Koninklijk Besluit van 12 oktober 2010
gepubliceerd op 08 november 2010
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Koninklijk besluit houdende uitvoering van diverse bepalingen van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten

bron
federale overheidsdienst justitie en ministerie van landsverdediging
numac
2010009868
pub.
08/11/2010
prom.
12/10/2010
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

12 OKTOBER 2010. - Koninklijk besluit houdende uitvoering van diverse bepalingen van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten


VERSLAG AAN DE KONING Sire, De wet van 4 februari 2010 betreffende de methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten heeft de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten gewijzigd door een onderscheid te maken tussen de verschillende methoden voor het verzamelen van gegevens door de Veiligheid van de Staat en door de Algemene Dienst Inlichtingen en Veiligheid van de Krijgsmacht. Het betreft de gewone, specifieke en uitzonderlijke methoden.

De wet van 4 februari 2010 richt ook een commissie voor toezicht op die belast is met de voorafgaande controle van de uitzonderlijke methoden en met de controle tijdens het verloop van de specifieke en uitzonderlijke methoden. De controle a posteriori van de specifieke en uitzonderlijke methoden werd toegekend aan het Vast Comité I dat opgericht werd door de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse.

Deze wet, verschenen in het Belgisch Staatsblad op 10 maart 2010, is op 1 september 2010 in werking getreden.

Om de continuiteit van de dienst te verzekeren is het dan ook dringend dat de uitvoeringsmaatregelen van de verschillende artikelen zo snel mogelijk in werking treden.

Bij ontstentenis zal de wet van 4 februari 2010 niet ten volle in uitvoering kunnen worden gebracht.

Bepaalde methoden, zoals observaties en schaduwingen die, naast het verzamelen van louter administratieve gegevens, op heden deel uitmaken van de essentiële middelen voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, kunnen niet meer uitgevoerd worden in hangende zaken zonder voorafgaandelijke notificatie aan de commissie. Dit zal leiden tot een aanzienlijk verlies van operationele onderzoekscapaciteit van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, namelijk in het kader van terrorismebestrijding, met inbegrip van radicalisme.

De wet van 4 februari 2010 neemt dus in de wet van 30 november 1998 talloze artikelen op en vertrouwt aan de Koning de zorg toe om de nadere regels voor uitvoering van sommige artikelen te bepalen.

In het kader van dit besluit gaat het om de artikelen 13/1, § 1, 14, vierde lid, 18/3, § 2, 18/10, § 1, derde lid, § 4, eerste lid en § 6, vierde lid, 18/13, tweede lid, 18/17, § 7, 18/18, 43/3, 43/4 en 43/6.

In het kader van de uitoefening van zijn opdrachten kan een agent van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten zo, in afwijking van artikel 231 van het Strafwetboek, omwille van veiligheidsredenen verbonden aan de bescherming van zijn persoon en voor de behoeften eigen aan de uitoefening van de opdracht, een naam gebruiken die hem niet toebehoort, volgens de door de Koning te bepalen nadere regels : art. 13/1, § 1, van de wet van 30 november 1998;

Met inachtneming van de geldende wetgeving kunnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, overeenkomstig de door de Koning vastgelegde algemene nadere regels, toegang krijgen tot de gegevensbanken van de openbare sector die nuttig zijn voor de uitoefening van hun opdrachten : art. 14, vierde lid, van de wet van 30 november 1998;

De gegevens verkregen door middel van specifieke en uitzonderlijke methoden in omstandigheden die de vigerende wettelijke bepalingen niet naleven, worden onder controle van de commissie voor toezicht bewaard, overeenkomstig de door de Koning bepaalde nadere regels en termijnen, na advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer : art. 18/3, § 2 en 18/10, § 6, vierde lid, van dezelfde wet;

Wanneer het Vast Comité I tijdens zijn controle a posteriori vaststelt dat gegevens onwettig verzameld werden, beveelt het hun vernietiging, volgens de door de Koning bepaalde nadere regels, na advies van de Commissie voor bescherming van de persoonlijke levenssfeer en van het Vast Comité I : art. 43/6, § 1 van dezelfde wet;

Het diensthoofd van de betrokken dienst licht de commissie in over de uitvoering van de uitzonderlijke methode, overeenkomstig de door de Koning bepaalde nadere regels en termijnen : art. 18/10, § 1, derde lid, van dezelfde wet;

In geval van uiterste hoogdringendheid kan het diensthoofd, nadat hij het eensluidend advies van de voorzitter van de commissie heeft verkregen, de uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens schriftelijk machtigen voor ten hoogste achtenveertig uur. Deze machtiging vermeldt de redenen die de uiterste hoogdringendheid wettigen en wordt onmiddellijk ter kennis gebracht van alle leden van de commissie volgens de door de Koning te bepalen nadere regels : art. 18/10, § 4, eerste lid, van dezelfde wet;

In het kader van de uitzonderlijke methode die erin bestaat om rechtspersonen op te richten en in te zetten ter ondersteuning van de operationele activiteiten, kunnen agenten ingezet worden onder de dekmantel van een fictieve identiteit of hoedanigheid, conform de door de Koning bepaalde nadere regels : art. 18/13, tweede lid, van dezelfde wet;

Artikel 18/17 betreft de uitzonderlijke methode die erin bestaat om communicaties af te luisteren, er kennis van te nemen en ze te registreren. Deze bepaling voorziet onder andere dat de opnamen, alsook de eventuele overschrijving en de eventuele vertaling, vernietigd worden volgens de door de Koning te bepalen nadere regels : art. 18/17, § 7, van dezelfde wet;

De Koning legt de tarieven vast voor de medewerking van fysieke personen en rechtspersonen aan een uitzonderlijke methode, waarbij Hij rekening houdt met de werkelijke kostprijs van deze medewerking : art. 18/18 van dezelfde wet;

De lijsten van de specifieke methoden worden door de bevoegde overheid onverwijld ter kennis gebracht aan het Vast Comité I, overeenkomstig de door de Koning te bepalen modaliteiten : art. 43/3 van dezelfde wet;

Tenslotte handelt het Vast Comité I in het kader van zijn toezicht op de wettigheid, met name op verzoek van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, volgens de nadere regels door de Koning bepaald, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van dezelfde Commissie en van het Vast Comité I : art. 43/4 van dezelfde wet.

De bepalingen betreffende elektronische communicaties (art. 18/7, 18/8 en 18/17) en het secretariaat van de commissie (art. 43/1) worden uitgevoerd door twee andere, verschillende besluiten rekening houdende met het specifiek karakter van de behandelde materies.

Bij het opstellen van dit besluit werd rekening gehouden met de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen, gewijzigd bij wet van 3 mei 2005, met het koninklijk besluit van 24 maart 2000 tot uitvoering van deze wet en met de richtlijnen van het Ministerieel Comité voor inlichting en veiligheid ter uitvoering ervan.

Toelichting van de artikelen Hoofdstuk II. - Uitoefening van inlichtingen- en veiligheidsopdrachten Gebruik van een valse naam Artikel 2 Artikel 2 bepaalt de regels voor het gebruik van een valse naam. Het voorziet ook dat het diensthoofd, of de persoon die hij hiertoe aanstelt, lijsten bijhoudt met de valse namen die door de agenten van de diensten gebruikt worden. Er dient immers bepaald te kunnen worden met welke agent een valse naam overeenstemt. Zo kan zowel de bescherming van de operationele behoeften van de dienst als de traceerbaarheid van het gebruik van de valse naam in geval van een eventueel incident verzekerd worden. Daarom is ook voorzien dat een agent die een valse naam gebruikt, een logboek bijhoudt, waarin hij de data en de context van het gebruik van de valse naam schrijft en waarin hij ook de incidenten vermeldt die plaatsgevonden zouden hebben. Dit logboek maakt het voorwerp uit van een controle door het diensthoofd of de persoon die hiertoe aangesteld wordt, en kan een nuttig document zijn voor het Vast Comité I bij de uitvoering van zijn controle.

In tegenstelling tot hetgeen de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer stelt in haar samenvatting van artikel 2 van het ontwerp, is het evenwel niet het diensthoofd dat het logboek bijhoudt, maar de agent die de valse naam gebruikt. Deze opmerking geldt eveneens voor artikel 6 van dit besluit dat handelt over de valse identiteit en hoedanigheid.

