Wet van 15 december 2004
gepubliceerd op 01 februari 2005
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Wet betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten

bron
federale overheidsdienst financien
numac
2005003036
pub.
01/02/2005
prom.
15/12/2004
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

15 DECEMBER 2004. - Wet betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2.Deze wet heeft de omzetting tot doel van richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juni 2002 betreffende financiële-zekerheidsovereenkomsten.

Onverminderd de wetgeving inzake consumentenbescherming, voert zij een specifieke regeling in voor de zakelijke zekerheden met betrekking tot financiële instrumenten of contanten, en voor de nettingovereenkomsten.

Wat de bepalingen van de hoofdstukken II tot X betreft, mag naar deze wet worden verwezen onder het opschrift "Wet betreffende de financiële zekerheden". HOOFDSTUK II. - Definities

Art. 3.Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder : 1° "financieel instrument" : een financieel instrument in de zin van artikel 2, 1°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, een recht op of ten aanzien van een dergelijk financieel instrument, met inbegrip van een recht van mede-eigendom, van onlichamelijke aard, dat wordt gevestigd op de universaliteit van financiële instrumenten van dezelfde aard in de zin van artikel 2, derde lid, van het gecoördineerd koninklijk besluit nr.62 betreffende de bewaargeving van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening van transacties op deze instrumenten of van artikel 468, vijfde lid, van het Wetboek van vennootschappen of van artikel 3, eerste lid, van de wet van 2 januari 1991 betreffende de markt van de effecten van de overheidsschuld en het monetaire beleidsinstrumentarium, of een vordering ten aanzien van een dergelijk financieel instrument; 2° "contanten" : de rechten die voortvloeien uit op een rekening gecrediteerde gelden in ongeacht welke valuta, met uitzondering van chartaal geld, alsook soortgelijke vorderingen tot restitutie van geld;3° "zakelijke-zekerheidsovereenkomsten" : de volgende overeenkomsten, alsook naar buitenlands recht gesloten soortgelijke overeenkomsten : a) de pandovereenkomsten;b) de overeenkomsten die leiden tot eigendomsoverdracht ten titel van zekerheid, inclusief cessieretrocessieovereenkomsten ("repo's");4° "nettingovereenkomsten" : de overeenkomsten tot schuldvernieuwing of tot bilaterale of multilaterale schuldvergelijking;5° "insolventieprocedure" : het faillissement, het gerechtelijk akkoord, de collectieve schuldenregeling of elke andere Belgische of buitenlandse rechterlijke, administratieve of vrijwillige collectieve procedure die de realisatie van de activa en de verdeling van de opbrengst van die realisatie onder, naargelang van het geval, de schuldeisers, de aandeelhouders, de vennoten of de leden behelst, alsook elke saneringsmaatregel die enigerlei optreden van Belgische of buitenlandse administratieve of rechterlijke instanties met zich brengt en die bestemd is om de financiële positie in stand te houden of te herstellen, en van dien aard is dat zij de bestaande rechten van derden aantast, inclusief onder meer elke maatregel die een opschorting van de betalingen, een opschorting van de uitvoeringsmaatregelen of een vermindering van de schuldvorderingen behelst;6° "partijen" : a) voor de overeenkomsten bedoeld in punt 3°, a), de pandhoudende schuldeiser, de pandgevende schuldenaar, de derde pandhouder of de derde pandgever;b) voor de overeenkomsten bedoeld in punt 3°, b), de overdrager en de overnemer, de koper op termijn en de verkoper op termijn.7° "wanprestatie" : elke wanprestatie alsook elke tussen de partijen van de zakelijke-zekerheidsovereenkomst of van de gewaarborgde verbintenis overeengekomen of bij de wet bepaalde gebeurtenis op grond waarvan de begunstigde van een zakelijkezekerheidsovereenkomst gerechtigd is de zekerheid te realiseren;8° "gelijkwaardige financiële instrumenten" : financiële instrumenten met dezelfde kenmerken en ter waarde van hetzelfde bedrag of financiële instrumenten die, bij overeenkomst, als dusdanig worden aanvaard;9° "marge-opvraging" : de financiële instrumenten of contanten die als zekerheid worden verschaft of in het kader van een zakelijke-zekerheidsovereenkomst worden overgedragen, en die bestemd zijn om, tijdens de duur van de overeenkomst, het overeengekomen evenwicht tussen de prestaties van de partijen of van de bij de gewaarborgde verbintenis betrokken partijen te bewaren, hetzij met betrekking tot één bepaalde transactie, hetzij met betrekking tot alle of een deel van hun transacties. HOOFDSTUK III. - Toepassingsgebied en algemene bepalingen

Art. 4.§ 1. Deze wet is van toepassing op de zakelijke-zekerheidsovereenkomsten : 1° op financiële instrumenten die zijn overgemaakt aan de begunstigde van de zekerheid of aan de persoon die voor zijn rekening optreedt;2° of op contanten die bij overeenkomst in pand zijn gegeven of zijn overgedragen ten gunste van de begunstigde van de zekerheid of aan de persoon die voor zijn rekening optreedt. Voor de toepassing van het eerste lid, 1° en 2°, volstaat het aan te tonen dat de als zekerheid verschafte activa daadwerkelijk zijn geleverd, overgedragen, gehouden, ingeschreven in een register of anderzijds gekwalificeerd, zodat zij in het bezit of onder de controle komen van de begunstigde van de zekerheid of de persoon die voor rekening van die begunstigde optreedt.

De inbezitstelling van op rekening geboekte financiële instrumenten kan inzonderheid geschieden door de creditering van die instrumenten op een speciale rekening geopend op naam van de zekerheidsverschaffer of van de begunstigde van de zekerheid of van een derde pandhouder.

Het feit dat de als zekerheid verschafte activa in de boeken van een bemiddelaar worden ingeschreven, belet die bemiddelaar niet om, met betrekking tot die activa, te handelen als een partij. § 2. Deze wet is ook van toepassing op nettingovereenkomsten.

Art. 5.De zakelijke-zekerheidsovereenkomsten die worden gesloten door een vertegenwoordiger van begunstigden van zakelijke zekerheden, die in eigen naam, maar voor rekening van die begunstigden optreedt, worden beschouwd als geldig en tegenstelbaar aan derden, inclusief aan de betrokken vertegenwoordiger, in zoverre de identiteit van de begunstigden van zakelijke zekerheden kan worden vastgesteld aan de hand van die overeenkomsten. De identiteit van die begunstigden van zakelijke zekerheden kan veranderen in de tijd, zonder dat dit de zakelijke zekerheid, inzonderheid de geldigheid, de tegenstelbaarheid en de rang ervan, aantast.

De vertegenwoordiger geniet alle rechten en prerogatieven die normaliter toekomen aan de begunstigden voor wier rekening hij optreedt. HOOFDSTUK IV. - Bewijs

Art. 6.Het sluiten van de in artikel 4 bedoelde zakelijke-zekerheidsovereenkomsten moet schriftelijk worden bewezen, inclusief op elektronische wijze en op elke andere duurzame drager, of via alle rechtsmiddelen die in commerciële aangelegenheden zijn toegestaan. Dit geldt eveneens voor de identificatie van de activa waarop de zakelijke-zekerheidsovereenkomst betrekking heeft en, wat de financiële instrumenten betreft, voor hun verschaffing. HOOFDSTUK V. - Pand Afdeling I. - Voorwaarden voor de geldigheid

en de tegenstelbaarheid van het pand

Art. 7.§ 1. De verplichtingen waarvan sprake in de artikelen 1328 en 2074 van het Burgerlijk Wetboek zijn niet van toepassing op het burgerlijk pand als bedoeld in artikel 4. § 2. Op de marge-opvragingen en op de gelijkwaardige financiële instrumenten of contanten die, tijdens de duur van de overeenkomst, in de plaats worden gesteld van de activa die het oorspronkelijke pand vormen, is dezelfde regeling van toepassing als op de laatstgenoemde activa. Afdeling II. - Realisatie

Art. 8.§ 1. Behoudens andersluidende overeenkomst tussen de partijen, is het de pandhoudende schuldeiser toegestaan om, bij wanprestatie, de financiële instrumenten waarop het pand betrekking heeft, binnen de kortst mogelijke termijn en zonder voorafgaande ingebrekestelling of gerechtelijke beslissing, te realiseren, niettegenstaande een insolventieprocedure, het beslag of enig ander geval van samenloop tussen de schuldeisers van de schuldenaar of van de derde pandgever.

