Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 25 februari 2008
gepubliceerd op 07 april 2008

Koninklijk besluit tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel van de federale wetenschappelijke instellingen

bron
programmatorische federale overheidsdienst wetenschapsbeleid
numac
2008021029
pub.
07/04/2008
prom.
25/02/2008
ELI
eli/besluit/2008/02/25/2008021029/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

25 FEBRUARI 2008. - Koninklijk besluit tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel van de federale wetenschappelijke instellingen


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van besluit dat ik de eer heb van Uwe Majesteit ter ondertekening voor te leggen, sluit aan bij de wens van de huidige Regering om België op federaal niveau te voorzien van een modern en efficiënt overheidsapparaat. Een manier om die doelstelling te realiseren bestaat erin de meeste zorg aan het human resources management te besteden. De personeelsleden moeten tijdens hun hele beroepsloopbaan een functie kunnen uitoefenen die hen kan valoriseren en waarbij de overheidsdienst zeer veel baat zou kunnen vinden. Het komt erop aan hun ervaring, hun competenties en hun verwachtingen te benutten : zo kunnen hun motivatie en hun prestaties worden verhoogd, wat de kwaliteit van de dienstverlening aan de burgers ten goede zal komen.

Het is in die optiek dat een grondige hervorming van de loopbaan voor de personeelsleden van niveau A van de administratieve loopbaan concreet werd doorgevoerd door middel van het koninklijk besluit van 4 augustus 2004. Nu zijn de loopbaan en de bezoldiging van de wetenschappelijke personeelsleden van de federale wetenschappelijke instellingen aan de beurt. Ook zij moeten aanspraak kunnen maken op duidelijke en interessante loopbaanvooruitzichten die aan hun verwachtingen beantwoorden, maar waarbij men tegelijk oog heeft voor het eigene van een wetenschappelijke loopbaan. Het is de bedoeling een regeling in te stellen die de wetenschappelijke personeelsleden mogelijkheden aanreikt om in hun beroep te evolueren, waarbij bij de toegang tot de betrekkingen en de bevorderingen tegelijk objectiviteit en helderheid worden gegarandeerd. 1. Onderhavig ontwerp van koninklijk besluit gaat uit van de filosofie van het koninklijk besluit van 21 april 1965 tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel van de wetenschappelijke instellingen van de Staat : het eigene van het wetenschappelijke loopbaan dat toen ten grondslag lag aan de oprichting van de bijzondere loopbaan in de federale overheidsdiensten, geldt ook nu nog altijd. Het vernieuwt de regels van deze loopbaan in het licht enerzijds van de nieuwe administratieve loopbaan van niveau A, waarbij met name het begrip periodieke evaluatie wordt ingevoerd, en anderzijds van de dynamiek die de wetenschappelijke activiteit en zijn actoren moet bezielen wil men het excellerend karakter van de betrokken instellingen behouden en verder uitbouwen. 2. Titel I omschrijft het toepassingsgebied alsmede enkele algemene bepalingen van onderhavig ontwerp. 2.1. Onder wetenschappelijk personeel worden de personeelsleden van de betrokken instellingen verstaan die zijn belast met het verrichten van wetenschappelijke activiteiten. 2.2. Het begrip wetenschappelijke activiteit wordt ruim omschrijven zodat het scala aan opdrachten van de betrokken instellingen in hun geheel aan bod komt en rekening wordt gehouden met alle « beroepen » die op de ene of de andere manier een deel van deze wetenschappelijke activiteit in het gemeenschappelijk belang van de instelling voor hun rekening nemen.

Deze omschrijving stoelt op de definitie van de wetenschappelijke en technische activiteiten in bijlage I (artikel 2.1.) van de Aanbeveling van 27 november 1978 van de UNESCO in verband met de internationale normalisatie van statistieken over wetenschap en technologie. 2.3. Twee bepalingen (artikel 1, §§ 2 en 3) hebben tot doel om bij de algemene toepassing van het statuut rekening te houden met de specifieke organisatie van sommige instellingen en zo te vermijden dat de regeling door langdradige herhalingen te log wordt. 2.4. Artikel 2 verduidelijkt wat artikel 5 betreft van het koninklijk besluit van 20 april 1965 tot vaststelling van het organiek statuut van de federale wetenschappelijke instellingen, welke de instellingen zijn waarop onderhavig statuut betrekking heeft, dat wil zeggen op dit ogenblik alle federale wetenschappelijke instellingen. 3. Titel II is gewijd aan de wetenschappelijke loopbaan en vormt de hoofdmoot van het ontwerp.4. Hoofdstuk I bepaalt de samenstelling en de wijze van werken van de jury. 4.1. De jury vormt de hoeksteen van de wetenschappelijke loopbaan : dit orgaan komt eraan te pas bij alle stappen in de loopbaan van het wetenschappelijk personeelslid. Zij staat borg voor de objectiviteit en de kwaliteit ervan. 4.2. De jury is gemengd samengesteld : zij bestaat zowel uit leden van het bestuur en van de betrokken instelling als uit externe wetenschappelijke experts.

De samenstelling ervan kan overigens gedeeltelijk variëren (twee leden op zes) zodat tijdens iedere vergadering experts aanwezig zijn die onderlegd zijn in de specifieke aangelegenheden die op de agenda staan.

Gezien de opmerking van de Raad van State over artikel 4, § 1, 3°, werd het bijvoeglijk naamwoord « Belgische » geschrapt en vervangen door een voorwaarde van kennis van een van de landstalen om de waarborg te hebben dat de deskundige met de kandidaten en/of wetenschappelijke personeelsleden kan communiceren die voor de jury verschijnen. Om redenen van coherentie werd dezelfde vermelding toegevoegd aan artikel 4, § 1, 4°. 5. In hoofdstuk II wordt de structuur van de wetenschappelijke loopbaan toegelicht. 5.1. Die is onverdeeld in activiteitengroepen en in klassen. 5.2. De activiteitengroepen komen overeen met een functionele indeling van de wetenschappelijke personeelsleden binnen een instelling. Er zijn twee groepen : de eerste omvat de wetenschappelijke personeelsleden die hoofdzakelijk actief zijn op het gebied van onderzoek of experimentele ontwikkeling en de tweede de wetenschappelijke personeelsleden die zich bezighouden met wetenschappelijke dienstverlening. 5.3. De klassen staan voor de ontwikkeling van het personeelslid qua expertise en hiërarchie. De loopbaan bestaat uit vier klassen (SW1 tot SW4). Voor de opeenvolgende overgang naar de hogere klassen (SW2 tot SW4) via bevordering is het op dit ogenblik niet noodzakelijk dat er vacatures zijn. 5.4. De wetenschappelijke personeelsleden beschikken over wetenschappelijke anciënniteit. Naast de activiteit verricht als wetenschappelijk personeelslid van een instelling, wordt onder bepaalde voorwaarden die verschillen naargelang het kader waarin die activiteit is uitgeoefend ook de wetenschappelijke activiteit in aanmerking genomen die niet in een van de instellingen is uitgeoefend. 6. Hoofdstuk III legt de bepalingen vast met betrekking tot de selectie, werving en bevestiging van de wetenschappelijke personeelsleden. 6.1. Indien een betrekking vacant is, stelt de jury een profiel op van de te vervullen functie en selecteert een kandidaat. Deze selectie verloopt in twee stappen : allereerst een preselectie aan de hand van de dossiers ingediend door de kandidaten waarbij de jury uiteindelijk vijf kandidaten overhoudt. De jury kan zo nodig een bijkomende proef organiseren indien zij die noodzakelijk acht om de geschiktheden van de kandidaten voor de vacante functie te beoordelen. Vervolgens worden de in aanmerking genomen kandidaten uitgenodigd om voor een gesprek voor de jury te verschijnen waarna deze laatste een rangschikking opstelt. 6.2. Naargelang van de voorafgaande expertise die van de kandidaat wordt verwacht (zoals aangegeven in het functieprofiel), zullen de gerangschikte kandidaten worden aangeworven hetzij als stagiair, hetzij in het kader van een proefperiode. 6.3. De stage geldt voor de kandidaten die worden aangeworven in de eerste klasse (SW1) en betreft dus personen van wie, buiten hun theoretische opleiding, geen enkele specifieke ervaring wordt vereist.

De stage duurt twee jaar. Gedurende deze periode staat de stagiair onder toezicht van een bevestigd wetenschappelijk personeelslid dat een driemaandelijks verslag opstelt over de activiteiten van de stagiair. Van de stagiair wordt verlangd dat hij een eindverhandeling maakt waarvan het onderwerp wordt bepaald op het moment van indiensttreding. 6.4. De kandidaten die rechtstreeks worden aangeworven in een van de klassen SW2 tot SW4 moeten beschikken over vroegere wetenschappelijke beroepservaring waardoor zij niet meer aan de dezelfde verplichtingen zijn onderworpen als een jonge kandidaat met minder ervaring. Het is nochtans noodzakelijk dat de instelling de tijd krijgt om te oordelen of de kandidaat over de vereiste geschiktheden beschikt voor de uitoefening van de functie. Daarom is er een proefperiode van een jaar. Gedurende deze periode stelt de hiërarchisch meerdere van de kandidaat twee tussentijdse verslagen en een eindverslag op waarvan zal worden uitgegaan bij de uiteindelijke evaluatie. 6.5. Aan het einde van de stage of van de proefperiode, evalueert de jury de kandidaat en brengt een gemotiveerd advies uit over zijn geschiktheden en verdiensten. Indien de evaluatie gunstig is, wordt de kandidaat bevestigd en benoemd tot wetenschappelijk personeelslid. Hij heeft derhalve toegang tot de wetenschappelijke loopbaan zoals beschreven in de volgende hoofdstukken. 7. Hoofdstuk IV voert een evaluatiecyclus voor de wetenschappelijke personeelsleden in. 7.1. Het bleek noodzakelijk om, in het kader van een modern human resources beleid voor de wetenschappelijke personeelsleden, ook net als voor de andere personeelsleden van niveau A een evaluatiesysteem in te voeren voor hen (n.b. het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 tot invoering van een evaluatiecyclus in de federale overheidsdiensten is inderdaad niet van toepassing op het wetenschappelijk personeel van de federale wetenschappelijke instellingen. Wat daarbij wordt nagestreefd is hetzelfde : beter functioneren van de instelling en ontplooiing van de medewerkers. 7.2. De evaluatie vindt om de twee jaar plaats. 7.3. De instrumenten hiervoor zijn : - de persoonlijke functiefiche die de taken vastlegt die aan het wetenschappelijk personeelslid worden toevertrouwd en welke de doelstellingen zijn die moeten worden bereikt; - de activiteitenverslagen opgesteld, enerzijds, door de hiërarchisch of functioneel meerdere van het wetenschappelijk personeelslid en, anderzijds, door dit laatste; - het evaluatiegesprek; - en het evaluatieverslag. 7.4. Ieder wetenschappelijk personeelslid wordt geëvalueerd door de hiërarchisch meerdere die hiervoor door de algemeen directeur van de instelling wordt aangewezen. De evaluator kent voor de evaluatie de vermelding « voldoende » of « onvoldoende » toe. Hij motiveert zijn beslissing in het evaluatieverslag. 7.5. Wanneer de vermelding « onvoldoende » wordt toegekend, wordt het wetenschappelijk personeelslid na een jaar aan een nieuwe evaluatie onderworpen. Deze evaluatie gebeurt door de jury. Wanneer opnieuw een vermelding « onvoldoende » wordt toegekend, wordt het personeelslid wegens beroepsongeschiktheid ontslagen. Indien de evaluatie daarentegen gunstig is, vindt de volgende evaluatie normaal om de twee jaar plaats. 7.6. Het wetenschappelijk personeelslid beschikt over een recht op beroep tegen de toegekende evaluatievermelding. Dit beroep wordt ingesteld bij een interdepartementale raad van beroep waarvan sprake in artikel 53 van onderhavig ontwerp. 8. In hoofdstuk V komen de bevordering en de verandering van activiteitengroep aan bod. 8.1. De bevordering houdt de toegang tot een hogere klasse in. Zoals hiervoor al uiteengezet, moet hiervoor geen betrekking vacant zijn : ieder personeelslid dat de minimumvoorwaarden vervult die zijn vastgelegd voor toegang tot een hogere klasse, kan zijn bevordering vragen. De jury voert dan een diepgaand onderzoek uit naar de activiteit van het personeelslid (het gaat hier om een evaluatie die verder reikt dan de gewone evaluatiecyclus en uitgaat van een standaardmatrix waarmee de kwaliteit van de prestaties kan worden gemeten) en brengt een gemotiveerd advies uit. Fundamentele criteria hierbij zijn dus de kwaliteit van het werk en de ontwikkeling van de expertise.

De minimumvoorwaarden werden vastgelegd om de wetenschappelijke loopbaan aantrekkelijker te maken samen met reële ontplooiingskansen.

Ze houden ook rekening met verschillen in « beroepen » tussen de twee activiteitengroepen. Tijdsgebonden criteria (minimumanciënniteit en verstrijken van een gewone evaluatieperiode tussen twee bevorderingsaanvragen) zijn ingevoerd om te snelle ontwikkelingen te voorkomen die niet zouden sporen met het doel een « loopbaan » uit te bouwen en de personeelsleden de hele tijd gemotiveerd te houden (trouw aan de instelling).

De bevordering vindt in principe plaats in de klasse direct boven die van het personeelslid. De tekst voorziet, bij wijze van uitzondering, evenwel in de mogelijkheid voor een wetenschappelijk personeelslid om een bevordering te vragen in de klasse die volgt op die direct boven de zijne. Het personeelslid kan deze aanvraag slechts indienen als het niet alleen de voorwaarden vervult voor toegang tot deze tweede klasse, maar ook nooit bij een van zijn gewone evaluaties de vermelding « onvoldoende » heeft gekregen. Er dient daarbij in de evaluatie niets bestraffend te worden gezien : de overwogen maatregel is een uitzonderlijke gunst die van het betrokken personeelslid te allen tijde voortreffelijkheid eist. 8.2. De verandering van activiteitengroep is een functionele maatregel die het mogelijk moet maken te beantwoorden hetzij aan een behoefte van de instelling, hetzij aan de ontwikkeling van de concrete activiteit van een wetenschappelijk personeelslid. De personeelsleden kunnen immers tijdens hun loopbaan worden geroepen om in mindere of meerdere mate taken te vervullen die tot de ene of de andere activiteitengroep behoren. De indeling in een van de groepen gebeurt in het licht van de kerntaken, die in de tijd kunnen variëren.

De verandering is geen bevordering en vindt dus plaats in een betrekking van dezelfde klasse.

