Etaamb.openjustice.be
Programmawet van 08 april 2003
gepubliceerd op 17 april 2003

Programmawet

bron
federale overheidsdienst kanselarij van de eerste minister
numac
2003021093
pub.
17/04/2003
prom.
08/04/2003
ELI
eli/wet/2003/04/08/2003021093/staatsblad
staatsblad
https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body(...)
links
Raad van State (chrono)
Document Qrcode

8 APRIL 2003. - Programmawet (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : TITEL I. - Algemene Bepaling

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

TITEL II. - Sociale zaken HOOFDSTUK I. - Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg

Art. 2.In artikel 17bis van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, vervangen bij de wet van 24 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1, eerste lid, wordt aangevuld als volgt : « 6° het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg, opgericht bij artikel 259 van de programmawet (I) van 24 december 2002.»; 2° in § 2 worden de woorden « 4° of 5° » vervangen door de woorden « 4°, 5° of 6° »;3° in § 2 worden de woorden « de wet van 27 juni 1921 waarbij aan de verenigingen zonder winstgevend doel en aan de instellingen van openbaar nut rechtspersoonlijkheid wordt verleend » vervangen door de woorden « wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen ».

Art. 3.Artikel 2 treedt in werking op 1 april 2003. HOOFDSTUK II. - Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid

Art. 4.In de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, wordt een artikel 11bis ingevoegd, luidende : «

Art. 11bis.- § 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder : 1° « aanvullend recht » : een recht op enig voordeel dat een natuurlijke persoon of diens rechthebbenden genieten als gevolg van het statuut van deze natuurlijke persoon inzake sociale zekerheid, ander dan de rechten vastgesteld in de regelingen bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1°;2° « toekennende instantie » : de persoon die het betrokken voordeel toekent. § 2. Voor zover de sociale gegevens nodig voor het toekennen van een aanvullend recht in het netwerk beschikbaar zijn en het Beheerscomité van de Kruispuntbank het betrokken aanvullend recht heeft aangeduid, zijn de toekennende instanties verplicht ze uitsluitend bij de Kruispuntbank op te vragen, onverminderd artikel 4, tweede lid.

Het Beheerscomité van de Kruispuntbank bepaalt voor elk aanvullend recht dat hij aanduidt de datum vanaf wanneer de toekennende instanties het meedelen van de sociale gegevens nodig voor het toekennen van aanvullende rechten niet langer ten laste kunnen leggen van de betrokken natuurlijke persoon, diens rechthebbenden of hun lasthebbers en de betrokken natuurlijke persoon, diens rechthebbenden of hun lasthebbers gerechtigd zijn om, zonder verlies van het aanvullend recht, te weigeren enig sociaal gegeven ter staving van het statuut van deze natuurlijke persoon inzake sociale zekerheid ter beschikking te stellen van de toekennende instantie. HOOFDSTUK III. - Sociale identiteitskaart

Art. 5.In artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 december 1996 houdende maatregelen met het oog op de invoering van een sociale identiteitskaart ten behoeve van alle sociaal verzekerden, met toepassing van de artikelen 38, 40, 41 en 49 van de wet van 26 juli 1996 houdende de modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de wettelijke pensioenstelsels, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid wordt de zin « Elke sociaal verzekerde mag slechts één sociale identiteitskaart bezitten.» geschrapt; 2° in het derde lid wordt punt 2° als volgt vervangen : « 2° de eerste en de tweede voornaam;»; 3° in het derde lid wordt punt 3° opgeheven;4° in het derde lid, 8°, worden de woorden « de begin- en einddatum » vervangen door de woorden « de begindatum »;5° in het vierde lid wordt punt 7° als volgt vervangen : « 7° de einddatum van de geldigheid van de kaart;».

Art. 6.Artikel 8 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt : «

Art. 8.- Wordt gestraft met een gevangenisstraf van drie maanden tot één jaar en een geldboete van tweehonderd tot tienduizend euro, of met één van die straffen alleen, eenieder die de in artikel 2 bedoelde sociale identiteitskaart of de in artikel 5bis bedoelde beroepskaart zonder toelating gebruikt of die ervan gebruik maakt met een ander doel dan hetgene waartoe hij gemachtigd is. »

Art. 7.In artikel 9 van hetzelfde besluit worden de woorden « van vierhonderd frank tot tienduizend frank » vervangen door de woorden « van vierhonderd euro tot tienduizend euro ».

Art. 8.In artikel 10 van hetzelfde besluit worden de woorden « van duizend tot tienduizend frank » vervangen door de woorden « van duizend euro tot tienduizend euro ».

Art. 9.De artikelen 5 tot 8 treden in werking op 1 mei 2003. De kaarten die vóór die datum zijn uitgegeven blijven evenwel geldig tot de geldigheidsperiode is verstreken. HOOFDSTUK IV. - Kinderbijslag

Art. 10.In artikel 120 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het tweede lid, gewijzigd bij de wetten van 27 maart 1951 en 30 december 1992, worden de woorden « drie jaar » vervangen door de woorden « vijf jaar »;2° in het derde lid, ingevoegd bij de wet van 30 december 1992, worden de woorden « drie jaar » vervangen door de woorden « vijf jaar »;3° in het zesde lid, gewijzigd bij de wet van 27 maart 1951, worden de woorden « drie jaar » vervangen door de woorden « vijf jaar ».

Art. 11.Artikel 10 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2003. HOOFDSTUK V. - Bijdragen sociale zekerheid

Art. 12.In artikel 2, § 2, eerste lid, van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen, gewijzigd bij de wet van 12 augustus 2000, worden de woorden « 39 600 Belgische frank per kalenderjaar vanaf het jaar 2001 » vervangen door de woorden « 1 140,00 EUR per kalenderjaar vanaf het jaar 2003 ».

Art. 13.Artikel 12 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2003. HOOFDSTUK VI. - Wijziging van de RIZIV-wet

Art. 14.In artikel 25 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, gewijzigd bij de wet van 24 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 2 worden de woorden « met uitsluiting van voeding » vervangen door de woorden « daarin begrepen de voeding die niet in aanmerking genomen wordt in het raam van de maximumfactuur »;2° in § 3 wordt het derde lid vervangen als volgt : « Worden niet als extra-kosten beschouwd : a) het persoonlijk aandeel dat in aanmerking genomen wordt in het raam van de maximumfactuur;b) de kosten voor voeding die in aanmerking genomen worden in het raam van de maximumfactuur;c) de supplementen bedoeld in artikel 90 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987;d) de supplementen op met toepassing van de reglementering van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging vastgelegde prijzen en honoraria.»

Art. 15.Artikel 29ter, derde lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 24 december 2002, wordt vervangen als volgt : « De Commissie voor tegemoetkoming van bandagen, orthesen en uitwendige prothesen is, wat de groepen van producten betreft die door de Koning worden vastgesteld ter uitvoering van artikel 35, § 1, derde lid, ermee belast : 1° voorstellen betreffende hun vergoedingsmodaliteiten op te maken;2° voorstellen betreffende de specifieke vergoedings-modaliteiten op te maken indien de producten aan de rechthebbenden worden verhuurd;3° voor het Verzekeringscomité voorstellen van interpretatieregels betreffende de nomenclatuur van de verstrekkingen op te maken.»

Art. 16.In artikel 35 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 20 december 1995, 22 februari 1998, 25 januari 1999, 10 augustus 2001, 22 augustus 2002 en 24 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 wordt tussen het tweede en het derde lid het volgende lid ingevoegd : « De nomenclatuur van de verstrekkingen inzake bandagen, orthesen en uitwendige prothesen, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 4°, waarvoor de Koning de groepen van producten bepaalt, wordt vastgesteld op basis van aannemingscriteria betreffende de prijzen, de kostprijs voor de verzekering en de elementen van geneeskundige, therapeutische en sociale aard.De Koning bepaalt, op voorstel van de Commissie voor tegemoetkoming van bandagen, orthesen en uitwendige prothesen, die aannemingscriteria en de procedure die moet worden gevolgd door de bedrijven die de aanneming, een wijziging of de schrapping van een product op de lijst van de vergoedbare producten vragen. Hij stelt daarenboven de termijnen en verplichtingen vast, die in geval van aanvraag om aanneming, wijziging of schrapping moeten worden nageleefd »; 2° in § 1, vroeger derde lid, vierde lid geworden, worden de woorden « onder de in § 2 gestelde voorwaarden » vervangen door de woorden « onder de in de §§ 2 en 2bis gestelde voorwaarden »;3° in § 2bis, eerste lid, worden de woorden « met betrekking tot de in artikel 34, eerste lid, 4°, bedoelde bandagen, orthesen en uitwendige prothesen » vervangen door de woorden « met betrekking tot de groepen van producten die Hij heeft vastgesteld ter uitvoering van § 1, derde lid.»

Art. 17.Artikel 38, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 25 januari 1999 en 24 december 1999, wordt aangevuld als volgt : « Wat de door de Koning ter uitvoering van artikel 35, § 1, derde lid, vastgestelde groepen van producten betreft, raadpleegt de Dienst voorafgaandelijk de Commissie voor tegemoetkoming van bandagen, orthesen en uitwendige prothesen. »

Art. 18.In artikel 165 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 22 augustus 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het zevende lid worden tussen de woorden « uitgereikte geneesmiddelen » en « en de datum van deze uitreiking » de woorden « , van de middelen bepaald in artikel 34, 19° en 20°, » ingevoegd;2° in hetzelfde lid wordt het woord « apotheker » vervangen door het woord « apotheek »;3° in het negende lid, eerste zin, wordt tussen de woorden « voorgeschreven geneesmiddelen » en « mogelijk te maken » de woorden « , moedermelk, dieetvoeding voor medisch gebruik, parenterale voeding en medische hulpmiddelen met uitzondering van die bedoeld in artikel 34, 4°, » ingevoegd;4° in het elfde lid wordt tussen de woorden « De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit » en « in welke gevallen » de woorden « dat uitwerking heeft vanaf het jaar 2001 » ingevoegd.

Art. 19.Artikel 191, eerste lid, 7, derde lid, van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt : « Deze inhouding mag niet tot gevolg hebben dat het totaal van de hierboven vermelde pensioenen of voordelen vanaf 1 januari 2002 wordt verminderd tot een bedrag, lager dan 535,77 EUR per maand verhoogd met 99,20 EUR voor de rechthebbenden met gezinslast en, vanaf 1 januari 2003, tot een bedrag, lager dan 546,49 EUR per maand, verhoogd met 101,18 EUR voor de rechthebbenden met gezinslast. Dit bedrag wordt gekoppeld aan de spilindex 132,13. Het wordt aangepast overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient te worden gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied, opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, voornoemd bedrag vaststellen overeenkomstig de bepalingen waarmee het maandbedrag van sommige wettelijke pensioenen na 1 januari 2003 wordt geherwaardeerd. »

Art. 20.Artikel 14, 1°, heeft uitwerking vanaf 10 januari 2003.

Artikel 14, 2°, heeft uitwerking voor de verstrekkingen geleverd vanaf 1 januari 2003.

Art. 21.Artikel 19 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2002.

Art. 22.De Koning stelt de datum van inwerkingtreding van artikel 16 vast voor de groepen van producten die Hij bepaalt. HOOFDSTUK VII. - Wijziging van de organieke wetgeving inzake de instellingen van sociale zekerheid

Art. 23.Artikel 9 van de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg, gewijzigd bij de wet van 29 december 1990, wordt vervangen als volgt : «

Art. 9.- De Koning benoemt de persoon die belast is met het dagelijks beheer van de instelling en zijn eventuele adjunct en bepaalt hun statuut. Wat de Kas der geneeskundige verzorging van de Nationale Maatschappij der Belgische spoorwegen betreft, geschieden die benoemingen evenwel, op voordracht van het Beheerscomité, onder het statutaire personeel dat ter beschikking van de Kas is gesteld ter uitvoering van artikel 187 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.

Het vorige lid is niet van toepassing op de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. De Koning stelt, voor elk van deze instellingen, de houder van de managementfunctie die belast is met het dagelijks beheer van de instelling en zijn adjunct aan bij in Ministerraad overlegd besluit, op voorstel van de minister van wie de instelling afhangt en het Beheerscomité van de instelling.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, hun statuut en de procedure van aanstelling.

In afwijking van het vorig lid stelt de Koning voor de Hulp- en Voorzorgskas voor Zeevarenden de houder van de managementfunctie die belast is met het dagelijks beheer van de instelling en zijn eventuele adjunct aan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de minister van wie de instelling afhangt en het Beheerscomité van de instelling.

Het vacant verklaren van de betrekkingen bedoeld in het eerste lid geschiedt door het Beheerscomité. »

Art. 24.In artikel 18 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 29 december 1990, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt : « Met uitzondering van de persoon belast met het dagelijks beheer, zijn adjunct en, wat betreft de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, de houders van de overige managementfuncties, wordt het personeel door het Beheerscomité benoemd, bevorderd en ontslagen, overeenkomstig de regelen van het statuut van het personeel.»; 2° tussen het eerste en het tweede lid wordt volgend lid ingevoegd : « De Koning stelt, voor elk van de openbare instellingen van sociale zekerheid bedoeld in artikel 3, § 2, van het hogervermeld koninklijk besluit van 3 april 1997, de houders van de managementfuncties, andere dan de houder van de managementfunctie die belast is met het dagelijks beheer van de instelling en zijn adjunct, aan, op voorstel van de minister van wie de instelling afhangt en het Beheerscomité van de instelling, na voordracht van de houder van de managementfunctie die belast is met het dagelijks beheer van de instelling.De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, hun statuut en de procedure van aanstelling. »

Art. 25.In artikel 23 van dezelfde wet worden de woorden « Op de artikelen 1 tot 6 en 21 na » vervangen door de woorden « Op de artikelen 1 tot 6, 9, 18 en 21 na ».

