Koninklijk Besluit van 20 juli 2001
gepubliceerd op 30 augustus 2001

Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen

bron
ministerie van binnenlandse zaken
numac
2001000726
pub.
30/08/2001
prom.
20/07/2001
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN


20 JULI 2001. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Wij hebben de eer hierbij het algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en van het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen ter ondertekening aan Zijne Majesteit voor te leggen. Het beoogt in eerste instantie de uitvoering van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor nucleaire controle.

Dit nieuwe algemeen reglement komt in de plaats van het Koninklijk Besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen, dat genomen werd in uitvoering van de wet van 29 maart 1958 betreffende de bescherming van de bevolking tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren. Deze wet werd opgeheven door voornoemde wet van 15 april 1994. Het Koninklijk Besluit van 28 februari 1963 werd op 2 oktober 1997 gewijzigd, in hoofdzaak om het in overeenstemming te brengen met een aantal Europese Richtlijnen : - de Richtlijn 84/466/Euratom van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 september 1984 tot vaststelling van fundamentele maatregelen met betrekking tot de stralingsbescherming van personen die medisch worden onderzocht of behandeld; - de Richtlijn 89/618/Euratom van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 27 november 1989 betreffende de informatie van de bevolking over de bij stralingsgevaar toepasselijke maatregelen ter bescherming van de gezondheid en over de alsdan te volgen gedragslijn; - de Richtlijn 90/641/Euratom van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 4 december 1990 inzake de praktische bescherming van externe werkers die gevaar lopen aan ioniserende straling te worden blootgesteld tijdens hun werk in een gecontroleerde zone; - de Richtlijn 92/3/Euratom van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 februari 1992 betreffende toezicht en controle op overbrenging van radioactieve afvalstoffen tussen Lid-Staten en naar en vanuit de Gemeenschap, alsook de beschikking van de Commissie van 1 oktober 1993 tot vaststelling van het uniforme document waarvan sprake in deze Richtlijn.

Het nieuwe algemeen reglement beoogt tevens de omzetting van de volgende, meer recente Europese Richtlijnen : - de Richtlijn 94/55/EG van de Raad van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, en de latere aanpassingen; - de Richtlijn 96/29/Euratom van de Raad van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren; - de Richtlijn 96/49/EG van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, en de latere aanpassingen; - de Richtlijn 97/11/EG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 maart 1997 tot wijziging van de Richtlijn 85/337/EEG van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten; - de Richtlijn 97/43/Euratom van de Raad van 30 juni 1997 betreffende de bescherming van personen tegen de gevaren van ioniserende straling in verband met medische blootstelling en tot intrekking van Richtlijn 84/466/Euratom.

Daarenboven werden enkele kleinere wijzigingen aangebracht ten einde de Europese Commissie volledig tevreden te stellen met de omzetting van vroegere Richtlijnen.

In een eerste deel van dit verslag wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste voorgestelde wijzigingen in vergelijking met het Koninklijk Besluit van 28 februari 1963 zoals het gewijzigd werd op 2 oktober 1997, die betrekking hebben op de uitvoering van de wet van 15 april 1994; in een tweede deel wordt een overzicht gegeven van de belangrijkste wijzigingen die het gevolg zijn van de omzetting van de Europese Richtlijnen Uitvoering van de wet van 15 april 1994 Vooraf dient er op gewezen dat de aanpassing van het algemeen reglement aan de bepalingen van de wet van 15 april 1994 reeds het voorwerp heeft uitgemaakt van een ontwerp van Koninklijk Besluit dat door de Ministerraad werd goedgekeurd en dat voor advies werd voorgelegd aan de Raad van State. Met de ondertekening van dit Besluit werd evenwel gewacht tot de oprichting van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (FANC) en het operationeel worden ervan.

Aangezien het tijdstip van operationeel worden van het FANC bleek samen te vallen met de limietdatum voor omzetting van de Richtlijn betreffende de basisnormen, werd geopteerd voor een volledig nieuw algemeen reglement dat aan beide doelstellingen zou beantwoorden : enerzijds de overdracht en toekenning van bevoegdheden aan het FANC en anderzijds opnemen van de nieuwe Europese basisnormen inzake stralingsbescherming.

Om de overgang naar het nieuwe algemeen reglement voor de gebruiker gemakkelijker te laten verlopen werd de structuur van het algemeen reglement (verdeling in hoofdstukken en nummering van de artikelen) niet fundamenteel gewijzigd. Met het advies van de Raad van State, dat op 1 augustus 1996 werd uitgebracht, werd bij de opstelling van het voorliggende algemeen reglement zeer nauwgezet rekening gehouden, evenals met de uitdrukkelijke wens van de Ministerraad om stelselmatig het hoorrecht van de aanvragers in te bouwen in de gevallen waar geen gunstig gevolg aan een aanvraag tot vergunning, goedkeuring of erkenning kan gegeven worden.

Als belangrijkste aanpassingen van het algemeen reglement, die het gevolg zijn van de uitvoering van de wet van 15 april 1994 en die rekening houden met de recente evoluties, dienen vermeld : - de overdracht van de bevoegdheden inzake controle op de naleving van de bepalingen van het algemeen reglement aan het FANC; - de overdracht van de opdrachten van de gespecialiseerde diensten van de Ministeries van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Leefmilieu (Dienst voor Bescherming tegen Ioniserende Stralingen) en Tewerkstelling en Arbeid (Dienst voor de technische veiligheid van de kerninstallaties) naar het FANC; - de procedure voor het verlenen van de oprichtings- en exploitatievergunningen van de inrichtingen van klasse 1 verloopt nu in twee stappen, elk afgesloten door een koninklijk besluit; ook voor de ontmanteling is een vergunning bij koninklijk besluit vereist; - de oprichtings- en exploitatie vergunningen van de inrichtingen van klasse 2 en 3 worden verleend door het FANC; voor de ontmanteling van sommige inrichtingen van klasse 2 is ook een vergunning vereist, te verlenen door het FANC; - het is niet langer de exploitant die oordeelt of een wijziging van zijn inrichting belangrijk is en het voorwerp moet uitmaken van een nieuwe vergunning, maar het FANC; - de taken van de Speciale Commissie worden overgenomen door de Wetenschappelijke Raad waarvan sprake in artikel 37 van de wet van 15 april 1994; - het is ook het FANC dat voortaan de vergunningen verleent voor de invoer, de doorvoer en het vervoer van radioactieve stoffen, grensoverschrijdende overbrenging van radioactieve afvalstoffen inbegrepen, alsook voor de invoer, fabricatie en verdeling van radiopharmaca; - voor wat betreft het beheer van radioactief afval wordt voorzien dat het FANC een overeenkomst afsluit met NIRAS, met het oog wederzijdse uitwisseling van informatie en raadpleging betreffende de aspecten die de uitoefening van de bevoegdheden van beide instellingen kunnen beïnvloeden.

Omzetting van de Europese Richtlijnen Zoals hiervoor vermeld, beoogt dit besluit ook nog een andere doelstelling : het algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen volledig in overeenstemming brengen met de Europese Richtlijnen die betrekking hebben op ioniserende stralingen en daarbij zoveel mogelijk rekening houden met de aanbevelingen en mededelingen van de Commissie en met de door haar gepubliceerde technische gidsen.

Zoals wij het eerder gesteld hebben, werden door de wijzigingen van 2 oktober 1997 aan het koninklijk besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen de Richtlijnen, die op dat ogenblik moesten omgezet zijn, nagenoeg volledig omgezet. Enkele aanvullingen waren evenwel nog nodig, aangezien de Europese Commissie in een aanvullend gemotiveerd advies aan het Koninkrijk België betreffende de Richtlijn 84/466/Euratom van oordeel was dat de omzetting van deze Richtlijn van de Raad van 3 september 1984 (tot vaststelling van fundamentele maatregelen met betrekking tot de stralingsbescherming van personen die medisch onderzocht worden) onvolledig was. Deze omzetting wordt door voorliggend koninklijk besluit vervolledigd. Hierbij dient evenwel opgemerkt dat aan sommige opmerkingen van de Commissie, die trouwens betwistbaar zijn naar inhoud, niet meer door een wijziging van het reglement kan tegemoet gekomen worden, omdat zij betrekking hadden op overgangsbepalingen die voor een bepaalde termijn van toepassing waren, termijn die inmiddels verstreken is (aan de artsen die gebruik maken van toestellen die r"ntgenstralen uitzenden werd uitstel toegekend voor het vervolledigen van hun vorming inzake stralingsbescherming).

Aan de eisen gesteld in de Richtlijnen 96/49/EG (van de Raad van 23 juli 1996 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor) en 94/55/EG (van de Raad van 21 november 1994 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten inzake het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg) werd reeds tegemoet gekomen in de Belgische reglementering, maar er diende nog een expliciete verwijzing naar deze Richtlijnen opgenomen te worden. Dit is ook gebeurd in voorliggend koninklijk besluit.

Tenslotte wordt met voorliggend koninklijk besluit de volledige omzetting gerealiseerd van de Richtlijn 97/11/EG (tot wijziging van de Richtlijn 85/337/EEG van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten) althans wat de radiologische aspecten betreft.

Met betrekking tot de Europese regelgeving is de belangrijkste doelstelling van voorliggend koninklijk besluit evenwel de omzetting van twee nieuwe richtlijnen tot herschikking van de stralingsbescherming : de Richtlijn 96/29/Euratom van de Raad van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren en de Richtlijn 97/43/Euratom van de Raad van 30 juni 1997 betreffende de bescherming van personen tegen de gevaren van ioniserende straling in verband met medische blootstelling en tot intrekking van Richtlijn 84/466/Euratom. De limietdatum voor omzetting van deze Richtlijnen in het nationaal recht van de Lidstaten is 13 mei 2000.

Het ontwerp tot omzetting van deze twee richtlijnen werd voor advies voorgelegd aan de Hoge Gezondheidsraad en de Hoge Raad voor Preventie en Bescherming op het werk, alsook aan een aantal belanghebbende organisaties. Bij de redactie van het voorliggende ontwerp werd met de ontvangen adviezen rekening gehouden. Het ontwerp werd daarna ter kennis gebracht van de Europese Commissie voor eventuele aanbevelingen binnen een termijn van drie maanden, zoals voorzien in artikel 33 van het Euratom-verdrag. De Commissie heeft geen aanbevelingen uitgebracht binnen de gestelde termijn, maar behoudt zich wel het recht voor om later tussen te komen.

Het ontwerp werd goedgekeurd op de Ministerraad van 6 oktober 2000 waarna het werd voorgelegd aan de Raad van State. Deze bracht zijn advies uit op 24 april 2001. Het ontwerp werd aangepast rekening houdend met de opmerkingen van het advies.

Wat de inhoud betreft van de omzetting van de twee nieuwe richtlijnen, kan er een algemene opmerking worden gemaakt, namelijk dat dit besluit zo trouw mogelijk datgene wat in de richtlijnen wordt voorgeschreven, overneemt, maar dat er evenwel keuzes dienden te worden gemaakt. Er dient inderdaad aan te worden herinnerd dat de richtlijnen doelstellingen vastleggen maar dat ze de toepassingsmodaliteiten overlaten aan de lidstaten. Dit is de reden waarom een uitgebreide raadpleging van alle betrokken milieus noodzakelijk was m.b.t. alle materies waarvoor de richtlijnen een grote beslissingsvrijheid laten aan de lidstaten. In dit opzicht dient er te worden gesignaleerd dat er door de Commissie een mededeling evenals verschillende technische gidsen werden gepubliceerd om de lidstaten te helpen bij deze omzetting en om, ondanks de aanzienlijke ruimte die door deze richtlijnen gelaten werd voor de subsidiariteit, tot een maximale harmonisering te komen van de wetgeving en de praktijken in de lidstaten van de Europese Unie. Het ontwerp werd grotendeels geïnspireerd door deze documenten. Daarnaast heeft het Agentschap de mogelijkheid om later bepaalde details of technische procedures vast te stellen, in het bijzonder op het gebied van de materies die nog volop evolueren. Dit gezegd zijnde, kan er in het algemeen worden opgemerkt dat de keuzes die in de huidige reglementering werden gemaakt, in de eerste plaats werden gebaseerd op beschouwingen inzake de gezondheidszorg en dat er voorrang werd verleend aan de ethische principes inzake verantwoordelijkheid, voorzorg en billijkheid.