Omwille van duidelijke redenen van vertrouwelijkheid worden de documenten betreffende de valse namen die door de agenten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten gebruikt worden, geclassificeerd overeenkomstig de wet van 11 december 1998.

Hoofdstuk III. - Gewone methoden voor het verzamelen van gegevens Toegang tot de gegevensbanken van de openbare sector Artikel 3 De inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen toegang hebben tot de gegevensbanken van de openbare diensten, met inachtneming van de geldende wetgeving die hierop van toepassing is. Binnen dit kader is het belangrijk dat de eisen van directe toegang (te weten de toegang online) tot de gegevensbanken identiek zijn, met name wat de controle van deze toegangen betreft. Wanneer deze gegevensbanken persoonsgegevens bevatten, is voorzien dat een nominatieve lijst van de personen die gemachtigd zijn om toegang te hebben tot de gegevensbank, ter beschikking van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt gehouden.

De principes vermeld in artikel 3, § 1, staan reeds in het koninklijk besluit van 10 augustus 2001 waarbij aan de Veiligheid van de Staat toegang wordt verleend tot het Rijksregister van de natuurlijke personen (Belgisch Staatsblad 7 september 2001) en in het koninklijk besluit van 28 februari 2002 betreffende de mededeling van informatie door gemeenten aan de Veiligheid van de Staat door toedoen van het Rijksregister van de natuurlijke personen. (Belgisch Staatsblad 29 maart 2002). Hetzelfde geldt in het koninklijk besluit van 8 juli 1999 waarbij de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht toegang wordt verleend tot het Rijksregister van de natuurlijke personen (Belgisch Staatsblad 7 augustus 1999).

Deze besluiten voorzien een registratie van de consulterende agenten gedurende een periode van 6 maanden.

Wanneer een rechtstreekse toegang niet mogelijk is, bijvoorbeeld omwille van wettelijke redenen, wordt de informatie ter plaatse aan de agent van de inlichtingen- en veiligheidsdienst gegeven, op vertoon van zijn legitimatiekaart.

De principes vermeld in artikel 3, § 2, zijn gebaseerd op het koninklijk besluit van 6 oktober 2000 betreffende de mededeling door de gemeenten aan de Veiligheid van de Staat van inlichtingen die zich bevinden in bevolkings- en vreemdelingenregisters (Belgisch Staatsblad 11 november 2000) evenals op het koninklijk besluit van 8 juli 1999 betreffende de mededeling door de gemeenten van informatie, opgenomen in de bevolkingsregisters en het vreemdelingregister, aan de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht (Belgisch Staatsblad 7 augustus 1999).

Ingevolge het advies 24/2010 van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt de identiteit van de consulterende agenten geregistreerd voor een periode van tien jaar - in de plaats van de aanvankelijk voorziene twaalf maanden - in een controlesysteem binnen de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst.

In dit verband constateert de Raad van State dat dit controlesysteem verschilt van dat van bijzondere koninklijke besluiten, bijvoorbeeld met betrekking tot het rijksregister. Het is dan ook aan te bevelen deze in het verleden aangenomen bijzondere koninklijke besluiten aan te passen ten aanzien van artikel 3 van dit besluit.

De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer beveelt eveneens aan dat, zoals voorzien is voor de directe toegang, de aanvragen en raadplegingen die gebeuren op vertoon van de legitimatiekaart van de agenten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, door de verantwoordelijke van de gegevensbank geregistreerd worden in een logboek.

Behalve dat deze procedure in deze hypothese buitensporig zwaar is, blijft er steeds een geschreven spoor van de door de agenten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten op basis van hun legitimatiekaart gevraagde raadplegingen, en worden zij geregistreerd in de gegevensbank van deze diensten in de mate waarin zij de onderzoeken voeden en bijgevolg noodzakelijkerwijze hun weerslag vinden in de daaruit voortvloeiende rapporten. De traceerbaarheid is dus gewaarborgd en de meerwaarde van deze aanbeveling is bijgevolg niet merkbaar gezien er de facto in praktijk reeds aan voldaan is.

Wat de toegang tot de gegevensbanken van de openbare sector in het algemeen betreft, doet de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer opmerken dat artikel 14, vierde lid, van de organieke wet stilzwijgend voorbij gaat aan het feit dat de toegang tot deze gegevensbanken ook op geheime wijze kan gebeuren. Als een dergelijke geheime raadpleging uitgevoerd zou zijn die, volgens de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, een degelijke motivering en het advies van de bestuurlijke commissie zou vereisen, is zij van mening dat het gepast zou zijn om de beheerder van de gegevensbank hiervan op de hoogte te brengen via een kennisgeving die tot enkele personen beperkt is om de geheime aard van het inlichtingenwerk niet in gevaar te brengen.

Deze opmerking doet vragen rijzen. In de eerste plaats dient eraan herinnerd te worden dat artikel 14 van de organieke wet zich op het niveau van de gewone methoden van de inlichtingendiensten situeert.

Zich op geheime wijze toegang verschaffen tot een gegevensbank zou neerkomen op indringen in een informaticasysteem, wat een uitzonderlijke methode vormt waarvoor het voorafgaand conform advies van de bestuurlijke commissie vereist is.

Aangezien het bovendien om de rechtstreekse toegang (d.w.z. online) tot een gegevensbank gaat, kunnen we niet spreken van een geheime raadpleging vermits de toegang door de beheerder van de gegevensbank toegestaan wordt. Het spreekt voor zich dat de leden van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, die met naam aangesteld zijn om toegang te hebben tot de gegevensbank, de beheerder hiervan niet bij iedere raadpleging op de hoogte moeten brengen. Het is net daarom dat de identiteit van de consulterende agenten geregistreerd wordt.

Als de toegang niet rechtstreeks is, wordt de vraag vanzelf opgelost, aangezien men noodzakelijk via een tussenpersoon moet handelen om de gewenste informatie te bekomen.

Bovendien is, in navolging van hetgeen nu voorzien is in het koninklijk besluit van 28 februari 2002 betreffende de mededeling van informatie door gemeenten aan de Veiligheid van de Staat door toedoen van het Rijksregister van de natuurlijke personen, in artikel 4 voorzien dat een raadsman voor de veiligheid van de gegevens aangesteld wordt in elke inlichtingen- en veiligheidsdienst, dat hij toeziet op de naleving van de wet bij iedere vraag om gegevens en dat hij alle nuttige maatregelen neemt teneinde de veiligheid van de geregistreerde informatie te verzekeren.

Deze regel die alleen maar voorzien was in het voornoemd koninklijk besluit van 28 februari 2002 voor de Veiligheid van de Staat, wordt nu als algemene regel ingesteld en is van toepassing op elke inlichtingen- en veiligheidsdienst.

Artikel 4 In bovenvermeld advies merkt de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer niettemin op dat een andere terminologie, namelijk « raadsman voor de veiligheid van de gegevens » gebruikt werd in vergelijking met de bestaande terminologie van artikel 17bis van de WVP (aangestelde voor de gegevensbescherming) of met artikel 10 van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister voor de natuurlijke personen (consulent inzake informatieveiligheid). Het risico hiervan is dat dit eventueel zou kunnen leiden tot een afwijkende interpretatie en de Commissie raadt dus aan om naar één van beiden te verwijzen.

Artikel 4 voorziet dus nu de aanstelling binnen iedere inlichtingen- en veiligheidsdienst van een « raadgever informatieveiligheid en bescherming van de persoonlijke levenssfeer, die onder andere de functie van aangestelde voor de gegevensbescherming uitvoert » in de plaats van een raadsman voor de veiligheid van de gegevens, wat aanvankelijk in deze tekst voorzien was.

Er wordt dus gekozen voor een terminologie die gebaseerd is op de bovenvermelde wet van 8 augustus 1983. De term « raadgever informatieveiligheid en bescherming van de persoonlijke levenssfeer » wordt gebruikt in de plaats van de term « consulent inzake de informatieveiligheid en bescherming van de persoonlijke levenssfeer » van artikel 10 van deze wet. Het woord « consulent » verwijst immers meer naar een expertise extern aan de dienst, terwijl enkel een lid van de dienst aangesteld zal kunnen worden om deze functie uit te oefenen wegens het geheim karakter van het werk van de inlichtingendiensten en het delicaat aspect van zijn gegevensbank.