De aanvraag voor verandering van activiteitengroep gaat uit hetzij van het personeelslid, hetzij van de instelling (algemeen directeur) en wordt ter advies aan de jury voorgelegd. 9. Hoofdstuk VI stelt het wetenschappelijk personeelslid in staat verlof te krijgen om een opdracht van wetenschappelijk belang te vervullen. Dit verlof is onderworpen aan diverse voorwaarden : - de opdracht moet worden vervuld bij een overheidsdienst of -instelling, hetzij met name in het ontwerp geïdentificeerd hetzij andere voor zover deze dienst of instelling wetenschappelijke activiteiten verricht of dergelijke activiteiten financiert en met gunstig advies van de jury; - de beoogde opdracht moet van belang zijn voor de instelling; - de opdracht loopt over maximum twee jaar. Ze kan evenwel worden verlengd met periodes die niet langer mogen duren dan twee jaar zonder dat de totale duur van de toegestane opdrachten meer dan zes jaar bedraagt.

Dit verlof is onbezoldigd. Aangezien de opdracht van belang moet zijn voor de instelling, wordt de duur van het verlof niettemin gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. 10. Hoofdstuk VII heeft het over de wedertewerkstelling en de overplaatsing.Dit hoofdstuk behoeft geen bijzondere commentaar aangezien het bepalingen overneemt die al terug te vinden zijn in het besluit van 21 april 1965. 11. Hetzelfde geldt voor hoofdstuk VIII (met uitzondering van enkele technische aanpassingen die verband houden met de inwerkingtreding van de nieuwe loopbaan van niveau A en met de modernisering van onderhavig statuut) dat de bepalingen opsomt van de loopbaan van niveau A die van toepassing zijn op de wetenschappelijke personeelsleden en de bepalingen vastlegt die noodzakelijk zijn om de goede toepassing ervan te waarborgen.12. In titel III wordt dieper ingegaan op de overgangs- en slotbepalingen. 12.1. Zo worden een aantal maatregelen genomen (artikelen 54 tot 56) om de overgang te regelen van het op dit ogenblik in dienst zijnde wetenschappelijk personeel naar de nieuwe loopbaanregeling. Andere hebben tot doel de voortzetting mogelijk te maken van de procedures die in gang zijn gezet onder de oude regeling (artikelen 59 tot 61). 12.2. Artikel 57 somt de graden op van het huidige statuut van het wetenschappelijk personeel die worden geschrapt. Het schaft overigens de graden af die betrekking hebben op de leidinggevende functies. Het neemt in dit opzicht bij wijze van overgang ook de noodzakelijke maatregelen om de instellingen in staat te stellen hun hiërarchie en de leidinggevende functies te behouden die nodig zijn om de continue openbare dienstverlening en het goed functioneren van de organen te waarborgen tot het vervolg van de geplande hervorming van deze instellingen in werking treedt. De leidinggevende functies worden immers bekeken in het kader van een mandaat en komen daardoor niet meer in onderhavig statuut aan bod, maar wel in een ontwerp van koninklijk besluit dat de management- (algemeen directeur), staf- (directeur van een ondersteunende dienst) en leidinggevende (operationeel directeur) functies opgericht in de federale wetenschappelijke instellingen bij het koninklijk besluit van 20 april 1965 tot vaststelling van het organiek statuut van deze instellingen tezamen brengt. 12.3. Artikel 58 bevat maatregelen om rekening te houden met de specifieke situatie van personeelsleden van niveau A die wegens een te enge omschrijving van de wetenschappelijke activiteit toentertijd niet als wetenschappelijk personeelslid konden worden aangeworven. Dit artikel stelt een mechanisme in voor de regularisatie met instemming van de bevoegde overheden voor de wetenschappelijke loopbaan waarin deze personeelsleden eventueel zullen terechtkomen. 12.4. In artikel 62 wordt het koninklijk besluit opgeheven van 21 april 1965 tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel der wetenschappelijke instellingen van de Staat. 12.5. In artikel 63 wordt de inwerkingtreding geregeld.

De Regering is ontvankelijk voor de opmerking van de Raad van State over § 1 van het betrokken artikel. Zij wenst er evenwel geen gevolg aan te geven daar het verkieslijker is dat de regelgevende bepalingen met betrekking tot de personeelsleden met zekerheid in werking treden op de eerste dag van een maand. De Regering zal bovendien de Administratie en de wetenschappelijke instellingen de tijd gunnen om kennis te nemen van dit besluit : de Regering wijst er Uwe Majesteit echter op dat de betrokken instellingen en de departementen waarvan zij afhangen nauw bij de opstelling van het project betrokken zijn geweest.

Wat de opmerking betreft over § 2 van hetzelfde artikel, is het verlenen van terugwerkende kracht perfect verantwoord ingeval die retroactiviteit past in de meeste door het Hoge College opgesomde hypothesen. Zo zal die retroactiviteit worden toegepast met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel daar alle betrokken personeelsleden er op dezelfde manier profijt bij zullen hebben en zal zij hun bovendien enkel maar geldelijke voordelen bieden. Er moet niet aan worden herinnerd dat het rijkspersoneel al soortgelijke geldelijke voordelen met terugwerkende kracht heeft verworven op 1 december 2004.

De overwogen retroactiviteit zal tot slot geen afbreuk doen aan de verworven geldelijke en administratieve situaties. 13. Voor het overige werd er rekening gehouden met de opmerkingen van de Raad van State. Ik heb de eer te zijn, Sire, Van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar.

De Minister belast met het Wetenschapsbeleid, Mevr. S. LARUELLE

ADVIES 43.412/1/V VAN 2 AUGUSTUS 2007 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, eerste vakantiekamer, op 18 juli 2007 door de Minister van Wetenschapsbeleid verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit « tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel van de federale wetenschappelijke instellingen », heeft het volgende advies gegeven : Rekening houdende met het tijdstip waarop dit advies gegeven wordt, vestigt de Raad van State de aandacht op het feit dat, wegens het ontslag van de regering, de bevoegdheid van deze laatste beperkt is tot het afhandelen van de lopende zaken. Dit advies wordt evenwel gegeven zonder dat wordt nagegaan of dit ontwerp in die beperkte bevoegdheid kan worden ingepast, aangezien de afdeling wetgeving geen kennis heeft van het geheel van de feitelijke gegevens welke de regering in aanmerking kan nemen als zij te oordelen heeft of het vaststellen of wijzigen van een verordening noodzakelijk is.

Met toepassing van artikel 84, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, heeft de afdeling wetgeving zich beperkt tot het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, van de rechtsgrond alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan.

Strekking en rechtsgrond van het ontwerp 1. Het om advies voorgelegde ontwerp past in en draagt mede bij tot een grondige hervorming van de federale wetenschappelijke instellingen (1).Het strekt tot een herziening van het statuut van het wetenschappelijk personeel van de federale wetenschappelijke instellingen. 2. Het ontwerp vindt rechtsgrond in artikel 107, tweede lid, van de Grondwet, uit welke bepaling de Koning de bevoegdheid put om het statuut van het rijkspersoneel te regelen. Onderzoek van de tekst Artikel 4 Het valt niet in te zien waarom, zoals uit artikel 4, § 1, 3°, eerste lid, van het ontwerp blijkt, wetenschappelijke deskundigen die niet de Belgisch nationaliteit hebben, a priori uitgesloten worden om deel uit te maken van de jury.

Artikel 17 Er is een tegenstrijdigheid tussen het eerste lid van artikel 17, § 1 (« De stage duurt hoogstens twee jaar »), en het tweede lid (« De stage kan hoogstens met één jaar worden verlengd »). Wellicht dient in het eerste lid te worden bepaald dat de stage één jaar duurt (2).

Artikel 36 In de vierde paragraaf van dit artikel wordt, in verband met de berekening van de beëindigingsvergoeding toegekend aan het wetenschappelijk personeelslid dat wordt ontslagen wegens beroepsongeschiktheid, melding gemaakt van « de indexcijfers van de consumptieprijzen ».

Krachtens titel 1 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen, bekrachtigd bij de wet van 30 maart 1994, dient met ingang van 1 januari 1994 bij de koppeling van de lonen aan het indexcijfer der consumptieprijzen, het prijsindexcijfer in aanmerking te worden genomen dat daartoe berekend en benoemd wordt, de zogenaamde 'gezondheidsindex'. Volgens artikel 1, § 1, is dit besluit van toepassing op de werknemers en werkgevers gebonden door een arbeidsovereenkomst. Artikel 1, § 2, breidt de toepassingssfeer ervan uit tot « de in vast verband benoemde, stagedoende, contractuele en hulppersoneelsleden », van onder meer « de administraties en andere diensten van de Federale overheid » (1°).

Om terzake geen verwarring te scheppen kan dan ook beter kortweg worden geschreven : « ingevolge de schommelingen van het indexcijfer ».

Artikel 52 De gemachtigde ambtenaar heeft bevestigd dat de verwijzing naar de persoonlijke verantwoordelijkheid van de wetenschappelijke personeelsleden in paragraaf 1, zesde gedachtestreepje, van artikel 52, de toepassing beoogt te bevestigen van de wet van 10 februari 2003 betreffende de aansprakelijkheid van en voor personeelsleden in dienst van openbare rechtspersonen.

Deze bepaling moet uit het ontwerp worden geschrapt omdat het de Koning niet toekomt om het van toepassing zijn van wetskrachtige normen te bevestigen.

Artikel 63 1. Luidens artikel 63, § 1, treden de meeste bepalingen van het besluit dat thans in ontwerpvorm voorligt, in werking de eerste dag van de maand na die waarin het in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt. Zulke regeling van inwerkingtreding heeft evenwel het nadeel dat, indien de bekendmaking van de regeling op het einde van de maand gebeurt, de bestemmelingen ervan zelfs niet over de normale termijn van tien dagen zullen beschikken om zich aan de regeling aan te passen.

Vraag is dan ook of artikel 63 niet beter wordt weggelaten of wordt vervangen door een andere bepaling van inwerkingtreding. 2. Op grond van artikel 63, § 2, van het ontwerp zullen een aantal bepalingen ervan uitwerking hebben met ingang van 1 december 2006.In dat verband moet worden opgemerkt dat het verlenen van terugwerkende kracht slechts onder bepaalde voorwaarden toelaatbaar kan worden geacht.

Het verlenen van terugwerkende kracht aan besluiten is enkel toelaatbaar ingeval voor de retroactiviteit een wettelijke grondslag bestaat, de retroactiviteit betrekking heeft op een regeling die, met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel, voordelen toekent of in zoverre de retroactiviteit noodzakelijk is voor de goede werking van de diensten en daardoor, in beginsel, geen verkregen situaties worden aangetast.

Enkel indien de retroactiviteit van de ontworpen regeling in één van de opgesomde gevallen valt in te passen, kan deze worden gebillijkt.

De kamer was samengesteld uit : De heren : M. Van Damme, kamervoorzitter;

J. Bovin en J. BAERT, staatsraden;

H. Cousy, assessor van de afdeling wetgeving;

Mevr. G. Verberckmoes, griffier.

Het verslag werd uitgebracht door de heer B. Weekers, auditeur. ...

De griffier, G. Verberckmoes.

De voorzitter, M. Van Damme. ______ (1) Zie ook de ontwerpen 43.410/1/V, 43.411 /1 /V en 43.413 /1 /V, waarover de Raad van State, afdeling wetgeving, heden eveneens een advies geeft. (2) Vergelijk met artikel 25, § 1, eerste lid, van het ontwerp en met artikel 30, § 3, van koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel (« De stage duurt één jaar.Zij kan ten hoogste met één derde van haar duur worden verlengd (...) »).

25 FEBRUARI 2008. - Koninklijk besluit tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel van de federale wetenschappelijke instellingen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de artikelen 37 en 107, tweede lid, van de Grondwet;

Gelet op het koninklijk besluit van 20 april 1965 tot vaststelling van het organiek statuut van de federale wetenschappelijke instellingen, inzonderheid op artikel 4, vervangen bij het koninklijk besluit van 25 februari 2008, en artikel 5, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 10 mei 1995, 26 mei 1999, 5 juni 2004 en 25 februari 2008;

Gelet op het koninklijk besluit van 21 april 1965 tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel der wetenschappelijke instellingen van de Staat, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 13 februari 1969, 3 juni 1975, 3 mei 1976, 12 augustus 1981, nr. 121 van 30 december 1982 (opgeheven bij de wet van 20 juli 1990), 10 december 1987, 18 februari 1988, 19 november 1991, 3 februari 1994, 30 mei 1994, 4 februari 1998, 19 april 1999, 9 juni 1999, 22 januari 2003 en 5 juni 2004;

Gelet op het koninklijk besluit van 30 oktober 1996 tot aanwijzing van de federale wetenschappelijke instellingen, inzonderheid op artikel 1, vervangen bij het koninklijk besluit van 9 april 2007;

Gelet op het koninklijk besluit van 30 april 1999 tot vaststelling van het statuut van het administratief en technisch personeel van de federale wetenschappelijke instellingen van de Staat;

Gelet op het advies van de Federale Interministeriële Commissie voor Wetenschapsbeleid, gegeven op 27 juli 2006;

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 10 augustus 2006;

Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 20 april 2007;

Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Ambtenarenzaken van 20 februari 2007;

Gelet op het protocol nr 141/3 van 6 juni 2007 van het Sectorcomité I - Algemeen Bestuur;

Gelet op het advies nr. 43.412/1/V van de Raad van State, gegeven op 2 augustus 2007, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister belast met Wetenschapsbeleid en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Besluit : TITEL I. - Toepassingsgebied en algemene bepalingen

Artikel 1.§ 1. Voor de toepassing van dit besluit dient te worden begrepen onder : - « instelling(en) », de federale wetenschappelijke instelling(en) bedoeld in Ons besluit van 30 oktober 1996 tot aanwijzing van de federale wetenschappelijke instellingen; - « koninklijk besluit », Ons besluit van 20 april 1965 tot vaststelling van het organiek statuut van de federale wetenschappelijke instellingen; - « statuut van het rijkspersoneel », Ons besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel; - « Minister », de Minister(s) of Staatssecretaris(sen) onder wiens bevoegdheid de instelling valt; - « Voorzitter », de voorzitter van het directiecomité van de federale overheidsdienst of de voorzitter van de programmatorische federale overheidsdienst waaronder de betrokken instelling ressorteert; - « directieraad », de directieraad opgericht in elke instelling door Ons voornoemd besluit van 20 april 1965; - « bevoegde stafdienst Personeel en Organisatie », de dienst die voor de betrokken instelling belast is met de human resources; - « jury », de jury opgericht in elke instelling door Ons voornoemd besluit van 20 april 1965; - « algemeen directeur », de houder van de managementfunctie -1 bedoeld in artikel 5bis van Ons voornoemd besluit van 20 april 1965; - « operationeel directeur », de houder van de leidinggevende functie bedoeld in artikel 6ter, § 1, van Ons voornoemd besluit van 20 april 1965; - « wetenschappelijk personeel », de leden van het personeel van de instellingen belast met de uitvoering van wetenschappelijke activiteiten; - « wetenschappelijk(e) personeelslid/leden », het/de lid/leden van het wetenschappelijk personeel van een instelling; - « wetenschappelijke activiteit », elke systematische activiteit die nauw verbonden is met creatie, productie, bevordering, verspreiding en toepassing van de wetenschappelijke en technische kennis in alle gebieden van de wetenschap en de technologie en in het bijzonder wetenschappelijk onderzoek, experimentele ontwikkeling, wetenschappelijke en technische dienstverlening, het behoud en de presentatie van het cultureel erfgoed en de educatieve diensten inbegrepen. § 2. Voor de instelling die onder het gezag staan van de Minister tot wiens bevoegdheid de Defensie behoort, dient te worden begrepen onder « federale overheidsdienst » waaraan de betrokken instelling verbonden is, het Ministerie van Defensie.

