Etaamb.openjustice.be
Omzendbrief van 26 juli 2000
gepubliceerd op 31 augustus 2000

Omzendbrief. - Gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober 2000. - Validatie van de verkiezingen en installatie van de gemeenteraadsleden. - Verkiezing van de schepenen en benoemingsprocedure voor de burgemeesters

bron
ministerie van binnenlandse zaken
numac
2000000665
pub.
31/08/2000
prom.
26/07/2000
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

MINISTERIE VAN BINNENLANDSE ZAKEN


26 JULI 2000. - Omzendbrief. - Gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober 2000. - Validatie van de verkiezingen en installatie van de gemeenteraadsleden.- Verkiezing van de schepenen en benoemingsprocedure voor de burgemeesters


Aan mevrouw de Provinciegouverneur, Aan mevrouw de Gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, Aan de heren Provinciegouverneurs, Aan de heer Voorzitter van het college vermeld bij art. 83quinquies, § 2, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, Ter informatie : Aan de dames en heren Burgemeesters en Schepenen.

Mevrouw, Mijnheer de Gouverneur, Mijnheer de Voorzitter, Mevrouw, Mijnheer de Burgemeester, Mevrouw, Mijnheer de Schepen, Na de gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober 2000 zullen de gemeenteraden overeenkomstig artikel 2 van de nieuwe gemeentewet geheel vernieuwd worden. De nieuwe gemeenteraadsleden zullen verkozen worden voor een termijn van zes jaar, ingaand op 1 januari 2001.

Zoals bepaald in artikel 4 van de nieuwe gemeentewet, blijven de leden van de aftredende gemeenteraad in functie totdat de geloofsbrieven van hun opvolgers zijn onderzocht en hun installatie heeft plaatsgehad.

De vernieuwing van de gemeenteraden leidt tot de verkiezing van een nieuw schepencollege en de benoeming van een nieuwe burgemeester in elke gemeente van het Rijk. Het is absoluut noodzakelijk dat deze procedures inzake installatie van de raad, verkiezing van het college en benoeming van de burgemeester in de beste omstandigheden verlopen, zodat het nieuwe gemeentebestuur, telkens als er geen belemmering is die dat verhindert, met ingang van januari 2001 in functie kan treden.

Deze omzendbrief strekt ertoe aan de geldende bepalingen betreffende de voormelde procedures te herinneren en de toepassing ervan nader te omschrijven.

I. VALIDATIE VAN DE VERKIEZINGEN DOOR DE BESTENDIGE DEPUTATIE 1. Algemeen principe De validatie van de verkiezingen komt de bestendige deputatie toe, ongeacht of een kandidaat bezwaar ingediend heeft. Voor de gemeenten van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, worden de bevoegdheden van de bestendige deputatie uitgeoefend door het college, vermeld bij artikel 83quinquies, § 2, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen.

In deze materie doen de bestendige deputatie en het voormelde college uitspraak als administratief rechtscollege (art. 75, § 3 van de gemeentekieswet). 2. Gewone bezwaren Elk bezwaar moet, op straffe van verval, worden ingediend binnen 40 dagen na het opstellen van het proces-verbaal van de verkiezing (artikel 74 van de nieuwe gemeentekieswet).In de veronderstelling dat het proces-verbaal opgesteld werd op 9 oktober 2000, is de uiterste datum voor het indienen van een bezwaar 18 november 2000. Met andere woorden, het bezwaar moet hetzij uiterlijk op die datum aan de provinciegriffier (1) overhandigd worden, in welk geval een ontvangstbewijs overhandigd zal worden, hetzij aan die ambtenaar gezonden worden bij een uiterlijk op dezelfde datum ter post neergelegde aangetekende zending, waarbij het postmerk als datum geldt.

In de aangenomen hypothese zal de provinciegriffier op 18 november permanentie moeten houden, aangezien die dag een zaterdag is. Dat zou eveneens gelden voor 19 november 2000, indien het proces-verbaal opgesteld werd op 10 oktober. In dat geval moet er op 18 november geen permanentie gehouden worden.

De bestendige deputatie doet uitspraak over een bezwaar binnen een termijn van 30 dagen na de indiening ervan (artikel 75, § 1, van de gemeentekieswet). Het vertrekpunt voor de termijn is de dag die volgt op de overhandiging van het bezwaar aan de provinciegriffier of de dag volgend op de postdatum in geval van een aangetekende zending.

Nog steeds als voorbeeld : in de hierboven beschouwde veronderstelling en in het geval dat er op 18 november 2000 een bezwaar werd ingediend, is 18 december 2000 de uiterste datum waarop de bestendige deputatie uitspraak moet doen.

Als de bestendige deputatie binnen de voorgeschreven termijn van 30 dagen geen uitspraak heeft gedaan, wordt het bezwaar als verworpen beschouwd, - het vervalt dus krachtens de wet -, en wordt de verkiezing definitief gevalideerd.

In werkelijkheid kunnen voor een bepaalde verkiezing verscheidene bezwaren ingediend worden op verschillende data. Aangezien de bestendige deputatie slechts na het verstrijken van de voormelde termijn van 40 dagen zeker kan zijn dat er geen bezwaar meer zal worden ingediend, kan de definitieve validatie van de verkiezing ten vroegste pas op dat ogenblik plaatsvinden, behoudens het bijzonder bezwaar, dat vermeld wordt onder het hierna volgende punt 3. Bovendien moet voor elk bezwaar de maximale termijn van 30 dagen in acht genomen worden om uitspraak te doen; met andere woorden, de bezwaren betreffende een bepaalde verkiezing kunnen slechts gegroepeerd worden als de termijn van 30 dagen nageleefd werd voor het bezwaar dat het eerst na de verkiezing werd ingediend.

Rekening houdend met het feit dat de termijn vastgesteld voor de uitoefening van het initiatiefrecht van de procureur des Konings of voor de indiening van een klacht op grond van artikel 12, § 1, van de wet van 7 juli 1994 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezing van de provincieraden en gemeenteraden en voor de rechtstreekse verkiezing van de raden voor maatschappelijk welzijn (2), verstrijkt op de honderd twintigste dag na de verkiezing, is het mogelijk dat de bestendige deputatie de verkiezing binnen de haar gestelde termijnen heeft gevalideerd, zelfs vóór er een rechtsvordering is ingesteld.

De bestendige deputatie doet uitspraak als administratief rechtscollege, ongeacht de manier waarop de verkiezingen gevalideerd worden, hetzij door beslissing inzake validatie, al of niet op bezwaar, hetzij door validatie van ambtswege door het verstrijken van de termijnen. (cf. advies van de Raad van State van 15 april 1964 over een wetsvoorstel tot oprichting van provinciale administratieve rechtbanken - Parl. St. Kamer van Volksvertegenwoordigers, zitting 1963-1964, 652, nr. 2, bladzijde 6; deze rechtspraak werd bevestigd door de wet van 22 maart 1999, die artikel 75, § 3 in de gemeentekieswet heeft ingevoegd).

De bestendige deputatie dient zich uit te spreken over de validatie van de verkiezingen binnen de termijn die haar door de wet wordt gesteld. De nadruk wordt eveneens gelegd op het feit dat de bestendige deputatie niet op de uiterste termijn moet wachten om haar beslissingen te nemen, zodat de benoeming van de burgemeesters zo spoedig mogelijk kan gebeuren.

De Minister van Binnenlandse Zaken dient regelmatig geïnformeerd te worden over de bezwaren die bij de bestendige deputatie werden ingediend. Op initiatief van de Provinciegouverneur of van de Voorzitter van het college,vermeld bij artikel 83quinquies, § 2, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, zal bijgevolg aan de Minister een afschrift van ieder bezwaar worden verstrekt zodra het in ontvangst is genomen, alsmede een afschrift van iedere beslissing die de bestendige deputatie of voormeld rechtsprekend college neemt in verband met de validatie van een verkiezing, ongeacht of er een bezwaar werd ingediend, alsook de vaststelling dat er geen beslissing werd genomen.

De gouverneurs worden tevens verzocht bedoelde bezwaren en beslissingen door te faxen op het nummer 02/500.23.02 t.a.v. de dienst Lokale Aangelegenheden van het Ministerie van Binnenlandse Zaken. 3. Bijzonder bezwaar Indien een kandidaat strafrechtelijk veroordeeld wordt wegens schending van de hiervoor vermelde wet van 7 juli 1994, beschikken de kandidaten over een nieuwe termijn van 15 dagen, te rekenen vanaf de uitspraak van de definitieve veroordeling, om een bezwaar in te dienen bij de bestendige deputatie. Deze termijn staat los van de hierboven vermelde primaire termijn van 40 dagen (art. 74, § 3, tweede lid, van de gemeentekieswet en art. 12 van 7 juli 1994).

