Omzendbrief van 26 september 2008
gepubliceerd op 31 oktober 2008
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Omzendbrief inzake de invoering van een multidisciplinaire samenwerking met betrekking tot de slachtoffers van mensenhandel en/of van bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel

bron
fod binnenlandse zaken, fod justitie, fod werkgelegenheid, arbeid en sociaal overleg, fod buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking, fod sociale zekerheid en fod financien
numac
2008009871
pub.
31/10/2008
prom.
26/09/2008
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

FOD BINNENLANDSE ZAKEN, FOD JUSTITIE, FOD WERKGELEGENHEID, ARBEID EN SOCIAAL OVERLEG, FOD BUITENLANDSE ZAKEN, BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING, FOD SOCIALE ZEKERHEID EN FOD FINANCIEN


26 SEPTEMBER 2008. - Omzendbrief inzake de invoering van een multidisciplinaire samenwerking met betrekking tot de slachtoffers van mensenhandel en/of van bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel


Inhoudstafel I. Inleiding.

II. Wie zijn de door de omzendbrief bedoelde slachtoffers ? II.a) De slachtoffers van mensenhandel.

II.b) De slachtoffers van bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel.

III. Hoe moet men reageren op een persoon die als een slachtoffer zou kunnen beschouwd worden ? III.a) Algemene informatie III.b) Hoe moet een slachtoffer worden gedetecteerd ? III.c) Welke maatregelen moeten worden genomen ? III.d) Welke maatregelen moeten worden genomen wanneer een persoon of meerdere personen betrokken is/zijn bij de organisatie van het netwerk of bij de exploitatie van mensenhandel ? IV. Waarom moet het slachtoffer begeleid worden door een gespecialiseerd onthaalcentrum ? V. Wat zijn de verschillende aspecten van de begeleiding door het gespecialiseerd onthaalcentrum ? V.a) Onthaal en residentiële of ambulante begeleiding.

V.b) Psycho-sociale en medische hulp, administratieve begeleiding en juridische bijstand.

VI. Hoe verloopt de aanvang van de procedure ? VI.a) 1ste fase (de reflectieperiode) : afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten met een termijn van 45 dagen.

VI.b) 2de fase : afgifte van het attest van immatriculatie.

VII. Hoe wordt het voorlopig statuut van slachtoffer van mensenhandel en/of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel toegekend ? VIII. Waarom wordt een identiteitsdocument gevraagd ? De voorlegging van het paspoort biedt de volgende voordelen voor het slachtoffer.

IX. Hoe wordt de procedure afgesloten ? IX.a) Afgifte van een verblijfstitel van onbepaalde duur.

IX.b) Terugkeer.

IX.c) Stopzetten van de procedure.

X. Specifieke gevallen X.a) De slachtoffers van mensenhandel in dienst van diplomatiek personeel.

X.b) De niet-begeleide minderjarige vreemdelingen slachtoffers.

X.b).1. Specifieke maatregelen inzake het detecteren.

X.b).2. Specifieke maatregelen inzake het signalement en de identificatie van het slachtoffer als NBMV. X.b) 3. Specifieke maatregelen inzake opvang en vertegenwoordiging.

X.b) 4. Specifieke maatregelen die in het kader van de procedure op de NBMV's worden toegepast.

Samenwerking met de verschillende bevoegde overheden.

Specifieke kenmerken van de procedure.

Toegang tot onderwijs en sociale steun.

Terugkeer.

Stopzetting van de procedure.

XI. Evaluatie van de omzendbrief.

XII. Rol en bevoegdheden van bepaalde diensten.

Rol van de Cel Mensenhandel van de Dienst Vreemdelingenzaken.

Rol van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding.

Rol van de gespecialiseerde onthaalcentra 1) Psycho-sociale en medische hulp 2) Administratieve begeleiding 3) Juridische bijstand Rol van de magistraat van het Openbaar Ministerie. Omzendbrief inzake de invoering van een multidisciplinaire samenwerking met betrekking tot de slachtoffers van mensenhandel en/of van bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel.

I. Inleiding. 1. De huidige omzendbrief vervangt : - de omzendbrief van 1 juli 1994 betreffende de afgifte van verblijfs- en arbeidsvergunningen (arbeidskaarten) aan vreemdelingen, slachtoffers van mensenhandel (BS van 7 juli 1994); - de richtlijnen van 13 januari 1997 aan de Dienst Vreemdelingenzaken, parketten, politiediensten, inspectie van de sociale wetten en de sociale inspectie omtrent de bijstand aan de slachtoffers van mensenhandel (B.S. 21 februari 1997), gewijzigd door de richtlijnen van 17 april 2003 (B.S. van 27 mei 2003). 2. De doelstellingen van deze omzendbrief zijn de volgende : 1) Het bepalen van de manier waarop de potentiële slachtoffers van mensensmokkel en mensenhandel, zodra ze gedetecteerd worden, ten laste worden genomen en begeleid worden, evenals de modaliteiten die gerespecteerd moeten worden opdat ze het statuut van slachtoffer kunnen bekomen.Het gaat er dus om de samenwerking tussen de verschillende partijen - politie - en inspectieoverheden, Dienst Vreemdelingenzaken, onthaalcentra, magistraten van het Openbaar Ministerie - te organiseren, met het oog op het aanwenden van het beschermend statuut van slachtoffer van mensenhandel of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel, voorzien in de artikelen 61/2 tot 61/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen(1) en de artikelen 110bis en 110ter van zijn uitvoeringsbesluit(2).

Deze doelstelling wordt verwezenlijkt door : - het toelichten van de rol van elk der bevoegde overheden, van elke betrokken dienst en van de gespecialiseerde onthaalcentra die tussenbeide komen in het kader van de mensenhandel en bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel; - het herinneren aan bepaalde wettelijke verplichtingen van de verschillende interventiediensten; - het sensibiliseren van de eerstelijnsactoren met betrekking tot de specifieke maatregelen die moeten worden toegepast op de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen (hierna N.B.M.V. genoemd : zie punt X voor definitie) en met betrekking tot het feit dat het belangrijk is dat er rekening wordt gehouden met de kwetsbaarheid van de minderjarige; - het herinneren aan de humanitaire rol van de gespecialiseerde onthaalcentra ten opzichte van de vermoedelijke slachtoffers(3). 2) Het aanpassen, in het administratief rapport in verband met controles van vreemde onderdanen dat werd ingevoerd door de ministeriële omzendbrief van 27 januari 1998(4), van de rubriek inzake de mensenhandel, opdat die rubriek betrekking heeft op de situaties van de slachtoffers van bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel.3. Context. De strijd tegen de mensenhandel en de mensensmokkel maakt deel uit van het nationaal veiligheidsplan. De omzendbrief COL 1/2007 van het College van Procureurs-generaal van 17 januari 2007 maakt trouwens integraal deel uit van het beleid inzake de strijd tegen de mensenhandel voor de magistraten van het Openbaar Ministerie. 4. Het Belgisch beleid is gericht op : 1) het helpen van de slachtoffers van mensenhandel en/of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel;2) het versterken van de mogelijkheden om tegen de daders of mededaders van mensenhandel en/of mensensmokkel te strijden. Het beleid inzake hulp aan de slachtoffers is net zo goed gericht op de hulp en de begeleiding in België als op de begeleiding bij de terugkeer naar het land van herkomst of het derde land waar het slachtoffer mag verblijven.

De efficiëntie van de acties in het kader van de strijd tegen de mensenhandel en mensensmokkel is nauw verbonden met de invoering van een multidisciplinaire samenwerking tussen de politie- en inspectiediensten, de parketten en de arbeidsauditoraten, de gespecialiseerde onthaalcentra, de Administratie der Douane en Accijnzen en de Dienst Vreemdelingenzaken.

Voor deze multidisciplinaire samenwerking is een permanente bewustmaking van de eerstelijnsactoren van wezenlijk belang. Een permanente opleiding voor elke actor waarborgt een betere opsporing van meer mogelijke potentiële slachtoffers.

