Koninklijk Besluit van 25 januari 2005
gepubliceerd op 07 februari 2005
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot uitvoering van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding van de ondernemingen, het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot bepaling van de minimumindeling van een a

bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
numac
2005021019
pub.
07/02/2005
prom.
25/01/2005
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

25 JANUARI 2005. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot uitvoering van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding van de ondernemingen, het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningstelsel en het koninklijk besluit van 16 juni 1994 tot vaststelling van de bijdrage van de ondernemingen in de werkingskosten van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen


VERSLAG AAN DE KONING Sire, Dit koninklijk besluit bevat enerzijds een modernisering van het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot uitvoering van de wet van 17 juli 1975, met het oog op de afschaffing van de visum- en paraafverplichting en het bepalen van de regels voor het elektronisch boekhouden en anderzijds een aantal technische wijzigingen (zoals de omzetting van bepaalde bedragen in EUR en de aanpassingen resulterend uit de tekst van het Wetboek Vennootschappen). Beide aspecten worden hierna eerst kort in het algemeen toegelicht, waarna een artikelsgewijze bespreking volgt.

Algemene bespreking Luidens de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding van de ondernemingen, wordt de boekhouding gevoerd middels een voorgeschreven stelsel van boeken en rekeningen. Alle verrichtingen dienen vooreerst zonder uitstel en getrouw en volledig te worden « ingeschreven » in een ongesplitst dagboek of een hulpdagboek (dat verder kan worden onderverdeeld in bijzondere hulpdagboeken). Deze boekingen geschieden chronologisch aan de hand van een gedagtekend verantwoordingsstuk.

Voor gezamenlijke mutaties die in de loop van de « boekhoudkundige periode » in het ongesplitste hulpdagboek of de bijzondere hulpdagboeken zijn geregistreerd, dient maandelijks (of driemaandelijks voor « kleine ondernemingen ») een samenvattende opgave te gebeuren in het zgn. « centraal boek ». Verder dient elke onderneming ook éénmaal per jaar een inventaris van haar bezittingen, vorderingen, schulden en verplichtingen op te maken en in te schrijven in een « inventarisboek ».

De wet van 17 juli 1975 bepaalt dat de boeken op zodanige wijze moeten gehouden worden dat de materiële continuïteit, evenals de regelmatigheid en de onveranderlijkheid van de boekingen verzekerd zijn. Om de onveranderlijkheid van de boeken te waarborgen worden een aantal vormvoorschriften opgelegd. Zo moeten de boeken doorlopend per blad genummerd zijn, dienen zij de vermelding van hun soort, plaats in de reeks en firmanaam te dragen, mag er geen wit vak of weglating in voorkomen en dient, ingeval van correctie, het oorspronkelijk geschrevene leesbaar te blijven.

Het uitvoerings besluit (koninklijk besluit van 12 september 1983 tot uitvoering van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding van de ondernemingen) vereist daarenboven dat de boeken (ongesplitste dagboek, de drie dagboeken vermeld in artikel 5 van de Wet, het inventarisboek en het centraal boek) voorafgaandelijk aan hun gebruik, worden geviseerd en geparafeerd door de griffie van de rechtbank van koophandel waar de onderneming is ingeschreven in het handelsregister (artikel 5 van het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot uitvoering van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding van de ondernemingen). De hulpdagboeken of bijzondere hulpdagboeken, moeten niet afzonderlijk geviseerd of geparafeerd worden, zolang het centraal boek wordt geviseerd en geparafeerd.

Deze technische procédés die de onveranderlijkheid van de boekingen moeten waarborgen vereisen in de huidige stand van de wetgeving dat de betreffende boeken op papier worden gehouden en gaan dus compleet voorbij aan het feit dat in bijna alle ondernemingen de boekhouding middels de computer wordt gevoerd. Dit leidt tot de absurde praktijk dat ondernemers computerlijsten dienen uit te printen en manueel in te kleven in de wettelijk voorgeschreven geviseerde en/of geparafeerde boeken. Deze problematiek wordt allang erkend en het is om die specifieke reden dat de wet van 1 juli 1983 (!) de Koning gemachtigd heeft om alternatieve procedures te voorzien, aangepast aan een computeromgeving (artikel 7, § 2, tweede lid, van de wet) om de onveranderlijkheid van de boekingen te waarborgen. Huidig koninklijk besluit is erop gericht om, meer dan 20 jaar na voormelde wettelijke machtiging, de voorwaarden te definiëren voor het voeren van een (louter) elektronische boekhouding. Aan de basisprincipes van de wet, met name op het vlak van het verplichte stelsel van boeken en het beginsel van de onveranderlijkheid wordt aldus niet geraakt, hoewel België, samen met een aantal andere landen (zoals Frankrijk en Duitsland), hierin stilaan een uitzonderingspositie bekleedt. De Regering neemt zich dan ook voor om een verregaande reflectie te voeren omtrent de basisprincipes van de wet van 17 juli 1975 teneinde na te gaan of ook de wet zelf niet verder gemoderniseerd en vereenvoudigd kan worden.

