Koninklijk Besluit van 22 december 2004
gepubliceerd op 27 december 2004
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Koninklijk besluit tot overname van de wettelijke pensioenverplichtingen van Brussels International Airport Company

bron
federale overheidsdienst mobiliteit en vervoer
numac
2004014285
pub.
27/12/2004
prom.
22/12/2004
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

22 DECEMBER 2004. - Koninklijk besluit tot overname van de wettelijke pensioenverplichtingen van Brussels International Airport Company


VERSLAG AAN DE KONING Sire, 1. INLEIDING De Koning beoogt, met dit besluit, de maatregelen te nemen, die nuttig zijn voor de overdracht aan de Belgische Staat van de wettelijke pensioenverplichtingen van Brussels International Airport Company (hierna genoemd « B.I.A.C. »), zoals Hij hiertoe werd gemachtigd door de wet van 5 december 2004 tot herstructurering van wettelijke pensioenverplichtingen van Brussels International Airport Company en Belgocontrol, Vanaf 1 januari 2005 zal de Staat alle wettelijke pensioenverplichtingen van B.I.A.C. voor haar statutair en gewezen statutair personeel evenals de oud-personeelsleden van de Regie der Luchtwegen die waren tewerkgesteld in de diensten belast met de grondactiviteiten (hierna « de personeelsleden van B.I.A.C. ») op zich nemen, met inbegrip van de last van de overlevingspensioenen ten gunste van hun rechthebbenden en de last van de begrafenisvergoeding.

Als tegenprestatie zal de Staat ten laatste op 31 december 2004 of indien zo bepaald bij koninklijk besluit ten laatste op 30 juni 2005 in één of meerdere keren een bedrag in contanten ontvangen van B.I.A.C. en/ of van het Pensioenfonds in vereffening dat overeenkomt met de verplichtingen voor de opgebouwde pensioenrechten tot en met 31 december 2004, die werden gewaardeerd op 151.096.804 euro zodat de pensioenverplichtingen worden overgenomen op een volledig gefinancierde basis (« fully funded »).

Om deze betaling te financieren zal het Pensioenfonds overgaan tot de tegeldemaking van haar investeringsportefeuille en zal B.I.A.C. ten laatste op 30 juni 2005 haar schuld tegenover het Pensioenfonds aflossen.

De toekomstige pensioenrechten die verworven zullen worden door personeelsleden van B.I.A.C. zullen vanaf 1 januari 2005 gedekt worden door bijdragen die B.I.A.C. of het Pensioenfonds in vereffening zullen storten aan de Staat en die bepaald worden in functie van de actuele waarde van deze toekomstige pensioenrechten. Alzo blijft B.I.A.C., economisch de kost van de pensioenlast dragen zelfs al neemt de Staat de pensioenlast van de personeelsleden van B.I.A.C. over. 2. ARTIKELSGEWIJZE COMMENTAAR HOOFDSTUK I.- Definities Artikel 1 Dit artikel bevat de definities die nodig zijn voor een goed begrip van het besluit. HOOFDSTUK II. - Ontbinding en vereffening van het Pensioenfonds voor de wettelijke pensioenen van B.I.A.C. Artikel 2 Op de datum van de omzetting van B.I.A.C. in een naamloze vennootschap van privaatrecht, wordt het Pensioenfonds van rechtswege ontbonden en in vereffening gesteld, zonder dat enige verdere beslissing hiertoe door de organen van het Pensioenfonds vereist is.

Gedurende de periode van de vereffening mag het Pensioenfonds in principe enkel deze handelingen stellen die noodzakelijk zijn voor haar vereffening, evenals de betaling van de pensioenen die betrekking hebben op de maand december 2004 en de betaling van de patronale bijdragen bedoeld in artikel 7 van het besluit.

De procedure voor ontbinding en vereffening van het Pensioenfonds wordt geregeld door het besluit en het in uitvoering van artikel 2, lid 2, te nemen besluit. De bepalingen van de Controlewet zijn niet van toepassing op de vereffeningsprocedure. De VZW-wetgeving en de statuten dienen enkel ten aanvullende titel toegepast te worden.

In afwijking van het Wetboek van vennootschappen kan de vereffenaar, die in uitvoering van artikel 2, lid 2, van het besluit zal worden aangesteld, alle handelingen voorzien in de artikelen 187 en 190 van het Wetboek van vennootschappen stellen, zonder dat hiertoe enige toestemming van de algemene vergadering vereist is. Zo kan de vereffenaar o.a. een einde stellen aan de lopende contracten gesloten door het Pensioenfonds. Verder kan de vereffenaar tijdens de vereffening van het Pensioenfonds ook activa van het Pensioenfonds uitlenen aan B.I.A.C. De opdracht van de vereffenaar bestaat er onder meer in om de investeringsportefeuille van het Pensioenfonds om te zetten in liquide middelen.

Teneinde te verzekeren dat deze liquide middelen tijdig aan de Staat zullen worden overgemaakt (zie artikel 6), dient de tegeldemaking van de investeringsportefeuille tijdig te worden voltooid.

Het Pensioenfonds is vrijgesteld van de verplichting tot het doorvoeren van de wijzigingen aan haar statuten die opgelegd zou worden door de V.Z.W.-wetgeving, aangezien het Pensioenfonds in vereffening zal worden gesteld op de datum van de omzetting van B.I.A.C. in een naamloze vennootschap van privaatrecht en dat de aanpassing van haar statuten omwille van de zware procedure niet voor deze datum zal kunnen worden afgesloten.

Artikel 3 De kosten van de tegeldemaking van de investeringsportefeuille en de kosten van de vereffening van het Pensioenfonds zijn uitsluitend ten laste van het Pensioenfonds.

