Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 10 juni 2003
gepubliceerd op 30 juni 2003

Koninklijk besluit waarbij het Bestuur voor het K.M.O.-beleid van de Federale Overheidsdienst Economie, Kleine en Middelgrote Ondernemingen, Middenstand en Energie, gemachtigd wordt toegang te hebben tot de informatiegegevens van het Rijksregister en het identificatienummer ervan te gebruiken

bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
numac
2003000533
pub.
30/06/2003
prom.
10/06/2003
ELI
eli/besluit/2003/06/10/2003000533/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
Document Qrcode

10 JUNI 2003. - Koninklijk besluit waarbij het Bestuur voor het K.M.O.-beleid van de Federale Overheidsdienst Economie, Kleine en Middelgrote Ondernemingen, Middenstand en Energie, gemachtigd wordt toegang te hebben tot de informatiegegevens van het Rijksregister en het identificatienummer ervan te gebruiken


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van besluit dat wij de eer hebben aan Uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen, strekt ertoe het Bestuur voor het K.M.O.-beleid van de Federale Overheidsdienst Economie, Kleine en Middelgrote Ondernemingen, Middenstand en Energie, hierna Bestuur voor het K.M.O.-beleid genoemd, te machtigen toegang te hebben tot de informatiegegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen en het identificatienummer ervan te gebruiken, overeenkomstig de artikelen 5, eerste lid, en 8, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van dit register.

De toegang tot de informatiegegevens van het Rijksregister en het gebruik van het identificatienummer worden toegestaan voor het vervullen van de taken die onder de bevoegdheid van het Bestuur voor het K.M.O.-beleid vallen, overeenkomstig : - de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen; - de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten; - de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap; - het ministerieel besluit van 11 februari 1948 betreffende de bijzondere voorwaarden voor het verlenen van vergunningen aan de kleinhandelaars in vleeswaren, aan de beenhouwers en aan de spekslagers.

In het kader van de taken betreffende de bepaling van de ondernemersvaardigheden, de ambulante handel, evenals de toekenning van de beroepskaarten en van de vergunningen van beenhouwer-spekslager, zal de toegang tot de informatiegegevens van het Rijksregister het mogelijk maken de verplichtingen voor diegenen die een kleine of middelbare onderneming wensen op te starten of hun huidige beroepsactiviteiten wensen te wijzigen, aanzienlijk te verminderen en bijgevolg de procedure gevoelig te verlichten.

Dankzij de toegang tot het Rijksregister, zal het Bestuur voor het K.M.O.-beleid immers rechtstreeks kennis hebben van de informatiegegevens die het nodig heeft, zonder de betrokkenen te moeten ondervragen en bovendien zullen deze laatsten niet meer verplicht zijn elke wijziging in de uitoefening van hun beroepsactiviteiten of in hun administratieve situatie, te melden.

De toegang tot de informatiegegevens van het Rijksregister wordt als volgt gerechtvaardigd.

De informatiegegevens bedoeld in 1° (naam en voornamen), 2° (geboorteplaats en -datum), 3° (geslacht), 5° (hoofdverblijfplaats) en 6° (plaats en datum van overlijden), van artikel 3, eerste lid, van de voormelde wet van 8 augustus 1983, vormen de minimale informatiegegevens opdat het Bestuur van het K.M.O.-beleid een dossier betreffende een natuurlijke persoon zou kunnen opstellen.

De toegang tot de informatie betreffende de geboortedatum (2°) is bovendien noodzakelijk teneinde de voorwaarde betreffende de vereiste leeftijd om bepaalde activiteiten uit te oefenen, na te gaan. Zo moet de betrokkene, om een ambulante activiteit uit te oefenen, ten minste 18 jaar oud zijn; om een ambulante activiteit als helper of als werknemer uit te oefenen, moet de betrokkene de leeftijd van 16 jaar bereikt hebben (cf. artikel 13, 1° en 2°, van het koninklijk besluit van 3 april 1995 tot uitvoering van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten).

De informatie betreffende de nationaliteit (4°) is noodzakelijk in het kader van de toepassing van de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen.