Art. 26.In artikel 19 van het koninklijk besluit van 3 april 1997 houdende maatregelen met het oog op de responsabilisering van de openbare instellingen van sociale zekerheid, met toepassing van artikel 47 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgend lid ingevoegd : « Voor de vaststelling van het aantal managementsfuncties is het akkoord van de ministers van Ambtenarenzaken en Begroting vereist. »

Art. 27.Artikel 7, § 2, derde lid, van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wordt aangevuld als volgt : « Het dagelijks beheer van de officiële instelling bedoeld in het voorgaand lid wordt uitgeoefend door de houder van een managementfunctie « administrateur-generaal », bijgestaan door een houder van een managementfunctie « adjunct-administrateur-generaal ».

Deze houders van een managementfunctie worden door de Koning aangesteld, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de minister tot wiens bevoegdheid de werkloosheidsreglementering behoort en het Beheerscomité van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen. Hun statuut en de procedure van aanstelling worden door de Koning bepaald, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. De Koning stelt eveneens de houders van de overige managementfuncties aan, op voorstel van de minister tot wiens bevoegdheid de werkloosheidsreglementering behoort en het Beheerscomité van de Hulpkas voor werkloosheidsuitkeringen, na voordracht van de houder van de managementfunctie « administrateur-generaal ». De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, hun statuut en de procedure van aanstelling. »

Art. 28.Artikel 9 van de wet van 26 juli 1960 tot herinrichting van de instellingen voor kinderbijslag, wordt vervangen als volgt : «

Art. 9.- De twee diensten, waarvan in artikel 2 sprake, worden ieder bestuurd door een houder van de managementfunctie « administrateur-generaal » die belast is met het dagelijks beheer, bijgestaan door een houder van de managementfunctie « adjunct-administrateur-generaal », beiden aangesteld bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de minister van wie ze afhangen en hun Beheerscomité.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, hun statuut en de procedure van aanstelling. »

Art. 29.In artikel 2, § 2, van de wet van 17 juli 1963 betreffende de overzeese sociale zekerheid, gewijzigd bij de wet van 21 december 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt : « Het dagelijks bestuur van de Dienst staat onder de leiding van de houder van een managementfunctie « administrateur-generaal ».»; 2° het tweede lid wordt vervangen als volgt : « De houder van een managementfunctie « administrateur-generaal » wordt bijgestaan door de houder van een managementfunctie « adjunct-administrateur-generaal ».»; 3° het zevende lid wordt vervangen als volgt : « De andere personeelsleden, uitgezonderd de houders van een managementfunctie, worden benoemd door het Beheerscomité.»

Art. 30.In artikel 21 van het koninklijk besluit nr 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, gewijzigd bij de programmawet van 30 december 2001, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 3, 6°, wordt vervangen als volgt : « 6° de houder van de managementfunctie die belast is met het dagelijks beheer van het Rijksinstituut en zijn adjunct.»; 2° § 4, tweede lid, wordt vervangen als volgt : « Onverminderd de bepalingen van de §§ 5 en 6 van dit artikel en met uitzondering van de houders van de managementfuncties andere dan deze belast met het dagelijks beheer van het Rijksinstituut en zijn adjunct, wordt het personeel van het Rijksinstituut benoemd door de Raad van Beheer die, te zijnen opzichte, eveneens het gezag inzake tuchtmaatregelen uitoefent.De Koning stelt de houders van de managementfuncties, andere dan deze belast met het dagelijks beheer van het Rijksinstituut en zijn adjunct, aan, op voorstel van de minister van wie het Rijksinstituut afhangt en de Raad van Beheer van het Rijksinstituut, na voordracht van de houder van de managementfunctie die belast is met het dagelijks beheer van het Rijksinstituut. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, hun statuut en de procedure van aanstelling. »; 3° § 5 wordt vervangen als volgt : « § 5.Het Rijksinstituut wordt geleid door de houder van de managementfunctie die belast is met het dagelijks beheer van de instelling, aangesteld door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de minister van wie de instelling afhangt en de Raad van Beheer van de instelling.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, zijn statuut en de procedure van aanstelling.

De houder van deze managementfunctie heeft de hoge leiding van het Rijksinstituut.

Hij leidt de zaken in bij de Raad van Beheer en bij het Beheerscomité.

Hij doet aan die instanties alle voorstellen die hij nuttig acht met het oog op de verbetering van de werking en de organisatie van het Rijksinstituut.

Hij zorgt voor de uitvoering van de beslissingen genomen door de Raad van Beheer en door het Beheerscomité.

Hij neemt de vertegenwoordiging van het Rijksinstituut op zich in de gerechtelijke en buitengerechtelijke akten.

Binnen de door de Raad van Beheer gestelde perken mag hij bepaalde bevoegdheden overdragen aan ambtenaren van het Rijksinstituut. »; 4° § 6 wordt vervangen als volgt : « § 6.De houder van de managementfunctie die belast is met het dagelijks beheer van de instelling wordt bijgestaan en, in geval van afwezigheid of belet, vervangen door een adjunct-houder van een managementfunctie.

Deze adjunct wordt aangesteld door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de minister van wie de instelling afhangt en de Raad van Beheer van de instelling.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, zijn statuut en de procedure van aanstelling. »

Art. 31.Artikel 48 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 27 maart 1987 en 19 maart 1990, wordt vervangen als volgt : «

Art. 48.- De Koning stelt de houder van de managementfunctie die belast is met het dagelijks beheer van de instelling en zijn adjunct aan bij in Ministerraad overlegd besluit, op voorstel van de minister van wie de instelling afhangt en het Beheerscomité van de instelling.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, hun statuut en de procedure van aanstelling. »

Art. 32.Artikel 56 van hetzelfde koninklijk besluit wordt vervangen als volgt : «

Art. 56.- Met uitzondering van de persoon belast met het dagelijks beheer van de instelling, zijn adjunct en de houders van de overige managementfuncties, wordt het personeel van de instelling door het Beheerscomité benoemd, bevorderd en afgezet, overeenkomstig de regelen van het statuut van het personeel.

De Koning stelt de houders van de managementfuncties, andere dan de houder van de managementfunctie die belast is met het dagelijks beheer van de instelling en zijn adjunct, aan, op voorstel van de minister van wie de instelling afhangt en het Beheerscomité van de instelling, na voordracht van de houder van de managementfunctie die belast is met het dagelijks beheer van de instelling. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, hun statuut en de procedure van aanstelling. »

Art. 33.Het opschrift van afdeling 3 van hoofdstuk II van de wetten betreffende de schadeloosstelling voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, wordt vervangen als volgt : « De persoon belast met het dagelijks beheer ».

Art. 34.Artikel 13 van dezelfde wetten wordt vervangen als volgt : «

Art. 13.- De Koning stelt de houder van een managementfunctie die belast is met het dagelijks beheer van de instelling en zijn adjunct aan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op voorstel van de minister van wie de instelling afhangt en het Beheerscomité van de instelling. »

Art. 35.Artikel 14 van dezelfde wetten wordt vervangen als volgt : «

Art. 14.- De persoon belast met het dagelijks beheer beheert het Fonds binnen de voorwaarden bepaald door de wet van 25 april 1963 betreffende het beheer van de instellingen van openbaar nut voor sociale zekerheid en sociale voorzorg. ».

Art. 36.Artikel 15 van dezelfde wetten wordt opgeheven.

Art. 37.Artikel 25 van dezelfde wetten wordt vervangen als volgt : «

Art. 25.- Met uitzondering van de houders van de managementfuncties wordt het personeel door het Beheerscomité benoemd, bevorderd en ontslagen, overeenkomstig de regelen van het statuut van het personeel. »

Art. 38.Artikel 177, derde lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, gewijzigd bij de wet van 14 januari 2002, wordt vervangen als volgt : « De Koning stelt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de houders van de managementfuncties aan die belast zijn met de leiding van het Instituut.

De Koning stelt de houders van de managementfuncties aan die de leiding uitoefenen van de in het tweede lid bedoelde diensten en desgevallend de andere houders van de managementfuncties, op voorstel van de minister en van het Algemeen Comité, na voordracht van de administrateur-generaal.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het statuut en de procedure van aanstelling van de houders van de managementfuncties. »

Art. 39.Artikel 180 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 180.- Het personeel van de Hulpkas voor ziekte- en invaliditeitsverzekering staat onder leiding van de houder van de managementfunctie belast met het dagelijks beheer van de instelling, bijgestaan door een adjunct.

De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het statuut en de procedure van aanstelling van de in dit artikel vermelde ambtenaren. »

Art. 40.In artikel 184 van dezelfde wet worden de woorden « leidend ambtenaar » vervangen door « houder van een managementfunctie » en de woorden « adjunct leidend ambtenaar » door « adjunct ».

Art. 41.Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 februari 2003.

TITEL III. - Middenstand HOOFDSTUK I. - Sociaal statuut van de meewerkende echtgenoot

Art. 42.Artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, ingevoegd bij de programmawet (I) van 24 december 2002, wordt vervangen als volgt : «

Art. 7bis.- § 1. De echtgenoot of echtgenote van een zelfstandige bedoeld in artikel 2, die, in de loop van een bepaald jaar, geen beroepsactiviteit uitoefent die voor hem eigen rechten opent op uitkeringen in een verplichte regeling voor pensioenen, kinderbijslagen en ziekte- en invaliditeitsverzekering, die minstens gelijkwaardig zijn aan die van het sociaal statuut der zelfstandigen, noch een uitkering geniet in het raam van de sociale zekerheid die voor hem dergelijke eigen rechten opent, wordt vermoed, voor datzelfde jaar, met uitzondering van de kwartalen tijdens dewelke de geholpen zelfstandige geen activiteit uitoefent die de onderwerping aan dit besluit met zich meebrengt, meewerkende echtgenoot te zijn en bijgevolg onderworpen te zijn aan dit besluit als helper in de zin van artikel 6.

Het voorgaand lid is niet van toepassing op de echtgenoot of de echtgenote van een zelfstandig bedrijfsleider zoals bedoeld in artikel 32 WIB 1992.

Personen bedoeld in het eerste lid, die niet voldoen aan de omschrijving van artikel 6, dienen een verklaring op erewoord, waarvan de toepassingsmodaliteiten door de Koning worden bepaald, af te leggen om dit vermoeden te weerleggen. Bij niet-naleving van deze verplichting is er verval van recht op uitkeringen, onverminderd de mogelijkheid voor de Koning om een administratieve boete van maximaal 500 euro op te leggen.

Het toepassingsgebied van dit artikel wordt verruimd tot de ongehuwde helper van een zelfstandige die met die zelfstandige, die geen bedrijfsleider is zoals bedoeld in het tweede lid, verbonden is door een verklaring van wettelijke samenwoning. De Koning bepaalt de nadere regels voor de toepassing ten aanzien van de betrokken personen. § 2. In afwijking van § 1 is de meewerkende echtgenoot voor de jaren 2003, 2004 en 2005 enkel onderworpen aan de verplichte regeling voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, sectoren der uitkerings- en moederschapsverzekering, overeenkomstig de door de Koning te bepalen regelen en voorwaarden.

Niettemin kan de meewerkende echtgenoot zich voor de jaren 2003, 2004 en 2005 vrijwillig onderwerpen aan dit besluit, overeenkomstig de door de Koning te bepalen regelen en voorwaarden. § 3. In afwijking van § 1 is de meewerkende echtgenoot wiens geboortedatum gelegen is voor 1 januari 1956 enkel onderworpen aan de verplichte regeling voor ziekte- en invaliditeitsverzekering, sectoren der uitkerings- en moederschapsverzekering. Hij kan zich vrijwillig onderwerpen aan dit besluit overeenkomstig de door de Koning te bepalen regelen en voorwaarden.

Niettemin kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, situaties bepalen waarin de meewerkende echtgenoot wiens geboortedatum gelegen is voor 1 januari 1956 toch onderworpen is aan de bepalingen van § 1. »

Art. 43.Artikel 5, § 3, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie, wordt aangevuld als volgt : « 3° bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de beroepsinkomsten waarmee rekening moet gehouden worden voor de berekening van het pensioen van de geholpen zelfstandige bedoeld in artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 38. »

Art. 44.De artikelen 42 en 43 hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2003. HOOFDSTUK II. - Participatiefonds

Art. 45.In artikel 74 van de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt aangevuld met een 8°, luidend als volgt : « 8° het leveren van administratieve en technische verrichtingen voor rekening van instellingen die onder andere als doel hebben de toegang van natuurlijke en rechtspersonen tot het beroepskrediet te vergemakkelijken.»; 2° het artikel wordt aangevuld met een § 4, luidende : « § 4.Voor de verwezenlijking van opdrachten ten voordele van natuurlijke personen en rechtspersonen, de niet-werkende werkzoekende inbegrepen, die hun eigen onderneming wensen op te richten of die sedert maximaal 4 jaar in hun professionele activiteit zijn gevestigd, richt het Participatiefonds een financieringsfiliaal op, met rechtspersoonlijkheid, « Startersfonds » genoemd, volgens de modaliteiten bepaald bij koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. ».

Art. 46.In artikel 75 van dezelfde wet worden volgende wijzigingen aangebracht : 1° het vierde lid wordt vervangen als volgt : « Het Participatiefonds en zijn filiaal « Startersfonds », dit laatste in het kader van zijn verrichtingen ten voordele van de personen bedoeld in artikel 74, § 4, kunnen dotaties ontvangen ten laste van de Rijksbegroting, die vaststelt voor welke van de in artikel 74, eerste lid, bedoelde opdrachten deze dotaties zijn bestemd.»; 2° het zevende lid wordt vervangen als volgt : « Het Participatiefonds en zijn filiaal « Starterfonds » kunnen leningen aangaan met staatswaarborg mits de instemming van de minister van Financiën.»; 3° het artikel wordt aangevuld met het volgende lid : « Voor de verwezenlijking van zijn opdracht, kan het Startersfonds, beroep doen op de uitgifte van obligatieleningen, tegen de voorwaarden en de modaliteiten door de Koning bepaald.» TITEL IV. - Werkgelegenheid HOOFDSTUK I. - Herstructurering van ondernemingen Afdeling I. - Financiële sanctie in geval van niet-naleving van

bepaalde verplichtingen van de werkgever bij sluiting van ondernemingen

Art. 47.Deze afdeling is van toepassing op de werkgevers en de werknemers die onder het toepassingsgebied vallen van de collectieve arbeidsovereenkomst nr 9 van 9 maart 1972 houdende ordening van de in de Nationale Arbeidsraad gesloten nationale akkoorden en collectieve arbeidsovereenkomsten betreffende de ondernemingsraden, algemeen verbindend verklaard bij het koninklijk besluit van 12 september 1972.

