Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 14 maart 1997
gepubliceerd op 29 juli 1997

Koninklijk besluit houdende werking van de taalinspectie inzake onderwijs

bron
diensten van de eerste minister
numac
1997021115
pub.
29/07/1997
prom.
14/03/1997
ELI
eli/besluit/1997/03/14/1997021115/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

14 MAART 1997. Koninklijk besluit houdende werking van de taalinspectie inzake onderwijs


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs, inzonderheid op artikel 18;

Gelet op het koninklijk besluit van 3 juli 1995 houdende vaststelling van de ministeriële bevoegdheden inzake wetenschapsbeleid, cultuur en onderwijs;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 84, eerste lid, 2°, gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;

Overwegende dat dringend een aantal verordeningsteksten vastgelegd moeten worden die tegemoetkomen, enerzijds, aan de noodzaak om zo spoedig mogelijk de rechtstoestand van de bijzondere loopbanen bij de Federale diensten voor wetenschappelijke, technische en culturele aangelegenheden aan te passen aan de recente wijzigingen in het statuut van het Rijkspersoneel om de goede werking van deze diensten te waarborgen en de persoonlijke toestand van een aantal personeelsleden te regelen en, anderzijds, aan de noodzaak een nieuw statuut vast te stellen voor de taalinspectie in het onderwijs om deze wettelijk voorgeschreven inspectie verder te kunnen laten bestaan;

Overwegende in het bijzonder dat onverwijld maatregelen moeten worden genomen om deze inspectie optimaal te integreren in het federale bestuur en het aan te passen aan het gewijzigde statuut van de taalinspecteurs;

Gelet op het advies van de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting en Onze Minister van Wetenschapsbeleid, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.De taalinspectie in het onderwijs wordt uitgeoefend door vier taalinspecteurs, twee van de Nederlandse taalrol en twee van de Franse taalrol.

Art. 2.De taalinspecteurs zijn belast met de doorlopende controle van de toepassing van de bepalingen van de wet van 30 juli 1963 houdende taalregeling in het onderwijs.

Art. 3.Het optreden van de taalinspectie bestaat in het nazicht van de eerste inschrijving van de leerling overeenkomstig artikel 17 van voornoemde wet.

Art. 4.Geen taalinspecteur treedt op zonder de medewerking van een taalinspecteur van de andere taalrol.

Art. 5.Voor de toepassing van artikel 17, tweede lid, b, van voornoemde wet mag het schoolhoofd, tegen overlegging van een taalverklaring van het gezinshoofd, het kind voorlopig toelaten tot het onderwijs.

De taalverklaring wordt op de dag dat het kind aanvaard is, door het schoolhoofd toegezonden aan de taalinspectie.

De taalinspectie viseert binnen dertig werkdagen van haar ontvangst de taalverklaring van het gezinshoofd.

De dossiers waarover de twee taalinspecteurs die het dossier behandelen het niet eens zijn, worden binnen dezelfde termijn, door bemiddeling van de secretaris-generaal van de Federale diensten voor wetenschappelijke, technische en culturele aangelegenheden, aanhangig gemaakt bij de voorzitter van de commissie bedoeld in artikel 18 van voornoemde wet.

Het schoolhoofd wordt van het aanhangig maken van deze dossiers in kennis gesteld, en verwittigt het gezinshoofd bij aangetekend schrijven.

Art. 6.1. De commissie bedoeld in artikel 18 van voornoemde wet is samengesteld uit een voorzitter, een plaatsvervangend voorzitter, twee leden en evenveel plaatsvervangende leden. Ze worden door Ons benoemd, op de voordracht van de Minister(s) die bevoegd is (zijn) voor de federale aangelegenheden inzake onderwijs. 2. De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter worden gekozen onder de tweetalige in dienst zijnde, emeriti- of ereleden van de rechtbanken van eerste aanleg. De leden en plaatsvervangende leden worden gekozen onder de ambtenaren van de federale overheid bekleed met een graad van minstens rang 13, voor de helft onder de ambtenaren van de Nederlandse taalrol en voor de andere helft onder de ambtenaren van de Franse taalrol die, overeenkomstig artikel 43, 3, derde lid of arti-kel 46, 4, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, het bewijs hebben geleverd van een voldoende kennis van de tweede taal. 3. De commissie doet uitspraak uiterlijk binnen dertig werkdagen na de ontvangst van het dossier.4. De commissie deelt haar met redenen omklede beslissing per aangetekende brief mee aan het schoolhoofd en aan het gezinshoofd.

Art. 7.De termijn om tegen de beslissing van de taalinspecteurs of van de commissie beroep aan te tekenen bedraagt twintig werkdagen te rekenen vanaf de kennisgeving van de beslissing.

Art. 8.1. De jury bedoeld in artikel 18 van voornoemde wet bestaat uit een voorzitter, een plaatsvervangend voorzitter, twee leden en evenveel plaatsvervangende leden. Ze worden door Ons benoemd, op de voordracht van de Minister(s) die bevoegd is (zijn) voor de federale aangelegenheden inzake onderwijs.

De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter worden gekozen onder de tweetalige in dienst zijnde, emeriti- of ere-raadsheren van de hoven van beroep.

De leden en plaatsvervangende leden worden gekozen onder de ambtenaren van de federale overheid bekleed met een graad van minstens rang 15, voor de helft onder de ambtenaren van de Nederlandse taalrol en voor de andere helft onder de ambtenaren van de Franse taalrol die, overeenkomstig artikel 43, 3, derde lid, of artikel 46, 4, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, het bewijs hebben geleverd van een voldoende kennis van de tweede taal. 2. De jury doet uitspraak uiterlijk binnen dertig werkdagen na de ontvangst van het beroepschrift.3. De jury deelt haar met redenen omklede beslissing per aangetekende brief mee aan het schoolhoofd en aan het gezinshoofd.

Art. 9.Het huishoudelijk reglement van de commissie en van de jury wordt vastgesteld bij ministerieel besluit, op voorstel van de respectieve voorzitters.

Art. 10.Het koninklijk besluit van 30 november 1966 houdende werking van de taalinspectie inzake onderwijs, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 15 februari 1969 en 30 november 1994 wordt opgeheven.

Art. 11.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 12.Onze Ministers bevoegd voor de federale aangelegenheden inzake onderwijs zijn belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 14 maart 1997.

ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting, H. VAN ROMPUY De Minister van Wetenschapsbeleid, Y. YLIEFF

^