Directie Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid voor het verstrekken van sociale en fiscale voordelen; - de persoon met een invaliditeitsuitkering of een uitkering voor arbeidsongevallen of beroepsziekten in het kader van programma's tot werkhervatting; 5° de jongeren die nog geen 26 jaar oud zijn en opgeleid worden, hetzij in een stelsel van alternerend leren, hetzij in het kader van een individuele beroepsopleiding in een onderneming, bedoeld in artikel 27, 6° van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, hetzij in het kader van een instapstage, bedoeld in artikel 36quater van hetzelfde koninklijk besluit van 25 november 1991. In de raad van bestuur van het "Opleidingscentrum Hout" zal verder worden bekeken hoe de in dat kader voorbehouden middelen zijn toe te rekenen op de betrokken risicogroepen. HOOFDSTUK IV. - Doelstellingen

Art. 5.Industrieel leerlingenwezen De sociale gesprekspartners bestendigen voor de duurtijd van de collectieve arbeidsovereenkomst het industrieel leerlingenwezen.

Voor de beroepen, georganiseerd in deze vorm sluiten zij uit dat voor de deeltijds leerplichtigen een arbeidsovereenkomst deeltijds leren/werken zou worden gesloten.

Zij zien de invulling van de wet van 6 mei 1998 (Belgisch Staatsblad van 29 mei 1998) als volgt : 1. Voor de jongeren die het derde jaar beroeps- of technisch onderwijs niet met succes hebben beëindigd, bedraagt de periode gedurende dewelke de minimumvergoeding dient te worden uitbetaald 3 maanden. Zodoende valt deze periode samen met de proefperiode van 3 maanden die in het model van leerovereenkomst wordt vastgesteld. Deze leerling die na deze periode van 3 maanden in dienst blijft van de werkgever wordt geacht te voldoen aan de voorwaarde om vanaf de 4de maand de volledige leervergoeding te ontvangen die met zijn/haar leeftijdscategorie overeenkomst. 2. De door de wet van 6 mei 1998 vastgestelde leervergoedingen zijn in voege voor alle leerovereenkomsten die na 1 september 1999 werden gesloten met jongeren uit de leeftijdsgroep van 15 tot 18 jaar.3. Het industrieel leerlingenwezen wordt uitgebreid tot de werkzoekende, ouder dan 18 jaar, die : - ofwel een diploma bezit dat niet aansluit bij de functie waarvoor hij/zij een opleiding wenst te volgen; - ofwel een diploma bezit dat wel aansluit bij een functie eigen aan de sector, doch die nog een opleiding wenst te volgen voor een andere of aanvullende functie.

De duur van de opleiding zal minimum zes maanden en maximum vierentwintig maanden bedragen, afhankelijk van het leerprogramma en de voorkopleiding van de werkzoekende.

De leervergoeding die voor deze doelgroep wordt toegepast, wordt door het paritair comité bepaald.

Zowel de duur van de opleiding als het bedrag van de leervergoeding zullen moeten worden bepaald, rekening houdend met het feit dat de geboden opleiding een redelijk alternatief moet bieden ter attentie van de werkloosheid. 4. Ten einde meer jongeren te bereiken die in aanmerking kunnen komen voor een industriële leerovereenkomst, worden de leerprogramma's in modules aangeboden.Het met vrucht beëindigen van een module wordt beloond met attestering door het "Opleidingscentrum Hout" (OCH). 5. Voor de doelgroep bedoeld in dit artikel zullen de sociale gesprekspartners samenwerkingsakkoorden sluiten met de opleidingscentra die volledig achter deze vorm van opleiding staan en zich houden aan de voorwaarden en leerprogramma's erkend door het paritair leercomité. Het "Opleidingscentrum Hout" zal jaarlijks een rondetafel organiseren met de meewerkende centra om te komen tot een coördinatie van de inspanningen. De medewerkende centra zullen niet worden beperkt tot de centra voor deeltijds onderwijs.