Het mandaat wordt in dit geval niet automatisch ontnomen, aangezien de gemeentekieswet, in het bijzonder artikel 74bis, een ruime beoordelingsbevoegdheid toekent aan de bestendige deputatie of aan het college bedoeld bij artikel 83quinquies, § 2, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, en in geval van beroep bij deze instantie, aan de Raad van State.

Krachtens voormeld artikel 74, § 3, tweede lid, van de gemeentekieswet wordt er slechts in de opening van een nieuwe termijn voor de kandidaten voorzien in het geval dat de veroordeling gesteund is op een klacht, wat het geval uitsluit waarin de veroordeling het gevolg zou zijn van een vordering die zou zijn ingesteld op initiatief van de procureur des Konings.

Het recht op bezwaar bedoeld in artikel 74, § 3, kan met name slechts uitgeoefend worden door diegenen die krachtens artikel 74, § 1 gerechtigd zijn bezwaar in te dienen, namelijk de kandidaten, terwijl de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij het Parket krachtens artikel 12, § 2, van de wet van 7 juli 1994 openstaat voor ieder « persoon die van enig belang doet blijken ». 4. Beroep bij de Raad van State tegen de beslissing van de bestendige deputatie Artikel 76bis van de gemeentekieswet stelt dat degenen aan wie kennis moet worden gegeven van de beslissing van de bestendige deputatie, dat wil zeggen krachtens artikel 76 van dezelfde wet, de betrokken gemeenteraad en de kandidaten die een bezwaar indienden, binnen acht dagen na de kennisgeving beroep kunnen instellen bij de Raad van State. Het beroep bij de Raad van State is niet opschortend, behoudens wanneer het beroep gericht is tegen een beslissing van de bestendige deputatie die een vernietiging van de verkiezingen of een wijziging in de zetelverdeling inhoudt.

De rechtspleging voor dit Hoge Rechtscollege wordt geregeld door het koninklijk besluit van 15 juli 1956 tot vaststelling van de procedure voor de afdeling administratie van de Raad van State, in geval van beroep voorzien bij het voormelde artikel 76bis van de gemeentekieswet, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 16 september 1982 en 28 oktober 1994.

De middelen welke de verzoeker voor de bestendige deputatie had kunnen doen gelden en die hij voor het eerst voor de Raad van State inroept, zijn niet ontvankelijk (R.v.St., 17 februari 1959, gem.verkiez.

Stokkem, nr. 6873). De vorderingen in verband met verkiezingszaken zijn enkel ontvankelijk indien ze voordien ontvankelijk aan de bestendige deputatie werden voorgelegd (R.v.St., 29 maart 1983, Van den Berghe, nr 23085).

II. INSTALLATIE VAN DE GEMEENTERAADSLEDEN. 1. Installatievergadering. De installatie van de nieuwe gemeenteraad kan pas plaatsvinden als de raad, naargelang van het geval, door de provinciegriffier - binnen drie dagen - in kennis wordt gesteld van de beslissing van de bestendige deputatie of het uitblijven van enige beslissing binnen de voorgeschreven termijn (artikel 76, eerste lid, van de gemeentekieswet), of, in geval van schorsend beroep bij de Raad van State, de kennisgeving bedoeld bij artikel 77, eerste lid, van dezelfde wet, heeft ontvangen.

Het uittredend college van burgemeester en schepenen roept daartoe alle verkozen kandidaten op, overeenkomstig artikel 87 van de nieuwe gemeentewet, met de vermelding dat de vergadering hun beëdiging alsook de verkiezing en de eedaflegging van de schepenen tot doel heeft. 2. Beëdiging. A. Eedformule.

De installatie van de raadsleden bestaat uit de eedaflegging waarvan de formule, wat de burgemeester, schepenen en gemeenteraadsleden betreft, vastgesteld is, in het Nederlands en in het Frans, bij artikel 80 van de nieuwe gemeentewet, en, in het Duits, bij het koninklijk besluit van 17 juli 1926 (B.S. van 21 augustus 1926) tot bepaling van de Duitse tekst van de eedformules die in België gebruikelijk zijn.

De eed wordt uitsluitend afgelegd in het Nederlands, het Frans of het Duits, naargelang de gemeente gelegen is in het Nederlandse, het Franse of het Duitse taalgebied. In de gemeenten van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad wordt de eed in het Nederlands of in het Frans afgelegd.

B. Modaliteiten.

Door de eedaflegging worden de raadsleden ambtsbevoegd.

In artikel 261 van het Strafwetboek, dat onder meer toepasselijk is op de gemeenteraadsleden, is bepaald dat ieder openbaar ambtenaar die met de uitoefening van zijn bediening begint zonder de door de wet voorgeschreven eed te hebben afgelegd, wordt veroordeeld tot een geldboete van zesentwintig frank tot vijfhonderd frank.

Overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 80 en 81 van de nieuwe gemeentewet : - leggen de burgemeesters de eed af in handen van de gouverneur of van zijn gemachtigde; - leggen de gemeenteraadsleden, de vertrouwenspersonen, bedoeld in artikel 12 bis van de nieuwe gemeentewet, en de schepenen de eed af in handen van de burgemeester of van degene die hem vervangt.

Wat de eedaflegging van de gemeenteraadsleden betreft, kan een onderscheid worden gemaakt tussen twee hypothesen (3) : a) de nieuwe titularis van het mandaat van burgemeester is reeds benoemd en heeft reeds de eed afgelegd in handen van de Gouverneur of diens gemachtigde : in dat geval moet hij de nieuwe raad installeren; als hij werd gekozen onder de verkozen gemeenteraadsleden, dan is hij ontslagen van de eedaflegging als gemeenteraadslid, vermits hij reeds de eed heeft afgelegd als burgemeester. b) De nieuwe titularis van het mandaat van burgemeester heeft nog geen eed afgelegd in die hoedanigheid : dan is het de uittredende nog in functie zijnde burgemeester of degene die hem overeenkomstig artikel 14 van de nieuwe gemeentewet vervangt, die de installatievergadering moet voorzitten. Inderdaad, krachtens artikel 4 van de nieuwe gemeentewet, moet het uittredend of ontslagnemend lid dat bekleed is met het burgemeesters- of schepenmandaat, dit mandaat blijven uitoefenen tot het, hetzij als burgemeester of schepen, hetzij als gemeenteraadslid, vervangen is.

Bijgevolg, in de hiervoor onder b) vermelde hypothese : 1. de uittredend burgemeester werd niet herkozen als gemeenteraadslid. De burgemeester of de persoon die het ambt van burgemeester waarneemt, die niet is herkozen als gemeenteraadslid of de burgemeester die buiten de raad is benoemd maar niet is verkozen als gemeenteraadslid ter gelegenheid van de jongste verkiezingen, moet de eed afnemen van de nieuwe gemeenteraadsleden; zijn mandaat eindigt zodra is overgegaan tot de installatie van de nieuwe raad; wanneer al de gemeenteraadsleden in zijn handen de eed hebben afgelegd, wordt hij derhalve als voorzitter overeenkomstig artikel 14 van de nieuwe gemeentewet vervangen door de uittredende schepen, die de eerstgekozene was onder het vorig bestuur en die opnieuw als gemeenteraadslid is geïnstalleerd of, bij gebrek aan een uittredende schepen die zijn mandaat van gemeenteraadslid heeft behouden, door het lid van de nieuwe raad dat de eerste staat op de ranglijst (artikel 17, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet) en zulks tot de nieuwe eerstgekozen schepen of de nieuwe burgemeester de eed afgelegd heeft in die hoedanigheid; 2. de uittredend burgemeester werd herkozen als gemeenteraadslid De burgemeester of de persoon die het ambt van burgemeester uitoefent, en die werd herkozen in de hoedanigheid van gemeenteraadslid, of de burgemeester die benoemd is buiten de raad en die verkozen is in de hoedanigheid van gemeenteraadslid ter gelegenheid van de jongste verkiezingen, moet de eed afnemen van de nieuwe gemeenteraadsleden; aangezien hij evenwel zelf de eed moet afleggen als gemeenteraadslid en hij zijn eigen eed niet mag afnemen, zal hij, voor het vervullen van die formaliteit beschouwd worden als zijnde tijdelijk verhinderd en vervangen worden overeenkomstig artikel 14 van de nieuwe gemeentewet; na de eedaflegging van de andere verkozenen te hebben ontvangen, zal hij zelf de eed afleggen in handen van de uittredende schepen, die de eerstgekozene was onder het vorig bestuur en die opnieuw is geïnstalleerd in de hoedanigheid van gemeenteraadslid of, bij gebrek aan een herkozen uittredend schepen, door het lid van de nieuwe raad, eerst gerangschikt op de ranglijst (artikel 17, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet).