Artikel 18 van de statuten van het Pensioenfonds bepaalt dat ingeval van ontbinding van het Pensioenfonds, de activa van het Pensioenfonds slechts mogen gebruikt worden voor het betalen van de rust- en overlevingspensioenen en van de vergoedingen voor begrafeniskosten overeenkomstig artikel 4, § 1, van de statuten en het pensioenreglement. Aangezien het vermogen van het Pensioenfonds wordt overgedragen aan de Staat, met uitzondering van de activa nodig voor de betaling van de passiva en lasten van haar vereffening, van de pensioenen die betrekking hebben op de maand december 2004 en van de patronale bijdragen zoals vermeld in artikel 7 van het besluit, is deze statutaire bepaling zonder voorwerp.

Artikel 18 van de statuten van het Pensioenfonds bepaalt tevens dat de bestemming van een eventueel vereffeningsaldo het voorwerp zal uitmaken van een voorafgaande concertatie met de voogdijminister van B.I.A.C. en met de Minister van Pensioenen. Het is derhalve aangewezen in dit besluit te bepalen dat een eventueel negatief saldo bij de afsluiting van de vereffening van het Pensioenfonds voor rekening is van B.I.A.C. Elk positief saldo zal in uitvoering van artikel 7 van het besluit door de vereffenaar worden overgemaakt aan de Administratie der Pensioenen ter betaling van de in artikel 7 bepaalde patronale bijdragen. Vermits het niet uitgesloten is dat ook na afsluiting van de vereffening van het Pensioenfonds activa opduiken die toekomen aan het Pensioenfonds of onbetaalde passiva, waarvan betaling wordt gevorderd van het Pensioenfonds, is het aangewezen in het besluit te bepalen dat deze activa en passiva zullen toekomen aan of ten laste zullen zijn van B.I.A.C. HOOFDSTUK III. - Overname van de pensioenverplichtingen van B.I.A.C. Artikel 4 Artikel 4 preciseert dat de last van de pensioenen van de personeelsleden van B.I.A.C. voortaan zal worden gedragen door de Staatskas.

Overeenkomstig artikel 14 van het koninklijk besluit van 27 mei 2004, zullen de personeelsleden van B.I.A.C. pensioenrechten zoals deze voortvloeien uit het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 genieten. B.I.A.C. blijft inderdaad onder het toepassingsgebied van het koninklijk besluit nr. 117. De overdracht van de pensioenverplichtingen aan de Staat verandert hieraan niets.

Door artikel 14 van het koninklijk besluit van 27 mei 2004 werden de rechten van de personeelsleden van B.I.A.C. inzake de rustpensioenen vastgelegd waardoor de eventuele latere wijzigingen die aan het koninklijk besluit nr. 117 en de rustpensioenregelgeving waarnaar het verwijst zouden worden aangebracht, niet meer op die personeelsleden van toepassing zijn. Met voormelde bepaling had de regelgever de bedoeling om, conform artikel 157, 2°, a van de programmawet van 31 december 2001 de continuïteit te waarborgen van de rechten die deze personeelsleden inzake rustpensioenen genieten op het ogenblik van de omvorming van het juridisch statuut. De regelgever bekrachtigde aldus de afspraken die tussen B.I.A.C. en haar vakorganisaties, op grond van vermeld artikel 157 van de programmawat van 31 december 2001 werden gemaakt.

Om elk misverstand te vermijden, bevestigd huidig artikel 4, § 4, deze optie, aangezien de bedragen die zullen worden gestort door B.I.A.C. of het Pensioenfonds in vereffening aan de Staat ter gelegenheid van en na de overdracht rekening houden met de wetgeving zoals zij van kracht is op de datum van omvorming.

De vastlegging van de pensioenwetgeving heeft geen betrekking op de wetgeving inzake overlevingspensioenen (met inbegrip van het percentage van de persoonlijke bijdrage bepaald in de wet van 15 mei 1984) noch op de wetgeving inzake de begrafenisvergoeding.Inzake deze materies zal elke latere wijziging van de wetgeving toepasselijk zijn op de personeelsleden van B.I.A.C. De pensioenen die niet vooraf betaald worden maar op het einde van de maand en die voor de maand december 2004 verschuldigd zijn maar pas in januari 2005 zouden worden betaald, blijven ten laste van B.I.A.C. De verrekening van de aandelen in het kader van de wet van 14 april 1965 die slechts gebeurt het jaar na datgene waarvoor het pensioen verschuldigd is, moet in 2005 nog voor rekening van B.I.A.C. uitgevoerd worden omdat het pensioenen betreft die voor het jaar 2004 verschuldigd zijn.

Aangezien de overlevingspensioenen vanaf 1 januari 2005 ten laste zijn van het Fonds voor Overlevingspensioenen, is het vanzelfsprekend dat de in de wet van 15 mei 1984 bepaalde verplichte persoonlijke afhouding van 7,5 % vanaf deze datum niet meer ten goede komt aan B.I.A.C. maar in voormeld Fonds gestort wordt.

Artikel 5 In dit artikel wordt bepaald dat de bepalingen betreffende de overname van de pensioenverplichtingen door de Staat overeenkomstig het besluit tegenstelbaar zijn aan de begunstigden en derden door zijn enkele publicatie in het Belgisch Staatsblad zonder dat verdere publiciteit, betekening of goedkeuring zoals voorgeschreven door de Controlewet of burgerrechtelijke formaliteiten vereist zijn. HOOFDSTUK IV. - Financiële en andere verplichtingen van B.I.A.C. Artikel 6 Dit artikel bepaalt de modaliteiten van betaling door B.I.A.C. en/of door het Pensioenfonds in vereffening aan de Staat van de tegenprestatie voor de overname van pensioenverplichtingen door de Staat. Aldus zal de integrale betaling van een totaal bedrag van 151.096.804 euro in contanten in één of meerdere keren dienen te gebeuren, zo snel mogelijk vóór 31 december 2004 en in ieder geval vóór 30 juni 2005 om middernacht.

B.I.A.C. en/ of het Pensioenfonds in vereffening zal op dit bedrag interesten dienen te betalen, berekend op basis van de interestvoet die overeenkomt met Euribor drie maanden voor de periode tussen 1 januari 2005 en de datum van betaling.

