Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 15 september 2006
gepubliceerd op 22 september 2006

Koninklijk besluit houdende bepaalde uitvoeringsmaatregelen voor de institutionele instellingen voor collectieve belegging in schuldvorderingen

bron
federale overheidsdienst financien
numac
2006003448
pub.
22/09/2006
prom.
15/09/2006
ELI
eli/besluit/2006/09/15/2006003448/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

15 SEPTEMBER 2006. - Koninklijk besluit houdende bepaalde uitvoeringsmaatregelen voor de institutionele instellingen voor collectieve belegging in schuldvorderingen


VERSLA AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van koninklijk besluit dat ik de eer heb U ter ondertekening voor te leggen, strekt ertoe het reglementaire kader te vervolledigen dat van toepassing is op de institutionele instellingen voor collectieve belegging in schuldvorderingen.

De wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, hierna « de wet van 20 juli 2004 » genoemd, stelt dat het institutionele karakter van een institutionele ICB in schuldvorderingen bepaald wordt door, enerzijds, de hoedanigheid van de beleggers bij wie deze ICB financiële middelen inzamelt, namelijk institutionele of professionele beleggers die voor eigen rekening handelen, en, anderzijds, door de regel dat de effecten van een dergelijke institutionele ICB in schuldvorderingen enkel mogen worden verworven door institutionele of professionele beleggers. In haar artikel 5, § 3 bepaalt de wet van 20 juli 2004 welke marktdeelnemers de hoedanigheid hebben van institutionele of professionele belegger.

Aangezien de kwalificatie van institutionele ICB in schuldvorderingen volledig losstaat van de verrichtingen die worden uitgevoerd met de effecten van een dergelijke ICB na hun uitgifte, heeft de wetgever, reeds van bij het uitwerken van het statuut van institutionele ICB in schuldvorderingen, nauwlettend toegezien op de gevolgen die zowel de notering van de effecten van een dergelijke ICB inhoudt voor dit statuut, als het feit dat deze effecten na hun uitgifte in bezit zouden kunnen komen van beleggers die geen institutionele of professionele belegger zijn, en dit zonder medeweten van de ICB of zonder dat zij heeft bijgedragen tot de verspreiding van deze effecten (zie in dit verband de parlementaire voorbereiding van de wet van 10 maart 1999 tot wijziging van de wet van 6 april 1995 inzake de secundaire markten, het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs, tot fiscale regeling van de verrichtingen van lening van aandelen en houdende diverse andere bepalingen, Memorie van Toelichting, Parl.

St., Kamer, 1998-1999, nr. 1928/1- 1929/1, pp. 38-41).

Met het oog op de rechtszekerheid, bepaalt artikel 103, derde lid van de wet van 20 juli 2004 de voorwaarden waaronder een institutionele ICB in schuldvorderingen geacht wordt haar institutionele karakter te vrijwaren, ook al worden haar effecten toegelaten tot de verhandeling op een georganiseerde, voor het publiek toegankelijke markt of komen haar effecten door de tussenkomst van een derde in het bezit van beleggers die geen institutionele of professionele belegger zijn.

Teneinde te vermijden dat haar institutionele karakter betwist zou worden in een van de voormelde situaties, moet een institutionele ICB in schuldvorderingen, enerzijds, passende maatregelen nemen om de hoedanigheid van institutionele of professionele belegger van de houders van haar effecten te waarborgen, en er, anderzijds, voor zorgen dat zij er op geen enkele wijze toe bijdraagt of op geen enkele wijze bevordert dat haar effecten in het bezit komen van beleggers die geen institutionele of professionele belegger zijn.

Met dit besluit wordt invulling gegeven aan de eerste van de twee in artikel 103, derde lid van de wet van 20 juli 2004 bepaalde voorwaarden, door de maatregelen vast te leggen, te nemen door de institutionele ICB in schuldvorderingen om de hoedanigheid van institutionele of professionele belegger van de houders van haar effecten te waarborgen. De wet van 20 juli 2004 heeft U immers gemachtigd om de passende maatregelen te bepalen waarmee een institutionele ICB in schuldvorderingen geacht wordt de hoedanigheid van institutioneel of professioneel belegger van de houders van haar effecten te waarborgen (artikel 103, vierde lid van de wet van 20 juli 2004).