Zo kan de Koning bepaalde categorieën van vreemdelingen vrijstellen van de verplichting houder te zijn van een beroepskaart (cf. artikel 2 van de wet van 19 februari 1965). Bovendien kunnen de onderdanen van vreemde landen, onder bepaalde voorwaarden, gemachtigd worden een ambulante activiteit uit te oefenen (artikel 15 van het voormelde koninklijk besluit van 3 april 1995).

De kennis van de informatie betreffende de hoofdverblijfplaats (5°) is eveneens noodzakelijk, aangezien het vestigingsgetuigschrift thans een voorafgaande voorwaarde is voor de aflevering van een vergunning voor een ambulante handel, van een beroepskaart voor vreemdeling of van een vergunning van beenhouwer-spekslager.

Daarentegen, meent de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, in haar advies van 10 februari 2003, dat de kennis van de informatiegegevens betreffende het beroep (7°), de burgerlijke staat (8°) en de samenstelling van het gezin (9°) alsmede de toegang tot de historiek van de informatiegegevens niet voldoende gemotiveerd zijn. De toegang tot deze informatiegegevens is door dit besluit niet toegestaan.

Het Bestuur voor het K.M.O.-beleid vraagt eveneens de machtiging om het identificatienummer van het Rijksregister te gebruiken, teneinde over een uniek identificatiemiddel te beschikken in zijn betrekkingen met andere gegevensbanken die gemachtigd zijn het identificatienummer te gebruiken, zoals de Sociale Verzekeringsfondsen en de Sociale Verzekeringsfondsen voor zelfstandigen.

De toegang tot de informatiegegevens van het Rijksregister en het gebruik van het identificatienummer zijn voorbehouden aan de Directeur-generaal van het Bestuur voor het K.M.O.-beleid en aan de personeelsleden van dit bestuur die hij aanwijst, wegens hun functie en binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden.

Overeenkomstig de wens van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zal de lijst van personen die gemachtigd worden om toegang te hebben tot de informatiegegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen en om het identificatienummer ervan te gebruiken opgesteld worden en voortdurend bijgewerkt worden. Deze lijst zal ter beschikking van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer worden gehouden.

De betrokken personeelsleden ondertekenen een schriftelijke verklaring waarbij zij zich ertoe verbinden de veiligheid en het vertrouwelijke karakter van de informatiegegevens waartoe zij toegang krijgen, te behouden.

De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer heeft haar advies nr. 06/2003 uitgebracht op 10 fébruari 2003.

De Raad van State heeft zijn advies uitgebracht op 23 april 2003.

Dit hoge College heeft geen opmerking op dit besluit te formuleren, op voorwaarde dat het besluit ter ondertekening aan de Koning wordt voorgelegd voor de aanwijzing van de leden van het sectoraal comité van het Rijksregister, dat binnen de commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer is opgericht, overeenkomstig de wet van 25 maart 2003 tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.

De leden van het sectoraal comité zijn nog niet aangewezen.

Wij hebben de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars, De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN

ADVIES NR. 06/2003 VAN 10 FEBRUARI 2003 VAN DE COMMISSIE VOOR DE BESCHERMING VAN DE PERSOONLIJKE LEVENSSFEER Ontwerp van koninklijk besluit waarbij het Bestuur voor het K.M.O.-beleid van de Federale Overheidsdienst Economie, Kleine en Middelbare Ondernemingen, Middenstand en Energie gemachtigd wordt toegang te hebben tot de informatiegegevens van het Rijksregister en het identificatienummer ervan te gebruiken De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, Gelet op de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, inzonderheid artikel 29.

Gelet op de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, inzonderheid artikel 5, eerste lid, en artikel 8, eerste lid.

Gelet op de adviesaanvraag van de Minister van Binnenlandse Zaken van 10 december 2002.

Gelet op het verslag van de heer Frank Robben.

Brengt op 10 febrauari 2003 volgend advies uit : I. Voorwerp van de adviesaanvraag : Het ontwerp van koninklijk besluit dat door de Minister van Binnenlandse Zaken aan de Commissie voor advies wordt voorgelegd, heeft tot doel het Bestuur voor het K.M.O.-beleid van de Federale Overheidsdienst Economie, Kleine en Middelbare Ondernemingen, Middenstand en Energie te machtigen, enerzijds, om toegang te hebben tot de informatiegegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen, en, anderzijds, om het rijksregisternummer te gebruiken, en dit voor het vervullen van haar taken in verband met de ondernemingsvaardigheden, de machtigingen tot ambulante activiteiten, de beroepskaarten en de vergunningen voor beenhouwers-spekslagers.