Overeenkomstig de wens van de Commissie zal deze « raadgever informatieveiligheid » ook de functie van « aangestelde voor de gegevensbescherming », bedoeld in artikel 17bis van de WVP, op zich nemen.

Anderzijds benadrukt de Commissie het belang van de onafhankelijke positie van de « raadgever informatieveiligheid » en preciseert ze dat hij enkel aan het betrokken diensthoofd rekenschap moet afleggen en verslag uitbrengen.

Daarentegen is het niet duidelijk waarom hij zou moeten verslag uitbrengen bij de commissie terwijl deze enkel bevoegd is voor de specifieke en uitzonderlijke methoden. Zoals hierboven reeds in herinnering gebracht is de toegang tot gegevensbanken een gewone methode. Daarenboven kan de commissie, in voorkomend geval, de leden van de dienst horen, met inbegrip de « raadgever informatieveiligheid ». Hetzelfde geldt voor het Comité I op grond van de artikelen 43/5, §§ 2 en 4 van de wet van 30 november 1998.

De tekst van artikel 4, § 1, tweede lid, wordt aangepast aan het advies van de commissie dat bovendien preciseert dat deze raadgever op onafhankelijke wijze handelt in het kader van zijn functie : -het waarborgen van de naleving van de wet bij iedere vraag om gegevens; - het nemen van alle nuttige maatregelen teneinde de veiligheid van de geregistreerde informatie te verzekeren; - het verstrekken van geschikte adviezen aan het diensthoofd; - het uitvoeren van andere opdrachten die hem door het diensthoofd toevertrouwd zijn.

De opdrachten van de raadgever informatieveiligheid werden aangevuld teneinde ze beter te preciseren. Hierbij diende artikel 9 van de wet van 21 augustus 2008 houdende oprichting en organisatie van het eHealth-platform als basis.

Toch is de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van mening dat de raadgever informatieveiligheid een statutaire bescherming zou moeten genieten, zoals die van de leden van het controleorgaan van de politie-informatie (cfr. artikel 44/7, laatste lid, van de wet op het politieambt), teneinde zijn functie in alle onafhankelijkheid te kunnen vervullen.

Er dient echter vastgesteld te worden dat artikel 14, vierde lid, van de organieke wet geen bevoegdheid voor de Koning omvat om het statuut van de raadgever informatieveiligheid te regelen, maar enkel om de algemene bepalingen inzake toegang tot de gegevensbanken van de openbare sector die nuttig zijn voor de uitoefening van hun opdrachten, door de effectieve aanwezigheid van een dergelijke raadsman binnen de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, te regelen.

Merk overigens op dat het statuut van de personen die een gelijkaardige opdracht moeten uitoefenen krachtens andere wetgevingen, over het algemeen nog niet geregeld is, te beginnen met artikel 17bis van de wet van 8 december 1992 dat als wettelijke referentiebasis had kunnen fungeren.

Paragraaf 2 voorziet dat voor de Veiligheid van de Staat de thans aangestelde raadsman voor de veiligheid van de gegevens de functie van raadgever informatieveiligheid en bescherming van de persoonlijke levenssfeer vervult, die onder andere de functie van aangestelde voor de gegevensbescherming, bedoeld in artikel 4, uitoefent.

De huidige raadsman voor de veiligheid van de gegevens werd door de minister van Justitie aangesteld overeenkomstig artikel 6 van het koninklijk besluit van 28 februari 2002 betreffende de mededeling van informatie door gemeenten aan de Veiligheid van de Staat door toedoen van het Rijksregister van natuurlijke personen. Zo wordt beantwoord aan het advies nr. 5/2000 van 13 maart 2000 van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en aan het advies van de Raad van State dat over dit besluit gegeven werd.

Zijn missie zal dus uitgebreid worden tot de gegevensbanken van de publieke sector waartoe de inlichtingen- en veiligheidsdiensten toegang zullen hebben in toepassing van artikel 14, vierde lid, van de wet van 30 november 1998.

Artikel 5 Artikel 5 voorziet dat de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kosteloos toegang hebben tot de gegevensbanken van de openbare sector.

Deze vrijstelling wordt gerechtvaardigd door het feit dat de inlichtingendiensten overheidsdiensten zijn die de opdracht hebben om de fundamentele belangen van de Staat te beschermen. Het zou dus niet logisch zijn dat de Staat de Staat zou betalen voor diensten die door de Staat geleverd worden met het oog op de bescherming ervan.

Hoofdstuk IV. - Specifieke methoden en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens Afdeling 1. - Fictieve identiteiten en hoedanigheden

Artikel 6 Hoewel het gebruik van een valse naam een gewone methode is, is het gebruik van een valse identiteit of hoedanigheid verbonden met de oprichting of het gebruik van rechtspersonen, een uitzonderlijke methode, zoals beschreven in artikel 18/13 van de wet van 30 november 1998, ingevoegd door de wet van 4 februari 2010. De fictieve identiteit of hoedanigheid dekt de agent van de inlichtingendienst belast met het op gerichte wijze verzamelen van gegevens omtrent gebeurtenissen, voorwerpen, groeperingen en natuurlijke personen of rechtspersonen die een belang vertonen voor de uitoefening van de opdrachten. Laten we preciseren dat de uitzonderlijke methoden enkel aangewend kunnen worden in het kader van bedreigingen, zoals bedoeld in artikel 18/9, § 1, nieuw, van de wet van 30 november 1998.

De rechtspersoon opgericht ter ondersteuning van operationele activiteiten kan een langere levensduur hebben dan de duur van de beroepsactiviteit van de agent onder dekmantel. Het is dus belangrijk dat het diensthoofd registers bijhoudt van de fictieve identiteiten/hoedanigheden om te vermijden dat bijvoorbeeld een door een agent gebruikte identiteit opnieuw gebruikt wordt door een ander agent binnen dezelfde rechtspersoon.

De agent die een fictieve identiteit en/of hoedanigheid gebruikt, houdt ook een logboek bij, waarin hij de data en de context van het gebruik vermeldt. Het gebruik van de fictieve identiteit kan bijvoorbeeld juridische gevolgen hebben die eventueel getraceerd moeten kunnen worden. Bijvoorbeeld : bankverrichtingen uitgevoerd met een fictieve identiteit, alsook de ondertekening van een overeenkomst...

De agent vermeldt in zijn logboek ook de incidenten die zich voordoen.

De inlichtingenofficier die aangesteld wordt om deze uitzonderlijke methode uit te voeren, moet het diensthoofd hiervan regelmatig op de hoogte brengen. Deze informatie zal opgenomen worden in het rapport dat het diensthoofd iedere twee maanden aan de commissie voor toezicht moet bezorgen over het verloop van de uitzonderlijke methode, overeenkomstig artikel 18/13, vierde lid, nieuw, van de wet van 30 november 1998.

Dit logboek maakt het voorwerp uit van een controle : - door het diensthoofd dat regelmatig op de hoogte gebracht wordt door de inlichtingenofficier die aangesteld is voor de aanwending van deze uitzonderlijke methode; - door de commissie via een tweemaandelijks verslag over de evolutie van de methode, haar geadresseerd door de betrokken inlichtingen - en veiligheidsdienst ingevolge voornoemd artikel 18/13, vierde lid en waarin desbetreffende informatie geïntegreerd is.

