Etaamb.openjustice.be
Koninklijk Besluit van 28 december 2006
gepubliceerd op 04 januari 2007

Koninklijk besluit betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden

bron
federale overheidsdienst justitie
numac
2006010058
pub.
04/01/2007
prom.
28/12/2006
ELI
eli/besluit/2006/12/28/2006010058/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

28 DECEMBER 2006. - Koninklijk besluit betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de artikelen 37 en 108 van de Grondwet;

Gelet op de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, inzonderheid de artikelen 4, 4, 6 en 8 evenals de artikelen 9 tot 13 en de artikelen 105 tot 121;

Gelet op de wet van 23 december 2005 houdende diverse bepalingen, inzonderheid de artikelen 8 tot 35;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven op 21 december 2006;

Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, vervangen bij de wet van 4 juli 1989 en gewijzigd bij de wet van 4 augustus 1996;

Gelet op de hoogdringenheid;

Overwegende dat de bepalingen van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden inzake de orde en de veiligheid, evenals de artikelen inzake de algemene basisbeginselen van de wet terstond in werking moeten treden;

Overwegende dat de hoogdringendheid van deze inwerkingtreding gerechtvaardigd is door het feit dat het aantal gedetineerden dat onderworpen is aan een specifiek detentieregime, gerechtvaardigd door vereisten van orde en veiligheid, toeneemt. Hun situatie was niet alleen het voorwerp van een opmerking door Vast Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (CPT), dat in haar rapport dat openbaar gemaakt werd op 20 april 2006 het ontbreken betreurt van de wettelijke basis voor deze regimes, maar bovendien ook van meerdere recente rechterlijke beslissingen die de Belgische Staat veroordelen. Deze beslissingen onderstrepen de noodzaak de beslissing om dergelijke regimes in te stellen te voorzien van bijzondere waarborgen. Deze waarborgen zijn daadwerkelijk hernomen in de basiswet;

Overwegende dat de inwerkingtreding van Titel VI van de wet het in werking doen treden van de basisbeginselen hernomen in Titel II van de wet met zich brengt, niet alleen omdat artikel 117 er in het laatste lid ervan uitdrukkelijk naar verwijst, maar ook omdat de correcte toepassing van de bijzondere regimes noodzakelijkerwijs het respecteren van deze beginselen inhoudt;

Overwegende dat het in dit opzicht dringend is te bepalen welke de inschrijvingsmodaliteiten zijn in het register dat bepaald is door artikel 8, § 1, derde lid, van de wet, van de beslissingen van de directeur, wiens redenen niet moeten worden vermeld;

Overwegende dat daarentegen de inwerkingtreding van de overlegorganen voorzien door artikel 7 van de wet niet op korte termijn kan worden overwogen; er moet inderdaad een koninklijk besluit worden genomen dat de modaliteiten inzake samenstelling en werking van deze organen preciseert. Deze bepaling zal het voorwerp zijn van een specifiek koninklijk besluit;

Overwegende tenslotte dat het recht om beroep aan te tekenen tegen de beslissing van de directeur-generaal, zoals voorzien in artikel 118, § 10, pas in werking zal kunnen treden wanneer de bepalingen met betrekking tot de toezichtsorganen en het recht om klacht in te dienen, namelijk Titel III, Hoofdstuk IV en Titel VIII van de wet in werking kunnen treden;

Overwegende dat de verbeteringen die aan de basiswet van 12 januari 2005 aangebracht worden door de wet van 23 december 2005 houdende diverse bepalingen in werking kunnen treden;

Op de voordracht van Onze Minister van Justitie, Hebben Wij besloten en besluiten Wij :

Artikel 1.Titel II van de wet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden treedt in werking op 15 januari 2007, met uitzondering van artikel 7.

Art. 2.Titel VI van dezelfde wet treedt in werking op 15 januari 2007, met uitzondering van artikel 118, § 10.

Art. 3.§ 1. Elke gevangenis beschikt over een speciaal register waarin de beslissingen ingeschreven worden van de directeur, wiens reden krachtens artikel 8, § 1, eerste lid, van dezelfde wet niet moet worden meegedeeld. § 2. Het register bepaald in § 1 bevat : 1° een kopie van de beslissing die aan de gedetineerde werd overhandigd;2° de motivering van de ten aanzien van de gedetineerde genomen beslissing;3° de motivatie, zowel feitelijk als rechtens, van de beslissing om de motivering van de op hem betrekking hebbende beslissing niet mee te delen aan de gedetineerde;4° in voorkomend geval een kopie van de beslissing van de directeur-generaal waarmee hij het meedelen van de motivering van de beslissing aan de gedetineerde beveelt;in dat geval zal het register eveneens een kopie bevatten van de aan de gedetineerde overhandigde gemotiveerde beslissing. § 3. De gevangenisdirecteur is als enige gemachtigd om het register aan te vullen en er stukken aan toe te voegen. § 4. De toegang tot het register is strikt voorbehouden aan de directeur en aan de leden van de organen van toezicht en klachtenbehandeling. Het wordt hiertoe in een beveiligde plaats bewaard.

Art. 4.De artikelen 8 tot 34 van de wet van 23 december 2005 houdende diverse bepalingen treden in werking op 15 januari 2007.

Art. 5.Dit besluit treedt in werking op 15 januari 2007.

Art. 6.Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 28 december 2006.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX

^