Samenwerkingsakkoord van 30 maart 2000
gepubliceerd op 09 december 2000
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Samenwerkingsakkoord tussen de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten betreffende de inschakeling van werkzoekenden naar de startbanen

bron
ministerie van tewerkstelling en arbeid
numac
2000012910
pub.
09/12/2000
prom.
30/03/2000
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

30 MAART 2000. - Samenwerkingsakkoord tussen de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten betreffende de inschakeling van werkzoekenden naar de startbanen


Gelet op de artikelen 1, 39, 127 tot 130 en 134, van de Grondwet;

Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, inzonderheid op de artikelen 4, 6 en 92bis, § 1, gewijzigd bij de wet van 8 augustus 1988;

Gelet op de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, inzonderheid op artikel 42;

Gelet op de wet van 31 december 1983 tot hervorming der instellingen voor de Duitstalige Gemeenschap, gewijzigd bij de wet van 18 juli 1990, inzonderheid op artikel 55bis;

Gelet op het samenwerkingsakkoord van 5 juni 1991 tussen de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten betreffende de herinschakeling van langdurig werklozen;

Gelet op het samenwerkingsakkoord van 13 februari 1996 tussen de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten betreffende het Begeleidingsplan der werklozen;

Gelet op het samenwerkingsakkoord van 3 mei 1999 tussen de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten betreffende het begeleidingsplan voor de werklozen;

Overwegende dat het noodzakelijk is dat tussen de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten een samenwerkingsakkoord tot stand komt inzake het verlengen van het begeleidingsplan en zijn aanpassing aan de Europese richtlijnen voor de werkgelegenheid, meer bepaald om aan de betrokken jongeren het recht op het verwerven van een beroepsvaardigheid en de mogelijkheid zich in de arbeidsmarkt in te schakelen, te garanderen;

Overwegende dat een bijkomende ondersteuning van de Staat zich opdringt naast de inspanningen geleverd door de Gemeenschappen en de Gewesten;

Overwegende het wetsontwerp waarbij een overeenkomst van een startbaan voor jongeren wordt aangeboden;

Overwegende dat wat vooraf gaat het verder zetten veronderstelt van een systeem van uitwisseling van gegevens inzake de werklozen tussen de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten;

De Federale Staat vertegenwoordigd door de Minister van Werkgelegenheid;

De Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door haar Regering, in de persoon van de Minister-President, van de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming en van de Vlaamse minister van Werkgelegenheid en Toerisme;

De Duitstalige Gemeenschap, vertegenwoordigd door haar Regering, in de persoon van de Minister-President, Minister van Werkgelegenheid, Gehandicaptenbeleid, Media en Sport en van de Minister van Onderwijs, Vorming, Cultuur en Toerisme;

Het Waalse Gewest, vertegenwoordigd door haar Regering, in de persoon van de Minister-President, van de Waalse Minister van Werkgelegenheid, Vorming en Huisvesting;

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door haar Regering, in de persoon van de Minister-President en van de Brusselse Minister van Werkgelegenheid, Economie, Energie en Huisvesting;

De Franse Gemeenschapscommissie, vertegenwoordigd door zijn College, in de persoon van de Minister, Voorzitter van het College;

Komen overeen wat volgt : TITEL I. - Algemene doelstellingen

Artikel 1.Het inschakelingsparcours heeft als algemene doelstelling langdurige werkloosheid te voorkomen en aan de laaggeschoolde werkzoekende jongeren de kans te bieden hun positie op de arbeidsmarkt te verbeteren, door middel van de overeenkomst van een startbaan.

Daartoe richt het plan zich op : 1. het verhogen van de kansen van de werkzoekenden op de arbeidsmarkt : - via een specifieke begeleiding, georganiseerd door de bevoegde diensten inzake arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding; - via specifieke acties van inschakeling door de bevoegde diensten voor deze materie; 2. het ondersteunen van de inspanningen van de werkzoekenden voor hun inschakeling, in het kader van de overeenkomst van een startbaan.