De bevoegdheden van de Voorzitter worden uitgeoefend door de algemeen directeur die bevoegd is voor het beheer van het burgerpersoneel bij voornoemd ministerie. § 3. Voor de instellingen die onder het gezag staan van de Minister tot wiens bevoegdheid het Wetenschapsbeleid behoort alsmede voor die welke onder het gezag staan van de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, wordt ieder document met betrekking tot het beheer van het wetenschappelijk personeel dat aan de betrokken Minister moet worden voorgelegd aan deze laatste meegedeeld via de Voorzitter.

Art. 2.Dit statuut is toepasselijk op het wetenschappelijk personeel van de in het eerste artikel bedoelde instellingen.

Art. 3.De betrekkingen van het personeel onderworpen aan dit statuut staan vermeld in de speciale rubriek « Wetenschappelijk personeel » van het personeelsplan van elke instelling.

TITEL II. - Wetenschappelijke loopbaan HOOFDSTUK I. - Jury Afdeling 1. - De samenstelling van de jury

Art. 4.§ 1. De in elke instelling ingestelde jury is als volgt samengesteld : 1° als voorzitter : een rijksambtenaar die op zijn minst tot klasse A4 van de loopbaan van niveau A van het rijkspersoneel behoort, of daarmee wordt gelijkgesteld, en ressorteert onder de federale overheidsdienst of de programmatorische federale overheidsdienst waaraan de instelling verbonden is.Hij wordt aangewezen door de Minister op voorstel van de Voorzitter. Zo nodig kan deze laatste een beroep doen op een bevoegd personeelslid dat ressorteert onder een andere federale overheidsdienst of programmatorische federale overheidsdienst waaraan een instelling verbonden is, mits voorafgaand akkoord van de betrokken Minister. Een plaatsvervanger wordt op dezelfde manier aangewezen. De voorzitter van de jury en zijn plaatsvervanger behoren tot een verschillende taalrol; 2° als verslaggever : de algemeen directeur van de instelling of zijn plaatsvervanger;3° als leden aangewezen door de Minister : twee wetenschappelijke deskundigen die niet tot de instelling behoren en over speciale ervaring of kennis beschikken die verband houdt met de opdrachten en de specifieke wetenschappelijke activiteiten van de instelling, en die kennis hebben van een van de landstalen waarvan het gebruik in bestuurszaken vereist is.Zij mogen hun respectieve activiteiten niet in dezelfde organisatie of instelling uitoefenen. Zij behoren bovendien tot een verschillende taalrol.

Ze worden aangesteld voor een mandaat van vier jaar uit een lijst in dubbeltal die door de algemeen directeur aan de Minister wordt voorgedragen.

Het in het vorige lid bedoelde mandaat is hernieuwbaar. In het geval van overlijden of definitieve verhindering van een van deze deskundigen wordt in zijn vervanging voorzien volgens de hierboven vermelde procedure. Het lid dat in dat geval wordt aangewezen, voltooit het mandaat van de deskundige die hij vervangt; 4° als leden die in onderling akkoord worden aangewezen door de voorzitter van de jury en de verslaggever, met inachtneming van de agenda van de vergadering van de jury : a) een operationeel directeur of een wetenschappelijk personeelslid van de instelling dat op zijn minst klasse SW3 van de loopbaan van het wetenschappelijk personeel van de Staat bereikt heeft, zoals gedefinieerd in artikel 6, § 3, van dit besluit, gekozen op grond van zijn specialisatie of de dienst van de instelling waarin hij aangesteld is;b) een wetenschappelijke deskundige die niet tot de instelling behoort en over een bijzondere kennis beschikt die verband houdt met de opdrachten en de specifieke wetenschappelijke activiteiten van de instelling, en die een van de landstalen kent waarvan het gebruik in bestuurszaken vereist is.Hij mag zijn activiteiten niet in dezelfde organisatie of hetzelfde instituut uitoefenen als de in punt 3° bedoelde deskundigen; 5° twee bijkomende leden die conform punt 4° in de volgende gevallen worden aangewezen : a) rechtstreekse aanwerving van een wetenschappelijk personeelslid in de klasse SW4 van de loopbaan van het wetenschappelijk personeel van de Staat, zoals omschreven in artikel 6, § 3, van dit besluit;b) aanvraag tot bevordering in voornoemde klasse SW4;c) aanvraag tot bevordering gedaan conform artikel 42 van dit besluit;d) wanneer de voorzitter van de jury en de rapporteur het noodzakelijk achten in het licht van de agenda van de vergadering van de jury. § 2. Indien zij het noodzakelijk achten, mogen de voorzitter van de jury en de verslaggever iedere persoon, die al dan niet personeelslid is van de betrokken instelling en die, gelet op de agenda van de vergadering, over speciale ervaring of kennis beschikt, uitnodigen om de vergadering van de jury bij te wonen.

Deze personen nemen deel aan de vergadering met raadgevende stem. § 3. De leden van de jury genieten vergoedingen voor reis- en verblijfskosten toegekend aan de personeelsleden van de federale overheidsdiensten. Voor de toepassing van deze reglementaire bepalingen worden de leden van de jury die geen deel uitmaken van het personeel van een instelling, gelijkgesteld met het rijkspersoneel van klasse A4 van de loopbaan van niveau A van het rijkspersoneel. Afdeling 2. - Werking van de jury

Art. 5.§ 1. De jury komt zo vaak samen als nodig is voor de uitvoering van de opdrachten die haar werden toevertrouwd door Ons voornoemd besluit van 20 april 1965.

De voorzitter van de jury bepaalt, in overleg met de verslaggever, de datum en de agenda van de vergaderingen en roept naargelang van de behoeften de leden op bedoeld in artikel 4, § 1, 4°, en § 4, van dit besluit. § 2. De jury kan op geldige wijze beraadslagen indien de meerderheid van de leden die moeten bijeenkomen, aanwezig is. § 3. De beslissingen van de jury worden bij consensus genomen.

Indien er na bespreking geen beslissing kan worden genomen bij consensus van de aanwezige leden, gaat de voorzitter van de jury over tot stemming.

De stemming verloopt geheim. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter van de jury beslissend. § 4. In het kader van een selectieprocedure kan tot een schriftelijke raadpleging van de jury worden overgegaan om het functieprofiel bedoeld in artikel 9 van dit besluit, op te stellen. § 5. De voorzitter van de jury, de verslaggever en de door de Minister aangewezen leden stellen het huishoudelijk reglement van de jury op.

Dit reglement omvat op zijn minst : - de nadere regels voor de oproeping tot de vergaderingen; - de nadere regels voor het voorleggen van de dossiers; - de voorwaarden inzake quorum en stemmen; - de manier van opstelling van de gemotiveerde adviezen; - de manier van opstelling en goedkeuring van de notulen, met inbegrip van de manier waarop de meningen, zelfs minoritair, uitgebracht door de leden van de jury zullen worden weergegeven; - de nadere regels voor de in § 4 bedoelde schriftelijke raadpleging; - een indicatieve lijst van wetenschappelijke deskundigen die niet tot de instelling behoren en die als lid van de jury kunnen worden aangewezen overeenkomstig artikel 4, § 1, 4°, b. Voor zover mogelijk omvat deze lijst het geheel van de opdrachten en de specifieke wetenschappelijke activiteiten van de instelling.

Het wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. HOOFDSTUK II. - De structuur van de loopbaan

Art. 6.§ 1. De loopbaan van het wetenschappelijk personeel omvat twee groepen van wetenschappelijke activiteiten die elk de wetenschappelijke personeelsleden verenigen die functies uitoefenen die tot een gelijksoortig deskundigheiddomein behoren : - activiteitengroep I : Wetenschappelijk onderzoek en experimentele ontwikkeling; - activiteitengroep II : Wetenschappelijke dienstverlening.

De activiteitengroep I omvat de titularissen van functies waarvan de taken hoofdzakelijk bestaan uit fundamenteel of toegepast onderzoek en/of experimentele ontwikkeling.

De activiteitengroep II omvat de titularissen van functies waarvan de taken hoofdzakelijk bestaan uit onder meer : - wetenschappelijke en culturele informatieverstrekking, - test- en normalisatiewerkzaamheden, - het samenstellen, beheren en ontsluiten van wetenschappelijke en culturele verzamelingen, - systematische wetenschappelijke waarnemingen en controles, - beleids- en operationele studies, - referentietaken, gespecialiseerde diagnosen en analysen, - educatieve dienstverlening met betrekking tot de wetenschappelijke en culturele activiteiten van de instelling, - valorisatie van de wetenschappelijke onderzoek. § 2. De wetenschappelijke personeelsleden worden door de Minister ingedeeld in een van de twee in § 1 genoemde activiteitengroepen, overeenkomstig de bepalingen van dit besluit. § 3. De loopbaan omvat vier klassen genummerd van SW1 tot SW4, waarbij SW4 de hoogste klasse is.

De klasse SW1 omvat de titels van assistent-stagiair en assistent.

De klasse SW2 omvat de titel van eerstaanwezend assistent.

De klasse SW3 omvat de titel van werkleider.

De klasse SW4 omvat de titel van eerstaanwezend werkleider. § 4. De opeenvolgende overgang van een wetenschappelijk personeelslid naar deze verschillende klassen gebeurt overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk. Deze is in geen geval afhankelijk van een vacante betrekking. Het gunstige en gemotiveerde advies van de jury is in elk geval vereist. § 5. Voor de toepassing van artikelen 3 en 52 van dit besluit worden de wetenschappelijke personeelsleden die titularis zijn van een van de in § 3 opgesomde klassen, gelijkgesteld aan het rijkspersoneel van niveau A volgens onderstaande rangschikking : - klasse SW1 van dit statuut : klasse A1 van het statuut van het rijkspersoneel; - klasse SW2 van dit statuut : klasse A2 van het statuut van het rijkspersoneel; - klasse SW3 van dit statuut : klasse A3 van het statuut van het rijkspersoneel; - klasse SW4 van dit statuut : klasse A4 van het statuut van het rijkspersoneel.

Art. 7.§ 1. De wetenschappelijke personeelsleden genieten wetenschappelijke anciënniteit. § 2. Voor de berekening van deze anciënniteit wordt rekening gehouden met : 1° de duur van de diensten gepresteerd in dienstactiviteit door het wetenschappelijk personeelslid sinds zijn indiensttreding als lid van het wetenschappelijk personeel van een van de instellingen;2° de duur van de wetenschappelijke activiteit uitgeoefend door het wetenschappelijk personeelslid voor zijn indiensttreding in de in artikel 1 bedoelde instellingen, voor zover deze activiteit werd uitgeoefend : - ofwel in het kader van een academisch of wetenschappelijk statuut erkend door een overheidsinstantie van een staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of de Zwitserse Confederatie; - ofwel in het kader van een opdracht uitgevoerd voor rekening van een hierboven vermelde overheidsinstantie, in het belang van de wetenschap, de cultuur of het hoger onderwijs, zelfs indien het wetenschappelijk personeelslid hiervoor op non-activiteit werd gesteld door de betrokken overheidsinstantie.

De jury beslist of de vroegere activiteit die een wetenschappelijk personeelslid op die manier heeft uitgeoefend, beschouwd kan worden als wetenschappelijke activiteit in de zin van dit besluit en bepaalt in overeenstemming daarmee de duur die als wetenschappelijke anciënniteit in aanmerking kan worden genomen; 3° de duur van de wetenschappelijke activiteit uitgeoefend door het wetenschappelijk personeelslid voor zijn indiensttreding in de in artikel 1 bedoelde instellingen, buiten de gevallen bedoeld in punt 2°, voor zover er voorafgaande wetenschappelijke ervaring werd vereist bij de werving.De jury beslist enerzijds of de vroegere ervaring van een kandidaat beschouwd kan worden als wetenschappelijke activiteit in de zin van dit besluit, en anderzijds of deze ervaring overeenkomt met die vereist bij de werving. In overeenstemming daarmee bepaalt zij de duur van de vorige ervaring die als wetenschappelijke anciënniteit in aanmerking kan worden genomen. De duur van de op die manier bepaalde wetenschappelijke activiteit wordt in haar geheel als wetenschappelijke anciënniteit beschouwd, tenzij in de oproep tot kandidaatstelling een maximumduur werd vastgelegd betreffende de vereiste voorafgaande wetenschappelijke ervaring, in welk geval deze verhoudingsgewijs wordt verminderd. § 3. De duur van de diensten gepresteerd als titularis van een functie met onvolledige prestaties, wordt verhoudingsgewijs berekend. § 4. Voor de wetenschappelijke personeelsleden die gemachtigd zijn om verminderde prestaties te verrichten, wordt de wetenschappelijke anciënniteit berekend overeenkomstig de bepalingen die de dienstanciënniteit regelen van het rijkspersoneel dat gemachtigd is om prestaties in eenzelfde stelsel te verrichten. § 5. Het wetenschappelijk personeelslid dat zich in de stand van non-activiteit bevindt en wetenschappelijke activiteiten uitvoert in een kader dat verenigbaar is met zijn stand, kan bij de heropneming van zijn functie aan de jury vragen om deze wetenschappelijke activiteit te erkennen als wetenschappelijke anciënniteit.

Hij richt zijn verzoek aan de algemeen directeur die het voorlegt aan de jury.

De jury beslist enerzijds of de betrokken activiteit beschouwd kan worden als wetenschappelijke activiteit in de zin van dit besluit, en anderzijds of deze activiteit verband houdt met de functie van het wetenschappelijk personeelslid in de instelling. In overeenstemming daarmee bepaalt zij de duur van de vorige ervaring die als wetenschappelijke anciënniteit in aanmerking kan worden genomen.