Op vraag van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt dit logboek gedurende tien jaar bewaard, nadat de fictieve identiteit of hoedanigheid niet meer actief is. Afdeling 2. - Nadere regels voor de vernietiging van de opnamen en van

de eventuele overschrijvingen en vertalingen van de communicaties Artikel 7 Artikel 18/17, § 7, en § 4, tweede lid, nieuw, van de wet van 30 november 1998 voorziet dat de vernietiging van opnamen, eventuele overschrijvingen en vertalingen van de communicaties gebeurt onder toezicht van de commissie en van het diensthoofd of, naargelang het geval, in zijn naam, van de directeur van de operaties of van de persoon die hij hiertoe aangesteld heeft, voor de Veiligheid van de Staat, of door de officier of de burgerambtenaar die minstens de graad van commissaris heeft voor de Algemene Dienst Inlichtingen en Veiligheid, of hun afgevaardigde. De Koning dient de nadere regels voor vernietiging te bepalen. De vermelding van de vernietiging gebeurt in een speciaal register, zoals bedoeld in artikel 18/17, § 6, nieuw, van de wet van 30 november 1998.

De opnamen, de eventuele overschrijvingen of vertalingen van de communicaties kunnen vastgelegd worden op verschillende dragers, papier, geluidsbanden, CD's, DVD's, PC, USB-sticks of andere technische middelen. Rekening houdende met de technologische evolutie is het ook onmogelijk om de technische instrumenten voor vernietiging te definiëren. Wat van belang is, is dat de vernietiging iedere volgende exploitatie van de gegevens onmogelijk maakt. Ook het meest geschikte instrument om de opnamen, de eventuele overschrijvingen of vertalingen van de communicaties te vernietigen, moet beantwoorden aan de meest efficiënte technische voorwaarden die onophoudelijk evolueren. Het is op het ogenblik van de vernietiging dat de meest geschikte werkwijze gekozen zal moeten worden. De commissie zal hierop toezien door middel van controle. Afdeling 3. - De vergoeding voor de medewerking van natuurlijke

personen en rechtspersonen Artikel 8 De tarieven voor de medewerking van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon worden bij voorkeur bepaald op basis van de bestaande reglementaire bepalingen inzake de gerechtskosten in strafzaken.

Deze tarieven betreffen niettemin handelingen in het kader van gerechtelijke procedures die niet noodzakelijk overeenstemmen met prestaties die specifieke en uitzonderlijke methoden zouden vereisen.

Daarom is ook een specifieke tariefformule voorzien, die enerzijds, voor de prestaties van de natuurlijke personen, gebaseerd is op de facturatie of een onkostennota die rekening houdt met de werkelijke kost veroorzaakt door de geleverde prestatie en anderzijds op de eventuele meerkost die veroorzaakt wordt door de medewerking van de rechtspersoon, in verhouding tot zijn normale werking. In deze laatste veronderstelling kan de rechtspersoon van mening zijn dat zijn medewerking geen enkele bijkomende kost met zich meebrengt in verhouding tot zijn normale werking. Dit is niet het geval als het gaat om een ongewone vraag die bijkomend werk en dus een meerkost met zich meebrengt.

Wanneer de specifieke tariefformule van toepassing is, richt de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de prestatie uitgevoerd heeft, het gerechtvaardigd detail van de uitgevoerde prestatie of de meerkost, in functie van de aard van de tussenkomst, aan het diensthoofd van de betrokken dienst.

Het spreekt voor zich dat deze gerechtvaardigde kosten het voorwerp uitmaken van de gebruikelijke budgettaire controle overeenkomstig de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit.

Hoofdstuk V. - Het toezicht op de specifieke en uitzonderlijke methoden Afdeling 1. - Nadere regels en termijnen voor de kennisgeving aan de

commissie Artikelen 9 en 10 Artikel 18/10, § 1, derde lid, nieuw, van de wet van 30 november 1998 voorziet dat het diensthoofd de commissie regelmatig op de hoogte brengt van het verloop van de uitzonderlijke methode. Onder voorbehoud van de termijn voorzien in artikel 18/13, nieuw, van de wet van 30 november 1998 brengt het diensthoofd de commissie om de twee weken en wanneer de methode beëindigd is, op de hoogte.

Hetzelfde geldt wanneer de leden van de commissie op de hoogte moeten worden gebracht van de machtiging gegeven door het diensthoofd in geval van uiterste hoogdringendheid en met de voorafgaande akkoordbevinding van de voorzitter van de commissie.

De snelste informatiemiddelen zijn voorzien : ofwel de beveiligde elektronische weg, ofwel, indien dit onmogelijk is, per drager overgemaakte informatie. Afdeling 2. - Nadere regels voor de kennisgeving zoals bedoeld in

artikel 43/3 van de wet van 30 november 1998 Artikel 11 Artikel 43/3, nieuw, van de wet van 30 november 1998 voorziet dat de maandelijkse lijsten van de specifieke maatregelen die uitgevoerd werden, onverwijld ter kennis worden gebracht van het Vast Comité I door de bevoegde overheid, net zoals het geheel aan beslissingen, adviezen en machtigingen betreffende de specifieke en uitzonderlijke methoden. De Koning staat in voor het bepalen van de nadere regels.

Voor de toepassing van artikel 43/3, eerste lid van de wet, voorziet artikel 11 dat de maandelijkse lijsten zoals bedoeld in artikel 18/3, § 2, van de wet vanaf hun ontvangst door de commissie, zullen overgemaakt worden aan het Vast Comité I. De verschillende beslissingen, adviezen en machtigingen, zoals bedoeld in artikel 43/3, tweede lid, van de wet, zullen onverwijld en integraal door de commissie meegedeeld worden aan het Vast Comité I. De gegevens met betrekking tot deze beslissingen, adviezen en machtigingen zullen het voorwerp uitmaken van een gestructureerde mededeling die betrekking heeft op : - de identiteit van de overheid die de beslissing genomen heeft, het advies of de machtiging gegeven heeft; - de datum van de beslissing, het advies of de machtiging; - de aard van de specifieke of uitzonderlijke methode; - de aard van de dreiging en de aard van het te vrijwaren belang; - de graad en ernst van de dreiging; - de evaluatie van de proportionaliteit en de subsidiariteit; - de natuurlijke of rechtsperso(o)n(en), verenigingen of groeperingen, voorwerpen, plaatsen, gebeurtenissen of informatie die het voorwerp uitmaken van de methode; - de hoedanigheid van advocaat, arts of journalist van de perso(o)n(en) die het voorwerp uitmaken van de methode; - het feit dat lokalen aangewend worden voor beroepsdoeleinden of als woonplaats door een advocaat, een arts of een journalist; - het gebruikte technische middel; - de periode tijdens dewelke de methode uitgevoerd wordt; - het feit dat het om een verlenging gaat.

De kennisgevingen gebeuren onder gedigitaliseerde vorm. Behoudens volstrekte onmogelijkheid of ingevolge het uitdrukkelijk verzoek van het Vast Comité I, kan de kennisgeving op een andere, door het Vast Comité I te bepalen wijze, gebeuren. Zij maken het voorwerp uit van een ontvangstbevestiging. Afdeling 3. - Nadere regels en termijnen voor de bewaring van gegevens

die ontwettig verzameld zijn door een specifieke of uitzonderlijke methode Artikel 12 Krachtens de artikelen 18/3, § 2, tweede lid en 18/10, § 6, nieuwe, van de wet van 30 november 1998 mag de commissie op ieder ogenblik de wettigheid van een specifieke of uitzonderlijke methode controleren.

Wanneer zij van mening is dat gegevens verzameld zijn in omstandigheden die de geldende wettelijke bepalingen niet respecteren, verbiedt zij de diensten om de verzamelde gegevens te exploiteren.

Deze gegevens worden onder toezicht van de commissie bewaard.

Artikel 12 voorziet dat deze gegevens onverwijld in een verzegelde omslag bewaard worden op een beveiligde plaats die door de commissie bepaald wordt in overleg met het betrokken diensthoofd om te vermijden dat ze nog geëxploiteerd worden. De geïnformatiseerde gegevens worden, totdat het Vast Comité I zich uitgesproken heeft over de wettelijkheid ervan, onleesbaar gemaakt met behulp van de meest geschikte technische methoden op het ogenblik van de operatie, zodat deze gegevens onmogelijk nog geëxploiteerd kunnen worden door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Overeenkomstig het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer wordt gepreciseerd dat de geïnformatiseerde gegevens tijdelijk ontoegankelijk worden gemaakt in afwachting van de definitieve beslissing van het Vast Comité I en naar het voorbeeld van wat voorzien is voor de « papieren » gegevens, met uitzondering voor de raadgever inzake informatieveiligheid en bescherming van de persoonlijke levenssfeer die, minstens, toegang moet kunnen nemen, weze het om de gegevens terug toegankelijk te maken in geval van een beslissing in die zin van het Vast Comité I. Afdeling 4. - Nadere regels voor de vernietiging van gegevens die

ontwettig verzameld zijn door een specifieke of uitzonderlijke methode Artikel 13 Het Vast Comité I beslist om gegevens die door een onwettige uitzonderlijke of specifieke methode verzameld zijn, te vernietigen.

