Wet van 15 september 2006
gepubliceerd op 06 oktober 2006
Informatisering van Justitie. Ja, maar hoe ?

Wet tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen

bron
federale overheidsdienst binnenlandse zaken
numac
2006000703
pub.
06/10/2006
prom.
15/09/2006
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

15 SEPTEMBER 2006. - Wet tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2.Deze wet zet onder meer de richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging, de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale erkenning behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming, en de richtlijn 2004/81/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende de verblijfstitel die in ruil voor samenwerking met de bevoegde autoriteiten wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel of hulp hebben gekregen bij illegale immigratie, om in de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen

Art. 3.Artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij de wet van 15 juli 1996, wordt opgeheven.

Art. 4.In dezelfde wet wordt een artikel 9bis ingevoegd, luidende : «

Art. 9bis.§ 1. In buitengewone omstandigheden en op voorwaarde dat de vreemdeling over een identiteitsdocument beschikt, kan de machtiging tot verblijf worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft. Deze maakt ze over aan de minister of aan diens gemachtigde. Indien de minister of diens gemachtigde de machtiging tot verblijf toekent, zal de machtiging tot verblijf in België worden afgegeven.

De voorwaarde dat de vreemdeling beschikt over een identiteitsdocument is niet van toepassing op : - de asielzoeker wiens asielaanvraag niet definitief werd afgewezen of die tegen deze beslissing een overeenkomstig artikel 20 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, toelaatbaar cassatieberoep heeft ingediend en dit tot op het ogenblik waarop het beroep niet toelaatbaar wordt verklaard; - de vreemdeling die zijn onmogelijkheid om het vereiste identiteitsdocument te verwerven in België, op geldige wijze aantoont. § 2. Onverminderd de andere elementen van de aanvraag, kunnen niet aanvaard worden als buitengewone omstandigheden en worden onontvankelijk verklaard : 1° elementen die reeds aangehaald werden ter ondersteuning van een asielaanvraag in de zin van de artikelen 50, 50bis, 50ter en 51 en die verworpen werden door de asieldiensten, met uitzondering van elementen die verworpen werden omdat ze vreemd zijn aan de criteria van de Conventie van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3, en aan de criteria voorzien in artikel 48/4 met betrekking tot de subsidiaire bescherming of omdat de beoordeling ervan niet behoort tot de bevoegdheid van die instanties;2° elementen die in de loop van de procedure ter behandeling van de asielaanvraag in de zin van artikel 50, 50bis, 50ter en 51 hadden moeten worden ingeroepen, aangezien zij reeds bestonden en gekend waren voor het einde van deze procedure;3° elementen die reeds ingeroepen werden bij een vorige aanvraag tot het bekomen van een machtiging tot verblijf in het Rijk; 4° elementen die ingeroepen werden in het kader van een aanvraag tot het bekomen van een machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter."

Art. 5.In dezelfde wet wordt een artikel 9ter ingevoegd, luidende : «

Art. 9ter.§ 1. De in België verblijvende vreemdeling die beschikt over een identiteitsdocument en die op zodanige wijze lijdt aan een ziekte dat deze ziekte een reëel risico inhoudt voor zijn leven of fysieke integriteit of een reëel risico inhoudt op een onmenselijke of vernederende behandeling wanneer er geen adequate behandeling is in zijn land van herkomst of het land waar hij verblijft, kan een machtiging tot verblijf in het Rijk aanvragen bij de minister of zijn gemachtigde.

De vreemdeling dient alle nuttige inlichtingen aangaande zijn ziekte over te maken. De beoordeling van het bovenvermeld risico en van de mogelijkheden van behandeling in het land van oorsprong of het land waar hij verblijft, gebeurt door een ambtenaar-geneesheer die daaromtrent een advies verschaft. Hij kan zonodig de vreemdeling onderzoeken en een bijkomend advies inwinnen van deskundigen.

De voorwaarde dat de vreemdeling beschikt over een identiteitsdocument is niet van toepassing op : - de asielzoeker wiens asielaanvraag niet het voorwerp van een definitieve beslissing heeft uitgemaakt of die een overeenkomstig artikel 20 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, toelaatbaar verklaard administratief cassatieberoep heeft ingediend en dit tot op het ogenblik waarop een verwerpingsarrest inzake het toegelaten beroep is uitgesproken; - de vreemdeling die zijn onmogelijkheid om het vereiste identiteitsdocument te verwerven in België, op geldige wijze aantoont. § 2. De in § 1 vermelde deskundigen worden benoemd door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.

De Koning stelt de procedureregels vast bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en bepaalt eveneens de wijze van bezoldiging van de in het eerste lid vermelde deskundigen. § 3. De minister of zijn gemachtigde verklaart de ingeroepen elementen onontvankelijk in de gevallen opgesomd in artikel 9bis, § 2, 1° tot 3°, of wanneer de ingeroepen elementen ter ondersteuning van de aanvraag tot machtiging tot verblijf in het Rijk reeds werden ingeroepen in het kader van een vorige aanvraag tot het bekomen van een machtiging tot verblijf in het Rijk op grond van de huidige bepaling. § 4. De bedoelde vreemdeling wordt uitgesloten van het voordeel van deze bepaling, wanneer de minister of zijn gemachtigde van oordeel is dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de betrokkene handelingen gepleegd heeft bedoeld in artikel 55/4. »

Art. 6.Artikel 10 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 28 juni 1984 en gewijzigd bij de wetten van 6 augustus 1993 en 15 juli 1996, wordt vervangen als volgt : «