In die veronderstelling oefent de betrokkene bovendien verder zijn ambt van burgemeester uit zolang hijzelf of zijn opvolger in die hoedanigheid de eed niet heeft afgelegd. 3. in, afwijking van artikel 4 van de nieuwe gemeentewet en van sommige beginselen die hierboven uiteengezet zijn onder 1.en 2., voorziet het tweede lid van artikel 14 van de nieuwe gemeentewet erin dat, wanneer in de randgemeenten bedoeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 (dat wil zeggen Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel en Wezembeek-Oppem), alsook in Komen-Waasten en in Voeren, bij de installatie van de gemeenteraad na een algehele vernieuwing geen burgemeester is benoemd, de gemeenteraad een schepen of een gemeenteraadslid aanwijst om, in afwachting van die benoeming, het ambt van burgemeester waar te nemen.

In dit verband dienen volgende bemerkingen gemaakt te worden : - ongeacht of de uittredende burgemeester al of niet herkozen is tot gemeenteraadslid, moet een waarnemend burgemeester aangeduid worden. - deze bijzondere bepaling vindt alleen toepassing wanneer de nieuwe burgemeester nog niet benoemd is of de eed nog niet heeft afgelegd; in het geval dat de nieuwe burgemeester de eed heeft afgelegd, maar afwezig of verhinderd is, blijft de algemene regel van artikel 14, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet van toepassing. - wanneer de burgemeester nog niet benoemd is of de eed nog niet heeft afgelegd in één van de acht hiervoren bedoelde gemeenten, wordt eerst de eed afgenomen van de nieuwe raadsleden en de rechtstreeks verkozen schepenen in handen van diegene die de installatievergadering dient voor te zitten overeenkomstig hetgeen hierboven uiteengezet is, naargelang van het geval, onder de punten 1. en 2.; daarna pas gaat de raad over tot de aanwijzing van een schepen of raadslid om het ambt van burgemeester waar te nemen totdat de nieuwe burgemeester als zodanig de eed heeft afgelegd; de oproeping tot de installatievergadering vermeldt in dit geval dat, behalve de eedaflegging, ook de aanwijzing van een waarnemend burgemeester overeenkomstig artikel 14, tweede lid van de nieuwe gemeentewet, op de agenda staat. - de aanwijzing van een schepen of een raadslid als waarnemend burgemeester geschiedt bij geheime stemming en bij volstrekte meerderheid; indien na twee stemmingen geen kandidaat de meerderheid heeft verkregen, geschiedt de herstemming over de twee kandidaten die de meeste stemmen hebben behaald; staken de stemmen bij de herstemming, dan is de oudste in leeftijd verkozen. 3. Stilzwijgende of uitdrukkelijke afstand. Overeenkomstig artikel 81 van de nieuwe gemeentewet worden verondersteld afstand te doen van hun mandaat de verkozenen die, na het ontvangen van twee achtereenvolgende oproepingen om de eed af te leggen, zich zonder wettige reden onthouden van het vervullen van die formaliteit.

Ten einde betwistingen te voorkomen, moet op die twee geschreven oproepingen zeer duidelijk het voorwerp van de vergaderingen voorkomen en op de tweede oproeping een weergave in extenso van de tekst van bovenvermeld artikel 81 van de nieuwe gemeentewet.

Zij worden verstuurd naar de woonplaats van de verkozene met een aangetekende brief of eigenhandig overhandigd tegen afgifte van een afgiftebewijs, ten minste zeven vrije dagen voor de dag van de vergadering, er zorg voor dragend dat er ten minste zeven volledige dagen - van 0 tot 24 uur - liggen tussen de dag van de verzending of van de afgifte en de dag van de vergadering (artikel 87, § 1, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet) (4).

Krachtens artikel 9 van de nieuwe gemeentewet kan elke verkozen kandidaat, nadat zijn verkiezing geldigheid heeft verkregen, voor zijn installatie afstand doen van zijn mandaat. Om geldig te zijn moet die afstand schriftelijk worden betekend aan de gemeenteraad. Indien het feit van de afstand wordt betwist, dan doet de bestendige deputatie uitspraak overeenkomstig artikel 75, § 1, tweede lid, van de gemeentekieswet (5). De gouverneur en de betrokken kandidaat kunnen bij de Raad van State tegen deze beslissing beroep instellen binnen acht dagen na respectievelijk de beslissing en de kennisgeving van die beslissing.

Als een verkozene aldus kennis geeft van zijn afstand voor de installatievergadering of tijdens die vergadering en in de veronderstelling dat hij werkelijk geen eed aflegt - anders wordt hij verondersteld zijn afstand in te trekken - dan neemt de raad akte van die afstand zodra al de te installeren verkozenen als raadslid de eed hebben afgelegd.

De afstand wordt definitief en kan bijgevolg niet meer worden ingetrokken, zodra de raad er akte van heeft genomen. Er wordt dan tijdens de vergadering overgegaan tot de installatie van een opvolger in de hoedanigheid van lid-titularis, na onderzoek van zijn geloofsbrieven. 4. Onverenigbaarheden. In de artikelen 71, 72, 72bis, 73 en 74 van de nieuwe gemeentewet worden de onverenigbaarheden opgesomd.

Krachtens artikel 75 van de nieuwe gemeentewet wordt de tot gemeenteraadslid gekozen kandidaat die een met het lidmaatschap van de raad onverenigbaar ambt vervult, die aan een onderneming deelneemt of een beroep of ambacht uitoefent waarvoor hij een wedde of een toelage van de gemeente ontvangt, niet tot beëdiging toegelaten zolang de oorzaak van de onverenigbaarheid bestaat.

De gekozen kandidaat die binnen een maand na een tot hem gericht verzoek van het college van burgemeester en schepenen, niet afziet van het onverenigbaar ambt of van de door de gemeente verleende wedde of toelage, wordt geacht het hem toegekende mandaat niet te aanvaarden.

De bestendige deputatie beslist overeenkomstig artikel 75, § 1, tweede lid, van de gemeentekieswet over de betwistingen in verband met de toepassing van deze bepalingen; tegen deze beslissing kan binnen acht dagen na de betekening van de beslissing bij de Raad van State beroep ingesteld worden door het betrokken gemeenteraadslid, door het college van burgemeester en schepenen en door hen die een bezwaarschrift hebben ingediend bij de bestendige deputatie. Ook de gouverneur kan binnen de acht dagen beroep aantekenen bij de Raad van State. Als het college van burgemeester en schepenen de betrokkene(n) er niet toe aanmaant een keuze te doen, treedt de bestendige deputatie op in de plaats van het gemeentebestuur (artikel 77 van de nieuwe gemeentewet).

Artikel 71, 6° van de nieuwe gemeentewet voorziet in een onverenigbaarheid tussen enerzijds het ambt van raadslid of burgemeester en anderzijds degenen die personeelslid zijn van of een toelage of wedde ontvangen van de gemeente, met uitzondering van de vrijwillige brandweerlieden.

Hieruit vloeit voort dat de onverenigbaarheid toepasselijk is op elk lid van het gemeentepersoneel, ongeacht zijn administratieve toestand, bijvoorbeeld ook op het personeelslid dat in disponibiliteit zonder wedde is geplaatst.

De hiervoor vermelde wet van 27 januari 1999 vult artikel 71, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet aan met een 9°, luidend als volgt : « elke persoon die een ambt of mandaat uitoefent dat gelijkwaardig is aan dat van gemeenteraadslid, schepen of burgemeester in een lokale basisoverheid van een andere Lid-Staat van de Europese Unie ......... ».

Overeenkomstig het tweede lid van dit artikel, zijn de bepalingen van het eerste lid, 1° tot 8°, ervan eveneens van toepassing op de niet-Belgische onderdanen van de Europese Unie, die in België verblijven, wanneer zij in een andere Lid-Staat van de Europese Unie ambten uitoefenen die gelijkwaardig zijn aan die bedoeld in deze bepalingen.

Een andere nieuwe onverenigbaarheid wordt voorzien door artikel 331, § 4, van de nieuwe gemeentewet, ingevoegd door de wet van 19 maart 1999 tot wijziging van de nieuwe gemeentewet, de gemeentekieswet, de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen, de wet van 11 april 1994 tot organisatie van de geautomatiseerde stemming en de wet van 7 juli 1994 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezing van de provincieraden en de gemeenteraden en voor de rechtstreekse verkiezing van de raden voor maatschappelijk welzijn, strekkende tot de oprichting van districten en de organisatie van de rechtstreekse verkiezing van hun raden.