De toegang en het gebruik worden met name toegestaan aan de directeur-generaal van het Bestuur voor het K.M.O.-beleid en aan de personeelsleden van zijn bestuur die hij daartoe, wegens hun functie en binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden, bij name en schriftelijk aanwijst.

II. Toepasselijke wetgeving : Krachtens artikel 5, eerste lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen verleent de Koning toegang tot het Rijksregister aan de openbare overheden, de instellingen van openbaar nut bedoeld bij de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, de notarissen en gerechtsdeurwaarders, voor de informatie die zij krachtens een wet of een decreet bevoegd zijn te kennen alsmede de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des Barreaux francophones et germanophone, met als enig doel aan de advocaten de informatie mede te delen die zij nodig hebben voor de taken die zij als medewerkers van het gerecht vervullen.

Krachtens artikel 8, eerste lid, van dezelfde wet kan de Koning, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en bij in Ministerraad overlegd besluit, de openbare overheden en de instellingen bedoeld bij artikel 5 van de wet machtigen om het rijksregisternummer te gebruiken, binnen de grenzen en voor de doeleinden door hem bepaald. 3. Onderzoek van de adviesaanvraag : Het Bestuur voor het K.M.O.-beleid van de Federale Overheidsdienst Economie, Kleine en Middelbare Ondernemingen, Middenstand en Energie wordt door diverse wettelijke en reglementaire bepalingen belast met het verlenen van machtigingen of vergunningen voor het uitoefenen van bepaalde beroepsactiviteiten.

Vooreerst dient ingevolge de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen elke vreemdeling die op het Belgisch grondgebied een zelfstandige activiteit van winstgevende aard uitoefent houder van een beroepskaart te zijn; deze beroepskaart wordt afgegeven door de Minister van Middenstand of de door hem aangewezen ambtenaar.

Krachtens de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten, vervolgens, is de uitoefening van de ambulante activiteiten op het Belgisch grondgebied onderworpen aan de voorafgaande machtiging van de Minister tot wiens bevoegdheid de Middenstand behoort of van de door hem gedelegeerde ambtenaar.

Het Bestuur voor het K.M.O.-beleid heeft daarenboven, overeenkomstig de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap, taken te vervullen op het vlak van de ondernemersvaardigheden, dit wil zeggen de basiskennis van het bedrijfsbeheer en de beroepsbekwaamheid.

Tenslotte bepaalt het ministerieel besluit van 11 februari 1948 betreffende de bijzondere voorwaarden voor het verlenen van vergunningen aan de kleinhandelaars in vleeswaren, aan de beenhouwers en aan de spekslagers dat niemand het beroep van beenhouwer of van spekslager mag uitoefenen zonder ertoe gemachtigd te zijn door de Minister van Middenstand.

De Commissie meent dat de doeleinden waarvoor de toegang tot het Rijksregister en het gebruik van het rijksregisternummer worden gevraagd - te weten het vervullen van de taken van het Bestuur voor het K.M.O.-beleid in verband met de ondernemingsvaardigheden, de machtigingen tot ambulante activiteiten, de beroepskaarten en de vergunningen voor beenhouwers-spekslagers - gerechtvaardigd zijn.

De door het ontwerp van koninklijk besluit verleende machtiging wordt gemotiveerd door de wenselijkheid om de verplichtingen voor diegenen die een kleine of middelbare onderneming wensen op te starten of hun huidige beroepsactiviteiten wensen te wijzigen aanzienlijk te verminderen en bijgevolg de door hen te volgen procedure gevoelig te verlichten. Deze personen zullen met name worden vrijgesteld van het meedelen van bepaalde informatiegegevens (en de wijzigingen die deze informatiegegevens ondergaan), die immers voortaan rechtstreeks door het Bestuur voor het K.M.O.-beleid bij het Rijksregister kunnen worden geraadpleegd. Deze motivering is afdoende.

De toegang tot het Rijksregister heeft krachtens artikel 1, eerste lid, van het ontwerp van koninklijk besluit betrekking op de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1 ° tot 9°, en tweede lid, van de hogervermelde wet van 8 augustus 1983.