Art. 10.§ 1. Onder voorbehoud van de bepalingen van artikelen 9 en 12, zijn van rechtswege toegelaten om meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven : 1° de vreemdeling wiens recht op verblijf erkend wordt door een internationaal verdrag, door een wet of door een koninklijk besluit;2° de vreemdeling die de wettelijke voorwaarden vervult om de Belgische nationaliteit door nationaliteitskeuze te verkrijgen op grond van artikel 13, 1°, 3° en 4°, van het Wetboek van Nationaliteit, of om ze te herkrijgen, zonder dat evenwel vereist is dat hij gedurende de twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag om tot verblijf te worden toegelaten zijn hoofdverblijf in België moet hebben, noch dat hij naargelang het geval, een verklaring van nationaliteitskeuze of een verklaring met het oog op het herkrijgen van de Belgische nationaliteit hoeft te doen;3° de vrouw die de Belgische nationaliteit verloren heeft door haar huwelijk of ingevolge het verwerven van een vreemde nationaliteit door haar echtgenoot;4° de volgende familieleden van een vreemdeling die toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of gemachtigd is om er zich te vestigen : - de buitenlandse echtgenoot of de vreemdeling waarmee een geregistreerd partnerschap gesloten werd dat als gelijkwaardig beschouwd wordt met het huwelijk in België, die met hem komt samenleven, op voorwaarde dat beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar. Deze minimumleeftijd wordt echter teruggebracht tot achttien jaar wanneer, naargelang het geval, de echtelijke band of dit geregistreerd partnerschap, reeds bestond vóór de vreemdeling die vervoegd wordt, in het Rijk aankwam; - hun kinderen, die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en alleenstaand zijn; - de kinderen van de vreemdeling die vervoegd wordt, van diens echtgenoot of van de geregistreerde partner bedoeld in het eerste streepje, die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en alleenstaand zijn, voorzover de vreemdeling die vervoegd wordt, zijn echtgenoot of de bedoelde geregistreerde partner over het recht van bewaring beschikt en de kinderen ten laste zijn van hem of diens echtgenoot of deze geregistreerde partner en, indien het recht van bewaring wordt gedeeld, op voorwaarde dat de andere houder van het recht van bewaring zijn toestemming heeft gegeven; 5° de vreemdeling die door middel van een wettelijk geregistreerd partnerschap, verbonden is met een vreemdeling die toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of gemachtigd is om er zich te vestigen, en die met die vreemdeling een naar behoren geattesteerde duurzame en stabiele relatie onderhoudt van minstens een jaar, en die met hem komt samenleven, voorzover zij beiden ouder zijn dan eenentwintig jaar en ongehuwd zijn en geen duurzame relatie hebben met een andere persoon, evenals de kinderen van deze partner, die met hen komen samenleven alvorens zij de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt en alleenstaand zijn, voorzover hij over het recht van bewaring beschikt en de kinderen te zijnen laste zijn en, indien het recht van bewaring wordt gedeeld, op voorwaarde dat de andere houder van het recht van bewaring zijn toestemming heeft gegeven. De minimumleeftijd van de twee partners wordt teruggebracht tot achttien jaar, wanneer zij het bewijs leveren dat zij vóór de aankomst van de vreemdeling die vervoegd wordt in het Rijk, reeds ten minste een jaar samengewoond hebben; 6° het alleenstaand gehandicapt kind dat ouder is dan achttien jaar, van een vreemdeling die toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk of gemachtigd is om er zich te vestigen, of van zijn echtgenoot of van zijn partner zoals bedoeld in punt 4° of 5°, voorzover het kind een attest overlegt dat uitgaat van een door de Belgische diplomatieke of consulaire post erkende arts dat aantoont dat het omwille van zijn handicap niet in zijn eigen behoeften kan voorzien;7° de ouders van een vreemdeling die erkend werd als vluchteling in de zin van artikel 48/3, voor zover zij met hem komen samenleven en op voorwaarde dat hij jonger is dan achttien jaar en het Rijk binnengekomen is zonder begeleiding van een krachtens de wet verantwoordelijke meerderjarige vreemdeling en vervolgens niet daadwerkelijk onder de hoede van een dergelijke persoon gestaan heeft, of zonder begeleiding werd achtergelaten nadat hij het Rijk is binnengekomen. Het eerste lid, 4°, is niet van toepassing op de echtgenoot van een polygame vreemdeling, indien een andere echtgenoot van die persoon reeds in het Rijk verblijft, noch op de kinderen die in het kader van een polygaam huwelijk afstammen van een vreemdeling en een andere echtgenote dan deze die al in het Rijk verblijft.

De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de gevallen waarbij een partnerschap dat geregistreerd werd op basis van een vreemde wet, moet beschouwd worden als gelijkwaardig met een huwelijk in België.

De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de criteria inzake het stabiel karakter van de relatie tussen de partners.

De bepalingen met betrekking tot de kinderen zijn van toepassing, tenzij een internationaal verdrag dat België bindt, meer voordelige bepalingen bevat. § 2. De in § 1, eerste lid, 2° en 3° bedoelde vreemdelingen moeten het bewijs aanbrengen dat ze beschikken over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen ten behoeve van zichzelf en om te voorkomen dat ze ten laste van de openbare overheden vallen.

De in § 1, eerste lid, 4° tot 7°, bedoelde vreemdelingen moeten het bewijs aanbrengen dat de vreemdeling die vervoegd wordt over voldoende huisvesting beschikt om het familielid of de familieleden, die gevraagd heeft of hebben om zich bij hem te komen voegen, te herbergen en over een ziektekostenverzekering beschikt die de risico's in België voor hem en zijn familieleden dekt. De Koning bepaalt de gevallen waarbij de vreemdeling geacht wordt over voldoende huisvesting te beschikken.