Art. 6.Bevordering van de tewerkstelling in de hout en meubelindustrie 6.1. Stages Het OCH zal in de loop van deze collectieve arbeidsovereenkomst het gebruik van de databank van vraag en aanbod verder promoten bij werkgevers, leraars en studenten. 6.2. Het OCH zal bijkomende acties ontwikkelen om jongeren aan te trekken, te kiezen voor een houtopleiding en dit, op alle mogelijke niveaus. 6.3. Het OCH zal de verschillende toeleidingsdatabanken activeren met een bijzondere aandacht voor de curricula vitae van de arbeiders/sters in outplacement.

Art. 7.Aanwerving en opleiding Alle werknemers die worden aangeworven, worden opgeleid voor de functie waarin ze worden aangeworven, hetzij via IBO, hetzij via opleiding op de arbeidsplaats.

Deze doelgroepen zullen afzonderlijk vermeld worden in het opleidingsplan van de onderneming. De veiligheidsinitiatie maakt deel uit van deze opleiding.

De opleidingsperiode zal over ten minste zes maanden en ten hoogste vierentwintig maanden lopen wanneer de nieuw aangeworvene noch voorkennis, noch ervaring heeft opgedaan voor de functie. De opleidingsperiode zal over ten minste zes en ten hoogste twaalf maanden lopen wanneer de nieuw aangeworvene een voldoende vooropleiding heeft genoten, of deze kennis opdeed door ervaring.

Gedurende de opleidingsperiode heeft de nieuw aangeworven arbeider/ster recht op 90 pct. van het loon voor de functie waartoe hij/zij wordt opgeleid.

Dit, onder de voorwaarde dat de nieuw aangeworvene ook in de mogelijkheid wordt gesteld de praktische opleiding in de onderneming aan te vullen met een opleiding uit de door het "Opleidingscentrum Hout" geboden programma's.

Deze arbeidsovereenkomsten dienen ter opvolging te worden voorgelegd aan het paritair leercomité.

Art. 8.Opleidingsinspanningen Aan de ondernemingen wordt aanbevolen een jaarlijks opleidingsplan op te stellen waarin alle opleidingen voor de arbeiders worden opgenomen.

Zij kunnen daarbij een beroep doen op de expertise van het "Opleidingscentrum Hout".

Opleidingsplannen worden voorgelegd aan en besproken in de ondernemingsraad, of bij ontstentenis het comité welzijn of, bij ontstentenis de syndicale afvaardiging.

Een bijzondere begeleidingsinspanning zal worden geleverd ter attentie van de ondernemingen die minder dan 20 arbeiders tewerkstellen. Het OCH zal erop toezien dat de onderneming binnen de twee maanden na de indiening van haar plan, een concreet voorstel van timing ontvangt.

Ten einde de in het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid bepaalde doelstellingen te verwezenlijken, begeleidt zij de ondernemingen ook, de geleverde inspanningen op gepaste wijze te registreren en stelt hen hiervoor de door de sociale gesprekspartners bij collectieve arbeidsovereenkomst van 30 juni 2009 overeengekomen "sectorale registratietool" ter beschikking.

Het OCH zal een cumucatief opleidingscv ter beschikking stellen van de arbeiders die tijdens het boekjaar een door haar georganiseerde of ondersteunde opleiding gevolgd hebben. Het betreft zowel "externe" als "interne" opleidingen.

Art. 9.Opleidingen op initiatief van de werknemer 9.1. Tijdens de werkuren Indien bepaalde vakgerichte opleidingen niet na de werkuren kunnen plaatsgrijpen, moet er tussen werkgever en werknemer een gesprek mogelijk zijn over het volgen van deze opleiding in het raam van het betaald educatief verlof. 9.2. Buiten de werkuren De werknemer die buiten de werkuren en op eigen initiatief een opleiding volgt die niet in aanmerking komt voor de wettelijke regeling in verband met betaald educatief verlof en die evenmin gebeurt in uitdrukkelijke opdracht van de werkgever, geniet de hierna vermelde voordelen.