Dit Comité deelt zijn beslissing o.a. aan het betrokken diensthoofd mee. Er zal zo snel mogelijk, en ten laatste een maand na deze mededeling, overgegaan worden tot de vernietiging van de gegevens. De vernietiging wordt uitgevoerd met behulp van de meest geschikte technische methoden, onder de controle van een lid van de bestuurlijke commissie voor toezicht en het betrokken diensthoofd of de persoon die hij hiertoe aanstelt. Deze personen en een veiligheidsofficier van de betrokken dienst medeondertekenen het rapport dat opgesteld is door de persoon die de vernietiging uitvoert. Het Vast Comité I wordt op de hoogte gebracht van deze vernietiging.

Hoofdstuk VI. - Adiëring van het Vast Comité I door de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer op grond van artikel 43/4 van de wet van 30 november 1998 Artikel 14 Het Vast Comité I handelt namelijk op vraag van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De Koning dient de nadere regels te bepalen voor de vatting van dit Comité.

Zo kan deze commissie als ze, in het kader van een controle die door de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer uitgevoerd wordt ingevolge een vraag van onrechtstreekse toegang, een redelijke achterdocht heeft dat persoonlijke gegevens verzameld werden door een specifieke of uitzonderlijke methode ondanks de regels vervat in de wet van 30 november 1998, een gemotiveerde vraag aan het Vast Comité I richten.

De vraag omvat volgende elementen : - de betrokken dienst; - de duiding van de beoogde gegevens; - de elementen die voor de achterdocht gezorgd hebben dat de gegevens verzameld werden door een specifieke of uitzonderlijke methode ondanks de regels van de wet van 30 november 1998.

Zij wordt via een aangetekende zending of op een andere wijze waarover een onderling akkoord bestaat, overgemaakt met naleving van de regels van overdracht van geclassificeerde informatie.

Hoofdstuk VII. - Eindbepalingen Artikel 15 Overeenkomstig het advies van de Raad van State, wordt een artikel 15 tot uitvoering ingevoegd.

Artikel 16 Artikel 16 voorziet dat het koninklijk besluit in werking zal treden op de dag van de publicatie in het Belgisch Staatsblad. Het is immers van belang dat de wet, die reeds van kracht is, zo snel mogelijk werkzaam wordt.

Wij hebben de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars, De Minister van Justitie, S. DECLERCK De Minister van Landsverdediging, P. DE CREM

ADVIES NR. 24/2010 VAN 30 JUNI 2010 Betreft : Voorontwerp van koninklijk besluit houdende uitvoering van diverse bepalingen van de Wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;

Gelet op de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens (hierna WVP), inzonderheid artikel 29;

Gelet op het verzoek om advies van de heer Stefaan De Clerck, Minister van Justitie, ontvangen op 31 mei 2010;

Gelet op het verslag van de heer Frank Schuermans;

Brengt op 30 juni 2010 het volgend advies uit : A. Inleiding 1. De Minister van Justitie heeft op 31 mei 2010 aan de Commissie een advies gevraagd betreffende een ontwerp van koninklijk besluit houdende uitvoering van diverse bepalingen van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.2. Gelet op de aanneming van de wet van 4 februari 2010 betreffende de methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, werden aan de Koning verschillende bevoegdheden overgelaten teneinde uitvoeringsmaatregelen te nemen voor de nieuwe, gewijzigde bepalingen van de organieke Wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. B. Analyse van het ontwerp van koninklijk besluit 3. In de aanhef zou het opportuun zijn het volgende te formuleren : « Gelet op het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, gegeven op 30 juni 2010 ».Inderdaad, het onderzoek van de Commissie bleef niet uitsluitend beperkt tot de artikelen 12, 13 en 14 maar had betrekking op het volledige ontwerp van koninklijk besluit.

Gebruik van een valse naam (artikel 13/1 van de wet van 30 november 1998, artikel 2 van het ontwerp van koninklijk besluit). 4. Het diensthoofd van de inlichtingen- en veiligheidsdienst houdt een specifiek logboek bij met daarin : - de lijst met gebruikte valse namen en het verband met de agent die deze gebruikt; - de data, de context en, desgevallend, de incidenten die plaatsgevonden hebben bij het gebruik van de valse naam.

Toegang tot de gegevensbanken van de openbare sector (artikel 14, 4e lid van de wet van 30 november 1998, artikel 3, van het ontwerp van koninklijk besluit) 5. Indien de inlichtingen- en veiligheidsdienst rechtstreeks toegang heeft tot de databank : - wordt een nominatieve lijst bijgehouden met de personen die gemachtigd zijn om toegang te hebben en wordt deze lijst permanent ter beschikking gehouden van de Commissie; - wordt een logbestand (m.a.w. een logging van de toegangen tot de databank) gegenereerd bij iedere raadpleging. Dit wordt gedurende minimum 12 maanden bewaard. 6. Artikel 14, 4e lid van de organieke wet laat in het midden of de toegang tot de gegevensbanken van de openbare sector ook heimelijk kunnen geschieden.Derhalve stelt zich de vraag of het niet opportuun is in principe de beheerder van de gegevensbank op de hoogte te stellen van de raadpleging telkens dergelijke raadpleging door de inlichtingendiensten gebeurt teneinde het transparantiebeginsel te eerbiedigen. Een notificatie in die zin lijkt immers noodzakelijk.

Slechts met een gedegen motivering zou hiervan dan kunnen afgeweken worden, desgevallend na advies van de bestuurlijke commissie, nu een heimelijke raadpleging van andermans databank niet voor de hand liggend lijkt. Uiteraard dienen de nodige maatregelen te worden genomen opdat dergelijke notificatie het heimelijk karakter van het inlichtingenwerk niet in het gedrang zou brengen wat bijvoorbeeld zou kunnen door slechts één of enkele personen te verwittigen en andere technische maatregelen. Deze opmerking klemt des te meer nu, in het geval er geen rechtstreekse toegang voorzien is, de agent van de inlichtingendienst zijn legitimatiekaart dient voor te leggen aan de beheerder van de databank (cf. punt 7).

De voorziene termijn van 12 maanden lijkt wel een minimum. De commissie beveelt aan loggegevens gedurende 10 jaar bij te houden, a fortiori wanneer het om heimelijke consultaties van andere databestanden gaat.

Deze termijn van 10 jaar is gelijkaardig aan wat gebruikelijk is in de sociale sector en opgelegd wordt door de afdeling sociale zekerheid van het Sectoraal Comité van de Sociale Zekerheid en van de Gezondheid. Investeringsgewijs betekent dit slechts een kleine meerinspanning en deze termijn laat met veel meer zekerheid toe misbruiken nog op een nuttige manier te kunnen achterhalen tijdens een latere controle of inspectie. 7. Indien de inlichtingen- en veiligheidsdienst geen rechtstreekse toegang heeft tot de databank worden de gegevens onmiddellijk aan de agent van de inlichtingen- en veiligheidsdienst meegedeeld op vertoon van zijn legitimatiekaart. De Commissie beveelt aan dat naar analogie van wat voorzien is voor de rechtstreekse toegang, een logbestand met de aanvragen zou bijgehouden worden door de beheerder van de databank en dat een schriftelijk spoor van deze raadpleging eveneens zou bewaard worden op het niveau van de inlichtingen- en veiligheidsdienst. Inderdaad, ook deze raadplegingen moeten evengoed gelogd worden. 8. Een veiligheidsconsulent wordt aangeduid in de schoot van elke inlichtingen- en veiligheidsdienst : hij is belast met de naleving van de wet bij iedere aanvraag van gegevens en voor het nemen van alle nuttige maatregelen teneinde de veiligheid van de geregistreerde informatie te verzekeren (artikel 4 van het ontwerp van koninklijk besluit). De Commissie benadrukt ook het belang van de onafhankelijke positie die de aangestelde voor de gegevensbescherming of veiligheidsconsulent dient te hebben in de organisatie. Hij dient enkel verantwoording af te leggen en rapporteert aan het hoofd van de inlichtingen - of veiligheidsdienst (met name de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat of de Chef van de Algemene Dienst Inlichtingen en Veiligheid). Hij moet ook de mogelijkheid hebben, zonder vrees op sancties of andere negatieve gevolgen, van rechtstreeks te rapporteren aan de bestuurlijke commissie en de bestuurlijke commissie of het Comité I moet in de mogelijkheid zijn betrokkene rechtstreeks te bevragen. Belangrijk is tot slot dat betrokkene een zekere statutaire bescherming geniet zoals dat bijvoorbeeld het geval is voor de leden van het Controleorgaan voor de politionele informatie (cf. art. 44/7, laatste lid van de Wet van 5 augustus 1992 op het Politieambt) zodat hij of zij in volle onafhankelijkheid zijn functie kan vervullen.