De vreemdeling bedoeld in § 1, eerste lid, 6°, moet het bewijs aanbrengen dat de vreemdeling die vervoegd wordt beschikt over toereikende, stabiele en regelmatige bestaansmiddelen ten behoeve van zichzelf en van zijn familieleden en om te voorkomen dat zij ten laste van de openbare overheden vallen.

Het tweede lid is niet van toepassing op de in § 1, eerste lid, 4°, 5° en 7°, bedoelde familieleden van een als vluchteling erkende vreemdeling indien de bloed- of aanverwantschapsbanden of het geregistreerd partnerschap al bestonden vooraleer de vreemdeling het Rijk binnenkwam en voorzover de aanvraag tot verblijf op basis van artikel 10 werd ingediend in de loop van het jaar na de beslissing tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling van de vreemdeling die vervoegd wordt.

De minister of zijn gemachtigde kan, door middel van een gemotiveerde beslissing, echter eisen dat de in het tweede lid bedoelde documenten worden overgelegd indien de gezinshereniging mogelijk is in een ander land, waarmee de vreemdeling die vervoegd wordt of diens familielid een bijzondere band heeft, waarbij rekening gehouden wordt met de feitelijke omstandigheden, de aan de gezinshereniging gestelde voorwaarden in dat ander land en de mate waarin de betrokken vreemdelingen deze voorwaarden kunnen vervullen.

Alle in § 1 bedoelde vreemdelingen moeten bovendien het bewijs aanbrengen dat zij niet lijden aan één van de ziekten die de volksgezondheid in gevaar kunnen brengen en die worden opgesomd in punt A van de bijlage aan deze wet. § 3. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 11, § 2, kan een vreemdeling die met toepassing van § 1, eerste lid, 4° of 5°, toegelaten werd tot een verblijf in de hoedanigheid van echtgenoot of ongehuwde partner, na de inwerkingtreding van de huidige bepaling, zich slechts beroepen op het recht om zich te laten vervoegen op basis van een huwelijk of een geregistreerd partnerschap indien hij kan bewijzen dat hij gedurende twee jaar regelmatig in het Rijk heeft verbleven. § 4. § 1, eerste lid, 1°, 4°, 5° en 6° is niet van toepassing op de familieleden van de vreemdeling die gemachtigd is in België te verblijven om er te studeren of die toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van beperkte duur ingevolge deze wet of ingevolge de bijzondere omstandigheden eigen aan de betrokkene of ingevolge de aard of de duur van zijn activiteiten in België. »

Art. 7.Artikel 10bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 28 juni 1984 en gewijzigd bij de wet van 15 juli 1996, wordt vervangen als volgt : «

Art. 10bis.§ 1. Wanneer de in artikel 10, § 1, 4°, 5°en 6° bedoelde familieleden van een tot een verblijf gemachtigde buitenlandse student een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden aanvragen, moet die machtiging worden toegekend indien de student of één van de betrokken familieleden het bewijs aanbrengt dat hij over stabiele, regelmatige en voldoende bestaansmiddelen beschikt om in zijn eigen behoeften en die van zijn familieleden te voorzien en om te voorkomen dat zij ten laste vallen van de openbare overheden, dat de student over voldoende huisvesting beschikt om het familielid of de familieleden, die gevraagd hebben om zich bij hem te komen voegen, te herbergen en dat hij over een ziektekostenverzekering beschikt die de risico's in België voor hem en zijn familieleden dekt, voorzover die zich niet in één der in artikel 3, eerste lid, 5° tot 8°, voorziene gevallen bevinden of lijden aan één van de ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren en die worden opgesomd in punt A van de bijlage aan deze wet.

De Koning bepaalt de gevallen waarbij de vreemdeling geacht wordt over voldoende huisvesting te beschikken.

De bepalingen van artikel 12bis, § 6, zijn eveneens van toepassing. § 2. Wanneer de in artikel 10, § 1, 4° tot 6°, bedoelde familieleden van een vreemdeling die gemachtigd werd in België te verblijven voor een beperkte duur ingevolge deze wet of ingevolge de bijzondere omstandigheden eigen aan de betrokkene of ingevolge de aard of de duur van zijn activiteiten in België, een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden aanvragen, moet die machtiging toegekend worden indien zij het bewijs aanbrengen dat de vreemdeling die vervoegd wordt, over voldoende huisvesting beschikt om het familielid of de familieleden, die gevraagd hebben om zich bij hem te komen voegen, te herbergen en dat hij over een ziektekostenverzekering beschikt die de risico's in België voor hem en zijn familieleden dekt, voorzover die zich niet in één der in artikel 3, eerste lid, 5° tot 8° voorziene gevallen bevinden, of lijden aan één van de ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren en die worden opgesomd in punt A van de bijlage aan deze wet.

Het familielid bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 6°, moet bovendien het bewijs aanbrengen dat de vreemdeling die vervoegd wordt beschikt over stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen ten behoeve van zichzelf en van zijn familieleden en om te voorkomen dat zij ten laste van de openbare overheden vallen.

De Koning bepaalt de gevallen waarbij de vreemdeling geacht wordt over voldoende huisvesting te beschikken.

De bepalingen van artikel 12bis, § 6, zijn eveneens van toepassing. »

Art. 8.In dezelfde wet wordt een artikel 10ter ingevoegd, luidende : «

Art. 10ter.§ 1. De aanvraag tot machtiging tot verblijf wordt ingediend volgens de modaliteiten die worden voorzien door artikel 9 of 9bis.

