Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 26 november 2001
gepubliceerd op 28 december 2001

Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten

bron
ministerie van binnenlandse zaken en ministerie van justitie
numac
2001001148
pub.
28/12/2001
prom.
26/11/2001
ELI
eli/besluit/2001/11/26/2001001148/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

26 NOVEMBER 2001. - Koninklijk besluit tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, inzonderheid op de artikelen 6 en 58 en de artikelen 25, 40 en 42 gewijzigd bij de wet van 31 mei 2001 tot wijziging van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten en de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus;

Gelet op het protocol nr. 49/3 van 10 oktober 2001 van het onderhandelingscomité voor de politiediensten;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 31 mei 2001;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Ambtenarenzaken, gegeven op 18 juli 2001;

Gelet op de akkoordbevinding van de Minister van Begroting, gegeven op 10 september 2001;

Overwegende dat het advies van de Adviesraad van burgemeesters niet regelmatig binnen de voorgeschreven termijn gegeven is en dat geen verzoek om verlenging van de termijn gedaan is; dat er bijgevolg aan is voorbijgegaan;

Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid dat dit ontwerp van koninklijk besluit onder meer bepaalde diensthoofden aanwijst, bevoegd om de tuchtwet van 13 mei 1999 toe te passen; dat die diensthoofden gewone tuchtoverheden uitmaken die spilfiguren zijn in de toepassing van de tucht op het laagste maar dikwijls meest aangewezen niveau; dat bovendien de tuchtraad ondertussen reeds enkele malen werd geadieerd, na tuchtrechtelijke initiatieven vanwege bepaalde hogere tuchtoverheden en de snelste afhandeling zich opdringt, gelet op de door het bestuur in acht te nemen redelijke termijn; dat het ten slotte in disciplinaire aangelegenheden zaak is om zo snel mogelijk rechtszekerheid te bieden;

Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 30 oktober 2001, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;

Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Justitie en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Definities

Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° « de tuchtwet » : de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, gewijzigd bij de wet van 31 mei 2001 tot wijziging van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten en de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus;2° « verzoeker » : het personeelslid dat overeenkomstig artikel 51bis van de tuchtwet, een verzoek tot heroverweging heeft ingediend. HOOFDSTUK II. - De tuchtrechtelijk bevoegde diensthoofden

Art. 2.De personeelsleden die de volgende betrekkingen uitoefenen zijn diensthoofden in de zin van artikel 19, 2°, a), van de tuchtwet ten opzichte van de personeelsleden van het basis- of middenkader die rechtstreeks onder hun bevoegdheid vallen : 1° adjunct-directeur-generaal bij een algemene directie van de federale politie;2° directeur bij een algemene directie van de federale politie;3° bestuurlijke directeur-coördinator bedoeld in artikel 103 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus;4° gerechtelijke directeur bedoeld in artikel 105, eerste lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus;5° diensthoofd van een dienst die rechtstreeks afhangt van een algemene directie van de federale politie;6° directeur die rechtstreeks afhangt van de commissaris-generaal. HOOFDSTUK III. - De tuchtprocedure Afdeling 1. - Gemeenschappelijke bepalingen

Art. 3.Het tuchtdossier omvat : 1° alle stukken die betrekking hebben op de kennisneming en het onderzoek van de ten laste gelegde feiten, alsmede alle stukken die gedurende het verdere verloop van de tuchtprocedure worden opgesteld;2° een inventaris van de stukken waaruit het dossier bestaat.

Art. 4.De tuchtoverheid die feiten vaststelt die mogelijk een tuchtvergrijp uitmaken, of er kennis van krijgt, vermeldt de datum van de vaststelling of de kennisneming in het inleidend verslag.

Art. 5.Behoudens uitdrukkelijke bepaling van de tuchtwet geschieden de kennisgevingen, zendingen aan en oproepingen van het personeelslid door middel van afgifte tegen ontvangstbewijs of, in ondergeschikte orde, door middel van een ter post aangetekende brief.