De activa van het Pensioenfonds die bovenvermeld totaal bedrag te boven gaan, zullen, na betaling van alle schulden van het Pensioenfonds in vereffening en van de pensioenen die betrekking hebben op de maand december 2004 of provisionering of consignatie van de nodige gelden om deze betalingen te voldoen, gebruikt worden voor de betaling door het Pensioenfonds van de patronale bijdragen bedoeld in artikel 7 van het besluit, en dit in de mate dat er voldoende activa voorhanden zijn bij het Pensioenfonds. Na uitputting van deze activa, zal B.I.A.C. instaan voor de betalingen van de patronale bijdragen.

Artikel 7 Artikel 7 verplicht het Pensioenfonds in vereffening, in de mate dat de nodige fondsen voorhanden zijn bij het Pensioenfonds in vereffening en bij uitputting van deze fondsen, B.I.A.C., met het oog op de toekomstige verplichtingen van financiering van de pensioenen van de personeelsleden van B.I.A.C. waarvan de last vanaf 1 januari 2005 gedragen wordt door de Staatskas, vanaf de voor januari 2005 verschuldigde bezoldiging, een patronale bijdrage van 12,48 % te betalen op de wedden die in aanmerking genomen worden voor de berekening van de persoonlijke bijdrage zoals bepaald in artikel 60 van de wet van 15 mei 1984. Voor alle duidelijkheid moet nog worden vermeld dat de patronale bijdrage enkel verschuldigd is op bovenvermelde wedden inzoverre die effectief betaald zijn.

Dit artikel bevestigt dat, alhoewel de last van de pensioenen van de personeelsleden van B.I.A.C. werd overgedragen aan de Staat, B.I.A.C. economisch de kost blijft dragen van de last van deze pensioenen.

De patronale bijdrage, evenals de persoonlijke bijdrage uit het stelsel van de overlevingspensioenen, is niet verschuldigd door B.I.A.C. of het Pensioenfonds in vereffening op de maandelijkse premie bedoeld in artikel 15 van het koninklijk besluit van 27 mei 2004, aangezien deze maandelijkse premie niet in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de rust- en overlevingspensioenen die worden overgenomen door de Staatskas.

De bijdragen vermeld in artikel 7 zijn gewone sociale zekerheidsbijdragen. Dit heeft de fiscale aftrekbaarheid van deze bijdragen tot gevolg.

Artikel 8 Artikel 8 bepaalt dat B.I.A.C. een compensatiebetaling verschuldigd is aan het Fonds voor Overlevingspensioenen indien B.I.A.C. na 1 januari 2005 op eigen initiatief bepaalde maatregelen neemt die de last van de rustpensioenen van zijn gewezen statutaire personeelsleden die voortaan gedragen wordt door de Staatskas, doen stijgen. Omgekeerd moet het Fonds voor Overlevingspensioenen in bepaalde gevallen een compensatiebetaling doen indien de pensioenlast zou dalen door bepaalde maatregelen genomen op initiatief door B.I.A.C. In dit kader zal B.I.A.C. de kost van de perequaties van de rustpensioenen moeten dragen. Deze compensatiebetaling is verschuldigd op het ogenblik dat de verhoging effectief voor het eerst wordt uitbetaald aan de begunstigden en alleen op de dan lopende rustpensioenen.

In geval van perequatie, is de compensatiebetaling slechts verschuldigd voor de lopende rustpensioenen. Wat betreft de toekomstige rustpensioenen, zal een compensatiebetaling desgevallend verschuldigd zijn op grond van artikel 8, § 2, 2° van het koninklijk besluit.

Ook zal B.I.A.C. een compensatiebetaling verschuldigd zijn wanneer de vanaf 1 januari 2005 toegekende nieuwe rustpensioenen in reële termen hoger zouden zijn dan de rustpensioenen die voortvloeien uit de normale baremische evolutie van een statutair personeelslid, rekening houdend met de op de datum van de omzetting van B.I.A.C. in een naamloze vennootschap van privaatrecht gekende promoties. De verhogingen ingevolge inflatie mogen de berekening niet beïnvloeden.

Als referentiebarema's zullen die van kracht op 1 januari 2005 gelden.

Wanneer B.I.A.C. in de toekomst nog verlof voorafgaand aan de opruststelling zou toelaten, zal in bepaalde omstandigheden een patronale bijdrage verschuldigd zijn op het verschil tussen het wachtgeld en de volle wedde waarop het pensioen berekend wordt. Zo zal de verdere toepassing van de vandaag bij B.I.A.C. geldende regeling van verlof voorafgaand aan de opruststelling niet onder de compensatiebetalingen vallen voor diegenen die op 1 januari 2005 al in de regeling zitten. Voor de personen die pas vanaf 1 januari 2005 in de regeling zullen stappen, zal wel een compensatiebetaling verschuldigd zijn.

Voor de periodes die ingevolge de toepassing van het koninklijk besluit nr. 442 van 14 augustus 1986 betreffende de weerslag van sommige administratieve toestanden op de pensioenen van de personeelsleden van de overheidsdiensten of ingevolge andere soortgelijke regelingen geheel of gedeeltelijk buiten de pensioenberekening vallen, is geen of slechts een pro rata patronale bijdrage verschuldigd.

Artikel 8 bepaalt verder dat de compensatiebetalingen verricht in uitvoering van artikel 8, gewone sociale zekerheidsbijdragen zijn. Dit heeft de fiscale aftrekbaarheid van deze bijdragen. HOOFDSTUK V. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen Dit hoofdstuk bevat aanpassingen aan bestaande wetteksten, die noodzakelijk zijn door de in dit besluit opgenomen bepalingen.

Het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat vormde traditioneel de wettelijke basis voor de pensioenen van B.I.A.C. De overdracht van de pensioenverplichtingen wijzigt deze toestand niet.