De Commissie heeft evenwel bedenkingen bij de mogelijkheid voor het Bestuur voor het K.M.O.-beleid om de burgerlijke staat (artikel 3, eerste lid, 8°) en de samenstelling van het gezin (artikel 3, eerste lid, 9°) van de betrokkenen te raadplegen. Geen van beide informatiegegevens lijkt immers noodzakelijk voor het uitvoeren van de hogervermelde opdrachten, die allen betrekking hebben op het verlenen van machtigingen of vergunningen voor het uitoefenen van bepaalde beroepsactiviteiten. In elk geval wordt de behoefte aan deze informatiegegevens in de aanvraag niet voldoende gemotiveerd. Dezelfde opmerking geldt voor het beroep van de betrokkenen (artikel 3, eerste lid, 7°) en de historiek van de informatiegegevens (artikel 3, tweede lid), waarvan de relevantie evenmin afdoende wordt aangetoond in de aanvraag. Met betrekking tot het beroep van de betrokkenen wenst de Commissie er overigens de aandacht op te vestigen dat dit gegeven niet systematisch wordt bijgewerkt zodat het in veel gevallen als niet pertinent en weinig betrouwbaar dient te worden beschouwd.

Artikel 2 van het aan de Commissie ter advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit benadrukt dat de uit het Rijksregister verkregen informatiegegevens slechts mogen worden gebruikt voor hogervermelde doeleinden en niet aan derden mogen worden meegedeeld.

Onder derden worden evenwel niet verstaan, enerzijds, de natuurlijke personen waarop de informatiegegevens betrekking hebben en hun wettelijke vertegenwoordigers en, anderzijds, de openbare overheden en de instellingen aangewezen bij artikel 5 van de wet van 8 augustus 1983, in het kader van de betrekkingen die zij voor hogervermelde doeleinden met het Bestuur voor het K.M.O.-beleid onderhouden.

Ingevolge artikel 4 van het ontwerp van koninklijk besluit mag het rijksregisternummer, voor interne beheersdoeleinden, uitsluitend worden gebruikt als identificatiemiddel in de dossiers, bestanden en repertoria die door het Bestuur voor het K.M.O.-beleid worden bijgehouden voor het vervullen van haar taken in verband met de ondernemingsvaardigheden, de machtigingen tot ambulante activiteiten, de beroepskaarten en de vergunningen voor beenhouwers-spekslagers. Bij extern gebruik mag het rijksregisternummer uitsluitend worden gebruikt in de voor het vervullen van deze taken noodzakelijke betrekkingen met, enerzijds, de houder van het rijksregisternummer of zijn wettelijke vertegenwoordiger en, anderzijds, de openbare overheden en instellingen die zelf reeds werden gemachtigd om het rijksregisternummer te gebruiken en handelen binnen de uitoefening van hun wettelijke en reglementaire bevoegdheden; het rijksregisternummer mag niet worden gereproduceerd op stukken die ter kennis van derden, andere dan de hiervoor vermelde, kunnen worden gebracht.

De huidige tekst van artikel 5 van het ontwerp van koninklijk besluit voorziet dat jaarlijks een lijst van de personeelsleden van het Bestuur voor het K.M.O.-beleid die toegang hebben tot het Rijksregister en het rijksregisternummer mogen gebruiken aan de Commissie wordt toegezonden.

De Commissie verkiest evenwel dat deze lijst van gemachtigden ter beschikking wordt gehouden, wat toelaat dat zij permanent geactualiseerd blijft.

De Commissie heeft geen verdere opmerkingen bij dit ontwerp.

Om deze redenen, brengt de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, onder voorbehoud van de hogervermelde opmerkingen, een gunstig advies uit.