Art. 6.De adviezen van de in artikel 24 van de tuchtwet bedoelde overheden, worden gevraagd door de bevoegde hogere tuchtoverheid.

Art. 7.In uitvoering van artikel 27 van de tuchtwet wordt de algemene inspectie geadieerd door de bevoegde tuchtoverheid of de tuchtraad.

Deze adiëring geschiedt door de overhandiging, tegen ontvangstbewijs, van het tuchtdossier bedoeld in artikel 4, alsmede van een adiëringsbrief waarin de ernstige redenen om een onderzoek niet toe te vertrouwen aan de hiërarchische overheid, worden vermeld.

Wanneer het betrokken personeelslid van oordeel is dat er ernstige redenen zijn om een onderzoek niet toe te vertrouwen aan de hiërarchische overheid, richt het een brief aan de bevoegde tuchtoverheid of aan de tuchtraad, waarin deze redenen vermeld worden, met het oog op de toepassing van artikel 27 van de tuchtwet. Deze brief wordt aan het verzonden dossier toegevoegd, in voorkomend geval, bij toepassing van het tweede lid.

Art. 8.Het personeelslid dat gehoord wenst te worden bij toepassing van artikel 29, tweede lid, van de tuchtwet, vermeldt dit in zijn verweerschrift of dient een aanvraag, tegen ontvangstbewijs of bij een ter post aangetekende brief, in bij de bevoegde tuchtoverheid.

Het proces-verbaal van verhoor van het personeelslid, gehoord bij toepassing van het eerste lid, wordt toegevoegd aan het tuchtdossier bedoeld in artikel 4.

De datum en het uur van het verhoor bedoeld in het eerste lid, worden vastgelegd door de met het dossier belaste tuchtoverheid of de door haar aangewezen overheid.

Art. 9.Het verhoor bedoeld in artikel 8 moet : 1° worden aangevraagd, in voorkomend geval in het verweerschrift, ten laatste vóór het einde van de termijn van dertig dagen bedoeld in artikel 35 of 38quater van de tuchtwet;2° plaatsvinden vóór de beslissing van lichte tuchtstraf of het voorstel van zware tuchtstraf. De procedure van verhoor schorst in geen geval de lopende tuchtprocedure.

Art. 10.Het voorafgaand onderzoek bevolen bij toepassing van artikel 32, eerste lid, of 38 van de tuchtwet, wordt toevertrouwd aan een personeelslid dat bekleed is met ten minste dezelfde graad waarmee het personeelslid, dat het voorwerp van de procedure uitmaakt, is bekleed of met de gelijkwaardige graad door Ons vastgelegd.

De voorafgaande onderzoeker, bedoeld in het eerste lid, wordt gemachtigd door de tuchtoverheid om, binnen de grenzen vastgelegd in artikel 25 van de tuchtwet, een onderzoek te voeren dat onder andere het volgende kan omvatten : 1° het verhoor van het betrokken personeelslid;2° elk verhoor dat nuttig geacht wordt door de voorafgaande onderzoeker;3° de vraag tot afgifte van stukken of voorwerpen die nuttig zijn om de waarheid aan het licht te brengen, zelfs indien deze zich bevinden in de kast of het bureau waarover het personeelslid beschikt op de werkplaats. De voorafgaande onderzoeker brengt de tuchtoverheid regelmatig op de hoogte van de vordering van het voorafgaand onderzoek.

Elke weigering van medewerking aan de procedurehandelingen in het raam van het voorafgaand onderzoek, wordt vermeld in het verslag van het voorafgaand onderzoek.