De opbrengst van de realisatie van die financiële instrumenten wordt, overeenkomstig artikel 1254. van het Burgerlijk Wetboek, toegerekend op de schuldvordering in hoofdsom, interesten en kosten, van de pandhoudende schuldeiser. Het eventuele saldo komt toe aan de pandgevende schuldenaar of, naargelang van het geval, de derde pandgever. § 2. Onverminderd § 1 en voorzover de partijen daarover overeenstemming hebben bereikt en zij daarvoor in de overeenkomst de regels hebben vastgesteld, inzonderheid voor de waardering van de als zekerheid verschafte financiële instrumenten, is het de pandhoudende schuldeiser toegestaan om zich, bij wanprestatie en zonder voorafgaande ingebrekestelling of gerechtelijke beslissing, de in pand gegeven financiële instrumenten toe te eigenen, niettegenstaande een insolventieprocedure, het beslag of enig ander geval van samenloop tussen de schuldeisers van de schuldenaar of van de derde pandgever.

Het bedrag dat voortvloeit uit de waardering van de als zekerheid verschafte financiële instrumenten wordt, overeenkomstig artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek, toegerekend op de schuldvordering in hoofdsom, interesten en kosten, van de pandhoudende schuldeiser. Het eventuele saldo komt toe aan de pandgevende schuldenaar of, naargelang van het geval, de derde pandgever. § 3. Paragrafen 1 en 2 doen geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de hoven en rechtbanken om achteraf de voorwaarden te controleren voor de realisatie van de als zekerheid verschafte financiële instrumenten of de waardering van die financiële instrumenten of het bedrag van de gewaarborgde schuldvordering.

Art. 9.§ 1. Behoudens andersluidende overeenkomst tussen de partijen, is het de pandhoudende schuldeiser toegestaan om, bij wanprestatie, niettegenstaande een insolventieprocedure, het beslag of enig ander geval van samenloop tussen de schuldeisers van de schuldenaar of van de derde pandgever, het pand op de contanten, zonder voorafgaande ingebrekestelling of gerechtelijke beslissing, te realiseren, door de in pand gegeven contanten, overeenkomstig artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek en met naleving van de door de partijen vastgestelde regels voor de waardering en de opeisbaarheid van die contanten, toe te rekenen op zijn schuldvordering in hoofdsom, interesten en kosten.

Het eventuele saldo komt toe aan de pandgevende schuldenaar of, naargelang van het geval, de derde pandgever. § 2. Paragraaf 1 doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de hoven en rechtbanken om achteraf de voorwaarden te controleren voor de waardering van de in pand gegeven contanten of van het bedrag van de gewaarborgde schuldvordering.

Art. 10.§ 1. Behoudens andersluidende overeenkomst, heeft het voorrecht van de pandhoudende schuldeiser voorrang op het wettelijk voorrecht van de gekwalificeerde tussenpersonen en de verrekenings- en vereffeningsinstellingen als bedoeld in artikel 31 van de wet van 2 augustus 2002, als die tussenpersonen of die instellingen ermee hebben ingestemd om dat pand op de financiële instrumenten waarop het wettelijk voorrecht betrekking heeft, te crediteren op een speciale rekening in hun boeken in de zin van artikel 4, § 1, of als zij de inpandgeving van contanten hebben erkend conform artikel 2075, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek. § 2. Paragraaf 1 is ook van toepassing op het wettelijk voorrecht als bedoeld in artikel 7 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België. Afdeling III. - Recht om de in pand gegeven

financiële instrumenten te gebruiken

Art. 11.§ 1. Voorzover de partijen daarover overeenstemming hebben bereikt, mag de pandhoudende schuldeiser de in pand gegeven financiële instrumenten op om het even welke manier gebruiken, alsof hij er eigenaar van is, op voorwaarde dat hij die financiële instrumenten uiterlijk op de datum van opeisbaarheid van de gewaarborgde schuld, vervangt door financiële instrumenten die gelijkwaardig zijn aan de oorspronkelijk in pand gegeven financiële instrumenten.

Het in het vorige lid bedoelde gebruik tast de rechten van de pandhoudende schuldeiser op het pand niet aan. § 2. Uiterlijk op de datum van opeisbaarheid van de gewaarborgde schuld vervangt de pandhoudende schuldeiser de oorspronkelijk in pand gegeven financiële instrumenten door gelijkwaardige financiële instrumenten of, voor zover de partijen daarover overeenstemming hebben bereikt, rekent hij de waarde van die financiële instrumenten toe op de schuldvordering in hoofdsom, interesten en kosten, van de pandhoudende schuldeiser met naleving van de overeengekomen regels met betrekking tot de waardering van de in pand gegeven financiële instrumenten en van de gewaarborgde schuld. Het eventuele saldo komt toe aan de pandgevende schuldenaar of, naargelang van het geval, de derde pandgever.

Op de aldus vervangen financiële instrumenten is dezelfde regeling van toepassing als op de oorspronkelijk in pand gegeven financiële instrumenten, zonder dat zij als een nieuwe zekerheid kunnen worden beschouwd. § 3. Als de pandhoudende schuldeiser zijn verplichting niet nakomt om de oorspronkelijk in pand gegeven financiële instrumenten op de datum van opeisbaarheid van de gewaarborgde schuldvordering te vervangen door gelijkwaardige financiële instrumenten, mag de schuldenaar, overeenkomstig artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek, de waarde van de oorspronkelijk in pand gegeven financiële instrumenten toerekenen op de schuldvordering in hoofdsom, interesten en kosten, van de pandhoudende schuldeiser, met naleving van de overeengekomen regels voor de waardering van de in pand gegeven financiële instrumenten en van de gewaarborgde schuld. Bij gebrek aan dergelijke regels worden de in pand gegeven financiële instrumenten gewaardeerd onder verwijzing naar hun waarde op de datum van opeisbaarheid van de gewaarborgde schuld. § 4. Dit artikel doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor de hoven en rechtbanken om achteraf de voorwaarden te controleren voor de waardering van de als zekerheid verschafte financiële instrumenten of van het bedrag van de gewaarborgde schuldvordering. HOOFDSTUK VI. - Eigendomsoverdracht ten titel van zekerheid

Art. 12.§ 1. Artikel 1328, de bepalingen van boek III, titel XVII, van het Burgerlijk Wetboek en de bepalingen van boek I, titel VI, van het Wetboek van koophandel zijn niet van toepassing op de eigendomsoverdrachten van financiële instrumenten of van contanten die worden verricht om verbintenissen te waarborgen en die een verbintenis van de overnemer inhouden om de overgedragen financiële instrumenten of contanten, of gelijkwaardige instrumenten of waarden, terug over te dragen, behalve wanneer de gewaarborgde verbintenis helemaal niet of slechts gedeeltelijk wordt uitgevoerd.

Hetzelfde geldt voor de marge-opvragingen en voor de substitutie, tijdens de duur van de overeenkomst, van de oorspronkelijk overgedragen activa door nieuwe financiële instrumenten of andere contanten. § 2. De in § 1 bedoelde eigendomsoverdrachten zijn geldig en aan derden tegenstelbaar, inclusief de prerogatieven die uit de eigendom voortvloeien en die inzonderheid de vervreemding van de activa waarop die overdrachten betrekking hebben, of de saldering van de desbetreffende schuldvorderingen mogelijk maken, niettegenstaande een insolventieprocedure, het beslag of enig ander geval van samenloop tussen de schuldeisers van één van de partijen bij deze overeenkomsten. § 3. Wanneer de gewaarborgde verbintenis helemaal niet of slechts gedeeltelijk wordt uitgevoerd, wordt het bedrag van de contanten of de waarde van de als zekerheid overgedragen financiële instrumenten, vastgesteld onder verwijzing naar de datum van opeisbaarheid van de gewaarborgde schuld, overeenkomstig artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek, toegerekend op de schuldvordering in hoofdsom, interesten en kosten, van de overnemer. Het eventuele saldo komt toe aan de overdrager. § 4. Dit artikel is niet van toepassing op de overeenkomsten die zijn gesloten tussen of met natuurlijke personen. HOOFDSTUK VII. - Cessie-retrocessieverrichtingen ("repo's")

Art. 13.§ 1. Artikel 1328, de bepalingen van boek III, titel XVII, van het Burgerlijk Wetboek en de bepalingen van boek I, titel VI, van het Wetboek van koophandel zijn niet van toepassing op de contante verkopen van financiële instrumenten, die tussen dezelfde partijen worden gesloten met gelijktijdige terugkoop op bepaalde of onbepaalde termijn van gelijkwaardige financiële instrumenten, ongeacht de overeengekomen prijs-, leverings- of looptijdvoorwaarden.