B.I.A.C. valt nog steeds onder het toepassingsgebied van dit koninklijk besluit.

Daar de pensioenen van B.I.A.C. vanaf 1 januari 2005 ten laste van de Staatskas komen, dienen de wettelijke bepalingen waarin voor de pensioenen van B.I.A.C. in een afwijkende regeling werd voorzien, te worden opgeheven. Dit is het voorwerp van de artikelen 13, 16, 17 en 1 8.

Daar de pensioenen van B.I.A.C. vanaf 1 januari 2005 pensioenen ten laste van de Staatskas worden, dienen de wettelijke bepalingen te worden opgeheven die expliciet voor de pensioenen van B.I.A.C. dezelfde regeling vaststelden als deze die van toepassing is op de pensioenen ten laste van de Staatskas. Dit is het voorwerp van de artikelen 19 en 20.

Een aantal bepalingen hebben geen reden van bestaan meer wanneer de pensioenen van B.I.A.C. ten laste van de Staatskas worden gelegd en dienen dus eveneens te worden opgeheven. Dit is het voorwerp van de artikelen 14 en 15.

Om alle misverstanden te vermijden werd het in een aantal gevallen opportuun geacht om uitdrukkelijk te bepalen dat bepaalde bij B.I.A.C. gepresteerde diensttijd in aanmerking komt voor het pensioen ten laste van de Staatskas. Dit is het voorwerp van artikel 21.

De overname van de pensioenverplichtingen vereiste een aantal aanpassingen aan de regelgeving met betrekking tot de privatisering van B.I.A.C. Dit is het voorwerp van de artikelen 9 tot 12.

Artikel 9 Aangezien de pensioenen van de personeelsleden van B.I.A.C. door de overname van de pensioenverplichtingen niet meer ten laste van B.I.A.C zijn maar wel ten laste van de Staatskas, diende artikel 14 van het koninklijk besluit van 27 mei 2004 in die zin te worden aangepast. Om elk misverstand uit te sluiten en om in overeenstemming te zijn met artikel 4, § 4, van dit besluit werden de wijzigingen aan het koninklijk besluit nr. 117 die wel nog van toepassing zijn, in artikel 14 ingevoegd.

Artikel 10 Artikel 10 beoogt het tweede lid van artikel 14 van het koninklijk besluit van 27 mei 2004 te verduidelijken. De rechthebbenden van de personeelsleden in de zin van artikel 1, 15° van het voormeld koninklijk besluit zullen een overlevingspensioen evenals een begrafenisvergoeding genieten ten laste van de Staatskas.

De begrafenisvergoeding kan bij gebrek aan rechthebbenden worden betaald aan de natuurlijke of rechtspersoon die bewijst dat hij de begrafenisvergoeding heeft gedragen.

Artikel 11 Artikel 11 beoogt het derde lid van artikel 14 van voormeld koninklijk besluit van 27 mei 2004 te verduidelijken. De maandelijkse premie bedoeld in artikel 15 van het koninklijk besluit van 27 mei 2004, ook al wordt ze op dezelfde wijze behandeld als een baremisch loon inzake bijdragen voor de sociale zekerheid (met uitzondering van de verplichte afhouding van 7,5 % bedoeld in artikel 60 van de wet van 15 mei 1984), vormt voor de berekening van het rustpensioen geen baremisch loon, en zal daarom niet worden in aanmerking genomen voor deze berekening.

Artikel 12 Aangezien de maandelijkse premie bedoeld in artikel 15 van het koninklijk besluit van 27 mei 2004, niet in aanmerking wordt genomen voor de berekening van de rust- en overlevingspensioenen, spreekt het voor zich dat deze premie niet onderworpen is aan de patronale bijdrage bedoeld in artikel 7 van onderhavig koninklijk besluit noch aan de verplichte afhouding van 7,5 % bepaald in artikel 60 van de wet van 15 mei 1984.

Artikel 13 De verwijzing naar B.I.A.C. in lid 2 van het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 moet geschrapt worden aangezien vanaf de datum van de overdracht, niet alleen de overlevingspensioenen (met inbegrip van de diensten gepresteerd bij B.I.A.C. vanaf 1 oktober 2002) en de begrafenisvergoeding maar eveneens de rustpensioenen ten laste van de Staatskas zijn Het is bijgevolg aangewezen een specifieke afwijking aan het koninklijk besluit nr.117 van 27 februari 1935 in te voegen voor het geval van B.I.A.C. Artikel 14 Gelet op het feit dat de pensioenen van B.I.A.C. zullen worden gedragen door de Staatskas, moet artikel 190, § 2 van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige overheidsbedrijven opgeheven worden.

Artikel 15 Gelet op de ontbinding van het Pensioenfonds van B.I.A.C., moet artikel 191 van voormelde wet van 21 maart 1991 dat B.I.A.C. de mogelijkheid bood een pensioenfonds op te richten, opgeheven worden.

Artikel 16 De last van de begrafenisvergoeding uitbetaald aan de rechthebbenden van de personeelsleden van B.I.A.C. die aanvankelijk gedragen werd door het Fonds voor Overlevingspensioenen, werd overgedragen op grond van artikel 58 van de wet van 2 augustus 2002 aan B.I.A.C., die kon beslissen deze verplichting over te dragen aan haar Pensioenfonds. De afhouding van 0,5 % werd in dat geval niet gedaan ten gunste van het Fonds voor Overlevingspensioenen maar ten gunste van het Pensioenfonds van B.I.A.C. In het kader van dit besluit wordt de last van de begrafenisvergoeding uitbetaald aan de rechthebbenden van de personeelsleden van B.I.A.C. overgedragen aan de Staat dat ermee belast zal worden de begrafenisvergoeding aan de rechthebbenden van de personeelsleden van B.I.A.C. uit te betalen. De inhouding van 0,5 % zal dus ook gedaan worden ten gunste van het Fonds voor Overlevingspensioenen. Artikel 58 van de wet van 2 augustus 2002 moet daarom worden opgeheven.