Niettegenstaande de maatregelen in dit koninklijk besluit reeds lange tijd genomen dienden te worden, is er tevens sprake van een onmiddellijke noodzaak en een ernstige hoogdringendheid. De bepalingen inzake de visum- en paraafverplichtingen zijn immers onuitvoerbaar geworden sinds de inwerkingtreding van de Wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen (hierna de « KBO-wet »). Middels de KBO-wet zijn de diensten van het handelsregister immers afgeschaft per 1 juli 2003 en zijn handelaars niet langer als dusdanig ingeschreven bij de rechtbanken van koophandel van het betreffende ambtsgebied. De inschrijving als handelaar gebeurt sindsdien via een ondernemingsloket naar keuze van de ondernemer (en dus niet noodzakelijk van het rechtsgebied waar de ondernemer zijn activiteiten voert) die de gegevens rechtstreeks invoert in de Kruispuntbank van Ondernemingen. Op basis daarvan hebben de meeste griffiers in het land -terecht- geoordeeld dat zij niet langer bevoegd waren om boeken te viseren en te paraferen en hebben zij dan ook geweigerd dit te doen voor ondernemingen die dit verzochten. Dit heeft echter geleid tot rechtsonzekerheid in de mate dat bepaalde revisoren in hun controleverslag meenden hierover een opmerking te moeten maken, gelet op het feit dat het koninklijk besluit van 12 september 1983 nog niet was aangepast aan de KBO-wet.

Bovendien zijn de vormvoorschriften inzake het houden van de boeken strafrechtelijk gesanctioneerd en is het dus uitermate dringend dat er zonder verder uitstel rechtszekerheid wordt gecreëerd door de visum-verplichting te schrappen uit het betreffende koninklijk besluit van 12 september 1983.

Door de afschaffing van de visum- en paraafverplichting wordt het, zoals hoger vermeld, meteen ook mogelijk om een verregaande administratieve vereenvoudiging voor bedrijven door te voeren, met name door de verplichting af te schaffen dat het ongesplitste dagboek, het centraal boek en het inventarisboek op papier moeten worden gehouden. Op die manier wordt voor nieuwe ondernemingen tevens de doorlooptijd voor het opstarten van een nieuwe onderneming verkort en wordt één extra contactpunt voor de startende ondernemer afgeschaft (voor zover de boekhouding elektronisch wordt gevoerd), in overeenstemming met de aanbevelingen van de Europese Commissie terzake (o.m. Aanbeveling van de Europese Commissie van 22 april 1997 betreffende verbetering en vereenvoudiging van het investeringsklimaat voor startende ondernemingen).

Artikelsgewijze bespreking Artikel 1 Dit artikel betreft een loutere omzetting van bedragen in BEF naar EUR, met afronding naar boven.

Artikel 2 Dit artikel wijzigt het artikel 5 van het koninklijk besluit en bepaalt dat de wettelijk voorgeschreven boeken ofwel op papier ofwel door middel van geïnformatiseerde systemen kunnen bijgehouden worden.

Een gelijkaardige bepaling bestaat reeds sinds enige tijd in Frankrijk en Duitsland, die een met België vergelijkbaar boekhoudrecht hebben (in Frankrijk : artikel 420-5 van het Règlement du Comité de la Réglementation comptable nr. 99-03 van 23 april 1999 en in Duitsland : artikel 239 van het Handelsgesetzbuch).

De elektronisch gevoerde boekhouding dient uiteraard te voldoen aan de voorwaarden en vereisten gesteld door de wet van 17 juli 1975, met name de verplichtingen om : - een voor de aard en de omvang van het bedrijf passende boekhouding te voeren (artikel 2 van de wet); - een volledige boekhouding te voeren (artikel 3 van de wet); - het wettelijk stelsel van boeken te volgen (ongesplitst dagboek of hulpdagboek, al dan niet gesplitst in bijzondere hulpdagboeken) en alle verrichtingen zonder uitstel, getrouw, volledig en naar tijdsorde daarin in te schrijven (artikel 4 van de wet); - op maandelijkse of driemaandelijkse basis een centralisatie van de afzonderlijke boekingen door te voeren (artikel 4 van de wet); - een (gestructureerd) stelsel van boeken en rekeningen te voeren (artikel 4 van de wet); - de boekingen doorlopend te nummeren, zonder gaten of weglatingen, met vermelding van hun soort, hun plaats in de reeks en de naam van de onderneming (artikelen 7 en 8 van de wet); - de materiële continuïteit, regelmatigheid en onveranderlijkheid van de boekingen te waarborgen (artikel 7 van de wet).