De marge-opvragingen worden geacht onder de prijsvoorwaarden te vallen die betrekking hebben op de cessie-retrocessieverrichtingen in de zin van deze bepaling.

De leveringsvoorwaarden in de zin van deze bepaling omvatten de vervanging, tijdens de duur van de overeenkomst, van de financiële instrumenten die oorspronkelijk ter uitvoering van de contante verkoop zijn geleverd, door nieuwe financiële instrumenten. § 2. Behoudens andersluidende overeenkomst, is de verkoper op termijn, bij niet-betaling op de vervaldag van de prijs van terugkoop op termijn, verplicht om de financiële instrumenten te realiseren tegen de voordeligste prijs en binnen de kortst mogelijke termijn, rekening houdend met het volume van de transacties.

De opbrengst van de realisatie van die financiële instrumenten wordt, overeenkomstig artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek, toegerekend op de schuldvordering in hoofdsom, interesten en kosten, van de verkoper op termijn. Het eventuele saldo van de opbrengst van deze realisatie komt toe aan de koper op termijn.

De uitoefening van de rechten die deze paragraaf toekent aan de verkoper op termijn, wordt noch geschorst door een insolventieprocedure in hoofde van zijn tegenpartij, noch door een beslag dat wordt gelegd op één van zijn vermogensbestanddelen, noch door enig ander geval van samenloop dat plaatsvindt tussen zijn schuldeisers. § 3. Behoudens andersluidende overeenkomst, is de koper op termijn, bij niet-levering op de vervaldag van de financiële instrumenten teruggekocht op termijn, verplicht om op de markt gelijkwaardige financiële instrumenten te verwerven tegen de voordeligste prijs en binnen de kortst mogelijke termijn, rekening houdend met het volume van de transacties.

Indien de verwerving van dergelijke financiële instrumenten, op de in het eerste lid bedoelde voorwaarden, tegen een lagere prijs geschiedt dan de voor de terugkoop op termijn overeengekomen prijs, komt het eventuele saldo toe aan de verkoper op termijn, na aftrek van de kosten en interesten die desgevallend aan de koper op termijn verschuldigd zijn.

De uitoefening van de rechten die deze paragraaf toekent aan de koper op termijn, wordt noch geschorst door een insolventieprocedure in hoofde van zijn tegenpartij, noch door een beslag dat wordt gelegd op één van zijn vermogensbestanddelen, noch door enig ander geval van samenloop dat plaatsvindt tussen zijn schuldeisers. HOOFDSTUK VIII. - Nettingovereenkomsten

Art. 14.De netting-overeenkomsten alsook de ontbindende bedingen en voorwaarden of de bedingen en voorwaarden met betrekking tot de vroegtijdige beëindiging die zijn vastgelegd om de schuldvernieuwing of -vergelijking mogelijk te maken, kunnen, zonder voorafgaande ingebrekestelling of gerechtelijke beslissing, niettegenstaande elke overdracht van de rechten waarop zij betrekking hebben, in het geval van de opening van een insolventieprocedure of in het geval van het beslag of enig ander geval van samenloop, aan de schuldeisers worden tegengesteld als de schuldvordering en de schuld waarop de schuldvernieuwing of -vergelijking moet worden toegepast, bestaan op het ogenblik waarop de insolventieprocedure, het beslag of een geval van samenloop plaatsvindt, ongeacht de datum van hun opeisbaarheid, hun doel of de valuta waarin zij zijn uitgedrukt. HOOFDSTUK IX. - Insolventie

Art. 15.§ 1. De zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en de nettingovereenkomsten zjn geldig en aan derden tegenstelbaar en zij kunnen dus rechtsgevolg hebben, inclusief in het geval van een insolventieprocedure, het beslag of enig ander geval van samenloop, als die overeenkomsten zijn gesloten vóór het tijdstip waarop de insolventieprocedure wordt geopend of vóór het be slag of de samenloop plaatsvindt, of, wanneer die overeenkomsten nà dat moment zijn gesloten, als de tegenpartij kan aantonen dat hij, op het ogenblik waarop de betrokken overeenkomst werd gesloten, in de gewettigde onwetendheid verkeerde over de opening of het eerder plaatsvinden van die procedure of die samenloop. § 2. Paragraaf 1 is ook van toepassing op de betalingen, transacties en handelingen die worden verricht ter uitvoering van de in die paragraaf bedoelde overeenkomsten, en op de in de artikelen 7, § 2, 12, § 1, tweede lid, 13, § 1, tweede en derde lid, en 16 bedoelde marge-opvragingen of vervangingen.

Het eerste lid vindt toepassing onverminderd artikel 17, 3°, van de faillissementswet van 8 augustus 1997. voor de gevallen waarin een zekerheid voor het eerst wordt overeengekomen om een eerder aangegane schuld te waarborgen.

Art. 16.§ 1. Onverminderd artikel 20 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zijn de artikelen 17, 3°, en 18 van die wet niet van toepassing op de margeopvragingen. § 2. Onverminderd artikel 20 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zijn de artikelen 17, 3°, en 18 van die wet niet van toepassing op de financiële instrumenten of contanten die in de plaats worden gesteld van de financiële instrumenten of contanten die oorspronkelijk als zekerheid zijn verschaft of zijn overgedragen in het kader van een zakelijke-zekerheidsovereenkomst. § 3. Onverminderd artikel 20 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, zijn de artikelen 17, 2°, en 18 van die wet niet van toepassing op de nettingovereenkomsten, op de betalingen, transacties en handelingen die worden verricht ter uitvoering van die overeenkomsten, en op hun bepalingen inzake de ontbindende bedingen en voorwaarden of de bedingen en voorwaarden met betrekking tot de vroegtijdige beëindiging die zijn vastgelegd om de schuldvernieuwing of -vergelijking mogelijk te maken. HOOFDSTUK X. - Internationaal privaatrecht

Art. 17.§ 1. Onverminderd artikel 8, § 2, van de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen, wordt elke kwestie betreffende een in § 2 genoemde aangelegenheid die zich voordoet in verband met de toepassing van een zekerheid op op rekening geboekte financiële instrumenten, beheerst door het recht van de Staat waar de betrokken rekening wordt aangehouden. Die wet dient te worden geïnterpreteerd in de zin van het in die Staat van kracht zijnde recht, met uitsluiting van de regels inzake wetsconflicten. § 2. De in § 1 bedoelde aangelegenheden zijn : 1° de juridische aard en de vermogensrechtelijke gevolgen van de zekerheid;2° de eventuele vereisten met betrekking tot het vervullen van de nodige formaliteiten om een dergelijke zekerheid tegenstelbaar te maken aan derden;3° de samenloop tussen concurrerende rechten of de vraag of een verkrijging te goeder trouw heeft plaatsgevonden;4° de eventuele voorwaarden voor de realisatie van de zekerheid. § 3. Voor de toepassing van dit artikel is de betrokken rekening die van de financiële bemiddelaar of de verrekenings- of vereffeningsinstelling in wiens boeken de als zekerheid verschafte financiële instrumenten zijn ingeschreven overeenkomstig artikel 4, § 1. HOOFDSTUK XI. - Wijzigingsbepalingen

Art. 18.Artikel 3 van de wet van 2 januari 1991 betreffende de markt van effecten van de overheidsschuld en het monetaire beleidsinstrumentarium wordt vervangen als volgt : «

Art. 3.§ 1. Het bedrag van de gedematerialiseerde effecten wordt per categorie van effecten met dezelfde kenmerken op naam van de eigenaar of van de houder, op een rekening geboekt bij een instelling die rekeningen bijhoudt, waardoor aldus een onlichamelijk recht van mede-eigendom wordt gevestigd op de universaliteit van de ingeschreven effecten van dezelfde categorie. § 2. De volgende instellingen zijn erkend om rekeningen bij te houden en kunnen bijgevolg in België gedematerialiseerde effecten bijhouden voor derden : 1° de rechtspersonen opgericht naar Belgisch recht, die daartoe door de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen vergund zijn;2° de in België gevestigde bijkantoren van kredietinstellingen of beleggingsondernemingen opgericht naar het recht van een lid-Staat van de Europese Economische Ruimte, die in hun land van herkomst ertoe gemachtigd zijn effecten bij te houden voor rekening van derden;3° de in België gevestigde bijkantoren van rechtspersonen opgericht naar het recht van een buitenlandse Staat die daartoe door de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen vergund zijn;4° de Nationale Bank van België.»