Art. 48.De rechter die een werkgever in het kader van de sluiting van een onderneming in de zin van de wetgeving betreffende de sluiting van ondernemingen, veroordeelt wegens het niet naleven van de bepalingen van artikel 11 van de voornoemde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 9 van 9 maart 1972, veroordeelt deze werkgever tot betaling aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van een door hem vast te stellen bedrag van 1.000 tot 5.000 euro per werknemer die door de gesloten entiteit werd tewerkgesteld op het ogenblik van de beslissing tot sluiting.

De rechter doet in dit geval mededeling van het vonnis of het arrest aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid.

Art. 49.Artikel 70 van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, wordt opgeheven.

Art. 50.De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de gevallen van sluiting van ondernemingen waarbij de beslissing tot sluiting na de datum van inwerkingtreding deze afdeling valt. Afdeling II. - Ondersteuningscel voor herstructurering van

ondernemingen

Art. 51.Bij de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, Administratie van de Individuele Arbeidsbetrekkingen, wordt een gespecialiseerde cel opgericht waarop beroep kan worden gedaan voor juridische en technische hulp ten preventieve titel of in geval van herstructurering van een onderneming met het oog op het zoeken van de meest harmonieuze oplossing voor de sociale gevolgen van de herstructurering, in zoverre deze betrekking hebben op aangelegenheden die binnen de bevoegdheid van hogervermelde federale overheidsdienst vallen. HOOFDSTUK II. - Toekenning van wachtuitkeringen aan de genieters van een individuele beroepsopleiding in een onderneming

Art. 52.In afwijking van artikel 36 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, worden er wachtuitkeringen toegekend aan de werkzoekenden die aan volgende voorwaarden voldoen : 1° ingeschreven staan als niet-werkende werkzoekende bij een gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling op de begindatum van de individuele beroepsopleiding in een onderneming bedoeld in het 2°;2° genieten van een individuele beroepsopleiding in een onderneming, bedoeld bij artikel 27, 6°, van het voornoemde koninklijk besluit van 25 november 1991;3° niet in het bezit zijn van een diploma of een getuigschrift van het hoger onderwijs op de begindatum van de individuele beroepsopleiding in een onderneming bedoeld in het 2°;4° geen werkloosheidsvergoeding ontvangen.

Art. 53.Artikel 4, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 181 van 30 december 1982 tot oprichting van een Fonds ter aanwending van de bijkomende loonmatiging voor de tewerkstelling, wordt aangevuld als volgt : « 3° de wachtuitkeringen bedoeld bij artikel 52 van de programmawet van 8 april 2003 te financieren. »

Art. 54.Vanaf 2004 worden de bij het Tewerkstellingsfonds beschikbare middelen gebruikt om de wachtuitkeringen bedoeld in artikel 52 te financieren.

Art. 55.Vanaf 2004 ontvangt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening elk jaar van het Tewerkstellingsfonds de bedragen die nodig zijn voor de betaling van de wachtuitkeringen bedoeld in artikel 52.

Art. 56.Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 mei 2003. HOOFDSTUK III. - Betaald educatief verlof toegestaan aan werknemers van ten minste 45 jaar oud en aan werknemers die betrokken zijn bij de sluiting van een onderneming

Art. 57.Artikel 114 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, wordt aangevuld met een § 3, luidende : « § 3. In afwijking van § 2 is het bedrag waarop de normale bezoldiging begrensd is vastgelegd op 2.500 euro voor de beroepsopleidingen wat betreft : 1° de werknemers die ten minste 45 jaar oud zijn op 1 januari van het jaar waarin de opleiding gegeven wordt;2° de werknemers betrokken bij de sluiting van een onderneming, voor zover een collectieve arbeidsovereenkomst, zoals in de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités wordt verstaan, dat een sociaal plan omvat, voorziet dat er een beroep gedaan wordt op het betaald educatief verlof. De Koning kan de beroepsopleidingen bedoeld in het eerste lid vaststellen en het bedrag wijzigen dat vastgelegd is in hetzelfde lid. »

Art. 58.Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 mei 2003 wat de beroepsopleidingen betreft die vanaf die datum beginnen. HOOFDSTUK IV. - Uitvoering van het sociaal luik van de aanbevelingen van de parlementaire onderzoekscommissie over het faillissement van Sabena

Art. 59.In artikel 10, eerste lid, 3°, van de faillissementswet van 8 augustus 1997, gewijzigd bij de wet van 4 september 2002, worden de woorden « de individuele rekening voorzien in artikel 4, § 1, 2°, van het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten, » ingevoegd tussen de woorden « het personeelsregister, » en de woorden « de gegevens met betrekking tot het sociaal secretariaat ».

Art. 60.Artikel 40 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 4 september 2002, wordt aangevuld als volgt : « De curatoren werken actief en prioritair mee aan het vaststellen van het bedrag van de aangegeven schuldvorderingen van de werknemers van de gefailleerde onderneming, volgens de bepalingen voorzien bij de artikelen 67, tweede lid, en 68, eerste en vierde lid. »

Art. 61.Artikel 67 van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt : « Uiterlijk drie dagen voor de zitting bepaald voor het afsluiten van het proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen, hebben de curatoren de verplichting om aan elke werknemer die een schuldvordering indiende een advies te overhandigen met kennisgeving van de redenen van betwisting van het principe van de ingediende schuldvordering of een gemotiveerd voorstel te doen tot vaststelling van het totale of provisionele bedrag van de verschuldigde som. Het advies of voorstel wordt geviseerd door de rechter-commissaris. »

Art. 62.Artikel 68, eerste lid, van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt : « Behalve bij andersluidend bericht van de betrokken werknemer, uiterlijk op de zitting bepaald voor het afsluiten van het proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen, wordt het voorstel tot vaststelling van het totale of provisionele bedrag van de schuldvordering zoals voorzien bij artikel 67, tweede lid, aangenomen voor het deel opgenomen in het proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen. »

Art. 63.Artikel 68 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid : « De schuldvorderingen van de werknemers van de gefailleerde, aangenomen in hun geheel of provisioneel, worden onmiddellijk door de curatoren bezorgd aan het Fonds tot vergoeding van de in geval van sluiting van ondernemingen ontslagen werknemers. »

Art. 64.Artikel 19, 3bis, van de hypotheekwet van 16 december 1851, wordt aangevuld als volgt : « Voor dezelfde werknemers, de aanvullende vergoeding waarop zij ten laste van de werkgever recht hebben krachtens de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 afgesloten binnen de Nationale Arbeidsraad, die de toekenning voorziet van een aanvullende vergoeding aan bepaalde oudere werknemers in geval van ontslag, of krachtens een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten in het paritair comité, paritair subcomité of in de onderneming, die gelijkaardige voordelen voorziet als die voorzien door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van de Nationale Arbeidsraad. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en rekening houdende met het maandbedrag van de aanvullende vergoeding, de berekeningswijze vaststellen van het bedrag van de bevoorrechte schuldvordering van deze oudere werknemer. » HOOFDSTUK V. - Werk en opleiding

Art. 65.Artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren, gewijzigd bij de wet van 2 augustus 2002, wordt vervangen als volgt : « § 2. Worden niettemin toegelaten tot het voordeel van dit besluit, de jongeren die een overeenkomst tewerkstelling-opleiding afsluiten die toegang geeft tot de beroepen waartoe de studies vermeld in de lijst van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening voorbereiden, met toepassing van artikel 93, § 1, eerste lid, 6°, van het koninklijk besluit van 25 november 1991, houdende de werkloosheidsreglementering. »

Art. 66.Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 2001. HOOFDSTUK VI. - Plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen

Art. 67.Artikel 8 van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, gewijzigd bij de wetten van 30 maart 1994, 7 april 1999, 2 januari 2001 en 5 maart 2002, wordt aangevuld met een § 11, luidende : « § 11. In afwijking van artikel 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, mogen de personeelsleden die door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening door middel van een arbeidsovereenkomst zijn in dienst genomen, ter beschikking gesteld worden van het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap met het oog op de administratieve organisatie van de activiteiten van het agentschap.

Gedurende de periode waarin het personeelslid bij hem werkt, staat het plaatselijk werkgelegenheidsagentschap in voor de toepassing van de wetgeving inzake de reglementering en de bescherming van de arbeid, welke gelden op de plaats van het werk, overeenkomstig artikel 19, eerste en tweede lid, van hogervermelde wet van 24 juli 1987. » HOOFDSTUK VII. - Harmonisering en vereenvoudiging van de regelingen inzake verminderingen van sociale zekerheidsbijdragen

Art. 68.In artikel 32 van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, gewijzigd door de wet van 2 januari 2001 en de programmawet (I) van 24 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 2, eerste lid, wordt vervangen als volgt : « Het werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, bevoegd voor de hoofdverblijfplaats van de betrokken werkzoekende, attesteert door middel van een startbaankaart dat de jongere voldoet aan de voorwaarden om aangeworven te worden met een startbaanovereenkomst.De Koning bepaalt welke gegevens deze startbaankaart dient te vermelden. Hij kan eveneens bepalen welke bewijsstukken of documenten dienen voorgelegd en/of ingediend bij het voormeld werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening teneinde deze startbaankaart te kunnen bekomen. »; 2° § 2, achtste lid, wordt vervangen als volgt : « Indien de startbaanovereenkomst van een jongere een einde neemt voor de in artikel 27 bepaalde periode verstreken is, dient de jongere een nieuwe startbaankaart aan te vragen bij het werkloosheidsbureau bevoegd voor zijn woonplaats.De Koning bepaalt binnen welke termijn deze nieuwe startbaankaart dient aangevraagd door de jongere en in voorkomend geval door de nieuwe werkgever. Hij bepaalt tevens welke gegevens dienen vermeld te worden op deze nieuwe startbaankaart. De Koning kan eveneens bepalen welke bewijstukken of documenten dienen voorgelegd en/of ingediend bij het werkloosheidsbureau teneinde deze nieuwe startbaankaart te kunnen bekomen. »; 3° § 3 wordt opgeheven.

Art. 69.In de programmawet (I) van 24 december 2002 wordt een artikel 341bis ingevoegd, luidende : «

Art. 341bis.- De werkgevers bedoeld in artikel 335 kunnen aanspraak maken op een doelgroepvermindering tijdens het kwartaal van indienstneming en tijdens een aantal kwartalen die erop volgen naar aanleiding van de aanwerving van een uitkeringsgerechtigde volledige werkloze, een gerechtigde op maatschappelijke integratie of een rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp.

De Koning kan, bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, bepalen wat wordt verstaan onder uitkeringsgerechtigde volledige werkloze, gerechtigde op maatschappelijke integratie en rechthebbende op financiële maatschappelijke hulp. »

Art. 70.Artikel 346 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 346.- De werkgevers bedoeld in artikel 335 kunnen genieten van een doelgroepvermindering tijdens en na de tewerkstelling van jongeren met een startbaanovereenkomst bedoeld in artikel 27 van de wet van 24 december 1999. Zij genieten eveneens van een doelgroepvermindering bij tewerkstelling van jongeren bedoeld in de artikelen 4 en 5bis van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. »

Art. 71.Artikel 362 van dezelfde wet, wordt aangevuld als volgt : « - artikel 7, § 1bis, vierde lid, 3°, van de Besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; - artikel 9, § 4, 2°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. »

Art. 72.In dezelfde wet wordt een artikel 364bis ingevoegd, luidende : «

Art. 364bis.- § 1. In afwijking van artikel 32, § 1, eerste lid, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, kan de werkgever tussen 1 oktober 2003 en 31 december 2003 schriftelijk een startbaanovereenkomst afsluiten met de jongere met wie hij een overeenkomst werk-opleiding heeft die aanleiding geeft tot de vrijstelling van werkgeversbijdragen op basis van artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar en tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever verschuldigd in hoofde van deze jongeren, met een duurtijd gelijk aan de resterende voorziene duur van de overeenkomst werk-opleiding. § 2. In afwijking van artikel 32, § 1, eerste lid, van hogervermelde wet van 24 december 1999, kan de werkgever tussen 1 oktober 2003 en 31 december 2003 schriftelijk een startbaanovereenkomst afsluiten met de leerling die hij tewerkstelt en die aanleiding geeft tot de vrijstelling van werkgeversbijdragen op basis van artikel 5, § 1, van hogervermeld koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986, met een duurtijd gelijk aan de resterende voorziene duur van leer- of stageovereenkomst. »

Art. 73.In dezelfde wet wordt een artikel 372bis ingevoegd, luidende : «

Art. 372bis.- De werkgever die voor 1 januari 2004 een werknemer aanwierf die voldeed aan de voorwaarden tot de verkrijging van de vermindering bedoeld in artikel 9, § 4, 2°, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, kan vanaf 1 januari 2004 van de doelgroepvermindering bedoeld in onderafdeling 3 van afdeling 3, genieten.

Deze wordt hem toegestaan binnen de voorwaarden en regels vastgesteld door de Koning, rekeninghoudend met het aantal kwartalen waarvoor hij de vermindering genoten heeft. » HOOFDSTUK VIII. - Wijziging van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid

Art. 74.In artikel 39, § 5, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, wordt tussen het eerste en het tweede lid het volgende lid ingevoegd : « Voor de toepassing van dit hoofdstuk en van zijn uitvoeringsbesluiten compenseert de tewerkstelling van jongeren zoals bepaald bij artikel 23, § 1, 5°, evenwel het ontslag van personeel dat van brugpensioen geniet en vormt ze dus geen bijkomende tewerkstelling. ». HOOFDSTUK IX. - Wijziging van de wet van 1 april 2003 houdende uitvoering van het interprofessioneel akkoord voor de periode 2003-2004

Art. 75.Artikel 15 van de wet van 1 april 2003 houdende uitvoering van het interprofessioneel akkoord voor de periode 2003-2004, wordt aangevuld met het volgende lid : « Het bedrag van hogervermelde bijdrage wordt verdubbeld, behalve wanneer de collectieve arbeidsovereenkomst, het collectief of individueel akkoord of toezegging uitdrukkelijk bepalen dat het in het eerste lid bedoeld conventioneel brugpensioen of de in het tweede lid bedoelde vergoeding verder uitbetaald worden in geval van werkhervatting door de betrokkene. ».