De datum voor het indienen van de in artikel 10bis bedoelde aanvraag is die waarop alle bewijzen, bedoeld in artikel 10bis, § 1, eerste lid, of § 2, eerste en tweede lid, overeenkomstig artikel 30 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht of de internationale overeenkomsten betreffende dezelfde materie, worden overgelegd, met inbegrip van een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, indien de aanvrager ouder is dan 18 jaar, alsmede een medisch getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één van de in punt A van de bijlage aan deze wet opgesomde ziekten. § 2. De beslissing met betrekking tot de aanvraag tot het bekomen van een machtiging tot verblijf wordt zo snel mogelijk en ten laatste negen maanden na de datum waarop de aanvraag werd ingediend, zoals bepaald in § 1, getroffen en betekend.

In bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van de aanvraag, kan de minister of zijn gemachtigde deze termijn tweemaal, met een periode van drie maanden, verlengen. Dit wordt gedaan door middel van een gemotiveerde beslissing die ter kennis wordt gebracht van de aanvrager.

Indien na het verstrijken van de termijn van negen maanden volgend op de datum waarop de aanvraag werd ingediend, die eventueel verlengd werd overeenkomstig het tweede lid, geen enkele beslissing getroffen werd, moet de machtiging tot verblijf verstrekt worden.

In het kader van de onderzoek van de aanvraag wordt terdege rekening gehouden met het hoger belang van het kind. § 3. De minister of zijn gemachtigde kunnen beslissen om de aanvraag tot machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden te verwerpen, hetzij om dezelfde redenen als de redenen bedoeld in artikel 11, § 1, 1° tot 3°, hetzij indien de vreemdeling de andere voorwaarden van artikel 10bis niet of niet meer vervult, hetzij indien hij valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt heeft, fraude gepleegd heeft of onwettige middelen heeft gebruikt met het oog op het bekomen van die machtiging, hetzij indien vaststaat dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie uitsluitend afgesloten werden opdat hij het Rijk zou kunnen binnenkomen of er verblijven. »

Art. 9.Artikel 11 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 6 augustus 1993 en 15 juli 1996, wordt vervangen als volgt : «

Art. 11.§ 1. De minister of zijn gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die verklaart dat hij zich in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, in één van de volgende gevallen niet het recht heeft het Rijk binnen te komen of in het Rijk te verblijven : 1° de vreemdeling voldoet niet of niet meer aan één van de voorwaarden van artikel 10;2° de vreemdeling en de vreemdeling die vervoegd wordt, onderhouden niet of niet meer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven;3° met uitzondering van afwijkingen, die worden voorzien door een internationaal verdrag, bevindt de vreemdeling zich in één der gevallen voorzien in artikel 3, 5° tot 8°, of hij lijdt aan één van de ziekten die een gevaar voor de volksgezondheid kunnen opleveren en die worden opgesomd in punt A van de bijlage aan deze wet;4° de vreemdeling heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt, of heeft fraude gepleegd of onwettige middelen gebruikt om te worden toegelaten tot een verblijf, of het staat vast dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie uitsluitend afgesloten werden opdat de betrokken vreemdeling het Rijk zou kunnen binnenkomen of er verblijven. In het geval van de familieleden van een erkende vluchteling, met wie de bloed- of aanverwantschapsbanden al bestonden vóór hij het Rijk betrad, mag de beslissing niet uitsluitend worden gebaseerd op het ontbreken van de officiële documenten die de bloed- of aanverwantschapsbanden aantonen, overeenkomstig artikel 30 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht of de internationale overeenkomsten betreffende dezelfde materie.

In voorkomend geval vermeldt de beslissing de bepaling van artikel 3 die werd toegepast. § 2. De minister of zijn gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die op grond van artikel 10 toegelaten werd tot een verblijf in het Rijk in één van de volgende gevallen niet meer het recht heeft om in het Rijk te verblijven : 1° de vreemdeling voldoet niet meer aan één van de voorwaarden van artikel 10;2° de vreemdeling en de vreemdeling die vervoegd werd, onderhouden niet of niet meer een werkelijk huwelijks- of gezinsleven;3° de vreemdeling, die toegelaten werd tot een verblijf in het Rijk in de hoedanigheid van geregistreerde partner op grond van artikel 10, § 1, 4° of 5°, of de vreemdeling die vervoegd werd, is in het huwelijk getreden of heeft een duurzame relatie met een andere persoon;4° de vreemdeling heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt, of heeft fraude gepleegd of onwettige middelen gebruikt om te worden toegelaten tot een verblijf, of het staat vast dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie uitsluitend afgesloten werden opdat de betrokken vreemdeling het Rijk zou kunnen binnenkomen of er verblijven. De op het punt 1°, 2° of 3° gebaseerde beslissing mag enkel getroffen worden gedurende de periode waarin de vreemdeling toegelaten is tot een verblijf voor beperkte duur. In dit verband vormen de redenen vermeld in het punt 1°, 2° of 3° een voldoende motivering gedurende de eerste twee jaren na de afgifte van de verblijfstitel of, in de gevallen bedoeld in artikel 12bis, §§ 3 of 4, na de afgifte van het document dat bewijst dat de aanvraag werd ingediend. In de loop van het derde jaar na de afgifte van de verblijfstitel of in de gevallen bedoeld in artikel 12bis, §§ 3 of 4, na de afgifte van het document dat bewijst dat de aanvraag werd ingediend, volstaat deze motivering enkel indien zij aangevuld wordt met elementen die wijzen op een schijnsituatie.

De minister of diens gemachtigde kan met het oog op een verlenging of vernieuwing van de verblijfstitel, controles verrichten of laten verrichten om na te gaan of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden van artikel 10. Hij kan op elk moment specifieke controles verrichten of laten verrichten in geval van gegronde vermoedens van fraude of dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie tot stand is gekomen om voor de betrokken persoon toegang tot of verblijf in het Rijk te bekomen.