Art. 19.Artikel 4 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 4.§ 1. De Nationale Bank van België is de vereffeningsinstelling belast met het aanhouden van de in deze wet bedoelde gedematerialiseerde effecten en met de vereffening van transacties in deze effecten. § 2. De Koning kan bijzondere regels vaststellen voor : 1° het aanhouden op rekening, door de instellingen die rekeningen bijhouden, van in vreemde valuta's of in rekeneenheden uitgedrukte gedematerialiseerde effecten;2° het aanhouden op rekening, die gelden voor de instelling die rekeningen bijhoudt in verband met het beheer van een internationaal vereffeningssysteem, en die betrekking hebben op het bijhouden op rekening van effecten bij een andere gelijkaardige instelling, ten einde de overdracht van effecten tussen die vereffeningssystemen te vergemakkelijken. § 3. De vereffeningsinstellingen zijn gemachtigd om effecten op rekening van hun deelnemers te boeken op grond van een onherroepelijke en onvoorwaardelijke verbintenis van de Nationale Bank van België dat zij die effecten dezelfde dag in haar vereffeningssysteem zal inschrijven op een rekening op naam van de instelling of, in voorkomend geval, op naam van de intermediair van de instelling bij het vereffeningssysteem van de Bank. »

Art. 20.In artikel 7 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het derde lid wordt opgeheven;2° het artikel wordt aangevuld met het volgende lid : « De pandgever wordt geacht eigenaar te zijn van de in pand gegeven gedematerialiseerde effecten.De geldigheid van het pand wordt door de afwezigheid van eigendomsrecht van de pandgever op de in pand gegeven effecten niet aangetast, onverminderd de aansprakelijkheid van de pandgever ten overstaan van de werkelijke eigenaar van de in pand gegeven effecten. Indien de pandgever de pandhoudende schuldeiser voorafgaandelijk en schriftelijk heeft verwittigd dat hij niet de eigenaar is van de in pand gegeven effecten, dan is de geldigheid van het pand onderworpen aan de machtiging van de eigenaar voor de inpandgeving van deze effecten. »

Art. 21.In artikel 11, eerste lid, van dezelfde wet worden de woorden "onlichamelijke zakelijke rechten" vervangen door de woorden "rechten van mede-eigendom bedoeld in artikel 3, eerste lid,".

Art. 22.Artikel 13 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : «

Art. 13.§ 1. De Commissie voor het Bank-Financie- en Assurantiewezen is belast met het toezicht op de naleving van de regels en verplichtingen bepaald in dit hoofdstuk en in de uitvoeringsbesluiten ervan door de in artikel 3, § 2, 1° tot 3°, bedoelde instellingen. § 2. Voor de uitoefening van het in § 1 bedoelde toezicht, voor het opleggen van bestuursrechtelijke sancties en voor het treffen van andere maatregelen ten overstaan van de in artikel 3, § 2, 1° tot 3°, bedoelde instellingen, maakt de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen : 1° ten aanzien van de in artikel 3, § 2, 1° tot 3°, bedoelde kredietinstellingen, gebruik van de bevoegdheden die haar worden toegekend door de wet van 22.maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen; 2° ten aanzien van beleggingsondernemingen en van de andere in artikel 3, § 2, 1° tot 3°, bedoelde instellingen, gebruik van de bevoegdheden die haar werden toegekend door de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en de beleggingsadviseurs, en de in uitvoering ervan getroffen besluiten en reglementen. De daarmee overeenstemmende bepalingen die de niet-naleving van voornoemde bepalingen bestraffen zijn van toepassing. § 3. De Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen kan wanneer een instelling niet meer voldoet aan de noodzakelijke voorwaarden voor de handhaving van haar vergunning voor het bijhouden van rekeningen : 1° de betreffende instelling verplichten de vastgestelde tekortkomingen te verhelpen binnen de door haar vastgestelde termijn;2° de vergunning van de betreffende instelling geheel of gedeeltelijk herroepen of schorsen. § 4. De Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen mag een administratieve geldboete opleggen aan elke in België gevestigde persoon die rekeningen van gedematerialiseerde effecten bijhoudt voor derden en zich niet conformeert aan artikel 3;

De administratieve geldboete wordt ofwel eenmalig ofwel per kalenderdag opgelegd. In dit laatste geval mag deze noch minder bedragen dan 2 500 euro, noch meer dan 2 500 000 euro. In het totaal mogen de boeten opgelegd voor hetzelfde feit of geheel van feiten 12 500 000 euro niet overschrijden.

De boeten worden ten voordele van de Schatkist geïnd door de administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen. »

Art. 23.Artikel 3, § 1, 5°, van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen wordt aangevuld met het volgende lid : « voor de toepassing van artikel 49 worden met een financiële instelling gelijkgesteld : de vereffeninginstellingen bedoeld in artikel 2, 17°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, en de instellingen waarvan het bedrijf bestaat uit het gehele of gedeeltelijke operationele beheer van diensten verstrekt door dergelijke vereffeninginstellingen. »

Art. 24.Paragrafen 2 en 3 van artikel 157 van dezelfde wet worden respectievelijk § 1 en § 2 van dat artikel.

Art. 25.Artikel 46, 7°, van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en de beleggingsadviseurs wordt aangevuld met het volgende lid : « voor de toepassing van artikel 95 worden met een financiële instelling gelijkgesteld : de vereffeninginstellingen bedoeld in artikel 2, 17°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten, en de instellingen waarvan het bedrijf bestaat uit het gehele of gedeeltelijke operationele beheer van diensten verstrekt door dergelijke vereffeninginstellingen. »

Art. 26.Artikel 468 van het Wetboek van vennootschappen wordt aangevuld met het volgende lid : « De boeking op rekening van effecten vestigt een onlichamelijk recht van mede-eigendom op de universaliteit van effecten van dezelfde categorie die op naam van de vereffeningsinstelling zijn ingeschreven in het register van effecten op naam bedoeld in het vierde lid. »

Art. 27.In artikel 470 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het tweede lid wordt opgeheven;2° het artikel wordt aangevuld met het volgende lid : « De pandgever wordt geacht eigenaar te zijn van de in pand gegeven gedematerialiseerde effecten.De geldigheid van het pand wordt door de afwezigheid van eigendomsrecht van de pandgever op de in pand gegeven gedematerialiseerde effecten niet aangetast, onverminderd de aansprakelijkheid van de pandgever ten overstaan van de werkelijke eigenaar van de in pand gegeven gedematerialiseerde effecten. Indien de pandgever de pandhoudende schuldeiser voorafgaandelijk en schriftelijk heeft verwittigd dat hij niet de eigenaar is van de in pand gegeven gedematerialiseerde effecten, dan is de geldigheid van het pand onderworpen aan de machtiging van de eigenaar voor de inpandgeving van deze effecten. »

Art. 28.In artikel 471, eerste lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden "onlichamelijke zakelijke rechten" vervangen door de woorden "rechten van mede-eigendom bedoeld in artikel 468, vijfde lid,".