Aan de slachtoffers wordt een reflectieperiode toegekend, zodat ze tot rust kunnen komen en zich kunnen onttrekken aan de invloed van de vermoedelijke daders en met kennis van zaken kunnen beslissen of ze al dan niet met de bevoegde overheden willen samenwerken. Deze eerste fase komt overeen met de afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten, met een duur van vijfenveertig dagen voor de slachtoffers die minstens achttien jaar oud zijn. De tweede fase komt overeen met de afgifte van een attest van immatriculatie. Deze twee fases worden onder punt VI uiteengezet.

Dit impliceert dat een aangepaste omkadering en begeleiding moeten worden voorzien voor de slachtoffers van mensenhandel en/of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel, meer bepaald tijdens de reflectieperiode.

Met het oog op een efficiënte strijd tegen de daders en mededaders van mensenhandel en/of mensensmokkel wordt een samenwerking met de gerechtelijke overheden gevraagd, in de vorm van een verklaring of een klacht tegen de vermoedelijke daders. Met deze medewerking van het slachtoffer wordt de tweede fase afgesloten.

Om het statuut van slachtoffer van mensenhandel en/of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel te kunnen bekomen, moeten drie cumulatieve voorwaarden vervuld worden : - het verbreken van de contacten met de vermoedelijke daders; - de verplichte begeleiding door een gespecialiseerd onthaalcentrum dat erkend wordt door de bevoegde overheden; - de samenwerking met de gerechtelijke overheden, door verklaringen af te leggen of een klacht in te dienen. Het afleggen van verklaringen moet hierbij ruim geïnterpreteerd worden, dit kan bijvoorbeeld ook het geven van informatie door het slachtoffer inhouden.

Indien het vermoedelijk slachtoffer een N.B.M.V. (5) is moeten deze drie voorwaarden, in het hoger belang van het kind en rekening houdend met zijn bijzondere kwetsbaarheid, met de nodige soepelheid onderzocht worden.

De procedure wordt ingevoerd om de slachtoffers in staat te stellen om, in het kader van een gerechtelijke procedure tegen de vermoedelijke daders, tijdelijk of voor een onbepaalde duur in België te verblijven (het gaat dan om een wettelijk verblijf), en om de mogelijkheden van een grondig gerechtelijk onderzoek te voeren te versterken.

Het statuut van slachtoffer van mensenhandel kan zowel aan onderdanen van derde landen als aan burgers van de Unie (6) worden toegekend. Het statuut van slachtoffer van bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel kan worden toegekend aan de onderdanen van derde landen.

De huidige omzendbrief is enkel van toepassing op de slachtoffers van mensenhandel en bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel. Hij is niet van toepassing op de slachtoffers van huisjesmelkers, die niet het voorwerp uitmaken van voornoemde wet van 15 december 1980.

De huidige omzendbrief wijzigt het administratief verslag in verband met de controles van vreemde onderdanen, dat door de politiediensten moet worden toegezonden (ingevoerd door de ministeriële omzendbrief van 27 januari 1998). Het betreft de aanpassing van de rubriek mensenhandel aan de nieuwe wetgeving die ook de slachtoffers van bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel viseert.

II. Wie zijn de door de omzendbrief bedoelde slachtoffers ? II. a) De slachtoffers van mensenhandel.

Artikel 433quinquies van het Strafwetboek definieert de mensenhandel als de werving, het vervoer, de overbrenging, de huisvesting, de opvang van een persoon, de wisseling of de overdracht van de controle over hem, om deze persoon te kunnen exploiteren.

De exploitatie van de betrokken persoon omvat de volgende zaken : - de seksuele exploitatie van meerderjarige en minderjarige personen, zoals bedoeld in de artikelen 379 (bederf en/of prostitutie van een minderjarige), 380, § 1 en § 4 (ontucht en/of prostitutie), en 383bis, § 1 (kinderporno) van het Strafwetboek; - de exploitatie van de bedelarij, zoals bedoeld in artikel 433ter van het Strafwetboek; - de economische exploitatie via het werk. In dit geval wordt niet het zwartwerk bedoeld, maar wel het aan het werk zetten of laten zetten in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waardigheid; - het illegaal wegnemen of laten wegnemen van organen of weefsels, in strijd met de wet van 13 juni 1986 betreffende het wegnemen en transplanteren van organen; - een persoon tegen zijn wil een misdaad of een wanbedrijf doen plegen.

II. b) De slachtoffers van bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel.

Het slachtoffer van bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel(7) kan van de huidige reglementering genieten.

De zwaardere vormen van mensensmokkel zijn : De vormen die bedoeld worden in artikel 77quater 1° (enkel wat het statuut van de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen betreft(8)) tot 5°, inzake het misdrijf van mensensmokkel in de zin van artikel 77bis, namelijk : 1° ingeval het misdrijf is gepleegd ten opzichte van een N.B.M.V.; 2° ingeval het is gepleegd door misbruik te maken van de bijzonder kwetsbare situatie waarin een persoon verkeert ten gevolge van zijn onwettige of precaire administratieve toestand, zijn precaire sociale toestand of ten gevolge van zwangerschap, ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid, zodanig dat de betrokken persoon in feite geen andere echte en aanvaardbare keuze heeft dan zich te laten misbruiken;3° ingeval het is gepleegd door direct of indirect gebruik te maken van listige kunstgrepen, geweld, bedreigingen of enige vorm van dwang;4° ingeval het leven van het slachtoffer opzettelijk of door grove nalatigheid in gevaar is gebracht;5° ingeval het misdrijf een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een blijvende fysieke of psychische ongeschiktheid, hetzij het volledig verlies van een orgaan of van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking heeft veroorzaakt; De huidige omzendbrief is bijgevolg ook van toepassing op twee bijkomende categorieën van slachtoffers : 1) de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen, slachtoffers van mensenhandel of slachtoffers van mensensmokkel in de omstandigheden bedoeld in artikel 77quater, 1° tot 5°;2) de slachtoffers van mensenhandel of mensensmokkel, in de omstandigheden bedoeld in artikel 77quater, 2° tot 5°. De huidige omzendbrief is niet van toepassing op de slachtoffers van huisjesmelkers.

III. Hoe moet men reageren op een persoon die als slachtoffer zou kunnen beschouwd worden ? III. a) Algemene informatie.

Zodra iemand op basis van aanwijzingen als een vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel zou kunnen worden beschouwd, moet deze persoon op de hoogte gebracht worden van de procedure met betrekking tot zijn statuut door de medewerkers van de politiediensten in eerste lijn en de sociale inspectiediensten maar ook door elke andere dienst die in contact komt met potentiële slachtoffers(9), zoals de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. In dit kader wordt een brochure overhandigd aan het slachtoffer.

U vindt deze informatiebrochure op de site van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding (www.diversite.be), evenals op de site van de Dienst Vreemdelingenzaken (www.dofi.fgov.be), de site van de Federale politie (www.polfed-fedpol.be) en de site van het Documentatiecentrum van de Federale Politie - DSED (www.poldoc.be

De informatiebrochure bevat ook de gegevens van de drie gespecialiseerde onthaalcentra waarvan de gegevens onder punt III. c) 2) hernomen worden. Naast de politie- en inspectiediensten, de sociale diensten, de magistraat van het Openbaar Ministerie en de ambtenaren van de douane en accijnzen kan het slachtoffer doorverwezen worden naar een gespecialiseerd onthaalcentrum.

III. b) Hoe moet een slachtoffer worden gedetecteerd ? Een potentieel slachtoffer wordt gedetecteerd door de verklaringen die hij in die zin aflegt en/of de vaststelling van aanwijzingen die erop wijzen dat zijn situatie overeenstemt met die van de mensenhandel of de gevallen van mensensmokkel die door de wet in overweging worden genomen.

De onderschepte persoon moet niet onmiddellijk verklaringen afleggen om als slachtoffer te kunnen worden beschouwd. De vaststelling van aanwijzingen volstaat.