Artikel 17 Aangezien de federale Staat de last op zich neemt van onder meer de overlevingspensioenen van de personeelsleden van B.I.A.C., was het aangewezen de specifieke afwijking op te heffen voor B.I.A.C. die opgenomen was in lid 2 van artikel 8 van de wet van 14 april 1965.

Artikel 18 Het was ook aangewezen B.I.A.C. uit te sluiten uit het verdeelsysteem van de last van het enig overlevingspensioen ingevoerd door de Programmawet van 2 augustus 2002 in artikel 13, § 2 van de wet van 14 april 1965.

Artikel 19 Dit artikel wijzigt de wet van 15 mei 1984 ten einde te bepalen dat de overlevingspensioenen aan de rechthebbenden van de personeelsleden van B.I.A.C ten laste vallen van het Fonds voor Overlevingspensioenen. De ingevoerde afwijking voor het geval van B.I.A.C. door de wet van 2 augustus 2002 moet geschrapt worden.

Artikel 20 Dit artikel werd gewijzigd ten einde te voorzien dat de verplichte afhouding van 7,5 % op de wedden evenals de andere bezoldigingselementen die in aanmerking genomen worden voor de berekening van de rustpensioenen toegekend aan de personeelsleden van B.I.A.C., betaald wordt aan het Fonds voor Overlevingspensioenen.

Artikel 21 Aangezien de rust- en overlevingspensioenen van de gewezen leden van het statutair personeel van de Regie der Luchtwegen worden overgedragen naar de Staatskas en ten einde elk misverstand dienaangaande te vermijden, werd het opportuun geacht dit ook uitdrukkelijk te voorzien in artikel 24 van het koninklijk besluit van 26 januari 1999 tot vaststelling van de inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 17 november 1998 houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht en houdende de regeling van de integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht. HOOFDSTUK VI. - Inwerkingtreding Artikel 22 Dit artikel regelt de datum van inwerkingtreding van de verschillende bepalingen van het ontwerp.

Wij hebben de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaars, De Minister van Overheidsbedrijven, J. VANDE LANOTTE De Minister van Pensioenen, B. TOBBACK

22 DECEMBER 2004. - Koninklijk besluit tot overname van de wettelijke pensioenverplichtingen van Brussels International Airport Company ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 5 december 2004 tot herstructurering van wettelijke pensioenverplichtingen van Brussels International Airport Company en Belgocontrol inzonderheid op artikel 2;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op9 december 2004;

Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 10 december 2004;

Gelet op het verzoek om spoedeisendheid, gemotiveerd door de omstandigheid dat : - de overname van de pensioenverplichtingen van B.I.A.C. kadert in een geheel van modaliteiten die volgen uit de lopende verkoopsprocedure van B.I.A.C. aandelen aan een strategische partner; - het normaal verloop van de procedure impliceert dat een afsluiting (« closing ») van alle verplichtingen verbonden aan de transactie met redelijkheid kan voorzien worden voor jaareinde 2004; - de overname van de pensioenverplichtingen van B.I.A.C. één van de elementen betreft die daarin dienen te worden opgenomen; - de tegeldemaking van de investeringsportefeuille van het Pensioenfonds tijdig dient te worden voltooid zodat de liquide middelen tijdig aan de Staat worden overgemaakt;

Gelet op advies 37.921/4 van de Raad van State, gegeven op 20 december 2004, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Overheidsbedrijven en Onze Minister van Pensioenen, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Definities

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° « B.I.A.C. » : de naamloze vennootschap van publiek recht Brussels International Airport Company zoals bedoeld in artikel artikel 1, 1° van het koninklijk besluit van 27 mei 2004 betreffende de omzetting van Brussels International Airport Company (B.I.A.C.) in een naamloze vennootschap van privaatrecht en betreffende de luchthaveninstallaties; 2° « De Staat » : de Belgische Staat;3° « Het Pensioenfonds » : het « Fonds de pension/Pensioenfonds, Brussels International Airport Company, société anonyme de droit public - naamloze vennootschap van publiek recht », waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1030 Brussel, CCN, Vooruitgangstraat 80, erkend door de CBFA onder nr.50.536; 4° « De personeelsleden » : het statutair en gewezen statutair personeel van B.I.A.C. evenals de oud-personeelsleden van de Regie der Luchtwegen die waren tewerkgesteld in de diensten belast met de grondactiviteiten. De Koning zal de lijst van de betrokken personen vaststellen; 5° « De Controlewet » : de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen; 6° « Het koninklijk besluit van 27 mei 2004 » : het koninklijk besluit van 27 mei 2004 betreffende de omzetting van Brussels International Airport Company (B.I.A.C.) in een naamloze vennootschap van privaatrecht en betreffende de luchthaveninstallaties; 7° « Het Fonds voor Overlevingspensioenen » : het organiek fonds van de Begroting van pensioenen, genaamd « Fonds voor Overlevingspensioenen ». HOOFDSTUK II. - Ontbinding en vereffening van het Pensioenfonds voor de wettelijke pensioenen van B.I.A.C.

Art. 2.Op de datum bepaald door de Koning overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 mei 2004, wordt het Pensioenfonds van rechtswege ontbonden en in vereffening gesteld. Vanaf deze datum kan het Pensioenfonds enkel nog deze handelingen stellen die nodig zijn met het oog op haar vereffening, evenals de betaling van de pensioenen die betrekking hebben op de maand december 2004 en de betaling van de patronale bijdragen bedoeld in artikel 7 van dit besluit.

De Koning bepaalt de wijze van vereffening met inachtneming van de bepalingen van dit koninklijk besluit. Hij benoemt één of meer vereffenaars, en bepaalt hun bevoegdheden.