Art. 29.Artikel 23 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten wordt aangevuld met de volgende paragraaf : « § 7. Voor de toepassing van de §§ 2 tot 6 en de afdelingen 8 en 9 van dit hoofdstuk worden gelijkgesteld met vereffeningsinstellingen : de in België gevestigde instellingen waarvan het bedrijf bestaat uit het gehele of gedeeltelijke operationele beheer van in § 1. bedoelde diensten van vereffeningsinstellingen, ook wanneer deze laatste in België gevestigde kredietinstellingen zijn. De Koning duidt, op advies van de NBB en de CBFA, de instellingen aan die in het toepassingsgebied vallen van dit lid.

De in het eerste lid bedoelde instellingen dienen een vergunning van de CBFA te verkrijgen. Op advies van de NBB en de CBFA regelt de Koning inzonderheid, zowel op geconsolideerde als niet-geconsolideerde basis, de voorwaarden en de procedure voor de vergunning en handhaving van de vergunning van deze instellingen door de CBFA, met inbegrip van de voorwaarden waaraan de personen die de effectieve leiding waarnemen en de personen die een belangrijke deelneming hebben, moeten voldoen.

Op advies van de NBB en de CBFA kan de Koning, met naleving van de internationale verplichtingen van België, de in het eerste en tweede lid opgenomen regeling geheel of gedeeltelijk toepassen op in het buitenland gevestigde instellingen waarvan het bedrijf bestaat uit het gehele of gedeeltelijke operationele beheer van diensten van in België gevestigde vereffeningsinstellingen bedoeld in § 1, ook wanneer deze laatste in België gevestigde kredietinstellingen zijn. »

Art. 30.In artikel 31 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In § 1 worden de woorden "van dezelfde rang als dat van de pandhoudende schuldeiser," ingevoegd tussen de woorden "voorrecht" en "op";2° In § 5 worden de woorden "Het plaatsen van financiële instrumenten door een financiële tussenpersoon op een rekening bij een instelling bedoeld in § 2 met voor gevolg dat deze instrumenten aan het voorrecht van deze instelling worden onderworpen, vereist de schriftelijke toestemming van de cliënt van de financiële tussenpersoon, op straffe van inbreuk op artikel 148, § 3, van de wet van 6 april 1995" vervangen door de woorden "Het plaatsen van financiële instrumenten door een financiële tussenpersoon op een rekening bij een gekwalificeerde tussenpersoon of bij een instelling als bedoeld in § 1 of in § 2 met als gevolg dat deze instrumenten aan het voorrecht van deze tussenpersoon of deze instelling worden onderworpen, vereist de schriftelijke toestemming van de cliënt van de financiële tussenpersoon, op straffe van inbreuk op artikel 148, § 3, van de wet van 6 april 1995".

Art. 31.Artikel 122 van dezelfde wet wordt aangevuld als volgt : « 20° door de aanvrager van een vergunning en door de vergunde instelling tegen de beslissingen van de CBFA om de vergunning te weigeren, te schorsen of te herroepen krachtens de artikelen 3, 12 en 13 van de wet van 2 januari 1991 betreffende de markt van de effecten van de overheidsschuld en het monetaire beleidsinstrumentarium en van de in uitvoering ervan getroffen besluiten. Het beroep schorst de beslissing tenzij de CBFA, om zwaarwichtige redenen, haar beslissing uitvoerbaar zou hebben verklaard niettegenstaande hoger beroep. » HOOFDSTUK XII. - Fiscale bepalingen Afdeling I. - Wet van 10 maart 1999 tot wijziging van de wet van 6

april 1995 inzake de secundaire markten, het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs, tot fiscale regeling van de verrichtingen van lening van aandelen en houdende diverse andere bepalingen

Art. 32.De artikelen 52 tot 54 van de wet van 10 maart 1999 tot wijziging van de wet van 6 april 1995 inzake de secundaire markten, het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs, tot fiscale regeling van de verrichtingen van lening van aandelen en houdende diverse andere bepalingen, worden ingetrokken. Afdeling II. - Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992

Art. 33.In artikel 2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, vervangen bij de wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de wet van 17 mei 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de bestaande tekst die de § 1 zal vormen, wordt aangevuld met een 11° en een 12°, luidende : « 11° Financiële instrumenten.Onder financiële instrumenten wordt verstaan de financiële instrumenten vermeld in artikel 3, 1°, van de wet van [...] betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijkezekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten. 12° Zakelijke-zekerheidsovereenkomsten met betrekking tot financiële instrumenten Onder zakelijke-zekerheidsovereenkomsten met betrekking tot financiële instrumenten wordt verstaan : a) de in artikel 3, 3°, van de wet van [...] betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten vermelde pandovereenkomsten en overeenkomsten die leiden tot eigendomsoverdracht ten titel van zekerheid, inclusief cessie-retrocessieovereenkomsten ("repo's"); b) binnen het kader van de in a bedoelde overeenkomsten, de marge-opvragingen bedoeld in artikel 3, 9°, van de wet van [...] betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten, en de substituties, in de loop van de overeenkomst, van de oorspronkelijk als zekerheid gegeven activa door nieuwe financiële instrumenten; c) de soortgelijke overeenkomsten als bedoeld in a en b die, krachtens de bepalingen naar buitenlands recht, leiden of, terzake van de overeenkomsten van pandgeving, kunnen leiden tot een eigendomsoverdracht.»; 2° het artikel wordt aangevuld met een § 2, luidende : « § 2.Voor de toepassing van de bepalingen van dit Wetboek, van de bijzondere wettelijke bepalingen op het stuk van de inkomstenbelastingen en van de tot uitvoering ervan genomen besluiten in hun hoofde, worden de overdrager, de pandgever en de leninggever die handelen in het kader van een zakelijke-zekerheidsovereenkomst of van een lening met betrekking tot financiële instrumenten geacht eigenaar te blijven van de betrokken financiële instrumenten gedurende de hele looptijd van het contract.

In afwijking van het eerste lid, worden de inkomsten van kapitalen en roerende waarden uit financiële instrumenten die zijn overgedragen, in pand zijn gegeven of zijn uitgeleend in het kader van een zakelijke-zekerheidsovereenkomst of van een lening niet geacht te zijn ontvangen door de overdrager, de pandgever of de leninggever. »

Art. 34.In artikel 18, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992 en 20 maart 1996, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, en bij de wetten van 22 december 1998, 10 maart 1999 en 24. december 2002, wordt het 3° opgeheven.

Art. 35.In artikel 19 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 22 juli 1993, 20 maart 1996 en 10 maart 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1, 1°, wordt vervangen door de volgende bepaling : « 1° interest, premies en alle andere opbrengsten van leningen, daaronder begrepen zakelijke-zekerheidsovereenkomsten met betrekking tot financiële instrumenten, van gelddeposito's en van elke andere schuldvordering;»; 2° § 2 wordt aangevuld met een derde lid, luidende : « In afwijking van het vorige lid, is het totaal bedrag van de in het eerste lid bedoelde inkomsten van financiële instrumenten die het voorwerp uitmaken van een zakelijke-zekerheidsovereenkomst of van een lening, dat, tijdens de looptijd van die overeenkomst, is betaald of toegekend op de vastgestelde vervaldag, belastbaar ten name van de cessionaris, van de pandnemer of van de leningnemer.»; 3° in § 3, worden de woorden ", niet zijnde zakelijke-zekerheidsovereenkomsten met betrekking tot financiële instrumenten," ingevoegd tussen de woorden "uit verrichtingen" en de woorden "tot afstand".

Art. 36.In Titel II, hoofdstuk II, Afdeling IV, van hetzelfde Wetboek, wordt de onderafdeling I aangevuld met een punt J met als titel "Diverse inkomsten met beroepskarakter" dat een artikel 37bis omvat, luidende : «

Art. 37bis.Onverminderd de toepassing van de roerende voorheffing, worden vergoedingen voor ontbrekende coupon of voor ontbrekend lot betreffende financiële instrumenten die het voorwerp uitmaken van een zakelijke-zekerheidsovereenkomst of van een lening, aangemerkt als beroepsinkomsten wanneer de financiële instrumenten die het voorwerp zijn van de overeenkomst worden gebruikt voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger van die inkomsten.