Art. 11.In het raam van de tuchtprocedure worden voor de aanrekening als dienstprestaties in aanmerking genomen voor de werkelijke duur : 1° de tijd die een personeelslid, tegen wie een tuchtprocedure loopt, besteedt aan : a) de voorbereiding van zijn verdediging, wanneer de tuchtoverheid oordeelt dat de feiten niet moeten leiden tot een tuchtstraf of wanneer zij geacht wordt van vervolging af te zien en voor zover de door het personeelslid vooropgestelde tijd in het raam van die tuchtprocedure wordt goedgekeurd door de tuchtoverheid die de eindbeslissing neemt of die geacht wordt deze te nemen;b) de verschijning voor de tot straffen bevoegde overheid of voor de tuchtraad, verplaatsingen heen en terug inbegrepen;2° de tijd die door de verdediger van het personeelslid tegen wie een tuchtprocedure loopt, wordt besteed aan : a) de voorbereiding van de verdediging, voor zover de door de verdediger van het personeelslid vooropgestelde tijd in het raam van die tuchtprocedure wordt goedgekeurd door de tuchtoverheid die de eindbeslissing neemt of die geacht wordt deze te nemen;b) de verschijning voor de tot straffen bevoegde overheid of voor de tuchtraad, verplaatsingen heen en terug inbegrepen. In geval van betwisting over de in het eerste lid bedoelde aanrekening van dienstprestaties, beslist de inspecteur-generaal of zijn afgevaardigde na overleg met de betrokken partijen.

Art. 12.Indien deze verschijningen een verplaatsing noodzaken, gebeurt dit met het voor de overheid goedkoopste transportmiddel. Er kan geen gebruik gemaakt worden van een dienstvoertuig tenzij de operationaliteit van de dienst en het diensthoofd het toelaten. Afdeling 2. - Het uitvoeren van de ademtest

Art. 13.§ 1. De in artikel 25, derde lid, van de tuchtwet bedoelde ademtest bestaat erin te blazen in een toestel dat het niveau van de alcoholopname in de uitgeademde alveolaire lucht aangeeft. § 2. Alleen de ademtesttoestellen die overeenkomstig artikel 59, § 4, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, gehomologeerd zijn, mogen voor de ademtest worden gebruikt. Op het gebruikte toestel moet het goedkeuringsmerk op duurzame en onuitwisbare wijze aangebracht zijn.

Het gebruik, het onderhoud en het justeren van deze toestellen gebeuren in overeenstemming met de gebruiksmodaliteiten zoals vastgesteld in uitvoering van artikel 59, § 4, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.

Art. 14.De tuchtoverheid voert de ademtest uit en vermeldt de klaarblijkelijke tekenen van alcoholintoxicatie die de test rechtvaardigen. In voorkomend geval kan zij hiertoe een politieambtenaar bedoeld in artikel 117, tweede lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, aanwijzen om de ademtest op te leggen.

Art. 15.Vooraleer het ademtesttoestel te gebruiken, toont de in artikel 14 bedoelde overheid of politieambtenaar een verpakt mondstuk, opent de verpakking en brengt het mondstuk op het toestel aan zonder dit mondstuk aan te raken.

Het personeelslid wordt vervolgens verzocht te blazen in het toestel.

Art. 16.Het personeelslid dat verzocht wordt de ademtest te ondergaan mag een wachttijd vragen van 15 minuten.

Art. 17.Tenzij het zich klaarblijkelijk in de lichamelijke onmogelijkheid bevindt om zich aan de test te onderwerpen of wanneer het een medische reden tot vrijstelling opwerpt, kan het personeelslid niet wettelijk weigeren om de ademtest te ondergaan. In deze gevallen wordt onmiddellijk een arts gevorderd om die onmogelijkheid of vrijstelling vast te stellen.

De kosten van deze vordering zijn ten laste, naar gelang van het geval, van de federale politie, van de politiezone of de gemeente waaronder het personeelslid ressorteert.

Art. 18.§ 1. Op verzoek van het betrokken personeelslid kan de ademtest gevolgd worden door een ademanalyse die erin bestaat te blazen in een toestel dat de alcoholconcentratie in de uitgeademde alveolaire lucht meet.