Art. 76.Artikel 16 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid : « Het bedrag van hogervermelde bijdrage wordt verdubbeld, behalve wanneer de collectieve arbeidsovereenkomst, het collectief of individueel akkoord of toezegging uitdrukkelijk bepalen dat het in het eerste lid bedoeld conventioneel brugpensioen op de in het vijfde lid bedoelde vergoeding verder uitbetaald worden in geval van werkhervatting door de betrokkene. »

Art. 77.In artikel 268, § 1, tweede lid, van de programmawet van 22 december 1989, vervangen bij de wet van 1 april 2003 , worden de woorden « of zou kunnen genieten indien hij het werk niet had hervat bij een andere werkgever, » geschrapt.

Art. 78.In artikel 141, § 1, vijfde lid, van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen, vervangen bij de wet van 1 april 2003, worden de woorden « of zou kunnen genieten indien hij het werk niet had hervat bij een andere werkgever, » geschrapt.

Art. 79.In artikel 1, eerste lid, 4°, van het koninklijk besluit nr. 33 van 30 maart 1982 betreffende een inhouding op invaliditeitsuitkeringen en brugpensioenen, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 21 maart 1997 en vervangen bij de wet van 1 april 2003 , worden de woorden « of zou kunnen genieten indien hij het werk niet had hervat bij een andere werkgever, » geschrapt.

Art. 80.Artikel 50, § 1, eerste lid, 3°, van de wet van 30 maart 1994 houdende sociale bepalingen, vervangen bij de wet van 1 april 2003 , worden de woorden « of zou kunnen genieten indien hij het werk niet had hervat bij een andere werkgever, » geschrapt.

Art. 81.Artikel 111, § 1, van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, wordt aangevuld als volgt : « Wordt met het in het eerste lid bedoelde conventioneel brugpensioen gelijkgesteld, overeenkomstig de bij een in de Ministerraad overlegd besluit door de Koning vastgelegde voorwaarden en nadere regelen, de vergoeding, die in totaal ten minste 7 436,80 EUR kan bedragen ongeacht of deze periodiek of niet-periodiek wordt betaald, die door de werkgever rechtstreeks of onrechtstreeks wordt toegekend aan de gewezen werknemer die werkloosheidsuitkeringen als volledig werkloze geniet voor zover deze vergoeding bij de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers niet als loon wordt beschouwd. Voor de vaststelling van het bedrag van deze vergoeding wordt rekening gehouden met het maximaal voordeel dat de werknemer zou kunnen ontvangen, zonder dat het vereist is dat de voorwaarden om dit maximaal voordeel te kunnen ontvangen, werkelijk worden vervuld. »

Art. 82.Artikel 21 van de wet van 1 april 2003 houdende uitvoering van het interprofessioneel akkoord voor de periode 2003-2004, ondertekend op 17 januari 2003, wordt opgeheven.

Art. 83.De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van de artikelen 77 tot 82. HOOFDSTUK X. - Pool van de Zeelieden ter Koopvaardij

Art. 84.In artikel 17bis van het koninklijk besluit van 18 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de ontbinding van de Regie voor Maritiem Transport ter uitvoering van artikel 3, § 1, 6°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, ingevoegd bij de wet van 26 maart 1999, worden de woorden « van en naar België » vervangen door de woorden « van en naar een lidstaat van de Europese Unie ».

Art. 85.Artikel 3bis van de wet van 25 februari 1964 houdende inrichting van een Pool van de Zeelieden ter Koopvaardij, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 18 februari 1997 en gewijzigd bij de wet van 26 maart 1999, wordt vervangen als volgt : «

Art. 3bis.- De werknemers bedoeld in artikel 15 van het koninklijk besluit van 18 februari 1997 houdende maatregelen met het oog op de ontbinding van de Regie voor Maritiem Transport ter uitvoering van artikel 3, § 1, 6°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie die verbonden zijn met een arbeidsovereenkomst met één van de vennootschappen bedoeld in artikel 13, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, worden ingeschreven in de Pool.

De varende werknemers die met een na 1 januari 1997 afgesloten arbeidsovereenkomst verbonden zijn met één van de vennootschappen bedoeld in artikel 13, § 1, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit van 18 februari 1997, die de vervoerverplichtingen van de Regie hebben overgenomen, en die tewerkgesteld zijn aan boord van schepen door deze vennootschappen of ondernemingen uitgerust voor transport over zee van en naar een lidstaat van de Europese Unie, worden eveneens ingeschreven in de Pool. Deze werknemers kunnen aangeworven worden buiten de bij de Pool ingeschreven personen.

Voor de toepassing van het tweede lid worden met de vennootschappen bedoeld in artikel 13, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, die de vervoerverplichtingen van de Regie hebben overgenomen, gelijkgesteld de ondernemingen die met dergelijke vennootschap verbonden zijn, er mee geassocieerd zijn of er een deelnemingsverhouding mee hebben in de zin van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen, dan wel de vennootschappen die met dergelijke vennootschap onder centrale leiding staan in de zin van artikel 10, § 3, van het Wetboek van Vennootschappen. »

Art. 86.Artikel 4, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 18 februari 1997, wordt opgeheven.

Art. 87.In het artikel 86, § 1, 1°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 februari 1997 en de wet van 26 maart 1999, worden de woorden « van en naar België » vervangen door de woorden « van en naar een lidstaat van de Europese Unie ».

Art. 88.Artikel 2quater, laatste zin, van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij, ingevoegd bij de wet van 26 maart 1999, wordt vervangen als volgt : « Het toepassingsgebied van deze besluitwet wordt eveneens uitgebreid tot de varende werknemers die met een na 1 januari 1997 gesloten arbeidsovereenkomst verbonden zijn met één van de vennootschappen bedoeld in artikel 13, § 1, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit van 18 februari 1997, die de vervoerverplichtingen van de Regie hebben overgenomen, en die tewerkgesteld zijn aan boord van schepen door deze vennootschappen of ondernemingen uitgerust voor transport over zee van en naar een lidstaat van de Europese Unie.

Voor de toepassing van het eerste lid worden met de vennootschappen bedoeld in artikel 13, § 1, eerste lid, van hetzelfde besluit, die de vervoerverplichtingen van de Regie hebben overgenomen, gelijkgesteld de ondernemingen die met dergelijke vennootschap verbonden zijn, er mee geassocieerd zijn of er een deelnemingsverhouding mee hebben in de zin van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen, dan wel de vennootschappen die met dergelijke vennootschap onder centrale leiding staan in de zin van artikel 10, § 3, van het Wetboek van Vennootschappen. ».

Art. 89.In artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 februari 1997 houdende diverse maatregelen ten gunste van de statutaire personeelsleden van de Regie voor Maritiem Transport ter uitvoering van artikel 3, § 1, 6°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, gewijzigd bij de wet van 26 juni 1997, wordt aangevuld met het volgende lid : « Hetzelfde geldt voor de personeelsleden van de Afzonderlijke Personeelsformatie van de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, voor zover zij vallen onder een specifiek stelsel van verlof voorafgaand aan pensionering waarin zij toegetreden zijn. » HOOFDSTUK XI. - Oprichting van het Kringloopfonds

Art. 90.De Federale Investeringsmaatschappij wordt gelast om, in uitvoering van artikel 2, § 3, van de wet van 2 april 1962 betreffende de Federale Investeringsmaatschappij, binnen de zestig dagen na de inwerkingtreding van deze wet, een gespecialiseerde vennootschap, hierna Kringloopfonds genoemd, op te richten in de zin van de artikelen 2, § 3, en 2ter, eerste en tweede lid, van dezelfde wet en die tot doel zal hebben de in de artikel 91 bepaalde opdrachten uit te voeren.

De Staat verschaft aan de Federale Investeringsmaatschappij de financiële middelen die nodig zijn voor de vervulling van deze opdrachten en voor de dekking van de lasten die er uit voortvloeien.

Art. 91.§ 1. Het Kringloopfonds heeft tot doel, met inachtneming van de bepalingen van de wet van 26 juni 2001 houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 4 juli 2000 tussen de Federale Staat, het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de sociale economie, iedere vorm van tussenkomst ten behoeve van activiteiten uit de sociale en duurzame economie en met name de deelneming in het kapitaal of het verstrekken van leningen.

De activiteit die de tussenkomst rechtvaardigt is deze ontwikkeld door iedere vennootschap die de vorm van één van de maatschappijen opgesomd onder artikel 2, § 2, van het Wetboek van Vennootschappen heeft aangenomen of door iedere vereniging zonder winstoogmerk mits deze activiteit de basisprincipes toepast, vermeld in artikel 1, § 2, 1°, van het samenwerkingsakkoord van 4 juli 2000 tussen de Staat, de Gewesten en de Duitstalige Gemeenschap, betreffende de sociale economie, goedgekeurd door de wet van 26 juni 2001. § 2. Om dit doel te bereiken maakt het Kringloopfonds gebruik van de financiële technieken vermeld in artikel 2, §§ 1 en 2, van de wet van 2 april 1962 betreffende de Federale Investeringsmaatschappij. § 3. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de Federale Raad voor Sociale Economie en de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling, de vorm en de statuten van het Kringloopfonds. Het advies dient binnen de dertig dagen, te rekenen vanaf de datum van de aanvraag van het advies, te worden uitgebracht.

Art. 92.§ 1. Het op te richten Kringloopfonds krijgt een maatschappelijk kapitaal van 100 000 EUR toegekend. § 2. Het Kringloopfonds mag bovendien, conform artikel 3, § 1, van de wet van 2 april 1962 betreffende de Federale Investeringsmaatschappij, beroep doen op leningen of obligaties op naam met een looptijd van minimum 5 jaar uitgeven. De permanente omvang van zijn schuldpositie wordt beperkt tot maximum 75.000.000 EUR. De staatswaarborg kan worden verleend aan leners of aan obligatiehouders onder de voorwaarden van artikel 3, §§ 2 en 3, van dezelfde wet ten belope van de bedragen voor hun hoofdsom, interesten en andere kosten. § 3. Ten minste zeventig procent van de middelen van het Kringloopfonds zullen moeten worden geïnvesteerd in de sociale en duurzame economie.

Art. 93.De leden van de raad van bestuur van het Kringloopfonds worden benoemd door de algemene vergadering uit kandidaten voorgedragen door de minister tot wiens bevoegdheid de Sociale Economie behoort, de minister tot wiens bevoegdheid de Duurzame Ontwikkeling behoort en de minister tot wiens bevoegdheid de Financiën behoort.

Art. 94.Een tussen de Staat en het Kringloopfonds gesloten beheerscontract bepaalt de nadere voorwaarden waaronder de vennootschap haar opdracht uitvoert. De bewoordingen van dit contract alsook van iedere wijziging worden goedgekeurd door de minister tot wiens bevoegdheid de Sociale Economie behoort en de minister tot wiens bevoegdheid de Duurzame Ontwikkeling behoort.

Dit beheerscontract wordt onmiddellijk na de ondertekening ter kennis gebracht van de Kamer van volksvertegenwoordigers.

Art. 95.De obligaties op naam uitgegeven door het Kringloopfonds krijgen een gewaarborgde vergoeding die niet lager is dan de rentevoet van de lineaire obligaties (OLO) met een termijn van vijf jaar, bekendgemaakt zeven dagen voor de uitgiftedatum.

Art. 96.Het uitgeven van obligaties op naam door het Kringloopfonds moet gepaard gaan met een clausule die het Kringloopfonds toelaat de ingeschreven obligaties af te kopen als de houder ervan sterft vóór de vervaldag van de termijn van de terugbetaling. In dit geval gebeurt de afkoop via de betaling van het nominale bedrag van de obligatie verhoogd met de conventionele rente die op basis van de resterende termijn tot de afloop van de terugbetaling is gekapitaliseerd.

Art. 97.§ 1. Het Kringloopfonds staat onder het toezicht van de minister tot wiens bevoegdheid de Sociale Economie behoort, onverminderd de bevoegdheden van de Minister van Financiën en de minister bevoegd voor de Federale Investeringsmaatschappij in de materies die hen betreffen. Dit toezicht wordt uitgevoerd door een regeringscommissaris die op de naleving van de wet, de statuten en het beheerscontract toeziet. § 2. De regeringscommissaris wordt, na advies van de minister tot wiens bevoegdheid de Duurzame Ontwikkeling behoort, door de Koning benoemd en ontslagen op voorstel van de minister tot wiens bevoegdheid de Sociale Economie behoort. De regeringscommissaris brengt aan de in § 1 bedoelde ministers verslag uit. § 3. De regeringscommissaris wordt op alle vergaderingen van de bestuursorganen van het Kringloopfonds uitgenodigd, waarin hij met raadgevende stem zetelt. Op elk moment kan hij, zonder verplaatsing, kennis nemen van alle boeken en documenten van de vennootschap. Hij kan alle inlichtingen aan haar beheerders, agenten en beambten vragen en kan ook alle verificaties uitvoeren die hij noodzakelijk acht. Elk trimester geeft de raad van bestuur hem een stand van het vermogen opgemaakt volgens het schema van de balans en de resultatenrekeningen. § 4. De regeringscommissaris kan elke beslissing van de bestuursorganen van het Fonds die volgens hem in strijd is met de wet, de statuten of het beheerscontract schorsen en voorleggen aan de minister tot wiens bevoegdheid de Sociale Economie behoort. Hiervoor beschikt hij over een termijn van vier volle dagen vanaf de datum van de vergadering waarop de beslissing werd genomen voor zover hij er regelmatig voor opgeroepen is geweest en, indien dit niet het geval is, vanaf de dag waarop hij er kennis van heeft genomen. De beslissing kan slechts worden uitgevoerd indien de betrokken minister er zich binnen acht volle dagen, te rekenen vanaf het einde van de schorsingstermijn, niet tegen verzet heeft. § 5. De regeringscommissaris zal vóór 31 maart van elk jaar een rapport opmaken ten behoeve van de federale regering waarin hij verslag uitbrengt over de aanwending en de verdeling van de middelen van het Kringloopfonds in het afgelopen kalenderjaar, waarbij in het bijzonder aandacht wordt besteed aan de vraag van het publiek naar dergelijke ethische beleggingen, de noden van de sector van de sociale economie aan financiële middelen en de kwaliteit van de projecten in de sociale economie die aan het Kringloopfonds zijn voorgelegd.