Om het bestaan van aanwijzingen van mensenshandel te beoordelen, maken de politie- en inspectiediensten gebruik van de indicatorenlijst in bijlage 2 van de omzendbrief COL 01/2007 over het opsporings- en vervolgingsbeleid betreffende mensenhandel.

Wat de mensensmokkel betreft, zal een ministeriële omzendbrief, die specifiek betrekking heeft op de smokkel, deze indicatoren bepalen. In dit geval wordt naar deze omzendbrief verwezen.

Het komt vaak voor dat slachtoffers zichzelf niet als slachtoffer beschouwen omdat ze vinden dat de omstandigheden waarin ze uitgebuit worden en hun loon beter zijn dan hetgeen ze zouden kunnen verkrijgen in hun land van herkomst. De Belgische wetgever heeft echter geoordeeld dat de situatie van de slachtoffers moet onderzocht worden in functie van onze criteria die van toepassing zijn op de arbeidsomstandigheden, en niet in functie van de criteria in het land van herkomst van het slachtoffer. Zelfs als iemand zich niet als slachtoffer beschouwt, betekent dit dus niet dat hij geen potentieel slachtoffer is dat door de huidige omzendbrief bedoeld wordt.

Het feit dat een onderzoeksrechter het dossier behandelt heeft geen gevolgen voor de identificatie van een potentieel slachtoffer en de gevolgen daarvan.

III. c) Welke maatregelen moeten worden genomen ? Indien de politie- of inspectiedienst een slachtoffer van mensenhandel of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel detecteert, voert hij gelijktijdig de volgende taken uit : 1) de magistraat van het Openbaar Ministerie informeren. 2) één van de hieronder vermelde gespecialiseerde opvangcentra contacteren (24 u./24 u.) : - PAG-ASA : Cellebroersstraat, 16, 1000 Brussel, tel. : 02/ 511 64 64, fax : 02/511 58 68, e-mail : info@pag-asa.be; - Sürya : Rue Rouveroy, 2, 4000 Liège, tel. : 04/232 40 30, fax : 04/232 40 39, e-mail : info@asblsurya.be; - Payoke : Leguit, 4, 2000 Antwerpen, tel. : 03/ 201 16 90, fax : 03/ 233 23 24, admin@payoke.be. 3) De Dienst Vreemdelingenzaken op de hoogte brengen van dit initiatief door het opsturen van het controleverslag van een vreemdeling wiens situatie illegaal of onregelmatig is.De voor dit doel voorziene rubriek « mensenhandel en bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel » in dit verslag moet behoorlijk worden ingevuld (zie bijlage 1 voor een exemplaar van dit verslag).

Het nummer van het proces-verbaal zal ook zo snel mogelijk worden doorgegeven aan de Cel Mensenhandel van de Dienst Vreemdelingenzaken, het gespecialiseerd onthaalcentrum en de magistraat van het Openbaar Ministerie.

Wanneer er in hoofde van het onthaalcentrum twijfel bestaat over de hoedanigheid van slachtoffer van de persoon zal het onthaalcentrum contact opnemen met de magistraat van het Openbaar Ministerie, om zo te bepalen of de persoon al dan niet als slachtoffer kan worden beschouwd.

Indien de magistraat van het Openbaar Ministerie in dit stadium van mening is dat hij er voldoende zeker van is dat de persoon geen slachtoffer van mensenhandel of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel is, brengt hij het gespecialiseerd onthaalcentrum en de Dienst Vreemdelingenzaken hiervan onmiddellijk op de hoogte.

III. d) Welke maatregelen moeten worden genomen wanneer een persoon of meerdere personen betrokken is/zijn bij de organisatie van het netwerk of bij de exploitatie van mensenhandel ? Indien er aanwijzingen zijn dat een aangetroffen persoon of meerdere aangetroffen personen als dader of mededader betrokken is/zijn bij de organisatie van het netwerk of bij de exploitatie van mensenhandel zijn deze personen geen slachtoffers. Ze worden dus niet in contact gebracht met de gespecialiseerde onthaalcentra.

In dat geval contacteert de politie- en inspectiedienst de magistraat van het Openbaar Ministerie.

IV. Waarom moet het slachtoffer begeleid worden door een gespecialiseerd onthaalcentrum ? Krachtens artikel 61/2, § 2 van de wet van 15 december 1980 moet elk slachtoffer begeleid worden door een gespecialiseerd onthaalcentrum.

De gespecialiseerde onthaalcentra zijn : de VZW Pag-asa, de VZW Payoke en de VZW Sürya.

Deze centra zijn bevoegd om een aanvraag voor de afgifte van een verblijfsdocument in te dienen bij de Cel Mensenhandel van de Dienst Vreemdelingenzaken.

Het gespecialiseerde onthaalcentrum zorgt voor een gedetailleerde uitleg over de procedure voor het bekomen van het statuut van slachtoffer van mensenhandel en/of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel en over de missies van het onthaalcentrum, zodat het slachtoffer met kennis van zaken kan beslissen of hij al dan niet verklaringen wenst af te leggen of een klacht wenst in te dienen.

Het is belangrijk dat het slachtoffer tot rust kan komen. In het gespecialiseerde onthaalcentrum, waar een sfeer van vertrouwen kan worden gecreëerd om het slachtoffer te helpen, zal hij een meer gedetailleerd beeld van zijn situatie kunnen krijgen, en dit onafhankelijk van het feit of hij al dan niet verklaringen aflegt.

Tijdens de begeleiding van het slachtoffer moedigen de gespecialiseerde onthaalcentra het slachtoffer aan om elk element dat nuttig is voor het voortzetten van de procedure aan de politiedienst en de magistraat van het Openbaar Ministerie te geven.

V. Wat zijn de verschillende aspecten van de begeleiding door het gespecialiseerd onthaalcentrum ? V. a) Onthaal en residentiële of ambulante begeleiding.

In veel gevallen heeft een slachtoffer enkel huisvestingsmogelijkheden in het mensenhandel- of mensensmokkelmilieu waarin hij geëxploiteerd werd of waarin zijn veiligheid in gevaar kan worden gebracht. Daarom beschikken de centra ook over een onthaalhuis (op een geheim adres) waar de slachtoffers voor wie dat nodig is voor een bepaalde periode kunnen worden opgevangen, mits wederzijdse toestemming. Vervolgens worden ze ambulant begeleid. Indien het niet nodig is om hen in een onthaalhuis op te vangen, wordt meteen voor de ambulante begeleiding gekozen.

Bij het onthaal van het slachtoffer waken de centra er ook over dat het slachtoffer gebruik kan maken van de diensten van een tolk.

V. b) Psycho-sociale en medische hulp, administratieve begeleiding en juridische bijstand.

Het begeleidingsplan van de centra bestaat uit drie luiken : psycho-sociale en medische hulp, administratieve begeleiding en juridische bijstand ( zie punt XII voor definitie).

VI. Hoe verloopt de aanvang van de procedure ? Het vermoedelijk slachtoffer mag niet verwijderd worden tijdens de eerste fase (de reflectieperiode) en moet begeleid worden door een gespecialiseerd onthaalcentrum.

VI.a) fase (reflectieperiode) : afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten met een termijn van 45 dagen.

De eerste fase wordt toegestaan om het slachtoffer de kans te geven om te herstellen, hem de nodige tijd te geven om de contacten met de veronderstelde daders van het misdrijf te verbreken en hem de gelegenheid te bieden om begeleid te worden door een gespecialiseerd onthaalcentrum, dat hem helpt om tot rust te komen.

Tijdens deze periode kan het slachtoffer beslissen om al dan niet verklaringen af te leggen over de vermoedelijke daders die hem zouden hebben uitgebuit of kan hij zich voorbereiden op zijn terugkeer naar zijn land van herkomst.