Het punt dat het gevoeligst ligt, is dat van de vrijgave in het milieu of dat van de recyclage van zeer laagradioactief vast afval (afkomstig bijvoorbeeld van de ontmanteling van installaties). De Europese Richtlijn laat dit toe, mits een vergunning of mits het naleven van bepaalde vrijgaveniveaus, maar de keuze van deze niveaus wordt overgelaten aan de lidstaten, hetgeen het risico op discrepanties met zich meebrengt. Gelukkig werden in 2000 Europese aanbevelingen terzake opgesteld door de groep van deskundigen opgericht met toepassing van artikel 31 van het Euratom-verdrag en gepubliceerd onder de titel 'Practical use of the concepts of clearance and exemption - part I, Guidance on general clearance levels for practices (Radiation Proctection 122)'. Er dient te worden opgemerkt dat alle Belgische groeperingen die werden geraadpleegd, voorstander waren van strenge voorwaarden en vrijgaveniveaus. In dit besluit werd er geopteerd om de aanbevelingen van bovenvermeld Europees document over te nemen. Bij niet naleving van deze strenge niveaus, mag om het even welke vorm van verwijdering, recyclage of hergebruik van vast radioactief afval enkel plaatsvinden na een volledig verval van de radioactiviteit of, nadat het Agentschap hiervoor de toelating heeft gegeven. De voorwaarden en de vrijgaveniveaus die door het Agentschap worden vastgesteld, zijn onderworpen aan een ganse reeks dwingende regels die door dit besluit worden opgelegd en die tot doel hebben te garanderen dat de meettechnieken afgestemd zijn, dat de dosis waaraan de bevolking (en hun afstammelingen) wordt blootgesteld, beperkt wordt tot een minimum en dat een maximale naspoorbaarheid van de afvalstoffen kan worden verkregen. Er dient opgemerkt dat er voor afval afkomstig van de ontmanteling van nucleaire installaties of van het uitoefenen van beroepsactiviteiten waar natuurlijke stralingsbronnen aangewend worden, steeds een toelating wordt geëist.

Een laatste algemene opmerking is dat de effectieve toepassing van de bepalingen van de twee Europese richtlijnen vereist dat er een versterking komt, enerzijds van het personeel en anderzijds van de middelen van de verantwoordelijke diensten, hetgeen het belang aantoont van een koppeling van deze omzetting aan de inwerkingtreding van het Agentschap.

De voornaamste veranderingen die zich, ingevolge deze omzettingen, in vergelijking met de vroegere situatie, voordoen, kunnen op de volgende manier worden samengevat : - een verruiming van het toepassingsgebied van het reglement : - op het gebied van de natuurlijke stralingsbronnen : het algemene reglement is voortaan, overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 4, 9 en 20.3, eveneens van toepassing op de beroepsactiviteiten die de « toevallige » aanwezigheid van natuurlijke stralingsbronnen tot gevolg hebben (d.w.z. omwille van redenen die niets te zien hebben met de radioactieve eigenschappen van de natuurlijke radionucliden) en die kunnen leiden tot een aanzienlijke toename van de blootstelling van de werkers of van de bevolking. Bij wijze van voorbeeld kan de blootstelling aan radon in werklokalen worden genoemd, of het geval van ondernemingen die fosfaten produceren en de exploitatie van vliegtuigen. Deze ondernemingen worden onderworpen aan een aangiftestelsel en het Agentschap kan hen opleggen om het geheel, of een gedeelte, van de regels in acht te nemen die van toepassing zijn voor de ingedeelde inrichtingen, wanneer bepaalde dosisniveaus, vastgesteld in artikel 20.3, worden overschreden; - op het gebied van de erfenissen van het verleden : hier worden in de artikelen 20.2, 72 en 72bis - duidelijker dan in het verleden - de principes die in geval van interventies in radiologische noodsituaties moeten worden nageleefd, vastgelegd. Hier wordt de notie « interventie bij langdurige blootstelling ten gevolge van nawerkingen van een radiologische noodsituatie » expliciet uitgebreid tot de langdurige blootstelling tengevolge van een vroegere of reeds bestaande handeling of werkzaamheid evenals van alle andere oorzaken, hierin inbegrepen de aanwezigheid van radon in de woningen. Het feit dat er rekening wordt gehouden met radon in de woningen, is niet vereist door de richtlijn maar maakt het voorwerp uit van een Europese aanbeveling; ze verleent aan het Agentschap een juridisch kader waarbinnen een beleid terzake kan worden gevoerd; - een verscherping van de basisnormen inzake stralingsbescherming : - de nieuwe normen die door de Richtlijn 96/29/Euratom worden opgelegd, verhogen de bescherming van de blootgestelde werkers, van de bevolking, de leerlingen en studenten, evenals de bescherming in geval van moederschap en borstvoeding. In het kader van de bedrijfswereld (studies en stages inbegrepen), mag de bescherming van het ongeboren kind, dat voortaan wordt beschouwd als een lid van de bevolking dat onvrijwillig aan ioniserende stralingen wordt blootgesteld, niet lager liggen dan deze van de andere leden van de bevolking. Strengere dosislimieten worden vastgesteld (in artikel 20) voor alle categorieën van blootgestelde personen en bij de berekening van de interne doses zal er meer rekening worden gehouden met de leeftijd van de blootgestelde personen (artikel 21 en bijlagen II en III). De rechtvaardiging van de types van bestaande handelingen kan steeds worden herzien door het Agentschap telkens er nieuwe en belangrijke kennis inzake hun doeltreffendheid of hun gevolgen wordt verworven.

Een nieuwe notie wordt ingevoerd : de dosisbeperking. Dit is een bijkomende beperking die wordt opgelegd ten aanzien van de te verwachten individuele doses die door een bron, een handeling of een bepaalde taak zouden kunnen worden veroorzaakt en dit zelfs terwijl de dosislimieten worden nageleefd. De lozingsvergunningen die afgeleverd worden aan de inrichtingen van klasse I en II zullen moeten gebaseerd zijn op het naleven van een dosisbeperking voor de blootstelling van personen van het publiek, hierin inbegrepen de kinderen. Bij de berekening van de door de bevolking opgelopen doses dient expliciet rekening te worden gehouden met het accumulatieproces van de radioactiviteit in het leefmilieu; - nieuwe verplichtingen worden ingevoerd inzake de individuele dosimetrie van de blootgestelde werkers, ten einde de naleving van de dosislimieten beter te kunnen waarborgen, onder andere voor de handen en de ooglens; er is eveneens een erkenning voorzien voor de dienst die voor deze dosimetrie verantwoordelijk is (artikel 30.6); - voor verschillende categorieën van personen, met name de deskundigen bevoegd in de fysische controle, worden de vereisten op het gebied van opleiding inzake stralingsbescherming uitgebreid; - een meer coherent systeem wordt ingevoerd voor de vrijstellingen (bronnen met beperkte radioactiviteit waarvoor geen aangifte, noch een vergunning van de betrokken inrichtingen nodig is, artikel 3 en bijlage IA). Alle vrijstellingswaarden werden zodanig berekend dat ze beantwoorden aan de strenge criteria inzake de doses. Er is een systeem voorzien dat zal dienen als kader waarin de verwijdering van bepaalde van deze bronnen zal worden geplaatst; - een uitbreiding van de bepalingen inzake de opvang, behandeling en verwijdering van radioactief afval (artikelen 33 tot 37) : - de maximale toegelaten concentraties voor de lozing van vloeibare en gasvormige radioactieve stoffen in het water en in de lucht worden aangepast aan de nieuwe (strengere) dosislimieten voor de bevolking en aan de nieuwe beschikbare wetenschappelijke gegevens. Het Agentschap kan via een algemene richtlijn, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, maxima opleggen m.b.t. de totale activiteit van de vloeibare radioactieve stoffen die in een bepaalde tijdsduur mag geloosd worden; - wat de vaste radioactieve afvalstoffen betreft, herinneren we eraan dat elke verwijdering, recyclage of elk hergebruik enkel kan worden uitgevoerd na een volledige afname van de radioactiviteit of mits de toelating van het Agentschap. In het reglement wordt een hele reeks verplichtende regels vastgesteld met de bedoeling de dosis voor de leden van de bevolking (en voor hun afstammelingen) te minimaliseren en om zodoende een maximale naspoorbaarheid van de afvalstoffen te bekomen; - een duidelijke uitbreiding van de bepalingen met het oog op de beperking van de collectieve dosis veroorzaakt door een medische blootstelling (afdeling VI) : - uitbreiding van het toepassingsgebied binnen de medische branche : de bepalingen van het reglement zijn expliciet van toepassing op de blootstelling van patiënten voor diagnosestelling of een behandeling, de blootstelling van personen voor bedrijfsgeneeskundige controles, de blootstelling van personen bij bevolkingsonderzoeksprogramma's, de blootstelling van gezonde personen of van patiënten die vrijwillig deelnemen aan medische of biomedische diagnostische of therapeutische onderzoeksprogramma's, de blootstelling van personen ten behoeve van medisch-juridische procedures. Deze zijn eveneens van toepassing op personen die, met kennis van zaken en uit eigen vrije wil, maar niet beroepshalve, andere personen bijstaan die een medisch onderzoek of een medische behandeling ondergaan; - verscherpte toepassing van het rechtvaardigingsprincipe : alle individuele medische blootstellingen moeten kunnen worden gerechtvaardigd. Zowel aan de verwijzende geneesheer als aan de practicus worden duidelijke verantwoordelijkheden toegekend om ervoor te zorgen dat onnodige en niet gerechtvaardigde blootstellingen worden vermeden. De tussenkomst van de commissies voor ethiek, ingesteld voor de medische research, wordt uitgebreid en beter bepaald; - verscherpte toepassing van het optimaliseringsprincipe : alle doses tengevolge van medische blootstellingen voor radiologische doeleinden, met uitzondering van radiotherapeutische procedures, moeten, rekening gehouden met economische en sociale factoren, zo laag worden gehouden als - gelet op de noodzaak om de vereiste diagnostische gegevens te verkrijgen - redelijkerwijze mogelijk is. Een ganse reeks bepalingen van dit besluit werd uitgevaardigd om dit principe doeltreffend toe te passen. De doses waaraan de patiënt wordt blootgesteld, dienen te worden geëvalueerd en vergeleken met referentieniveaus; daarnaast moeten er procedures voor de kwaliteitsborging worden opgesteld; hieraan moeten de deskundigen die erkend zijn in de stralingsfysica actief meewerken. Voor alle apparaten en voor elk type van handeling moeten er schriftelijke procedures worden opgesteld. Alle toestellen bestemd voor de radiodiagnostiek, met uitzondering van de apparaten voor de intra-orale tandradiografie, moeten uitgerust zijn met een systeem, ten minste wanneer dit in de handel voorhanden is, waardoor de gecumuleerde dosis, die door de patiënt in de loop van het radiologische onderzoek wordt opgelopen, kan worden beoordeeld; - het behoud en de uitbreiding van de verplichtingen inzake opleiding in stralingsbescherming van het medisch en het paramedisch personeel, waarbij een verhoogde waakzaamheid aan de dag moet worden gelegd voor de bescherming van de kinderen.