Art. 98.De controle van de financiële toestand van het Kringloopfonds, van haar jaarrekeningen en van de regelmatigheid ten opzichte van de wet en de statuten wordt toevertrouwd aan één of meerdere commissarissen-revisor aangesteld door de algemene vergadering.

Art. 99.De minister tot wiens bevoegdheid de Sociale Economie behoort, kan het bestuursorgaan van het Kringloopfonds vragen te beraadslagen over alle materies die hij vaststelt en dit binnen de termijn die hij bepaalt. HOOFDSTUK XII. - Wijziging van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten - Sociale voorkeuren in overheidsopdrachten

Art. 100.Artikel 5 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, wordt aangevuld met het volgend lid : « Een overheidsopdracht kan meerdere voorwerpen hebben die tezelfdertijd betrekking kunnen hebben op werken, leveringen en diensten. »

Art. 101.In artikel 16 van dezelfde wet worden de woorden « De gunningscriteria moeten betrekking hebben op het onderwerp van de opdracht, bijvoorbeeld de kwaliteit van de producten of prestaties, de prijs, de technische waarde, het esthetisch en functioneel karakter, de milieukenmerken, sociale en ethische overwegingen, de kosten van het gebruik, de rentabiliteit, de dienst na-verkoop et de technische bijstand, de leveringsdatum en de termijn van levering of uitvoering. » ingevoegd tussen de woorden « in de aankondiging van de opdracht. » en de woorden « Behalve wanneer het bestek hierover anders beschikt ».

Art. 102.In dezelfde wet wordt een artikel 18bis ingevoegd, luidende : «

Art. 18bis.- § 1. Een aanbestedende overheid kan, overeenkomstig de beginselen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, uitvoeringsvoorwaarden inzake overheidsopdrachten opleggen die het mogelijk maken rekening te houden met sociale en ethische doelstellingen, alsook uitvoeringsvoorwaarden inzake de verplichting tot het verstrekken van opleidingen aan werklozen en jongeren of rekening te houden met de verplichting tot het naleven, in hoofdzaak, van de bepalingen van de basisconventies van de Internationale Arbeidsorganisatie, in de veronderstelling dat die niet reeds worden toegepast in het land van oorsprong van de kandidaat of inschrijver. § 2. Een aanbestedende overheid kan de deelname aan een gunningsprocedure van een overheidsopdracht die niet onderworpen is aan verplichtingen die voortvloeien uit de Europese richtlijnen of uit een internationale akte inzake overheidsopdrachten voorbehouden aan beschutte werkplaatsen of sociale inschakelingsondernemingen, overeenkomstig de beginselen van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Met beschutte werkplaats wordt bedoeld : de onderneming waarvan de meeste werknemers, omwille van de aard of de ernst van hun handicap, geen beroepsactiviteiten kunnen uitoefenen in normale omstandigheden.

Met sociale inschakelingsonderneming wordt bedoeld : de onderneming die voldoet aan de voorwaarden van artikel 59 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgische actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, of die aan gelijkaardige voorwaarden voldoet in het land van oorsprong van de kandidaat of inschrijver. »

Art. 103.In artikel 41 van dezelfde wet worden de woorden « 18 en 19 » vervangen door de woorden « 18, 18bis en 19 ».

TITEL V. - Financiën HOOFDSTUK I. - Wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 ter bevordering van de opvang van kinderen van minder dan 3 jaar

Art. 104.In titel II, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling III, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een artikel 52bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Art. 52bis.- De sommen die een belastingplichtige, die in artikel 23, § 1, 1° en 2°, vermelde winst of baten verkrijgt, werkelijk heeft betaald ten gunste van een collectieve voorziening voor kinderdagopvang, worden onder de volgende voorwaarden als beroepskosten aangemerkt : 1° de opvangvoorziening is erkend of gesubsidieerd door of staat onder toezicht van Kind en Gezin, het Office de la naissance et de l'enfance of de Executieve van de Duitstalige Gemeenschap;2° de sommen zijn rechtstreeks of door tussenkomst van de in 1° vermelde bevoegde instelling aan de opvangvoorziening gestort overeenkomstig de toepasselijke reglementering van de betreffende gemeenschap;3° de sommen worden door de opvangvoorziening gebruikt om werkingskosten en uitgaven voor infrastructuur of voor uitrusting te financieren die nodig zijn voor het creëren, vanaf 1 januari 2003, van opvangplaatsen voor kinderen van minder dan drie jaar, die voldoen aan de door de betreffende gemeenschap gestelde voorwaarden, of voor het behoud van de aldus gecreëerde plaatsen;4° de sommen mogen niet worden gebruikt voor de betaling van de normale tussenkomst van de ouders voor de oppas van hun kinderen; 5° de sommen die als beroepskosten in aanmerking kunnen worden genomen, mogen per belastbaar tijdperk niet meer bedragen dan 5.250 EUR per in 3° vermelde opvangplaats; 6° de bevoegde instelling verstrekt jaarlijks per opvangvoorziening aan de belastingplichtige die de sommen heeft gestort, een document waarin ze verklaart dat aan de voorwaarden vermeld in dit artikel is voldaan en waarin ze zowel het bedrag dat is gebruikt voor het creëren of behouden van in 3° vermelde opvangplaatsen, als het aantal desbetreffende plaatsen opgeeft.»

Art. 105.Dit hoofdstuk is van toepassing op de sommen die werkelijk werden betaald vanaf 1 januari 2003. HOOFDSTUK II. - Investeringen in beveiliging

Art. 106.Artikel 69, § 1, eerste lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij de wet van 28 juli 1992 en gewijzigd bij de wet van 20 december 1995, wordt vervangen als volgt : « 2° het basispercentage wordt verhoogd met 10 percentpunten met betrekking tot : a) de octrooien;b) de vaste activa die worden gebruikt ter bevordering van het onderzoek en de ontwikkeling van nieuwe producten en toekomstgerichte technologieën die geen effect hebben op het leefmilieu of die beogen het negatieve effect op het leefmilieu zoveel mogelijk te beperken;c) de vaste activa die dienen voor een rationeler energieverbruik, voor de verbetering van de industriële processen uit energetische overwegingen en, in het bijzonder, voor de terugwinning van energie in de industrie;d) de materiële vaste activa die dienen voor een beveiliging van de beroepslokalen en waarvan de installatie werd aanbevolen en goedgekeurd door de ambtenaar belast met de adviezen inzake techno-preventie in de politiezone waar die activa worden gebruikt.»

Art. 107.Artikel 201 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 juli 1992 en gewijzigd bij de wet van 4 mei 1999 en bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt aangevuld met een vijfde lid, dat luidt als volgt : « In het in artikel 69, § 1, eerste lid, 2°, d, vermelde geval is de investeringsaftrek slechts van toepassing met betrekking tot de in het eerste lid, 1°, vermelde binnenlandse vennootschappen. »

Art. 108.De artikelen 106 en 107 treden in werking vanaf aanslagjaar 2004.

Art. 109.Elke wijziging die vanaf 29 januari 2003 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van de artikelen 106 en 107. HOOFDSTUK III. - Fiscaal voordeel Maatregelen in het kader van het grootstedenbeleid

Art. 110.A. In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een onderafdeling IIsexies ingevoegd, dat luidt als volgt : « Onderafdeling IIsexies. - Vermindering voor uitgaven voor vernieuwing van woningen gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid

Art. 14525.- Er wordt een belastingvermindering verleend voor de uitgaven die tijdens het belastbare tijdperk werkelijk zijn betaald voor de vernieuwing van een woning gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid en waarvan de belastingplichtige eigenaar, bezitter, erfpachter, opstalhouder of vruchtgebruiker is.

Een zone voor positief grootstedelijk beleid is een gemeente of een afgebakend deel van een gemeente waar het woon- en leefklimaat moet worden verbeterd door specifieke maatregelen. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op basis van een wetenschappelijke studie, de zones voor positief grootstedelijk beleid voor een periode van 6 kalenderjaren. Een hernieuwing van de periode is mogelijk na een nieuwe wetenschappelijke studie.

De belastingvermindering wordt verleend onder de volgende voorwaarden : 1° op het ogenblik van de uitvoering van de werken is die woning de enige woning van de belastingplichtige;2° de woning is op het ogenblik van de aanvang van de werken sedert ten minste vijftien jaar in gebruik genomen; 3° de totale kostprijs van de werken, inclusief de belasting over de toegevoegde waarde, bedraagt ten minste 2.500 EUR; 4° de dienstverrichtingen met betrekking tot die werken worden verricht door een persoon die op het ogenblik van het sluiten van het aannemingscontract als aannemer is geregistreerd overeenkomstig artikel 401. De belastingvermindering is niet van toepassing op uitgaven die : a) in aanmerking komen voor de bepaling van de verantwoorde beroepskosten;b) recht geven op de in artikel 69 vermelde investeringsaftrek;c) in aanmerking komen voor de toepassing van artikel 104, 8°, of 14524. De belastingvermindering is gelijk aan 15 pct. van de werkelijk gedane uitgaven.

Het totaal van de belastingvermindering mag per belastbaar tijdperk niet meer dan 500 EUR per woning bedragen.

Wanneer een aanslag wordt gevestigd overeenkomstig artikel 126, §§ 1 en 2, wordt de belastingvermindering evenredig omgedeeld in functie van het aandeel van elk der echtgenoten in het kadastraal inkomen van de woning waaraan de werken zijn uitgevoerd.

De Koning bepaalt de aard van de in het tweede lid, 4°, bedoelde dienstverrichtingen en de toepassingsmodaliteiten van de vermindering. » B. In hetzelfde artikel 14525, zevende lid, worden de woorden « Wanneer een aanslag wordt gevestigd overeenkomstig artikel 126, §§ 1 en 2, » vervangen door de woorden « Bij een gemeenschappelijke aanslag ».

Art. 111.Artikel 494 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt aangevuld met een § 6, dat luidt als volgt : « § 6. In afwijking van § 5 hebben, voor de toepassing van dit Wetboek, de bepalingen van titel VI, hoofdstuk I, afdeling II, uitgezonderd, de uit een herschatting voortspruitende verhoging van de kadastrale inkomens slechts uitwerking vanaf de eerste dag van het zesde jaar dat volgt op het feit waarvan de aangifte bij artikel 473 is voorgeschreven.

Het eerste lid geldt enkel voor de in § 1, 2° en 3°, vermelde herschattingen die betrekking hebben op onroerende goederen die volledig zijn gelegen in een zone voor positief grootstedelijk beleid in de zin van artikel 14525.

Aan de periode van 6 jaar komt een einde bij de eerstvolgende algemene perequatie. »

Art. 112.Artikel 110, A, treedt in werking vanaf aanslagjaar 2004.

Artikel 111 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2003.

Artikel 110, B, treedt in werking vanaf aanslagjaar 2005. HOOFDSTUK IV. - Belastingvermindering voor de verwerving van obligaties uitgegeven door het Kringloopfonds

Art. 113.In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een onderafdeling IIsepties ingevoegd, die luidt als volgt : « Onderafdeling IIsepties. - Vermindering voor de verwerving van obligaties uitgegeven door het Kringloopfonds - Terugname van de vermindering

Art. 14526.- § 1. In geval van inschrijving op obligaties met een looptijd van 60 maanden die door het Kringloopfonds op naam worden uitgegeven, wordt een belastingvermindering verleend voor de sommen die tijdens het belastbare tijdperk zijn gestort voor de verwerving ervan.

De belastingvermindering wordt verleend onder de volgende voorwaarden en modaliteiten : 1° de obligaties moeten, behalve bij overlijden, gedurende de volledige periode in het bezit blijven van de inschrijver;2° bij vervreemding binnen de periode van 60 maanden heeft de nieuwe bezitter geen recht op de belastingvermindering;3° bij overlijden van de inschrijver betaalt het Kringloopfonds aan de rechtverkrijgenden het volledig bedrag van de obligaties uit, met inbegrip van het evenredig deel van de verlopen, maar nog niet uitgekeerde interesten.De voorheen verkregen belastingvermindering blijft behouden; 4° de inschrijver legt tot staving van zijn aangifte in de personenbelasting het in § 3 vermelde document over. De belastingvermindering is gelijk aan 5 pct. van de werkelijk gedane betalingen.

Het totaal van de belastingvermindering mag per belastbaar tijdperk niet meer dan 210 EUR bedragen.