Art. 2.De ondertekenende partijen verbinden zich ertoe om vanaf 1 januari 2000 een inschakelingsparcours voor te stellen aan de werkzoekenden, volgens de nadere bepalingen voorzien in de volgende titels en hoofdstukken.

Art. 3.Het inschakelingsparcours richt zich tot jongeren beneden 25 jaar die sedert minder dan drie maanden de school hebben verlaten, die maximum hun derde maand van inschrijving als werkzoekende ingaan en die niet beschikken over een diploma secundair onderwijs. HOOFDSTUK I. - De inschakelingsovereenkomst

Art. 4.De inschakelingsovereenkomst betreft noodzakelijkerwijs het geheel van de doelgroep bedoeld in artikel 3.

Art. 5.De inschakeling bestaat uit twee fasen : 1° Vóór het einde van de derde maand van inschrijving als werkzoekende, verstuurt de bevoegde gewestelijke dienst aan de betrokken jongere een oproepingsbrief voor een eerste onderhoud.2° Vóór het einde van de vierde maand vinden de eerste onderhouden plaats teneinde een socio-professionele diagnose van de jongere en een inschakelingsparcours uit te werken;de bevoegde gewestelijke dienst sluit met de jongere een inschakelingsovereenkomst, bedoeld in artikel 8. Een kopie van deze inschakelingsovereenkomst wordt overgemaakt aan de RVA binnen de maand van de ondertekening ervan. De inschakelingsovereenkomst wordt opgesteld op een document waarvan het model wordt goedgekeurd door het evaluatiecomité bedoeld in artikel 16.

Elke maand, tot het einde van het inschakelingsparcours, heeft de bevoegde gewestelijke dienst met de jongere een opvolgingsgesprek, om eventueel het inschakelingsparcours aan te passen of bij te sturen.

Het resultaat van deze opvolging wordt in het persoonlijk dossier van de betrokkene gestoken.

Art. 6.De Federale overheid verbindt zich ertoe om de termijn van de toepassing van de artikelen 80 tot 88 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering te verlengen voor de jongeren bedoeld in artikelen 3 en 17 die de inschakelingsovereenkomst aanvaarden en uitvoeren.

De gegevens omtrent de werkzoekenden die weigeren in te gaan op de aangeboden inschakelingsovereenkomst, die gedurende de uitvoering geen interesse vertonen of die door eigen toedoen falen, worden meegedeeld overeenkomstig de modaliteiten van titel IV. De oproepingen die aan de werkzoekende jongeren worden gestuurd in het kader van de inschakelingsovereenkomst dienen te vermelden aan de belanghebbenden dat de oproeping geschiedt in het kader van de verplichte deelname aan het inschakelingsparcours.

De bevoegde gewestelijke diensten geven aan de RVA, voor elke jongere in een inschakelingsovereenkomst, een evaluatie door op het einde van de inschakelingsovereenkomst of wanneer ze vóór de voorziene termijn onderbroken wordt.

Art. 7.De Federale Staat verbindt zich ertoe 10 000 BEF te storten per jongere die een inschakelingsparcours volgt dat aanleiding geeft tot een evaluatie of tot een stopzetting van het programma door de jongere en na overdracht van deze gegevens door de bevoegde gewestelijke dienst. De tussenkomst van de federale overheid is evenwel begrensd tot de bedragen per Gemeenschap en per Gewest, weergegeven in bijlage 1, tabel 1. HOOFDSTUK II. - Verloop van de inschakeling

Art. 8.Teneinde de inschakelingsovereenkomst af te sluiten, stelt de bevoegde gewestelijke dienst voor aan de jongere om verschillende etappen van het verloop van de inschakeling te volgen, rekeninghoudend met zijn specifieke noden.

Om dit te bereiken zijn een reeks middelen denkbaar : - actieve zoektocht naar tewerkstelling; - het aanpassen van de determinatie; - socio-professionele begeleiding; - opleiding tot herstel van niveau; - bekwaamheidsopleidingen; - geïndividualiseerde opleiding in het bedrijf.

Andere middelen kunnen aanvaard worden door de evaluatiecommissie op voorstel van het Gewest of van de Gemeenschap.