Men moet er zich tenslotte van bewust zijn dat een aantal van deze nieuwe voorschriften niet van vandaag op morgen kunnen toegepast worden. Er werd daarom voorzien in een reeks overgangsmaatregelen om de overgang zonder al te veel moeilijkheden te laten verlopen.

Wij hebben de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars, De Vice-Eerste Minister en Minister van de Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Mobiliteit en Vervoer, Mevr. I. DURANT De Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, Mevr. M. AELVOETS De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN De Minister van Financiën, D. REYNDERS De Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, Ch. PICQUE Voor de Staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling, afwezig, De Minister van Mobiliteit en Vervoer, Mevr. I. DURANT

ADVIES 30.809/3 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, derde kamer, op 19 oktober 2000 door de Minister van Binnenlandse Zaken verzocht hem van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit "houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen", heeft, na de zaak te hebben onderzocht op de zittingen van 24 april 2001 en 22 juni 2001, op laatstvermelde datum het volgende advies gegeven : STREKKING EN ANTECEDENTEN VAN HET ONTWERP 1. Het voor advies voorgelegde ontwerp van koninklijk besluit strekt tot gedeeltelijke uitvoering (1) van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle.De ontworpen regeling zal in de plaats komen van die van het koninklijk besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen.

Het ontwerpbesluit, dat dertien hoofdstukken omvat, regelt in grote trekken hetgeen volgt : - in hoofdstuk I worden het toepassingsgebied en een aantal definities bepaald (artikelen 1 en 2 van het ontwerp); - hoofdstuk II heeft betrekking op de indeling van de inrichtingen en van de beroepsactiviteiten waarbij natuurlijke stralingsbronnen worden aangewend (artikelen 3 en 4) en op het vergunningsstelsel voor die inrichtingen en activiteiten (artikelen 5 tot 19); - hoofdstuk III bevat algemene beschermingsmaatregelen en regelt in het bijzonder de basisnormen betreffende de bescherming tegen blootstelling aan ioniserende stralingen (artikelen 20 tot 22), de fysische en medische controle, de voorlichting en de plichten van de werknemers (artikelen 23 tot 26), de algemene beschermingsmiddelen en -procédés (artikelen 27 tot 32), het beheren van radioactieve afvalstoffen (artikelen 33 tot 37), het betreden van bepaalde installaties (artikel 37bis), alsmede de operationele bescherming van de externe werkers die zijn blootgesteld aan een risico van ioniserende stralingen tijdens hun werkzaamheden in een gecontroleerde zone (artikelen 37ter tot 37quinquies); - hoofdstuk IV heeft betrekking op de invoer, de uitvoer, de doorvoer en de distributie van radioactieve stoffen (artikelen 38 tot 44ter); - hoofdstuk V betreft de in de geneeskunde of diergeneeskunde gebruikte niet-ingekapselde radionucliden (artikelen 45 tot 49); - hoofdstuk VI betreft de geneeskundige toepassingen van de ioniserende stralingen (artikelen 50 tot 55); - hoofdstuk VII heeft betrekking op het vervoer van radioactieve stoffen (artikelen 56 tot 60); - hoofdstuk VIII betreft de kernaandrijving (artikelen 61 tot 63); - hoofdstuk IX bevat een aantal verbodsbepalingen die van toepassing zijn, tenzij voor de betrokken activiteiten een vergunning werd verkregen (artikelen 64 en 65); - hoofdstuk X heeft betrekking op uitzonderlijke maatregelen in geval van diefstal en verlies van of ongevallen met radioactieve stoffen (artikelen 66 tot 69); - hoofdstuk XI bevat bepalingen in verband met de inrichting van het toezicht op het grondgebied en de bevolking in haar geheel en in verband met de noodplanning (artikelen 70 tot 72bis); - hoofdstuk XII regelt de erkenning van de deskundigen, van de instellingen waaraan bepaalde opdrachten kunnen worden toegewezen, en van de geneesheren (artikelen 73 tot 75); - hoofdstuk XIII bevat een aantal slotbepalingen, o.m. in verband met de informatieplicht van de exploitanten, de samenwerking met de gewesten, de uitoefening van het toezicht, en de bestraffing van de inbreuken op het reglement (artikelen 76 tot 83). 2.1. Een belangrijk deel van de bepalingen van het voorliggende ontwerp van besluit hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een advies (24.835/8) van de afdeling wetgeving van de Raad van State (2).

Het betrokken ontwerp heeft overigens niet tot een koninklijk besluit geleid. 2.2. Een groot deel van de bepalingen van het koninklijk besluit van 2 oktober 1997 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van ioniserende stralingen en tot gedeeltelijke inwerkingstelling van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (3), worden eveneens in het voorliggende ontwerp overgenomen. 3. Het voornoemde ontwerp 24.835/8 beoogde de omzetting van een aantal Europese Richtlijnen (4). In vergelijking met dat ontwerp beoogt het voorliggende ontwerp van koninklijk besluit ook nog de omzetting van twee Euratomrichtlijnen, met name Richtlijn 96/29/Euratom van de Raad van 13 mei 1996 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werkers tegen de aan ioniserende straling verbonden gevaren, en Richtlijn 97/43/Euratom van de Raad van 30 juni 1997 betreffende de bescherming van personen tegen de gevaren van ioniserende straling in verband met medische blootstelling en tot intrekking van Richtlijn 84/466/Euratom.

Rechtsgrond van het ontworpen besluit 1. Het ontworpen besluit vindt zijn rechtsgrond hoofdzakelijk in de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle.Meer bepaald wordt uitvoering gegeven aan de artikelen 3 (deels in combinatie met de artikelen 19 en 20), 7, 11, 17 (in combinatie met de artikelen 16 en 37) en 29 (in combinatie met artikel 28), die de Koning machtigen om uitvoeringsmaatregelen te nemen, en aan de artikelen 15, 18, 21, 22, 23, 25 en 26, waaraan op grond van artikel 108 van de Grondwet uitvoering wordt gegeven (5). 2. De bepalingen die rechtstreeks of onrechtstreeks verplichtingen opleggen aan de Nationale Instelling voor Radioactief Afval en Verrijkte Splijtstoffen (NIRAS) vinden rechtsgrond in artikel 179, § 2, van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980. Voorafgaande vormvereisten 1. Overeenkomstig artikel 33 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) moeten de lidstaten de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die tot doel hebben de "basisnormen" (6) te doen naleven, aan de Europese Commissie mededelen, opdat deze daarover aanbevelingen zou kunnen doen. De desbetreffende bepalingen zijn op 17 mei 2000 aan de Commissie genotificeerd, en op 12 september 2000 heeft de Commissie haar opmerkingen aan de Belgische regering meegedeeld.

De gemachtigde ambtenaar heeft medegedeeld dat in sommige bepalingen van het ontwerp nog substantiële wijzigingen werden aangebracht na de notificatie aan de Europese Commissie. Het betreft de artikelen 18, 30.4, 35, 51.2.3, 53.3.2, 53.3.5, 53.4.1 en 77, en bijlage IB. De laatstgenoemde bepalingen zullen mede onderzocht worden, onder voorbehoud evenwel dat ze alsnog genotificeerd worden aan de Europese Commissie overeenkomstig artikel 33 van het Euratomverdrag. 2. Bij de afdeling administratie van de Raad van State zijn twee beroepen tot nietigverklaring ingediend tegen het koninklijk besluit van 2 oktober 1997 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen het gevaar van ioniserende stralingen en tot gedeeltelijke inwerkingstelling van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor nucleaire controle (7). Een van de middelen, aangevoerd in deze verzoekschriften, heeft betrekking op het niet raadplegen van een aantal instanties, met name de Hoge Raad voor de volksgezondheid (8), de Hoge Raad voor de veiligheid, de gezondheid en de verfraaiing van de werkplaatsen (9), de Hoge Raad voor preventie en bescherming op het werk, de Nationale Arbeidsraad, de Nationale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen en de Academiën voor geneeskunde.

De hoofdstukken IV en VI van het voorliggende ontwerp handelen over dezelfde aangelegenheden als het voornoemde koninklijk besluit van 2 oktober 1997. Het gaat namelijk om de hoofdstukken i.v.m. "invoer, uitvoer, doorvoer en distributie van radioactieve stoffen" en i.v.m. "geneeskundige toepassingen van ioniserende stralingen".

Van de niet geraadpleegde organen aangehaald in de voornoemde vernietigingsberoepen zijn voor het voorliggende ontwerp evenmin geraadpleegd : de Nationale Arbeidsraad, de Nationale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen en de Academiën voor geneeskunde.

Gelet op de hangende annulatieberoepen, spreekt de afdeling wetgeving zich niet uit, wat het voorliggende ontwerp betreft, over het al dan niet verplicht karakter van de raadpleging van de voornoemde instanties.

Algemene opmerkingen 1. In verband met de artikelen 6.2.9, 7.3.2 en 11.2 van het voorliggende ontwerp dienen de volgende opmerkingen, die de Raad van State reeds eerder heeft gemaakt bij de gelijkluidende artikelen van het voornoemde ontwerp 24.835/8, in herinnering te worden gebracht en te worden bevestigd : "5.1. Artikel 6, § 1, II, tweede lid, 2, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993, bepaalt uitdrukkelijk dat de federale overheid bevoegd is voor "de bescherming tegen ioniserende stralingen, met inbegrip van het radioactief afval". Die bevoegdheid vormt een uitzondering op de principiële bevoegdheid van de Gewesten in verband met het leefmilieu en het waterbeleid.

Zoals het Arbitragehof reeds in 1988 besliste, op grond van de oorspronkelijke versie van artikel 6, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, sluit de genoemde federale bevoegdheid niet uit dat de Gewesten inrichtingen waarin stoffen of apparaten aanwezig zijn die ioniserende stralingen kunnen uitzenden, aan een bouwvergunning onderwerpen, en in het kader daarvan een milieueffectbeoordeling voorschrijven (10). Die bevoegdheid is, tijdens de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 16 juli 1993, uitdrukkelijk bevestigd (11). Ondertussen heeft ook het Arbitragehof de bevoegdheid terzake van de Gewesten in herinnering gebracht (12).

Inzake de bescherming tegen ioniserende stralingen oordeelde het Hof in 1988 dat de bijzondere wet zich er destijds tegen verzette dat die bescherming, die gedeeltelijk de leefmilieubescherming omvatte, voor wat betreft de vergunningen zou worden gesplitst over verscheidene overheden; de Gewesten werden bijgevolg niet bevoegd geacht om, in het kader van hun bevoegdheid inzake leefmilieu, voor nucleaire inrichtingen in een stelsel van vergunningen te voorzien (13). Die opvatting is door de bijzondere wetgever van 1993 niet gehandhaafd.

Zoals uit de parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 16 juli 1993 blijkt, doet de gewijzigde bepaling van artikel 6, § 1, II, van de bijzondere wet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de Gewesten "om lozingsvergunningen toe te kennen of te weigeren voor lozingen van niet-radioactieve stoffen door nucleaire installaties op hun grondgebied"; uiteraard mogen de Gewesten "bij hun beslissingen over bouwvergunningsaanvragen (lees : over die lozingsvergunningsaanvragen) ... enkel rekening houden met overwegingen die verband houden met de bescherming van het leefmilieu en niet met overwegingen die verband houden met bescherming tegen ioniserende stralingen" (14).

Inmiddels heeft het Arbitragehof bevestigd dat de Gewesten bevoegd zijn om een inrichting te onderwerpen aan een milieuvergunning waarvan het onderwerp tot de milieudoelstellingen beperkt is, die van de bescherming tegen ioniserende stralingen uitgezonderd (15); zij kunnen ook een effectbeoordeling voorschrijven, die zich echter niet mag uitstrekken tot de gevolgen voor het leefmilieu die de bevoegde federale overheden in acht moeten nemen op het gebied van de bescherming tegen ioniserende stralingen (16).