Onverminderd de verplichting voor een institutionele ICB in schuldvorderingen om er niet toe bij te dragen of niet te bevorderen dat haar effecten in het bezit zouden komen van beleggers die geen institutionele of professionele belegger zijn, verlenen de door dit besluit vastgelegde maatregelen een institutionele ICB in schuldvorderingen die ze naleeft, de waarborg dat haar institutionele karakter niet betwist zal worden, mochten haar effecten worden toegelaten tot de verhandeling op een georganiseerde, voor het publiek toegankelijke markt of indien haar effecten in het bezit zouden blijken te zijn van beleggers die geen institutionele of professionele belegger zijn. Deze maatregelen zijn cumulatief, met uitzondering evenwel van de in artikel 1, 5°, a), b) en c) van dit besluit bedoelde maatregelen waarvan de institutionele ICB in schuldvorderingen er slechts één hoeft toe te passen. Het staat de ICB uiteraard vrij om alle maatregelen van het voormelde artikel 1, 5° toe te passen.

Gezien het vermoeden dat verbonden is aan de in dit besluit uitgewerkte maatregelen, als geregeld in artikel 103, vierde lid van de wet van 20 juli 2004, mag ervan worden uitgegaan dat deze maatregelen de facto de minimumvoorwaarden vormen, ook al mag een institutionele ICB in schuldvorderingen andere maatregelen treffen dan bedoeld in dit besluit, waarvan zij dan evenwel moet aantonen dat zij geschikt zijn om de hoedanigheid van institutionele of professionele belegger van de houders van haar effecten te waarborgen. In het kader van de machtiging die U is verleend, staat het U uiteraard vrij om de relevantie van de door dit besluit vastgelegde maatregelen te toetsen, teneinde rekening te houden met het evolutieve karakter van deze problematiek en om, in voorkomend geval, het in artikel 103, vierde lid van de wet van 20 juli 2004 bedoelde vermoeden uit te breiden tot andere maatregelen.

Hierna wordt kort ingegaan op de draagwijdte van elk van de in artikel 1 van dit besluit vastgelegde maatregelen.

Allereerst moet in de uitgiftevoorwaarden voor de effecten van een institutionele ICB in schuldvorderingen en, naar gelang het geval, in het beheerreglement of in de statuten van een dergelijke ICB, alsook in elk stuk dat betrekking heeft op de uitgifte van, de inschrijving op of de verwerving van effecten die zijn uitgegeven door een dergelijke ICB, worden vermeld dat enkel institutionele of professionele beleggers in de zin van artikel 5, § 3 van de wet van 20 juli 2004 mogen inschrijven op effecten die zijn uitgegeven door een institutionele ICB in schuldvorderingen of deze effecten mogen verwerven dan wel bezitten (artikel 1, 1° van dit besluit).

Bij de inschrijvingen in de registers van de effecten op naam als voorgeschreven bij artikel 463 van het Wetboek van Vennootschappen, alsook op de certificaten tot vaststelling van de inschrijvingen van de effecten op naam in deze registers, moet tevens worden vermeld dat de effecten van een institutionele ICB in schuldvorderingen enkel mogen worden verworven en gehouden door institutionele of professionele beleggers in de zin van artikel 5, § 3 van de wet van 20 juli 2004. Onverminderd artikel 466 van het Wetboek van Vennootschappen moet dit tevens worden vermeld op de aandelen aan toonder (artikel 1, 2° van dit besluit).