De minister of zijn gemachtigde houdt in het bijzonder rekening met de situatie van personen die het slachtoffer zijn van geweld in de familie, die het huishouden verlaten hebben en bescherming nodig hebben. In deze gevallen zal hij de betrokken persoon op de hoogte brengen van zijn beslissing om geen einde te stellen aan zijn verblijf, op basis van het eerste lid, 1°, 2° of 3°. »

Art. 10.Artikel 12, vierde lid, van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt : « De aanvraag tot inschrijving moet door de vreemdeling ingediend worden binnen acht werkdagen nadat hij het Rijk is binnengekomen indien hij de machtiging tot verblijf in het buitenland heeft verkregen of indien het recht op verblijf aan hem werd toegekend in het buitenland. Zij moet worden ingediend binnen acht werkdagen na de ontvangst van die machtiging of toelating, indien deze in het Rijk werd verkregen of toegekend. »

Art. 11.Artikel 12bis van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 6 augustus 1993 en gewijzigd door de wet van 15 juli 1996, wordt vervangen als volgt : «

Art. 12bis.§ 1. De vreemdeling die verklaart dat hij zich in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, moet zijn aanvraag indienen bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger die bevoegd is voor zijn woonplaats of zijn verblijfplaats in het buitenland.

In de volgende gevallen kan hij zijn aanvraag echter indienen bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats : 1° indien hij al in een andere hoedanigheid toegelaten of gemachtigd werd tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk en indien hij vóór het einde van deze toelating of machtiging alle in § 2 bedoelde bewijzen overlegt;2° indien hij tot een verblijf van maximaal drie maanden is gemachtigd en vóór het einde van deze machtiging alle in § 2 bedoelde bewijzen overlegt;3° indien hij zich bevindt in uitzonderlijke omstandigheden die hem verhinderen terug te keren naar zijn land om het op grond van artikel 2 vereiste visum te vragen bij de bevoegde Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger en alle in § 2 bedoelde bewijzen overmaakt, evenals een bewijs van zijn identiteit. § 2. Indien de in § 1 bedoelde vreemdeling zijn aanvraag indient bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger die bevoegd is voor zijn woonplaats of zijn verblijfplaats in het buitenland, moeten samen met de aanvraag documenten worden overgelegd die aantonen dat hij voldoet aan de voorwaarden die worden bedoeld in artikel 10, §§ 1 tot 3, met name een medisch getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één van de in punt A van de bijlage aan deze wet opgesomde ziekten, evenals, indien hij ouder is dan achttien jaar, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document.

De datum voor het indienen van de aanvraag is die waarop alle bewijzen, overeenkomstig artikel 30 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht of de internationale overeenkomsten betreffende dezelfde materie, worden overgelegd.

De beslissing met betrekking tot de toelating tot verblijf wordt zo snel mogelijk en ten laatste negen maanden volgend op de datum van indiening van de aanvraag, zoals bepaald in het tweede lid, getroffen en betekend.

In bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van de aanvraag, kan de minister of zijn gemachtigde deze termijn tweemaal, met een periode van drie maanden, verlengen. Dit wordt gedaan door middel van een gemotiveerde beslissing die ter kennis wordt gebracht van de aanvrager.

Indien geen enkele beslissing getroffen werd na het verstrijken van de termijn van negen maanden volgend op de datum waarop de aanvraag werd ingediend, die eventueel verlengd werd overeenkomstig het vierde lid, moet de toelating tot verblijf verstrekt worden. § 3. In de in § 1, tweede lid, 1° en 2°, bedoelde gevallen, wanneer de in § 1 bedoelde vreemdeling zich bij het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats aanbiedt en verklaart dat hij zich in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, wordt hij, na inzage van de documenten die vereist zijn voor zijn binnenkomst en verblijf en op voorwaarde dat alle bewijzen bedoeld in § 2 werden overgemaakt, ingeschreven in het vreemdelingenregister en in het bezit gesteld van een document waaruit blijkt dat de aanvraag werd ingediend, en van een document waaruit blijkt dat hij in het vreemdelingenregister werd ingeschreven.

Het gemeentebestuur brengt de minister of zijn gemachtigde onverwijld op de hoogte van de aanvraag en verzekert zich van zijn akkoord.

Indien de minister of zijn gemachtigde een gunstige beslissing neemt of indien binnen een periode van negen maanden volgend op de indiening van de aanvraag geen enkele beslissing ter kennis wordt gebracht van het gemeentebestuur, wordt de vreemdeling toegelaten tot een verblijf.

In bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van de aanvraag, kan de minister of zijn gemachtigde deze termijn met een periode van drie maanden verlengen.

Dit wordt gedaan door middel van een gemotiveerde beslissing die ter kennis wordt gebracht van de aanvrager vóór afloop van de in het derde lid bepaalde termijn. § 4. In de gevallen bedoeld in § 1, tweede lid, 3°, wanneer de vreemdeling bedoeld in § 1 zich aanbiedt bij het gemeentebestuur van de plaats waar hij verblijft en verklaart dat hij zich bevindt in één van de in artikel 10 bedoelde gevallen, moet het gemeentebestuur zich onverwijld vergewissen van de ontvankelijkheid van de aanvraag bij de minister of zijn gemachtigde. Wanneer deze van oordeel is dat de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden van § 1, tweede lid, 3°, wordt dit medegedeeld aan het gemeentebestuur, dat de vreemdeling dan inschrijft in het vreemdelingenregister en hem in het bezit stelt van een document waaruit blijkt dat de aanvraag werd ingediend en van een document waaruit blijkt dat hij in het vreemdelingenregister werd ingeschreven.

De beoordeling van de medische situatie die in voorkomend geval ingeroepen wordt door de vreemdeling, gebeurt door een ambtenaar-geneesheer die daaromtrent een advies verschaft. Hij kan zonodig de vreemdeling onderzoeken en een bijkomend advies inwinnen van deskundigen, aangeduid overeenkomstig artikel 9ter, § 2.