Art. 9.De federale overheid verbindt zich ertoe om 150 BEF per uur te storten voor elke actie opgesomd in artikel 8 met een maximum van 90 000 BEF per jongere die deel uitmaakt van de doelgroep.

De tussenkomst van de federale overheid is evenwel begrensd tot de bedragen per Gemeenschap en per Gewest, weergegeven in bijlage 1, tabel 1.

Art. 10.De RVA stort aan elke jongere die niet meer leerplichtig is en die een opleiding volgt ter voorbereiding van de overeenkomst van een startbaan, een vergoeding van 200 BEF per dag van vorming tot het einde van de negende maand van inschrijving als werkzoekende.

Vervolgens wordt, zo de jongere daar recht op heeft, de wachtuitkering behouden gedurende de periode van de opleiding en kan er een bijkomende vergoeding ten laste van het Gewest, van de Gemeenschap, van de Gemeenschapscommissie of van de onderneming uitgekeerd worden aan de jongere, volgens de van kracht zijnde regels. Zo de jongere geen recht heeft op de wachtuitkering, blijft hij de bijkomende vergoeding van 200 BEF per dag opleiding ontvangen.

TITEL II. - De overeenkomst van een alternerende startbaan

Art. 11.Onder overeenkomst van een alternerende startbaan wordt verstaan : a) ofwel de minstens halftijdse arbeidsovereenkomst gesloten tussen een jongere en een openbare of private werkgever wanneer de jonge werknemer eveneens een professionele opleiding, een leergang van onderwijs voor sociale promotie, van onderwijs met volledig leerplan of van onderwijs met beperkt leerplan, georganiseerd, erkend of gesubsidieerd door de bevoegde overheid, volgt gedurende maximum 3 jaren. Wanneer een deeltijdse arbeidsovereenkomst wordt afgesloten, zijn de erkende opleidingen door de bevoegde overheid de volgende : 1° de leergangen die worden verstrekt door de centra van secundair onderwijs met een beperkt leerplan, georganiseerd of gesubsidieerd door de Gemeenschap;2° de leergangen georganiseerd in het kader van het onderwijs voor sociale promotie en die georganiseerd, gesubsidieerd of erkend door de Gemeenschap;3° de leergangen georganiseerd, gesubsidieerd of erkend door de bevoegde overheid, die worden verstrekt in het kader van het kunstonderwijs met een beperkt leerplan;4° de leergangen op universitair niveau, van het lange type en met volledig leerplan, die doorgaan 's avonds of in het weekend in de instellingen van hoger onderwijs, overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen met betrekking tot de algemene structuur van het hoger onderwijs;5° de opleidingen georganiseerd, gesubsidieerd of erkend door de Gemeenschap of het Gewest binnen het kader van de permanente opleiding van de middenstanders;6° de opleidingen voorzien door de reglementen met betrekking tot de beroepskwalificatie van personen die in de landbouwsector tewerkgesteld zijn;7° de sectorale opleidingen georganiseerd bij een beslissing van de bevoegde paritaire commissie of van het bevoegde paritaire comité voor de scholing en erkend door de gemeenschaps- of gewestelijke dienst bevoegd op het vlak van opleiding;8° de beroepsopleidingen georganiseerd, gesubsidieerd of erkend door de gemeenschaps- of gewestelijke dienst bevoegd op het vlak van beroepsopleiding;9° de leergangen georganiseerd binnen het kader van het buitengewoon onderwijs en georganiseerd, gesubsidieerd of erkend door de Gemeenschap;10° de leergangen erkend door de bevoegde overheid en georganiseerd door de centra voor opleiding of voor professionele heraanpassing van gehandicapten;11° de opleidingen georganiseerd door een onderneming en goedgekeurd door het bevoegde paritaire comité voor de scholing;12° het inschakelingsstatuut van de overstapprojecten;13° de professionele inschakelingsakkoorden, erkend door de Gemeenschap of door het Gewest.b) ofwel maximum, de eerste drie jaren van elke vorm van leer- of inschakelingscontract, dat erkend is door de bevoegde overheid. Betreffende de leer- of inschakelingscontracten, zijn erkend : - de bezoldigde leercontracten, georganiseerd door de paritaire comités voor scholing; - de overeenkomsten van beroepsinschakeling in het kader van het deeltijds onderwijs, erkend door de Gemeenschap; - de leercontracten van de Middenstand; - de stageovereenkomst bij de opleiding als bedrijfsleider van de Middenstand.