De beslissing van de jury geldt met terugwerkende kracht vanaf de dag van de aanvraag. HOOFDSTUK III. - Selectie, werving en bevestiging van wetenschappelijke personeelsleden Afdeling 1. - Algemene bepalingen

Art. 8.§ 1. Niemand mag worden aangeworven in een betrekking van wetenschappelijk personeel indien hij niet aan de volgende toelatingsvoorwaarden voldoet : 1° Belg zijn wanneer de uit te voeren functies een al dan niet rechtstreekse deelneming aan de uitoefening van openbaar gezag inhouden en werkzaamheden omvatten strekkende tot de bescherming van de algemene belangen van de Staat of, in de andere gevallen, Belg of onderdaan zijn van een staat die deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte of de Zwitserse Confederatie;2° burgerlijke en politieke rechten genieten;3° aan de dienstplichtwetten voldaan hebben;4° er een gedrag op nahouden dat beantwoordt aan de eisen van de functie;5° houder zijn van een einddiploma opgenomen in de lijst van diploma's en studiegetuigschriften die in aanmerking komen voor de toelating tot de rijksbesturen van niveau A, zoals vastgesteld in bijlage 1 van het statuut van het rijkspersoneel.Voor de toepassing van voornoemde bijlage dient te worden begrepen onder « afgevaardigd bestuurder van het Selectiebureau van de Federale Overheid », de voorzitter van de jury; 6° voldoen aan de speciale bekwaamheden en vereisten die zijn vastgesteld in het functieprofiel bedoeld in artikel 9 van dit besluit. § 2. Niemand mag als wetenschappelijk personeelslid worden bevestigd indien hij niet aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° voldoen aan de in § 1 vastgestelde toelatingsvoorwaarden;2° slagen voor de selectie bepaald in afdeling 2 van dit hoofdstuk;3° de in afdeling 4 bedoelde stage tot een goed einde brengen of voor de in afdeling 5 bedoelde proefperiode slagen, al naargelang het personeelslid in klasse SW1 of rechtstreeks in een van de klassen SW2 tot SW4 wordt aangeworven. Afdeling 2. - Selectie

Art. 9.§ 1. In het geval van een vacante betrekking stelt de jury een profiel op voor de te begeven functie. De algemeen directeur deelt aan de jury alle nuttige aanwijzingen mee betreffende het aantal aanwervingen per klasse dat kan worden overwogen en de budgettaire middelen waarover de instelling beschikt om hierin te voorzien, gelet op het personeelsplan en de personeelsenveloppe van de instelling. § 2. Het functieprofiel wordt opgesteld overeenkomstig het model dat is vastgelegd door de Minister tot wiens bevoegdheid het Wetenschapsbeleid behoort. Dit profiel vermeldt op zijn minst : 1° de activiteitengroep waaraan de te begeven functie verbonden is en, zo nodig, of de werving rechtstreeks in een klasse hoger dan klasse SW1 zal plaatsvinden, met vermelding van (de) betrokken klasse(n);2° de beschrijving van de functie en in het bijzonder de voornaamste taken die de houder van de functie moet volbrengen;3° het profiel van de vereiste bekwaamheden en in het bijzonder de opleidingen, diploma's, kennis, bekwaamheden, specialisaties of ervaring die specifiek vereist zijn.Indien de werving rechtstreeks in een van de klassen SW2 tot SW4 plaatsvindt, moeten deze specifieke vereisten op zijn minst de bijzondere voorwaarden vermelden voor de opeenvolgende overgang door bevordering naar deze klasse overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk V, met dien verstande dat de vereiste wetenschappelijke anciënniteit enkel kan bestaan uit vroegere wetenschappelijke activiteiten die werden uitgevoerd buiten de instelling en in aanmerking komen voor wetenschappelijke anciënniteit overeenkomstig artikel 7, § 2, 2° en 3°. § 3. De jury maakt het functieprofiel over aan de Voorzitter, met het oog op de oproep tot kandidaatstelling. Zij motiveert in een speciaal advies de activiteitengroep en de uitgekozen klasse van werving in het geval van rechtstreekse werving in een van de klassen SW2 tot SW4.

Art. 10.De kandidaten worden opgeroepen door middel van een in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd bericht.

Dit bericht geeft per instelling het volgende weer : 1° de vacante betrekking(en);2° de toelatingsvoorwaarden;3° het functieprofiel opgesteld overeenkomstig artikel 9 van dit besluit;4° de termijn en de vorm van de voordracht van de kandidaatstellingen, evenals de voor te leggen stukken;5° zo nodig alle nuttige informatie die betrekking heeft op de selectie, de werving of de loopbaan. De oproep tot kandidaatstelling wordt bepaald door de Voorzitter.

Art. 11.§ 1. De jury bepaalt welke kandidaten van de ontvankelijke kandidaturen zij het meest geschikt acht om de te begeven functie uit te oefenen. Het aantal kandidaten dat in aanmerking komt, mag niet groter zijn dan vijf per vacante betrekking, zoals vermeld in het in artikel 10 bedoeld bericht. Alleen deze kandidaten worden uitgenodigd om te verschijnen voor de jury en worden opgenomen in de rangschikking bedoeld in artikel 12 van dit besluit.

De jury neemt de in het eerste lid bedoelde beslissing op basis van het door de kandidaten ingezonden dossier. Zij beslist in het bijzonder of de titels, verdiensten en ervaring van de kandidaten beantwoorden aan de vereisten die bij de werving worden gesteld.

Indien de jury het noodzakelijk acht, kan zij de kandidaten vragen om eender welke bijkomende proef af te leggen die zij bepaalt om hun geschiktheid voor de te begeven functie te beoordelen. Zij organiseert de proef over een onderwerp dat een nuttig verband heeft met het vastgestelde functieprofiel. De kandidaten worden op de hoogte gebracht door middel van een brief die de datum, de plaats en het onderwerp van de proef vermeldt. Deze proef mag ten vroegste op de tiende werkdag na de datum van voornoemde brief plaatsvinden. Een kandidaat die niet verschijnt, wordt automatisch van de rest van de selectieprocedure uitgesloten. § 2. De jury tekent haar beraadslaging op in notulen die op zijn minst de volgende elementen bevatten : 1° de indeling van de kandidaten in twee lijsten, naargelang zij al dan niet in aanmerking werden genomen overeenkomstig § 1;2° de motivering van deze indeling voor elke kandidaat;3° het verslag betreffende de stemmen. § 3. Indien de jury meent dat geen enkele kandidaat over de vereiste bekwaamheden beschikt om de te begeven functie uit te oefenen, stelt zij gemotiveerde notulen van afsluiting van de selectieprocedure op en deelt ze mee aan de Voorzitter. § 4. Alle kandidaten worden, ieder wat hem aangaat, per aangetekende brief verstuurd door de voorzitter van de jury op de hoogte gebracht van de beslissing die de jury overeenkomstig dit artikel heeft genomen, en van de bijhorende motivering. § 5. Vóór de in § 2 bedoelde beraadslaging, deelt de voorzitter van de jury aan de bevoegde stafdienst Personeel en Organisatie de documenten mee ingediend door iedere kandidaat om zijn titels, verdiensten en vroegere wetenschappelijke activiteiten te wettigen. De betrokken dienst onderzoekt deze documenten en gaat met name de regelmatigheid ervan na. Hij deelt zijn advies mee aan de voorzitter van de jury.

Art. 12.§ 1. De kandidaten die volgens artikel 11 in aanmerking werden genomen, worden uitgenodigd om voor de jury te verschijnen door middel van een brief die datum en plaats van de hoorzitting vermeldt.

Deze hoorzitting mag ten vroegste op de tiende werkdag na de datum van voornoemde brief plaatsvinden. Een kandidaat die niet verschijnt, wordt automatisch van de rest van de selectieprocedure uitgesloten en mag niet in de hieronder vermelde rangschikking worden opgenomen.

De kandidaat die niet is verschenen op de in het vorige lid bedoelde hoorzitting en die een gegronde reden kan laten gelden, kan, binnen tien dagen na de datum van voornoemde hoorzitting, toch vragen om door de jury te worden gehoord. Hij stuurt zijn met redenen omklede verzoek aan de voorzitter van de jury die de aangevoerde reden beoordeelt. De voorzitter nodigt, in voorkomend geval, de betrokken kandidaat uit onder dezelfde voorwaarden als bedoeld in het vorige lid. § 2. Na alle kandidaten te hebben gehoord, stelt de jury een gemotiveerde rangschikking op. Zij tekent haar beraadslaging op in notulen die op zijn minst de volgende elementen bevatten : 1° de rangschikking van de kandidaten;2° de motivering van de volgorde van rangschikking voor elke kandidaat;3° het verslag betreffende de stemmen;4° zo nodig de duur van de vorige wetenschappelijke activiteit die in aanmerking kan worden genomen voor de berekening van de wetenschappelijke anciënniteit overeenkomstig artikel 7, § 2, 2° en 3°;5° in het geval van rechtstreekse werving in een van de klassen SW2 tot SW4, de vaststelling dat de kandidaten aan alle specifieke voorwaarden voldoen die vereist zijn in de betrokken activiteitengroep voor de opeenvolgende overgang door bevordering naar de betrokken klasse overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk V, met dien verstande dat de vereiste wetenschappelijke anciënniteit uitsluitend mag bestaan uit de anciënniteit die erkend werd overeenkomstig het hierboven vermelde punt 4°. § 3. De in dit artikel bedoelde kandidaten worden, ieder wat hem aangaat, per aangetekend schrijven verstuurd door de voorzitter van de jury op de hoogte gebracht van de rangschikking en de bijhorende motivering.

Art. 13.De in artikelen 11 en 12 bedoelde aangetekende brieven omvatten op zijn minst de volgende elementen : 1° de beslissing van de jury en haar motieven.Alleen de elementen die de kandidaat persoonlijk aangaan, worden aan hem meegedeeld; 2° de aanwijzing voor de kandidaat die zich benadeeld acht, dat hij de mogelijkheid heeft om binnen de tien werkdagen na de kennisgeving een schriftelijke klacht in te dienen bij de voorzitter van de jury om eventueel te vragen om door de jury gehoord te worden;3° het deel van de notulen van de vergadering van de jury dat betrekking heeft op die beslissing.

Art. 14.§ 1. De kandidaat dient klacht in per aangetekend schrijven, waarin hij zijn argumenten vermeldt. Indien hij vraagt gehoord te worden, verschijnt hij in persoon : hij mag zich niet laten bijstaan of vertegenwoordigen.

Indien de kandidaat, ofschoon correct opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt, wordt de procedure wat hem betreft als afgesloten beschouwd. De jury beoordeelt soeverein de geldigheid van de door de kandidaat opgegeven reden.

De jury doet uitspraak op basis van de schriftelijke klacht, zelfs indien de kandidaat een geldige reden heeft, zodra de klacht in een tweede zitting wordt besproken. § 2. De in artikel 11 bedoelde beslissing, van de jury over de ingediende klacht wordt enkel aan de betrokken kandidaat bekendgemaakt. § 3. De in artikel 12 bedoelde beslissing zal, indien de jury na onderzoek van de klacht haar beslissing niet wijzigt, enkel worden bekendgemaakt aan de kandidaat die de klacht heeft ingediend.

Indien de jury daarentegen een nieuwe rangschikking opstelt, dan wordt deze per aangetekend schrijven bekendgemaakt aan alle kandidaten die zich op geldige wijze hebben kandidaat gesteld.

Indien opnieuw een kandidaat zich benadeeld acht, kan hij volgens dezelfde procedure een schriftelijke klacht indienen.

Op het einde van een nieuwe beraadslaging maakt de jury de definitieve rangschikking bekend aan alle kandidaten die zich op geldige wijze hebben kandidaat gesteld en maakt deze over aan de Minister.

Art. 15.De rangschikking die door de jury werd bepaald overeenkomstig de vorige artikelen, is geldig tot de eerste dag van de maand die volgt op de indiensttreding van een kandidaat overeenkomstig de bepalingen van afdeling 3.

De rangschikking wordt op initiatief van de voorzitter van de jury aan de Minister meegedeeld. Afdeling 3. - De werving

Art. 16.§ 1. De kandidaten worden geworven in een betrekking van de klasse vermeld in de betrokken oproep tot kandidaatstelling.

Ze worden benoemd door de Minister in de volgorde van rangschikking en binnen de perken van de vacante betrekkingen vermeld in de oproep tot kandidaatstelling : - ofwel als stagiair wanneer de werving in klasse SW1 plaatsvindt. Ze dragen de titel van « assistent-stagiair » en volbrengen de in afdeling 4 bedoelde stage; - ofwel als wetenschappelijk personeelslid in proefperiode wanneer de werving rechtstreeks in een van de klassen SW2 tot SW4 plaatsvindt. Ze dragen de titel die overeenkomt met de betrokken klasse en volbrengen de in afdeling 5 bedoelde proefperiode.

Ze worden door de Minister aangesteld in de activiteitengroep die vermeld werd in de betrokken oproep tot kandidaatstelling.

In de benoemingsakte wordt de wetenschappelijke anciënniteit vermeld die voor de indiensttreding bij de instelling verworven werd en die de stagiair of het wetenschappelijk personeelslid in proefperiode kan laten gelden overeenkomstig artikel 7 van dit statuut. § 2. De algemeen directeur nodigt de kandidaten die geworven werden overeenkomstig § 1, per brief uit om de functie te bekleden waarvoor ze zich kandidaat hebben gesteld. § 3. De stagiairs en de wetenschappelijke personeelsleden in proefperiode moeten als zodanig, met het genot van al hun wetenschappelijke en geldelijke rechten, ten laatste op de eerste dag van de derde maand die volgt op deze van de in § 2 bedoelde bekendmaking in dienst treden.

Wanneer een kandidaat een opzeggingstermijn moet voltooien ingevolge de bepalingen die van toepassing zijn in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in de Zwitserse Confederatie, bij een instelling van de Europese Gemeenschappen of een organisme dat opgericht is door of krachtens een van de verdragen welke ze regelen, wordt de in het eerste lid vastgelegde termijn verlengd tot de eerste dag van de maand die volgt op de einddatum van de opzeggingstermijn.

Indien uitzonderlijke omstandigheden dat wettigen, kan de algemeen directeur de termijn vastgelegd in het eerste lid uiterlijk vóór het verstrijken van genoemde termijn eenmaal verlengen. Hij deelt de duur van de verlenging mee aan de betrokken kandidaat, in voorkomend geval in de in § 2 bedoelde kennisgeving, en brengt de voorzitter van de jury en de bevoegde stafdienst Personeel en Organisatie onmiddellijk op de hoogte van zijn beslissing en de motivering ervoor. De stagiair of het wetenschappelijk personeelslid in proefperiode moet, uiterlijk de eerste dag van de maand na het verstrijken van de toegestane verlenging, in deze hoedanigheden in dienst treden, met het genot van al zijn wetenschappelijke en geldelijke rechten.

Het eerste lid doet geen afbreuk aan de bepalingen over het verrichten van sommige militaire prestaties in vredestijd en van diensten bij de burgerlijke veiligheid of van opdrachten van openbaar nut op grond van de wet van 20 februari 1980 houdende coördinatie van de wetten betreffende het statuut van de gewetensbezwaarden.

Indien een kandidaat een van de hierboven vermelde termijnen niet naleeft, wordt de wervingsprocedure wat hem betreft als afgesloten beschouwd. Afdeling 4. - De stage

Art. 17.§ 1. De stage duurt twee jaar.

De stage kan hoogstens met één jaar worden verlengd indien de stagiair buitengewone dienstomstandigheden kan laten gelden en mits een gunstig en gemotiveerd advies van de jury.

De stagiair stuurt ten laatste twee maanden voor het einde van de in het eerste lid bedoelde stageperiode zijn gemotiveerde aanvraag tot verlenging naar de algemeen directeur. De algemeen directeur legt deze onmiddellijk voor aan de jury die, alvorens advies uit te brengen, de stagiair en het aangewezen toezichthoudend wetenschappelijk personeelslid zal horen overeenkomstig artikel 18 van dit besluit.