De bepalingen van § 3, derde en vierde lid, zijn eveneens van toepassing. § 5. Wanneer het familielid of de familieleden van een als vluchteling erkende vreemdeling, met wie de bloed- of aanverwantschapsbanden al bestonden vóór hij het Rijk betrad, geen officiële documenten kunnen overleggen die aantonen dat zij voldoen aan de in artikel 10 bedoelde voorwaarden met betrekking tot de bloed- of aanverwantschapsband, wordt rekening gehouden met andere geldige bewijzen die in dit verband worden overgelegd. Bij gebrek hieraan, kunnen de in § 6 voorziene bepalingen worden toegepast. § 6. Indien wordt vastgesteld dat de vreemdeling de ingeroepen bloed- of aanverwantschapsbanden niet kan bewijzen door middel van officiële documenten, overeenkomstig artikel 30 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht of de internationale overeenkomsten betreffende dezelfde materie, kan de minister of zijn gemachtigde overgaan of laten overgaan tot een onderhoud met de vreemdeling en de vreemdeling die vervoegd wordt, of tot elk ander onderzoek dat noodzakelijk wordt geacht en in voorkomend geval voorstellen om een aanvullende analyse uit te laten voeren. § 7. In het kader van het onderzoek van de aanvraag wordt terdege rekening gehouden met het hoger belang van het kind. »

Art. 12.Artikel 13 van dezelfde wet, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 juli 1992 en bij de wetten van 6 mei 1993 en 15 juli 1996, wordt vervangen als volgt : «

Art. 13.§ 1. Behalve indien dit uitdrukkelijk anders wordt voorzien, wordt de machtiging tot verblijf verleend voor een beperkte tijd, ingevolge deze wet of ingevolge specifieke omstandigheden die betrekking hebben op de betrokkene of ingevolge de aard of de duur van zijn activiteiten in België.

De machtiging tot verblijf die verstrekt wordt voor beperkte duur op grond van artikel 9ter, wordt van onbeperkte duur bij het verstrijken van een periode van vijf jaar nadat de aanvraag tot machtiging werd aangevraagd.

De toelating tot verblijf krachtens artikel 10 wordt erkend voor een beperkte duur gedurende een periode van drie jaar volgend op de afgifte van de verblijfstitel of in de gevallen bedoeld in artikel 12bis, §§ 3 of 4, na de afgifte van het document dat bewijst dat de aanvraag werd ingediend. Na afloop van deze periode wordt de toelating tot verblijf voor onbeperkte duur.

In afwijking op het derde lid, wordt op de familieleden van een vreemdeling die tot een verblijf van beperkte duur gemachtigd is, en op wie artikel 10, § 1, eerste lid, 1°, van toepassing is, de in het zesde lid voorziene bepaling toegepast.

De verblijfstitel die wordt uitgereikt aan de vreemdeling die gemachtigd of toegelaten is tot een verblijf van beperkte duur, is geldig voor de duur van de machtiging of de toelating. Wanneer een verblijfstitel uitgereikt is aan een vreemdeling die toegelaten is tot een verblijf van beperkte duur overeenkomstig het derde lid en de toelating tot verblijf onbeperkt wordt tijdens de geldigheidsduur van deze verblijfstitel, blijft deze geldig tot aan zijn vervaldatum. De Koning bepaalt de geldigheidsduur van de verblijfstitel die wordt uitgereikt aan de vreemdeling die gemachtigd is of toegelaten is tot een verblijf van onbeperkte duur.

De in artikel 10bis, §§ 1 en 2, bedoelde familieleden ontvangen een verblijfstitel met dezelfde geldigheidsduur als de verblijfstitel van de vreemdeling die vervoegd wordt. § 2. Op aanvraag van de betrokkene wordt de verblijfstitel door het gemeentebestuur van zijn verblijfplaats verlengd of vernieuwd, op voorwaarde dat die aanvraag werd ingediend vóór het verstrijken van de titel en dat de minister of zijn gemachtigde de machtiging voor een nieuwe periode heeft verlengd of de toelating tot verblijf niet heeft beëindigd.

De Koning bepaalt binnen welke termijnen en onder welke voorwaarden de vernieuwing of de verlenging van de verblijfsvergunningen moet worden aangevraagd. § 3. De minister of zijn gemachtigde kan in één van de volgende gevallen een bevel om het grondgebied te verlaten afgeven aan de vreemdeling die gemachtigd werd om voor een beperkte tijd in het Rijk te verblijven ingevolge deze wet of ingevolge de bijzondere omstandigheden eigen aan de betrokkene of ingevolge de aard of de duur van zijn activiteiten in België : 1° indien hij langer dan deze beperkte tijd in het Rijk verblijft;2° indien hij niet meer voldoet aan de aan zijn verblijf gestelde voorwaarden;3° indien hij valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt, of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt om te worden gemachtigd tot een verblijf. § 4. De minister of zijn gemachtigde kan in één van de volgende gevallen dezelfde maatregel treffen ten opzichte van de in artikel 10bis, § 2 bedoelde familieleden : 1° er wordt op basis van § 3 een einde gesteld aan het verblijf van de vreemdeling die vervoegd werd;2° de vreemdeling voldoet niet meer aan de aan zijn verblijf gestelde voorwaarden;3° de vreemdeling en de vreemdeling die vervoegd wordt, onderhouden geen of geen werkelijk huwelijks- of gezinsleven meer;4° de vreemdeling die gemachtigd werd tot een verblijf in het Rijk in de hoedanigheid van geregistreerde partner in de zin van artikel 10, § 1, 4° of 5°, of de vreemdeling die vervoegd wordt, is in het huwelijk getreden of heeft een duurzame relatie met een andere persoon;5° de vreemdeling heeft valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten gebruikt, of heeft fraude gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt om te worden gemachtigd tot een verblijf, of het staat vast dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie uitsluitend afgesloten werden opdat de betrokken vreemdeling het Rijk zou kunnen binnenkomen of er verblijven. Onverminderd de toepassing van artikel 61, § 3, kan de minister of zijn gemachtigde dezelfde maatregel treffen ten opzichte van de in artikel 10bis, § 1, bedoelde familieleden. § 5. Gedurende een periode van tien jaar die volgen op de aanvraag tot machtiging tot verblijf, kunnen de minister of zijn gemachtigde een einde stellen aan het verblijf van de vreemdeling die gemachtigd werd tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk op grond van artikel 9ter en hem het bevel geven het grondgebied te verlaten, wanneer hij deze machtiging bekomen heeft op grond van feiten die hij verkeerd heeft weergegeven of achtergehouden of van valse verklaringen, of van valse of vervalste documenten die van doorslaggevend belang zijn geweest voor de toekenning van de machtiging. § 6. Het bevel om het grondgebied te verlaten vermeldt dat de bepalingen van dit artikel werden toegepast.