De Commissie merkt op dat een verschillende terminologie wordt gebruikt (zowel in het Frans als in het Nederlands) zodat het risico ontstaat op een uiteenlopende interpretatie : het ontwerp van koninklijk besluit voert een « raadsman voor de veiligheid van de gegevens » in (in het Frans : « conseiller à la sécurité des données »). De Commissie beveelt veeleer aan de formulering van artikel 4 van het ontwerp van Koninklijk besluit aan te passen aan de bestaande terminologie : hetzij door zich te baseren op artikel 17bis van de WVP (aangestelde voor de gegevensbescherming - préposé à la protection des données); hetzij door zich te baseren op artikel 10 van de Wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen (consulent voor de informatieveiligheid - consultant en sécurité de l'information). 9. Welke ook de benaming weze die uiteindelijk door de auteurs van het ontwerp van Koninklijk besluit zal weerhouden worden, zal deze « raadsman voor de veiligheid » de facto eveneens de functie uitoefenen van « aangestelde voor de gegevensbescherming » (in het Frans : préposé à la protection des données) in de zin van artikel 17bis van de WVP. Identiteit en fictieve hoedanigheid (artikel 18/13 van de wet van 30 november 1998, artikel 6 van het ontwerp van koninklijk besluit) 10. Het diensthoofd van de inlichtingen- en veiligheidsdienst houdt een specifiek logboek bij met daarin : - de lijst met gebruikte fictieve identiteiten en hoedanigheden en het verband met de agent die deze gebruikt; - de data, de context en, desgevallend, de incidenten die plaatsgevonden hebben bij het gebruik van deze fictieve identiteiten en hoedanigheden.

De Commissie zou eveneens graag zien dat het logboek minstens 10 jaar bewaard wordt nadat de FIK niet meer actief is (cf. randnr. 6).

Vernietiging van opnamen van communicaties (artikel 18/17 van de wet van 30 november 1998, artikel 7 van het ontwerp van koninklijk besluit) 11. De vernietiging zal gebeuren met behulp van de meest geschikte technische methodes, rekening houdend met de evolutie van de technologie ter zake, zodat ze onmogelijk nog geëxploiteerd kunnen worden. Vergoeding voor de medewerking met de inlichtingendiensten (artikel 18/18 van de wet van 30 november 1998, artikel 8 van het ontwerp van koninklijk besluit) 12. Deze bepalingen geven geen aanleiding tot opmerkingen. Toezicht op de uitzonderlijke en specifieke methoden (artikelen 43/1 en 18/10 van de wet van 30 november 1998, artikel 9 van het ontwerp van koninklijk besluit) 13. Een onafhankelijke administratieve ad hoc commissie wordt door de wet belast met het toezicht op de uitzonderlijke en specifieke methoden voor inzameling van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (artikel 43/1).14. Deze commissie wordt regelmatig (via beveiligde elektronische weg) geïnformeerd over het verloop van de uitzonderlijke methoden (artikel 9 1ste lid van het ontwerp van koninklijk besluit).Bovendien moet iedere uitwisseling van beslissingen of machtigingen - en in het algemeen van elk document - tussen deze commissie en de inlichtingen- en veiligheidsdienst gebeuren volgens de regels en richtlijnen betreffende de overdracht van geclassificeerde informatie krachtens de wet van 11 december 1998 (artikel 11, 6de lid van het ontwerp van koninklijk besluit). 15. De gegevens die verzameld worden in omstandigheden die de geldende wettelijke bepalingen niet respecteren, worden onverwijld, met het oog op hun bewaring, in een verzegelde omslag geplaatst op een beveiligde plaats die door de commissie bepaald wordt (bedoeld in artikel 43/3). In afwachting van de beslissing van het Comité I (overeenkomstig artikel 43/6, § 1, van de wet van 30 november 1998), worden de gegevens in elektronische vorm onleesbaar gemaakt zodat zij niet langer geëxploiteerd kunnen worden (artikel 12 van het ontwerp van koninklijk besluit) 16. De vernietiging van deze onwettig verkregen gegevens gebeurt onder toezicht van de commissie (bedoeld in artikel 43/3) en met behulp van de meest geschikte technische methodes, rekening houdend met de evolutie van de technologie ter zake, zodat ze onmogelijk nog geëxploiteerd kunnen worden.Een vernietigingsrapport wordt hiertoe opgesteld (artikel 13 van het ontwerp van koninklijk besluit). 17. De Commissie beveelt aan artikel 12 van het ontwerp van koninklijk besluit beter te formuleren : de « papieren » gegevens worden op een beveiligde wijze bewaard zonder mogelijkheid op toegang.Hetzelfde zou moeten gelden voor de elektronische gegevens.

Er moet ook worden voorzien dat deze gegevens ontcijferd kunnen worden (opnieuw leesbaar gemaakt) indien het Comité I een gunstige beslissing neemt met betrekking tot de gebruikte methode.

Bevoegdheid van het Comité I en de CBPL (artikel 14 van het ontwerp van koninklijk besluit). 18. In het raam van het onderzoek van dossiers op basis van artikel 13 van de WVP (onrechtstreekse toegang tot gegevensverwerkingen uitgevoerd door de politiediensten of door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten), kan de Commissie zich tot het Comité I richten volgens de volgende procedure : - een gemotiveerde aanvraag (en ingediend volgens de regels betreffende de overdracht van geclassificeerde informatie); - ondersteund door een redelijk vermoeden; - dat de persoonsgegevens verkregen werden via een uitzonderlijke of specifieke methode; - en met miskenning van de wet van 30 november 1998. 19. De Commissie zal dus in het raam van het onderzoek van dossiers op basis van artikel 13 van de WVP de noodzakelijke controles kunnen verrichten met kennis van zaken.20. De Commissie merkt op dat de toegang tot a priori wettelijk verkregen gegevens steeds mogelijk blijft, zonder bijzondere procedure, via een vraag aan de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst (artikel 32 van de WVP). Om deze redenen, Gelet op de opmerkingen die werden geformuleerd in onderhavig advies, verstrekt de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer een gunstig advies over het ontwerp van koninklijk besluit, mits rekening wordt gehouden met haar opmerkingen in de punten 3, 6, 7, 8 en 17.