Specifiek wat betreft deze laatste voorwaarde bepaalt artikel 2 dat de informaticasystemen die worden gebruikt (vb. boekhoudprogramma), er in ieder geval moeten voor zorgen dat de onderneming haar boekhouding kan voeren in overeenstemming met de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake het voeren van de boekhouding. Het komt aan de Commissie voor Boekhoudkundige Normen toe in overeenstemming met haar wettelijke opdracht - en in het bijzonder met haar rol inzake het bepalen van de beginselen van een regelmatige boekhouding - om deze minimumvereiste te expliciteren en te preciseren, middels adviezen en aanbevelingen, en om deze vereiste te situeren in het breder kader van de organisatie van de boekhouding binnen de onderneming. Immers, de boekhoudkundige organisatie van een onderneming en de regelmatigheid van haar boekhouding moeten worden gesitueerd binnen de algemene administratieve organisatie van deze onderneming. Dat geldt voor het verzamelen van in te schrijven boekhoudgegevens, de informatiecircuits, de toetsing van boekhoudgegevens, zowel naar juistheid als naar aannemelijkheid, de gebruikte informatiedragers, enz. Een regelmatige boekhouding kan dus enkel worden opgezet binnen een degelijk administratief en organisatorisch bestel. Een regelmatige boekhouding is dan ook een onderdeel van een reeks maatregelen met betrekking tot het informatieverwerkingssysteem : maatregelen die moeten borg staan voor de realiteit en de volledigheid van de boekhoudgegevens en de naleving van correcte boekingstermijnen, alsook maatregelen voor de vereiste interne controle. Een boekhouding kan inderdaad pas betrouwbare informatie verstrekken indien alle gegevens correct zijn overgedragen en alle ontvangen gegevens correct zijn opgenomen in de boekhouding. Behalve de naleving van de boekhoudbeginselen en -regels, veronderstelt dit toereikende interne controleprocedures (CBN, advies 174/1, Beginselen van een regelmatige boekhouding, Bulletin nr. 38, februari 1997).

Bij het opstellen van deze adviezen en aanbevelingen kan worden voortgebouwd op de nuttige werkzaamheden die reeds werden verricht door het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten en die hebben geresulteerd in de in april 2003 uitgevaardigde Technische Nota « Kwaliteitscriteria van de Boekhoudsoftware ». De Commissie voor Boekhoudkundige Normen zal tevens onderzoeken of het noodzakelijk of wenselijk is om, nadat deze adviezen en aanbevelingen enige tijd in de praktijk zijn toegepast, een dwingend en voorafgaand systeem van certificatie van boekhoudsoftware in te voeren waarbij een onafhankelijke controleautoriteit de conformiteit van de boekhoudsoftware met de normen evalueert, en zal concrete aanbevelingen ter zake aan de Regering overmaken.

In deze context dient erop gewezen te worden dat, wat betreft de gecontroleerde vennootschappen, de commissarissen gehouden zijn om een controle door te voeren van de financiële resultaten die door de informaticasystemen worden geproduceerd. Ingevolge artikel 144 Wetboek Vennootschappen dient het verslag namelijk te vermelden « of de boekhouding is gevoerd in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften die daarop van toepassing zijn ».

Ook externe accountants zullen in de gevallen waarin zij een controletaak uitoefenen (bv. ingevolge artikel 166 Wetboek Vennootschappen of in het kader van een privé- of gerechtelijke expertise) moeten onderzoeken of de gebruikte boekhoudsoftware voldoet aan de wettelijke en bestuursrechtelijke vereisten. In het algemeen dient trouwens elke boekhoudkundige expert (bedrijfsrevisor, accountant of erkende boekhouder) die met een boekhoudkundige opdracht belast is binnen een onderneming, het gepaste karakter van de gebruikte boekhoudsystemen te onderzoeken en aanbevelingen formuleren om desgevallend de noodzakelijke aanpassingen door te voeren.

Handelaars die dat wensen kunnen een papieren boekhouding blijven voeren. De administratieve vereenvoudiging die middels dit koninklijk besluit wordt doorgevoerd mag er immers niet toe leiden dat bepaalde kleine ondernemers plots genoodzaakt zouden zijn om te investeren in boekhoudsoftware of beroep te doen op een externe boekhouder indien de aard en de omvang van hun bedrijvigheid dit niet verantwoordt.

Niettemin dienen ook in dat geval de administratieve lasten zoveel als mogelijk te worden beperkt. Om die reden werd ervoor geopteerd om enkel de vroegere « vereenvoudigde procedure » voor kleine ondernemingen (zoals gedefinieerd in artikel 5 van de wet) te weerhouden, maar die dan wel open te stellen naar alle ondernemingen.

Vermits ervan uitgegaan kan worden dat de ondernemers die nog enkel een papieren boekhouding voeren als « klein » in de zin van de wet kunnen worden aangemerkt, biedt deze regeling tevens het voordeel dat deze ondernemers hun vertrouwde vereenvoudigde procedure niet hoeven aan te passen.

In het geval van de vereenvoudigde papieren procedure dienen de boeken niet meer geviseerd of geparafeerd te worden, maar dient de boekhouding gevoerd te worden middels ingebonden of ingenaaide registers met de gedrukte melding van het aantal bladzijden. Vóór de eerste ingebruikname dient dan een speciaal identificatieformulier, dat door de drukker van deze boeken wordt afgeleverd, bij het ondernemingsloket te worden neergelegd of per aangetekende brief te worden opgestuurd.