De jury maakt de aanvraag tot verlenging en haar gemotiveerd advies over aan de Minister. In haar advies vermeldt zij de termijnen waarin de in artikelen 18, § 1, en 20, bedoelde verslagen moeten worden opgesteld, en de datum waarop de stagiair moet voldoen aan de in artikel 18, § 4 bedoelde verplichting. § 2. Voor de berekening van de duur van de volbrachte stage worden alle perioden in aanmerking genomen waarin de stagiair in dienstactiviteit is.

Worden evenwel niet in aanmerking genomen, de afwezigheden die zich voordoen nadat de stagiair reeds dertig werkdagen in één of verschillende malen afwezig is geweest, zelfs indien hij in dienstactiviteit is.

Worden niet opgenomen in de berekening van deze dagen van afwezigheid : 1° het jaarlijks vakantieverlof;2° het verlof toegestaan ingevolge de artikelen 81, §§ 1 en 2, en 82 van het koninklijk besluit van 28 september 1984 houdende uitvoering van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel;3° het verlof bedoeld in artikelen 14, 15, 15bis en 20 van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen. § 3. Behoudens in de in § 2, derde lid opgesomde gevallen, hebben de afwezigheden die zich voordoen nadat de stagiair dertig werkdagen in één of verschillende malen afwezig is geweest, schorsing van de stage tot gevolg.

In dit geval behoudt de betrokkene zijn hoedanigheid van stagiair en zijn administratieve toestand wordt vastgesteld overeenkomstig de bepalingen die op hem van toepassing zijn. § 4. Voor de berekening van zijn wetenschappelijke anciënniteit neemt de stagiair rang in op de dag waarop zijn stage is begonnen. Indien de indiensttreding werd uitgesteld omdat een onderzoek geboden was om uit te maken of het gedrag van de stagiair wel in overeenstemming is met de uit te oefenen functie, en indien hij in zijn instelling door één of meer na hem gerangschikte kandidaten van dezelfde selectie is voorbijgegaan, neemt hij evenwel rang in op de dag waarop deze kandidaat of de best gerangschikte van deze kandidaten zijn stage heeft aangevat. § 5. Voor de berekening van de duur van de stage worden niet in aanmerking genomen : 1° de volledige kalendermaanden waarin de stagiair, reserveofficier, de toelating heeft gekregen om te dienen bij een formatie van de krijgsmacht ingevolge de wet van 1 maart 1958 betreffende het statuut van de beroepsofficieren en reserveofficieren;2° de volledige kalendermaanden waarin de stagiair vrijwillige prestaties bij de krijgsmacht verricht ingevolge het ministerieel besluit van 13 juli 1964 tot vaststelling van de duur der vrijwillige dienstnemingen en wederdienstnemingen in vredestijd;3° de volledige kalendermaanden waarin de stagiair, gewetensbezwaarde, zijn diensttermijn evenals wederoproepingen bij tuchtmaatregel volbrengt ingevolge de gecoördineerde wetten van 20 februari 1980 houdende het statuut van gewetensbezwaarden. Tijdens de hierboven genoemde perioden heeft de stagiair geen recht op enige wedde, maar behoudt niettemin zijn recht op bevordering in zijn weddenschaal.

Art. 18.§ 1. De algemeen directeur wijst een wetenschappelijk personeelslid aan dat op zijn minst klasse SW2 heeft bereikt en wordt belast met het toezicht op de stagiair.

Het toezichthoudend wetenschappelijk personeelslid stelt de stageverslagen op.

Om de drie maanden wordt een tussentijds verslag opgesteld.

Voor het einde van de 22e maand van de stage stelt het toezichthoudend wetenschappelijk personeelslid een verslag op over de volledige stageperiode die tot op die dag werd doorlopen.

Elk verslag wordt aan de stagiair meegedeeld die er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt. Dit verslag wordt bij zijn persoonlijk dossier gevoegd. § 2. Op het moment van de indiensttreding geeft de algemeen directeur de stagiair zijn persoonlijke functiefiche die werd opgesteld overeenkomstig artikel 35 van dit besluit. Het toezichthoudend wetenschappelijk personeelslid neemt deel aan het functiegesprek. § 3. De algemeen directeur bepaalt, met instemming van het toezichthoudend wetenschappelijk personeelslid, de eventuele opleidingsactiviteiten waaraan de stagiair moet deelnemen. § 4. De stagiair moet een eindverhandeling maken. Het onderwerp wordt bepaald op het moment van de indiensttreding in overeenstemming met de algemeen directeur en het toezichthoudend wetenschappelijk personeelslid, en moet verband houden met de functie waarvoor het wetenschappelijk personeelslid werd geworven.

Voor het einde van de 22e stagemaand maakt de stagiair zijn eindverhandeling over aan de algemeen directeur die het bij het persoonlijk dossier van de stagiair voegt.

Art. 19.Indien twee van de door het toezichthoudend wetenschappelijk personeelslid opgestelde tussentijdse verslagen er achtereenvolgens op wijzen dat de stagiair zich niet aanpast of onvoldoende evolueert, dan moet de jury op verzoek van de algemeen directeur samenkomen.

De jury hoort de stagiair en het toezichthoudend wetenschappelijk personeelslid. Op basis van deze hoorzitting en de documenten die bij het persoonlijk dossier van de stagiair werden gevoegd, evalueert deze de activiteit van de stagiair en beslist over het vervolg dat aan de stage zal worden gegeven.

De jury kan : 1° ofwel de voortzetting van de stage toestaan.Zij formuleert aanbevelingen die nuttig zijn om de stage te voltooien; 2° ofwel een gemotiveerd voorstel tot ontslag aan de Minister voorleggen. De door de Minister ontslagen stagiair geniet een opzeggingstermijn die gelijk is aan de minimumduur die in zijn geval wordt opgelegd om het voordeel van werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Wanneer hij op de dag waarop deze opzeggingstermijn begint te lopen, arbeidsongeschikt is of wanneer hij dat wordt tijdens de uitvoering ervan, wordt hem in het eerste geval een wedde uitbetaald gedurende zes maanden en in het tweede geval gedurende de periode nodig om de wachttijd te dekken voor de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen.

Art. 20.§ 1. Voor het einde van de 22e maand van de stage stelt de stagiair een verslag op van zijn activiteiten voor de volledige stageperiode die tot op die dag werd doorlopen. Hij maakt het over aan de algemeen directeur die het bij het persoonlijk dossier van de stagiair voegt. § 2. Indien het toezichthoudend wetenschappelijk personeelslid van de stagiair niet zijn hiërarchische overste is, dan moet deze laatste voor het einde van de 22e maand van de stage een verslag opstellen over de volledige stageperiode die tot op die dag werd doorlopen. Hij deelt het mee aan de stagiair die er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt. Het verslag wordt bij het persoonlijk dossier van de stagiair gevoegd.

Art. 21.§ 1. Voor het einde van de stageperiode evalueert de jury de stagiair op basis van de documenten die bij zijn persoonlijk dossier werden gevoegd en een hoorzitting van de stagiair, het toezichthoudend wetenschappelijk personeelslid en zo nodig het personeelslid genoemd in artikel 20, § 2 van onderhavig besluit.

Na beraadslaging brengt de jury een gemotiveerd advies uit over de bekwaamheden en verdiensten van de stagiair. Dit advies houdt rekening met de kwaliteit van de productie of de wetenschappelijke activiteit die de stagiair sinds zijn indiensttreding heeft geleverd, met inbegrip van de eindverhandeling, de manier waarop hij de aan hem toevertrouwde taken vervuld heeft, zijn inzet ten opzichte van de doeleinden van de instelling en zijn integratie in de instelling. Het bevat de eindvermelding « gunstig » of « onvoldoende ».

De vermelding « onvoldoende » wordt in elk geval aan een stagiair toegekend indien hij de in artikel 18, § 4 bedoelde verplichting niet is nagekomen en geen verlenging van de stage kan krijgen overeenkomstig artikel 17, § 1, tweede lid, om aan deze verplichting te kunnen voldoen.

Het gemotiveerde advies van de jury wordt overgemaakt aan de Minister, met een voorstel tot bevestiging of ontslag. § 2. In afwijking van artikel 17, § 1, kan de in § 1 bedoelde evaluatie op verzoek van de stagiair en met instemming van het toezichthoudend wetenschappelijk personeelslid op elk moment vanaf de 12e maand van de stage plaatsvinden, voor zover de eindverhandeling bedoeld in artikel 18, § 4, van dit besluit ten laatste op het moment van het verzoek aan het persoonlijk dossier van de stagiair werd toegevoegd.

De stagiair stuurt zijn verzoek dat voor akkoord werd getekend door het toezichthoudend wetenschappelijk personeelslid, naar de algemeen directeur.

De in artikelen 18, § 1, lid 4, en 20, bedoelde verslagen moeten worden opgesteld en toegevoegd aan het persoonlijke dossier van de stagiair in de maand waarin de stagiair zijn verzoek formuleert, met dien verstande dat zij de volledige stageperiode moeten dekken die tot op de dag van voornoemd verzoek werd doorlopen.

De jury wordt onmiddellijk na het overleggen van de in het vorige lid bedoelde verslagen samengeroepen. Zij evalueert de stagiair overeenkomstig de bepalingen van § 1, eerste lid.

De jury kan : 1° ofwel een definitief advies over de bekwaamheden en verdiensten van de stagiair uitbrengen en een voorstel tot bevestiging aan de Minister voorleggen, overeenkomstig de bepalingen van § 1;2° ofwel besluiten tot de voortzetting van de stage volgens de in deze afdeling voorziene voorwaarden, niettemin met uitzondering van de mogelijkheid voorzien in deze paragraaf.

Art. 22.De stagiair die als eindevaluatie de vermelding « onvoldoende » kreeg, wordt ontslagen door de Minister op gemotiveerd voorstel van de jury.

Onverminderd de bepalingen toepasbaar in het geval van ontslag voor lichamelijke ongeschiktheid, geniet de stagiair een opzeggingstermijn die gelijk is aan de minimumduur die in zijn geval wordt opgelegd om het voordeel van werkloosheidsuitkeringen te kunnen genieten. Wanneer hij op de dag waarop deze opzeggingstermijn begint te lopen, arbeidsongeschikt is of wanneer hij dat wordt tijdens de uitvoering ervan, wordt hem in het eerste geval een wedde uitbetaald gedurende zes maanden en in het tweede geval gedurende de periode nodig om de wachttijd te dekken voor de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen.

Art. 23.Voor elke zware fout begaan gedurende of naar aanleiding van de stage, kan de stagiair die er zich schuldig aan maakt zonder opzegging worden ontslagen. De betrokkene moet vooraf door de algemeen directeur aangemaand worden en door de directieraad gehoord worden.

Het ontslag wordt uitgesproken door de Minister op gemotiveerd voorstel van de directieraad.

Art. 24.De Minister tot wiens bevoegdheid het Wetenschapsbeleid behoort legt de algemene principes vast die de stage regelen conform de bepalingen van deze afdeling. Hij bepaalt er de praktische modaliteiten van en legt met name de modellen vast van de hiervoor vereiste documenten. Afdeling 5. - Proefperiode

Art. 25.§ 1. De proefperiode duurt één jaar.

Zij kan hoogstens met zes maanden worden verlengd indien het wetenschappelijk personeelslid in proefperiode buitengewone dienstomstandigheden kan laten gelden door middel van een gunstig en gemotiveerd advies van de jury.

Het wetenschappelijk personeelslid in proefperiode stuurt ten laatste twee maanden voor het einde van de in het eerste lid bedoelde proefperiode zijn gemotiveerde aanvraag tot verlenging naar de algemeen directeur. De algemeen directeur legt deze onmiddellijk voor aan de jury die, alvorens advies uit te brengen, het wetenschappelijk personeelslid in proefperiode en zijn hiërarchische overste zal horen.

De jury maakt de aanvraag tot verlenging en haar gemotiveerd advies over aan de Minister. In haar advies vermeldt zij de termijnen waarin de in artikel 26, §§ 2 en 3 bedoelde verslagen moeten worden opgesteld. § 2. De bepalingen van de §§ 2 tot 5 van artikel 17 van dit besluit zijn naar analogie tijdens de stageperiode van toepassing.

Art. 26.§ 1. Op het moment van de indiensttreding geeft de algemeen directeur het wetenschappelijk personeelslid zijn persoonlijke functiefiche die werd opgesteld overeenkomstig artikel 35 van dit besluit. Hij bepaalt hierin, met het akkoord van het wetenschappelijk personeelslid in proefperiode, welke doelstellingen voor het einde van de proefperiode moeten zijn bereikt. § 2. De hiërarchische overste van het wetenschappelijk personeelslid in proefperiode stelt de verslagen op over het verloop van de proefperiode. De verslagen worden opgesteld op het einde van de vierde maand, de achtste maand en de elfde maand van deze periode.

Het laatste verslag omvat een evaluatie van de volledige proefperiode die tot op die dag werd doorlopen.

Elk verslag wordt meegedeeld aan het wetenschappelijk personeelslid in proefperiode dat er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt. Dit verslag wordt bij zijn persoonlijk dossier gevoegd. § 3. Voor het einde van de elfde maand van de proefperiode stelt het wetenschappelijk personeelslid in proefperiode een verslag van zijn activiteiten op voor de volledige proefperiode die tot op die dag werd doorlopen. Hij maakt het over aan de algemeen directeur die het bij zijn persoonlijk dossier voegt.

Art. 27.Voor het einde van de proefperiode evalueert de jury het wetenschappelijk personeelslid in proefperiode op basis van de documenten die bij zijn persoonlijk dossier werden gevoegd en een hoorzitting van het wetenschappelijk personeelslid in proefperiode en zijn hiërarchische overste.

Na beraadslaging brengt de jury een gemotiveerd advies uit over de bekwaamheden en verdiensten van het wetenschappelijk personeelslid in proefperiode. Dit advies houdt rekening met de kwaliteit van de productie of de wetenschappelijke activiteit die het betrokken personeelslid sinds zijn indiensttreding heeft geleverd, met inbegrip van zijn inzet ten opzichte van de doelstellingen van de instelling, de kwaliteit van de aan hem toevertrouwde taken en zijn integratie in de instelling. Het bevat de eindvermelding « gunstig » of « onvoldoende ».

Het gemotiveerde advies van de jury wordt overgemaakt aan de Minister, met een voorstel tot bevestiging of ontslag.

Art. 28.De bepalingen van de artikelen 22 en 23 zijn toepasbaar op het wetenschappelijk personeelslid in proefperiode.

Art. 29.De Minister tot wiens bevoegdheid het Wetenschapsbeleid behoort legt de algemene principes vast die de proefperiode regelen conform de bepalingen van deze afdeling. Hij bepaalt er de praktische modaliteiten van en legt met name de modellen vast van de hiervoor vereiste documenten. Afdeling 6. - De bevestiging

Art. 30.De stagiair of het wetenschappelijk personeelslid in proefperiode aan wie de eindvermelding « gunstig » werd verleend, wordt, op voorstel van de Minister, door Ons bevestigd en benoemd tot « wetenschappelijk personeelslid ». Hij wordt tewerkgesteld in de betrekking bepaald in de oproep tot kandidaatstelling waarvoor hij zich kandidaat heeft gesteld.