Elke echtgenoot heeft recht op de vermindering indien de obligaties op zijn persoonlijke naam zijn uitgegeven. § 2. Wanneer de in § 1, tweede lid, 1°, gestelde voorwaarde niet is nageleefd in een van de jaren volgend op het jaar van storting, omdat de inschrijver de obligaties uitgegeven door het Kringloopfonds heeft vervreemd binnen 60 maanden na de verwerving ervan, wordt de belasting met betrekking tot de inkomsten van dat jaar vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan zoveel maal één zestigste van de overeenkomstig § 1 werkelijk verkregen belastingvermindering, als er volle maanden overblijven tot het einde van de periode van 60 maanden. § 3. Het Kringloopfonds stelt jaarlijks, vóór 31 maart van het aanslagjaar, een document op en zendt een exemplaar aan de inschrijver en een ander aan de belastingsdienst waarvan hij afhangt, met daarin : - voor het jaar van verwerving : de bedragen die recht geven op de vermindering en het bedrag van de toe te passen vermindering, alsmede de bevestiging dat de obligaties op 31 december van het betreffende jaar nog steeds in het bezit zijn van de inschrijver; - voor het jaar van overlijden van de inschrijver : het bedrag dat aan de rechtverkrijgenden is uitgekeerd ingevolge de verplichte uitbetaling, en het bedrag van het evenredig deel van de verlopen, maar nog niet uitgekeerde interesten; - voor het jaar waarin de termijn van 60 maanden verstrijkt : naargelang het geval, de bevestiging dat de obligaties ofwel in het bezit zijn gebleven van de inschrijver tot het einde van de termijn, ofwel zijn vervreemd vóór het verstrijken van de termijn met opgave van de nog niet verlopen maanden die in aanmerking komen voor de berekening van de terugname van de vermindering; - voor het jaar van vervreemding : het aantal nog niet verlopen maanden die in aanmerking komen voor de berekening van de terugname van de vermindering. » HOOFDSTUK V. - Collectieve beslissing over massaal bezwaarschrift

Art. 114.In titel VII, hoofdstuk VI, afdeling I van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een artikel 376bis ingevoegd, dat luidt als volgt : «

Art. 376bis.- De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde kan, met één enkele met redenen omklede beslissing, een geheel van administratieve beroepen afwijzen die uitsluitend steunen op een bezwaar voortvloeiend uit de ongrondwettelijkheid van een bepaling van dit Wetboek, wanneer het Arbitragehof, gevat door hetzelfde bezwaar, het vernietigingsberoep tegen de aangevochten bepaling heeft verworpen of een prejudicieel arrest heeft geveld die de geldigheid van deze bepaling heeft vastgesteld.

De beslissing wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad . De publicatie geldt als betekening van de beslissing.Deze beslissing is onherroepelijk behalve tegenover hem die een rechtsvordering instelt voor de rechtbank van eerste aanleg binnen de termijn vastgesteld door artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek. » HOOFDSTUK VI. - Wijziging van het Wetboek van de met inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen

Art. 115.In artikel 2, eerste lid, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, vervangen door het koninklijk besluit van 29 maart 1994 en gewijzigd door de wetten van 22 december 1998 en 4 mei 1999, worden de woorden « 366 tot 378 » vervangen door de woorden « 366 tot 379 ». HOOFDSTUK VII. - Belastingvermindering voor de verwerving van obligaties uitgegeven door het Startersfonds

Art. 116.In titel II, hoofdstuk III, afdeling I, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt een onderafdeling IIocties ingevoegd, die luidt als volgt : « Onderafdeling IIocties. - Vermindering voor de verwerving van obligaties uitgegeven door het Startersfonds - Terugname van de vermindering

Art. 14527.- § 1. In geval van inschrijving op obligaties met een looptijd van zestig maanden die door het Startersfonds op naam worden uitgegeven, wordt een belastingvermindering verleend voor de sommen die tijdens het belastbare tijdperk zijn gestort voor de verwerving ervan.

De belastingvermindering wordt verleend onder de volgende voorwaarden en modaliteiten : 1° de obligaties moeten, behalve bij overlijden, gedurende de volledige periode in het bezit blijven van de inschrijver;2° bij vervreemding binnen de periode van 60 maanden heeft de nieuwe bezitter geen recht op de belastingvermindering;3° bij overlijden van de inschrijver betaalt het Startersfonds aan de rechtverkrijgenden het volledig bedrag van de obligaties uit, met inbegrip van het evenredig deel van de verlopen, maar nog niet uitgekeerde interesten.De voorheen verkregen belastingvermindering blijft behouden; 4° de inschrijver legt tot staving van zijn aangifte in de personenbelasting het in § 3 vermelde document over. De belastingvermindering is gelijk aan 5 pct. van de werkelijk gedane betalingen.

Het totaal van de belastingvermindering mag per belastbaar tijdperk niet meer dan 210 EUR bedragen.

Elke echtgenoot heeft recht op de vermindering indien de obligaties op zijn persoonlijke naam zijn uitgegeven. § 2. Wanneer de in § 1, tweede lid, 1°, gestelde voorwaarde niet is nageleefd in een van de jaren volgend op het jaar van storting, omdat de inschrijver de obligaties uitgegeven door het Startersfonds heeft vervreemd binnen 60 maanden na de verwerving ervan, wordt de belasting met betrekking tot de inkomsten van dat jaar vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan zoveel maal één zestigste van de overeenkomstig § 1 werkelijk verkregen belastingvermindering, als er volle maanden overblijven tot het einde van de periode van 60 maanden. § 3. Het Startersfonds stelt jaarlijks, vóór 31 maart van het aanslagjaar, een document op en zendt een exemplaar aan de inschrijver en een ander aan de belastingsdienst waarvan hij afhangt, met daarin : - voor het jaar van verwerving : de bedragen die recht geven op de vermindering en het bedrag van de toe te passen vermindering, alsmede de bevestiging dat de obligaties op 31 december van het betreffende jaar nog steeds in het bezit zijn van de inschrijver; - voor het jaar van overlijden van de inschrijver : het bedrag dat aan de rechtverkrijgenden is uitgekeerd ingevolge de verplichte uitbetaling, en het bedrag van het evenredig deel van de verlopen, maar nog niet uitgekeerde interesten; - voor het jaar waarin de termijn van 60 maanden verstrijkt : naargelang het geval, de bevestiging dat de obligaties ofwel in het bezit zijn gebleven van de inschrijver tot het einde van de termijn, ofwel zijn vervreemd vóór het verstrijken van de termijn met opgave van de nog niet verlopen maanden die in aanmerking komen voor de berekening van de terugname van de vermindering; - voor het jaar van vervreemding : het aantal nog niet verlopen maanden die in aanmerking komen voor de berekening van de terugname van de vermindering. HOOFDSTUK VIII. - Wijziging van de programmawet (I) van 24 december 2002

Art. 117.In artikel 385 van de programmawet (I) van 24 december 2002 wordt na het eerste lid het volgende lid ingevoegd : « De in het eerste lid bedoelde vrijstelling van storting, van de bedrijfsvoorheffing kan ook worden toegekend aan de wetenschappelijke instellingen die daartoe worden erkend bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en die bezoldigingen uitbetalen of toekennen ofwel aan assistent-onderzoekers ofwel aan postdoctorale onderzoekers. » HOOFDSTUK IX. - Wijziging van de wet van 30 december 2002 houdende fiscale bepalingen op het stuk van milieutaksen en ecobonussen

Art. 118.In artikel 369bis van de wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale Staatsstructuur, gewijzigd bij de wet van 30 december 2002, wordt het tweede lid opgeheven.

Art. 119.In artikel 370 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 7 maart 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht : A) de bepaling onder 2° wordt als volgt vervangen : « De waters, inbegrepen de minerale waters en de gashoudende waters, aangevuld met suiker of andere zoet- of smaakstoffen, en andere niet alcoholische dranken, als bedoeld in de wet van 13 februari 1995 met betrekking tot het accijnsstelsel van alcoholvrije dranken, alsmede van alcoholvrije bieren, alcoholvrije wijnen, de alcoholvrije tussenproducten en de vruchtennectars; » B) de bepaling onder 9° vervalt.

Art. 120.In artikel 371 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 30 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht : A) het punt c) van § 2 en het punt b) van § 4 vervallen;

B) de bepaling onder 1° van § 3 vervalt.

Art. 121.Artikel 391 van dezelfde wet, gewijzigd door de wet van 30 december 2002, wordt vervangen door de volgende bepaling : «

Art. 391.- § 1. De producten die voor een milieutaks in aanmerking komen, kunnen worden voorzien van een kenteken waaruit duidelijk blijkt ofwel dat zij daadwerkelijk onderworpen zijn aan een milieutaks en wat het bedrag van die milieutaks is, ofwel de reden van de vrijstelling of het bedrag van het statiegeld, om te zorgen voor het fiscaal toezicht en om de consument te informeren over de aard van de milieutaksregeling die op die producten van toepassing is. § 2. De Minister van Financiën regelt de wijze van uitvoering van dit artikel. »

Art. 122.De wet van 30 december 2002 houdende diverse fiscale bepalingen op het stuk van milieutaksen en ecobonussen treedt in werking op 1 april 2003, met uitzondering van de artikelen 1 tot 9, 11 voor zover het een paragraaf invoegt in artikel 371, en 12 tot 34, die in werking treden op 1 juli 2003. HOOFDSTUK X. - Afzonderlijke taxatie van het vervroegd uitbetaald vakantiegeld

Art. 123.Artikel 171, 6°, eerste streepje, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wordt vervangen als volgt : « - het vakantiegeld dat, tijdens het jaar dat de werknemer zijn werkgever verlaat, is opgebouwd en aan hem wordt betaald; ».

Art. 124.Dit hoofdstuk heeft uitwerking vanaf aanslagjaar 2003.

TITEL VI. - Begroting HOOFDSTUK I. - Begrotingsfonds voor het prefinancieren van uitgaven verbonden aan grote catastrofen

Art. 125.Er wordt een fonds opgericht tot prefinanciering van de niet onmiddellijk toewijsbare uitgaven in geval van grote catastrofe, dat een begrotingsfonds is in de zin van artikel 45 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991.

Art. 126.Onverminderd de mogelijkheid van burgerlijke opeising in toepassing van de wet van 31 december 1963 zijn de uitgaven die ten laste van het fonds kunnen worden gedaan het prefinancieren van onverwachte uitgaven voor bijzondere interventiemiddelen ingezet bij grote catastrofen wanneer de beschikbare middelen waarover de overheden beschikken ontoereikend zijn.

Onder grote catastrofe wordt verstaan iedere noodsituatie die te wijten is aan de mens, en die leidt of kan leiden tot het verlies van vele mensenlevens of aanzienlijke materiële schade, inclusief schade aan het leefmilieu, waarbij de coördinatie van de operaties gebeurt door de provinciegouverneur of de Minister van Binnenlandse Zaken.

Art. 127.Tot het activeren van het fonds wordt beslist door de Minister van Begroting.

Art. 128.Het fonds wordt gemachtigd een debetstand te vertonen van 25 miljoen euro.

Art. 129.In de tabel gevoegd bij de organieke wet van 27 december 1990 houdende oprichting van begrotingsfondsen, voor het laatst gewijzigd bij de wet van 24 december 2002, wordt onder de titel « 03 Budget en Beheerscontrole », een nieuw begrotingsfonds 03-2 ingevoegd, luidend als volgt : Benaming van het organiek begrotingsfonds « 03-2 Fonds tot prefinanciering van de niet onmiddellijk toewijsbare uitgaven in geval van grote catastrofe » Aard van de toegewezen ontvangsten « Terugbetaling van geprefinancierde uitgaven door de bevoegde overheden en de aansprakelijken van de catastrofe », Aard van de gemachtigde uitgaven « Onverminderd de mogelijkheid van burgerlijke opeising in toepassing van de wet van 31 december 1963 zijn de uitgaven die ten laste van het fonds kunnen worden gedaan het prefinancieren van onverwachte uitgaven voor bijzondere interventiemiddelen ingezet bij grote catastrofen wanneer de beschikbare middelen waarover de overheden beschikken ontoereikend zijn. » Onder grote catastrofe wordt verstaan iedere noodsituatie die te wijten is aan de mens, en die leidt of kan leiden tot het verlies van vele mensenlevens of aanzienlijke materiële schade, inclusief schade aan het leefmilieu, waarbij de coördinatie van de operaties gebeurt door de provinciegouverneur of de Minister van Binnenlandse Zaken. HOOFDSTUK II. - Nationale Loterij Eenmalige monopolierente - Nationale Kas voor rampenschade

Art. 130.De Nationale Loterij stort in 2003 een éénmalige bijzondere monopolierente van 30 miljoen euro aan de Staat gelet op de nieuwe en toekomstige activiteiten. Deze ontvangst wordt geaffecteerd aan de Nationale Kas voor rampenschade met het oog op het herstel van zekere schade aan private goederen veroorzaakt door natuurrampen. HOOFDSTUK III. - CREDIBE

Art. 131.§ 1. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de Federale Participatiemaatschappij gelasten om de cessie of de overdracht van alle of een deel van de activa en passiva van de naamloze vennootschap CREDIBE te organiseren, alsmede alle te dien einde noodzakelijke of nuttige verrichtingen.

Dit besluit voert ook artikel 27 uit van de wet van 5 september 2001 tot waarborging van een voortdurende vermindering van de overheidsschuld en tot oprichting van een Zilverfonds.

De voorwaarden van de cessies of overdrachten bedoeld in het eerste lid dienen vooraf te worden goedgekeurd door de Minister van Financiën, de Minister van Begroting en de minister bevoegd voor Overheidsbedrijven. § 2. Met het oog op de cessies of overdrachten bedoeld in § 1, kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, alle nuttige maatregelen treffen en desgevallend de op CREDIBE of op de door haar verwezenlijkte verrichtingen toepasselijke wettelijke bepalingen wijzigen of opheffen, teneinde : 1° de regels vast te leggen voor de nodige verrichtingen, met inbegrip van : a) de overdrachten of omwisseling van schulden, schuldvorderingen, roerende waarden of verhandelbare rechten;b) de inbreng of overdracht van activa of passiva;c) de oprichting van nieuwe vennootschappen.2° de bepalingen te wijzigen betreffende de oprichting, organisatie, taken, werkwijze, financiering, contrôle, ontbinding en vereffening van CREDIBE. § 3. De besluiten die krachtens § 2 worden getroffen, kunnen de van kracht zijnde wettelijke bepalingen wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.

De bevoegdheden die krachtens § 2 aan de Koning worden opgedragen, vervallen op 31 maart 2004.

Na deze datum kunnen de besluiten die krachtens § 2 zijn genomen, alleen bij wet worden gewijzigd, aangevuld, vervangen of opgeheven. § 4. De minister van Financiën en de minister bevoegd voor Overheidsbedrijven brengen bij de Kamer van volksvertegenwoordigers verslag uit over de in § 1 bedoelde cessies of overdrachten en de krachtens § 2 getroffen maatregelen.