De federale overheid is derhalve slechts bevoegd ten aanzien van de aspecten van het milieubeleid welke de bescherming tegen ioniserende stralingen betreffen. Binnen die grenzen kan zij de activiteiten van nucleaire inrichtingen aan een vergunning of een milieueffectbeoordeling onderwerpen; meer in het algemeen kan zij regelend optreden ten aanzien van "alle emissies van radio-isotopen in het milieu, met inbegrip van deze afkomstig van niet-nucleaire installaties" (17). 5.2. Een aantal bepalingen van het ontwerp kunnen vragen doen rijzen in verband met de respectieve bevoegdheid van de federale overheid en de Gewesten. 5.2.1. Zo bepaalt artikel 6.2.9 dat een aanvraag tot het verkrijgen van een vergunning voor een inrichting van klasse I een milieueffectrapport moet bevatten; met betrekking tot bepaalde inrichtingen van klasse II kan volgens artikel 7.3.2 een milieueffectrapport gevraagd worden door de Wetenschappelijke Raad of het Agentschap.

In zoverre het bedoelde milieueffectrapport zich beperkt tot een beschrijving van de effecten op het leefmilieu die verband houden met de bescherming tegen ioniserende stralingen, is de federale overheid bevoegd om de genoemde regels te bepalen.

Hiermee moet dan wel meteen vastgesteld worden dat de ontworpen bepalingen niet volstaan voor een volledige omzetting van de Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. Die richtlijn vereist immers, met betrekking tot alle projecten "die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben" (artikel 1, lid 1), dat die onderworpen worden aan een voorafgaande milieueffectbeoordeling, welke een globale beoordeling moet bevatten van de gevolgen van het project op een aantal factoren en op de interactie tussen die factoren (artikel 3). Zulke globale beoordeling veronderstelt dat daarbij de doelstellingen én van leefmilieu in het algemeen én van stedenbouw en ruimtelijke ordening betrokken worden (18).

Een dergelijke globale beoordeling vereist te dezen het sluiten van een samenwerkingsakkoord tussen de federale overheid en de Gewesten (19). 5.2.2. Artikel 11.2 van het ontwerp bevat bepalingen in verband met inrichtingen die vallen onder de toepassing zowel van de reglementering inzake de hinderlijke inrichtingen als van de ontworpen regeling.

Volgens het eerste lid van artikel 11.2 mogen die inrichtingen (in bepaalde omstandigheden) "enkel vergund worden door de overheid die bevoegd is voor het verlenen van de vergunning voor de krachtens dit reglement ingedeelde inrichtingen". Deze bepaling komt erop neer dat de bevoegdheid van de gewestelijke overheden inzake leefmilieu door de federale overheid eenzijdig terzijde geschoven wordt. Zulke regeling houdt een miskenning in van de bevoegdheidsregels.

In het tweede lid wordt weliswaar een overleg met de gewestelijke overheid opgelegd. Dit overleg doet echter niets af aan de bevoegdheidsoverschrijding in het eerste lid. Overigens kan de federale overheid de gewestelijke overheden niet opleggen aan een overleg deel te nemen.

Artikel 11.2 dient dan ook grondig herschreven te worden of uit het ontwerp te worden weggelaten". 2. In verscheidene bepalingen van het ontwerp wordt verwezen naar de personeelsleden van het Federaal Agentschap voor Nucleaire Controle (hierna : Agentschap) die met het toezicht belast zijn;soms wordt in dit verband verwezen naar de personen bedoeld in artikel 78 van het ontwerp (zie bijvoorbeeld de artikelen 37.4, 37bis, 43, laatste lid, 67.3, 68.5, 79.1, 79.2, 79.3 en 79.5).

In artikel 78, eerste lid, van het ontwerp worden echter enkel de personen belast met het arbeidsgeneeskundig toezicht aangewezen. De aanwijzing van de personen die bevoegd zijn om de andere vormen van toezicht op de naleving van de wet van 15 april 1994 en haar uitvoeringsbesluiten uit te oefenen, maakt het voorwerp uit van een afzonderlijk ontworpen koninklijk besluit, waarover de Raad van State op 27 februari 2001 advies 31.003/3 heeft gegeven (20).

Volgens de gemachtigde ambtenaar hebben de verwijzigingen in het voorliggende ontwerp nu eens betrekking op de artsen én de leden van de controledienst, dan weer op één van die twee categorieën toezichthoudende ambtenaren.

De artikelen van het ontwerp waarin dergelijke verwijzingen voorkomen, dienen vanuit een dubbel oogpunt te worden nagekeken : enerzijds om te preciseren welke met het toezicht belaste personen bedoeld worden, anderzijds om de tekst van het ontwerp af te stemmen op die van het ontworpen besluit 31.003/3. 3. Bij het ontwerp zijn een aantal algemene wetgevingstechnische opmerkingen te maken (21). 3.1. De indeling van het ontwerp in artikelen gebeurt niet op de wetgevingstechnisch gebruikelijke manier. Soms wordt de nummering van de artikelen onderbroken; dit is het geval met de artikelen 10, 14 en 22, die "voorbehouden", d.i. niet-bestaande artikelen zijn. Soms komen bis-, ter-,...-artikelen voor (zie de artikelen 37bis tot 37quinquis, 38bis, 44bis, 44ter en 72bis).

Ook de indeling van de artikelen zelf gebeurt niet op de gebruikelijke manier. In plaats van de indeling in paragrafen, wordt in het ontwerp een indeling in sub-artikelen gehanteerd, waarbij elk sub-artikel in feite een afzonderlijk artikel zou kunnen vormen.

Hierop gewezen, heeft de gemachtigde ambtenaar het volgende verklaard : « De door ons in het ontwerp van (koninklijk besluit) weerhouden nummering is niet klassiek. Wij wensen evenwel deze nummering te behouden om volgende redenen : - overeenstemming met het KB van 1963 (22); - omwille van "duidelijkheid" voor diegene op wie het reglement van toepassing is.

De indeling volgens de traditionele wetgevingstechniek zou onoverzichtelijk zijn omwille van de lengte van de tekst. Het voordeel van de huidige nummering is dat ieder onderdeel van een hoofdstuk, artikel, lid of paragraaf perfect af te lijnen is. Dit maakt citeren overzichtelijk".

Omwille van de complexiteit en de omvang van het voorliggende ontwerp, kan de Raad van State die uitleg aanvaarden. 3.2. In de Nederlandse tekst van het ontwerp dient het woord "alinea" te worden vervangen door het woord "lid" (zie bijvoorbeeld de artikelen 3.1, inleidende zin, 4, 20.1.5 en 81.5, vierde lid). 3.3. Bij verwijzingen naar andere artikelen in het ontwerp staan vaak de woorden "van dit reglement" (zie bijvoorbeeld de artikelen 2, 3.1, 7.2.11, 8.1, 9.3, 18.3 en 20.1.1.1) of "van dit besluit" (zie bijvoorbeeld artikel 81.5) achter de betrokken artikelen. Die woorden zijn overbodig, en kunnen dus telkens worden weggelaten.

Bijzondere opmerkingen Aanhef 1. In het eerste lid van de aanhef schrijve men "wetten van 12 december 1997" in plaats van "wetten van 2 december 1997".2. In het tweede lid van de aanhef voege men het jaartal "1987" in na "16 januari".In fine vervange men voorts de woorden "23 december en 2 oktober 1997" door "23 december 1993, 17 oktober 1996, 2 oktober 1997 en 3 mei 1999". 3. Wat het derde lid van de aanhef betreft, moet worden opgemerkt dat artikel 179, § 2, van de wet van 8 augustus 1980 is vervangen bij de wet van 11 januari 1991 en gewijzigd bij de wet van 12 december 1997. In het genoemde lid wordt verwezen naar een bepaling die mede rechtsgrond biedt aan het ontworpen besluit. Het gaat bovendien om de oudste van de twee wetten die rechtsgrond bieden. Daaruit volgt dat het derde lid verplaatst moet worden, opdat dit lid het eerste lid zou vormen. 4. Wat het vierde lid van de aanhef betreft, moet worden opgemerkt dat de daarin vermelde richtlijn 84/466/Euratom met ingang van 13 mei 2000 is opgeheven (zie artikel 15 van richtlijn 97/43/Euratom, waarnaar verwezen wordt in het dertiende lid van de aanhef). Het vierde lid van de aanhef dient dan ook te worden weggelaten. 5. In het vijftiende lid van de aanhef schrijve men "29" in plaats van "30" (november 1999).6. In het zestiende lid van de aanhef schrijve men "19 november 1999" in plaats van "13 december 1999". 7. In het laatste lid van de aanhef kunnen het nummer (30.809/3) en de datum (22 juni 2001) van het voorliggende advies vermeld worden. 8. De aanmelding bij de Europese Commissie van 17 mei 2000, de adviezen van de inspectie van financiën van 1 maart en 5 oktober 2000, alsmede de beslissing van de Ministerraad van 6 oktober 2000 dienen eveneens in de aanhef te worden vermeld. Artikel 1 In de inleidende zin van het eerste lid van dit artikel wordt in de Nederlandse tekst in de zinsnede "wanneer de natuurlijke radionucliden worden of zijn aangewend omwille van hun radioactieve eigenschappen, ..." het woord "aangewend" gebruikt, terwijl in de inleidende zin van artikel 2, lid 1, van de voornoemde Richtlijn 96/92/Euratom het woord "bewerkt" voorkomt. In de Franse tekst van het ontwerp en van de Richtlijn wordt telkens het woord "traités" gebruikt.

Hierop gewezen, heeft de gemachtigde ambtenaar verklaard dat het woord "aangewend" beter wordt vervangen door "bewerkt".

Dezelfde opmerking geldt voor de definitie van "handeling" in artikel 2, c, van het ontwerp.

Artikel 2 1. Artikel 2 bevat een groot aantal definities, gerangschikt per rubriek.Die rubrieken zijn ingedeeld in a, b, c, ..., terwijl de definities zelf eenvoudig één na één opgesomd worden.

Vanuit wetgevingstechnisch oogpunt verdient het aanbeveling de bedoelde rubrieken te nummeren met arabische cijfers (1°, 2°, 3°,...), en de definities binnen elke rubriek in te delen in a, b, c, ..., aa, bb, cc, ... 2. De definitie van het begrip "ioniserende straling" (artikel 2, a) komt overeen met de omschrijving gegeven in artikel 1 van de voornoemde Richtlijn 96/92/Euratom.De definitie komt daarentegen niet overeen met die welke voor hetzelfde begrip gegeven wordt in artikel 1 van de wet van 15 april 1994. Blijkens dat artikel geldt die definitie overigens voor de toepassing van de wet en van de uitvoeringsbesluiten ervan.

Gewezen op het verschil tussen de twee definities, heeft de gemachtigde ambtenaar het volgende verklaard : "(les) deux définitions traduisent pratiquement la même réalité scientifique avec des mots différents; celle de la directive est exprimée plus scientifiquement : au pire elle est légèrement plus restrictive et incluse dans celle de la loi (vu chiffres précis cités) mais elle ne la déborde sûrement pas. Si cela pose vraiment un problème, une solution qui rapprocherait scientifiques et juristes, européens et belges, pourrait être de commencer par la définition de la loi et de poursuivre en disant « En tout cas, cette définition inclut les ... », suivi de la définition européenne".