De stagiair draagt de titel van assistent en krijgt de eerste weddenschaal toebedeeld die aan deze titel verbonden is. Het wetenschappelijk personeelslid in proefperiode behoudt de bij zijn werving toegekende titel en de weddenschaal gekregen op de dag van de bevestiging.

Het bevestigd wetenschappelijk personeelslid blijft opgenomen in de activiteitengroep die bij zijn werving door de Minister werd bepaald.

Voor de bepaling van zijn wetenschappelijke anciënniteit in de instelling neemt hij rang in op de dag waarop zijn stage of proefperiode begonnen is.

De bevestigingsakte vermeldt de wetenschappelijke anciënniteit die het wetenschappelijk personeelslid voor de indiensttreding bij de instelling verworven heeft en die erkend werd in zijn benoemingsakte van stagiair of van wetenschappelijk personeelslid in proefperiode.

Art. 31.§ 1. De stagiair of het wetenschappelijk personeelslid in proefperiode legt de eed af bij zijn bevestiging als wetenschappelijk personeelslid.

Hij wordt geacht zijn functie te aanvaarden in deze hoedanigheid vanaf het moment van de eedaflegging. § 2. De in § 1 voorziene eed wordt afgelegd in de termen bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831. § 3. Het wetenschappelijk personeelslid legt de eed af in handen van de algemeen directeur van de instelling. § 4. Indien hij verzuimt de hierboven voorgeschreven eed af te leggen, wordt zijn bevestiging met terugwerkende kracht vernietigd. HOOFDSTUK IV. - De evaluatie van wetenschappelijke personeelsleden

Art. 32.De evaluatie is verplicht voor elk bevestigd wetenschappelijk personeelslid van een instelling dat werkelijk in dienst is.

Art. 33.Een wetenschappelijk personeelslid wordt om de twee jaar geëvalueerd vanaf zijn bevestiging.

Deze evaluatie wordt medegedeeld aan het wetenschappelijk personeelslid door middel van een evaluatieverslag.

Art. 34.De instelling houdt een individueel dossier bij voor elk wetenschappelijk personeelslid met het oog op zijn evaluatie.

Dit individuele dossier bevat : 1° een identificatieformulier met naam en voornaam van het personeelslid, alsook zijn woonplaats;2° een persoonlijke functiefiche, opgesteld overeenkomstig artikel 35;3° een opleidingsfiche met het of de diploma('s) en certificaten behaald door het wetenschappelijk personeelslid, alsook de opleidingen die het personeelslid sinds zijn indiensttreding heeft gevolgd;4° een tweejaarlijks verslag van de activiteiten opgesteld door de hiërarchisch of functioneel overste hiervoor aangewezen door de algemeen directeur.Het verslag somt de gunstige en ongunstige feiten en vaststellingen op die kunnen dienen als argumenten voor de evaluatie. Deze feiten of vaststellingen mogen alleen betrekking hebben op de uitvoering van de functie. Voordat het wordt opgenomen in het individuele dossier moet het verslag getekend worden door het wetenschappelijk personeelslid, dat zijn eventuele opmerkingen mag toevoegen; 5° een tweejaarlijks verslag van de activiteiten opgesteld door het wetenschappelijk personeelslid.Het personeelslid brengt dit ter kennis van de hiërarchische of functioneel overste als bedoeld in punt 4° die het ondertekent en er zijn eventuele opmerkingen aan toevoegt alvorens het te klasseren bij het individuele dossier van het betrokken personeelslid;6° het evaluatieverslag;7° de documenten betreffende de stage of de proefperiode waarvan de toevoeging aan het dossier vereist is volgens hoofdstuk III;8° de promotieaanvragen en adviezen hierover uitgesproken door de jury overeenkomstig hoofdstuk V. Het individuele dossier mag geen enkele aanbeveling bevatten, van welke aard dan ook.

Het wetenschappelijk personeelslid mag zijn individueel dossier raadplegen. Hij mag hierin door de algemeen directeur elk document laten toevoegen dat nuttig is met het oog op zijn evaluatie door de jury.

Art. 35.§ 1. Een persoonlijke functiefiche wordt voor elk wetenschappelijk personeelslid opgesteld.

Hierop staat op zijn minst : - de activiteitengroep en de klasse waartoe het wetenschappelijk personeelslid behoort; - de hoofdtaken en/of specifieke opdrachten die hem worden toevertrouwd, en desgevallend ook elk gegeven over de functionele en/of hiërarchische bevoegdheid waarover hij beschikt ten aanzien van de personeelsleden van de instelling voor de uitoefening hiervan; - de doelstellingen die moeten worden bereikt en desgevallend ook de termijn waarbinnen deze moeten worden bereikt. § 2. De persoonlijke functiefiche wordt opgesteld in gemeenschappelijk overleg tussen het wetenschappelijk personeelslid en zijn hiërarchische of functioneel overste, tijdens een functioneringsgesprek. De algemeen directeur is aanwezig bij dit functioneringsgesprek. Hij beslist bij eventuele onenigheid.

De functiefiche wordt elke keer op dezelfde wijze aangepast of gewijzigd als de activiteiten van het wetenschappelijk personeelslid en/of de behoeften van de instelling dit vereisen. Een functioneringsgesprek moet minstens om de twee jaar worden gehouden na de evaluatie van het wetenschappelijk personeelslid overeenkomstig onderhavig hoofdstuk. § 3. De algemeen directeur waakt erover dat de inhoud van de functiefiche geenszins de mogelijkheden beperkt van het wetenschappelijk personeelslid om een bevordering aan te vragen overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk V. Voor de activiteitengroep I beschikt het wetenschappelijk personeelslid dat moet slagen voor de doctoraatsproef over een maximum zes jaar om de titel van doctor te behalen. Zo niet is het eerste lid van deze paragraaf niet langer meer op hem van toepassing.

De in het vorige lid bedoelde termijn kan door de jury worden verlengd, op verzoek van het betrokken wetenschappelijk personeelslid indien deze laatste een uitzonderlijke omstandigheid kan laten gelden.

Het wetenschappelijk personeelslid richt daartoe een met redenen omkleed verzoek tot de algemeen directeur die het aan de jury voorlegt. Indien deze laatste het aanvaardt, legt zij de duur van de verlenging vast. De voorzitter van de jury brengt hiervan het betrokken wetenschappelijk personeelslid en de bevoegde stafdienst Personeel en Organisatie op de hoogte.

Art. 36.§ 1. Ieder wetenschappelijk personeelslid wordt geëvalueerd door de hiërarchisch overste hiervoor aangewezen door de algemeen directeur.

De hiërarchisch overste nodigt het wetenschappelijk personeelslid uit voor een evaluatiegesprek dat plaats moet hebben ten laatste in de maand die volgt na de termijn vastgelegd in artikel 33 van dit besluit.

Als hij dit nodig acht, kan de hiërarchisch overste elke persoon horen die al dan niet behoort tot de instelling, van wie het advies relevant is voor het evaluatieproces van het betrokken wetenschappelijk personeelslid. Het wetenschappelijk personeelslid wordt op de hoogte gebracht van deze hoorzitting.

Na onderzoek van het individuele dossier en een hoorzitting met het betrokken wetenschappelijk personeelslid, kent de hiërarchisch overste voor de evaluatie de vermelding « voldoende » of « onvoldoende » toe.

Hij motiveert zijn beslissing in het evaluatieverslag bedoeld in artikel 33 van onderhavig besluit. Hij houdt in het bijzonder rekening met : - de kwaliteit van de wetenschappelijke activiteit uitgevoerd door het wetenschappelijk personeelslid en desgevallend van zijn wetenschappelijke productie; - de verwezenlijking van de doelstellingen bepaald in zijn persoonlijke functiefiche; - de inzet van het wetenschappelijk personeelslid voor de doeleinden van zijn instelling en zijn integratie hierin; - desgevallend, zijn vermogen om te leiden, en met name de manier waarop hij zijn medewerkers stimuleert en evalueert; - zijn ervaring en anciënniteit.

Het evaluatieverslag wordt binnen een maand na de hoorzitting meegedeeld aan het wetenschappelijk personeelslid. § 2. Wanneer conform de procedure als bedoeld in § 1 de vermelding « onvoldoende » door de hiërarchisch meerdere wordt toegekend, is het aan de jury om de volgende evaluatie te verrichten. Die vindt plaats op het einde van de twaalfde maand die volgt op de toekenning van de vermelding « onvoldoende », onder dezelfde voorwaarden als die vastgelegd in § 1.

Het wetenschappelijk personeelslid en de hiërarchische of functioneel overste stellen elk een rapport op bedoeld in artikel 34, tweede lid, 4° en 5°, ten laatste de elfde maand die volgt na de evaluatie met een vermelding onvoldoende en leggen deze voor aan de algemeen directeur die ze toevoegt aan het individuele dossier. § 3. Als bij de evaluatie bedoeld in § 2 de vermelding « voldoende » wordt gegeven, begint de termijn, vastgelegd in artikel 33, opnieuw te lopen vanaf de datum van deze gunstige evaluatie. § 4. Het wetenschappelijk personeelslid aan wie bij de evaluatie bedoeld in § 2 de vermelding « onvoldoende » wordt gegeven, wordt door de Koning ontslagen voor beroepsongeschiktheid, op voorstel van de Minister na advies van de jury.

Onverminderd de bepalingen van toepassing bij ontslag voor lichamelijke ongeschiktheid, wordt een beëindigingsvergoeding toegekend aan het wetenschappelijk personeelslid dat wordt ontslagen voor beroepsongeschiktheid.

Deze vergoeding is gelijk aan twaalf keer de laatste bezoldiging van het wetenschappelijk personeelslid als het minstens twintig jaar dienst heeft, acht keer of zes keer deze bezoldiging als het wetenschappelijk personeelslid tien jaar dienst of minder dan tien jaar dienst heeft.

Voor de toepassing van deze paragraaf, moeten we onder « bezoldiging » verstaan, elke wedde, elk salaris of elke vergoeding die geldt als wedde of salaris, daarbij rekening houdend met de verhogingen en verlagingen ingevolge de schommelingen van de indexcijfers. De vergoeding waarmee rekening gehouden moet worden is deze die wordt toegekend voor een volledige prestatie.

Art. 37.Als het wetenschappelijk personeelslid niet akkoord kan gaan met de uiteindelijke vermelding van de evaluatie die hem wordt toegekend, kan hij over de grond en de vorm het advies inroepen van de Interdepartementele raad van beroep bedoeld in artikel 53 van onderhavig besluit.

Dit beroep moet op gepaste wijze worden gemotiveerd en per aangetekend schrijven worden ingediend binnen tien dagen na de kennisgeving van de evaluatie. Het werkt opschortend.

De Interdepartementele raad van beroep spreekt zich uit over het beroep op basis van het individuele dossier dat hem door de algemeen directeur onmiddellijk op aanvraag wordt overgemaakt, en van een hoorzitting met het wetenschappelijk personeelslid en zijn hiërarchische of functioneel overste. De raad kan elke andere persoon van zijn keus horen die hij noodzakelijk acht.

Het wetenschappelijk personeelslid wordt per aangetekend schrijven opgeroepen. De hoorzitting mag niet vroeger plaatsvinden dan tien werkdagen na het voornoemde schrijven. Hij verschijnt persoonlijk en mag zijn opmerkingen doen gelden. Hij mag zich voor zijn verdediging laten bijstaan door een persoon van zijn keus.

De voorzitter van de Interdepartementele raad van beroep oordeelt soeverein over de ontvankelijkheid van het beroep. Hij verklaart met name tergend en roekeloos beroep onontvankelijk. Elke beslissing van onontvankelijkheid moet op gepaste wijze worden gemotiveerd.

De beslissing van de Interdepartementele raad van beroep die de beslissing van de jury verwerpt, geldt met terugwerkende kracht tot de dag van de verworpen beslissing.

Elke beslissing van de Interdepartementele raad van beroep wordt binnen tien dagen per aangetekend schrijven meegedeeld aan het wetenschappelijk personeelslid.

Art. 38.De Minister tot wiens bevoegdheid het Wetenschapsbeleid behoort legt de algemene principes vast die de evaluatie van de wetenschappelijke personeelsleden regelen conform de bepalingen van dit hoofdstuk. Hij bepaalt er de praktische modaliteiten van en legt met name de modellen vast van de hiervoor vereiste documenten. HOOFDSTUK V. - Bevordering en verandering van activiteitengroep Afdeling 1. - Bevordering

Art. 39.§ 1. Elk bevestigd wetenschappelijk personeelslid dat minstens één evaluatie heeft ondergaan overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk IV, kan op zijn verzoek door Ons worden bevorderd in de klasse onmiddellijk boven deze die hij bezet, op voorstel van de Minister en mits gemotiveerd gunstig advies van de jury. § 2. Er mag geen bevordering worden toegekend als het wetenschappelijk personeelslid niet voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° de vermelding « voldoende » verkregen hebben bij de laatste evaluatie overeenkomstig hoofdstuk IV;2° voor bevordering tot de klasse SW2 : - voor het wetenschappelijk personeel in de activiteitengroep I, houder zijn van een diploma van doctor behaald na een openbare verdediging van een verhandeling.Het onderwerp van het doctoraat moet verband houden met de opdrachten van de instelling of een nuttig verband vertonen met de functie van het wetenschappelijk personeelslid zoals vastgelegd in zijn functiefiche; - voor het wetenschappelijk personeel in de activiteitengroep II, één of meer relevante verwezenlijkingen in het kader van zijn functie.

Deze verwezenlijkingen worden in de persoonlijke functiefiche specifiek bepaald op basis van het voorstel van de jury geformuleerd in het advies dat de bevestiging van het wetenschappelijk personeelslid voorafging; - vier jaar wetenschappelijke anciënniteit hebben; 3° voor bevordering tot de klasse SW3 : - volgens de activiteitengroep waaronder hij ressorteert en de taken die hem zijn toevertrouwd : sinds de vorige bevordering wetenschappelijke werken en/of expertisediensten en/of diensten voor het publiek van een hoge kwaliteit hebben verricht die verband houden met de opdrachten van de instelling; - acht jaar wetenschappelijke anciënniteit hebben; 4° voor bevordering tot de klasse SW4 : - sinds de vorige bevordering, in het vakgebied waartoe zijn functie behoort, uitzonderlijke wetenschappelijke werkzaamheden of verwezenlijkingen verricht hebben en aldus een bekendheid verworven hebben; - twaalf jaar wetenschappelijke anciënniteit hebben. § 3. De jury controleert of de voorwaarden vastgelegd onder § 2 vervuld zijn.

Zij voert een diepgaand onderzoek uit naar de wetenschappelijke activiteiten, prestaties en resultaten van het wetenschappelijk personeelslid door middel van een geïnformatiseerde matrix en uniform CV-model dat toelaat de kwaliteit van het betrokken wetenschappelijk personeelslid te meten.