In elk bericht, in elke mededeling of in elk ander stuk met betrekking tot een verrichting met effecten van een institutionele ICB in schuldvorderingen of waarin een dergelijke verrichting wordt aangekondigd of aanbevolen, dan wel met betrekking tot de toelating van dergelijke effecten tot de verhandeling op een georganiseerde, voor het publiek toegankelijke markt, uitgaande van de institutionele ICB in schuldvorderingen of van een persoon die in haar naam of voor haar rekening handelt, moet voorts zijn gepreciseerd dat enkel institutionele of professionele beleggers als bedoeld in artikel 5, § 3 van de wet van 20 juli 2004 op deze effecten mogen inschrijven of die mogen verwerven dan wel in bezit houden (artikel 1, 3° van dit besluit).

Indien een verzoek wordt ingediend om toelating van de effecten van een institutionele ICB in schuldvorderingen tot de verhandeling op een georganiseerde, voor het publiek toegankelijke markt, moet in het toelatingsprospectus als vereist ingevolge de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt, eveneens worden vermeld dat deze effecten enkel mogen worden verworven en gehouden door institutionele of professionele beleggers in de zin van artikel 5, § 3 van de wet van 20 juli 2004 (artikel 1, 4° van dit besluit). Tot slot dient een institutionele ICB in schuldvorderingen te opteren voor ten minste één van de drie verschillende maatregelen als bepaald in artikel 1, 5° van dit besluit. Die keuze zal hoogstwaarschijnlijk worden ingegeven door het type secundaire markt dat de ICB voor ogen heeft voor haar effecten. Voor een aantal maatregelen van artikel 1, 5° van dit besluit zal de implementatie moeilijker zijn wanneer wordt overwogen om voor deze effecten toelating te vragen tot de verhandeling op een georganiseerde, voor het publiek toegankelijke markt.Zoals reeds vermeld, volstaat het dat de institutionele ICB in schuldvorderingen één van de in artikel 1, 5° bedoelde maatregelen neemt. Het staat haar uiteraard vrij om alle maatregelen toe te passen waarin in deze bepaling is voorzien.

Bijgevolg zal een institutionele ICB in schuldvorderingen hetzij effecten op naam moeten uitgeven, met dien verstande dat de wet van 20 juli 2004 reeds voorschrijft dat de rechten van deelneming in institutionele ICB's in schuldvorderingen nominatief moeten zijn (artikel 103, eerste lid, 4° van de wet van 20 juli 2004), hetzij effecten moeten uitgeven met een nominale eenheidswaarde van ten minste 250.000 EUR. Aan deze laatste voorwaarde dient enkel te zijn voldaan op het ogenblik van de uitgifte van de effecten. Aldus wordt er rekening mee gehouden dat de nominale waarde van bepaalde categorieën van effecten van ICB's kan schommelen in functie van de afschrijving van de portefeuille van geëffectiseerde vorderingen.

De derde maatregel van artikel 1, 5° van dit besluit houdt een contractueel mechanisme in waarbij elke belegger die inschrijft op effecten van een institutionele ICB in schuldvorderingen of dergelijke effecten verwerft, een dubbele verbintenis aangaat. Enerzijds moet hij bevestigen dat hij wel degelijk een institutionele of professionele belegger is in de zin van artikel 5, § 3 van de wet van 20 juli 2004.

Anderzijds moet hij zich ertoe verbinden om de effecten die hij bezit enkel over te dragen aan beleggers die op hun beurt aan de ICB bevestigen dat zij institutionele of professionele beleggers zijn in de zin van artikel 5, § 3 van de wet van 20 juli 2004 en die zich ertoe verbinden om latere overnemers te vragen dezelfde bevestiging te verrichten. Dit systeem van achtereenvolgende bevestigingen waarborgt een wederzijdse controle van de hoedanigheid van institutionele of professionele belegger door de opeenvolgende beleggers in effecten van institutionele ICB's in schuldvorderingen.

Daarnaast voorziet dit besluit in twee door een institutionele ICB in schuldvorderingen te nemen maatregelen wanneer zij vaststelt dat haar effecten in het bezit zijn van beleggers die geen institutionele of professionele beleggers zijn in de zin van artikel 5, § 3 van de wet van 20 juli 2004.