TITEL VII. - Diverse bepalingen HOOFDSTUK I. - Wijziging van de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945

Art. 132.In artikel 7, § 1, van de wet van 20 december 2001 betreffende de schadeloosstelling van de leden van de Joodse Gemeenschap van België voor hun goederen die werden geplunderd of achtergelaten tijdens de oorlog 1940-1945, worden de woorden « binnen een termijn van één jaar na de inwerkingtreding van deze wet » vervangen door de woorden « uiterlijk op 9 september 2003 ». HOOFDSTUK II. - E-government

Art. 133.Bij de Belgische overheid kunnen een of meer registratiekantoren worden opgericht die ermee worden belast een gebruikersnummer toe te wijzen aan de natuurlijke personen die door die overheid aangeboden elektronische diensten wensen te gebruiken.

Daartoe en om de identiteit van de aanvrager te verifiëren kunnen de registratiekantoren mededeling eisen van de gegevens die voorkomen op de onderstaande documenten : 1° de identiteitskaart bedoeld in artikel 6 van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;2° de sociale identiteitskaart bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 december 1996 houdende maatregelen met het oog op de invoering van een sociale identiteitskaart ten behoeve van alle sociaal verzekerden, met toepassing van de artikelen 38, 40, 41 en 49 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels.

Art. 134.In het raam van de in het vorige artikel bedoelde toewijzingsprocedure hebben de overeenkomstig dat artikel opgerichte registratiekantoren en de onderaannemers daarvan, voor de toewijzing van het gebruikersnummer en uitsluitend met het doel de juistheid van de meegedeelde gegevens te verifiëren, toegang tot : 1° het Rijksregister bedoeld in de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;2° het centraal bestand van de identiteitskaarten bedoeld in artikel 6bis van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen;3° het centraal sociale identiteitskaartenregister bedoeld in artikel 41 van het koninklijk besluit van 22 februari 1998 houdende uitvoeringsmaatregelen inzake de sociale identiteitskaart;4° de met toepassing van artikel 4 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid ingezamelde, opgeslagen en verwerkte gegevens;5° de Kruispuntbank van Ondernemingen bedoeld in de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen.

Art. 135.De artikelen 133 en 134 treden in werking op 1 april 2003.

Art. 136.Artikel 70 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, wordt ingetrokken. HOOFDSTUK III. - Overdracht van een gedeelte van het openbaar domein gelegen te Bierset

Art. 137.In het kader van het beheer van het openbaar domein van de federale Staat dat ressorteert onder zijn bevoegdheid, wordt de Minister van Landsverdediging gemachtigd om een gedeelte van het openbaar domein gelegen te Bierset (Grâce-Hollogne) over te dragen aan de N.V. « Société Wallonne des Aéroports (SOWAER) ».

In het kader van deze overdracht wordt de uitoefening van de opdrachten van algemeen nut, toevertrouwd aan Landsverdediging, gewaarborgd.

De Minister van Financiën wordt belast met het opstellen van de akten betreffende deze domaniale mutaties.

Art. 138.De Minister van Landsverdediging en de Minister van Financiën worden gemachtigd alle bijkomende akkoorden af te sluiten die de overdracht toelaten van de terreinen en de infrastructuren rond de luchthaven van Bierset met het oog op de optimalisatie van het beheer van de gronden en van het luchtruim. HOOFDSTUK IV. - Wijziging van de artikelen 578 en 581 van het Gerechtelijk Wetboek

Art. 139.Artikel 578, 8°, van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1978, wordt vervangen als volgt : « 8° de geschillen die hun oorzaak vinden : a) in titel V betreffende gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van arbeidsvoorwaarden en de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de toegang tot een zelfstandig beroep van de wet van 4 augustus 1978 tot economisch heroriëntering en in haar uitvoeringsbesluiten, met uitzondering van die bedoeld in artikel 581, 3°, a), en van die welke betrekking hebben op de toegang tot het onderwijs in de beroepsopleiding verstrekt door het openbaar of privaat onderwijs;b) in het decreet van 8 mei 2002 van het Vlaams Parlement houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt en zijn uitvoeringsbesluiten, met uitzondering van die bedoeld in artikel 581, 3°, b) .»

Art. 140.Artikel 581, 3°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1978, wordt vervangen als volgt : « 3° de geschillen die hun oorzaak vinden : a) in titel V betreffende de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden en de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de toegang tot een zelfstandig beroep van de wet van 4 augustus 1978 tot economische heroriëntering en in haar uitvoeringsbesluiten die op de zelfstandige beroepen betrekking hebben;b) in het decreet van 8 mei 2002 van het Vlaams Parlement houdende evenredige participatie op de arbeidsmarkt en zijn uitvoeringsbesluiten die op de zelfstandige beroepen betrekking hebben.»

Art. 141.Dit hoofdstuk heeft uitwerking met ingang van 1 oktober 2002. HOOFDSTUK V. - Bijdrage in de kosten van de Kansspelcommissie

Art. 142.Worden bekrachtigd met uitwerking op de dag van hun inwerkingtreding : 1° het koninklijk besluit van 27 december 2001 betreffende de bijdrage in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van de kansspelcommissie verschuldigd door de houders van de vergunningen klasse A, B, C en E;2° het koninklijk besluit van 20 december 2002 betreffende de bijdrage in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van de kansspelcommissie verschuldigd door de houders van de vergunningen klasse A, B, C en E.

Art. 143.Artikel 8, tweede lid, van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, wordt vervangen als volgt : « In de kansspelinrichtingen klasse II zijn alleen de kansspelen toegestaan waarvan vaststaat dat de speler of gokker gemiddeld per uur niet meer verlies kan lijden dan 25 euro.

In de kansspelinrichtingen klasse III zijn alleen de kansspelen toegestaan waarvan vaststaat dat de speler of gokker gemiddeld per uur niet meer verlies kan lijden dan 12,50 euro. ».

Art. 144.Artikel 19 van dezelfde wet, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt aangevuld met een § 2, luidende : « § 2. In het kader van de begroting van de Federale Overheidsdienst Justitie wordt een fonds van de kansspelcommissie ingesteld. Het fonds wordt gespijsd met de retributies bedoeld in § 1, die de houders van vergunningen van de klassen A, B, C, E betalen als bijdrage in de oprichtings-, personeels- en werkingskosten van de commissie en van het secretariaat ervan. »

Art. 145.Artikel 58, eerste lid, van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt : « Behoudens het gebruik van kredietkaarten en debetkaarten in kansspelinrichtingen klasse I mag niemand aan de spelers en de gokkers enige vorm van lening of krediet toestaan of met hen een geldelijke of materiële transactie aangaan ter betaling van een inzet of een verlies.

Een verrichting waarvan de som 10.000 euro of meer bedraagt, moet gebeuren door middel van een kredietkaart of debetkaart. »

Art. 146.In het artikel 60 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden « klasse I, II en III » worden vervangen door de woorden « klasse II en III »;2° het artikel wordt aangevuld met de volgende leden : « Het is toegelaten aan het cliënteel van kansspelinrichtingen klasse I verplaatsingen, maaltijden, dranken of geschenken kosteloos of onder marktprijs van vergelijkbare goederen en diensten aan te bieden, tot een maximumbedrag van 50 euro per week en per speler. De Koning kan bijkomende voorwaarden bepalen alsook het bedrag bedoeld in het vorig lid aanpassen. » HOOFDSTUK VI. - Wijziging van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulatorvan de Belgische post- en telecommunicatiesector

Art. 147.Artikel 41, eerste lid, 3°, van de wet van 17 januari 2003 met betrekking tot het statuut van de regulator van de Belgische post- en telecommunicatiesector, wordt opgeheven de dag waarop het in artikel 17, § 2, van dezelfde wet bedoelde koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. HOOFDSTUK VII. - Wijziging van de wet van 27 februari 2002 ter bevordering van sociaal verantwoorde productie

Art. 148.In artikel 4, § 2, 2°, vierde lid, van de wet van 27 februari 2002 ter bevordering van sociaal verantwoorde productie, worden de woorden « en in het bijzonder de financieringswijze » ingevoegd tussen de woorden « de nadere regels » en de woorden « inzake controle ». HOOFDSTUK VIII. - Overdracht van goederen en personeel aan het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika

Art. 149.In artikel 418 van de programmawet (I) van 24 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt vervangen als volgt : « § 1.Na de respectieve ontbinding van de VZW « ASDOC » en de instelling van openbaar nut « Afrikaans Instituut », die uiterlijk op 31 december 2003 plaats moeten vinden, hevelt de Koning de goederen, rechten en verplichtingen alsmede de personeelsleden van de betrokken instellingen over naar het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika. »; 2° in § 2 worden de woorden « van het Instituut » geschrapt;3° in § 3, eerste en tweede lid, in fine, worden de woorden « het Instituut » vervangen door de woorden « de instellingen bedoeld in § 1 ». HOOFDSTUK IX. - Administratief toezicht op de federale culturele instellingen

Art. 150.Dit hoofdstuk is van toepassing op : - de instelling van openbaar nut « Nationaal Orkest van België », - de instelling van openbaar nut « Koninklijke Muntschouwburg », - de naamloze vennootschap van publiek recht met sociaal doel « Paleis voor Schone Kunsten », hierna « de instellingen » genoemd.

Art. 151.De administratieve toezichtsbevoegdheid bij de instellingen wordt uitgeoefend door twee regeringscommissarissen bij de federale culturele instellingen, hierna genoemd regeringscommissarissen, die bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, worden benoemd door de Koning op voordracht van de minister bevoegd voor de federale culturele instellingen.

Eén regeringscommissaris behoort tot de Nederlandse taalrol, de andere tot de Franse taalrol.

Art. 152.De Koning stelt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het statuut van de regeringscommissarissen vast.

De bezoldiging van de regeringscommissarissen en de werkingsmiddelen nodig voor de uitvoering van hun taken zijn ten laste van de begroting van de minister bevoegd voor de federale culturele instellingen.

Art. 153.De regeringscommissarissen oefenen, voor wat betreft de instellingen van openbaar nut « Nationaal Orkest van België » en « Koninklijke Muntschouwburg » de controlebevoegdheden uit van de regeringscommissarissen zoals die zijn bepaald in de artikelen 9 en 10 van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut.

Art. 154.De regeringscommissarissen oefenen, voor wat betreft de naamloze vennootschap van publiek recht met sociaal doel « Paleis voor Schone Kunsten » de controlebevoegdheden uit zoals deze zijn bepaald in artikel 14 van de wet van 7 mei 1999 houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie van omroepuitzendingen en de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad.

Art. 155.In afwijking van de artikelen 9 en 10 van voornoemde wet van 16 maart 1954 en van artikel 14 van voornoemde wet van 7 mei 1999, legt de minister bevoegd voor de federale culturele instellingen, ingeval het een beroep betreft ingesteld tegen een beslissing van een van de instellingen, die betrekking heeft op de samenwerking met andere culturele instellingen en elke beslissing die een impact heeft op het federaal karakter van de instellingen of die de belangen van een van de Gemeenschappen schaadt, dit beroep ter beraadslaging voor aan de Ministerraad.

De minister die bevoegd is voor de federale culturele instellingen deelt de beslissing van de Ministerraad mee aan de voorzitter van de raad van bestuur en de directeur-generaal of de intendant binnen een termijn van twintig werkdagen volgend op de notificatie van de beslissing door de Ministerraad.

Art. 156.In artikel 14 van de wet van 7 mei 1999 houdende oprichting van het Paleis voor Schone Kunsten in de vorm van een naamloze vennootschap van publiek recht met sociale doeleinden en tot wijziging van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie van omroepuitzendingen en de uitoefening van televisie-omroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1 wordt vervangen door de volgende bepaling : « § 1.De vennootschap staat onder de controlebevoegdheid van de minister die bevoegd is voor de federale culturele instellingen en de Minister van Begroting. Deze toezichtsbevoegdheid wordt uitgeoefend door bemiddeling van de twee regeringscommissarissen die benoemd worden overeenkomstig artikel 151 van de programmawet van 8 april 2003 en van een regeringscommissaris benoemd en afgezet door de Koning op voordracht van de Minister van Begroting.

De Koning stelt het statuut en de bezoldiging vast van de regeringscommissaris benoemd op voordracht van de Minister van Begroting. De bezoldiging is ten laste van de Algemene uitgavenbegroting.

De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, regelen vaststellen aangaande de uitvoering van de opdracht en de actiemiddelen van de regeringscommissarissen. »; 2° § 3, eerste lid, wordt vervangen als volgt : « De regeringscommissarissen worden uitgenodigd op alle vergaderingen van de raad van bestuur en hebben er een raadgevende stem.De regeringscommissarissen ontvangen de volledige agenda van de raad van bestuur en van het directiecomité, alsmede elk bijbehorend document, met inbegrip van de notulen. »

Art. 157.De Koning bepaalt de datum waarop dit hoofdstuk in werking treedt. HOOFDSTUK X. - Wijziging van de wet van 5 juli 1994 betreffende bloed en bloedderivaten van menselijke oorsprong

Art. 158.Artikel 3 van de wet van 5 juli 1994 betreffende bloed en bloedderivaten van menselijke oorsprong, wordt aangevuld met een derde lid, luidende : « Ze worden toegediend overeenkomstig de regels voor goede praktijkvoering die, op voorstel van de Hoge Gezondheidsraad, bepaald zijn door de minister bevoegd voor Volksgezondheid. »

Art. 159.In artikel 17, § 3, van dezelfde wet, worden de woorden « 500 ml » vervangen door de woorden « 650 ml ».