De netto-inkomsten van deze vergoedingen worden vastgesteld overeenkomstig artikel 98, tweede lid. »

Art. 37.In artikel 45 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 22 december 1998, 10 maart 1999 en 16. juli 2001, wordt § 2 opgeheven.

Art. 38.In artikel 54 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 juli 1992, worden de woorden "in artikel 90, 11°, bedoelde vergoedingen, die worden betaald als compensatie voor deze intresten," ingevoegd tussen het woord "interest," en het woord "retributies".

Art. 39.Artikel 90 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 20 december 1996, 20 juli 2000. en 13 juli 2001 en bij de wet van 10 augustus 2001, wordt aangevuld met een 11°, luidende : « 11° de vergoedingen voor ontbrekende coupon of voor ontbrekend lot betreffende financiële instrumenten die het voorwerp uitmaken van een zakelijkezekerheidsovereenkomst of van een lening. »

Art. 40.In artikel 98, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 27 oktober 1997, worden de woorden "en 11°" ingevoegd tussen de woorden "5° tot 7°" en de woorden ", vermelde inkomsten".

Art. 41.In artikel 171 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 28 december 1992, 24 december 1993, 30 maart 1994, 6 juli 1994, 20 december 1995, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, bij de wetten van 25 januari 1999, 10 maart 1999, 4. mei 1999 en 6 april 2000, bij de koninklijke besluiten van 20 juli 2000 en 13 juli 2001 en bij de wetten van 24. december 2002 en 28 april 2003, wordt het 3° ter vervangen als volgt : « 3°ter tegen een aanslagvoet van 10, 15, 20 of 25 %, de in artikel 90, 11°, bedoelde vergoedingen voor ontbrekende coupon of voor ontbrekend lot, naargelang de toepasbare aanslagvoet op de inkomsten van roerende goederen en kapitalen en op de in artikel 90, 6°, bedoelde loten, waarop die vergoedingen betrekking hebben; ».

Art. 42.In artikel 192, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 december 1992, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wetten van 22 december 1998 en 10 maart 1999, vervallen de woorden "en § 2, eerste lid".

Art. 43.In artikel 198, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 22 juli 1993, 27 december 1993, 6 juli 1994 en 20 december 1995, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wetten van 22 december 1998, 10 maart 1999, 4 mei 1999, 22. mei 2001 en 24 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt aangevuld met een 13°, luidende : « 13° de vergoedingen voor ontbrekende coupon betaald of toegekend in uitvoering van zakelijke-zekerheidsovereenkomsten of leningen met betrekking tot aandelen, tot een bedrag gelijk aan het verschil tussen enerzijds het totale bruto dividend betaald of toegekend voor de aandelen waar deze vergoedingen voor ontbrekend coupon betrekking op hebben en anderzijds het totale bruto bedrag als dividend ofwel daadwerkelijk verkregen ofwel met betrekking waartoe een vergoeding voor ontbrekend coupon werd verkregen met betrekking tot deze aandelen.»; 2° het derde lid wordt opgeheven.

Art. 44.In artikel 202, § 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en gewijzigd bij de wet van 10 maart 1999 en bij de koninklijke besluiten van 20 juli 2000, 13 juli 2001 en 24 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het zesde lid wordt vervangen als volgt : « De in artikel 2, § 2, bedoelde fictie van niet overdracht van eigendom, is niet van toepassing voor de vaststelling of aan de in het eerste lid, 1°, bedoelde voorwaarde is voldaan.» ; 2° De paragraaf wordt aangevuld met het volgende lid : « De in § 1, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde inkomsten verkregen uit hoofde van aandelen die verworven zijn krachtens een zakelijke-zekerheidsovereenkomst of een lening met betrekking tot financiële instrumenten zijn bovendien niet aftrekbaar.»

Art. 45.In artikel 203 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 december 1992, 21 december 1994. en 6 april 1995, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wetten van 22 december 1998, 10 maart 1999, 4 mei 1999, en 24 december 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1, tweede lid, wordt opgeheven;2° § 2, zesde lid, wordt opgeheven.

Art. 46.In artikel 221, 2°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 22 december 1998 en 26 maart 1999, worden de woorden "artikel 90, 5° tot 7°" vervangen door de woorden "artikel 90, 5° tot 7° en 11°".

Art. 47.In artikel 223 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en gewijzigd bij de wetten van 10 maart 1999, 4 mei 1999 en 28. april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° een 3° wordt ingevoegd, luidende : « 3° de vergoedingen toegekend voor ontbrekende coupon als vermeld in artikel 18, eerste lid, 3°.»; 2° het 3° wordt opgeheven.

Art. 48.Artikel 225 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 30 maart 1994, bij het koninklijk besluit van 20. december 1996 en bij de wetten van 10 maart 1999, 4 april 1999, 4 mei 1999 en 28 april 2003, wordt gewijzigd als volgt : 1° in het tweede lid, 5°, worden de woorden "in artikel 223, 2°" vervangen door de woorden "in artikel 223, 2° en 3°" en de woorden "en toelagen" door de woorden ", toelagen en vergoedingen";2° het tweede lid, 5°, wordt vervangen als volgt : « 5° tegen het tarief vermeld in artikel 215, eerste lid, op in artikel 223, 2°, vermelde bijdragen, pensioenen, renten en toelagen; ».

Art. 49.In artikel 228, § 2, 9°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden "artikel 90, 1° tot 10°" worden vervangen door de woorden "artikel 90, 1° tot 11°";2° het 9°, wordt aangevuld met een j, luidende : « j) vergoedingen voor ontbrekende coupon of voor ontbrekend lot verkregen in uitvoering van een zakelijke-zekerheidsovereenkomst of een lening met betrekking tot financiële instrumenten en die ten laste zijn van een leningnemer, een cessionaris of een pandnemer zijnde een rijksinwoner, enigerlei vennootschap, vereniging, inrichting of instelling met maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer in België, de Belgische Staat of de staatkundige onderdelen of plaatselijke gemeenschappen daarvan, of een inrichting waarover een in artikel 227 bedoelde niet-inwoner in België beschikt, zomede de inkomsten van dezelfde aard ten laste van een leningnemer, een cessionaris of een pandnemer die een in artikel 227 bedoelde niet-inwoner is wanneer zij in België worden verkregen.»

Art. 50.In artikel 230 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992 en 6 augustus 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het 1° worden de woorden "zomede de in artikel 228, § 2, 9°, j, bedoelde diverse inkomsten andere dan degene die betrekking hebben op inkomsten van aandelen," ingevoegd tussen de woorden "niet zijnde dividenden," en de woorden "waarvan de schuldenaar een rijksinwoner is,";2° het 2° wordt vervangen als volgt : « 2° de inkomsten van buitenlandse financiële instrumenten die werden gedeponeerd in België en de inkomsten verkregen in uitvoering van een zakelijke-zekerheidsovereenkomst of een lening met betrekking tot die financiële instrumenten, wanneer die bewaargevingen en die transacties voldoen aan de vormvoorwaarden bepaald door de Minister van Financiën en voorzover de bewaargever die financiële instrumenten niet voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België gebruikt;»; 3° een 2° bis wordt ingevoegd, luidende : « 2°bis de inkomsten van buitenlandse financiële instrumenten en de inkomsten van buitenlandse oorsprong verkregen in uitvoering van een zakelijke-zekerheidsovereenkomst of een lening met betrekking tot financiële instrumenten en voorzover die financiële instrumenten niet voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België worden gebruikt en de inkomsten worden betaald door tussenkomst van een in België gevestigde financiële tussenpersoon als bedoeld in artikel 2 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme, onder de door de Minister van Financiën bepaalde vormvoorwaarden;»; 4° in het 5° worden de woorden "a tot i," ingevoegd tussen de woorden "artikel 228, § 2, 9°," en de woorden "verkregen door".

Art. 51.Artikel 234, 5°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 maart 1999, wordt opgeheven.

Art. 52.Artikel 240, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 10 maart 1999 en gewijzigd bij de wet van 4 mei 1999, wordt opgeheven.

Art. 53.In artikel 247, 2°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 10 maart 1999, vervallen de woorden "en 5°" en worden de woorden ", toelagen en vergoedingen" vervangen door de woorden "en toelagen".