Artikel 5 is van toepassing op alle ondernemingen die onder de wet van 17 juli 1975 vallen, met inbegrip van de openbare instellingen zoals vermeld in artikel 1, 3°, van de wet van 17 juli 1975. Het vroegere artikel 5, § 3, van het koninklijk besluit dat voorzag in een uitzonderingsregeling voor deze instellingen, waardoor de boeken tevens konden geviseerd en geparafeerd worden door de bedrijfsrevisor belast met de controle van de boekhouding en de jaarrekening van de instelling of van een der leden van het statutair toezichtorgaan belast met de opdracht bepaald bij artikel 13 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut, komt te vervallen. Voortaan dienen instellingen van openbaar nut dus een elektronische boekhouding te voeren in overeenstemming met de bepalingen van het koninklijk besluit of een papieren boekhouding waarbij gebruik gemaakt wordt van ingebonden en ingenaaide registers en waarbij een identificatieformulier wordt opgesteld en neergelegd bij het ondernemingsloket.

Het ondernemingsloket dient dit document te bewaren en informatie hieromtrent op vraag van iedere bevoegde overheidsdienst over te maken.

Artikel 3 Het vroegere artikel 6 voorzag in de hoger vermelde vereenvoudigde procedure voor kleine ondernemingen en is aldus, mits een aantal kleine wijzigingen, weergegeven in het nieuwe artikel 5, § 3. Het oude artikel 6 wordt opgeheven.

Artikel 4 Middels dit artikel wordt artikel 7 van het koninklijk besluit aangepast om te verduidelijken dat overschrijving in een centraal boek niet vereist is als middels de inschrijvingen in de hulpdagboeken reeds de onveranderlijkheid van de wettelijke gegevens verzekerd is (vroeger middels het viseren en paraferen van deze hulpdagboeken). De draagwijdte van het bestaande artikel werd niet veranderd, maar er wordt rekening gehouden met de nieuwe manieren om de onveranderlijkheid van de gegevens te verzekeren.

Artikel 5 Middels dit artikel 5 wordt het vroegere artikel 8 van het koninklijk besluit opgeheven. Dit artikel voorzag in de mogelijkheid om het ongesplitste hulpdagboek of de bijzondere hulpdagboeken op andere dragers te houden dan louter op papier (zoals vereist was voor het ongesplitst dagboek, het centraal boek, het inventarisboek en de drie dagboeken vermeld in artikel 5 van de wet), op voorwaarde dat dergelijke drager de onuitwisbaarheid van de opgenomen documenten verzekerde. In zoverre artikel 2 van dit koninklijk besluit voorziet in een algemene mogelijkheid om alle boeken op elektronische drager op te stellen en bij te houden, was artikel 8 van het koninklijk besluit van 12 september 1983 overbodig geworden.

Artikel 6 Het eerste lid heeft tot doel de referentie in het koninklijk besluit naar de wet van 17 juli 1975 te corrigeren, ingevolge de hernummering en wijziging van de wet van 17 juli 1975 door de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van Vennootschappen.

Het tweede lid vermeldt inzake bewaring uitdrukkelijk dat de gekozen drager (papier, CD-ROM,) zowel de onuitwisbaarheid als de toegankelijkheid van de gegevens moet garanderen gedurende de bewaartermijn. Indien de boekhouding elektronisch wordt gevoerd houdt dit in dat men niet alleen de bestanden met de boeken, maar ook de programma's en systemen waarmee deze bestanden kunnen gelezen worden, gedurende deze minimale bewaartermijn moet bijhouden. Elke boekhoudstaat moet immers gedurende de minimale bewaartermijn kunnen worden voorgelegd en herafgedrukt.

Gelet op de snelle technologische evolutie in dit domein, onderzoekt de Regering momenteel de mogelijkheid om de minimale bewaartermijn van 10 jaar die is bepaald in de wet van 17 juli 1975 te verminderen.

Artikel 7 Het betreft hier een aantal technische wijzigingen aan het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningstelsel tengevolge van de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van Vennootschappen (in werking getreden op 6 februari 2001), met name : - in artikel 1, eerste lid van het betreffende koninklijk besluit wordt de verwijzing naar de wet van 17 juli 1975 « op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen » vervangen door een verwijzing naar de wet van 17 juli 1975 « op de boekhouding van de ondernemingen » : het opschrift van de wet werd namelijk in die zin aangepast door artikel 5 van de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van Vennootschappen; - in artikel 1, eerste lid, 2° van het betreffende koninklijk besluit wordt de verwijzing naar de wet van 17 juli 1975 aangepast ingevolge de hernummering van het oud artikel 16 van deze wet in het nieuwe artikel 15 van de wet (ingevolge artikel 13 van de wet van 7 mei 1999 houdende het Wetboek van Vennootschappen); - in artikel 1, eerste lid, 4° worden de verwijzingen naar de « centra van werkzaamheden » geschrapt : deze wijziging was nodig om de tekst van het koninklijk besluit in overeenstemming te brengen met de begrippen die gehanteerd worden in het Wetboek Vennootschappen.