TITEL III. - De overeenkomst van een startbaan in de Gewesten en de Gemeenschappen

Art. 12.Met toepassing van artikel 43 van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid, stellen de Gewesten en de Gemeenschappen de jongeren bij voorkeur tewerk in globale projecten, ter voldoening van noden van de gemeenschap. De Gewesten, de Gemeenschappen en de Federale Staat kunnen bij elkaar aansluiten voor de verwezenlijking van globale projecten.

Art. 13.De Gewesten en de Gemeenschappen verbinden zich ertoe, de doorstromingsprogramma's van de jongeren te vergemakkelijken na hun startbaanovereenkomst door de mogelijkheid te verlengen van een begeleiding en een opleiding gedurende de startbaanovereenkomst, door stimuli in verband met de opleiding aan de bedrijven die deze jongeren in dienst hebben gehouden en, in het kader van de begeleiding van het beroepsparcours van de jongeren, door ze prioritair te oriënteren naar het normale arbeidscircuit. Bijkomend kunnen de jongeren georiënteerd worden naar de sociale economie.

Anderzijds wordt het tewerkstellen van jongeren onder een startbaanovereenkomst beschouwd als een periode van volledig vergoede werkloosheid of van inschrijving als werkzoekende voor de toepassing van de Gewestelijke maatregelen ter bevordering van de werkgelegenheid die een bepaalde duur vereisen als volledig vergoede werkloze of als werkzoekende.

TITEL IV. - Doorstromingsprogramma

Art. 14.Vanaf het ogenblik dat het aanwervingsplan ter bevordering van de aanwerving van werkzoekenden, ingesteld door hoofdstuk II van titel IV, van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, uitgebreid zal zijn tot de werkzoekenden van minder dan 25 jaar die niet beschikken over een diploma van het hoger secundair onderwijs, zal artikel 6, eerste lid, eerste streepje, van het samenwerkingsakkoord van 4 maart 1997 tussen de Federale Staat en de Gewesten betreffende het doorstromingsprogramma, gewijzigd bij het samenwerkingsakkoord van 15 mei 1998, vervangen worden door de volgende bepaling : « de werkzoekenden van minder dan 25 jaar oud die niet beschikken over een diploma, getuigschrift of brevet van het hoger secundair onderwijs; ».

TITEL V. - Uitwisseling van gegevens

Art. 15.Om elk van de Federale, regionale of communautaire instellingen in staat te stellen de hen opgelegde opdrachten uit te voeren, binnen het kader van een nauwkeurige omschrijving van hun respectieve taken, komen de ondertekenende partijen het volgende overeen : 1. Het systeem van uitwisseling van informatie en gegevens in verband met de weigering van werk en van opleiding, evenals de gevallen van onbeschikbaarheid voor de arbeidsmarkt wordt toegepast overeenkomstig de principes voorzien in het protocol van 22 december 1988.2. De gewestelijke en/of communautaire instellingen houden ter beschikking van het betrokken werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening : een duplicaat van de oproepen die aan de werkzoekenden werden gestuurd binnen het kader van een werkaanbod en van een beroepsopleiding in het bedrijf. TITEL VI. - Overgangs- en slotbepalingen

Art. 16.De uitvoering van dit akkoord wordt elke drie maanden geëvalueerd door een evaluatiecomité samengesteld uit vertegenwoordigers aangeduid door de ondertekenende partijen en de vertegenwoordigers van de sociale partners.

De vergaderingen van dit Comité worden voorafgegaan door een vergadering van het College van leidende ambtenaren.

Naast deze trimestriële evaluaties zal een jaarlijkse evaluatie worden doorgevoerd door de leidende ambtenaren. Deze evaluatie zal slaan op de werking van het akkoord en op de resultaten ervan.