ADVIES 35.387/2 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, tweede kamer, op 17 april 2003 door de Minister van Binnenlandse Zaken verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "waarbij het Bestuur voor het K.M.O.-beleid van de Federale Overheidsdienst Economie, Kleine en Middelgrote Ondernemingen, Middenstand en Energie, gemachtigd wordt toegang te hebben tot de informatiegegevens van het Rijksregister en het indentificatienummer ervan te gebruiken", heeft op 23 april 2003 het volgende advies gegeven Rekening houdend met het tijdstip waarop dit advies gegeven wordt, vestigt de Raad van State de aandacht van de regering op het feit dat de ontstentenis van de controle die het parlement krachtens de Grondwet moet kunnen uitoefenen, tot gevolg heeft dat de regering niet over de volheid van haar bevoegdheid beschikt. Dit advies wordt evenwel gegeven zonder dat wordt nagegaan of dit ontwerp in die beperkte bevoegdheid kan worden ingepast, aangezien de afdeling Wetgeving geen kennis heeft van het geheel van de feitelijke gegevens welke de regering in aanmerking kan nemen als zij te oordelen heeft of het vaststellen of wijzigen van een verordening noodzakelijk is.

Overeenkomstig artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoordineerde wetten op de Raad van State, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1996, moeten in de adviesaanvraag in het bijzonder de redenen worden aangegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan.

La lettre s'exprime en ces termes : « (l'urgence est motivée)... par le fait que le Service public fédéral Economie, Petites et Moyennes Entreprises, Classes moyennes et Energie souhaite accéder aux informations du Registre national dans le cadre de la politique de simplification administrative souhaitée par le gouvernement, plus particulièrement dans le cadre de la création de la Banque-Carrefour par la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions des Entreprises, cette Banque-Carrefour des Entreprises devant être opérationnelle et fiable le plus rapidement possible,... ».

De Raad van State, afdeling Wetgeving, beperkt zich overeenkomstig artikel 84, tweede lid, van de gecoordineerde wetten op de Raad van State tot het onderzoek van de rechtsgrond, van de bevoegdheid van de steller van de handeling, alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan.

Op die drie punten geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerking.

In het licht van het Verslag aan de Koning en van advies 06/2003 van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, geeft het ontworpen koninklijk besluit geen aanleiding tot opmerkingen, op voorwaarde dat het ter ondertekening aan de Koning wordt voorgelegd vóór de aanwijzing van de leden van het sectoraal comité van het Rijksregister, dat binnen de commissie is opgericht, overeenkomstig artikel 19, § 3, eerste lid, van de wet van 25 maart 2003 tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.

De kamer was samengesteld uit : De heren : Y. Kreins, kamervoorzitter;

P. Liénardy en Mevr. M. Baguet, staatsraden;

Mevr. B. Vigneron, griffier.

Het verslag werd uitgebracht door de heer J. Regnier, eerste auditeur-afdelingshoofd. De nota van het Coördinatiebureau werd opgesteld door de heer M. Joassart, adjunct-referendaris.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer P. Liénardy.

De griffier, B. Vigneron.

De voorzitter, Y Kreins.

10 JUNI 2003. - Koninklijk besluit waarbij het Bestuur voor het K.M.O.-beleid van de Federale Overheidsdienst Economie, Kleine en Middelgrote Ondernemingen, Middenstand en Energie, gemachtigd wordt toegang te hebben tot de informatiegegevens van het Rijksregister en het identificatienummer ervan te gebruiken ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, inzonderheid op artikel 5, eerste lid, gewijzigd bij de wet van 30 maart 1995, en artikel 8, gewijzigd bij de wet van 15 januari 1990;

Overwegende dat de wet van 19 februari 1965 betreffende de uitoefening van de zelfstandige beroepsactiviteiten der vreemdelingen, van toepassing is;

Overwegende dat de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, gewijzigd bij de wet van 11 december 1998 die op 1 september 2001 in werking is getreden, inzonderheid artikel 4, van toepassing is;

Overwegende dat de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten, van toepassing is;

Overwegende dat de programmawet van 10 februari 1998 tot bevordering van het zelfstandig ondernemerschap, van toepassing is;

Overwegende dat het ministerieel besluit van 11 februari 1948 betreffende de bijzondere voorwaarden voor het verlenen van vergunningen aan de kleinhandelaars in vleeswaren, aan de beenhouwers en aan de spekslagers, van toepassing is;

Gelet op het advies nr. 06/2003 van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, gegeven op 10 fébruari 2003;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 24 maart 2003;

Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door het feit dat de Federale Overheidsdienst Economie, Kleine en Middelgrote Ondernemingen, Middenstand en Energie toegang wenst te hebben tot de informatiegegevens van het Rijksregister in het kader van het beleid van administratieve vereenvoudiging van de regering, inzonderheid in het raam van de oprichting van de Kruispuntbank van Ondernemingen door de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, die zo snel mogelijk operationeel en betrouwbaar moet zijn;

Gelet op het besluit van de Ministerraad over het verzoek om advies door de Raad van State binnen een termijn van drie dagen;

Gelet op advies 35.387/2 van de Raad van State, gegeven op 23 april 2003, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Justitie en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Toegang tot de informatiegegevens

Artikel 1.Het Bestuur voor het K.M.O.-beleid van de Federale Overheidsdienst Economie, Kleine en Middelgrote Ondernemingen, Middenstand en Energie, hierna Bestuur voor het K.M.O.-beleid genoemd, wordt gemachtigd toegang te hebben tot de informatiegegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1° tot 6°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.

De toegang tot de informatiegegevens is uitsluitend toegestaan voor de uitvoering van de taken betreffende : 1° de ondernemersvaardigheden;2° de machtigingen tot ambulante activiteiten;3° de beroepskaarten;4° de vergunningen van beenhouwer-spekslager. De toegang tot de in het eerste lid bedoelde informatiegegevens is voorbehouden : 1° aan de Directeur-generaal van het Bestuur voor het K.M.O.-beleid; 2° aan de personeelsleden van hetzelfde bestuur die de in 1° bedoelde persoon daartoe bij name en schriftelijk aanwijst, wegens hun functie en binnen de grenzen van hun respectieve bevoegdheden.

Art. 2.De met toepassing van artikel 1, eerste lid, verkregen informatiegegevens mogen slechts worden gebruikt voor de in het tweede lid van dit artikel vermelde doeleinden. Zij mogen niet meegedeeld worden aan derden.

Worden niet als derden beschouwd voor de toepassing van het eerste lid : - de natuurlijke personen waarop die informatiegegevens betrekking hebben en hun wettelijke vertegenwoordigers; - de openbare overheden en instellingen aangewezen krachtens artikel 5 van de voormelde wet van 8 augustus 1983, in het kader van de betrekkingen die zij voor de in artikel 1, tweede lid vermelde doeleinden onderhouden met het Bestuur voor het K.M.O.-beleid en binnen de grenzen van de informatiegegevens die hen meegedeeld mogen worden krachtens hun aanwijzing. HOOFDSTUK II. - Gebruik van het identificatienummer

Art. 3.De overeenkomstig artikel 1, derde lid, aangewezen personeelsleden van het Bestuur voor het K.M.O.-beleid, worden gemachtigd het identificatienummer van het Rijksregister van de natuurlijke personen te gebruiken.

Art. 4.Voor interne beheersdoeleinden mag het identificatienummer uitsluitend gebruikt worden als identificatiemiddel in de dossiers, bestanden en repertoria die door het Bestuur voor het K.M.O.-beleid worden bijgehouden, voor het vervullen van de in artikel 1, tweede lid, opgesomde taken.

Bij extern gebruik mag het identificatienummer enkel gebruikt worden in de betrekkingen die voor het vervullen van de in artikel 1, tweede lid, opgesomde taken noodzakelijk zijn, met : 1° de houder van het identificatienummer en zijn wettelijke vertegenwoordiger;2° de openbare overheden en instellingen die zelf de in artikel 8 van de voormelde wet van 8 augustus 1983 bedoelde machtiging hebben verkregen en die optreden in het kader van hun wettelijke en reglementaire bevoegdheden. Dit nummer mag niet worden gereproduceerd op stukken die ter kennis van andere derden dan de in het vorige lid bedoelde personen mogen worden gebracht. HOOFDSTUK III. - Slotbepalingen

Art. 5.De lijst van de overeenkomstig artikel 1, derde lid, en 3, aangewezen personeelsleden van het Bestuur voor het K.M.O.-beleid, met vermelding van hun functie, wordt jaarlijks opgemaakt en ter beschikking gesteld van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

De betrokken personen ondertekenen een schriftelijke verklaring waarin zij zich ertoe verbinden de veiligheid en het vertrouwelijke karakter van de informatiegegevens waartoe zij toegang krijgen, te bewaren.

Art. 6.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Justitie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 10 juni 2003.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN

^