Voorwaarde is echter, dat de werkgever vooraf op de hoogte werd gesteld en ermee heeft ingestemd en dat de opleiding met succes werd afgerond.

De werknemer kan dan kiezen voor : ofwel bezoldigde inhaalrust voor de uren die hij heeft verlet voor de opleiding, ofwel een vergoeding door de werkgever, beperkt tot het bedrag dat in voege is voor het betaald educatief verlof. Bedoelde uren worden dan niet als arbeidstijd aangemerkt.

Het aantal uren waarvoor een dergelijk voordeel kan worden verkregen, is beperkt tot 16 uur per schooljaar.

Art. 10.Onderwijs De rol van het onderwijs (zowel voltijds als deeltijds) zal kritisch worden onderzocht. De studie van de beroeps- en opleidingsprofielen zal worden geactiveerd en ter kennis gebracht van de verschillende opleidingsverstrekkers. Projectmatige aanpak moet leiden tot meetbare resultaten.

De modulaire structuur van het beroepsonderwijs zal voort worden gepromoot.

Art. 11.Het "Opleidingscentrum Hout" (OCH) Het "Opleidingscentrum Hout" zal de gestelde doelstellingen projectmatig aanvatten ten einde de werkmethode te ontwikkelen en de positieve of negatieve resultaten te benutten ter herhaling van dergelijke projecten.

Het "Opleidingscentrum Hout" zal de sectoraal overeengekomen registratietool promoten in de ondernemingen.

Het zal ervoor zorgen dat de bestaande opleidingsstelsels worden afgestemd op de opleidingsplannen van de ondernemingen en dat zij onverwijld voor hen worden opengesteld.

Hierbij zal het absolute prioriteit verlenen voor de personen die zich inschreven in het sectoraal outplacement, die werden ontslagen in het raam van een herstructurering of die tijdelijk economisch werkloos zijn.

Art. 12.Evaluatie Alle acties van het OCH zullen gedurende deze collectieve arbeidsovereenkomst worden geëvalueerd naar hun effectief resultaat. HOOFDSTUK V. - Financiering

Art. 13.Het "Fonds voor bestaanszekerheid voor de stoffering en de houtbewerking" organiseert de bevordering van de initiatieven voor de opleiding en tewerkstelling van de in artikel 3 omschreven doelgroepen.

Deze opleiding wordt gefinancierd door een werkgeversbijdrage van 0,10 pct. van de brutolonen van de arbeiders aan 108 pct.

Art. 14.De sector zal zijn effectieve medewerking verlenen aan alle federale en regionale initiatieven ter bevordering van de tewerkstelling van langdurig werklozen op wie een begeleidingsplan of inschakelingsparcours van toepassing is. Onder voorbehoud dat dit begeleidingsplan wordt voortgezet in voorwaarden die voor de sector stoffering en houtbewerking haalbaar zijn, zal voor deze effectieve medewerking een bijkomende financiële inspanning van 0,05 pct., berekend op de brutolonen aan 108 pct. worden voorbehouden.

Art. 15.De inning van de bijdrage van 0,15 pct. geschiedt door toedoen van het "Fonds voor bestaanszekerheid voor de stoffering en de houtbewerking", overeenkomstig zijn statuten. HOOFDSTUK VI. - Duur van de overeenkomst

Art. 16.Deze collectieve arbeidsovereenkomst wordt gesloten voor bepaalde duur van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2014. Deze collectieve arbeidsovereenkomst vervangt deze van 9 oktober 2013.

Gezien om te worden gevoegd bij het koninklijk besluit van 10 april 2015.

De Minister van Werk, K. PEETERS


begin


Publicatie : 2015-05-

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^