De ademanalyse gebeurt op kosten van de belanghebbende, wanneer deze een alcoholconcentratie van ten minste 0,22 milligram per liter in de uitgeademde alveolaire lucht aangeeft. § 2. Alleen de ademanalysetoestellen die overeenkomstig artikel 59, § 4, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, gehomologeerd zijn, mogen voor de ademanalyse worden gebruikt. Op het gebruikte toestel moet het goedkeuringsmerk op duurzame en onuitwisbare wijze aangebracht zijn.

Het gebruik, het onderhoud en het justeren van deze toestellen gebeuren in overeenstemming met de gebruiksmodaliteiten zoals vastgesteld in uitvoering van artikel 59, § 4, van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer. § 3. Het personeelslid kan niet tuchtrechtelijk vervolgd worden voor overdreven drankgebruik wanneer de ademtest of -analyse een alcoholconcentratie van minder dan 0,22 milligram per liter in de uitgeademde alveolaire lucht meet. Afdeling 3. - De uitvoering van de procedurehandelingen van de hogere

tuchtoverheden

Art. 19.De hogere tuchtoverheid kan de uitvoering van de volgende procedurehandelingen toevertrouwen aan een daartoe opgerichte coördinatiedienst bij de federale politie of de lokale politie: 1° het voorafgaand onderzoek van een dossier in het licht van de uitoefening van het evocatierecht;2° het feitenonderzoek bedoeld in artikel 26 van de tuchtwet;3° het ontvangen van de adviezen verstrekt door de overheden bedoeld in artikel 24 van de tuchtwet;4° de afgifte van een kopie van het dossier;5° de kennisgeving van de stukken, de voorstellen of de beslissingen van de hogere tuchtoverheid aan het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid. Afdeling 4. - De procedure voor de tuchtraad

Onderafdeling 1. - Nadere regels inzake de samenstelling van de tuchtraad

Art. 20.De magistraten en de bijzitters die worden vervangen, blijven de zaken behandelen waarin, op de datum van hun vervanging, de verzoeker regelmatig opgeroepen is geweest voor de tuchtraad, tot op het ogenblik dat het advies dan wel het dossier, overeenkomstig artikel 53 van de tuchtwet, bezorgd is aan de hogere tuchtoverheid.

Art. 21.Wanneer een getuige of een persoon behorende tot een andere taalrol dan die van de verzoeker, moet verschijnen, wijst de voorzitter van de tuchtraad een persoon aan die één van de volgende hoedanigheden bezit : 1° licentiaat in de Germaanse of de Romaanse filologie;2° licentiaat tolk;3° licentiaat vertaler;4° rijksambtenaar van niveau 1, bekleed met de graad van vertaler-revisor, eerstaanwezend vertalend revisor of vertaler-directeur.

Art. 22.Alvorens in functie te treden, worden de in artikel 21 bedoelde personen tot de eedaflegging opgeroepen door de voorzitter van de tuchtraad. Zij leggen in zijn handen de volgende eed af : « Ik zweer dat ik mijn taak naar eer en geweten nauwgezet en eerlijk zal vervullen. »

Art. 23.De Minister van Binnenlandse Zaken wijst voor de secretaris van elke kamer een plaatsvervanger aan.

Art. 24.De magistraten van de Duitstalige kamer, de plaatsvervangende magistraten van de kamers en de bijzitter bedoeld in artikel 40, eerste lid, 3°, van de tuchtwet, hebben recht op een presentiegeld per volledig gepresteerd uur waarop de kamer van de tuchtraad zitting houdt.

Art. 25.Het presentiegeld van de magistraten van de Duitstalige kamer en de plaatsvervangende magistraten van de kamers, is gelijk aan 1/1850e van de bezoldiging die zij in de hoedanigheid van werkend magistraat zoals bedoeld in artikel 42 van de tuchtwet zouden hebben ontvangen.