De Raad van State kan het eens zijn met die laatste suggestie. De definitie van "ioniserende straling" in artikel 2, a, zal dan in die zin moeten worden herwerkt. 3. De definitie van "radioactieve afvalstoffen" (artikel 2, c) is niet dezelfde als die vervat in artikel 2, eerste streepje, van Richtlijn 92/3/Euratom van de Raad van 3 februari 1992 betreffende toezicht en controle op overbrenging van radioactieve afvalstoffen tussen lidstaten en naar en vanuit de Gemeenschap.4. In de Nederlandse tekst van de definitie van "handeling" (artikel 2, c) schrijve men "van een kunstmatige of van een natuurlijke stralingsbron" in plaats van "van een artificiële of van een natuurlijke stralingsbron", gelet op de eerder gegeven definitie van het begrip "kunstmatige stralingsbron".5. In de definities van "beroepshalve blootgestelde personen", "gecontroleerde zone" en "bewaakte zone" (alle in artikel 2, c) is telkens, in vergelijking met de overeenkomstige definities vervat in de voornoemde Richtlijn 96/92/Euratom, een bijkomend element verwerkt. In dat bijkomend element is sprake van "het stelsel van de handelingen".

Volgens de gemachtigde ambtenaar is het de bedoeling hiermee te verwijzen naar de beroepsactiviteiten bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het ontwerp, en naar het "stelsel" uitgewerkt in de artikelen 9 en 20.3 van het ontwerp.

Zoals de teksten geredigeerd zijn, is de betekenis van de bedoelde toevoeging onvoldoende duidelijk. Bovendien rijst de vraag of die toevoeging wel verenigbaar is met de richtlijn. De stellers van het ontwerp dienen de voornoemde definities dan ook opnieuw te bekijken.

Artikel 3 1. Men redigere de inleidende zin van artikel 3.1 als volgt : "De inrichtingen, die handelingen stellen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, worden in één van de volgende klassen ingedeeld :". 2. Volgens artikel 3.1 worden de nucleaire inrichtingen ingedeeld in vier klassen, waarvan het toepassingsgebied telkens wordt omschreven.

Uit artikel 6.2, 9., van het ontwerp blijkt dat de inrichtingen van klasse I onderworpen zijn aan het vereiste van een milieueffectbeoordeling. Met de genoemde bepaling wordt, wat de nucleaire inrichtingen betreft, de omzetting in het interne recht beoogd van artikel 4, lid 1, van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (23).

Het is echter niet meteen duidelijk of de inrichtingen bedoeld in bijlage I van de richtlijn, in zoverre die geacht kunnen worden stoffen te verwerken die ioniserende stralingen kunnen uitzenden (zie i.h.b. de inrichtingen bedoeld in bijlage I, punten 2, tweede streepje, en 3), alle begrepen zijn in de opsomming van inrichtingen behorend tot klasse I, in de zin van het ontwerp (zie artikel 3.1, a, van het ontwerp). In het ontwerp wordt immers een enigszins andere omschrijving van de inrichtingen gegeven dan in de richtlijn.

De stellers van het ontwerp dienen zich ervan te vergewissen dat de inrichtingen bedoeld in bijlage I van de Richtlijn, die onder de toepassing van de wet van 15 april 1994 vallen, wel degelijk behoren tot de inrichtingen van klasse I. Indien dit niet het geval zou zijn, dient artikel 3.1 van het ontwerp aangevuld te worden.

Artikel 4 1. In artikel 4, 1., derde streepje, stemmen de Nederlandse en de Franse tekst niet helemaal overeen ("wanneer dit zich bevindt"/"s'ils sont situés").

Volgens de gemachtigde ambtenaar stemt de Franse tekst overeen met de bedoeling van de stellers van het ontwerp. Men schrijve dan ook in de Nederlandse tekst : "wanneer ze zich bevinden ... ». 2. Artikel 4, 3., redigere men als volgt : "3. de exploitatie van vliegtuigen.".

Artikel 6 1. Artikel 6.2, 9., beoogt de omzetting in het interne recht van artikel 5, lid 3, van de voornoemde Richtlijn 85/337/EEG. Die omzetting is echter onvolkomen. Zo bepaalt artikel 5, lid 3, derde en vierde streepje, van de voornoemde de richtlijn dat de door de opdrachtgever te verstrekken informatie o.m. moet bevatten : "- de nodige gegevens om de voornaamste milieueffecten die het project vermoedelijk zal hebben, te kunnen bepalen en beoordelen; - een schets van de voornaamste alternatieven die de opdrachtgever heeft onderzocht, met opgave van de voornaamste motieven voor zijn keuze, met inachtneming van de milieueffecten".

Die gegevens zijn als zodanig niet terug te vinden in de opsomming vervat in artikel 6.2, 9., van het ontwerp. 2.1. Luidens artikel 6.9, eerste lid, zal het Agentschap "of de erkende instelling dat (lees : die) het daartoe aanwijst", overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 april 1994, op verzoek en ten laste van de exploitant, overgaan tot de oplevering van de installatie.

Verder wordt in artikel 6.9, eerste lid, laatste volzin, en tweede lid, enkel gehandeld over het opleveringsverslag dat door het Agentschap wordt opgesteld. Allicht is het de bedoeling dat, als een erkende instelling is aangewezen om tot de oplevering over te gaan, het ook die instelling is die het verslag opstelt. De tekst van het eerste en het tweede lid zou op dit punt aangevuld moeten worden. 2.2. In de laatste volzin van artikel 6.9, eerste lid, wordt bepaald dat, indien het Agentschap geen volledig gunstig opleveringsverslag kan opstellen, dit vooraf aan de exploitant wordt medegedeeld, "waarbij wordt verduidelijkt dat hij het recht heeft om binnen de vijftien kalenderdagen gehoord te worden".

Er moet worden gepreciseerd wanneer de bedoelde termijn van vijftien dagen begint te lopen. 2.3. In artikel 6.9, tweede lid, wordt bepaald dat het Agentschap "binnen de vijftien kalenderdagen" zijn verslag aan de minister overmaakt.

Ook hier zou bepaald moeten worden vanaf welk ogenblik die termijn begint te lopen. In de Franse tekst vervange men de woorden "jours calendrier" door "jours civils".

Artikel 9 1. In artikel 9.4, eerste lid, schrijve men : "Indien het Agentschap van oordeel is dat, overeenkomstig artikel 9.3, eerste lid, sommige voorschriften van dit reglement moeten worden ... (verder zoals in het ontwerp)". 2. Men redigere de inleidende zin van artikel 9.5 als volgt : "Het Agentschap maakt een afschrift van de vergunning over aan :". 3.1. Volgens artikel 9.6, eerste lid, kan tegen de beslissing van het Agentschap beroep worden aangetekend. Uit de toelichting van de gemachtigde ambtenaar blijkt dat het de bedoeling is dat ook derden, zoals buurtbewoners, een beroep zouden kunnen instellen.

Het ontwerp voorziet echter niet in een bekendmaking van de beslissing van het Agentschap. Er bestaat dan ook geen enkele waarborg dat derden op de hoogte zullen zijn van het bestaan van de beslissing, laat staan van het ogenblik waarop de vergunning ter kennis is gebracht van de personen bedoeld in artikel 9.5. Op die manier zou het recht van de derden om beroep in te stellen eerder illusoir kunnen zijn. 3.2. Onder voorbehoud van een aanpassing van de tekst van artikel 9.6, eerste lid, ten gevolge van opmerking 3.1, schrijve men in dat lid : "Binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de kennisgeving van de vergunning, kan ...". 3.3. In het vierde lid van hetzelfde artikel 9.6 dient te worden verwezen naar artikel 9.5 in plaats van naar artikel 8.4. De gemachtigde ambtenaar is het hiermee eens.

Artikel 12 Dit artikel heeft o. m. betrekking op de wijziging of de uitbreiding van een inrichting van klasse I. Overeenkomstig artikel 4, lid 2, en bijlage II, punt 13, eerste streepje, van de hiervóór vermelde Richtlijn 85/337/EEG kan voor een wijziging of uitbreiding van projecten van bijlage I of II bij de richtlijn, die worden uitgevoerd en die aanzienlijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben, een milieueffectrapport worden opgelegd. Artikel 4, lid 3, van de richtlijn bepaalt dat bij de beslissing om al dan niet zulk rapport op te leggen, rekening gehouden moet worden met de selectiecriteria opgesomd in bijlage III bij de richtlijn.

Die bepalingen worden niet volledig omgezet in artikel 12 van het ontwerp. Met name ontbreekt een opsomming van de criteria op grond waarvan het Agentschap moet beslissen of al dan niet een nieuwe vergunning, en dus een milieueffectrapport, vereist is; ook ontbreekt een opsomming van de criteria op grond waarvan de minister een afwijking van het vereiste inzake een milieueffectrapport kan toestaan.

Artikel 13 Men redigere het derde lid van dit artikel als volgt : "De kennisgeving en de aanplakking van het nieuwe besluit vinden plaats overeenkomstig de artikelen 6.8, 7.5, 7.6, 8.4 of 9.5 (niet 9.6), naargelang het geval.".

Artikel 18 De gemachtigde ambtenaar stelt voor artikel 18.1 duidelijkheidshalve te redigeren als volgt : "18.1. De verwijdering en de afvoer voor recyclage of hergebruik van vaste radioactieve afvalstoffen afkomstig van inrichtingen van klasse I, II of III bedoeld in artikel 3 (...), die niet beantwoorden aan de (voorwaarden en niveaus voor vrijgave) vastgesteld in bijlage IB (...), dienen het voorwerp uit te maken van een vergunning van het Agentschap.

De verwijdering en de afvoer voor recyclage of hergebruik van vaste radioactieve afvalstoffen, afkomstig van beroepsactiviteiten, vergund met toepassing van artikel 9 (...), dienen eveneens het voorwerp uit te maken van een vergunning van het Agentschap.".

Artikel 20 1.1. De Nederlandse en de Franse tekst van artikel 20.1.1.1, eerste lid, a, eerste lid, stemmen niet helemaal overeen ("vooraleer ze de eerste maal worden ingevoerd of vergund"/"avant leur première adoption ou leur première autorisation"). De Franse tekst leunt het nauwst aan bij die van artikel 6, lid 1, van de voornoemde Richtlijn 96/29/Euratom. De Nederlandse tekst van het ontwerp dient derhalve aangepast te worden : men vervange daarin het woord "ingevoerd" door het woord "verricht", dat ook in de richtlijn voorkomt. 1.2. In hetzelfde artikel 20.1.1.1, eerste lid, a, eerste lid, is het niet duidelijk hoe deze bepaling, die voorschrijft dat er een rechtvaardigingsstudie moet worden toegevoegd aan de dossiers voor de aanvraag van een vergunning, zich verhoudt tot de bepalingen van hoofdstuk II, die de vergunningsaanvraag regelen. Indien de bedoelde rechtvaardiging een bijkomende "te verstrekken inlichting" is, in de zin van de artikelen 6.2, 7.2 en 8.2 van het ontwerp, verdient het aanbeveling daarvan uitdrukkelijk melding te maken in die artikelen. 2. In de Nederlandse tekst van artikel 20.1.1.1, zevende lid, schrijve men "koninklijk besluit van 27 maart 1998" in plaats van "koninklijk besluit van 27 maart 1988".

Dezelfde opmerking geldt voor artikel 25, eerste lid, van het ontwerp, ook wat de Franse tekst betreft. 3.1. In artikel 20.1.1.3, derde lid, wordt de term "interne besmetting" gebruikt. Artikel 10, lid 2, van voornoemde Richtlijn 96/29/Euratom hanteert echter de uitdrukking "radioactieve besmetting van het lichaam". Die laatste uitdrukking is duidelijker; ze sluit ook beter aan bij de term "radioactieve besmetting", die wordt gedefinieerd in artikel 2, b, van het ontwerp.

Het verdient dan ook aanbeveling de woorden "interne besmetting" te vervangen door "radioactieve besmetting van het lichaam". 3.2. In het vierde lid van hetzelfde artikel 20.1.1.3 worden de "stagiaires" vermeld. Volgens de definitie van het begrip "leerlingen" in artikel 2, c, van het ontwerp, zijn zij reeds vervat in het begrip "leerlingen".