Enerzijds dient de institutionele ICB in schuldvorderingen namelijk te weigeren om, bij een uitgifte van effecten op naam, in het register van de effecten op naam, een overdracht in te schrijven op naam van de betrokken overnemer en, anderzijds, dient zij de betaling te schorsen van de dividenden of interesten die gekoppeld zijn aan de betrokken effecten.

Daarnaast wordt erop gewezen dat in artikel 103, tweede lid van de wet van 20 juli 2004 voor de overdrager van de schuldvorderingen een uitzondering wordt gemaakt op de regel dat een institutionele ICB in schuldvorderingen zich voor het inzamelen van financiële middelen uitsluitend mag wenden tot institutionele of professionele beleggers die voor eigen rekening handelen en waarvan de effecten enkel mogen worden verworven door institutionele of professionele beleggers (artikel 103, eerste lid, 2° van de wet van 20 juli 2004). Deze uitzondering houdt in dat de overdrager van schuldvorderingen die geen institutionele of professionele belegger is, effecten mag verwerven van een institutionele ICB in schuldvorderingen of haar op een andere wijze financiële middelen mag verstrekken, voor zover deze financiële middelen hoofdzakelijk worden aangewend om ten gunste van de andere beleggers, de risico's van tekortkomingen in de betalingen van de schuldvorderingen te beheren, m.a.w. dat zij dienen als « credit enhancement » (artikel 103, tweede lid van de wet van 20 juli 2004).

Deze uitzondering wordt bevestigd door dit besluit met een uitdrukkelijke verwijzing naar artikel 103, tweede lid van de wet van 20 juli 2004 en door het feit dat artikel 103 in zijn derde en vierde lid niet terugkomt op deze bepaling. De toepassing van artikel 103, tweede lid van de wet van 20 juli 2004 houdt dus geen inbreuk in op artikel 103, derde lid van de wet van 20 juli 2004, noch op de ter uitvoering van artikel 103, vierde lid van de wet van 20 juli 2004 genomen maatregelen. In de praktijk is het aangewezen dat de institutionele ICB in schuldvorderingen nogmaals wijst op deze uitzondering bij het invoeren van de in dit besluit bedoelde maatregelen.

Ik heb de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën D. REYNDERS

15 SEPTEMBER 2006. - Koninklijk besluit houdende bepaalde uitvoeringsmaatregelen voor de institutionele instellingen voor collectieve belegging in schuldvorderingen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, inzonderheid op artikel 103, vierde lid, als ingevoegd bij artikel 114 van de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt;

Gelet op het advies van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 4 juli 2006;

Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 24 augustus 2006;