Artikel 8 Artikel 8 betreft een aanpassing van de verwijzingen die in de bijlage bij het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningstelsel worden gemaakt naar het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen. Tengevolge van de codificatie van het vennootschaps- en het jaarrekeningenrecht, werden de meeste bepalingen van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 immers opgeheven en opgenomen in het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen. Middels dit artikel 8 worden de verwijzingen naar het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 dan ook vervangen door verwijzingen naar het koninklijk besluit van 30 januari 2001.

Artikel 9 Het betreft hier een loutere omzetting van bedragen uitgedrukt in Belgische franken naar bedragen in euro, met een afronding naar beneden, voor wat betreft de bijdragen van ondernemingen in de werkingskosten van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen.

Artikel 10 Dit artikel voorziet in een specifieke overgangsbepaling voor ondernemingen die een papieren boekhouding voeren, maar hiervoor geen gebruik maken van ingebonden en ingenaaide registers (het enige systeem dat ingevolge dit koninklijk besluit in de toekomst nog kan gebruikt worden). Dergelijke ondernemingen kunnen hun boekhouding op dezelfde manier blijven voeren tot het einde van het lopende boekjaar.

Artikel 11 Vanaf 1 juli 2003 zijn de bepalingen van het koninklijk besluit inzake de visum- en paraafplicht onuitvoerbaar geworden door de inwerkingtreding van de KBO-wet. Teneinde rechtszekerheid te scheppen voor alle betrokken ondernemers, voorziet huidig koninklijk besluit in een datum van inwerkingtreding van de nieuwe bepalingen betreffende het elektronisch boekhouden (artikelen 2 tot en met 6) op diezelfde datum van 1 juli 2003.

De overige bepalingen (technische aanpassingen van de artikelen 1 en 7 tot en met 9) treden in werking de dag van hun publicatie in het Belgisch Staatsblad.

Wij hebben de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer trouwe dienaars, De Eerste Minister, G. VERHOFSTADT De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Financiën, D. REYNDERS De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, R. DEMOTTE De Minister van Economie, M. VERWILGHEN De Minister van Middenstand, Mevr. S. LARUELLE De Staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, V. VAN QUICKENBORNE

ADVIES 37.864/1 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, eerste kamer, op 6 december 2004 door de Staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging verzocht hem, binnen een termijn van dertig dagen, van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit « tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot uitvoering van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding van de ondernemingen, het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningstelsel en het koninklijk besluit van 16 juni 1994 tot vaststelling van de bijdrage van de ondernemingen in de werkingskosten van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen », heeft op 23 december 2004 het volgende advies gegeven : STREKKING EN RECHTSGROND VAN HET ONTWERP 1. Het om advies voorgelegde ontwerp strekt tot het wijzigen van een aantal koninklijke besluiten die zijn genomen ter uitvoering van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding van de ondernemingen. De ontworpen wijzigingen hebben, onder meer, betrekking op het voeren van een elektronische boekhouding en houden de afschaffing in van de verplichting om de boeken te laten viseren en paraferen op de griffie van de rechtbank van koophandel. Voorts worden sommige technische aanpassingen aangebracht in de betrokken koninklijke besluiten, zoals onder meer de omzetting van bedragen in euro. 2.1. De wijzigingen die het ontwerp beoogt aan te brengen in het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot uitvoering van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding van de ondernemingen, vinden rechtsgrond in de artikelen 5, eerste lid, en 7, § 2, tweede lid, van de wet van 17 juli 1975.

Artikel 5, eerste lid, van de wet draagt de Koning op om het bedrag van de omzet te bepalen waaronder de ondernemingen niet verplicht zijn om een boekhouding te voeren volgens de voorschriften van de artikelen 3 en 4 van de wet. Luidens artikel 7, § 2, tweede lid, van de wet stelt de Koning de nadere regels vast voor het houden en bewaren van de boeken en kan Hij de werkwijze voorgeschreven in artikel 4, derde en vierde lid, van de wet vervangen of toestaan dat ze, onder de voorwaarden die Hij bepaalt, wordt vervangen door een andere die de materiële continuïteit van de boeken evenals de regelmatigheid en de onveranderlijkheid van de boekingen waarborgt. 2.2. De wijzigingen die het ontwerp beoogt aan te brengen in het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningenstelsel, vinden rechtsgrond in artikel 4, zesde lid, van de wet van 17 juli 1975.

Artikel 4, zesde lid, van de wet draagt de Koning op de minimumindeling van een algemeen rekeningenstelsel te bepalen en vast te stellen wat de rekeningen van dat stelsel moeten bevatten en hoe ze moeten worden gebruikt. 2.3. De wijzigingen die het ontwerp beoogt aan te brengen in het koninklijk besluit van 16 juni 1994 tot vaststelling van de bijdrage van de ondernemingen in de werkingskosten van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen, vinden rechtsgrond in artikel 13, tweede lid, van de wet van 17 juli 1975.

Artikel 13, tweede lid, van de wet gelast de Koning het bedrag van de bijdrage te bepalen die sommige ondernemingen moeten betalen voor de financiering van de werkingskosten van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen.