De minister of diens gemachtigde kan met het oog op een verlenging of vernieuwing van de verblijfstitel, controles verrichten of laten verrichten, om na te gaan of de vreemdeling voldoet aan de voorwaarden van artikel 10. Hij kan op elk moment specifieke controles verrichten of laten verrichten in geval van gegronde vermoedens van fraude of dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie tot stand is gekomen om voor de betrokken persoon toegang tot of verblijf in het Rijk te bekomen. »

Art. 13.Artikel 14, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 6 augustus 1993 en 15 juli 1996, wordt vervangen als volgt : « Deze machtiging mag slechts gegeven worden aan de vreemdeling die toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk, voorzover deze toelating of machtiging geen tijdslimiet voorziet, ingevolge deze wet of ingevolge de bijzondere omstandigheden eigen aan de betrokkene of ingevolge de aard of de duur van zijn activiteiten in België. »

Art. 14.Artikel 15 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 28 juni 1984, wordt vervangen als volgt : «

Art. 15.Onverminderd meer voordelige bepalingen vervat in een internationaal verdrag en behoudens wanneer de vreemdeling die erom verzoekt zich in één der in artikel 3, eerste lid, 5° tot 8° voorziene gevallen bevindt, moet de machtiging tot vestiging verleend worden aan : 1° de in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 7°, bedoelde familieleden van een vreemdeling die gemachtigd is om zich in het Rijk te vestigen of diens familieleden op wie artikel 10, § 1, eerste lid, 1°, van toepassing is, voorzover deze, wat de echtgenoot of de partner betreft, samenleeft met die vreemdeling;2° de vreemdeling die bewijst dat hij gedurende vijf jaar regelmatig en ononderbroken in het Rijk heeft verbleven. De minister of diens gemachtigde kan controles verrichten of laten verrichten om na te gaan of de vreemdeling voldoet aan de gestelde voorwaarden. Hij kan op elk moment specifieke controles verrichten of laten verrichten in geval van gegronde vermoedens dat er gefraudeerd werd of dat het huwelijk, het partnerschap of de adoptie tot stand is gekomen om voor de betrokken persoon toegang tot of verblijf in het Rijk te bekomen. »

Art. 15.Artikel 16 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 15 juli 1996, wordt vervangen als volgt : «

Art. 16.De aanvraag om een machtiging tot vestiging wordt gericht aan het gemeentebestuur van de verblijfplaats, dat daarvan een ontvangstbewijs aflevert en de aanvraag doorstuurt naar de minister of zijn gemachtigde, voorzover de vreemdeling voldoet aan de in artikel 14 bedoelde voorwaarde. »

Art. 16.In artikel 18 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 15 juli 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de huidige bepaling wordt § 1;2° er wordt een § 2 ingevoegd, luidende : « § 2.De minister of zijn gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die op basis van artikel 14 gemachtigd werd om zich te vestigen in het Rijk, niet meer het recht heeft om in het Rijk te verblijven indien die vreemdeling valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt, of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt om te worden toegelaten of gemachtigd tot een verblijf. »

Art. 17.Artikel 20, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 15 juli 1996 en 26 mei 2005, wordt aangevuld als volgt : « De Koning bepaalt de overige gevallen waarin de terugwijzing slechts bevolen mag worden na advies van de Commissie van Advies voor Vreemdelingen bij een in de Ministerraad overlegd besluit. »

Art. 18.In artikel 29, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1993 en 1 september 2004, vervallen de woorden ", termijn die eventueel vermeerderd wordt met de duur van het onderzoek van het verzoek tot herziening,".

Art. 19.In artikel 30bis, § 2, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004, worden in de punten 1° en 2° de woorden "artikel 10, eerste lid, 1° en 4°" vervangen door de woorden "artikel 10, § 1, eerste lid, 1° en 4° tot en met 7°".

Art. 20.Artikel 44 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 15 juli 1996, wordt opgeheven.

Art. 21.Artikel 44bis, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 juli 1996, wordt opgeheven.

Art. 22.In titel II van dezelfde wet wordt het opschrift van hoofdstuk II vervangen als volgt : "Hoofdstuk II. - Vluchtelingen en personen die voor subsidiaire bescherming in aanmerking komen".

Art. 23.Het opschrift van afdeling 1, hoofdstuk II, Titel II, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 14 juli 1987, wordt vervangen als volgt : "Afdeling 1. - De vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus".