Het slachtoffer wordt aangemoedigd om het bewijs van zijn identiteit te leveren door middel van een paspoort, een reistitel die dit paspoort vervangt of zijn nationale identiteitskaart of van een aanvraag voor het bekomen van zijn identiteitsdocument in te dienen.

Indien het slachtoffer niet beschikt over een verblijfstitel dient het gespecialiseerde onthaalcentrum een aanvraag voor de afgifte van een document in bij de Cel Mensenhandel van de Dienst Vreemdelingenzaken.

Deze Cel geeft aan het gemeentebestuur een instructie om een bevel om het grondgebied te verlaten met een duur van vijfenveertig dagen af te geven.

In de loop van deze periode kan het slachtoffer van het O.C.M.W. (openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn) of via zijn gespecialiseerd onthaalcentrum sociale steun ontvangen.

Indien het slachtoffer een klacht indient of onmiddellijk verklaringen tegen de daders van het misdrijf aflegt, is deze eerste fase overbodig.

Wanneer het slachtoffer een klacht indient of verklaringen aflegt zal hij overgaan naar de tweede fase.

Indien het slachtoffer tijdens de reflectieperiode terugkeert naar zijn land van herkomst, om te vermijden dat andere personen slachtoffer worden, kan het gespecialiseerd onthaalcentrum, mits toestemming van het slachtoffer, aan de Centrale Dienst Mensenhandel van de Federale Gerechtelijke Politie alle bruikbare informatie doorgeven, en dit binnen de grenzen van het beroepsgeheim en van de deontologie. De Centrale Dienst Mensenhandel van de Federale Gerechtelijke Politie zal contact opnemen met zijn tegenhangers in het buitenland, zodat deze de informatie kunnen gebruiken in het kader van de strijd tegen de mensenhandel en bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel.

VI.b) 2de fase : afgifte van het attest van immatriculatie.

Indien het slachtoffer een klacht indient, of onmiddellijk of tijdens de eerste fase een verklaring tegen de vermoedelijke daders van het misdrijf aflegt, geeft de Cel Mensenhandel van de Dienst Vreemdelingenzaken, op verzoek van het gespecialiseerde onthaalcentrum, instructie aan het gemeentebestuur om een attest van immatriculatie met een geldigheidsduur van maximum drie maanden af te geven. Dit document maakt geen onderscheid tussen de onderdanen van derde landen en de burgers van de Unie.

Dit document kan voor één enkele nieuwe periode van maximum drie maanden worden verlengd, indien dit noodzakelijk is voor het onderzoek of indien de minister of zijn gemachtigde dit opportuun acht, rekening houdend met de elementen van het dossier. Het slachtoffer wordt op de hoogte gebracht van de reden(en) voor de verlenging of de niet-verlenging van dit attest van immatriculatie.

Vóór het verstrijken van de periode die gedekt wordt door het attest van immatriculatie neemt de Cel Mensenhandel van de Dienst Vreemdelingenzaken contact op met de magistraat van het Openbaar Ministerie, om na te gaan of het slachtoffer nog steeds als dusdanig kan worden beschouwd. De politie- en inspectiediensten sturen de informatie uit het onderzoek en over het slachtoffer naar de magistraat van het Openbaar Ministerie, zodat deze met kennis van zaken een uitspraak kan doen. Binnen de grenzen van het beroepsgeheim en de deontologie brengt het gespecialiseerde onthaalcentrum hem op de hoogte van alle elementen die volgens het centrum nuttig zijn.

Indien de magistraat niet in staat is om zijn advies door te geven zal het attest van immatriculatie één keer kunnen worden verlengd, voor een nieuwe periode van maximum drie maanden.

Het slachtoffer dat in het bezit is van een attest van immatriculatie kan voorlopig worden tewerkgesteld, op voorwaarde dat deze persoon een arbeidskaart C heeft bekomen waarvan de geldigheidsduur overeenstemt met die van het attest van immatriculatie.

Het slachtoffer dat in het bezit is van een attest van immatriculatie kan sociale steun krijgen van het OCMW. Deze steun kan ook via zijn gespecialiseerd onthaalcentrum verleend worden.

VII. Hoe wordt het voorlopig statuut van slachtoffer van mensenhandel en/of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel toegekend ? Het gaat hier om het toekennen van een voorlopig statuut van slachtoffer van mensenhandel en/of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel. De magistraat van het Openbaar Ministerie is als enige bevoegd voor de toekenning van het statuut slachtoffer van mensenhandel en/of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel. In deze context houdt de magistraat van het Openbaar Ministerie, met het oog op het garanderen van de multidisciplinaire aanpak, rekening met de adviezen van de andere betrokken partners (gespecialiseerde onthaalcentra, de Dienst Vreemdelingenzaken, de politie- en/of inspectiediensten). Op basis van hun praktische kennis en ervaring geven de politie- en inspectiediensten en de Cel Mensenhandel van de Dienst Vreemdelingenzaken alle elementen waarover ze beschikken aan hem door. Binnen de grenzen van het beroepsgeheim en de deontologie geeft het gespecialiseerd onthaalcentrum de relevante informatie waarover het beschikt door aan de magistraat van het Openbaar Ministerie.

Om zijn beslissing te nemen geeft de magistraat van het Openbaar Ministerie een antwoord op de volgende vijf vragen, op initiatief van de Cel Mensenhandel van Dienst Vreemdelingenzaken : - Loopt het onderzoek of de gerechtelijke procedure nog steeds ? - Kan de betrokken persoon, in deze fase, beschouwd worden als een slachtoffer van het misdrijf bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of, in de omstandigheden bedoeld in artikel 77quater, van de misdrijf in de zin van artikel 77bis ? - Is de betrokken persoon duidelijk bereid om mee te werken ? - Heeft de betrokken persoon alle banden met de vermoedelijke daders van het misdrijf verbroken ? - Wordt de betrokken persoon als een potentieel gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid beschouwd ? Het antwoord op deze vijf vragen is een voorwaarde voor de afgifte van het bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister (BIVR). Voor de N.B.M.V.'s die slachtoffer zijn wordt naar punt XI b) 5 verwezen.

Indien dit met de werkelijkheid overeenkomt, antwoordt de magistraat van het Openbaar Ministerie : - dat het onderzoek of de gerechtelijke procedure loopt; - dat de persoon in deze fase als een slachtoffer van het misdrijf kan worden beschouwd; - dat het slachtoffer duidelijk bereid is om mee te werken; - dat de betrokken persoon alle banden met de vermoedelijke daders van het misdrijf verbroken heeft; - dat de betrokken persoon niet als een potentieel gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid wordt beschouwd.

De Cel Mensenhandel van de Dienst Vreemdelingenzaken stuurt een instructie naar het gemeentebestuur om een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister, met een geldigheidsduur van zes maanden, af te geven.

Zodra de beslissing van de magistraat van het Openbaar Ministerie is meegedeeld brengt de Cel Mensenhandel van de Dienst vreemdelingenzaken het gespecialiseerd onthaalcentrum daarvan dadelijk op de hoogte.

Het BIVR is een verblijfstitel die vernieuwd wordt, zolang de bovengenoemde voorwaarden vervuld worden en tot op het moment waarop de rechtbank het vonnis in eerste instantie velt.

Vóór elke vervaldag van de verblijfstitel ondervraagt de Cel Mensenhandel van de Dienst Vreemdelingenzaken de magistraat van het Openbaar Ministerie.

In de praktijk neemt de Cel Mensenhandel van de Dienst Vreemdelingenzaken regelmatig contact op met de magistraat van het Openbaar Ministerie om informatie in te winnen over het gevolg dat gegeven wordt aan de ingediende klacht of verklaring.

Het slachtoffer dat in het bezit is van een BIVR (verblijfstitel) kan voorlopig tewerk worden gesteld indien hij een arbeidskaart C ontvangen heeft.

Het slachtoffer dat over een BIVR beschikt, kan via het OCMW of via zijn onthaalcentrum sociale steun ontvangen.