Het presentiegeld van de bijzitter, bedoeld in artikel 40, eerste lid, 3°, van de tuchtwet, is gelijk aan 1/1850ste van de bezoldiging die hij geniet op het ogenblik van zijn aanwijzing, alsmede de daaraan verbonden verhogingen en voordelen.

De presentiegelden worden maandelijks en na vervallen termijn betaald.

Art. 26.De werkende en de plaatsvervangende magistraten en de bijzitter bedoeld in artikel 40, eerste lid, 3°, van de tuchtwet, genieten vergoedingen voor reis- en verblijfskosten overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op het personeel van de ministeries. Zij worden in dit opzicht gelijkgesteld met ambtenaren van rang 17.

Onderafdeling 2. - Nadere regels inzake de procedure voor de tuchtraad

Art. 27.De hogere tuchtoverheid die op de hoogte gebracht wordt van de indiening van een verzoek tot heroverweging, overeenkomstig artikel 51bis van de tuchtwet, is ertoe gehouden aan de tuchtraad een kopie van het tuchtdossier, bedoeld in artikel 3, te bezorgen.

De verzending van de stukken bedoeld in het eerste lid, gebeurt binnen de drie werkdagen die volgen op de ontvangst van de kopie van het verzoek tot heroverweging.

Art. 28.De in artikel 45 van de tuchtwet bedoelde oproeping vermeldt eveneens: 1° de samenstelling van de kamer van de tuchtraad;2° in voorkomend geval, het bevel tot persoonlijke verschijning van de verzoeker, overeenkomstig artikel 29, derde lid, van de tuchtwet;3° de tekst van artikel 47 van de tuchtwet.

Art. 29.Overeenkomstig artikel 49, tweede lid, van de tuchtwet, wordt de inspecteur-generaal of zijn afgevaardigde gehoord als deskundige, op het ogenblik bepaald door de voorzitter van de tuchtraad en ten laatste voordat de verzoeker of zijn verdediger gehoord wordt in zijn laatste verweer.

Hiertoe bezorgt de voorzitter van de tuchtraad een kopie van het tuchtdossier aan de inspecteur-generaal. Afdeling 5. - Het jaarverslag en de jurisprudentiegegevensbank

Onderafdeling 1. - Het jaarverslag

Art. 30.Het jaarverslag van de tuchtraad, bedoeld in artikel 65ter van de tuchtwet, wordt gericht aan de Ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie ten laatste op 1 april volgend op het referentiejaar.

Art. 31.Het jaarverslag bevat onder meer : 1° de overzichten bedoeld in artikel 37, met uitzondering van de uiteenzetting van de feiten;2° een verslag dat een statistische samenvatting bevat en een analyse van de overzichten, bedoeld in punt 1°;3° het aantal raadplegingen van de jurisprudentiegegevensbank.

Art. 32.De Minister van Binnenlandse Zaken bezorgt het verslag, bedoeld in artikel 30 aan : 1° de commissaris-generaal van de federale politie;2° de voorzitter van de vaste commissie van de lokale politie;3° de inspecteur-generaal van de federale politie en van de lokale politie;4° de voorzitter van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten;5° de representatieve vakorganisaties van het personeel van de politiediensten;6° de voorzitter van de Adviesraad van burgemeesters. Onderafdeling 2. - De jurisprudentiegegevensbank

Art. 33.Een kopie van alle tuchtrechtelijke beslissingen, de beslissingen tot herziening van een straf inbegrepen, moet, door de tuchtoverheid die deze heeft uitgesproken aan de tuchtraad worden bezorgd.

Deze informatie moet tegelijk met de kennisgeving van de beslissing aan het gestrafte personeelslid gebeuren en bevat een synthesedocument waarvan het model vastgelegd is door de Minister van Binnenlandse Zaken.

Art. 34.De beheerder van de jurisprudentiegegevensbank, personeelslid van de politiediensten, wordt door de tuchtraad aangewezen onder de secretarissen bedoeld in artikel 40, derde lid, van de tuchtwet.