In toepassing van deze bepaling bestaat er een onverenigbaarheid tussen het mandaat van gemeenteraadslid en lid van de districtsraad.

De tot gemeenteraadslid verkozen kandidaat kan het mandaat van districtsraadslid niet opnemen.

Bij artikel 73 van de nieuwe gemeentewet is het trouwens aan sommige personen verboden om samen zitting te nemen in een zelfde gemeenteraad omwille van de graad van bloed- of aanverwantschap tussen hen (6).

Geen enkele wettekst machtigt de bestendige deputatie ter gelegenheid van de installatie van de gemeenteraad, het bestaan van een onverenigbaarheid wegens bloed- of aanverwantschap of het tot stand komen van een dergelijke onverenigbaarheid tijdens het mandaat vast te stellen - R.v.St., arrest nr. 15.931 van 26 juni 1973 -; inderdaad, wanneer de bestendige deputatie een beslissing neemt bij toepassing van de artikelen 74 en volgende van de gemeentekieswet over de geldigheid van de gemeenteraadsverkiezingen en over de geloofsbrieven van de gemeenteraadsleden en verkozen opvolgers, dan heeft zij alleen maar tot taak na te gaan of de kiesverrichtingen hebben plaatsgehad overeenkomstig de wettelijke bepalingen en te onderzoeken of de verkozenen voldoen aan de voorwaarden inzake verkiesbaarheid; de evengenoemde bepalingen verlenen haar dus niet de bevoegdheid te beslissen dat een van de gemeenteraadsleden van wie zij de geloofsbrieven heeft gevalideerd zich, op het ogenblik van zijn installatie, in het geval van onverenigbaarheid zal bevinden waarin is voorzien bij artikel 73 van de nieuwe gemeentewet - R.v.St., arresten nr. 14.476 van 27 januari 1971, nr. 14.679 van 22 april 1971 en nr. 15.454 van 14 juli 1972.

Bijgevolg is het de persoon, die belast is met het voorzitterschap bij de installatie van de raad, die moet waken over de toepassing van artikel 73 van de nieuwe gemeentewet; hij moet dus, met inachtneming van deze bepaling, diegene van de twee verkozenen die geen zitting mag hebben in de raad aanwijzen en hij moet weigeren deze persoon te beëdigen.

In geval van geschil met betrekking tot de verkiezing van de raadsleden van de gemeente Komen-Waasten en Voeren, wordt, op grond van artikel 77bis, § 2, van de gemeentekieswet, de bevoegdheid van de bestendige deputatie zoals omschreven in titel VI van de gemeentekieswet - artikelen 74 tot 85 - uitgeoefend door het college van provinciegouverneurs, ingesteld bij artikel 131bis van de provinciewet.

Krachtens artikel 71, 5° van de nieuwe gemeentewet, mogen geen deel uitmaken van de gemeenteraden noch tot burgemeester worden benoemd : de militairen in actieve dienst, behalve de wederopgeroepen reserveofficieren.

III. RANGORDE VAN DE GEMEENTERAADSLEDEN. 1. Principes. Er wordt overgegaan tot het opmaken van de ranglijst van de gemeenteraadsleden zodra de raad geïnstalleerd is.

Zoals is bepaald in artikel 17, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet, wordt deze vastgesteld naargelang van de dienstouderdom van de gemeenteraadsleden, te rekenen van de dag van hun ambtsaanvaarding en, bij gelijke dienstouderdom, naargelang van het aantal verkregen stemmen.

In voorkomend geval zal deze ranglijst herzien worden wanneer de Raad van State een arrest velt, na een niet schorsend beroep, waarbij de zetelverdeling tussen de lijsten of de volgorde van de verkozenen gewijzigd wordt. 2. Dienstouderdom. De herverkozen uittredende gemeenteraadsleden komen vooraan op de ranglijst naargelang van hun dienstouderdom en, bij gelijke dienstouderdom, op basis van het aantal verkregen stemmen tijdens de recentste verkiezing.

Alleen de ononderbroken diensten als gemeenteraadslid-titularis mogen in aanmerking genomen worden om de dienstouderdom te bepalen; elke onderbreking brengt het definitieve verlies mee van de verkregen dienstouderdom.

De gemeenteraadsleden die geen lid waren van de uittredende raad kunnen op geen enkele dienstouderdom aanspraak maken en zij bevinden zich dus onderaan op de ranglijst; zij worden gerangschikt volgens het aantal verkregen stemmen bij de laatste verkiezing. 3. Aantal bekomen stemmen. Onder het aantal bekomen stemmen moet worden verstaan het aantal stemmen dat individueel toegekend is aan elke kandidaat nadat hem de lijststemmen werden toegekend overeenkomstig de bepalingen van artikel 57, tweede, derde en vierde lid, van de gemeentekieswet.

Wanneer twee raadsleden met gelijke dienstouderdom hetzelfde aantal stemmen hebben bekomen, dan wordt de rangorde geregeld volgens de volgorde die ze innemen op de lijst als zij op de dezelfde lijst zijn verkozen, en op basis van de leeftijd als zij verkozen zijn op verschillende lijsten; in dit laatste geval wordt voorrang verleend aan de oudste. 4. Bijzondere gevallen. Wanneer het aantal kandidaten van een lijst gelijk is aan het aantal zetels dat aan de lijst toekomt, dan zijn al die kandidaten verkozen - artikel 57, eerste lid, van de gemeentekieswet.

In dit geval is het hoofdbureau niet verplicht, voor de aanwijzing van de verkozenen, over te gaan tot de individuele toekenning van de lijststemmen aan de kandidaten volgens artikel 57, tweede, derde en vierde lid, van de gemeentekieswet.

Daarentegen, als er rekening gehouden moet worden met het behaalde aantal stemmen om de rangorde te kunnen bepalen, moeten de verrichtingen, omschreven in de hiervoor vermelde bepalingen, wel uitgevoerd worden. 5. Voorbeeld. Er moeten 13 zetels worden toegewezen in een gemeenteraad. Er werden 7 kandidaten voorgedragen op een lijst waaraan 7 zetels zijn toegekend aan het einde van de in artikel 56 van de gemeentekieswet voorgeschreven verrichtingen.

Krachtens artikel 57, eerste lid, van die zelfde wet, verklaart het hoofdbureau al die kandidaten verkozen, zonder vooraf lijststemmen toe te kennen aan die kandidaten.

Als het aantal stemmen behaald door sommige van die kandidaten in aanmerking komt om hun plaats op de ranglijst te bepalen, moet de toekenning als volgt gebeuren : a) Bepaling van het aantal te verdelen lijststemmen onder de verkozenen van de lijst. Het aantal lijststemmen wordt vastgesteld door het product van de vermenigvuldiging van het aantal stembrieven dat uitsluitend bovenaan de lijst is ingevuld - en dus ten gunste van de orde van voordracht is uitgebracht -, met het aantal door deze lijst bekomen zetels, te delen door twee (7).

Bij dit voorbeeld wordt verondersteld dat er 122 stemmen zijn uitgebracht ten gunste van de orde van voordracht, zodat het aantal individueel toe te kennen lijststemmen aan de verkozenen van de lijst 122 x 7/2 = 427 bedraagt. b) Het verkiesbaarheidscijfer van de lijst moet eveneens worden bepaald. Dit verkiesbaarheidscijfer wordt verkregen door het product van de vermenigvuldiging van het verkiezingscijfer van de lijst zoals het bepaald is in artikel 55 van de gemeentekieswet, met het aantal zetels dat aan de lijst toegekend is, te delen door het aantal zetels dat toekomt aan die lijst, vermeerderd met een eenheid.

Bij dit voorbeeld wordt verondersteld dat men naast 122 biljetten bovenaan de lijst ingevuld, 702 geldige biljetten telt met één of meer voorkeurstemmen, dus in totaal 824 geldige biljetten waarop gestemd is voor de lijst; 824 is het stemcijfer van de lijst.

Het verkiesbaarheidscijfer dat specifiek is voor de lijst is dus 824 x 7/7 + 1 = 5 768/8 = 721.

Indien de uitkomst van deze deling decimalen bevat, dan dient het cijfer afgerond te worden tot de hogere eenheid, ongeacht het feit of zij al dan niet 0,50 bereiken. 1) Individuele toekenning aan de verkozenen van de lijststemmen die ten gunste van de orde van voordracht zijn uitgebracht. Deze toekenning gebeurt op devolutieve wijze in de orde van de voordracht.