ONDERZOEK VAN DE TEKST Aanhef 1. In het eerste lid van de aanhef moet tevens melding worden gemaakt van de wet van 1 juli 1983, die artikel 7 van de wet van 17 juli 1975 heeft gewijzigd.2. In het tweede tot het vierde lid van de aanhef moeten telkens de nog van kracht zijnde wijzigende besluiten worden vermeld.3. Het vijfde en het zesde lid van de aanhef moeten van plaats worden gewisseld, rekening houdend met de datum waarop de betrokken adviezen werden uitgebracht (1). 4. Het lid van de aanhef waarin wordt verwezen naar het advies van de Raad van State, moet worden geredigeerd als volgt : « Gelet op advies 37.864/1 van de Raad van State, gegeven op 23 december 2004, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; ».

Artikel 1 In een doorlopende normatieve tekst worden de bedragen in euro uitgedrukt en niet in « EUR », dat de ISO-afkorting is.

De redactie van artikel 1, doch ook van artikel 9 van het ontwerp dient, rekening houdend hiermee, te worden aangepast.

Artikel 2 1. Men late de inleidende zin van artikel 2 van het ontwerp in de Nederlandse tekst aanvangen met de woorden « Artikel 5 van hetzelfde besluit... » en niet met de woorden « Het artikel 5 van hetzelfde besluit... » .

De redactie van nog andere artikelen van het ontwerp dient op dezelfde wijze te worden aangepast. 2. In de Nederlandse tekst van het ontworpen artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit van 12 september 1983 moet uiteraard worden geschreven « ... in artikel 5 van deze wet,... » . 3. Gelet op de in het verslag aan de Koning gegeven toelichting bij het ontworpen artikel 5, § 2, van het koninklijk besluit van 12 september 1983, worden in die bepaling de woorden « moeten deze geïnformatiseerde systemen er in ieder geval voor zorgen dat de onderneming haar boekhouding kan voeren in overeenstemming met... » beter vervangen door de woorden « worden deze systemen op een zodanige wijze geconcipieerd dat de onderneming in ieder geval haar boekhouding kan voeren in overeenstemming met ». (2) 4. Het ware juridisch correcter indien in het ontworpen artikel 5, § 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 12 september 1983 de woorden « een ondernemingsloket erkend bij de wet van 16 januari 2003 » worden vervangen door de woorden « een ondernemingsloket erkend met toepassing van de wet van 16 januari 2003 ».5. In het ontworpen artikel 5, § 3, tweede lid, 2°, van het koninklijk besluit van 12 september 1983 wordt in de Nederlandse tekst melding gemaakt van « de soort van het boek of van het dagboek » en in de Franse tekst van « la fonction du livre ou du journal ».De betrokken terminologie komt reeds in het bestaande artikel 5, § 2, van het voornoemde koninklijk besluit voor. Niettemin komen de termen « soort » en « fonction » inhoudelijk niet met elkaar overeen en zou de tekst van de ontworpen bepaling op dat punt beter worden aangepast.

Artikel 4 In de Nederlandse tekst van het ontworpen artikel 7 van het koninklijk besluit van 12 september 1983 moeten de woorden « in artikel 5, § 2 of 3 » en « bij artikel 4, leden 3 en 4 » worden vervangen door respectievelijk de woorden « in artikel 5, §§ 2 of 3 » en « bij artikel 4, derde en vierde lid ». In de Franse tekst moeten de woorden « prévues à l'article 5, § 2 ou 3, » worden vervangen door de woorden « prévues à l'article 5, §§ 2 ou 3, ».

Artikel 6 1. Men redigere artikel 6, 1°, van het ontwerp in de Nederlandse tekst als volgt : « 1° de woorden 'in artikel 7, lid 3' worden vervangen door de woorden 'in artikel 9, § 1';». 2. In de Nederlandse tekst van het ontworpen artikel 9, tweede lid, van het koninklijk besluit van 12 september 1983, vervange men de woorden « van de in § 1 vermelde boeken en dagboeken » door de woorden « van de in het eerste lid vermelde boeken en dagboeken ».In de Franse tekst vervange men de woorden « visés à l'alinéa premier » door « visés à l'alinéa 1er ».

Artikel 8 Ter wille van de rechtszekerheid dienen wijzigingen in een normatieve tekst zo precies mogelijk en op een formele wijze te worden aangebracht. De wijzigingsbepaling van artikel 8 van het ontwerp voldoet niet aan dat vereiste. Zij is immers niet enkel te algemeen geformuleerd, doch bovendien op zodanige manier geconcipieerd dat eruit onvermijdelijk foutieve aanpassingen dreigen voort te vloeien (3). Het staat aan de stellers van het ontwerp om zelf de beoogde formele wijzigingen aan te brengen in de betrokken bijlagen.

Artikel 11 Aan de artikelen 2 tot 6 van het ontwerp wordt terugwerkende kracht verleend tot 1 juli 2003. De reden voor deze retroactiviteit wordt in het verslag aan de Koning vermeld. Niettemin meent de Raad van State, afdeling wetgeving, er de stellers van het ontwerp op te moeten wijzen dat niet op retroactieve wijze nieuwe of bijkomende verplichtingen inzake de boekhouding kunnen worden opgelegd. Het is nochtans niet uitgesloten dat zulks in sommige bepalingen het geval is (zie met name het ontworpen artikel 5, § 3, van het koninklijk besluit van 12 september 1983, onder artikel 2 van het ontwerp).