VIII. Waarom wordt een identiteitsdocument gevraagd ? Het is voor de slachtoffers moeilijk om hun identiteit te bewijzen, omdat hun identiteitsdocumenten in beslag genomen werden of omdat ze andere identiteitsdocumenten ontvangen hebben. Desalniettemin wordt het slachtoffer aangemoedigd om zijn paspoort, een reistitel die dit paspoort vervangt, zijn nationale identiteitskaart voor te leggen, ofwel om een aanvraag voor het bekomen van zijn identiteitsdocument in te dienen, en dit via het onthaalcentrum. Dit gebeurt met het oogmerk op het terugbezorgen van de ware identiteit aan de persoon.

In tweede instantie, wanneer de machtiging tot verblijf van onbepaalde duur wordt toegekend, zal het slachtoffer zijn identiteit moeten proberen te bewijzen (zie punt IX a) ).

De voorlegging van het paspoort biedt de volgende voordelen voor het slachtoffer : - zijn identiteit wordt beschermd of hersteld; - zijn identiteit wordt op een betrouwbare manier bepaald. Deze identiteit is van wezenlijk belang voor de toekomstige voorlegging van eventuele akten van de burgerlijke stand (huwelijk, geboorte,...); - de identiteit kan op basis van correcte gegevens in het vreemdelingenregister worden ingebracht; - het slachtoffer mag binnen de grenzen van de Schengenruimte reizen, indien hij naast het paspoort ook over een geldig BIVR beschikt.

IX. Hoe wordt de procedure afgesloten ? IX.a) Afgifte van een verblijfstitel van onbepaalde duur.

De Cel Mensenhandel van de Dienst Vreemdelingenzaken kan een machtiging tot verblijf van onbepaalde duur verlenen aan het slachtoffer indien zijn verklaring of zijn klacht tot een veroordeling geleid heeft of indien de procureur des konings of de arbeidsauditeur in zijn vorderingen de tenlastelegging van mensenhandel of van mensensmokkel, onder de verzwarende omstandigheden die in artikel 77quater voorzien worden, weerhouden heeft.

In dit stadium moet het slachtoffer zijn identiteit proberen te bewijzen. Indien het slachtoffer zijn identiteitsdocument niet kan voorleggen moet hij meedelen welke stappen hij ondernomen heeft om zijn identiteit te bewijzen.

Indien het slachtoffer zijn identiteit niet heeft kunnen aantonen, zullen de Belgische overheden de nodige maatregelen nemen om de identiteit van het slachtoffer vast te stellen.

In deze fase van de procedure kan de aanvraag voor een machtiging van onbepaalde duur door het gespecialiseerde onthaalcentrum of door het slachtoffer of zijn raadgever worden ingediend.

Een verblijfstitel van onbepaalde duur wordt toegekend op basis van de procedure die bepaald wordt in artikel 61/5 van de wet van 15 december 1980.

IX.b) Terugkeer.

Indien het slachtoffer terug wil keren naar zijn land van herkomst neemt het gespecialiseerd onthaalcentrum, met het oog op de organisatie van zijn vrijwillige terugkeer, contact op met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) of een andere niet-gouvernementele organisatie.

Indien het slachtoffer niet meer voldoet aan de voorwaarden van de procedure betekent het gemeentebestuur, op onderrichting van de Cel Mensenhandel van de Dienst Vreemdelingenzaken, een bevel om het grondgebied te verlaten aan het slachtoffer.

Indien voor de terugkeer van het slachtoffer politiebescherming vereist is, richt het gespecialiseerd onthaalcentrum zich uitsluitend tot de Centrale Dienst Mensenhandel van de Federale Gerechtelijke Politie voor de organisatie van deze politiebescherming.

IX.c) Stopzetten van de procedure.

De magistraat van het Openbaar Ministerie beslist zelfstandig en op elk moment of een persoon niet meer als slachtoffer van mensenhandel kan worden beschouwd. Hij overlegt met de politie- en/of inspectiediensten, het gespecialiseerd onthaalcentrum en de Cel Mensenhandel van de Dienst Vreemdelingenzaken.

De Cel Mensenhandel van de Dienst Vreemdelingenzaken kan een einde maken aan het verblijf van het slachtoffer indien vastgesteld wordt dat het slachtoffer opnieuw banden heeft aangeknoopt met de vermoedelijke daders van het in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of artikel 77bis bedoelde misdrijf, dat het slachtoffer niet meer samenwerkt met de magistraat van het Openbaar Ministerie, of indien men van mening is dat het slachtoffer de openbare orde of de nationale veiligheid in gevaar kan brengen.

Het feit dat het slachtoffer opnieuw banden heeft aangeknoopt met de vermoedelijke daders van één van de bovengenoemde misdrijven moet vermeld worden in een proces-verbaal dat moet worden doorgegeven aan de magistraat van het Openbaar Ministerie. Deze laatstgenoemde persoon brengt de Cel Mensenhandel van de Dienst Vreemdelingenzaken hiervan op de hoogte, door zijn beslissing aan hem door te geven en het nummer van het proces-verbaal in deze beslissing te vermelden.

In dit geval zal het gespecialiseerd onthaalcentrum eveneens op de hoogte worden gebracht, zodat het de verschillende veiligheidsmaatregelen kan nemen ten opzichte van het personeel van het gespecialiseerd onthaalcentrum en de begeleide personen. Dit zal in overleg met de magistraat van het Openbaar Ministerie gebeuren.

Indien het slachtoffer in het bezit is van een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister kan er ook een einde worden gemaakt aan het verblijf, indien men, in overeenstemming met de magistraat van het Openbaar Ministerie, van mening is dat de medewerking van de vreemdeling frauduleus is of dat zijn klacht frauduleus of ongegrond is.

Deze situatie moet door de politie- en of inspectiediensten of door de magistraat van het Openbaar Ministerie vastgesteld worden in een proces-verbaal, voor zover de frauduleuze medewerking van het slachtoffer, verbonden aan het concrete dossier, vastgesteld werd in het kader van de mensenhandel of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel. Zodra er aanwijzingen van fraude zijn brengt de Cel Mensenhandel van de Dienst Vreemdelingenzaken de magistraat van het Openbaar Ministerie daarvan op de hoogte.

Indien het gespecialiseerde onthaalcentrum bij de begeleiding van een slachtoffer geconfronteerd wordt met moeilijkheden, pleegt het overleg met de magistraat van het Openbaar Ministerie om na te gaan welke de mogelijke oplossingen zijn.

Indien hij van plan is om een einde te stellen aan de procedure zal de magistraat van het Openbaar Ministerie contact opnemen met het gespecialiseerde onthaalcentrum, de politie- en/of inspectiediensten, en de Cel Mensenhandel van de Dienst Vreemdelingenzaken, zodat de informatie kan worden uitgewisseld en er een beslissing kan worden genomen waarbij men over alle noodzakelijke informatie beschikt.

Indien uit de antwoorden die door de magistraat van het Openbaar Ministerie op de vijf gestelde vragen gegeven worden (cf. supra punt VII) blijkt dat het slachtoffer niet meer voldoet aan de voorwaarden voor de procedure die vastgelegd zijn in artikel 61/4, § 1 van de wet van 15 december 1980, gaat de Cel Mensenhandel van de Dienst Vreemdelingenzaken over tot het laten intrekken van het verblijfsdocument en het geven van een instructie aan het gemeentebestuur om een bevel om het grondgebied te verlaten af te laten geven.

Het gespecialiseerd onthaalcentrum mag de begeleiding van het slachtoffer enkel stopzetten wanneer de magistraat van het Openbaar Ministerie hem geïnformeerd heeft dat het slachtoffer niet meer voldoet aan de voorwaarden voor de procedure of dat de bevoegde overheden en het gespecialiseerd onthaalcentrum ervan op de hoogte werden gebracht dat het slachtoffer kan worden begeleid door een ander gespecialiseerd onthaalcentrum.