Art. 54.In artikel 261 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 4 april 1995, 22 december 1998 en 17. mei 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid, 1°, wordt vervangen als volgt : « 1° door rijksinwoners, binnenlandse vennootschappen, verenigingen, instellingen, inrichtingen en lichamen, en aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersonen die inkomsten van roerende goederen en kapitalen en inkomsten als bedoeld in artikel 90, 6° of 11°, verschuldigd zijn, zomede door aan de belasting van niet-inwoners onderworpen belastingplichtigen die in België een inrichting hebben, op de resultaten waarvan inkomsten als bedoeld in artikel 17, § 1, 2° tot 4°, en inkomsten als bedoeld in artikel 90, 6° en 11°, worden aangerekend;»; 2° het eerste lid wordt aangevuld met een 4°, luidende : « 4° door de in België gevestigde tussenpersonen die rechtstreeks aan de werkelijke verkrijger inkomsten als bedoeld in artikel 90, 11°, van buitenlandse oorsprong betalen.» ; 3° het artikel wordt aangevuld met een derde lid, luidende : « Met betrekking tot de interest van leningen van financiële instrumenten en de in artikel 90, 11°, bedoelde inkomsten die worden betaald in uitvoering van een lening betreffende financiële instrumenten, gesloten en integraal vereffend door tussenkomst van een erkend gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van financiële instrumenten, is, in afwijking van het eerste lid, de schuldenaar van de roerende voorheffing welke deze voorheffing op de belastbare inkomsten moet inhouden niettegenstaande elke andersluidende overeenkomst, de beheerder van het erkend gecentraliseerd systeem.Onder "erkend gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van financiële instrumenten" wordt verstaan een systeem voor het lenen en ontlenen van financiële instrumenten dat tot doel heeft in laatste instantie de afwikkeling van orders tot overdracht van effecten te vergemakkelijken en dat geïntegreerd is in een vereffeningssysteem voor effecten zoals bedoeld in artikel 2, § 1, b, van de wet van 28. april 1999 houdende omzetting van de richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitief karakter van de afwikkeling van de betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen, of in een systeem van een andere Staat waarvan de wetgeving minstens in gelijkwaardige werkingsvoorwaarden voorziet, erkend door de minister van Financiën of zijn gedelegeerde. De Koning bepaalt de erkenningsvoorwaarden waaraan het systeem moet voldoen en de periode tijdens dewelke de erkenning kan worden verleend. »

Art. 55.In artikel 262 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 22 juli 1993, 30 januari 1996, 20 maart 1996, 16 april 1997 en 22 december 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in 1°, worden de woorden "diverse inkomsten vermeld in artikel 90, 6°," vervangen door de woorden "in artikel 90, 6° en 11°, bedoelde inkomsten,";2° in 4°, worden de woorden "en loten van effecten van leningen" vervangen door de woorden ", loten van effecten van leningen en de in artikel 90, 11°, bedoelde inkomsten,".

Art. 56.In artikel 263, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 4 april 1995, worden de woorden "op de in artikel 90, 11°, bedoelde inkomsten van buitenlandse oorsprong," ingevoegd tussen de woorden "gelddeposito's in het buitenland," en de woorden "alsook op in artikel 267, vierde lid, vermelde inkomsten."

Art. 57.Artikel 265 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 4 april 1995 en gewijzigd bij de wet van 12 december 1996, wordt aangevuld als volgt : « De roerende voorheffing is evenmin verschuldigd door de in België gevestigde tussenpersonen die in artikel 90, 11°, bedoelde vergoedingen, van buitenlandse oorsprong betalen, wanneer deze tussenpersonen dergelijke vergoedingen betalen in het onmiddellijke voordeel van een binnenlandse vennootschap of een belastingplichtige onderworpen aan de belasting der niet-inwoners overeenkomstig artikel 233. » Art.58. In artikel 269 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 30 maart 1994 en gewijzigd bij de wetten van 20 december 1995, 10 februari 1998, 22 december 1998, 10 maart 1999, 22 mei 2001, 19 juli 2001 en 24. december 2002, wordt het eerste lid, 3°, vervangen als volgt : « 3° tegen een aanslagvoet van 10, 15, 20 of 25 pct., de in artikel 90, 11°, bedoelde vergoedingen voor ontbrekende coupon of voor ontbrekend lot, naargelang de toepasbare aanslagvoet op de inkomsten van roerende goederen en kapitalen en op de in artikel 90, 6° bedoelde loten, waarop die vergoedingen betrekking hebben. »

Art. 59.Artikel 280 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 6 juli 1994 en 4 juli 2004, wordt aangevuld met een vierde lid, luidende : « Bovendien wordt, voor de toepassing van het tweede lid ten name van de verkrijger van inkomsten van roerende goederen en kapitalen waarvan hij de eigendom heeft verkregen krachtens een zakelijke-zekerheidsovereenkomst of een lening met betrekking tot financiële instrumenten, de roerende voorheffing verrekend ten belope van het bedrag van de voorheffing dat verhoudingsgewijze betrekking heeft op de totale periode bestaande uit de periode bepaald overeenkomstig het vermelde lid en die tijdens dewelke de leninggever, de overdrager of de pandgever de volle eigendom heeft gehad van die financiële instrumenten. »

Art. 60.In artikel 281 van hetzelfde Wetboek, aangevuld bij de wet van 10 maart 1999, wordt het tweede lid opgeheven.

Art. 61.In hetzelfde Wetboek wordt artikel 283, opgeheven bij de wet van 30 januari 1996, opnieuw opgenomen in de volgende lezing : «

Artikel 283.Behalve indien de lening wordt gesloten door tussenkomst van een erkend gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van financiële instrumenten bedoeld in artikel 261, derde lid, wordt geen enkele roerende voorheffing verrekend uit hoofde van inkomsten uit aandelen van Belgische vennootschappen waarvan de verkrijger de eigendom heeft verkregen naar aanleiding van een lening met betrekking tot financiële instrumenten wanneer de leninggever van deze financiële instrumenten een inwoner is van een Staat waarmee België een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting heeft gesloten en deze financiële instrumenten niet heeft gebruikt voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid in België.

In afwijking van het vorige lid en onverminderd de in de artikelen 281 en 282 bedoelde bepalingen, wordt in hoofde van de leningnemer, wanneer deze aantoont dat de leninggever van de aandelen zonder lening zou kunnen hebben genieten van een verzaking aan de inning van de roerende voorheffing of van een vermindering van de roerende voorheffing als bedoeld in een overeenkomst die België ter voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten met betrekking tot dividenden toegekend of betaalbaar gesteld voor die aandelen, de roerende voorheffing verrekend ten belope van het verschil tussen de werkelijk op de dividenden ingehouden roerende voorheffing en het bedrag van de roerende voorheffing dat definitief zou verschuldigd zijn geweest door de leninggever indien deze laatste zelf de dividenden had ontvangen. »

Art. 62.Artikel 289 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 6 juni 1994 en 10 augustus 2001, wordt aangevuld als volgt : « Het forfaitair gedeelte van buitenlandse belasting wordt niet verrekend terzake van interesten opgebracht door financiële instrumenten, welke in België zijn ge bruikt voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van de verkrijger van de inkomsten wanneer hij deze financiële instrumenten bezit in zijn hoedanigheid van leningnemer in het kader van een lening met betrekking tot financiële instrumenten. »

Art. 63.In artikel 313, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 6 juli 1994, 16. april 1997, 22 december 1998 en 26 maart 1999, worden de woorden ", noch de vergoedingen vermeld in artikel 90, 11°," ingevoegd tussen de woorden "noch de in artikel 90, 6°, vermelde loten" en de woorden "te vermelden".

Art. 64.Artikel 362bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 6 juli 1994, wordt vervangen door de volgende bepaling : « Ten name van belastingplichtigen die kapitalen, niet zijnde aandelen, gebruiken voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid worden de op een bepaald belastbaar tijdperk betrekking hebbende verlopen interestgedeelten van die kapitalen of het gedeelte van de vergoedingen voor ontbrekende coupon dat betrekking heeft op de verlopen interesten van die kapitalen krachtens een zakelijke-zekerheidsovereenkomst of een lening, beschouwd als een inkomen van dat tijdperk, zelfs wanneer de interesten of de vergoedingen gedurende een later tijdperk worden geïnd of verkregen.