Men schrappe derhalve het woord "stagiaires" in de ontworpen bepaling. 4. In artikel 20.1.7, vierde lid, dient volgens de gemachtigde ambtenaar, naar analogie van de artikelen 20.1.6, h, en 20.2.3, verwezen te worden, niet naar artikel 18 van het koninklijk besluit van 25 april 1997, maar naar de artikelen 18 tot 23 van dat besluit. 5. Men redigere de Nederlandse tekst van artikel 20.2.2, d, als volgt : "d) de interventieniveaus die een aanwijzing vormen voor de situaties waarin een interventie gepast is, worden uitgewerkt door het Agentschap voor ... (verder zoals in het ontwerp)".

Artikel 21 In het derde lid van dit artikel wordt aan het Agentschap een subdelegatie van verordenende bevoegdheid gegeven om "het gebruik (op te leggen) van methodes die wetenschappelijk meer up-to-date zijn, via een omzendbrief die in het Belgisch Staatsblad wordt gepubliceerd".

Weliswaar heeft die machtiging volgens de gemachtigde ambtenaar betrekking op een zeer technische materie, waarbij niet aan de norm wordt geraakt maar wel aan de meetmethode, die aan constante evolutie onderhevig is. Toch moet worden opgemerkt dat een dergelijke subdelegatie te verregaand is, omdat ze erop neerkomt dat een koninklijk besluit in feite zal kunnen worden gewijzigd door een verordening van het Agentschap.

Volgens artikel 108 van de Grondwet is het maken van de verordeningen die voor de uitvoering van de wetten nodig zijn, in beginsel zaak van de Koning. Afwijkingen van die principiële regeling, waarbij de Koning zijn verordenende bevoegdheid zou delegeren aan een openbare instelling, die geen politieke verantwoording moet afleggen tegenover de Kamer van volksvertegenwoordigers, kunnen enkel aanvaard worden voor regelingen die van zeer bijkomstige aard zijn. Dit lijkt met de hier bedoelde delegatie van bevoegdheid echter niet het geval te zijn, aangezien de regeling ten principale wordt opgenomen in het ontworpen koninklijk besluit zelf.

De conclusie lijkt dan ook te zijn dat het tweede zinsdeel van artikel 21, derde lid, moet worden weggelaten.

Artikel 30 Luidens artikel 30.6, elfde lid, tweede volzin, van het ontwerp "zullen (daarenboven) de maatregelen getroffen worden om elke werknemer toegang te verlenen tot de meetresultaten die op hem betrekking hebben".

Die bepaling houdt, volgens de gemachtigde ambtenaar, de omzetting in van artikel 38, lid 2, van de voornoemde Richtlijn 96/29/Euratom, naar luid waarvan "elke lidstaat ... de nodige maatregelen verplicht (stelt) om ervoor te zorgen dat de werkers op hun verzoek toegang hebben tot de resultaten van hun verzoek toegang hebben tot de resultaten van hun individuele controle, inclusief de resultaten van de metingen die eventueel zijn gebruikt om die te schatten, of tot de resultaten van de aan de hand van metingen op de werkplek verrichte bepalingen van de door hen ontvangen doses".

Zoals de aangehaalde bepaling van het ontwerp is geredigeerd, wordt het aan de exploitant van de inrichting overgelaten om te bepalen welke maatregelen genomen moeten worden om aan de werknemers de toegang tot de bedoelde meetresultaten te verlenen. Om in overeenstemming te zijn met artikel 38, lid 2, van de richtlijn, zou echter in het ontwerp zelf bepaald moeten worden dat elke werknemer toegang heeft tot de meetresultaten die op hem betrekking hebben; bovendien zou bepaald moeten worden dat die resultaten mede de resultaten omvatten die in artikel 38, lid 2, nader zijn vermeld ("inclusief de resultaten ... » ).

Artikel 33 In het eerste lid van dit artikel dient te worden verwezen naar artikel 54.8.2, d, in plaats van naar artikel 54.8.1.

Artikel 34 In artikel 34.2, eerste lid, moet het zinsdeel "Onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de niet-radioactieve vloeibare afvalstoffen" worden weggelaten. Die woorden hebben immers geen betekenis in de context van de ontworpen bepaling, die handelt over een eenvoudig verbod tot lozing van radioactieve vloeibare afvalstoffen.

Mutatis mutandis geldt deze opmerking eveneens voor de artikelen 35.2, eerste lid, en 36.1, eerste lid, van het ontwerp.

Artikel 35 1. Artikel 35.2 bevat een aantal bepalingen die dubbel gebruik maken met bepalingen die elders in het ontwerp voorkomen.

De gemachtigde ambtenaar stelt voor om artikel 35.2 te redigeren als volgt, mede in het licht van haar tekstvoorstel voor artikel 18.1 (zie hiervóór) : "Onverminderd de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de vaste radioactieve of niet-radioactieve afval, zijn de verwijdering en de afvoer ... verboden wanneer deze niet voldoen aan de voorwaarden en de niveaus voor vrijgave vastgesteld in bijlage IB (...), tenzij het Agentschap hiervoor een vergunning verleent met toepassing van artikel 18 (...).

In de inrichtingen waar radioactieve stoffen ...

In het kader van de ontmanteling van de installaties ... volgens de bepalingen vermeld in artikel 17 (...), zijn de verwijdering en de afvoer met het oog op ..." . 2. Volgens de gemachtigde ambtenaar is, in het kader van gesprekken met de gewesten, gebleken dat artikel 35.5 nog een aanvulling behoeft.

De tekst die aan artikel 35.5, eerste lid, van het ontwerp moet worden toegevoegd, luidt als volgt : "Ten laatste (op 1 maart) van elk jaar sturen de ondernemingshoofden aan het Agentschap een overzicht van de afvalstoffen die tijdens het voorbije jaar werden vrijgegeven. Het model van dat overzicht wordt vastgesteld door het Agentschap. » .

Deze toevoeging is volgens de gemachtigde ambtenaar nodig, opdat het Agentschap de in artikel 35.5, eerste lid, bedoelde gegevens zou kunnen meedelen aan de gewesten.

Artikel 44bis In het derde lid van dit artikel wordt de datum "5 november 1997" vermeld. Het is de bedoeling te verwijzen naar de datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 2 oktober 1997 tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 februari 1963 en tot gedeeltelijke inwerkingstelling van de wet van 15 april 1994. In dat geval moet verwezen worden naar "3 november 1997".

Overigens hoort de bepaling van artikel 44bis, derde lid, het voorwerp uit te maken van een afzonderlijke overgangsbepaling, onder te brengen in artikel 81 van het ontwerp.

Artikel 47 In het tweede lid van dit artikel wordt aan het Agentschap een subdelegatie van bevoegdheid verleend om de samenstelling en de werkingsregels te bepalen van de commissie die bij het Agentschap is ingesteld, en die belast is met de beoordeling van de bekwaamheid van de apothekers die wensen erkend te worden door het Agentschap, voor de uitoefening van de controle bedoeld in hoofdstuk V van het ontwerp.

Het vaststellen van de bedoelde regels kan moeilijk beschouwd worden als het regelen van een aangelegenheid van zeer bijkomstige aard. Die bedoelde regels moeten derhalve in het ontwerp zelf worden vastgesteld (zie de opmerking bij artikel 21 van het ontwerp).

Artikel 50 Artikel 50.1, dat een aantal definities bevat, beoogt de omzetting in het interne recht van een groot deel van de bepalingen van artikel 2 van de voornoemde Richtlijn 97/43/Euratom.

Er moet worden vastgesteld dat een aantal definities van de richtlijn niet voorkomen in artikel 50.1 van het ontwerp. Sommige van die definities worden omgezet in artikel 2 van het ontwerp (zie de definities van de begrippen "dosisbeperking", "blootstelling" en "medisch-fysisch deskundige"). Van een aantal andere in de richtlijn bepaalde definities is terecht geoordeeld dat een omzetting niet vereist is (zie de definities van de begrippen "bevoegde autoriteiten", "houder", "inspectie", ""bedrijfsgeneeskundige controle" en "verwijzend persoon").

De definitie van het begrip "individuele schade", in artikel 2 van de richtlijn, wordt in het ontwerp niet omgezet. Weliswaar bevat artikel 2, b, van het ontwerp een omschrijving van het bergip "gezondheidsschade". Die definitie, die betrekking heeft op de schade geleden door een hele populatie, stemt niet overeen met die van het begrip "individuele schade". Op dit punt dient het ontwerp dan ook aangevuld te worden. Daarbij zal er uiteraard voor gewaakt moeten worden dat er geen onverenigbaarheid bestaat tussen de twee definities.

Artikel 51 1. Volgens artikel 51.1.1, tweede lid, a, dient elk nieuw type handeling die een blootstelling voor medische of diergeneeskundige doeleinden met zich brengt, "overeenkomstig de bepalingen vermeld in artikel 20.1.1.1.a), eerste alinea (lees : artikel 20.1.1.1, eerste lid, a, eerste lid),... te worden gerechtvaardigd alvorens het voor de eerste maal wordt vergund".

In artikel 20.1.1.1, eerste lid, a, eerste lid, wordt de rechtvaardiging opgelegd vooraleer een handeling de eerste maal wordt "ingevoerd (lees : "verricht"(24)) of vergund". Het is niet duidelijk waarom in artikel 51.1.1, tweede lid, a, enkel sprake is van het voor de eerste maal vergunnen van een type handeling, en niet meer van het voor de eerste maal verrichten van een type handeling.

Die vaststelling klemt des te meer, nu in artikel 3, lid 1, tweede alinea, a, van Richtlijn 97/43/Euratom - welke bepaling met artikel 51.1.1, tweede lid, a, van het ontwerp wordt omgezet - sprake is van de rechtvaardiging van nieuwe soorten handelingen die medische blootstelling meebrengen, "alvorens zij algemeen worden aanvaard". Die laatste uitdrukking lijkt een ruimere draagwijdte te hebben dan die welke gebruikt wordt in artikel 51.1.1, tweede lid, a, van het ontwerp.

De stellers van het ontwerp dienen na te gaan of de laatstgenoemde bepaling niet aangepast moet worden. 2. In artikel 51.1.1, tweede lid, c, van het ontwerp wordt o.m. bepaald dat, in het geval van een vrouw in de vruchtbare leeftijd, zowel de voorschrijvende arts als de practicus bij haar moeten informeren "naar de mogelijkheid van een zwangerschap".

Om in overeenstemming te zijn met artikel 10, lid 1, a, van de voornoemde Richtlijn 97/43/Euratom, dient de aangehaalde bepaling van het ontwerp te worden aangevuld met de verplichting om te informeren naar de mogelijkheid of de vrouw "borstvoeding geeft". De gemachtigde ambtenaar is het hiermee eens. 3. In artikel 51.2.2 dient verwezen te worden naar artikel 50.2.2, "eerste lid, a), b), c) en e)".

Mutatis mutandis geldt deze opmerking eveneens voor artikel 51.2.3, inleidende zin. 4. In artikel 51.2.2, laatste volzin, wordt niet gepreciseerd wie het onderzoek ter plaatse moet uitvoeren.

De genoemde bepaling beoogt de omzetting van artikel 6, lid 5, van de voornoemde Richtlijn 97/43/Euratom, waarin sprake is van een "plaatselijke inspectie". Rekening houdend met de definitie van het begrip "inspectie" in artikel 2 van de richtlijn, dient het onderzoek derhalve te gebeuren door "een bevoegde autoriteit". In de geest van de wet van 15 april 1994 moet het onderzoek dan ook allicht uitgevoerd worden door het Agentschap. Die precisering kan best in het ontwerp aangebracht worden. 5. In artikel 51.3, eerste lid, moet in fine worden verwezen naar de artikelen 53, 54.3 en 54.5, c, in plaats van naar de artikelen 53 en 54 in hun geheel. 6. In artikel 51.3, tweede lid, is de verwijzing naar artikel 51.3 van het ontwerp verkeerd. Er dient volgens de gemachtigde ambtenaar te worden verwezen naar de artikelen 51.7 en 53.2. 7. De bepalingen van artikel 51.7 nemen in grote mate de bepalingen van het koninklijk besluit van 28 februari 1963 over, die bij artikel 7 van het voornoemde koninklijk besluit van 2 oktober 1997 zijn gewijzigd.