De kamer was samengesteld uit : de heren : M. Van Damme, kamervoorzitter;

J. Baert, J. Smets, staatsraden;

M. Rigaux, assessor van de afdeling wetgeving;

W. Geurts, griffier.

Het verslag werd uitgebracht door de H. P. Depuydt, eerste auditeur.

De overeenstemming tussen de Franse en de Nederlandse tekst weed nagezien onder toezicht van de heer M. Van Damme.

De griffier, W. Geurts.

De voorzitter, M. Van Damme. _______ Nota's (1) De betrokken adviezen moeten in chronologische volgorde worden weergegeven in de aanhef.(2) In de voorgestelde tekstaanpassing wordt niet meer het woord « moeten » gebruikt.Het gebruik van dat woord in een normatieve tekst is niet aangewezen omdat de verplichting al voortvloeit uit de normatieve tekst zelf. Waar nodig zal, rekening houdend hiermee, de redactie van nog andere bepalingen van het ontwerp moeten worden aangepast. (3) De aanpassingen moeten immers gebeuren « met behulp van de concordantietabellen die als bijlage bij het voornoemde besluit gevoegd zijn », wat een bijkomende bron van vergissingen uitmaakt. 25 JANUARI 2005. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot uitvoering van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding van de ondernemingen, het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningstelsel en het koninklijk besluit van 16 juni 1994 tot vaststelling van de bijdrage van de ondernemingen in de werkingskosten van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding van de ondernemingen, inzonderheid op de artikelen 4, gewijzigd bij koninklijk besluit nr. 22 van 15 december 1978 en door de wet van 1 juli 1983, 5, gewijzigd door het koninklijk besluit nr. 22 van 15 december 1978, 7, gewijzigd door het koninklijk besluit van 15 december 1978, door de wet van 1 juli 1983 en door de wet van 7 mei 1999 en 13, gewijzigd door de wet van 6 augustus 1993 en door de wet van 7 mei 1999;

Gelet op het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot uitvoering van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding van de ondernemingen, gewijzigd door het koninklijk besluit van 30 december 1991, door het koninklijk besluit van 5 augustus 1992; door het koninklijk besluit van 4 augustus 1996 en door het koninklijk besluit van 30 januari 2001;

Gelet op het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningenstelsel, gewijzigd door het koninklijk besluit van 30 december 1991, door het koninklijk besluit van 3 december 1993 en door het koninklijk besluit van 4 augustus 1996;

Gelet op het koninklijk besluit van 16 juni 1994 tot vaststelling van de bijdrage van de ondernemingen in de werkingskosten van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen, gewijzigd door het koninklijk besluit van 30 januari 2001 en door het koninklijk besluit van 19 december 2003;

Gelet op het advies van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, gegeven op 10 juli 2002;

Gelet op het advies van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen, gegeven op 29 november 2004;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 30 november 2004;

Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 3 december 2004;

Gelet op advies 37.864/1 van de Raad van State gegeven op 23 december 2004, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Eerste Minister, Onze Minister van Justitie, Onze Minister van Financiën, Onze Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, Onze Minister van Economie, Onze Minister van Middenstand, Onze Staatssecretaris voor de administratieve vereenvoudiging en op advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Wijzigingen aan het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot uitvoering van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding van de ondernemingen

Artikel 1.In artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot uitvoering van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding van de ondernemingen, gewijzigd bij koninklijk besluit van 30 januari 2001, en in artikel 2 van hetzelfde besluit, worden de bedragen 20 miljoen frank en 25 miljoen frank respectievelijk vervangen door de bedragen 500.000 euro en 620.000 euro.

Art. 2.Artikel 5 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : «

Art. 5.§ 1. Het ongesplitst dagboek en het centraal boek bepaald in artikel 4 van de wet van 17 juli 1975 of de drie dagboeken bepaald in artikel 5 van deze wet, alsmede het dagboek bepaald in artikel 9, § 1, kunnen schriftelijk worden gehouden door middel van ingebonden of ingenaaide registers die de gedrukte melding van het aantal bladzijden omvatten of door middel van geïnformatiseerde systemen. § 2. Indien de boeken en dagboeken vermeld in § 1 worden gehouden door middel van geïnformatiseerde systemen, worden deze systemen op een zodanige wijze geconcipieerd dat de onderneming in ieder geval haar boekhouding kan voeren in overeenstemming met de wettelijke en reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op het voeren van een boekhouding. § 3. Indien de boeken en dagboeken bepaald in § 1 schriftelijk gehouden worden, door middel van ingebonden of ingenaaide registers met de gedrukte vermelding van het aantal bladzijden, wordt er, vóór de eerste ingebruikname van het boek of het dagboek, overgegaan tot de neerlegging bij een ondernemingsloket erkend met toepassing van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister en tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, van een identificatieformulier dat door de drukker samen met het boek of het dagboek is afgeleverd en door de onderneming is ingevuld.