Gelet op advies nr. 41.038/2/V van de Raad van State, gegeven op 23 augustus 2006, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 103, eerste lid, 2° en tweede lid van de wet van 20 juli 2004 betreffende bepaalde vormen van collectief beheer van beleggingsportefeuilles, hierna « de wet » genoemd, wordt een institutionele instelling voor collectieve belegging in schuldvorderingen geacht, voor de toepassing van artikel 103, derde lid van de wet, de passende maatregelen te hebben genomen om de hoedanigheid van institutioneel of professioneel belegger van de houders van haar effecten te waarborgen, wanneer zij aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° in de voorwaarden voor de uitgifte van effecten van de institutionele instelling voor collectieve belegging in schuldvorderingen, in haar beheerreglement of statuten, alsook in elk stuk dat betrekking heeft op de uitgifte van, de inschrijving op of de verwerving van door haar uitgegeven effecten, is vermeld dat enkel institutionele of professionele beleggers in de zin van artikel 5, § 3 van de wet, mogen inschrijven op door haar uitgegeven effecten, deze effecten mogen verwerven of in bezit houden;2° onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 463, 465 en 466 van het Wetboek van Vennootschappen is in het register van de effecten op naam, op het certificaat van de inschrijving van de effecten op naam in het register van de effecten op naam, alsook op de effecten aan toonder, vermeld dat deze effecten enkel mogen worden verworven of gehouden door institutionele of professionele beleggers in de zin van artikel 5, § 3 van de wet;3° in elk bericht, in elke mededeling of in elk ander stuk met betrekking tot een verrichting met effecten van de institutionele instelling voor collectieve belegging in schuldvorderingen of waarin een dergelijke verrichting wordt aangekondigd of aanbevolen, dan wel met betrekking tot de toelating van dergelijke effecten tot de verhandeling op een georganiseerde, voor het publiek toegankelijke markt, uitgaande van de institutionele instelling voor collectieve belegging in schuldvorderingen of van een persoon die in haar naam of voor haar rekening handelt, moet zijn gepreciseerd dat enkel institutionele of professionele beleggers als bedoeld in artikel 5, § 3 van de wet op deze effecten mogen inschrijven, ze mogen verwerven of in bezit houden;4° indien er ingevolge de wet van 16 juni 2006 op de openbare aanbieding van beleggingsinstrumenten en de toelating van beleggingsinstrumenten tot de verhandeling op een gereglementeerde markt, een prospectus is vereist voor de toelating van effecten uitgegeven door de institutionele instelling voor collectieve belegging in schuld vorderingen, tot de verhandeling op een georganiseerde, voor het publiek toegankelijke markt, moet erin zijn vermeld dat deze effecten enkel mogen worden gekocht of gehouden door institutionele of professionele beleggers in de zin van artikel 5, § 3 van de wet;5° a) onder voorbehoud van de toepassing van artikel 103, eerste lid, 4° van de wet, zijn de effecten die worden uitgegeven door de institutionele instelling voor collectieve belegging in schuldvorderingen op naam, of; b) op het ogenblik dat zij worden uitgegeven, bedraagt de nominale eenheidswaarde van de effecten die worden uitgegeven door de institutionele instelling voor collectieve belegging in schuldvorderingen, ten minste 250.000 EUR, of; c) elke belegger die inschrijft op effecten van de institutionele instelling voor collectieve belegging in schuldvorderingen of deze effecten verwerft, bevestigt formeel en schriftelijk aan deze instelling dat hij een institutionele of professionele belegger is in de zin van artikel 5, § 3 van de wet, en verbindt zich er ten aanzien van deze instelling toe om de betrokken effecten enkel over te dragen aan een overnemer die op zijn beurt formeel en schriftelijk bevestigt aan de instelling dat hij een institutionele of professionele belegger is in de zin van artikel 5, § 3 van de wet en dat hij zich ertoe verbindt om dezelfde bevestiging te vragen aan de volgende overnemer;6° bij uitgifte van effecten op naam weigert de institutionele instelling voor collectieve belegging in schuldvorderingen om in het register van de effecten op naam een overdracht van effecten aan een overnemer in te schrijven wanneer zij vaststelt dat deze overnemer geen institutionele of professionele belegger is in de zin van artikel 5, § 3 van de wet;7° de institutionele instelling voor collectieve belegging in schuldvorderingen schorst de betaling van de dividenden of interesten gekoppeld aan effecten waarvan zij vaststelt dat zij in het bezit zijn van beleggers die geen institutionele of professionele belegger zijn in de zin van artikel 5, § 3 van de wet;8° de in het 6° en 7° van dit artikel vastgestelde regeling wordt opgenomen in de uitgiftevoorwaarden, het beheerreglement of de statuten, in voorkomend geval in het prospectus voor de toelating tot de verhandeling op een georganiseerde, voor het publiek toegankelijke markt, alsook in elk stuk met betrekking tot een verrichting met effecten van een institutionele ICB in schuldvorderingen of waarin een dergelijke verrichting wordt aangekondigd of aanbevolen, dan wel met betrekking tot de toelating van dergelijke effecten tot de verhandeling op een georganiseerde, voor het publiek toegankelijke markt.

Art. 2.Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 15 september 2006.

ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, D. REYNDERS

^