Zoals hiervoren reeds werd opgemerkt, zijn twee annualatieberoepen tegen het voornoemde koninklijk besluit van 2 oktober 1997 aanhangig bij de afdeling administratie van de Raad van State (25).

De omstandigheid dat die beroepen aanhangig zijn, staat eraan in de weg dat de afdeling wetgeving advies geeft over de betwiste rechtspunten.

Dezelfde opmerking geldt voor de artikelen 53 tot 55 van het ontwerp, alsmede voor artikel 81.5, welke bepalingen ook rees grotendeels voorkomen in het koninklijk besluit van 28 februari 1963, zoals gewijzigd bij het voornoemde koninklijk besluit van 2 oktober 1997.

Artikelen 56 tot 60 Deze bepalingen vormen hoofdstuk VII van het ontwerp, dat betrekking heeft op het vervoer van radioactieve stoffen. In verband met een gelijkaardige regeling in het voornoemde ontwerp L. 24.835/8, heeft de Raad van State in zijn advies van 9 mei 1996 het volgende opgemerkt : "Dit hoofdstuk regelt de afgifte van vergunningen voor het vervoer van radioactieve stoffen. Volgens artikel 56 is een vergunning vereist voor elk vervoer, met uitzondering van bepaalde soorten vervoer bedoeld in het tweede lid. Artikel 57 voorziet in drie soorten vergunningen : een "algemene vergunning", te verlenen aan bepaalde vervoerders; een "bijzondere vergunning", eveneens te verlenen aan bepaalde vervoerders, met betrekking tot een "toevallig" vervoer; en een "speciale vergunning", te verlenen voor een welbepaald vervoer dat aan de nader bepaalde omschrijving beantwoordt.

Artikel 4 van de wet van 15 april 1994 bepaalt dat radioactieve stoffen enkel vervoerd mogen worden door "personen " daartoe "erkend" door het Agentschap. Die bepaling is in de wet ingeschreven om het vervoer voor te behouden aan personen die over "aangepast materieel" beschikken (26).

Die "erkenning" is te onderscheiden van de "vergunning" voor het vervoer van radioactieve stoffen. Zulks blijkt onder meer uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 14 juli 1983 tot wijziging van de wet van 29 maart 1958 betreffende de bescherming van de bevolking tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren, waarbij een artikel 4bis, met grotendeels dezelfde inhoud als artikel 4 van de wet van 15 april 1994, in de wet van 29 maart 1958 werd ingevoegd.

In het voor advies aan de Raad van State voorgelegde voorontwerp luidde de desbetreffende bepaling als volgt : "Het vervoer van radioactieve stoffen of toestellen die er bevatten mag slechts uitgevoerd worden door vervoerders die hiervoor erkend werden.

De Koning is gemachtigd om te bepalen welk vervoer van radioactieve stoffen daarenboven aan een vergunning onderworpen is".

In zijn advies L. 15.312/8 van 21 april 1983 merkte de Raad van State op dat het tweede lid overbodig was, omdat de Koning de aldaar bedoelde bevoegdheid reeds putte in artikel 2, eerste lid, van de wet van 29 maart 1958, welke bepaling in essentie overeenstemt met artikel 3, tweede lid, van de wet van 15 april 1994. Het tekstvoorstel dat de Raad met betrekking tot het bedoelde artikel maakte, bleef dan ook beperkt tot het eerste lid van de oorspronkelijke tekst (27). De regering en de Kamers hebben dat voorstel overgenomen. Uit de memorie van toelichting bij het neergelegde wetsontwerp blijkt dat daarmee geenszins afgestapt werd van de idee "dat enkel erkende vervoerders radioactieve stoffen of toestellen die er bevatten, mogen vervoeren en dat, zoals voorzien in de internationale reglementen, bepaalde transporten aan een vergunning onderworpen zijn" (28).

Dat de "erkenning" (van personen) en de "vergunning" (van bepaalde transporten) wel degelijk van elkaar te onderscheiden zijn, blijkt voorts uit artikel 18 van de wet van 15 april 1994, naar luid waarvan het Agentschap toezicht houdt op de naleving van de bijzondere voorwaarden opgelegd door de "vergunnings- en erkenningsakten".

De ontworpen artikelen doen, niettegenstaande de overname van de essentie van de bepalingen van het vigerende koninklijk besluit van 28 februari 1963 (29), vragen rijzen vanuit het oogpunt van hun verenigbaarheid met artikel 4 van de wet.

Die bepaling vereist immers voor elke vervoerder, zonder uitzondering, een "erkenning". Mochten de in artikel 57 van het ontwerp bedoelde algemene en bijzondere "vergunningen" aan dat vereiste beantwoorden, dan nog moet vastgesteld worden dat in artikel 56 vrijstellingen van de vergunningsplicht bepaald worden, welke met de algemene regel van artikel 4 van de wet onverenigbaar zijn.

De bepalingen van hoofdstuk VII dienen bijgevolg herschreven te worden opdat een duidelijk onderscheid gemaakt wordt tussen de "erkenning", die in alle gevallen voor de vervoerder vereist is, en de "vergunning", die voor bepaalde soorten vervoer voorbehouden kan worden.

Wat de erkenningsvereisten betreft, moet daarenboven opgemerkt worden dat deze volgens artikel 4 van de wet slechts vastgesteld kunnen worden na advies van het Agentschap".

De Raad van State kan te dezen niet anders dan die opmerking herhalen.

Artikel 64 1. Luidens artikel 6, lid 5, van de voornoemde Richtlijn 96/29/Euratom, staan de lidstaten niet toe dat er bij de productie van levensmiddelen, speelgoed, sieraden en cosmetische producten opzettelijk radioactieve stoffen worden toegevoegd, of dat dergelijke goederen worden in- of uitgevoerd. Artikel 64.1, b, van het ontwerp, welke bepaling de omzetting beoogt van het voornoemde artikel 6, lid 5, luidt als volgt : "(Het is verboden) om radioactieve stoffen toe te voegen, door middel van activering inbegrepen, aan eetwaren, schoonheidsproducten, sieraden, cosmetica, speelgoed en aan producten en voorwerpen voor huishoudelijk gebruik; voor wat de edelstenen, halfedelstenen en parels betreft, kan het Agentschap tolerantielimieten bepalen voor de specifieke activiteit en/of voor het dosistempo".

De bepaling i.v.m. de mogelijkheid om voor edelstenen, halfedelstenen en parels, een tolerantielimiet te bepalen, lijkt een versoepeling in te houden van het verbod bedoeld in de Richtlijn.

De gemachtigde ambtenaar versterkte in dit verband de volgende toelichting : "Het gaat hier om verwerkte edelstenen/parels, dus niet om edelstenen/parels in hun natuurlijke toestand. In de edelstenen/parels in natuurlijke toestand is steeds een vorm van radioactiviteit aanwezig. Deze kan worden geactiveerd, zelfs versterkt bij verwerking.

Het gaat hier dus niet om een toevoeging in de letterlijke zin van het woord. Deze radioactiviteit kan tijdelijk zijn".

Uit die toelichting blijkt dat de stellers van het ontwerp in feite een verstrenging van de richtlijn beogen. Wat de sieraden betreft, geldt het verbod immers niet enkel voor de toevoeging van radioactieve stoffen, maar ook voor de activering ervan, zij het dan met de mogelijkheid van het aanvaarden van bepaalde tolerantiegrenzen.

De Raad van State vraagt zich af of artikel 64.1, b, dan niet beter geredigeerd kan worden als volgt : "b) om radioactieve stoffen toe te voegen aan eetwaren, ... voor huishoudelijk gebruik. Voor wat de edelstenen, halfedelstenen en parels betreft, geldt het verbod eveneens voor de activering van de radioactiviteit die in die sieraden aanwezig is; het Agentschap kan evenwel tolerantielimieten bepalen ...;". 2. Overeenkomstig artikel 6, lid 5, van de voornoemde Richtlijn, dient in artikel 64.2, eerste lid, van het ontwerp ook de uitvoer van de betrokken toestellen en producten te worden verboden. De gemachtigde ambtenaar is het hiermee eens.

Artikel 74 In verband met de bepalingen van het voornoemde ontwerp L. 24.835/8 die gelijkluidend zijn met die van artikel 74.2, 1° en 2°, van het voorliggende ontwerp, heeft de Raad van State in zijn advies van 9 mei 1996 het volgende opgemerkt : "(1.) In zoverre de voorwaarde bepaald in artikel 74.2, 1°, ertoe strekt de erkenning voor te behouden aan verenigingen naar Belgisch recht, zoals trouwens tijdens de parlementaire voorbereiding werd gesteld (30), is ze strijdig met het principe van het vrij verkeer van diensten binnen de Europese Gemeenschap (31). (2.) Artikel 74.2, 2°, bepaalt onder meer dat de ministers de modaliteiten van de verzekering voor "burgerlijke verantwoordelijkheid" (lees : burgerlijke aansprakelijkheid) bepalen, evenals de voorwaarden waaraan de verzekering moet voldoen.

Het toekennen van een dergelijke verordenende bevoegdheid aan ministers strookt niet met hetgeen bepaald is in artikel 108 van de Grondwet (...)".

De Raad van State kan niet anders dan die opmerkingen herhalen.

Artikel 76 Het eerste lid van dit artikel legt een kennisgevingsplicht op aan o.m. de exploitanten van de inrichtingen van klasse I, II en III. In het tweede lid wordt voorts bepaald dat de exploitanten daartoe een aantal documenten moeten voorleggen. Die documenten worden geïdentificeerd door een verwijzing naar bepalingen die gelden voor de inrichtingen van klasse I (artikel 6.2, 7.) en klasse II (artikelen 7.2, 6., en 7.2, 7.).

Aangezien ook de exploitanten van inrichtingen van klasse III gegevens ter kennis moeten brengen, dient allicht eveneens te worden verwezen naar de overeenkomstige bepaling die voor die inrichtingen geldt, te weten artikel 8.2, 6°.

Artikel 77 Volgens dit artikel sluit het Agentschap overeenkomsten met de gewesten.

In zoverre hiermee samenwerkingsakkoorden zouden zijn bedoeld, in de zin van artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, moet worden opgemerkt dat die akkoorden niet gesloten kunnen worden door een openbare instelling als het Agentschap.

In elk geval is de Koning onbevoegd om het Agentschap en de gewesten te verplichten om overeenkomsten te sluiten.

Wil de regering voorzien in een wederzijdse uitwisseling van informatie en in onderlinge raadpleging, zoals bedoeld in artikel 77, dan dient het voorwerp uit te maken van een samenwerkingsakkoord tussen de Belgische Staat en gewesten.

Gelet op het voorgaande, dient artikel 77 uit het ontwerp te worden weggelaten. De gemachtigde ambtenaar is het hiermee eens.

Artikel 78 1. In verband met dit artikel wordt vooreerst verwezen naar algemene opmerking 2. Gelet op het feit dat bepaalde bevoegdheden i.v.m. het toezicht geregeld worden in het in die algemene opmerking genoemde ontwerp 31.003/3, is het opschrift van artikel 78 ("Verdeling van het toezicht") niet correct. 2. Het tweede lid van artikel 78 kan beter het voorwerp uitmaken van een ander artikel van het ontwerp. Artikel 79 1. In de artikelen 79.1, tweede lid, en 79.2, tweede lid, wordt telkens verwezen naar "de in artikel 78 bedoelde personen".