Het formulier vermeldt : 1° de benaming van de onderneming, alsmede het nummer dat haar werd toegekend door de Kruispuntbank voor de Ondernemingen;2° het doel van het boek of van het dagboek, alsmede de plaats in zijn reeks;3° het aantal bladzijden van het register, alsmede de naam en het ondernemingsnummer van de drukker. Het identificatieformulier wordt gedagtekend en ondertekend, naar gelang het geval, door de belanghebbende of door de persoon die de vennootschap of de instelling ten opzichte van derden vertegenwoordigt.

Deze stukken worden bewaard door de erkende ondernemingsloketten overeenkomstig hun wettelijke en reglementaire archiveringsplichten. ».

Art. 3.Artikel 6 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.

Art. 4.Artikel 7 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : «

Art. 7.Indien het ongesplitste hulpdagboek of de bijzondere hulpdagboeken aan de voorwaarden bepaald in artikel 5, §§ 2 of 3 voldoen, moeten de in dit hulpdagboek of in deze hulpdagboeken geregistreerde gezamenlijke mutaties niet worden overgeschreven in een centraal boek, zoals bepaald bij artikel 4, derde en vierde lid van de hogergenoemde wet van 17 juli 1975. ».

Art. 5.Artikel 8 van hetzelfde besluit wordt opgeheven.

Art. 6.In artikel 9 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « in artikel 7, lid 3 » worden vervangen door de woorden « in artikel 9, § 1 »;2° een tweede lid wordt toegevoegd, luidend als volgt : « De voor het bewaren van de in het eerste lid vermelde boeken en dagboeken gebruikte drager moet de onveranderlijkheid en de toegankelijkheid van de gegevens die erin geregistreerd zijn verzekeren gedurende de volledige opgelegde bewaringstermijn.». HOOFDSTUK II. - Wijzigingen aan het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningenstelsel

Art. 7.In artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningstelsel, gewijzigd door het koninklijk besluit van 30 december 1991, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden « en de jaarrekening » geschrapt uit het opschrift van de wet van 17 juli 1975;2° in het eerste lid, 2°, wordt het getal « 16 » vervangen door het getal « 15 »;3° het eerste lid, 4°, wordt vervangen als volgt : « 4° de door buitenlandse ondernemingen in België gevestigde bijkantoren, wanneer die bijkantoren geen eigen opbrengsten hebben door verkoop van goederen of dienstverlening aan derden of door geleverde goederen of verleende diensten aan de buitenlandse onderneming waarvan zij afhangen en waarvan de werkingskosten volledig door de laatstgenoemde worden gedragen.» .

Art. 8.In de bijlagen bij hetzelfde besluit worden in de minimumindeling van het algemeen rekeningenstelsel de verwijzingen naar de bepalingen van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 als volgt vervangen door verwijzingen naar de overeenstemmende bepalingen van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen : 1° in voetnoot 2 en voetnoot 3 worden de woorden « artikel 44 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 » vervangen door de woorden « artikel 100 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 »;2° in voetnoot 4 worden de woorden « artikel 19, 5e lid, litt.c, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 » vervangen door de woorden « artikel 54, c), van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 »; 3° de inhoud van voetnoot 11 wordt vervangen door de woorden « artikelen 70, 72 en 75 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 ». HOOFDSTUK III. - Wijzigingen aan het koninklijk besluit van 16 juni 1994 tot vaststelling van de bijdrage van de ondernemingen in de werkingskosten van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen

Art. 9.Artikel 1 van het koninklijk besluit van 16 juni 1994 tot vaststelling van de bijdrage van de ondernemingen in de werkingskosten van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen, wordt vervangen als volgt : «

Artikel 1.De bijdrage bedoeld in artikel 13, tweede lid, van de wet van 17 juli 1975 op de boekhouding van de ondernemingen, bedraagt 2,23 euro per jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening die wordt neergelegd. » . HOOFDSTUK IV. - Overgangs- en slotbepalingen

Art. 10.De ondernemingen die op de datum van de bekendmaking van dit besluit hun boeken en dagboeken enkel schriftelijk houden en dit niet doen via ingebonden en ingenaaide registers, mogen deze praktijk voortzetten tot op het einde van het lopende boekjaar.

Art. 11.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van de artikelen 2 tot 6 die uitwerking hebben met ingang van 1 juli 2003.

Art. 12.Onze Eerste Minister, Onze Minister bevoegd voor Justitie, Onze Minister bevoegd voor Financiën, Onze Minister bevoegd voor Volksgezondheid en Sociale Zaken, Onze Minister bevoegd voor de Economie, en Onze Minister bevoegd voor de Middenstand en de Landbouw alsmede Onze Staatssecretaris bevoegd voor de administratieve vereenvoudiging, zijn ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 25 januari 2005.

ALBERT Van Koningswege : De Eerste Minister, G. VERHOFSTADT De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Financiën, D. REYNDERS De Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, R. DEMOTTE De Minister van Economie, M. VERWILGHEN De Minister van Middenstand, Mevr. S. LARUELLE De Staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, V. VAN QUICKENBORNE

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^