Van de helft van de lijststemmen - 427 - wordt er aan de naamstemmen, bekomen door de eerste kandidaat van de lijst, zoveel toegevoegd als nodig is om het verkiesbaarheidscijfer van de lijst - 721 - te bereiken : indien er overschot is, wordt dit laatste op gelijkaardige wijze toegekend aan de tweede kandidaat en zo verder totdat de 427 lijststemmen zijn toegekend.

De toebedeling gebeurt dus als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld De ranglijst wordt nadien opgesteld rekening houdend met de getallen in de laatste kolom.

Opmerking : Van de hierboven beschreven bijzondere hypothesen moet die worden onderscheiden welke zich voordoet wanneer alle kandidaten als verkozenen zonder strijd worden verklaard (artikel 28, eerste lid, van de gemeentekieswet), omdat het totaal aantal kandidaten van alle lijsten samen, dat voor het mandaat van gemeenteraadslid ter verkiezing is voorgedragen, overeenstemt met het aantal te begeven zetels.

In dat geval kan dat criterium - aangezien de verkozenen geen enkele stem hebben bekomen - niet dienen om hen onderling te rangschikken.

Voor zover de dienstouderdom geen beslissend criterium is, wordt de voorrang dan geregeld op basis van de volgorde die ze innemen op de lijst, indien zij op dezelfde lijst voorkomen, en in tegengesteld geval, volgens leeftijd waarbij de oudste de voorrang heeft.

IV. VERKIEZING VAN DE SCHEPENEN. 1. Onverenigbaarheid luidens artikel 72, eerste lid, 4°, van de nieuwe gemeentewet. Onder de verscheidene onverenigbaarheden vastgesteld bij de wet, vergt voornamelijk deze waarin is voorzien bij artikel 72, eerste lid, 4°, van de nieuwe gemeentewet een nadere uitleg.

Volgens deze bepaling kunnen noch burgemeester noch schepen zijn de agenten en beambten der fiscale besturen, in de gemeenten die tot hun werk- of ambtsgebied behoren, behoudens door de Koning toegestane afwijking.

Deze fiscale besturen zijn die welke instaan voor de grondslag, de omslag en de invordering van de belastingen en heffingen, of voor het beheer van het Staatsdomein, d.w.z. : - de Algemene Administratie van de belastingen; - de Administratie van de Bijzondere Belastingsinspectie; - de Administratie der Directe Belastingen; - de Administratie van de B.T.W., Registratie en Domeinen; - de Administratie van het Kadaster; - de Administratie der Douane en Accijnzen; - de Hypotheekbewaring. 2. Principes van de verkiezing. Artikel 15, § 1, gewijzigd bij de wet van 27 januari 1999, van de nieuwe gemeentewet, regelt de verkiezing in de tweede graad, van de schepenen door de gemeenteraad.

De principes betreffende deze verkiezing zijn de volgende : a) de schepenen worden door de raad verkozen onder de gemeenteraadsleden van Belgische nationaliteit (8);b) verkiezing op basis van een akte van voordracht, voor ieder mandaat van schepen, ingediend uiterlijk drie dagen vóór de vergadering van de raad tijdens dewelke de verkiezing van de schepenen plaats zal hebben; verbod meer dan één akte van voordracht te ondertekenen voor een zelfde mandaat van schepen; c) verkiezing op basis van een mondelinge voordracht indien de schriftelijk voorgedragen kandidaturen niet volstaan om het college volledig samen te stellen;d) geheime stemming en stemming bij absolute meerderheid, met evenveel afzonderlijke stemmingen als er schepenen te verkiezen zijn;e) toekenning van de rang van schepen in de volgorde van de stemming;f) verkiezing van de schepenen bij de installatie van de nieuwe gemeenteraad of binnen drie maanden na de vacature.3. Akten van voordracht. De akte van voordracht van een kandidaat-schepen moet gedateerd en ondertekend zijn door ten minste de meerderheid van de verkozenen van de lijst van de voorgedragen kandidaat (door één verkozene indien de lijst waarop de kandidaat-schepen voorkomt slechts twee verkozenen telt).

De akte moet duidelijk het mandaat vermelden voor de toekenning waarvan de kandidaat is voorgedragen.

De kandidatuur kan alleen in aanmerking worden genomen bij de verkiezing voor de aanwijzing van de titularis van het te begeven mandaat.

Het verbod meer dan één akte van voordracht te ondertekenen voor een zelfde mandaat moet worden verstaan als het verbod, voor ieder raadslid, om de schriftelijke kandidatuur van meer dan één persoon te steunen, tenzij een voorgedragen kandidaat overleden is of afstand heeft gedaan van zijn mandaat als gemeenteraadslid. 4. Indiening van de schriftelijke kandidaturen. Een model van schriftelijke akte van voordracht wordt bij deze omzendbrief gevoegd (bijlage 2).

Die schriftelijke akten van voordracht moeten worden neergelegd in handen van de voorzitter van de raad, bij voorkeur door bemiddeling van de gemeentesecretaris, tegen afgifte van een gedateerd en ondertekend ontvangstbewijs ten laatste drie dagen voor de vergadering tijdens dewelke de verkiezing van de schepenen zal plaatshebben.

Het indienen van de kandidatuur moet geschieden ten minste drie vrije dagen voor de bedoelde vergadering; geen enkele dag is uitgesloten voor de berekening van de periode. Als de vergadering bij voorbeeld moet plaatshebben op een maandag, dan dient de akte uiterlijk de donderdag ervoor om middernacht te worden ingediend.

Zodra de termijn verlopen is, worden de akten niet meer aanvaard. 5. Onderzoek van de ontvankelijkheid van de schriftelijke kandidaturen. De voorzitter moet, vooraleer er overgegaan wordt tot de stemming, de onontvankelijke schriftelijke akten van voordracht afwijzen en de kandidaten die geldig schriftelijk zijn voorgedragen, aanduiden. 1) Alvorens de ontvankelijkheid van de akten te onderzoeken, zoekt de voorzitter de handtekeningen op die vernietigd kunnen worden;als nietig moeten worden beschouwd : de handtekeningen van de verkozenen die verscheidene akten van voordracht voor een zelfde mandaat hebben ondertekend.

De voorzitter vernietigt het geheel van deze handtekeningen en daarvan wordt akte genomen in het proces-verbaal, dat aldus nauwkeurig elke vernietigde handtekening aangeeft. 2) De voorzitter onderzoekt vervolgens de eigenlijke ontvankelijkheid. Hij verklaart onontvankelijk : de schriftelijke akten van voordracht waarop het mandaat niet is vermeld waarvoor de kandidaat wordt voorgedragen, alsmede deze die niet zijn ondertekend door ten minste een meerderheid - d.w.z. de helft plus één of plus een half, naargelang de verkozenen van de lijst een paar of een onpaar aantal vormen, of één als de lijst slechts twee verkozenen omvat - van de in de hoedanigheid van gemeenteraadslid-titularis verkozenen van dezelfde kieslijst als de kandidaat en waarvan de verkiezing definitief is gevalideerd overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 74 en 77 van de gemeentekieswet.

De niet-ontvankelijk verklaarde voordracht wordt eveneens geacteerd in het proces-verbaal dat nauwkeurig elke akte van voordracht vermeldt die door de voorzitter onontvankelijk werd verklaard alsmede de verantwoording van die beslissing. 3) Na die bewerkingen te hebben uitgevoerd, brengt de voorzitter de namen van de geldig schriftelijk voorgedragen kandidaturen ter kennis van de raad, en kan de stemming plaatsvinden.6. De stemming en de stemmingsmodaliteiten. A. Stemming op akte van voordracht. a. De stembiljetten Op de stembiljetten worden de rang van het te begeven mandaat en de namen van de voorgedragen kandidaten geschreven, aangevuld met de mogelijke stemuitingen. Dergelijk stembiljet ziet er dan uit als volgt : - Bij meerdere voorgedragen kandidaten : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Het stembiljet kan dan als volgt ingevuld worden : - Als één van de voorgedragen kandidaten uw voorkeur heeft dan brengt U uw stem uit door een kruisje te plaatsen in het hokje dat naast diens naam is aangebracht. U kunt slechts voor één kandidaat stemmen. - Als U tegen alle voorgedragen kandidaten zijt dan brengt U uw stem uit door een kruisje te plaatsen in het hokje dat onder « neen » is aangebracht. - Als U geen enkele voor- noch afkeur hebt dan kunt U zich onthouden.