De bepalingen van de hoofdstukken V en Vquater van de Controlewet en de bepalingen van haar uitvoeringsbesluiten zijn niet van toepassing op de aangelegenheden geregeld in dit koninklijk besluit, met inbegrip van deze die betrekking hebben op de ontbinding en de vereffening van het Pensioenfonds. De bepalingen van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, alsook de statuten van het Pensioenfonds zijn alleen van toepassing inzoverre er niet wordt van afgeweken in dit koninklijk besluit of in enig ander koninklijk besluit genomen in het kader van de ontbinding en vereffening van het Pensioenfonds.

In afwijking van de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen, kan de vereffenaar die zal worden aangesteld door de Koning in uitvoering van dit artikel alle handelingen stellen voorzien door de artikelen 187 en 190 van het Wetboek van vennootschappen, zonder enige toestemming van de algemene vergadering en kan de vereffenaar tijdens de vereffening activa van het Pensioenfonds uitlenen aan B.I.A.C..

Het Pensioenfonds is vrijgesteld van de verplichting tot het doorvoeren van de wijzigingen aan haar statuten die opgelegd zou worden door de bepalingen van de wet van 2 mei 2002 die voornoemde wet van 27 juni 1921 heeft gewijzigd, en haar uitvoeringsbesluiten

Art. 3.§ 1. De kosten van de tegeldemaking van de investeringsportefeuille van het Pensioenfonds, en de kosten van de vereffening van het Pensioenfonds zijn uitsluitend ten laste van het Pensioenfonds. § 2. Bij afsluiting van de vereffening van het Pensioenfonds zal, in voorkomend geval, het negatieve resultaat van de vereffening worden betaald door B.I.A.C. Na afsluiting van de vereffening van het Pensioenfonds, zal B.I.A.C. instaan voor de betaling van eventueel onbetaald gebleven passiva van het Pensioenfonds waarvan betaling wordt gevorderd na afsluiting van haar vereffening, en zullen de eventuele activa die toekomen aan het Pensioenfonds na haar vereffening ten gunste zijn van B.I.A.C. HOOFDSTUK III. - Overname van de pensioenverplichtingen van B.I.A.C.

Art. 4.§ 1. Vanaf 1 januari 2005, genieten de personeelsleden die ten laatste de dag voorafgaand aan de datum bepaald door de Koning overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 mei 2004, vastbenoemd werden van een rustpensioen ten laste van de Staatskas overeenkomstig artikel 14 van het koninklijk besluit van 27 mei 2004. § 2. Vanaf 1 januari 2005, genieten de rechthebbenden van de personeelsleden die ten laatste de dag voorafgaand aan de datum bepaald door de Koning overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 mei 2004 vastbenoemd werden van een overlevingspensioen ten laste van de Staatskas overeenkomstig artikel 14 van het koninklijk besluit van 27 mei 2004. § 3. Vanaf 1 januari 2005, genieten de rechthebbenden bedoeld in § 2 of, bij gebreke van rechthebbenden, elke natuurlijke of rechtspersoon die bewijst dat hij de begrafeniskosten heeft gedragen, desgevallend, van een begrafenisvergoeding overeenkomstig artikel 14 van het koninklijk besluit van 27 mei 2004. § 4. Wijzigingen aan de wetgeving inzake rustspensioenen, die in werking zijn getreden na de datum bepaald door de Koning overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 mei 2004 zijn, met uitzondering van onderhavig besluit en haar uitvoeringsbesluiten, niet toepasselijk op de personeelsleden voor hun dienstjaren als statutair personeelslid bij B.I.A.C. en/of de Regie der luchtwegen.

Art. 5.De overname van de pensioenverplichtingen door de Staat overeenkomstig dit koninklijk besluit is tegenstelbaar aan de begunstigden en derden door de bekendmaking van dit koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad, zonder dat enige bijkomende vorm van publiciteit, betekening of goedkeuring vereist is. HOOFDSTUK IV. - Financiële en andere verplichtingen van B.I.A.C

Art. 6.§ 1. B.I.A.C. en/of het Pensioenfonds in vereffening zullen zo snel mogelijk en in ieder geval op 31 december 2004 om middernacht of vóór deze datum de activa van het Pensioenfonds in vereffening ten belope van een totaal bedrag van 151.096.804 euro in één of meerdere keren in contanten overmaken aan de Staat.

In voorkomend geval kan de Koning voor het geheel of een gedeelte van de betalingen deze vervaldag uitstellen met een maximale periode van 6 maanden en de nadere regels bepalen die gepaard gaan met deze verlenging. Op de betalingen gemaakt na 31 december 2004, zullen interesten verschuldigd zijn door B.I.A.C. en/of het Pensioenfonds in vereffening, berekend op basis van de interestvoet die overeenkomt met Euribor drie maanden voor de periode tussen 1 januari 2005 en de datum van betaling. § 2. Bovendien zullen de activa van het Pensioenfonds die het totaal bedrag bedoeld in § 1 te boven gaan, na betaling van alle schulden van het Pensioenfonds in vereffening en van de pensioenen die betrekking hebben op de maand december 2004 of provisionering of consignatie van de nodige gelden om deze betalingen te voldoen, gebruikt worden voor de betaling door het Pensioenfonds van de patronale bijdragen bedoeld in artikel 7 van dit koninklijk besluit. Na uitputting van deze activa zal B.I.A.C. instaan voor de betaling van de patronale bijdragen voorzien in artikel 7 van dit koninklijk besluit.

Art. 7.Het Pensioenfonds in vereffening, in de mate dat de nodige fondsen voorhanden zijn bij het Pensioenfonds in vereffening, en bij uitputting van deze fondsen, B.I.A.C. is vanaf de voor januari 2005 verschuldigde bezoldiging een patronale bijdrage verschuldigd gelijk aan het verschil tussen 19,98 % en het bijdragepercentage bepaald in artikel 60 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen. Deze patronale bijdrage wordt vastgesteld op basis van de wedden evenals de andere bezoldigingselementen die in aanmerking genomen worden voor de berekening van het rustpensioen. De bepalingen van de artikelen 61 en 61bis van voormelde wet van 15 mei 1984 zijn toepasselijk op de bovenvermelde patronale bijdrage.