Indien het slachtoffer begeleid wordt door een ander gespecialiseerd onthaalcentrum dan het centrum dat hem sinds het begin van de procedure omkaderde, blijft het slachtoffer in het bezit van zijn verblijfsdocument aangezien hij nog steeds omkaderd wordt door een gespecialiseerd onthaalcentrum.

X. Specifieke gevallen : X.a) De slachtoffers van mensenhandel in dienst van diplomatiek personeel.

Om in België als lid van het diplomatieke huispersoneel te kunnen werken moet de vreemdeling beschikken over een speciale identiteitskaart (model IV). Te dien einde moeten de kandidaat-dienstbode en de werkgever aan verschillende voorwaarden voldoen en een arbeidsovereenkomst opstellen die in overeenstemming is met de Belgische wetgeving. De dienstbode moet bovendien de identiteitskaart zelf gaan afhalen bij de Dienst Protocol en Veiligheid van de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, die belast is met de controle van de arbeidssituatie van het buitenlands huispersoneel dat bij de geaccrediteerde diplomaten in België werkt. Aangezien de dienstbode de identiteitskaart zelf moet gaan afhalen kan de bevoegde ambtenaar van de Dienst Protocol en Veiligheid een persoonlijk gesprek over de arbeidssituatie met de dienstbode voeren. De ambtenaar kan de dienstbode adviseren en informeren, indien er problemen zijn in het kader van de tewerkstelling.

Dit onderhoud vindt elk jaar plaats, wanneer de identiteitskaart vernieuwd wordt. Zo kan de dienstbode eventuele gevallen van exploitatie of misbruik aan het licht brengen.

Indien een dienstbode een slachtoffer van mensenhandel is, begeleid wordt door een gespecialiseerd onthaalcentrum en verklaringen aflegt of een klacht indient, moet hij afstand doen van het statuut van dienstbode en de speciale identiteitskaart teruggeven, zodat het gespecialiseerde onthaalcentrum de aanvraag voor het bekomen van een attest van immatriculatie kan indienen.

In dit geval is een gerechtelijke strafprocedure uitgesloten, aangezien diplomaten onschendbaar zijn. Om de dienstbode echter in staat te stellen om het statuut van slachtoffer van mensenhandel te kunnen genieten, kan de magistraat van het Openbaar Ministerie een positief advies in verband met de werkelijkheid van de situatie van exploitatie en mensenhandel uitbrengen. In dit geval confronteert de magistraat van het Openbaar Ministerie de verklaringen van het slachtoffer met andere specifieke elementen van het dossier. Hij beperkt zich niet tot het verifiëren van het feit of de arbeidsovereenkomst al dan niet werd gerespecteerd.

In samenwerking met de Dienst Protocol en Veiligheid kan het Openbaar Ministerie alle nuttige initiatieven nemen om het bestaan van de overtreding van mensenhandel te bewijzen, waarbij de regels op het gebied van de diplomatieke onschendbaarheid gerespecteerd worden. Om dit te doen brengt hij de procureur-generaal op de hoogte van de opening van een dossier en van de stappen en het gevolg dat aan dit dossier zal worden gegeven.

Om van het statuut te genieten moet het slachtoffer ook begeleid worden door het gespecialiseerde onthaalcentrum en mag hij geen banden meer hebben met de veronderstelde dader. Het slachtoffer moet ook samenwerken met de magistraat van het Openbaar Ministerie.

X.b) De niet-begeleide minderjarige vreemdelingen, slachtoffers.

Een « niet-begeleide minderjarige vreemdeling » (hierna « N.B.M.V. » genoemd) is een persoon die jonger dan 18 jaar lijkt te zijn of verklaart dat hij jonger is dan 18 jaar, en die : - niet begeleid is door een persoon die het ouderlijke gezag of de voogdij over hem uitoefent krachtens de wet van toepassing overeenkomstig artikel 35 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht; - onderdaan is van een land dat geen lid is van de Europese Economische Ruimte (EER); en die zich in één van de volgende situaties bevindt : - ofwel een asielaanvraag heeft ingediend; - ofwel niet voldoet aan de voorwaarden voor de toegang tot het grondgebied en het verblijf die zijn vastgelegd door de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

X. b) 1. Specifieke maatregelen inzake het detecteren.

Wanneer hij een vermoedelijke slachtoffer ontdekt dat een N.B.M.V. is, houdt de politie- of inspectiedienst rekening met de specificiteit van de kwetsbaarheid van de minderjarige wanneer hij overgaat tot de onderzoeken die onder punt III. b) van de omzendbrief uiteengezet worden.

X.b) 2. Specifieke maatregelen inzake het signalement en de identificatie van het slachtoffer als N.B.M.V..

Indien het vermoedelijk slachtoffer een N.B.M.V. is, vult de politiedienst de fiche « N.B.M.V. » (10) in, in overeenstemming met de omzendbrief van 23 april 2004 betreffende de fiche « niet-begeleide minderjarige vreemdeling », gewijzigd door de omzendbrief van 25 juli 2008, en duidt de rubriek « mensenhandel en bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel » aan. Vervolgens wordt deze fiche naar de Dienst Voogdij van de FOD Justitie gestuurd, om de aanwezigheid van de minderjarige aan de grens of op het grondgebied te melden. Een kopie van de fiche wordt naar de Dienst Vreemdelingenzaken gestuurd.

Indien de politiedienst twijfels heeft in verband met de leeftijd die ingeroepen wordt door het slachtoffer waarvan men veronderstelt dat hij een N.B.M.V. is, duidt deze dit aan op de fiche. Op basis van de informatie die door de politiedienst op de fiche « niet-begeleide minderjarige vreemdeling » wordt ingevuld gaat de Dienst Voogdij, op verzoek van de Dienst Vreemdelingenzaken, over tot de bepaling van de leeftijd. Deze dienst deelt zijn beslissing op snelle wijze mee aan de bevoegde overheden, zodat het slachtoffer, in functie van het resultaat, als een N.B.M.V. of als een meerderjarige(11) kan worden behandeld.

Indien de N.B.M.V. als dusdanig geïdentificeerd wordt door de Dienst Voogdij(12), wordt een voogd aan hem toegewezen.

X. b) 3. Specifieke maatregelen inzake opvang en vertegenwoordiging.

De structuren van de gespecialiseerde onthaalcentra zijn niet aangepast aan de vereiste opvang en omkadering van de N.B.M.V.'s.

Bijgevolg wordt gevraagd om hen door te verwijzen naar een specifiek centrum voor minderjarige slachtoffers, zoals Esperanto in Wallonië, Juna in Vlaanderen of Minor N'Dako in Brussel. Deze centra zullen voor de opvang van de minderjarige zorgen. De juridische en administratieve bijstand wordt in samenwerking met één van de drie gespecialiseerde centra verzekerd.

De voogd moet zijn pupil in het kader van alle procedures vertegenwoordigen.

Het gespecialiseerd onthaalcentrum en de voogd zullen erover waken dat er voor de minderjarige en een gepaste omkadering voorzien wordt.

In het kader van het respecteren van het beroepsgeheim en de deontologie en in het belang van de minderjarige houdt het gespecialiseerde onthaalcentrum, in samenwerking met de voogd, de magistraat van het Openbaar Ministerie en de Cel Mensenhandel van de Dienst Vreemdelingenzaken op de hoogte van alle elementen die door de N.B.M.V. worden meegedeeld om van het statuut van slachtoffer te kunnen genieten.

X. b) 4. Specifieke maatregelen die in het kader van de procedure op de N.B.M.V.'s worden toegepast.

Samenwerking met de verschillende bevoegde overheden.

De Dienst Voogdij, in samenwerking met de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, en met de Dienst Vreemdelingenzaken (hierna « de bevoegde overheden » genoemd), nemen de noodzakelijke maatregelen om de identiteit, de nationaliteit van de N.B.M.V. en het feit dat hij niet begeleid wordt vast te stellen. Deze overheden stellen alles in het werk om zijn familie zo snel mogelijk terug te vinden.