Dit gebeurt dan in de regel door een blanco-stembiljet in te dienen. - Bij één enkele voorgedragen kandidaat : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Het stembiljet kan dan als volgt ingevuld worden : - Als de voorgedragen kandidaat uw steun heeft dan brengt U uw stem uit door een kruisje te plaatsen in het vakje dat onder « ja » is aangebracht - Als U tegen die voorgedragen kandidaat bent dan brengt U uw stem uit door een kruisje te plaatsen in het vakje dat onder « neen » is aangebracht. - Als de voorgedragen kandidaat noch uw voorkeur noch uw afkeur geniet dan kan U zich onthouden. Dit gebeurt dan door een blanco-stembiljet in te dienen.

Bij het opmaken van het stembiljet, wanneer de keuze van de leden beperkt is tot één kandidaat, geldt eveneens de verplichting om achter de naam van de kandidaat twee stemvakjes te plaatsen, nl. een voor het uitbrengen van een ja-stem en een voor het uitbrengen van een neen-stem.

De Raad van State motiveert dit als volgt : « In verband met voordrachten en benoemingen tot ambten wordt sinds geruime tijd aangenomen dat de raadsleden die zich met geen enkele van de kandidaten kunnen verenigen dit moeten kunnen tot uiting brengen door een stem die even veel waard is als een pro-stem, met andere woorden door een neen-stem omdat het onaanvaardbaar zou zijn dat een kandidaat zou worden benoemd tegen de uitdrukkelijke wil van de meerderheid in; dat derhalve noch uit de letter noch uit de geest van artikel 2 van de oude gemeentewet (artikel 15 van de nieuwe gemeentewet) kan worden afgeleid dat een enige schriftelijke voorgedragen kandidaat noodzakelijkerwijze moet leiden tot de verkiezing van die ene kandidaat tot schepen » (9). b. De stemming - Wanneer een enkele kandidaat werd voorgedragen, geschiedt de stemming in één ronde.Deze stemming heeft plaats met volstrekte meerderheid in de zin van artikel 15 van de nieuwe gemeentewet.

Onder « meerderheid » of « volstrekte meerderheid » moet worden verstaan het aantal stemmen gelijk aan de helft van de geldige stemmen, met uitsluiting dus van blanco of ongeldige stemmen, vermeerderd met een eenheid of een halve eenheid, naargelang de geldige stemmen respectievelijk in paar of onpaar aantal zijn.

Als de kandidaat aan het einde van die stemming niet de meerderheid van de stemmen heeft behaald, wordt het mandaat niet toegekend. De Raad van State heeft geoordeeld dat, wanneer kandidaten regelmatig schriftelijk werden voorgedragen, de mogelijkheid om ter zitting nog mondeling voordrachten te doen uitgesloten is en dat, indien geen van die kandidaten de vereiste meerderheid verkrijgt, dan de procedure van schriftelijke voordrachten moet worden hervat (10). Indien bijvoorbeeld het mandaat van eerste schepen niet toegekend wordt, dan moet de verkiezing van alle schepenen uitgesteld worden tot de volgende zitting van de gemeenteraad; men kan inderdaad het mandaat van tweede schepen niet toekennen zolang het mandaat van eerste schepen niet werd toegewezen (art. 15, § 1, tweede alinea, van de nieuwe gemeentewet : « de rang van de schepenen wordt bepaald door de volgorde van de stemmingen. »). Indien geen schriftelijke voordracht wordt ingediend voor het betwiste mandaat, wordt er overgegaan tot een mondelinge voordracht tijdens de zitting zelf. - Indien verscheidene kandidaten schriftelijk voorgedragen werden voor een zelfde mandaat, moet verplicht een stemming worden gehouden die uitsluitend op deze kandidaturen betrekking heeft.

Indien geen enkele kandidaat na twee stemmingen de meerderheid heeft verkregen, geschiedt de herstemming over de twee kandidaten die de meeste stemmen hebben behaald; staken de stemmen bij herstemming, dan is de oudste in jaren verkozen.

B. Stemming over tijdens de vergadering mondeling voorgedragen kandidaturen.

Slechts in bijkomende orde kunnen kandidaturen mondeling voorgedragen worden tijdens de vergadering, met name wanneer voor een bepaald mandaat geen enkele akte van voordracht ingediend werd of ontvankelijk verklaard werd.

De kandidaturen die voor een bepaald mandaat op verzoek van de voorzitter mondeling zijn voorgedragen, worden aan geen enkele vormvereiste onderworpen; de gemeentesecretaris neemt er wel akte van in het proces-verbaal.

Voor het overige zijn de modaliteiten voor de indiening van de kandidaturen en de stemmingsmodaliteiten dezelfde als voor het geval van een verkiezing op basis van een schriftelijke voordracht.

Dit betekent onder meer dat de kandidaten moeten gesteund worden door een meerderheid van hen die op dezelfde lijst verkozen werden en dat niemand meer dan één voordracht mondeling kan steunen voor hetzelfde schepenambt.

C. Stemming buiten elke schriftelijke of mondelinge voordracht.

Deze procedure is slechts mogelijk als er geen enkele mondelinge kandidatuur werd voorgedragen of als de enige kandidaat die mondeling wordt voorgedragen, niet de meerderheid van de stemmen heeft verkregen.

In dit geval beschikt het gemeenteraadslid over een volledig vrije keuze en vermeldt hij op het stembiljet uitsluitend de naam van het raadslid aan wie hij zijn stem toekent. Deze stem wordt als geldig beschouwd.

D. Rechtstreekse verkiezing van de schepenen met toepassing van artikel 15, § 2, van de nieuwe gemeentewet, gewijzigd bij de wet van 27 januari 1999.

In de randgemeenten bedoeld in artikel 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 (dat wil zeggen Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel en Wezembeek-Oppem) en in de gemeenten Voeren en Komen-Waasten, worden de schepenen rechtstreeks door het college van de gemeenteraadskiezers gekozen overeenkomstig artikel 15, § 2, van de nieuwe gemeentewet.

De rang van deze schepenen wordt bepaald door de volgorde van de toewijzing van hun mandaat, zoals die blijkt uit het proces-verbaal van het hoofdbureau.

De artikelen 74 tot 77 van de gemeentekieswet zijn mutatis mutandis toepasselijk op de verkiezing van deze schepenen met dien verstande dat alleen de gekozen gemeenteraadsleden een bezwaar mogen indienen (Gemeentekieswet, artikel 77bis, § 1).

Wanneer zulkdanig geschil of enig ander geschil bedoeld in titel VI van de gemeentekieswet - artikelen 74 tot 85 - in verband met de verkiezing van de schepenen van de gemeenten Voeren en Komen-Waasten zich voordoet, dan oefent het college van Provinciegouverneurs bedoeld in artikel 131bis van de provinciewet de bevoegdheden uit die normaal aan de bestendige deputatie toekomen. (Gemeentekieswet, artikel 77bis, § 2).

E. Verkiezing van een schepen in geval van vacature.

Indien tussen twee vernieuwingen van de gemeenteraad moet worden voorzien in de vacature van een schepenambt, zijn de voormelde stemmingsmodaliteiten van toepassing.

Het is wel zo dat de nieuw verkozen schepen niet de rangorde krijgt van degene die hij vervangt, maar laatste in rang wordt (artikel 15, § 1, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet).

Op dezelfde manier, als een schepen tussen twee vernieuwingen van de gemeenteraad tot burgemeester benoemd wordt en nadien om de een of andere reden die hoedanigheid verliest, krijgt hij niet zijn vroegere hoedanigheid van schepen terug. Hij kan die slechts terugkrijgen als er een vacature zou ontstaan, in welk geval hij eveneens als laatste in rang zal worden verkozen.

F. De beëdiging.

De eed die voorzien is voor de schepen valt niet samen met de eed die afgelegd wordt als gemeenteraadslid. De eed van gemeenteraadslid dient afgelegd te worden op het ogenblik van de installatie als gemeenteraadslid; de eed van schepen kan slechts afgelegd worden na de verkiezing voor dit ambt.

Deze regel geldt eveneens in het geval van de rechtstreekse verkiezing van de schepenen; in dit geval wordt de eed van raadslid afgelegd bij de installatie in deze hoedanigheid en de eedaflegging in de hoedanigheid van schepen gebeurt slechts na de installatie van de volledige gemeenteraad.