Na akkoordbevinding van de Minister die bevoegd is voor Ambtenarenzaken, bepaalt de Minister tot wiens bevoegdheid het Wetenschapsbeleid behoort : - de algemene principes van het matrixmodel, - de differentiatie volgens activiteitengroepen, - de meetdomeinen en hun weging, - de referentieperiode en de referentieoutput, - het verrekeningssysteem, - het uniform CV-model.

De evaluatiecriteria houden ten minste rekening met : - de kwaliteit en hoeveelheid van het werk, de diensten of verwezenlijkingen vereist overeenkomstig § 2; - de kwaliteit van het gehele werk van het wetenschappelijk personeelslid; - de manier waarop hij zich integreert in de instelling en meer bepaald in de dienst waarin hij is aangesteld; - zijn bijdrage tot de instelling alsook de mate waarin hij voor de instelling relevante ervaring of deskundigheid heeft ontwikkeld; - de opleidingen die hij heeft gevolgd met het oog op de ontwikkeling van zijn kennis of deskundigheid.

De jury houdt voor de evaluatie rekening met de functie, de taken en doelstellingen die werden toevertrouwd aan het personeelslid, alsook met zijn anciënniteit en voorgaande ervaring.

Art. 40.Het wetenschappelijk personeelslid richt zijn gemotiveerde aanvraag tot bevordering schriftelijk aan de algemeen directeur, die hem een bewijs van ontvangst overhandigt.

De algemeen directeur maakt de aanvraag over aan de Minister samen met het gemotiveerde gunstige advies van de jury, die werd geraadpleegd overeenkomstig artikel 41.

Het wetenschappelijk personeelslid voegt bij zijn aanvraag alle nuttige documenten die de jury in staat kunnen stellen om zijn wetenschappelijke activiteit te evalueren en de vervulling van de voorwaarden voor de bevordering af te wegen, overeenkomstig artikel 39, §§ 2 en 3.

Art. 41.§ 1. De algemeen directeur verzoekt de jury om evaluatie van de aanvraag tot bevordering. § 2. De jury voert een evaluatie uit van de wetenschappelijke activiteit van het betreffende wetenschappelijk personeelslid met het oog op zijn bevordering op basis van de gemotiveerde aanvraag, het individuele dossier en een hoorzitting met het wetenschappelijk personeelslid.

Zij mag ook elke persoon horen die geacht wordt meer details te kunnen leveren over de kwaliteiten van het wetenschappelijk personeelslid.

Het wetenschappelijk personeelslid wordt op de hoogte gebracht van deze hoorzittingen. § 3. De jury moet haar gemotiveerd advies uitbrengen binnen drie maanden na de aanvraag door het wetenschappelijk personeelslid.

Hierin wordt op zijn minst aangegeven in welke mate het personeelslid wel of niet voldoet aan de voorwaarden voorgeschreven bij artikel 39, § 2, voor de bevordering tot de desbetreffende klasse.

De jury kan ten indicatieven titel kwalitatieve of kwantitatieve doelstellingen of criteria bepalen met het oog op de volgende evaluatie van het wetenschappelijk personeelslid die het zal moeten uitvoeren na een aanvraag tot bevordering. Deze worden in het advies vermeld.

Art. 42.Het wetenschappelijk personeelslid dat oordeelt dat hij de voorwaarden vervult om een bevordering aan te vragen tot een andere klasse dan die direct boven de zijne, kan in zijn aanvraag aan de algemeen directeur overeenkomstig artikel 40 tegelijk solliciteren naar zijn bevordering in de klasse direct boven de zijne en de daaropvolgende klasse. Voor beide klassen motiveert hij zijn aanvraag afzonderlijk.

Hij mag een dergelijke aanvraag pas indienen als geen enkele van de evaluaties overeenkomstig hoofdstuk IV de vermelding « onvoldoende » draagt.

Mits gemotiveerd gunstig advies van de jury kan het wetenschappelijk personeelslid door Ons worden bevorderd, hetzij in de klasse direct boven de zijne, hetzij direct naar de tweede aangevraagde klasse. In het laatste geval moet het advies van de jury vaststellen dat alle specifieke voorwaarden voor de bevordering naar de twee aangevraagde klassen worden vervuld door het betrokken personeelslid.

Voor het overige gelden de bepalingen van deze afdeling voor deze aanvraag.

Art. 43.§ 1. Elke bevordering toegekend aan een wetenschappelijk personeelslid werkt met terugwerkende kracht vanaf de eerste dag van de maand volgend op de datum van de aanvraag bedoeld in artikel 40 van onderhavig besluit. § 2. Een wetenschappelijk personeelslid mag pas een nieuwe aanvraag voor bevordering indienen vanaf de dag dat hem de evaluatie wordt toegekend, overeenkomstig hoofdstuk IV, hetzij na het verkrijgen van de voorgaande bevordering, hetzij na ongunstig advies van de jury op zijn voorgaande aanvraag. Afdeling 2. - Verandering van activiteitengroep

Art. 44.Elk bevestigd wetenschappelijk personeelslid kan, op zijn verzoek of op initiatief van de algemeen directeur, en mits gemotiveerd gunstig advies van de jury, worden aangesteld door de Minister in een functie van dezelfde klasse als de zijne in een andere activiteitengroep dan die waartoe hij behoort.

Art. 45.Een wetenschappelijk personeelslid mag overeenkomstig artikel 44 alleen worden aangesteld in een andere activiteitengroep op voorwaarde dat : 1° de voorgenomen verandering beantwoordt aan een functionele behoefte van de instelling en/of de evolutie van de wetenschappelijke activiteit van het betrokken personeelslid overeenkomstig zijn persoonlijke functiefiche;2° het personeelslid voldoet aan alle voorwaarden vastgelegd in het huidige statuut voor toegang tot een functie van dezelfde klasse als de zijne in de beoogde activiteitengroep.

Art. 46.§ 1. Het wetenschappelijk personeelslid richt zijn verzoek tot verandering van activiteitengroep schriftelijk aan de algemeen directeur die het binnen de maand ter kennis brengt van de jury. De algemeen directeur stuurt zijn schriftelijk verzoek tegelijkertijd aan de jury en aan het betrokken wetenschappelijk personeelslid. Ieder verzoek wordt gemotiveerd.

De voorzitter van de jury brengt het betrokken wetenschappelijk personeelslid op de hoogte van de datum waarop de jury het in het vorige lid bedoelde verzoek zal onderzoeken. Deze kennisgeving vermeldt dat het wetenschappelijk personeelslid door de jury kan worden gehoord indien het hier schriftelijk vóór de datum van de vergadering om verzoekt.

Als zij het nodig acht, kan zij het betrokken wetenschappelijk personeelslid op eigen initiatief uitnodigen.

Zij kan bovendien de hiërarchische overste van het betrokken wetenschappelijk personeelslid en/of de hiërarchische overste in de beoogde activiteitengroep horen. § 2. De jury geeft een gemotiveerd advies over de voorgenomen verandering. Zij waakt erover dat wordt voldaan aan de voorwaarden vastgelegd in artikel 45. § 3. De aanvraag voor de verandering van activiteitengroep en het gemotiveerde gunstige advies van de jury worden binnen een maand na vaststelling van voornoemd advies door de algemeen directeur overgemaakt aan de Minister.

Art. 47.Het wetenschappelijk personeelslid dat van activiteitengroep verandert, behoudt zijn verworven anciënniteit en blijft in zijn weddenschaal.

Een nieuwe persoonlijke functiefiche wordt opgesteld overeenkomstig artikel 35 van onderhavig besluit. HOOFDSTUK VI. - Verlof voor een opdracht van wetenschappelijk belang

Art. 48.§ 1. De bevestigde wetenschappelijke personeelsleden kunnen verlof krijgen voor de uitvoering van een opdracht van wetenschappelijk belang bij : - een instelling, een organisme, een inrichting of een dienst van de Staat - uitgezonderd hun oorspronkelijke instelling -, van een Gemeenschap, van een Gewest, van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, van één van de Gemeenschapscommissies van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, van een internationale instelling of een organisme erkend door één van de voornoemde overheden of een vreemde Staat die gebonden is aan de Staat of aan één van de Gemeenschappen door een cultureel akkoord, van een provincie of van een gemeente; - van een Belgische universiteit of van een daarmee gelijkgestelde instelling door één van de Gemeenschappen; - van het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen of van het « Fonds national de la Recherche scientifique »; - van elke dienst of openbare instelling die hierboven niet is genoemd en die wetenschappelijke activiteiten uitvoert in de zin van onderhavig besluit of dergelijke activiteiten financiert, mits gemotiveerd gunstig advies van de jury. § 2. Het wetenschappelijk personeelslid richt zijn verzoek tot de algemeen directeur. Hij verantwoordt het belang van de overwogen opdracht voor de instelling.

Het verlof wordt toegestaan door de Minister mits gunstig advies van de algemeen directeur. § 3. Als de opdracht hem in rechte of in feite verhindert om de functie die hem is toevertrouwd te vervullen, wordt het verlof bedoeld in § 1 toegekend aan het wetenschappelijk personeelslid door de Minister op voorstel van de algemeen directeur van de instelling waaronder dit wetenschappelijk personeelslid ressorteert.

Dit verlof wordt toegekend voor een maximale termijn van twee jaar.

Het kan worden verlengd met periodes die elk niet langer mogen duren dan twee jaar. Elke verlofperiode moet echter worden gevolgd door een dienstherneming. In totaal mag het verlof voor opdrachten van wetenschappelijk belang toegekend aan een wetenschappelijk personeelslid niet langer duren dan zes jaar. § 4. Het wetenschappelijk personeelslid dat langer afwezig is dan de periode waarvoor hij verlof heeft gekregen, wordt beschouwd als ontslagnemend. § 5. Zolang de opdracht duurt, krijgt het wetenschappelijk personeelslid van zijn oorspronkelijke instelling geen wedde, toelage of vergoeding van welke aard dan ook. Voor het overige is de duur van de opdracht gelijkgesteld met een periode van actieve dienst. § 6. Voor de duur van het verlof kan de algemeen directeur in zijn instelling ter vervanging een contractueel wetenschappelijk personeelslid aanstellen in een klasse gelijk aan of lager dan die van het wetenschappelijk personeelslid met verlof en die voldoet aan de voorwaarden voorzien door onderhavig besluit voor de toegang tot deze klasse. § 7. Het wetenschappelijk personeelslid met verlof voor een opdracht van wetenschappelijk belang behoudt het voordeel van zijn laatste evaluatie overeenkomstig hoofdstuk IV. Op zijn verzoek kan een evaluatie gebeuren voor zijn vertrek in opdracht. HOOFDSTUK VII. - Wedertewerkstelling en overplaatsing

Art. 49.§ 1. Elk wetenschappelijk personeelslid, wiens betrekking wordt ontnomen als gevolg van een schrapping van betrekkingen of na beëindiging van de termijn toegekend voor een reglementair toegestane afwezigheid, wordt door de Minister(s) waaronder hij ressorteert, op voorstel van de jury van de instelling waartoe hij behoort, belast met de taken overeenkomstig zijn activiteitengroep, zijn klasse en titel alsook de beroepskwalificatie, in afwachting van zijn wedertewerkstelling of overplaatsing.

Als echter het verlies van de betrekking het gevolg is van een fusie of van een hergroepering van instellingen of van een overdracht van bevoegdheden en toewijzingen, wordt het voorstel gedaan door de jury bevoegde na deze verrichtingen.

In geval van afschaffing van een instelling, wordt het wetenschappelijk personeelslid, door de Minister(s) waaronder hij ressorteert, belast met taken in een andere instelling afhankelijk van dezelfde Minister(s), onder de voorwaarden bepaald in het eerste lid, maar na advies van de jury van de instelling waar zijn aanstelling wordt overwogen. Dit advies wordt aan de betrokken Minister(s) voorgelegd. § 2. Het wetenschappelijk personeelslid dat gebezigd wordt overeenkomstig § 1 wordt prioritair weder te werk gesteld in een vacante betrekking die enerzijds overeenstemt met zijn titels en vaardigheden en anderzijds met zijn klasse en titel.

De wedertewerkstelling geschiedt in de instelling waartoe het wetenschappelijk personeelslid behoort, en als dit niet mogelijk is, in een andere instelling.

De wedertewerkstelling wordt uitgevoerd door de bevoegde Minister(s), na advies van de jury van de instelling waar er een vacante betrekking is.

Het wetenschappelijk personeelslid dat weder te werk gesteld wordt behoudt zijn verworven anciënniteit, klasse en titel, en zijn plaats op de betreffende weddeschaal.

Art. 50.Elk wetenschappelijk personeelslid dat door het Bestuur van de Medische Expertise (Medex) ongeschikt wordt verklaard voor de beklede betrekking, kan door deze dienst geschikt worden verklaard om een andere betrekking te bekleden in een federale wetenschappelijke instelling.

In dit geval gelden de bepalingen van artikel 49.

Art. 51.Elk wetenschappelijk personeelslid mag zijn overplaatsing aanvragen van de ene instelling naar een andere onder de volgende voorwaarden : 1° de Minister moet vooraf zijn goedkeuring hebben gegeven om een beroep te kunnen doen op de overplaatsingsprocedure;2° er moet een betrekking vacant verklaard zijn onder de voorwaarden vastgelegd in artikel 10.Het bericht over de vacante betrekking geeft aan dat deze uitsluitend door overplaatsing zal worden ingevuld; 3° de kandidaat moet ingedeeld zijn in de geschikte klasse voor de in te vullen betrekking en voldoen aan de bijzondere voorwaarden vastgelegd in artikel 8;4° de kandidaat moet een gemotiveerd gunstig advies hebben gekregen van de jury van de instelling waar de betrekking ingevuld moet worden. De overplaatsing wordt door Ons uitgevoerd op voorstel van de Minister. Het wetenschappelijk personeelslid moet op zijn post zijn op de eerste dag van de tweede maand na de maand waarin hem de overplaatsing werd meegedeeld. Als deze voorgeschreven termijn niet wordt nageleefd, wordt de overplaatsingsprocedure als afgesloten beschouwd. Het wetenschappelijk personeelslid kan in dat geval onderworpen worden aan de bepalingen van toepassing voor het verlaten van zijn post.