Art. 160.Artikel 18 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid : « De hoeveelheid afgenomen plasma, bepaald in artikel 17, § 3, kan, in functie van de wetenschappelijke verworvenheden, door de Koning worden gewijzigd. » HOOFDSTUK XI. - Verzameling van gegevens over de verplaatsingen van werknemers tussen hun woon- en werkplaats

Art. 161.Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder : - « het koninklijk besluit nr. 141 van 30 december 1982 » : het koninklijk besluit nr. 141 van 30 december 1982 ter oprichting van een databank met betrekking tot de personeelsleden van de overheid; - « voornaamste verplaatsingswijzen » : de vervoermiddelen waarmee de werknemer het grootste deel van de afstand tussen de woon- en werkplaats aflegt; - « werknemers » : de personen die tewerkgesteld zijn krachtens een arbeidsovereenkomst of die anders dan krachtens een arbeidsovereenkomst, arbeid verrichten onder het gezag van een ander persoon; - « werkgevers » : de personen die in dit artikel bedoelde personen tewerkstellen; - « wijze van toegankelijkheid » : de verschillende verplaatsingswijzen (auto, verschillende types openbaar vervoer, motorfiets, bromfiets, te voet,...) die toegang verschaffen tot de werkplaats; op dit vlak wordt rekening gehouden met de bestaande straatinrichting, de bestaande openbare vervoerlijnen en ook de bestaande parkeerplaatsen.

Art. 162.§ 1. De werkgevers bedoeld in artikel 161 die gemiddeld meer dan honderd werknemers hebben, stellen om de drie jaar een verslag op met de inlichtingen betreffende de woon- werkverplaatsingen van de werknemers, waarin de werknemers niet persoonlijk kunnen worden geïdentificeerd, om zo bij te dragen tot een beter beheer van de mobiliteit.

Ze stellen dit verslag ook op voor iedere vestiging met een gemiddelde van ten minste dertig werknemers. § 2. Het gemiddelde van de tewerkgestelde werknemers wordt berekend volgens de door de Koning bepaalde regels voor de berekening van het gemiddeld aantal tewerkgestelde werknemers met het oog op de oprichting of de vernieuwing van de bedrijfsraden en de comités voor preventie en bescherming op het werk bij de sociale verkiezingen.

Voor de overheidsdiensten en de autonome overheidsbedrijven wordt het gemiddelde van de tewerkgestelde werknemers berekend volgens de door de Koning bepaalde regels. § 3. Dit verslag, opgesteld op 30 juni van het betrokken jaar, vermeldt de hieronder opgesomde inlichtingen, conform de door de Koning bepaalde regels : 1° de organisatie van de arbeidstijd;2° de indeling van de werknemers op grond van hun woonplaats;3° de indeling van de werknemers op grond van hun voornaamste verplaatsingswijzen;4° de wijze van toegankelijkheid tot de plaats van tewerkstelling;5° de maatregelen die al werden genomen door de werkgever op het vlak van mobiliteitsbeheer;6° de specifieke mobiliteitsproblemen van de onderneming of organisatie. Dit verslag mag niet worden aangewend voor andere doelen dan die welke in dit hoofdstuk worden bepaald. § 4. De informatie die de werknemers verschaffen aan de werkgevers voor het opstellen van in § 3, vermelde inlichtingen mag alleen voor dit doel worden aangewend. § 5. De informatie die voor het opmaken van dit verslag vereist is, en reeds op elektronische drager beschikbaar is bij de federale overheid, zal door de betrokken overheidsinstellingen, zoals de Kruispuntbank voor de Sociale Zekerheid, de Kruispuntbank van Ondernemingen en de databank betreffende de personeelsleden van de overheidssector, gratis worden medegedeeld aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer.

Art. 163.De werkgever geeft het in artikel 162 bedoelde verslag door, vóór 31 december van het betrokken jaar, aan de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer, die een databank beheert met, per werkgever, de inlichtingen betreffende de verplaatsingen van de werknemers tussen hun woon- en werkplaats. De inhoud van die databank is toegankelijk volgens de door de Koning bepaalde regels.

Art. 164.Artikel 3, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 141 van 30 december 1982 wordt aangevuld als volgt : « Deze databank bevat ook de inlichtingen nodig voor het opmaken van het verslag bedoeld in artikel 163 van de programmawet van 8 april 2003. » Art.165. § 1. Artikel 15 van de wet van 20 september 1948 betreffende de organisatie van het bedrijfsleven wordt aangevuld met een punt l), luidende : « l) 1° om van de bedrijfsleider om de drie jaar het verslag over het woon-werkverkeer van de werknemers te krijgen, opgesteld overeenkomstig artikel 162 van de programmawet van 8 april 2003 . De bedrijfsleider verstrekt deze inlichtingen volgens de door de Koning bepaalde regels, hetzij aan de vakbondsafvaardiging bij ontstentenis van een ondernemingsraad, hetzij aan de werknemers bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging; 2° om van de bedrijfsleider de inlichtingen te krijgen betreffende iedere belangrijke wijziging in het bedrijf die de inhoud van voornoemd verslag aanzienlijk zou kunnen wijzigen.De bedrijfsleider verschaft deze inlichtingen aan de vakbondsafvaardiging bij ontstentenis van een ondernemingsraad, aan de werknemers bij ontstentenis van een vakbondsafvaardiging; 3° een advies te geven over dit verslag binnen de twee maanden na de ontvangst ervan, voordat het naar de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer wordt gezonden.»

Art. 166.Artikel 30, § 2, 4°, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, wordt aangevuld met een punt 4°bis, luidende : « 4°bis het formuleren van een advies omtrent het driejaarlijks verslag van de bedrijfsleider betreffende de woon-werkverplaatsingen van zijn werknemers, bedoeld in artikel 15, l), van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, ingevoegd bij de programmawet van 8 april 2003 ».

Art. 167.§ 1. Wat de openbare diensten betreft, wordt het in artikel 162 genoemde verslag, in het geval van diensten waarop de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel van toepassing is, bezorgd aan het bevoegde overlegcomité, en in het geval van administraties, diensten en instellingen waarop die wet niet van toepassing is, aan het bevoegde orgaan van vakbondsoverleg; dit comité of orgaan brengt binnen de twee maanden na ontvangst van het verslag, voordat het naar de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer wordt gestuurd, een advies uit over dit verslag. § 2. Telkens als er in één van de in § 1 bedoelde openbare diensten belangrijke wijzigingen plaatsvinden die de inhoud van het in artikel 162 bedoelde verslag gevoelig zouden kunnen wijzigen, wordt het bevoegde overlegcomité of -orgaan hiervan op de hoogte gebracht.

Art. 168.Op 30 juni van het tweede jaar dat op de inwerkingtreding van dit hoofdstuk volgt zal de minister van Mobiliteit en Vervoer een eerste evaluatie verrichten omtrent de geschiktheid van het ingevoerde systeem van inzameling van gegevens. Deze evaluatie zal aan de Nationale Arbeidsraad en aan de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven worden voorgelegd voor hun gezamenlijk advies; ze zal ook voor advies worden voorgelegd aan de bevoegde overlegorganen van de in artikel 167, § 1, bedoelde overheidsdiensten.

Art. 169.De persoon die verantwoordelijk is voor de databank bedoeld in artikel 163, brengt op verzoek van de betrokken werkgever, de wijzigingen aan ter correctie van de eventuele discrepanties tussen de gegevens die hij heeft doorgegeven en de gegevens betreffende zijn onderneming, zoals ze in de databank staan.

Art. 170.Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 juli 2003. HOOFDSTUK XII. - Wijziging aan het Wetboek van Vennootschappen

Art. 171.In artikel 91 van het Wetboek van Vennootschappen worden de woorden « artikelen 81 tot 87 » tweemaal vervangen door de woorden « artikelen 81, 82, 83, 1°, en 84 tot 87 ».

Art. 172.In artikel 98, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, wordt het zinsdeel « , en ten laatste zeven maanden na de datum van afsluiting van het boekjaar » toegevoegd na het woord « goedgekeurd ».

Art. 173.In artikel 126, § 1, 3°, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden « wetens de artikelen 108 tot 121 » vervangen door de woorden « wetens de artikelen 108 tot 119 en 121 ».

Art. 174.Artikel 128 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt : «

Art. 128.- De zaakvoerders en bestuurders, alsook de personen die met het bestuur van een vestiging in België belast zijn, die een van de in de artikelen 81, 82, 83, 1°, 95 en 96 bedoelde verplichtingen niet nakomen worden gestraft met een geldboete van vijftig euro tot tienduizend euro.

Indien de schending van deze artikelen gebeurt met bedrieglijk oogmerk kunnen zij bovendien worden gestraft met een gevangenisstraf van een maand tot een jaar of met beide straffen samen. »

Art. 175.Na artikel 129 van hetzelfde Wetboek wordt een nieuw hoofdstuk ingevoegd, luidende : « Hoofdstuk V - Administratieve geldboetes ».

Art. 176.Een artikel 129bis wordt in hetzelfde Wetboek ingevoegd, luidend als volgt : « Art. 129bis . - § 1. De minister die de Economische Zaken onder zijn bevoegdheden heeft of zijn gemachtigde kan een geldboete opleggen aan de vennootschappen die de door de artikelen 83, 2°, 98, 100, 120 of 193 bedoelde verplichting tot neerlegging van de jaarrekening, de geconsolideerde jaarrekening of de stukken die er samen mee moeten worden neergelegd, niet zijn nagekomen binnen zeven maanden na de afsluitingsdatum van het boekjaar waarop deze stukken betrekking hebben, onverminderd het recht voor de betrokken vennootschap om schriftelijk en tijdig de overmacht in te roepen en te bewijzen. § 2. Het bedrag van de in het § 1 bedoelde geldboete bedraagt 200 EUR per maand vertraging, waarbij elke begonnen maand voor een volle maand wordt gerekend, met een maximum van 1.200 EUR. Het bedrag van de boete wordt evenwel beperkt tot 60 EUR per maand vertraging, met een maximum van 360 EUR, voor de in artikel 99 bedoelde kleine vennootschappen. § 3. De zaakvoerders en bestuurders van een Belgische vennootschap en de personen die met het bestuur van een vestiging in België zijn belast, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de krachtens § 1 opgelegde geldboetes. § 4. De dienst bij de Federale Overheidsdienst Financiën die bevoegd is voor de niet-fiscale invorderingen gaat over tot de invordering van de verschuldigde geldboetes door middel van een dwangbevel, overeenkomstig de bepalingen van artikel 94 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991.De Koning bepaalt de modaliteiten van betaling en inning van de administratieve geldboetes bedoeld in dit artikel. »

Art. 177.In artikel 193, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden « , en ten laatste zeven maanden na de datum van afsluiting van het boekjaar » toegevoegd na de woorden « na de datum van de vergadering ».

Art. 178.In artikel 196 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid, 2°, wordt vervangen als volgt : « 2° de vereffenaars die een van de bij de artikelen 81, 82, 83, 1°, 84 tot 87, 95 en 96 gestelde verplichtingen niet nakomen;» 2° het eerste lid, 4°, wordt vervangen als volgt : « 4° de vereffenaars die nalaten aan de algemene vergadering de jaarrekening of de uitkomsten van de vereffening voor te leggen, overeenkomstig de artikelen 193 en 194;» 3° het derde lid wordt opgeheven.

Art. 179.Na artikel 196 van hetzelfde Wetboek wordt een nieuw hoofdstuk ingevoegd, luidende : « Hoofdstuk V - Administratieve geldboetes ».

Art. 180.Een artikel 196bis wordt in hetzelfde Wetboek ingevoegd, luidend als volgt : « Art. 196bis . - De vereffenaars zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de betaling van de krachtens artikel 129bis opgelegde geldboetes ».

Art. 181.Dit hoofdstuk van onderhavige wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt, evenwel met dien verstande : - dat de artikelen 172, 175, 176, 177, 179 en 180 van deze wet voor het eerst van toepassing zijn op de neerleggingen van de jaarrekeningen en de geconsolideerde jaarrekeningen die vanaf 31 december 2002 zijn afgesloten; - dat de bepalingen van de artikelen 91, 126, 128 en 196 van het Wetboek van Vennootschappen, zoals zij luidden voor hun wijziging door de artikelen 171, 173, 174 en 178 van deze wet, onverkort van toepassing blijven voor de neerleggingen van de jaarrekeningen en de geconsolideerde jaarrekeningen die vóór 31 december 2002 zijn afgesloten.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 8 april 2003.

ALBERT Van Koningswege : De Eerste Minister, G. VERHOFSTADT De Vice-Eerste Minister en Minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX De Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie, J. VANDE LANOTTE De Vice-Eerste Minister en Minister van Mobiliteit en Vervoer, Mevr. I. DURANT De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE De Minister van Sociale Zaken en Pensioenen, F. VANDENBROUCKE Voor de Minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen, afwezig : De Vice-Eerste Minister en Minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie, J. VANDE LANOTTE De Minister van Landsverdediging, A. FLAHAUT Voor de Minister van Justitie, afwezig : De Minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand, R. DAEMS De Minister van Financiën, D. REYNDERS De Minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties, belast met Middenstand, R. DAEMS De Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek, belast met het Grootstedenbeleid, Ch. PICQUE De Minister toegevoegd aan de Minister van Buitenlandse Zaken, belast met Landbouw, Mevr. A.-M. NEYTS-UYTTEBROECK De Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu, J. TAVERNIER De Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking, E. BOUTMANS De Staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling, O. DELEUZE Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN _______ Nota (1) Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire Stukken.

DOC 50 2343/ (2002/2003) : 001 : Ontwerp van programmawet. 002 : Bijlage. 003 tot 011 : Amendementen. 012 tot 018 : Verslagen. 019 : Tekst aangenomen door de commissies. 020 tot 022 : Amendementen. 023 : Gewijzigde artikelen. 024 : Amendementen. 025 : Aanvullend verslag. 026 : Gewijzigde artikelen. 027 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat.

Parlementaire Handelingen.

Integraal verslag : 26, 27 en 28 maart 2003.

Senaat Parlementaire Stukken. 2-1566 - 2002/2003 : Nr. 1 : Ontwerp geëvoceerd door de Senaat.

Nr. 2 : Amendementen.

Nrs. 3 tot 6 : Verslagen.

Nr. 7 : Amendementen.

Nr. 8 : Beslissing om niet te amenderen.

Parlementaire Handelingen.

Handelingen : 3 en 4 april 2003.

^