V. VOORDRACHT VAN DE KANDIDATEN VOOR HET AMBT VAN BURGEMEESTER. Artikel 13, eerste lid, gewijzigd bij de wet van 27 januari 1999, regelt de voordracht van de kandidaten met het oog op de benoeming onder de verkozenen van Belgische nationaliteit voor de gemeenteraad. 1. Principes. - alle verkozenen van de gemeenteraad kunnen kandidaten voordragen; - de kandidaten moeten de Belgische nationaliteit hebben; - facultatief karakter van de voordracht van een kandidaat; - voordracht in schriftelijke vorm (akte) ondertekend door ten minste een meerderheid van hen die op dezelfde lijst werden verkozen als de voorgedragen kandidaat (als er slechts twee verkozenen op de lijst zijn, volstaat één handtekening); - indiening van de gedateerde akte van voordracht bij de provinciegouverneur; - verbod voor een raadslid om meer dan één akte van voordracht te ondertekenen; - mogelijkheid voor de Koning om een nieuwe voordracht te vragen. 2. Procedure. In principe kan de akte van voordracht slechts door de gouverneur bewilligd worden voor zover de gemeenteraad, naar gelang het geval, de kennisgeving bedoeld in artikel 76, eerste lid, van de gemeentekieswet heeft ontvangen, en, in geval van schorsend beroep bij de Raad van State, de kennisgeving bedoeld in artikel 77, eerste lid, van dezelfde wet (inhoud van deze artikelen - zie punt II.1).

Op iedere akte van voordracht mag slechts de naam van één enkele kandidaat vermeld worden.

Er kunnen verscheidene akten ingediend worden voor verschillende kandidaten voor hetzelfde ambt van burgemeester. Behalve de door de wet vastgestelde voorwaarde van ontvankelijkheid (handtekening van ten minste de meerderheid van de verkozenen van de lijst), kan de akte van voordracht ondertekend worden door raadsleden van andere lijsten. Dat is trouwens wenselijk om te bepalen of de voorgedragen kandidaat bovendien door de meerderheid van de raad gesteund wordt, ook al vereist de wet dit niet uitdrukkelijk.

Minderheidsvoordrachten zijn dus mogelijk. Dit is geen anomalie, maar een bewuste keuze van de wetgever ingevolge een amendement van toenmalig Commissievoorzitter G. TEMMERMAN (Parl. doc., Kamer van Volksvertegenwoordigers, 1986-1987, 639/6, p. 10).

Ondanks het hiervoor vermelde, is het mijn mening - en van mijn voorgangers - dat principieel een benoeming van een burgemeester op een meerderheid van de raadsleden moet berusten. Op het ogenblik dat de Minister het ontwerp van koninklijk besluit aan de Koning voorlegt moet hij derhalve voldoende elementen hebben die hem doen geloven dat er een meerderheid bestaat die expliciet of impliciet de burgemeestervoordracht steunt. Meestal is het ondertekenen van de voordracht daartoe het aangewezen middel; de gouverneur kan echter na een aantal consultaties bijkomende gegevens verstrekken.

Bij het voorleggen van het ontwerp van koninklijk besluit moet de Minister de nodige zorgvuldigheid in acht nemen (R.v.St., 26 juni 1984, nr. 24.496, arrest Dewalque), wat o.a. inhoudt dat bijkomende informatie over het wel of niet solide karakter van een meerderheid zeer vlug aan de Minister dient gemeld te worden.

Artikel 13, eerste lid, bepaalt wel dat, om ontvankelijk te zijn, een voordracht moet worden ondertekend door de meerderheid van de verkozenen op de lijst van de voorgedragen kandidaat. Op een voordracht die niet is ondertekend door de meerderheid van de verkozenen van de lijst kan dus niet worden ingegaan. Vermits een voordracht slechts facultatief is (zie punt 1), zou theoretisch, zonder verwijzing naar de voordracht, toch tot de benoeming van de kandidaat kunnen worden overgegaan. Toch heeft de wetgever duidelijk gesteld te willen verhinderen dat iemand die werd verkozen op een bepaalde lijst, burgemeester wordt door zich van deze lijst te desolidariseren. Het ligt dan ook niet in mijn bedoeling een ontwerp van besluit aan het Staatshoofd voor te leggen waarbij een kandidaat in die voorwaarden tot burgemeester wordt voorgedragen.

Tevens voorziet deze bepaling dat niemand meer dan één akte van voordracht kan ondertekenen voor dezelfde benoeming. Zonder dat de wet het uitdrukkelijk voorziet, acht ik het behorende tot mijn discretionaire beleidsvrijheid om principieel te weigeren om voorstellen tot benoeming van kandidaten die twee voordrachten getekend hebben aan het Staatshoofd voor te leggen. De burgemeester moet een figuur van vertrouwen zijn. Wie tweemaal een voordracht tekent komt hieraan tekort.

Wanneer twee of meerdere voordrachten worden voorgelegd, ten gunste van verschillende kandidaat-burgemeesters, waarbij een aantal dubbele handtekeningen voorkomen, is het mijn bedoeling aan het Staatshoofd een ontwerp van besluit voor te leggen waarbij een nieuwe voordracht wordt gevraagd. Artikel 13, eerste lid, stelt inderdaad dat de Koning ten allen tijde om een nieuwe voordracht kan verzoeken.

Dit betekent niet dat de raadsleden die twee voordrachtsakten (de akten welke geweerd werden) ondertekend zouden hebben, geen nieuwe voordracht, gevraagd bij koninklijk besluit, mogen steunen. Als blijkt dat de meerderheid in de gemeenteraad hecht is en diegene die dubbel tekent zelf geen kandidaat-burgemeester is, kan tot een benoeming worden overgegaan. Zonodig zullen de schepenverkiezingen hierover duidelijkheid brengen (cfr. antwoord op de parlementaire vraag nr. 233 van de heer Cortois, d.d. 10 maart 1989).

Op de akte van voordracht komen voor, behalve de naam van de voorgedragen kandidaat : 1) de namen van alle verkozenen in de hoedanigheid van titularis, waarvan de verkiezing werd gevalideerd overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 74 tot 77 van de gemeentekieswet;de gemeentesecretaris houdt de lijst van die namen ter beschikking van alle verkozenen; de verkozenen waarvan de verkiezing gevalideerd is, worden op de voordrachtsakte gegroepeerd per lijst; 2) de namen van de evengenoemde verkozenen die de kandidatuur steunen, ongeacht de lijst waartoe ze behoren, met afzonderlijke groepering, in voorkomend geval, van de lijstgenoten van de kandidaat;3) de handtekening van de verkozenen vermeld onder 2) tegenover hun naam : zoals hiervoor reeds gezegd, dient de akte, om ontvankelijk te zijn, ondertekend te zijn door een meerderheid van de verkozenen van de lijst van de voorgedragen kandidaat. Die verschillende vermeldingen moeten het mogelijk maken vast te stellen dat aan de voorwaarde inzake ontvankelijkheid bepaald bij artikel 13, eerste lid, van de gemeentewet, werkelijk voldaan is.

Een model van akte van voordracht van kandidaat-burgemeester conform deze voorschriften is bij deze omzendbrief gevoegd (bijlage 1). De akte van voordracht moet vergezeld gaan van de volgende documenten : - een getuigschrift van inschrijving in de bevolkingsregisters en van de Belgische nationaliteit m.b.t. de voorgedragen kandidaat; - een bewijs van goed zedelijk gedrag bestemd voor de administratieve overheden.

De gemeentesecretaris houdt alle informaties die in die akte moeten voorkomen, ter beschikking van de betrokken verkozenen.

De akten van voordracht worden aan de gouverneur of de speciaal door hem afgevaardigde ambtenaar ter hand gesteld, tegen afgifte van een gedateerd en ondertekend ontvangstbewijs. 3. Adviezen Bij de inontvangstneming van de akte : - controleert de gouverneur de ontvankelijkheid ervan en vergewist hij zich ervan dat de voorgedragen kandidaat niet onder één van de gevallen van onverenigbaarheid valt, bedoeld in de artikelen 71 en 72 van de nieuwe gemeentewet.Als de kandidaat leraar is, gaat de gouverneur na of de betrokkene niet tot het personeel van een onderwijsinrichting behoort waarvan de gemeente de inrichtende macht is; - wint de gouverneur het advies in van de Procureur-generaal bij het Hof van beroep in het rechtsgebied waarvan de gemeente zich bevindt.

In dit advies moet met name vermeld worden of er een informatie- of onderzoeksprocedure of gerechtelijke vervolgingen ten laste van de voorgedragen kandidaat bestaan.

Nadat hij deze controles gedaan heeft en na ontvangst van het advies van de Procureur-generaal, brengt de Gouverneur een omstandig advies uit over de geschiktheid van de kandidaat om het ambt van burgemeester te vervullen.

Het advies mag niet beperkt worden tot de voorwaarden van ontvankelijkheid van de voordracht (ondertekening ten minste door een meerderheid van de raadsleden verkozen op dezelfde lijst als de voorgedragen kandidaat) en de vermelding van een eventuele onverenigbaarheid, maar moet ook de mening van de gouverneur weergeven over het feit of de kandidaat de bekwaamheden en de morele kwaliteiten bezit die nodig zijn voor het beheer van de gemeentezaken.