Het overgeplaatst wetenschappelijk personeelslid behoudt zijn wetenschappelijke anciënniteit verworven in de instelling waar hij vandaan komt overeenkomstig artikel 7 van onderhavig besluit, alsook zijn weddenschaal. HOOFDSTUK VIII. - Bepalingen van bepaalde andere besluiten van toepassing op het wetenschappelijk personeel

Art. 52.§ 1. Onverminderd de bepalingen van onderhavig statuut, zijn de wetenschappelijke personeelsleden waarop deze van toepassing zijn, onderworpen aan de voorschriften die gelden voor het rijkspersoneel wat betreft : - de controle van de lichamelijke geschiktheid; - de rechten, plichten, onverenigbaarheden en cumuls; - de administratieve standen; - de verloven en afwezigheden, behalve het verlof voor een opdracht van algemeen belang; - de dienstanciënniteit voor de bepalingen betreffende de berekening van ziekteverlof; - de schorsing in het belang van de dienst; - de tuchtregeling; - de toelagen, vergoedingen en premies van interdepartementele aard; - de ambtsneerlegging. § 2. Voor de toepassing van de bepalingen bedoeld in § 1, wordt respectievelijk verstaan onder : - « Minister », de bevoegde Minister; - « voorzitter van het directiecomité », de houder van een managementfunctie N-1 in de instelling; - « directiecomité », de directieraad van de instelling; - « personeelslid », het wetenschappelijk personeelslid, ongeacht of hij al dan niet houder is van een leidinggevende functie.

Art. 53.§ 1. De Minister tot wiens bevoegdheid het Wetenschapsbeleid behoort stelt een interdepartementele raad van beroep in die bevoegdheid heeft over de wetenschappelijke personeelsleden.

Deze oefent de opdrachten uit die door de in artikel 52 vermelde bepalingen zijn toegewezen aan de interdepartementele kamer van beroep.

Bovendien spreekt deze zich uit over de beroepen ingediend overeenkomstig artikel 37 van onderhavig besluit. § 2. De raad van beroep omvat evenveel afdelingen als er taalrollen zijn onder de personeelsleden die zouden kunnen vragen om erdoor te worden gehoord.

De raad van beroep bestaat uit : a) de twee voorzitters, magistraten, door Ons benoemd;de Franstalige voorzitter zit de Franstalige afdeling voor, de Nederlandstalige voorzitter zit de Nederlandstalige afdeling voor; b) assessoren, per afdeling gekozen onder de leden van het wetenschappelijk personeel van de instellingen, die minstens 35 jaar oud zijn en zes jaar goede dienst kunnen voorleggen;bij gebrek aan personeelsleden die zes jaar goede dienst kunnen voorleggen, mag er afgeweken worden van deze voorwaarde. De helft van de assessoren wordt door de Minister tot wiens bevoegdheid het Wetenschapsbeleid behoort aangewezen onder de personeelsleden bedoeld in onderhavig statuut en de andere helft door de representatieve vakorganisaties in de zin van artikel 7 van de wet van 19 december 1974 die de relaties organiseert tussen de overheid en de vakbonden van ambtenaren van deze overheid, en wel twee assessoren per organisatie in Nederlandstalige en Franstalige afdelingen en één assessor per organisatie in de Duitstalige afdeling; c) per afdeling, een griffier-rapporteur aangewezen door de Minister tot wiens bevoegdheid het Wetenschapsbeleid behoort;deze heeft geen stemrecht; d) plaatsvervangers, met name drie voorzitters, minstens twee griffiers-rapporteurs en de assessoren;ze worden aangewezen volgens de procedure voorzien voor de benoeming van werkende leden. Twee van de plaatsvervangende voorzitters vervangen onderscheidenlijk de Nederlandstalige voorzitter van de Nederlandstalige afdeling en de Franstalige voorzitter van de Franstalige afdeling.

De derde plaatsvervangende voorzitter moet ook beschikken over kennis van het Duits naast het Frans of het Nederlands. Hij neemt het voorzitterschap waar van de afdeling die een advies moet uitbrengen over beroepen ingediend door wetenschappelijke personeelsleden van het Duitse taalstelsel. § 3. In elke zaak worden een personeelslid en een plaatsvervanger aangewezen door de Minister bevoegd voor de wetenschappelijke instelling om het betwiste voorstel te verdedigen. Dit personeelslid mag niet aanwezig zijn bij de beraadslaging. In het advies moet worden vermeld of dit verbod werd nageleefd.

De werkende of plaatsvervangende assessoren die zetelen bij het onderzoek van een zaak moeten behoren tot hetzelfde niveau als de aanvrager of tot een hoger niveau.

TITEL III. - Overgangs- en slotbepalingen

Art. 54.§ 1. De personeelsleden van een instelling die geen titularis zijn van een leidinggevende functie en die, op de inwerkingtreding van dit besluit, onderworpen waren aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 21 april 1965 tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel der wetenschappelijke instellingen van de Staat, in de hoedanigheid van wetenschappelijke personeelsleden die geen titularis zijn van een leidinggevende functie, worden door de Minister ingedeeld in één van twee activiteitengroepen bedoeld in artikel 6, § 1, van dit besluit volgens de procedure bedoeld in § 2.

Ze verkrijgen de klasse en de weddenschaal die overeenstemt met hun persoonlijke toestand overeenkomstig de conversietabel gevoegd als bijlage 1 bij dit besluit; ze behouden evenwel het voordeel van hun weddenschaal indien die voor hen gunstiger is. Ze behouden hun verworven wetenschappelijke anciënniteit. § 2. De algemeen directeur van de instelling legt elk wetenschappelijk personeelslid bedoeld in § 1 een gemotiveerd voorstel voor betreffende zijn indeling.

De directieraad van de instelling beslist bij eventuele onenigheid.

De algemeen directeur legt aan de Minister de definitieve lijst voor van de indeling van de wetenschappelijke personeelsleden in de ene of de andere van de twee activiteitengroepen. § 3. Voor elk wetenschappelijk personeelslid dat in een activiteitengroep wordt ingedeeld door de Minister wordt een persoonlijke functiefiche opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 35. § 4. In afwijking van artikel 33, eerste lid, wordt de eerste evaluatie toegekend aan de wetenschappelijke personeelsleden bedoeld onder § 1 tijdens het tweede jaar na hun indeling in een activiteitengroep, ten laatste op de laatste dag van de maand die overeenstemt met die van hun bevestiging als wetenschappelijk personeelslid overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 21 april 1965 tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel der wetenschappelijke instellingen van de Staat.

Art. 55.§ 1. De personeelsleden van een instelling die, op de inwerkingtreding van dit besluit, onderworpen waren aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 21 april 1965 tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel der wetenschappelijke instellingen van de Staat, in de hoedanigheid van wetenschappelijke personeelsleden met een mandaat, worden door de Minister ingedeeld in één van twee activiteitengroepen bedoeld in artikel 6, § 1, van dit besluit. Voor hen gelden de bepalingen in §§ 1 tot 3 van artikel 54. § 2. De personeelsleden bedoeld in § 1 kunnen door Ons ten vroegste bevestigd worden in de 24e maand na de begindatum van het eerste mandaat dat hun werd toevertrouwd, mits gemotiveerd en gunstig advies van de jury. Het advies van de jury moet in elk geval ten laatste worden uitgesproken in de 24e maand na de inwerkingtreding van dit besluit.

Het betrokken personeelslid en zijn hiërarchische overste bepalen in gemeenschappelijk akkoord in welke maand de vergadering moet plaatsvinden van de jury die over voornoemd geval moet beraadslagen.

Bij onenigheid beslist de algemeen directeur. § 3. Bij het opstellen van de persoonlijke functiefiche bedoeld in artikel 35, bepalen de algemeen directeur en de hiërarchische overste het werk, de prestaties en doelstellingen die specifiek worden verwacht van het betrokken personeelslid met het oog op de evaluatie door de jury.

Met uitzondering van de personeelsleden die houder zijn van de titel van doctor, moet het betrokken personeelslid een eindverhandeling schrijven over een onderwerp dat wordt vastgelegd in onderling overleg bij de opstelling van de functiefiche. Deze memorie moet verband houden met de functie van het betrokken personeelslid.

De algemeen directeur waakt erover dat deze vereisten verenigbaar zijn met de duur van het mandaat die rest rekening gehouden met § 2, tweede lid, en met de uitvoering van de taken die aan het personeelslid waren toevertrouwd vóór de inwerkingtreding van dit besluit.

Het betrokken personeelslid stelt op zijn minst een verslag op van zijn activiteiten, ten laatste een maand vóór de datum waarop de jury over zijn geval zal beraadslagen.

De hiërarchische overste stelt binnen dezelfde termijn ook een verslag op over de activiteiten van het betrokken personeelslid. Hij deelt dit mee aan het personeelslid, dat er eventueel zijn opmerkingen aan toevoegt.

De verslagen worden voorgelegd aan de algemeen directeur die ze klasseert in het persoonlijke dossier van het personeelslid.

De bepalingen in afdelingen 4 en 6 van hoofdstuk III van titel II van dit besluit zijn van toepassing voor het overige.

Art. 56.§ 1. De wetenschappelijke personeelsleden die titularis zijn van een leidinggevende functie en die, op de inwerkingtreding van dit besluit, onderworpen waren aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 21 april 1965 tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel der wetenschappelijke instellingen van de Staat, in de hoedanigheid van departementshoofd of afdelingshoofd, worden door de Minister ingedeeld in een van de twee activiteitengroepen bedoeld in artikel 6, § 1, van dit besluit volgens de procedure bedoeld in § 2.

Ze verkrijgen de klasse en de weddenschaal die overeenstemmen met hun persoonlijke toestand overeenkomstig de conversietabel gevoegd als bijlage 2 bij dit besluit; ze behouden evenwel het voordeel van hun weddenschaal indien die voor hen gunstiger is. Ze behouden hun verworven wetenschappelijke anciënniteit. § 2. De algemeen directeur van de instelling legt elk wetenschappelijk personeelslid bedoeld in § 1 een gemotiveerd voorstel voor betreffende zijn indeling.

De jury, die zetelt met uitsluiting van de leden als bedoeld in artikel 4, § 1, 4°, van dit besluit, beslist bij eventuele onenigheid.

De algemeen directeur legt aan de Minister de definitieve lijst voor van de indeling van deze wetenschappelijke personeelsleden in de ene of de andere van de twee activiteitengroepen. § 3. Voor elk wetenschappelijk personeelslid dat door de Minister in een activiteitengroep wordt ingedeeld, wordt een persoonlijke functiefiche opgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 35. § 4. In afwijking van artikel 33, eerste lid, wordt de eerste evaluatie toegekend aan de wetenschappelijke personeelsleden bedoeld onder § 1 tijdens het tweede jaar na hun indeling in een activiteitengroep, ten laatste op de laatste dag van de maand die overeenstemt met die van hun benoeming in de hoedanigheid van departementshoofd of afdelingshoofd overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 21 april 1965 tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel der wetenschappelijke instellingen van de Staat.

Art. 57.§ 1. De volgende graden van de instellingen worden geschrapt : - attaché; - assistent; - eerstaanwezend assistent; - werkleider; - werkleider-geaggregeerde. § 2. De volgende graden van de instellingen worden afgeschaft : - afdelingshoofd; - departementshoofd; - instellingshoofd.

De titularissen van deze graden behouden op persoonlijke titel het recht de titel van hun afgeschafte graad te dragen. § 3. De administratieve en geldelijke situatie van de titularissen van de afgeschafte graad van « instellingshoofd » wordt door Ons vastgesteld. § 4. De titularissen van de afgeschafte graden van « departementshoofd » en van « afdelingshoofd » behouden het voordeel van hun bevoegdheden die waren verbonden aan de leidinggevende functie waarmee zij waren bekleed tot de datum die voor elke instelling wordt vastgelegd door de Minister tot wiens bevoegdheid het Wetenschapsbeleid behoort, in voorkomend geval op voorstel van de Minister die bevoegd is voor de betrokken instelling. Deze datum mag de datum niet overschrijden waarop de titularissen van de functies van operationeel directeurs in de betrokken instelling hun functie opnemen.

Art. 58.De personeelsleden van een instelling die op de datum dat onderhavig besluit in werking treedt, waren onderworpen aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 30 april 1999 tot vaststelling van het statuut van het administratief en technisch personeel van de wetenschappelijke instellingen van de Staat en die vanwege de aard van hun toewijzingen kunnen worden opgenomen in één van de twee activiteitengroepen bedoeld in artikel 6, § 1, kunnen door Ons worden benoemd in de hoedanigheid van wetenschappelijk personeelslid in één van de twee betreffende activiteitengroepen op voorstel van de Minister bevoegd voor de betrokken instelling en mits gemotiveerd gunstig advies van de jury.

De jury hoort de personeelsleden bedoeld in het eerste lid.

Vanaf deze benoeming verwerven de personeelsleden de klasse en weddeschaal overeenkomstig de conversietabel gevoegd als bijlage 3 bij dit besluit; ze behouden evenwel het voordeel van hun weddenschaal indien die voor hen gunstiger is.

De anciënniteit in de hoedanigheid van rijksambtenaar verworven als klassenanciënniteit wordt beschouwd als wetenschappelijke anciënniteit in de zin van artikel 7 van onderhavig besluit.

De geldelijke anciënniteit verworven door het betrokken personeelslid wordt beschouwd als anciënniteit in de nieuwe weddeschaal.

Art. 59.De procedures voor oppensioenstelling van kracht op de datum van de dag voordat dit besluit van kracht wordt worden voortgezet op basis van de bepalingen van onderhavig besluit.

Art. 60.De procedures voor selectie, werving of bevestiging van kracht op de datum van de dag voordat dit besluit van kracht wordt worden voortgezet op basis van de bepalingen van onderhavig besluit.

Art. 61.De procedures voor bevordering of overplaatsing van kracht op de datum van de dag voordat dit besluit van kracht wordt blijven geregeld worden door de bepalingen van het voornoemde besluit van 21 april 1965 zoals ze van golden tot deze datum.

Bij een gunstig resultaat van de procedure, verwerft het bevorderde personeelslid de klasse en weddeschaal vastgelegd overeenkomstig de conversietabel in bijlagen 1 en 2 bij dit besluit.

Art. 62.Het koninklijk besluit van 21 april 1965 tot vaststelling van het statuut van het wetenschappelijk personeel der wetenschappelijke instellingen van de Staat, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 13 februari 1969, 3 juni 1975, 3 mei 1976, 12 augustus 1981, nr. 121 van 30 december 1982 (gewijzigd door de wet van 20 juli 1990), 10 december 1987, 18 februari 1988, 19 november 1991, 3 februari 1994, 30 mei 1994, 4 februari 1998, 19 april 1999, 9 juni 1999, 22 januari 2003 en 5 juni 2004, wordt opgeheven.

Art. 63.§ 1. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. § 2. In afwijking van § 1, hebben artikel 6, § 3, artikel 54, § 1, lid 2, artikel 55, § 1, laatste zin en artikel 56, § 1, lid 2, uitwerking met ingang van 1 december 2006.

Art. 64.Onze Ministers en Onze Staatssecretarissen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 25 februari 2008.

ALBERT Van Koningswege : De Minister belast met het Wetenschapsbeleid, S. LARUELLE

Bijlage 1 Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 25 februari 2008.

ALBERT Van Koningswege : De Minister belast met Wetenschapsbeleid, Mevr. S. LARUELLE

Bijlage 2 Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 25 februari 2008.

ALBERT Van Koningswege : De Minister belast met Wetenschapsbeleid, Mevr. S. LARUELLE

Bijlage 3 Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 25 februari 2008.

ALBERT Van Koningswege : De Minister belast met Wetenschapsbeleid, Mevr. S. LARUELLE

^