De patronale bijdrage bedoeld in het eerste lid is een gewone sociale zekerheidsbijdrage.

Art. 8.§ 1. Indien op enig tijdstip na 1 januari 2005 de pensioenverplichtingen ten opzichte van de personeelsleden toenemen of verminderen tengevolge van een initiatief van B.I.A.C., dan zal B.I.A.C. aan het Fonds voor Overlevingspensioenen of zal het Fonds voor Overlevingspensioenen aan B.I.A.C., een compensatiebetaling doen. § 2. De situaties bedoeld in § 1 zijn : 1° Elke wijziging aangebracht vanaf 1 januari 2005 op initiatief van B.I.A.C. aan het geldelijk statuut die een verhoging van de rustpensioenen tot gevolg heeft ingevolge de toepassing van artikel 12 van de wet van 9 juli 1969 tot wijziging en aanvulling van de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen van het personeel van de openbare sector; 2° Individuele reële weddeverhogingen bovenop de individuele baremieke weddeëvolutie die gebruikt is voor de actuariële berekeningen per 31 december 2004 en bovenop de inflatie;3° Sociale plannen. § 3. De compensatiebetalingen waarvan sprake in § 1 die verschuldigd zijn in de gevallen opgesomd onder § 2 worden berekend en beperkt als volgt : 1. In het geval bedoeld in § 2, 1°, betaalt B.I.A.C. voor de onmiddellijke en uitgestelde rustpensioenen van de personeelsleden op rust gesteld aan het Fonds voor overlevingspensioenen de actuele waarde van de verhoging van de rustpensioenen. Deze compensatiebetaling is verschuldigd op het ogenblik dat de verhoging effectief voor het eerst wordt toegekend aan de begunstigden en alleen op de dan lopende rustpensioenen. 2. In het geval bedoeld in § 2, 2°, is een compensatiebetaling verschuldigd voor elk nieuw onmiddellijk rustpensioen toegekend vanaf 1 januari 2005, op het verschil tussen het effectief toegekende rustpensioen uitgedrukt aan index 138,01 en het rustpensioen vastgesteld op identiek dezelfde basis, maar met een gemiddelde wedde die het resultaat is van de normale evolutie van het statutair personeelslid doorheen de weddenschalen aan index 138,01 toepasselijk bij B.I.A.C. op 1 januari 2005 en rekening houdend met de gekende promoties op de datum bepaald door de Koning overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 mei 2004. De gekapitaliseerde waarde van de bijdragen die betaald zijn ingevolge artikel 7 op het verschil tussen de wedde die bij normale evolutie was toepasselijk geweest en de reëel uitbetaalde verhoogde wedde, wordt voor de berekening van de compensatiebetalingen desgevallend verschuldigd door B.I.A.C. in mindering gebracht.. De gekapitaliseerde waarde van de bijdragen die berekend worden op het verschil tussen de wedde die bij normale evolutie was toepasselijk geweest en de reëel uitbetaalde lagere wedde, wordt voor de berekening van de compensatiebetalingen desgevallend verschuldigd door het Fonds voor Overlevingspensioenen in mindering gebracht.

Indien de referteperiode voor de berekening van het rustpensioen zich geheel of gedeeltelijk bevindt vóór 1 januari 2005, dan zal het theoretisch pensioen voor dit deel van de referteperiode berekend worden op de reële wedden voor die periode.

Indien het effectief toegekende rustpensioen hoger is dan het theoretisch pensioen zoals hierboven omschreven, is B.I.A.C. de actuele waarde van het verschil verschuldigd na toepassing van hoger vermelde aftrek. Deze actuele waarde, waarvan de berekeningswijze wordt vastgesteld door de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, dient te worden betaald aan het Fonds voor Overlevingspensioenen.

Indien het effectief toegekende rustpensioen lager is dan het theoretisch pensioen, zal het Fonds voor Overlevingspensioenen de actuele waarde van het verschil verschuldigd zijn aan B.I.A.C na toepassing van hoger vermelde aftrek. 3. In het geval bedoeld in § 2, 3°, zal, indien B.I.A.C. vanaf 1 januari 2005 een verlof voorafgaandelijk aan de opruststelling toestaat, B.I.A.C. de patronale bijdrage zoals omschreven in artikel 7 dienen te betalen op het onverminderd bedrag van de wedde dat dient voor de berekening van het pensioenbedrag. Voor de periodes die ingevolge de toepassing van het koninklijk besluit nr. 442 van 14 augustus 1986 betreffende de weerslag van sommige administratieve toestanden op de pensioenen van de personeelsleden van de overheidsdiensten of ingevolge andere soortgelijke regelingen geheel of gedeeltelijk buiten de pensioenberekening vallen, is geen of slechts een pro rata patronale bijdrage verschuldigd. § 4. De compensatiebetalingen waarvan sprake in §§ 1 tot 3 dienen te worden beschouwd als gewone sociale zekerheidsbijdragen. § 5. De actuariële factoren op grond waarvan de actuele en de gekapitaliseerde waardes worden berekend, zullen bij koninklijk besluit overlegd in Ministerraad worden bepaald. § 6. De nadere regels van betaling worden in uitvoering van dit besluit bij koninklijk besluit bepaald. HOOFDSTUK V. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen

Art. 9.In artikel 14, lid 1, van het koninklijk besluit van 27 mei 2004 worden de woorden « ten laste van B.I.A.C. » vervangen door « ten laste van de Staatskas », het woord « en » tussen « het koninklijk besluit nr. 429 van 5 augustus 1986 » en « het koninklijk besluit van 2 april 1998 » wordt vervangen door een komma en de volgende woorden worden toegevoegd aan het einde van de zin «, de programma-wet van 2 augustus 2002, de wet van 11 december 2003 en het koninklijk besluit van 22 december 2004 ».