Specifieke kenmerken van de procedure.

Tijdens de reflectieperiode ontvangt de N.B.M.V. onmiddellijk een attest van immatriculatie.

Wanneer het gespecialiseerde onthaalcentrum, in samenwerking met de voogd(13), de aanvraag voor dit verblijfsdocument indient bij de Cel Mensenhandel van de Dienst Vreemdelingenzaken, stuurt deze cel instructies naar het gemeentebestuur, met het oog op het afgeven aan de voogd van dit verblijfsdocument met een geldigheidsduur van maximum drie maanden.

De magistraat van het Openbaar Ministerie zal zijn advies meedelen aan de Cel Mensenhandel van de Dienst Vreemdelingenzaken. Indien hij niet in staat is om zijn advies mee te delen, zal het attest van immatriculatie één keer voor een nieuwe periode van maximum drie maanden kunnen verlengd. De Cel Mensenhandel van de Dienst Vreemdelingenzaken brengt het gespecialiseerd onthaalcentrum hiervan op de hoogte.

Indien het vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel en/of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel een N.B.M.V. is, neemt de magistraat van het Openbaar Ministerie contact op met de jeugdmagistraat die belast is met de opvolging van de N.B.M.V..

Met het oog op een goede coördinatie in het kader van het onderzoek dat gericht is op de identificatie van een N.B.M.V. als vermoedelijk slachtoffer, zullen de politiediensten en de magistraat van het Openbaar Ministerie die het dossier « handel » beheren eveneens de voogd kunnen raadplegen indien nodig en dit in het hoger belang van het kind.

Voor de identificatie van het potentieel slachtoffer van mensenhandel en/of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel en voor het onderzoek dat daarmee verbonden is, doet de magistraat van het Openbaar Ministerie ook een beroep op gespecialiseerde politieagenten van de Federale Politie of de Lokale Politie. De magistraat van het Openbaar Ministerie baseert zich op de indicatoren, het profiel van de onderschepte persoon en de verzamelde aanwijzingen om te beslissen of het statuut van slachtoffer van mensenhandel en/of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel tijdelijk wordt toegekend. In deze context wordt er rekening gehouden met de bijzondere kwetsbaarheid van de minderjarigen, die minder geneigd zijn om mee te werken.

In het kader van de toekenning van de voorlopige statuut van slachtoffer van mensenhandel en/of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel houdt de magistraat van het Openbaar Ministerie rekening met de specificiteit van de kwetsbaarheid van de minderjarige, wanneer hij een antwoord geeft op de vijf vragen die hernomen worden onder punt VII van de omzendbrief.

Te dien einde kunnen de magistraten alle nuttige informatie die betrekking heeft op de jongere en zijn situatie verzamelen bij zijn voogd of bij het onthaalcentrum dat hem opvangt.

Toegang tot onderwijs en sociale steun.

De minderjarige heeft toegang tot het onderwijs en heeft recht op sociale steun van het OCMW. Vanaf 1 januari 2008 heeft hij eveneens recht op een ziekte- en invaliditeitsverzekering, in overeenstemming met de bepaling die voorzien wordt door de wet van 13 december 2006(14) en het koninklijk besluit van 3 augustus 2007(15).

Terugkeer.

Indien het vermoedelijk slachtoffer een minderjarige is die naar zijn land van herkomst wenst terug te keren, neemt het gespecialiseerde onthaalcentrum, in overleg met zijn voogd contact op met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) of een andere niet-gouvernementele organisatie, met het oog op de organisatie van zijn vrijwillige terugkeer.

Stopzetting van de procedure.

Indien het vermoedelijk slachtoffer een N.B.M.V. is, wordt er rekening gehouden met de specificiteit van de kwetsbaarheid van de minderjarige.

Een bevel tot terugbrenging (bijlage 38) wordt afgegeven aan de voogd, opdat hij de vereiste maatregelen zou nemen om zijn pupil terug te laten brengen, ingeval deze procedure niet meer op de N.B.M.V. wordt toegepast omdat deze niet meer aan de voorwaarden voldoet.

Indien hij geen maatregelen neemt om zijn pupil terug te laten brengen naar zijn land van herkomst of naar het land waar hij toegelaten is tot verblijf, kan de voogd vragen dat de omzendbrief van 15 september 2005 (16) op zijn pupil wordt toegepast.

XI. Evaluatie van de omzendbrief.

Binnen een termijn van 24 maanden na de publicatie in het Belgisch Staatsblad zal de huidige omzendbrief het voorwerp uitmaken van een evaluatie door de Interdepartementale Coördinatiecel ter bestrijding van de mensensmokkel en de mensenhandel.

XII.Rol en bevoegdheden van bepaalde diensten.

Rol van de Cel Mensenhandel van de Dienst Vreemdelingenzaken.

Deze cel is bevoegd voor het onderzoek van de afgifte van documenten, in toepassing van de procedure die bepaald wordt in de artikelen 61/2 tot 61/5 van de wet van 15 december 1980.

Deze cel is de enige overheid die bevoegd is om het advies van de magistraat van het Openbaar Ministerie te vragen en instructies te geven aan de gemeentebesturen met betrekking tot de afgifte van documenten.

Rol van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding.

Het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding is belast met de specifieke taak inzake de bevordering, coördinatie en opvolging van het beleid ter bestrijding van de mensensmokkel en de mensenhandel. De taken van het centrum worden uiteengezet in het koninklijk besluit van 16 mei 2004 (17).

Rol van de gespecialiseerde onthaalcentra.

De onthaalcentra en de pluridisciplinaire ploegen in deze onthaalcentra (opvoeders, maatschappelijk werkers, criminologen,....) begeleiden de slachtoffers van mensenhandel en/of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel. Deze slachtoffers worden door verschillende diensten vernoemd in de wet van 15 december 1980 doorverwezen of hebben zich spontaan aangeboden. Naast het onthaal en de residentiële of ambulante begeleiding zorgt het onthaalcentrum ook voor de volgende drie soorten begeleiding : 1) Psycho-sociale en medische hulp. Het gespecialiseerde onthaalcentrum helpt de slachtoffers bij het te boven komen van de gebeurtenissen en de trauma's die ze beleefd hebben en moedigt hen aan om hun huidige levenssituatie op een optimale manier onder controle te krijgen. Samen met de slachtoffers wordt een realistisch toekomstproject uitgewerkt. Dit impliceert bijvoorbeeld dat het slachtoffer gesteund wordt wanneer hij zich voor taalcursussen of een beroepsopleiding inschrijft of actief naar werk zoekt. 2) Administratieve begeleiding. Het gespecialiseerde onthaalcentrum is als enige bevoegd om de aanvraag voor de documenten die verbonden zijn met het statuut van het slachtoffer van mensenhandel en/of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel, evenals de verlenging of de vernieuwing van deze documenten, in te dienen bij de Cel Mensenhandel van de Dienst Vreemdelingenzaken. Het slachtoffer of zijn raadgever zal de aanvraag voor een machtiging tot verblijf van onbepaalde duur rechtstreeks bij deze Cel kunnen indienen of aan het gespecialiseerd onthaalcentrum kunnen vragen om deze aanvraag in te dienen.

Indien het slachtoffer terug wil keren naar zijn land van herkomst neemt het gespecialiseerd centrum, met het oog op de organisatie van zijn vrijwillige terugkeer, contact op met de IOM (Internationale Organisatie voor Migratie). Indien nodig, wordt contact opgenomen met de familie ter plaatse of lokale organisaties, zodat het slachtoffer kan worden opgevangen en geholpen. 3) Juridische bijstand. In de loop van de gerechtelijke procedure die betrekking heeft op de feiten van mensenhandel en/of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel verzekeren de centra de verdediging van de rechten en de belangen van het slachtoffer. Ze doen dit door het slachtoffer te informeren en hem de bijstand van een advocaat aan te bieden. Zo zal het slachtoffer met kennis van zaken kunnen beslissen om zich al dan niet burgerlijke partij te stellen. De gespecialiseerde onthaalcentra kunnen zich ook burgerlijke partij stellen in eigen naam of in naam van het slachtoffer. De erkende gespecialiseerde onthaalcentra (Pag-Asa, Sürya en Payoke) kunnen zich burgerlijke partij stellen, in eigen naam of in naam van het slachtoffer. Deze centra zijn bevoegd om in rechte op te treden.