In afwijking van het vorige lid, wordt, ten name van de cessionarissen, pandnemers of leningnemers bedoeld in artikel 19, § 2, derde lid, het totale bedrag van de interest die werd geïnd of verkregen gedurende een bepaald belastbaar tijdperk in het kader van hun beroepswerkzaamheid, beschouwd als een inkomen van dat belastbaar tijdperk. »

Art. 65.In hetzelfde Wetboek wordt artikel 394bis, opgeheven door de wet van 15 maart 1999, opnieuw opgenomen in de volgende lezing : « Artikel 394 bis. Artikel 2, § 2, eerste lid, is niet van toepassing op de bepalingen die betrekking hebben op de invordering van de belasting. » Afdeling III. - Wet van 4 december 1990 op de financiële transacties

en de financiële markten

Art. 66.In artikel 143, § 1, van de wet van 4 december 1990. op de financiële transacties en de financiële markten, gewijzigd door de wetten van 5 augustus 1992, 28 december 1992, 16 april 1997, 10 maart 1999 en 22 april 2003, vervallen de woorden "de vergoedingen toegekend voor ontbrekende coupon als vermeld in artikel 18, eerste lid, 3°, van hetzelfde Wetboek,". Afdeling IV. - Wet van 6 augustus 1993 betreffende de transacties

met bepaalde effecten

Art. 67.In artikel 12 van de wet van 6 augustus 1993 betreffende de transacties met bepaalde effecten, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « Bij toepassing van artikel 2, § 2, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, worden de lening en de zakelijke-zekerheidsovereenkomst met betrekking tot financiële instrumenten die door overschrijving van of naar een vrijgestelde rekening worden geleverd, ten aanzien van de houder van een zodanige rekening, geacht geen eigendomsoverdracht tot gevolg te hebben.»; 2° In het tweede lid worden de woorden "van cessieretrocessie" vervangen door de woorden "tijdens de periode voor dewelke de zakelijke-zekerheidsovereenkomst met betrekking tot financiële instrumenten aan een eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden krachtens de wet van [...] betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten »; 3° het derde lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « De vergoeding van de lening of van de zakelijke-zekerheidsovereenkomst met betrekking tot financiële instrumenten wordt ten aanzien van de in het tweede lid, 2°, bedoelde verkrijgers beschouwd als een rente waarop de leningnemer of de medecontractant de voorheffing verschuldigd is.»; 4° het vierde lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « Indien de leningnemer of de medecontractant niet in België is gevestigd, is de roerende voorheffing verschuldigd door de in België gevestigde tussenpersoon die de compenserende vergoeding of de vergoeding van de lening of van de zakelijke-zekerheidsovereenkomst met betrekking tot financiële instrumenten toekent of betaalbaar stelt aan de uiteindelijke verkrijger.» Afdeling V. - Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen

Art. 68.Artikel 1261, 15°, van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, ingevoegd bij de wet van 4. april 1995, wordt opgeheven. HOOFDSTUK XIII. - Opheffingsbepalingen en diverse bepalingen

Art. 69.Opgeheven worden : 1° artikel 4, derde en vierde lid, van de wet van 5.mei 1872 die Titel VI, Boek I, van het Wetboek van koophandel vormt, voor zover die leden betrekking hebben op de panden op financiële instrumenten of op contanten; 2° artikel 7, § 2, van het gecoördineerd koninklijk besluit nr.62 betreffende de bewaargeving van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening van transacties op deze instrumenten; 3° artikel 119 nonies, § 2, derde en vierde lid, van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten, voor zover die leden betrekking hebben op de panden op financiële instrumenten of op contanten;4° de artikelen 23 tot 26 van de wet van 2 januari 1991 betreffende de markt van de effecten van de overheidsschuld en het monetaire beleidsinstrumentarium;5° artikel 157, § 1, van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen.

Art. 70.Het koninklijk besluit van 27 januari 2004 tot coördinatie van het koninklijk besluit nr. 62 van 10 november 1967 ter bevordering van de omloop van financiële instrumenten, wordt bekrachtigd met uitwerking op de datum van zijn inwerkingtreding.

Art. 71.De instellingen, erkend met toepassing van het ministerieel besluit van 24 januari 1991 houdende algemene, per categorie van instellingen, verleende vergunning voor het bijhouden van rekeningen van gedematerialiseerde effecten van overheidsschuld, die binnen de toepassing vallen van artikel 3 van de wet van 2 januari 1991 verkrijgen van rechtswege een vergunning tot de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen een andere beslissing neemt.

Art. 72.De gecentraliseerde systemen voor het lenen en ontlenen van aandelen die werden erkend op grond van artikel 203, § 2, zesde lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, voordat deze bepaling werd opgeheven door artikel 42, 2°, van deze wet, blijven hun erkenning behouden indien zij aan de door de Koning vastgestelde voorwaarden voldoen binnen de door Hem vastgestelde termijn. Deze erkenning geldt dan als "erkend gecentraliseerd systeem voor het lenen en ontlenen van financiële instrumenten" als bedoeld in artikel 261, derde lid, van hetzelfde Wetboek, zoals ingevoerd bij artikel 51 van deze wet. HOOFDSTUK XIV. - Inwerkingtreding

Art. 73.§ 1. Met uitzondering van de artikelen 18, 19, 22, 31 en 71, waarvan de tenuitvoerleggingsdatum door de Koning wordt vastgelegd, treden de bepalingen van de hoofdstukken II tot XI van deze wet in werking de dag waarop zij in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

De in het eerste lid bedoelde bepalingen zijn ook van toepassing op de zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en de netting overeenkomsten die zijn gesloten vóór hun inwerkingtreding, behalve wat de insolventieprocedures, de gevallen van samenloop of de beslagprocedures betreft die dateren van vóór die datum.

Art. 74.De artikelen 32, 47, 1° en 48, 1°, zijn van toepassing op leningen van aandelen afgesloten vanaf 14 april 1999.

De artikelen 34, 37, 42, 43, 2°, 45, 47, 2°, 51 tot 53. en 60 zijn van toepassing op leningen van aandelen afgesloten vanaf de datum van bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.

De artikelen 33, 44, 1°, 65 en 67, 1° en 2°, zijn van toepassing op zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en op leningen betreffende financiële instrumenten, afgesloten vanaf de datum van bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.

De artikelen 35, 36, 38 tot 40, 43, 1°, 44, 2°, 46, 48, 2°, 49, 50, 54 tot 59, 64, 66 en 67, 3° en 4°, zijn van toepassing op vergoedingen voor ontbrekende coupon of voor ontbrekend lot betaald of toegekend in uitvoering van zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten, afgesloten vanaf de datum van bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.

De artikelen 41 en 63 zijn van toepassing vanaf het aanslagjaar 2005.

Artikel 50, 2° en 3°, is van toepassing : - wat de inkomsten van buitenlandse financiële instrumenten betreft, op de inkomsten die worden betaald of toegekend vanaf de datum van bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad ; - wat de andere inkomsten dan vergoedingen voor ontbrekende coupon of voor ontbrekend lot verkregen in uitvoering van een zakelijke-zekerheidsovereenkomst of een lening met betrekking tot financiële instrumenten betreft, op de inkomsten betaald of toegekend in uitvoering van zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten, afgesloten vanaf de datum van bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.

De artikelen 61 en 62 zijn van toepassing op inkomsten van financiële instrumenten die het voorwerp zijn van zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten die zijn afgesloten vanaf de datum van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad.

Brussel, 25 november 2004.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 15 december 2004.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Financiën, D. REYNDERS Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota (1) Zitting 2004-2005. Kamer van volksvertegenwoordigers.

Parlementaire stukken. - Wetsontwerp, 51-1407- Nr. 1. - Wetsontwerp - Nr. 2 - Verslag - Nr. 3 - Aangenomen tekst - Nr. 4 - Amendement Nr. 5 - Aangenomen tekst.

Senaat.

Parlementaire stukken. - 3-934 - Nr. 1. - Verstrijken van de evocatietermijn.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^