Voor de Administrateur m.v., (get.) Patrick Van Wouwe De Voorzitter, (get.) Willem Debeuckelaere

12 OKTOBER 2010. - Koninklijk besluit houdende uitvoering van diverse bepalingen van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, de artikelen 13/1, § 1, 14, vierde lid, 18/3, § 2, vierde lid, 18/10, § 1, derde lid, § 4, eerste lid en § 6, vierde lid, 18/13, tweede lid, 18/17, § 7, 18/18, 43/3, 43/4, eerste lid en 43/6, § 1, eerste lid, ingevoegd bij de wet van 4 februari 2010 betreffende de methoden voor het verzamelen van gegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën geaccrediteerd bij de minister van Justitie, gegeven op 17 mei 2010 en 4 augustus 2010;

Gelet op het advies van het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, op de artikelen 13 en 14, gegeven op 21 mei 2010;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën geaccrediteerd bij de minister van Landsverdediging, gegeven op 25 mei 2010;

Gelet op de akkoordbevinding van de Staatssecretaris voor Begroting, gegeven op 4 juni 2010;

Gelet op advies nr. 24/2010 van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, gegeven op 30 juni 2010;

Gelet op advies nr. 48.659/2/V van de Raad van State, gegeven op 1 september 2010 met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

Op de voordracht van de Minister van Justitie en de Minister van Landsverdediging en op het advies van de in Raad vergaderde ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Definities

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° « wet van 30 november 1998 » : de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten;2° « wet van 11 december 1998 » : de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen;3° « wet van 8 december 1992 » : de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens. HOOFDSTUK II. - Uitoefening van inlichtingen- en veiligheidsopdrachten - Gebruik van een valse naam

Art. 2.Voor de toepassing van artikel 13/1, § 1, van de wet van 30 november 1998 houdt het hoofd van de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst of de persoon die hij hiertoe aanstelt, lijsten bij met de valse namen die het verband vermelden met de agent die deze gebruikt.

De agent bedoeld in het eerste lid, vermeldt in een logboek dat hiertoe bijgehouden wordt, het gebruik van de valse naam, de data, de context en, desgevallend, de incidenten die plaatsgevonden hebben. HOOFDSTUK III. - Gewone methoden voor het verzamelen van gegevens - Toegang tot de gegevensbanken van de openbare sector

Art. 3.§ 1. Voor de toepassing van artikel 14, vierde lid, van de wet van 30 november 1998, wanneer de inlichtingen- en veiligheidsdiensten kunnen beschikken over rechtstreekse toegang tot een gegevensbank van de openbare sector die persoonsgegevens bevat, houdt het betrokken diensthoofd permanent de nominatieve lijst van de personen die gemachtigd zijn om toegang te hebben tot de gegevensbank ter beschikking van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, met vermelding van hun titel en hun functie.

Bij iedere aanvraag tot raadpleging van een gegevensbank wordt de identiteit van de aanvrager opgetekend in een controlesysteem binnen de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst. Deze informatie wordt tien jaar bewaard. § 2. Wanneer de rechtstreekse toegang tot de gegevensbanken die persoonsgegevens bevatten onmogelijk is, wordt de informatie onmiddellijk aan de agent van de inlichtingen- en veiligheidsdienst meegedeeld, op vertoon van zijn legitimatiekaart.

De informatie wordt in een begrijpelijke vorm meegedeeld en geeft op exacte wijze alle gegevens met betrekking tot de betrokken persoon weer.

De aanvraag die ingediend wordt door een persoon die niet aan de in het eerste lid vereiste formaliteiten voldoet, wordt niet in overweging genomen. § 3. De toegang tot de gegevensbanken die geen persoonsgegevens bevatten, wordt geregeld op grond van gesloten akkoorden en op de door de verantwoordelijke overheden bepaalde wijze.

Art. 4.§ 1. Door de bevoegde minister wordt op voordracht van het betrokken diensthoofd een raadgever informatieveiligheid en bescherming van de persoonlijke levenssfeer, die onder meer de functie vervult van aangestelde voor de gegevensbescherming, zoals bedoeld in artikel 17bis van de wet van 8 december 1992, aangesteld binnen iedere inlichtingen- en veiligheidsdienst.

Hij valt onder het rechtstreekse gezag van het diensthoofd aan wie hij uitsluitend rekenschap aflegt en verslag uitbrengt. Hij is op onafhankelijke wijze belast met : - het waarborgen van de naleving van de wet bij iedere vraag om gegevens; - het nemen van alle nuttige maatregelen teneinde de veiligheid van de geregistreerde informatie te verzekeren; - het verstrekken van passende adviezen aan het diensthoofd; - het uitvoeren van andere opdrachten die hem door het diensthoofd toevertrouwd zijn.

De raadgever informatieveiligheid en bescherming van de persoonlijke levenssfeer bedoeld in het eerste lid kan zich door één of meer adjuncten laten bijstaan. § 2. Wat de Veiligheid van de Staat betreft, wordt de functie van raadgever informatieveiligheid en bescherming van de persoonlijke levenssfeer, die onder meer de functie vervult van aangestelde voor de gegevensbescherming bedoeld in § 1, uitgeoefend door de raadsman voor de veiligheid van de gegevens aangesteld door de Minister van Justitie overeenkomstig artikel 6 van het koninklijk besluit van 28 februari 2002 betreffende de mededeling van informatie door de gemeenten aan de Veiligheid van de Staat door toedoen van het Rijksregister van de natuurlijke personen.

Art. 5.De inlichtingen- en veiligheidsdiensten hebben kosteloos toegang tot de gegevensbanken van de openbare sector. HOOFDSTUK IV. - Specifieke methoden en uitzonderlijke methoden voor het verzamelen van gegevens Afdeling 1. - Fictieve identiteiten en hoedanigheden

Art. 6.Voor de toepassing van artikel 18/13, tweede lid, van de wet van 30 november 1998 houdt het betrokken diensthoofd of de persoon die hij hiertoe aanstelt, registers bij van de fictieve identiteiten en hoedanigheden en vermeldt het verband met de agent die ze gebruikt.

De agent bedoeld in het eerste lid vermeldt in een logboek dat hij hiertoe bijhoudt, het gebruik van de fictieve identiteit en/of hoedanigheid, de data, de context en, desgevallend, de incidenten die plaatsgevonden hebben. Het betrokken diensthoofd wordt hiervan regelmatig schriftelijk op de hoogte gebracht. Deze informatie wordt opgenomen in het rapport dat gericht wordt aan de commissie overeenkomstig artikel 18/13, vierde lid, van de wet van 30 november 1998.

Het logboek bedoeld in het tweede lid wordt nog tien jaar bewaard, nadat de fictieve identiteit of hoedanigheid niet meer actief is. Afdeling 2. - Nadere regels voor de vernietiging van de opnamen en van

de eventuele overschrijvingen en vertalingen van de communicaties

Art. 7.Voor de toepassing van artikel 18/17, § 7, van de wet van 30 november 1998 en onverminderd de regels betreffende de vernietiging van geclassificeerde documenten overeenkomstig de wet van 11 december 1998, gebeurt de vernietiging van de opnamen en van de eventuele overschrijvingen en vertalingen van de communicaties, naargelang de drager, door middel van de meest passende technische methodes, rekening houdend met de evolutie van de technologie ter zake, zodat ze onmogelijk nog geëxploiteerd kunnen worden. Afdeling 3. - Vergoeding voor de medewerking van natuurlijke personen

en rechtspersonen

Art. 8.Voor de toepassing van artikel 18/18 van de wet van 30 november 1998 worden de tarieven die de medewerking van de natuurlijke persoon of de rechtspersoon vergoeden, bepaald op grond van de bestaande regelgevende bepalingen inzake de gerechtskosten in strafzaken.

Bij ontstentenis van bestaande tarieven in deze bepalingen wordt het tarief van de door natuurlijke personen uitgevoerde prestaties bepaald op grond van een factuur of een onkostennota die rekening houdt met de werkelijke kost veroorzaakt door de geleverde prestatie. De tarieven die de medewerking van de rechtspersonen vergoeden, worden bepaald in functie van de eventuele meerkost die deze medewerking meebrengt in verhouding tot hun normale werking.

De natuurlijke persoon of de rechtspersoon richt het naar behoren verantwoorde en gecontroleerde detail van de uitgevoerde prestatie of van de meerkost aan het betrokken diensthoofd. HOOFDSTUK V. - Toezicht op de specifieke en uitzonderlijke methoden Afdeling 1. - Nadere regels en termijnen voor de kennisgeving van de

commissie

Art. 9.Voor de toepassing van artikel 18/10, § 1, derde lid, van de wet van 30 november 1998 informeert het betrokken diensthoofd de commissie om de twee weken, vanaf de dag waarop de uitzonderlijke methode toegepast wordt, over het verloop ervan, onder voorbehoud van artikel 18/13, vierde lid, van dezelfde wet. Het diensthoofd informeert de commissie ook wanneer de methode beëindigd is.