Art. 10.Artikel 14, lid 2 van hetzelfde koninklijk besluit wordt vervangen door volgende bepaling : « De rechthebbenden van de leden van het personeel in de zin van artikel 1, 15° genieten ten laste van de Staatskas van een overlevingspensioen berekend overeenkomstig de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen. De voornoemde rechthebbenden of bij gebreke elke natuurlijke of rechtspersoon die bewijst dat hij de begrafeniskosten heeft gedragen, genieten, desgevallend, ten laste van de Staatskas, van een begrafenisvergoeding berekend overeenkomstig de wet van 30 april 1958 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 254 en 255 van 12 maart 1936 waarbij eenheid wordt gebracht in het regime van de pensioenen der weduwen en wezen van het burgerlijk rijkspersoneel en van de leden van het leger en van de rijkswacht, en tot instelling van een begrafenisvergoeding ten gunste van de rechthebbenden van gepensioneerde rijksambtenaren. »

Art. 11.Artikel 14, lid 3, van hetzelfde koninklijk besluit wordt vervangen door volgende bepaling : « De bezoldiging die als basis dient voor de berekening van het rust- en overlevingspensioen is het baremiek loon zoals vastgesteld in het personeelsreglement. De maandelijkse premie bedoeld in artikel 15, § 1, lid 1 en 2 wordt niet beschouwd als een baremiek loon voor de berekening van de rust- en overlevingspensioenen. »

Art. 12.In artikel 15, § 1, van hetzelfde koninklijk besluit wordt een lid ingevoegd tussen het tweede en het derde lid : « In afwijking van het tweede lid, wordt de premie bedoeld in het eerste lid niet onderworpen aan de patronale bijdrage bedoeld in artikel 7 van het koninklijk besluit van 22 december 2004 tot overname van de wettelijke pensioenverplichtingen van Brussels International Airport Company noch aan de verplichte afhouding van 7,5 % bedoeld in artikel 60 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen. »

Art. 13.Artikel 2, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat, gewijzigd door de wet van 2 augustus 2002 en door de wet van 11 december 2003, wordt vervangen door de volgende bepaling : «, De federale Staat draagt de last van de pensioenen van de personeelsleden in de zin van artikel 1, 4°, van het koninklijk besluit van 22 december 2004 tot overname van de wettelijke pensioenverplichtingen van Brussels International Airport Company. »

Art. 14.Artikel 190, § 2, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 2 april 1998 en gewijzigd bij de wet van 2 augustus 2002, wordt opgeheven.

Art. 15.Artikel 191 van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 2 april 1998 en gewijzigd door de wet van 2 augustus 2002, wordt opgeheven.

Art. 16.Artikel 58 van de programmawet van 2 augustus 2002, gewijzigd door de wet van 11 december 2003, wordt opgeheven.

Art. 17.Artikel 8, tweede lid, van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een zeker verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector aangevuld door de wet van 2 augustus 2002 en vervangen door de wet van 11 december 2003, wordt opgeheven.

Art. 18.Artikel 13, § 2, van dezelfde wet, aangevuld door de wet van 2 augustus 2002 en vervangen door de wet van 11 december 2003, wordt opgeheven.

Art. 19.Artikel 1 van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen gewijzigd door de wet van 2 augustus 2002 en de wet van 11 december 2003, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Een overlevingspensioen ten laste van de Openbare Schatkist wordt, onder de bij deze titel vastgestelde voorwaarden toegekend aan de rechtverkrijgenden van de personen die onderworpen zijn aan een stelsel inzake rustpensioenen waar van de last gedragen wordt door : de Openbare Schatkist; de instellingen waarop het koninklijk besluit nr. 117 van 27 februari 1935 tot vaststelling van het statuut der pensioenen van het personeel der zelfstandige openbare inrichtingen en der regieën ingesteld door de Staat van toepassing is; de Post; de Regie voor Maritiem Transport; de instellingen waarop de wet van 28 april 1958 betreffende het pensioen van het personeel van zekere organismen van openbaar nut alsmede van hun rechthebbenden, van toepassing is.

Vallen niet onder de toepassing van deze titel, de rechtverkrijgenden van : de gewezen pleitbezorgers; de vrijwillige redders van het Bestuur van het Zeewezen; de bedienaars van de erediensten die niet in het huwelijk mogen treden en die een wedde genieten ten bezware van de Openbare Schatkist; de gewezen leden van het beroepspersoneel van de kaders in Afrika. »

Art. 20.In artikel 59, lid 1, b ), van dezelfde wet, gewijzigd door de wet van 2 augustus 2002 en de wet van 11 december 2003, vervallen de woorden « met uitzondering van B.I.A.C. ».

Art. 21.Artikel 24 van het koninklijk besluit van 26 januari 1999 tot vaststelling van de inwerkingtreding van sommige bepalingen van de wet van 17 november 1998 houdende integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht en houdende de regeling van de integratie van de zeevaartpolitie, de luchtvaartpolitie en de spoorwegpolitie in de rijkswacht, wordt vervangen door de volgende bepaling : « De last van de rustpensioenen van de personeelsleden van de luchtvaartpolitie die in de rijkswacht worden geïntegreerd, wordt gedragen door de Openbare Schatkist met inbegrip van het aantal jaren dienst gepresteerd als lid van de luchtvaartpolitie bij de Regie der Luchtwegen. » HOOFDSTUK VI. - Inwerkingtreding

Art. 22.Dit koninklijk besluit treedt in werking op de datum bepaald door de Koning overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 27 mei 2004, met uitzondering van de artikelen 9 tot en met 21 die in werking treden op 1 januari 2005.

Art. 23.Onze Minister van Overheidsbedrijven en Onze Minister van Pensioenen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 22 december 2004.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Overheidsbedrijven, J. VANDE LANOTTE De Minister van Pensioenen, B. TOBBACK

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^