Zoals in algemene opmerking 2 is uiteengezet, maken de met het toezicht belaste personen het voorwerp uit, deels van artikel 78, eerste lid, deels van het ontwerp 31.003/3. De hiervóór bedoelde verwijzingen dienen dan ook aangepast te worden. 2. Artikel 79.3 regelt het optreden van "de in artikel 78 bedoelde personen".

In zoverre artikel 79.3 betrekking heeft op de personeelsleden van het Agentschap, belast met het toezicht op de wet en haar uitvoeringsbesluiten, is het overbodig. De in artikel 79.3 bedoelde bevoegdheden worden immers reeds toegekend bij artikel 10 van de wet van 15 april 1994.

In zoverre artikel 79.3 betrekking heeft op de artsen belast met het medisch toezicht, bedoeld in artikel 79.3, eerste lid, moet opgemerkt worden dat de wet van 15 april 1994 geen rechtsgrond biedt om hun bevoegdheden vast te stellen.

De conclusie is dan ook dat artikel 79.3 beter uit het ontwerp weggelaten wordt. 3. Naar aanleiding van een vraag over de precieze draagwijdte van artikel 79.4 van het ontwerp, heeft de gemachtigde ambtenaar verklaard dat deze bepaling mag worden weggelaten.

Artikel 81 1. In dit artikel worden de overgangsbepalingen nu eens geredigeerd in functie van de dag van bekendmaking, dan weer in functie van de datum van inwerkingtreding van het ontworpen besluit. Het verdient aanbeveling voor alle overgangsbepalingen de datum van inwerkingtreding van het ontworpen besluit als vertrekpunt te nemen.

De gemachtigde ambtenaar is het hiermee eens. 2. Artikel 81.1, eerste lid, eerste volzin, is geen overgangsbepaling, doch een opheffingsbepaling. Die bepaling moet het voorwerp uitmaken van een afzonderlijk artikel, in te voegen tussen de artikelen 81 en 82. 3. De tweede volzin van artikel 81.2, vierde lid, redigere men als volgt : "De reglementaire bepalingen inzake de fysische en medische controle, die gelden voor de nieuwe klasse, zijn evenwel van toepassing vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit.". 4. Voor de duidelijkheid dient in artikel 81.3, eerste lid, een verwijzing te worden opgenomen naar artikel 20.1.3 van het ontwerp.

Het is immers in dat laatste artikel dat sprake is van "twaalf opeenvolgende glijdende maanden". 5. Artikel 81.4 bevat een overgangsregeling i.v.m. de invoer, de uitvoer, de doorvoer en de distributie van radioactieve stoffen. In die bepaling wordt verwezen naar "hoofdstuk IV". Hiermee wordt bedoeld "hoofdstuk IV van het voornoemde koninklijk besluit van 28 februari 1963". Die precisering dient in het ontwerp te worden aangebracht.

Mutatis mutandis geldt dezelfde opmerking voor de artikelen 81.6 en 81.7 van het ontwerp. 6.1. Artikel 81.5, vierde en zesde lid, neemt bepalingen over van het koninklijk besluit van 28 februari 1963, die bij het koninklijk besluit van 2 oktober 1997 zijn gewijzigd. Omdat tegen dat laatste besluit beroepen tot vernietiging zijn ingesteld, die nog aanhangig zijn bij de afdeling administratie van de Raad van State, onthoudt de afdeling wetgeving zich ervan over die bepalingen advies te geven (32).

Wel kan opgemerkt wordt dat in artikel 81.5, zesde lid, a en b, de datum "5 november 1997" telkens vervangen moet worden door "3 november 1997" (33). 6.2. In artikel 81.5 komen inwerkingtredingsbepalingen voor die afwijken van de in artikel 82 van het ontwerp geregelde inwerkingtreding. Hierop zou, om redenen van rechtszekerheid, beter uitdrukkelijk de aandacht worden gevestigd.

Dezelfde opmerking geld voor artikel 81.7 van het ontwerp. 7. Volgens artikel 81.7, eerste lid, treden de bepalingen van artikel 73.2.9 (lees : 73.2, eerste lid, 9.) in werking drie jaar volgend op de dag van de bekendmaking van het ontworpen besluit in het Belgisch Staatsblad. Voorts wordt bepaald dat de betrokkenen "binnen een termijn van ten hoogste drie jaar na de inwerkingtreding van dit reglement" een nieuwe erkenningsaanvraag moeten indienen.

Het is niet duidelijk of de termijn van drie jaar begint te lopen vanaf het ogenblik dat artikel 73.2.9 in werking treedt, of vanaf het ogenblik dat de overige bepalingen van het ontworpen besluit in werking zijn getreden.

Indien de laatste hypothese de juiste is, schrijve men : "binnen de termijn van drie jaar volgend op de dag van de bedoelde bekendmaking ...".

Artikel 82 1. Luidens het eerste lid van dit artikel treedt het ontworpen besluit in werking de eerste dag van de maand die volgt op de publicatie (lees : de bekendmaking) ervan in het Belgisch Staatsblad. De stellers van het ontwerp zullen erop moeten toezien dat het ontworpen besluit pas bekendgemaakt wordt na de inwerkingtreding van de wetsbepalingen bedoeld in artikel 1 van het ontworpen koninklijk besluit tot inwerkingstelling van de wet van 15 april 1994, waarover de Raad van State op 24 april 2001 advies 30.808/3 heeft gegeven (34). 2. Het tweede lid van artikel 82 kan, volgens de gemachtigde ambtenaar, worden geschrapt. De kamer was samengesteld uit : De heren : D. Albrecht, staatsraad - voorzitter;

P. Lemmens, J. Smets, staatsraden;

Cousy, A. Spruyt, assessoren van de afdeling wetgeving;

Mevr. F. Lievens, griffier.

De overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer. D. Albrecht.

Het verslag werd uitgebracht door Mevr. R. Thielemans, auditeur. De nota van het Co"rdinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door Mevr.

K. Bams, adjunct-referendaris.

De griffier, De voorzitter, F. Lievens. D. Albrecht. _______ Nota's (1) Zie in dit verband ook het ontwerp van koninklijk besluit tot inwerkingstelling van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor nucleaire controle, waarover de Raad van State op 24 april 2001 advies 30.808/3 heeft gegeven. (2) Zie advies 24.835/8 van 9 mei 1996 over een ontwerp van koninklijk besluit "houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen". (3) Over het ontwerp dat het koninklijk besluit van 2 oktober 1997 is geworden, heeft de Raad van State op 16 mei 1997 advies 26.402/8 gegeven. (4) Het betreft de in het vierde en het zesde tot het achtste lid van de aanhef van het voorliggende ontwerpbesluit bedoelde richtlijnen. (5) Verschillende bepalingen van de wet van 15 april 1994 die rechtsgrond bieden aan het ontworpen besluit, worden pas in werking gesteld door het ontworpen koninklijk besluit tot inwerkingstelling van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor nucleaire controle (ontwerp 30.808/3). Het spreekt vanzelf dat onderhavig ontwerp niet eerder dan het ontwerp 30.808/3 in werking kan treden. Zie daaromtrent ook opmerking 1 bij artikel 82 van het ontwerp, hierna. (6) Dit zijn de basisnormen die de Raad van de Europese Gemeenschappen vaststelt voor de bescherming van de gezondheid der bevolking en der werknemers tegen de aan de ioniserende straling verbonden gevaren (artikelen 30 en 31 van het Euratomverdrag). (7) Deze beroepen zijn ingeschreven op de algemene rol onder de nummers 76.820 en 76.876. (8) Thans de Hoge Gezondheidsraad.(9) Thans de Hoge Raad voor preventie en bescherming op het werk.(10) Arbitragehof, 24 mei 1988, nr.54, overw. 6.B.12.c. (11) Parl.St., Senaat, 1992-93, nr. 558/1, p. 21. (12) Arbitragehof, 12 juli 1995, nr.57/95, overw. B.6. (13) Arbitragehof, 24 mei 1988, nr.54, overw. 6.B.10 en 6.B.12.b. (14) Parl.St., Senaat, 1992-93, nr. 558/1, p. 21. (15) Arbitragehof, 12 juli 1995, nr.57/95, overw. B.12.2. (16) Zelfde arrest, overw.B.8. (17) Parl.St., Senaat, 1992-93, nr. 558/1, p. 21. (18) Rdpl.P. Gilliaux, advies vr R.v.St., 5 oktober 1994, Stad Hoei, nr. 47.438 (lees : 49.438), Amén.-Env., 1995, (187), 188. (19) E.Orban de Xivry, "Politique de l'énergie, évaluation des incidences sur l'environnement, permis d'environnement : une étape supplémentaire", noot onder Arbitragehof, 12 juli 1995, nr. 57/95, Amén.-Env., 1995, (245), 247. (20) Ontwerp van koninklijk besluit "betreffende de bevoegdheden en de aanduiding van de leden van het departement toezicht en controle van het Federaal Agentschap voor nucleaire controle belast met het toezicht op de naleving van de wet van 15 april 1994 betreffende de bescherming van de bevolking en van het leefmilieu tegen de uit ioniserende stralingen voortspruitende gevaren en betreffende het Federaal Agentschap voor nucleaire controle".(21) Zie ook hierna de bijzondere wetgevingstechnische opmerkingen bij het artikelsgewijze onderzoek van het ontwerp. (22) Bedoeld wordt het koninklijk besluit van 28 februari 1963 houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking en de werknemers tegen het gevaar van de ioniserende stralingen, dat bij het ontworpen besluit (artikel 81.1) wordt opgeheven. (23) Artikel 4, lid 1, van Richtlijn 85/337/EEG bepaalt dat de in bijlage I bij de richtlijn genoemde projecten onderworpen zijn aan een milieueffectbeoordeling. (24) Zie opmerking 1.1 bij artikel 20. (25) Zie daaromtrent voetnoot 7.(26) Eerste verslag namens de Senaatscommissie, Parl.St., Senaat, 1992-93, nr. 610/2, p. 29. (27) Parl.St., Kamer, 1982-83, nr. 646/1, (3), 6. (28) Parl.St., Kamer, 1982-83, nr. 646/1, p. 2. (29) Tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 april 1994 werd uitdrukkelijk melding gemaakt van de drie soorten vergunningen (algemene, bijzondere en speciale) (memorie van toelichting, Parl.St., Senaat, 1992-93, nr. 610/1, p. 14), en werd ook opgemerkt dat geen wijziging werd beoogd in de vigerende transportreglementering (eerste verslag, namens de Senaatscommissie, Parl. St., Senaat, 1992-93, nr. 610/2, p. 29). Die vaststelling kan te dezen evenwel geen afbreuk doen aan de precieze tekst van de wet. (30) Zie verslag namens de Kamercommissie, Parl.St., Kamer, 1992-93, nr. 1124/5, pp. 54-55. (31) Zie in het Euratomverdrag de artikelen 2, g), 96 en 97.Uit artikel 232, tweede lid, van het E.G.-Verdrag wordt bovendien afgeleid dat ook dit verdrag geldt voor zover het Euratomverdrag er niet van afwijkt (P.J.G. Kapteyn en P. Verloren van Themaat, Inleiding tot het recht van de Europese Gemeenschappen, Deventer, Kluwer, 4e uitg., 1980, pp. 501-502). (32) Zie opmerking 7 bij artikel 51.(33) Zie de opmerking bij artikel 44bis.(34) Zie hiervóór, voetnoot 5. 20 JULI 2001. - Koninklijk besluit houdende algemeen reglement op de bescherming van de bevolking, van de werknemers en het leefmilieu tegen het gevaar van de ioniserende stralingen Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^