Art. 35.De beheerder van de gegevensbank kent aan elke beslissing een rolnummer toe. Hij staat in voor de aanvullingen van de gegevensbank, met respect voor de anonimiteit.

Art. 36.De beheerder van de gegevensbank organiseert de raadpleging ervan tijdens de gewone diensturen.

Overminderd artikel 65quinquies van de tuchtwet, kan een geïnformatiseerde raadpleging van de gegevensbank geregeld worden via een intern en/of extern netwerk.

Art. 37.De gegevensbank omvat : 1° een anoniem overzicht, per straf, van de tuchtstraffen uitgesproken zonder advies van de tuchtraad;2° een anoniem overzicht, per straf, van de tuchtstraffen uitgesproken met advies van de tuchtraad. De overzichten bedoeld in het eerste lid vermelden : 1° het rolnummer;2° de datum en de aard van de straf;3° de uiteenzetting en de kwalificatie van de feiten;4° de graad van het gestrafte personeelslid;5° de hoedanigheid van de tuchtoverheid.

Art. 38.Wanneer de persoon die de gegevensbank raadpleegt kopies van de gegevens bedoeld in artikel 37 wil ontvangen, betaalt hij daarvoor het bedrag vastgelegd door de Minister van Binnenlandse Zaken. HOOFDSTUK IV. - De uitvoering van de straffen

Art. 39.Onder voorbehoud van de toepassing van de artikelen 13, derde lid, en 65 van de tuchtwet, hebben de tuchtstraffen uitwerking op de dag van de kennisgeving ervan aan de personeelsleden overeenkomstig artikel 57ter van dezelfde wet.

Art. 40.Het personeelslid dat kennis neemt van een tuchtstraf, moet de nodige schikkingen treffen om gevolg te kunnen geven aan elke oproep of vraag die betrekking heeft op de uitvoering van die tuchtstraf en de maatregelen die ermee gepaard gaan. HOOFDSTUK V. - Informatie van het sociaal secretariaat GPI

Art. 41.De geldelijke gevolgen van de zware tuchtstraffen of voorlopige schorsingen, de beslissingen tot herziening van straffen inbegrepen, moeten door de tuchtoverheid die deze getroffen heeft, worden meegedeeld aan het sociaal secretariaat GPI bedoeld in artikel 140quater van de wet van 7 december tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.

De mededeling bedoeld in het eerste lid geschiedt tegelijkertijd met de mededeling van de beslissing aan het betrokken personeelslid. HOOFDSTUK VI. - Overgangs-, opheffings- en slotbepalingen

Art. 42.Tot de inplaatsstelling van het korps van de lokale politie, bij toepassing van artikel 248 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, oefent de korpschef van de lokale politie, zowel aangewezen door de Koning in uitvoering van artikel 247 van dezelfde wet als door overeenkomst in uitvoering van artikel 249 van dezelfde wet : 1° ten opzichte van de personeelsleden van de territoriale brigades van de federale politie bedoeld in artikel 235 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus de bevoegdheden uit bedoeld in artikel 19, 2°, a), van de tuchtwet;2° ten opzichte van de personeelsleden van de gemeentepolitie bedoeld in artikel 235 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus de bevoegdheden uit bedoeld in artikel 19, 1°, a), van de tuchtwet.

Art. 43.In artikel 3, 12° van het koninklijk besluit van 24 augustus 2001 tot opheffing van diverse besluiten met betrekking tot de rijkswacht, de gemeentepolitie en de gerechtelijke politie, worden de woorden « en met uitzondering van artikel 21 » ingevoegd na de woorden « van de wet ».

Art. 44.Met uitzondering van artikel 43 treedt dit besluit in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Artikel 43 heeft uitwerking met ingang van 1 april 2001.

Art. 45.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Justitie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 26 november 2001.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN

^