Rol van de magistraat van het Openbaar Ministerie.

De magistraat van het Openbaar Ministerie is de enige overheid die het statuut van slachtoffer van mensenhandel en/of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel voorlopig kan toekennen. Hij kent dit statuut voorlopig toe, op basis van de inlichtingen die de politie- en inspectiediensten aanleveren op basis van de indicatoren, het profiel van de geïntercepteerde en de ingezamelde aanwijzingen.

Enkel de magistraat van het Openbaar Ministerie mag de Cel Mensenhandel van de Dienst Vreemdelingenzaken informeren dat een slachtoffer voldoet aan de voorwaarden in artikel 61/3, § 2 of 61/4, § 1 van de wet van 15 december 1980. Deze informatie wordt gelijktijdig doorgegeven aan het slachtoffer.

Tijdens het onderzoek mensenhandel en mensensmokkel heeft de magistraat van het Openbaar Ministerie regelmatig contact met de politie- en inspectiediensten, de gespecialiseerde onthaalcentra en hun collega's van het parket, en/of het auditoraat zodat de informatie onderling kan worden uitgewisseld en aangevuld en zij over alle vereiste elementen kan beschikken. Zo kunnen de politie- en inspectiediensten op de hoogte worden gebracht van de elementen die al dan niet nuttig zijn voor het verder onderzoek. Op basis van het onderzoek en de feedback van de gespecialiseerde onthaalcentra gaat de magistraat van het Openbaar Ministerie periodiek na of iemand nog steeds kan genieten van het statuut van slachtoffer.

Wanneer een potentieel slachtoffer van mensenhandel en/of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel rechtstreeks contact opneemt met een gespecialiseerd onthaalcentrum of wanneer sociale diensten of andere diensten hem naar een gespecialiseerd onthaalcentrum doorverwijzen, brengt het centrum de magistraat van het Openbaar Ministerie en/of de politie- of inspectiediensten daarvan onmiddellijk op de hoogte. Het feit dat men contact opneemt mag op geen enkele manier afbreuk doen aan de reflectietermijn waarop het slachtoffer recht heeft.

Deze magistraat schakelt gespecialiseerdere politiemensen van Lokale Politie of Federale Politie in voor de identificatie van de betrokkene als potentieel slachtoffer van mensenhandel en/of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel. De magistraat van het Openbaar Ministerie baseert zich op de vaststellingen van deze politiemensen en op de inlichtingen die het centrum verstrekt rekening houdend met het beroepsgeheim en de deontologie.

Als feiten gepleegd werden op het grondgebied van andere (lid)staten hebben de magistraat van het Openbaar Ministerie of de politie- en inspectiedienst, die daarmee belast werd door de magistraat van het Openbaar Ministerie, regelmatig contact met de gerechtelijke overheden of met de politie- en inspectiediensten van deze (lid)staten via de geëigende kanalen (Eurojust, Europol, Interpol, Federaal Parket, Centrale Dienst Mensenhandel, verbindingsofficieren in het buitenland). Langs deze kanalen kunnen ook verbanden tussen het gevoerde onderzoek en onderzoeken in andere landen worden gelegd op basis van namen van de daders, modus operandi, namen van slachtoffers... Ze kunnen ook instaan voor de internationale coördinatie.

Om grotere controles voor te bereiden werkt de magistraat van het Openbaar Ministerie samen met de gespecialiseerde onthaalcentra voor een optimale identificatie van potentiële slachtoffers van mensenhandel en/of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel.

Brussel, 26 september 2008.

Vice-Eerste Minister en Minister van Justitie en Institutionele Hervormingen, J. VANDEURZEN Vice-Eerste Minister en Minister van Werk en Gelijke Kansen, Mevr. J. MILQUET Vice-Eerste Minister en Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, Mevr. L. ONKELINX Vice-Eerste Minister en Minister van Binnenlandse zaken P. DEWAEL Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën en Institutionele Hervormingen, D. REYNDERS Minister van Migratie- en Asielbeleid, Mevr. A. TURTELBOOM Minister van Buitenlandse Zaken, K. DE GUCHT Voor het College van Procureurs-generaal : Voorzitter van het College, Procureur-generaal bij het hof van beroep te Bergen, Cl. MICHAUX Procureur-generaal bij het hof van beroep te Luik, C. VISART de BOCARME Procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent, Fr. SCHINS Procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen, Y. LIEGEOIS Procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel, M. DE LE COURT _______ Nota's (1) Wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (B.S. van 6 oktober 2006). (2) Koninklijk besluit van 27 april 2007 tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (B.S. van 21 mei 2007). (3) Vermoedelijk slachtoffer : persoon waarvoor er aanwijzingen zijn dat het om een slachtoffer gaat.(4) Ministeriële omzendbrief van 27 januari 1998 over het administratief rapport in verband met controles van vreemde onderdanen uitgevoerd door ambtenaren van de administratieve of gerechtelijke politie.(5) Indien de minderjarige begeleid wordt door zijn ouders beschikt hij over hetzelfde statuut als zijn ouders.(6) Met inbegrip van de Belgen die niet bedoeld worden door de huidige omzendbrief, gezien het onderwerp van deze omzendbrief.(7) Mensensmokkel : artikel 77bis van de bovengenoemde wet van 15 december 1980 definieert mensensmokkel als het ertoe bijdragen, op welke manier ook, rechtstreeks of via een tussenpersoon, dat een persoon die geen onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie het grondgebied van een lidstaat van de Europese Unie of van een Staat die partij is bij een internationale overeenkomst betreffende de overschrijding van de buitengrenzen, die België bindt, binnenkomt, erdoor reist of aldaar verblijft, zulks in strijd met de wetgeving van deze staat, met het oog op het direct of indirect verkrijgen van een vermogensvoordeel. (8) Zie definitie van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling (N.B.M.V.) in punt X. b). (9) Een potentieel slachtoffer is een persoon die door een eerstelijnsambtenaar ontmoet wordt op een risicoplaats of die zich bevindt in een risicosector die verbonden is met de mensenhandel en/of bepaalde zwaardere vormen van mensensmokkel. (10) Omzendbrief van 23 april 2004 betreffende de fiche « niet-begeleide minderjarige vreemdeling » (B.S. van 30 april 2004) gewijzigd door de Omzendbrief tot wijziging van de omzendbrief van 23 april 2004 betreffende de fiche « niet-begeleide minderjarige vreemdeling » (BS van 13 augustus 2008). (11) Persoon die achttien jaar oud of ouder dan achttien jaar is.(12) Dienst Voogdij : dienst die werd opgericht bij de Federale Overheidsdienst Justitie en belast is met het organiseren van een specifieke voogdij over niet-begeleide minderjarigen, in overeenstemming met artikel 3, § 1 van Titel XIII, Hoofdstuk 6 « Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen « van de programmawet van 24 december 2002.(13) Artikel 9,§ 1,1°, van Titel XIII, Hoofdstuk 6, « Voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen « van de programmawet van 24 december 2002, gewijzigd door de programmawetten van 22 december 2003 en 27 december 2004. (14) Wet van 13 december 2006 houdende diverse bepalingen betreffende gezondheid (B.S. van 22/12/2006). 15) Koninklijk besluit van 3 augustus 2007 tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (BS van 17/08/2007).(16) Omzendbrief van 15 september 2005 betreffende het verblijf van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen (BS van 6 oktober 2005). (17) Koninklijk besluit van 16 mei 2004 betreffende de bestrijding van de mensensmokkel en mensenhandel (Belgisch Staatsblad 28 mei 2004).

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^