Onverminderd de regels en richtlijnen betreffende de overdracht van geclassificeerde informatie krachtens de wet van 11 december 1998, brengt het betrokken diensthoofd de commissie op de hoogte via beveiligde elektronische weg of, indien dit onmogelijk is, per drager.

Art. 10.In de gevallen van uiterste hoogdringendheid bedoeld in artikel 18/10, § 4, eerste lid, van de wet van 30 november 1998, deelt het betrokken diensthoofd onmiddellijk via beveiligde elektronische weg of, indien dat onmogelijk is, per drager, zijn machtiging mee aan de leden van de commissie.

Het eerste lid doet geen afbreuk aan de regels en richtlijnen betreffende de overdracht van geclassificeerde informatie krachtens de wet van 11 december 1998. Afdeling 2. - Nadere regels voor de kennisgevingen zoals bedoeld in

artikel 43/3 van de wet van 30 november 1998

Art. 11.Voor de toepassing van artikel 43/3, eerste lid, van de wet van 30 november 1998, worden de lijsten bedoeld in artikel 18/3, § 2, van de wet van 30 november 1998, door de commissie meegedeeld aan het Vast Comité I zodra zij deze heeft ontvangen.

Voor de toepassing van artikel 43/3, tweede lid, van de wet van 30 november 1998, wordt elke beslissing om een specifieke methode toe te passen, elke machtiging om een uitzonderlijke methode toe te passen, te beëindigen, te schorsen, elke beslissing houdende het verbod om onwettelijk verkregen gegevens te exploiteren en elk advies of elke machtiging omtrent deze methoden, onverwijld en integraal door de commissie ter kennis gebracht van het Vast Comité I. De kennisgevingen bedoeld in het eerste en tweede lid gebeuren onder gedigitaliseerde vorm, behoudens volstrekte onmogelijkheid of ingevolge het uitdrukkelijke verzoek van het Vast Comité I. In dat geval, kan de kennisgeving op een andere, door het Vast Comité I te bepalen wijze, gebeuren.

Naar aanleiding van de kennisgeving bedoeld in het vorige lid wordt voor elke afzonderlijke beslissing, advies of machtiging, naargelang het geval, op gestructureerde wijze de volgende gegevens meegedeeld : - de identiteit van de overheid die de beslissing genomen heeft of het advies of de machtiging verleend heeft; - de datum van de beslissing, het advies of de machtiging; - de aard van de specifieke of uitzonderlijke methode voor het verzamelen van gegevens; - de aard van de dreiging en van het te vrijwaren belang; - de graad van de ernst van de bedreiging; - de beoordeling van de proportionaliteit en van de subsidiariteit; - de natuurlijke perso(o)n(en) of rechtsperso(o)n(en), verenigingen of groeperingen, voorwerpen, plaatsen, gebeurtenissen of informatie die het onderwerp zijn van de methode; - de hoedanigheid van advocaat, arts of journalist van de perso(o)n(en) die het onderwerp zijn van de methode; - het feit dat door een advocaat, een arts of een journalist lokalen aangewend worden voor beroepsdoeleinden of als woonplaats; - het technische middel dat gebruikt wordt om de methode aan te wenden; - de periode tijdens welke de methode kan worden uitgevoerd, te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing of de machtiging; - het feit of de beslissing, de machtiging of het advies betrekking heeft op een verlenging.

Het Vast Comité I geeft ontvangstmelding van elke kennisgeving.

De kennisgevingen geschieden met inachtneming van de regels en richtlijnen betreffende de overdracht van geclassificeerde informatie krachtens de wet van 11 december 1998. Afdeling 3. - Nadere regels en termijnen voor de bewaring van gegevens

die onwettig verzameld zijn door een specifieke of uitzonderlijke methode

Art. 12.Voor de toepassing van de artikelen 18/3, § 2, vierde lid, en 18/10, § 6, vierde lid, van de wet van 30 november 1998, worden de gegevens die verzameld zijn in omstandigheden die de geldende wettelijke bepalingen niet naleven, met het oog op hun bewaring, onverwijld in een verzegelde omslag geplaatst op een beveiligde plaats die door de commissie bepaald wordt in overleg met het betrokken diensthoofd, overeenkomstig de regels en richtlijnen betreffende de bewaring van de krachtens de wet van 11 december 1998 geclassificeerde gegevens.

Als de gegevens, bedoeld in het eerste lid, geïnformatiseerd zijn, worden zij, in afwachting van de beslissing van het Vast Comité I, bedoeld in artikel 43/6, § 1, van de wet van 30 november 1998, tijdelijk ontoegankelijk gemaakt, behalve voor de raadgever informatieveiligheid en bescherming van de persoonlijke levenssfeer, door middel van de meest passende technische methoden rekening houdende met de evolutie van de technologie ter zake, zodat ze onmogelijk nog door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten geëxploiteerd kunnen worden. Afdeling 4. - Nadere regels voor de vernietiging van gegevens die

onwettig verzameld zijn door een specifieke of uitzonderlijke methode

Art. 13.Voor de toepassing van artikel 43/6, § 1, eerste lid, van de wet van 30 november 1998, indien het Vast Comité I beslist dat de gegevens verzameld werden in omstandigheden die de geldende wettelijke bepalingen niet naleven, worden de gegevens zo snel mogelijk vernietigd en ten laatste een maand na de mededeling van de beslissing aan het betrokken diensthoofd.

Het betrokken diensthoofd informeert onverwijld de overheden waaraan de gegevens meegedeeld werden, over hun onwettigheid en hun vernietiging.

Ten laatste drie werkdagen vóór de vernietiging stelt het betrokken diensthoofd de commissie schriftelijk op de hoogte van de voorziene datum. De vernietiging wordt uitgevoerd onder het toezicht van een lid van de commissie en van het betrokken diensthoofd of de persoon die hij hiertoe aanstelt.

Onverminderd de regels betreffende de vernietiging van geclassificeerde documenten overeenkomstig de wet van 11 december 1998, wordt de vernietiging van de gegevens bedoeld in het eerste lid, naargelang de drager, uitgevoerd door middel van de meest passende technische methoden, rekening houdend met de evolutie van de technologie ter zake, zodat zij onmogelijk nog geëxploiteerd kunnen worden.

De persoon die de vernietiging uitvoert stelt een vernietigingsrapport op dat wordt medeondertekend door de personen bedoeld in het derde lid, alsook door een veiligheidsofficier van de betrokken dienst. Het rapport wordt bewaard binnen deze dienst. Een kopie van het rapport wordt aan het Vast Comité I gericht. HOOFDSTUK VI. - Adiëring van het Vast Comité I door de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer op grond van artikel 43/4 van de wet van 30 november 1998

Art. 14.Indien de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer naar aanleiding van een verificatie op grond van artikel 13 van de wet van 8 december 1992 een redelijk vermoeden heeft dat persoonsgegevens in de zin van deze wet, die door een inlichtingen- en veiligheidsdienst worden verwerkt, zijn verzameld via een specifieke of uitzonderlijke methode maar met miskenning van de regels vervat in de wet van 30 november 1998, kan ze een met redenen omkleed verzoek tot het Vast Comité I richten.

Het verzoek bevat minstens volgende elementen : - de betrokken inlichtingen- en veiligheidsdienst; - een aanduiding van de bedoelde persoonsgegevens; - de elementen die de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer doen vermoeden dat deze gegevens via een specifieke of uitzonderlijke methode werden verzameld; - de elementen die de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer doen vermoeden dat deze gegevens met miskenning van de regels vervat in de wet van 30 november 1998 werden verzameld.

Het verzoek wordt aan het Vast Comité I overgezonden bij aangetekend schrijven of op elke andere in onderling overleg overeengekomen wijze.

In beide gevallen worden de regels en richtlijnen betreffende de overdracht van geclassificeerde informatie krachtens de wet van 11 december 1998 nageleefd. HOOFDSTUK VII. - Eindbepalingen

Art. 15.Onze Minister van Justitie en Onze Minister van Landsverdediging zijn ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Art. 16.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 12 oktober 2010.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Justitie, S. DE CLERCK De Minister van Landsverdediging, P. DE CREM

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^