Art. 17.Indien er een budgettaire marge bestaat binnen het kader van de verdeling voorzien in bijlage 1, tabel 2, en indien alle jongeren bedoeld in artikel 3 uitgenodigd werden te genieten van het inschakelingsparcours, overeenkomstig de voorziene bepalingen, kan deze marge toegewezen worden aan de financiering van de inschakelingsovereenkomst en van het verloop van de inschakeling van alle werkzoekenden van minder dan 25 jaar die niet tot de doelgroep bepaald in artikel 3 behoren. Bij gebrek aan jongeren van minder dan vijfentwintig jaar, kan de inschakelingsovereenkomst toegepast worden op elke werkzoekende die jonger is dan dertig jaar.

Op grond van een met redenen omkleed advies kunnen de Subregionale Tewerkstellingscomités of het Beheerscomité van de BGDA het tekort vaststellen aan jongeren die tot de categorie bedoeld in artikel 3 behoren.

Uiterlijk de werkdag volgend op de dag van de vaststelling delen de comités per telefax hun met redenen omklede vaststelling mee aan de Gewestelijke Minister(s) die de werkgelegenheid en de beroepsopleiding onder zijn (hun) bevoegdheid heeft (hebben).

Uiterlijk de derde werkdag volgend op de dag van de ontvangst van de vaststelling deelt (delen) de Gewestelijke Minister(s) die de werkgelegenheid en de beroepsopleiding onder zijn (hun) bevoegdheid heeft (hebben) per telefax hun vaststelling mee aan de Federale Minister die de werkgelegenheid onder zijn bevoegdheid heeft. Het drempel- of cascadesysteem wordt van toepassing in functie van het door het Subregionale Tewerkstellingscomité of door het Beheerscomité de van BGDA vastgestelde tekort ten vroegste op de negende werkdag volgend op de vaststelling door de Federale Minister.

De Federale Minister deelt zijn eventueel tegengestelde beslissing per telefax mee aan de comités en de Gewestelijke Minister(s) uiterlijk de achtste werkdag volgend op de dag van de vaststelling.

De Subregionale Tewerkstellingscomités of, wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft, het Beheerscomité van de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Tewerkstelling, stellen eveneens het tekort vast aan jongeren bepaald door artikel 23, § 1, 1° en 2°, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid.

Art. 18.Dit samenwerkingsakkoord vervangt voor het jaar 2000 het samenwerkingsakkoord van 3 mei 1999 betreffende het begeleidingsplan voor de werklozen.

Teneinde de overgang te verzekeren van januari tot april 2000, neemt het nieuwe samenwerkingsakkoord ook de werkzoekende jongeren in rekening die ingeschreven zijn in de zes laatste maanden van 1999.

Art. 19.Dit samenwerkingsakkoord treedt in werking op 1 januari 2000 en heeft uitwerking tot 31 december 2000. In geval van verlenging van de bijdrage van 0,05 % van de loonmassa voor een begeleidingsplan voor de werklozen, blijft een samenwerkingsakkoord behouden.

Opgemaakt te Brussel, 30 maart 2000, in 3 origine(e)l(e) exempla(a)r(en) (Nederlands, Frans, Duits).

Voor de Federale Staat : Mevr. L. ONKELINX, Minister van Werkgelegenheid.

Voor de Vlaamse Gemeenschap : R. LANDUYT, Minister van Werkgelegenheid en Toerisme.

Mevr. M. VANDERPOORTEN, Minister van Onderwijs en Vorming.

Voor het Waalse Gewest : E. DI RUPO, Minister-President.

M. DAERDEN, Minister van Tewerkstelling, Vorming en Huisvesting.

Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest : J. SIMONET, Minister-President.

E. TOMAS, Minister van Tewerkstelling, Economie, Energie en Huisvesting.

Voor de Franse Gemeenschap : E. TOMAS, Minister, Voorzitter van het College.

Voor de Duitstalige Gemeenschap : K.-H. LAMBERTZ, Minister-President, Minister van Tewerkstelling, Gehandicaptenbeleid, Media en Sport.

B. GENTGES, Minister van Onderwijs en Vorming, Cultuur en Toerisme.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^