Bij dit onderzoek moet ook worden verwezen naar artikel 82 van de nieuwe gemeentewet. Dit artikel opent immers de mogelijkheid van tuchtsancties t.o.v. burgemeesters, ingeval van kennelijk wangedrag of grove nalatigheid. Zonder deze begrippen nader te omschrijven geeft artikel 82 in elk geval aan dat bepaalde daden of houdingen niet verenigbaar worden geacht met het ambt van burgemeester. De elementen die bij de beoordeling aan bod komen, dienen derhalve verband te houden met het uit te oefenen ambt van burgemeester. Alzo moet een strafrechtelijke veroordeling voor een overtreding die op generlei wijze een goed en efficiënt bestuur van de gemeente in het gedrang kan brengen, geen aanleiding geven tot een negatief advies (bijv. verkeersovertreding zonder samenhangend misdrijf). Anderzijds wanneer bijvoorbeeld onbetwistbaar vaststaat (hetzij gezien het gerechtelijk verleden van de kandidaat, hetzij gezien bepaalde vervolgingen, hetzij gezien zijn vroeger optreden als hoofd van de politie) dat hij niet het morele gezag heeft om de gemeente te leiden, dient er in het advies rekening mee te worden gehouden.

Samenvattend gaat het niet om een moraliteitsverslag, maar om een evaluatie van de mogelijkheid om tot een correcte ambtsuitoefening te komen, gebaseerd op verifieerbare gegevens.

Bijzondere problemen rijzen wanneer één van de kandidaten niet als aanvaardbaar wordt beschouwd. In dat geval kan overeenkomstig de rechtspraak van de Raad van State enkel bij koninklijk besluit een nieuwe voordracht gevraagd worden (R.v.St., 16 april 1991, nr. 38817, arrest Roelens).

Wanneer een gerechtelijke vervolging hangende is, zal de beoordeling bijzonder delicaat zijn. Klachten die om politieke redenen worden ingediend zijn niet altijd te onderscheiden van gefundeerde klachten die misdrijven aan het licht kunnen brengen. Wanneer het advies van de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep te weinig preciseringen geeft omtrent de ten laste gelegde feiten of omtrent de ernst van de klacht dient de provinciegouverneur bijkomende inlichtingen aan het Parket te vragen.

Als er meerdere kandidaturen zijn, geeft de Gouverneur aan om welke redenen een bepaalde kandidaat volgens hem de voorkeur moet krijgen.

Voor de goede informatie van de Minister van Binnenlandse Zaken en alvorens de nodige adviezen en informatie te hebben ingewonnen, deelt de Gouverneur de kandidaturen aan de Minister mede zodra hij enige akte van voordracht in ontvangst heeft genomen.

Ik verzoek de provinciegouverneurs de bedoelde voordrachten voor het ambt van burgemeester te doen geworden aan de Algemene Directie van de Wetgeving en de Nationale Instellingen, Koningsstraat 66, te 1000 Brussel.

Bijkomende informatie en dringende mededelingen kunnen per fax gestuurd worden op het reeds vermelde nummer 02/500.23.02.

De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE

VI. Inhoudstafel I. Validatie van de verkiezingen door de bestendige deputatie. 1. Algemeen principe 2.Gewone bezwaren 3. Bijzonder bezwaar 4.Beroep bij de Raad van State tegen de beslissing van de bestendige deputatie II. Installatie van de gemeenteraadsleden 1. Installatievergadering 2.Beëdiging A. Eedformule B. Modaliteiten 3. Stilzwijgende of uitdrukkelijke afstand 4.Onverenigbaarheden III. Rangorde van de gemeenteraadsleden 1. Principes 2.Dienstouderdom 3. Aantal bekomen stemmen 4.Bijzondere gevallen 5. Voorbeeld IV.Verkiezing van de schepenen 1. Onverenigbaarheid luidens artikel 72, eerste lid, 4°, van de nieuwe gemeentewet 2.Principes van de verkiezing 3. Akten van voordracht 4.Indiening van de schriftelijke kandidaturen 5. Onderzoek van de ontvankelijkheid van de schriftelijke kandidaturen 6.De stemming en de stemmingsmodaliteiten A. Stemming op akte van voordracht a. De stembiljetten b.De stemming B. Stemming over tijdens de vergadering mondeling voorgedragen kandidaturen C.Stemming buiten elke schriftelijke of mondelinge voordracht D. Rechtstreekse verkiezing van de schepenen met toepassing van artikel 15, § 2, van de nieuwe gemeentewet, gewijzigd bij de wet van 27 januari 1999 E. Verkiezing van een schepen in geval van vacature F. De beëdiging V. Voordracht van de kandidaten voor het ambt van burgemeester 1. Principes 2.Procedure 3. Adviezen VI.Inhoudstafel.

Nota's (1) of de secretaris van het college vermeld bij artikel 83 quinquies, § 2, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, voor de 19 gemeenten van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.(2) Artikel 12, § 1.Met de straffen gesteld in artikel 181 van het Kieswetboek wordt gestraft : 1° een ieder die geen aangifte van zijn verkiezingsuitgaven heeft gedaan binnen de termijn bepaald in artikel 11, § 5, van de provinciekieswet, in artikel 23 [en artikel 97] van de gemeentekieswet en in artikel 2, § 3, van het koninklijk besluit van 26 augustus 1988 tot vaststelling van de nadere regels voor de verkiezing van de raad voor maatschappelijk welzijn in de gemeenten bedoeld bij artikel 7 van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en in de gemeenten Komen-Waasten en Voeren;2° een ieder die voor kiespropaganda wetens en willens uitgaven doet of verbintenissen aangaat die de maximumbedragen overschrijden waarin is voorzien bij artikel 3, § 2;3° een ieder die tijdens de drie maanden die aan de datum van de verkiezingen voorafgaan, de bepalingen van artikel 7 niet naleeft;4° de lijstaanvoerder van de provincielijst, de gemeentelijst, districtsraadslijst of de lijst voor de raad voor maatschappelijk welzijn die wetens en willens uitgaven doet of verbintenissen aangaat voor verkiezingspropaganda die de maximumbedragen overschrijden waarin is voorzien bij artikel 3, § 1; 5°de lijstaanvoerder die niet beschikt over een nationaal lijstnummer en een beschermd letterwoord, en die uitgaven verricht voor verkiezingspropaganda op nationaal vlak. (3) In de hierna volgende tekst zijn de bepalingen betreffende de eedaflegging van de gemeenteraadsleden, eveneens van toepassing op de eedaflegging van de vertrouwenspersonen (art.12bis van de nieuwe gemeentewet : « Het raadslid dat wegens een handicap niet zelfstandig zijn mandaat kan vervullen, kan zich voor de uitoefening van dit mandaat laten bijstaan door een vertrouwenspersoon ..... »). (4) Indien de vergadering gepland is op dinsdag 16 januari 2001 bijvoorbeeld, dan moet de uitnodiging voor de vergadering per aangetekend schrijven verstuurd worden of afgegeven worden op maandag 8 januari 2001.(5) De uiteenzetting van de zaak door een lid van de bestendige deputatie en de uitspraak van de beslissing geschieden in openbare vergadering.De beslissing is met redenen omkleed en vermeldt de naam van de verslaggever en de namen van de aanwezige leden, alles op straffe van nietigheid. (6) Een wetsvoorstel van Mevr.Leduc, tot wijziging van artikel 73 van de nieuwe gemeentewet, goedgekeurd door de Senaat en door de Kamer van Volksvertegenwoordigers, die normalerwijze van toepassing zal zijn op de op 8 oktober 2000 verkozen raadsleden, beperkt het verbod om samen zitting te nemen tot de tweede graad voor de raadsleden die bloed- of aanverwant zijn, en tot de derde graad voor de leden van het college van burgemeester en schepenen die bloed- of aanverwant zijn. (7) Wet van 26 juni 2000 tot beperking met de helft van de devolutieve kracht van de lijststemmen en tot afschaffing van het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers voor de verkiezing van de provincie- en gemeenteraden en het Europese Parlement (Belgisch Staatsblad van 14 juli 2000).(8) Bij overgangsmaatregel tot op de dag die de tweede zondag van oktober 2006 voorafgaat. (9) R.v.St., arrest Louwyck, nr. 38.488 van 14 januari 1992. (10) R.v.St., arrest Gemeente Wingene, nr. 39.922 van 29 juni 1992;

R.v.St. arrest Louwyck, nr. 45.392 van 23 december 1993, T.B.P., 1994 blz. 434.

Bijlagen Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld

^