Art. 24.In dezelfde wet wordt een artikel 48/2 ingevoegd, luidende : «

Art. 48/2.Kan als vluchteling of als persoon die in aanmerking komt voor subsidiaire bescherming worden erkend, de vreemdeling die voldoet aan de in artikel 48/3 of artikel 48/4 bedoelde voorwaarden. »

Art. 25.In dezelfde wet wordt een artikel 48/3 ingevoegd, luidende : «

Art. 48/3.§ 1. De vluchtelingenstatus wordt toegekend aan de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden van artikel 1 van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen dat op 28 juli 1951 te Genève tot stand is gekomen, zoals gewijzigd bij het Protocol van New York van 31 januari 1967. § 2. Daden van vervolging in de zin van artikel 1 A van het Verdrag van Genève moeten : a) ofwel zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een schending vormen van de grondrechten van de mens, met name de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15.2, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden; b) ofwel een samenstel zijn van verschillende maatregelen, waaronder mensenrechtenschendingen, die voldoende ernstig zijn om iemand op een soortgelijke wijze te treffen als omschreven in punt a). De hierboven genoemde daden van vervolging kunnen onder meer de vorm aannemen van : a) daden van lichamelijk of geestelijk geweld, inclusief seksueel geweld;b) wettelijke, administratieve, politiële en/of gerechtelijke maatregelen die op zichzelf discriminerend zijn of op discriminerende wijze worden uitgevoerd;c) onevenredige of discriminerende vervolging of bestraffing;d) ontneming van de toegang tot rechtsmiddelen, waardoor een onevenredig zware of discriminerende straf wordt opgelegd;e) vervolging of bestraffing wegens de weigering militaire dienst te vervullen, in het bijzonder tijdens een conflict wanneer het vervullen van militaire dienst strafbare feiten of handelingen inhoudt die onder de uitsluitingsgronden van artikel 55/2, § 1, vallen;f) daden van genderspecifieke of kindspecifieke aard. § 3. Er moet een verband zijn tussen de daden van vervolging en de gronden van vervolging. § 4. Bij de beoordeling van de gronden van vervolging moet rekening worden gehouden met volgende elementen : a) het begrip "ras" omvat onder meer de aspecten huidskleur, afkomst of het behoren tot een bepaalde etnische groep;b) het begrip "godsdienst" omvat onder meer theïstische, niet-theïstische en atheïstische geloofsovertuigingen, het deelnemen aan of het zich onthouden van formele erediensten in de particuliere of openbare sfeer, hetzij alleen of in gemeenschap met anderen, andere religieuze activiteiten of uitingen, dan wel vormen van persoonlijk of gemeenschappelijk gedrag die op een godsdienstige overtuiging zijn gebaseerd of daardoor worden bepaald;c) het begrip "nationaliteit" is niet beperkt tot staatsburgerschap of het ontbreken daarvan, maar omvat onder meer ook het behoren tot een groep die wordt bepaald door zijn culturele, etnische of linguïstische identiteit, door een gemeenschappelijke geografische of politieke oorsprong of door verwantschap met de bevolking van een andere staat;d) een groep moet worden geacht een specifieke sociale groep te vormen als onder meer : - leden van de groep een aangeboren kenmerk vertonen of een gemeenschappelijke achtergrond hebben die niet gewijzigd kan worden, of een kenmerk of geloof delen dat voor de identiteit of de morele integriteit van de betrokkenen dermate fundamenteel is, dat van de betrokkenen niet mag worden geëist dat zij dit opgeven, en - de groep in het betrokken land een eigen identiteit heeft omdat zij in haar directe omgeving als afwijkend wordt beschouwd;e) het begrip "politieke overtuiging" houdt onder meer in dat de betrokkene een opvatting gedachte of mening heeft betreffende een aangelegenheid die verband houdt met de in artikel 48/5 genoemde actoren van vervolging en hun beleid of methoden, ongeacht of de verzoeker zich in zijn handelen door deze opvatting, gedachte of mening heeft laten leiden. § 5. Bij het beoordelen of de vrees van de verzoeker voor vervolging gegrond is, doet het niet ter zake of de verzoeker in werkelijkheid de raciale, godsdienstige, nationale, sociale of politieke kenmerken vertoont die aanleiding geven tot de vervolging indien deze kenmerken hem door de actor van de vervolging worden toegeschreven. »

Art. 26.In dezelfde wet wordt een artikel 48/4 ingevoegd, luidende : «

Art. 48/4.§ 1. De subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend aan de vreemdeling, die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt en die geen beroep kan doen op artikel 9ter, en ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals bepaald in paragraaf 2 en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen en niet onder de uitsluitingsgronden zoals bepaald in artikel 55/4, valt. § 2. Ernstige schade bestaat uit : a) doodstraf of executie;of, b) foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst;of, c) ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het geval van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.»

Art. 27.In dezelfde wet wordt een artikel 48/5 ingevoegd, luidende : «

Art. 48/5.§ 1. Vervolging in de zin van artikel 48/3 of ernstige schade in de zin van artikel 48/4 kan uitgaan van of veroorzaakt worden door : a) de Staat;b) partijen of organisaties die de Staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen;c) niet-overheidsactoren, indien kan worden aangetoond dat de actoren als bedoeld in a) en b), inclusief internationale organisaties, geen bescherming als bedoeld in § 2 kunnen of willen bieden tegen vervolging of ernstige schade. § 2. Bescherming kan worden geboden door : a) de Staat, of b) partijen of organisaties, inclusief internationale organisaties, die de Staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheersen. Bescherming, in de zin van de artikelen 48/3 en 48/4 wordt in het algemeen geboden wanneer de bedoelde actoren omschreven in het eerste lid redelijke maatregelen tot voorkoming van vervolging of het lijden van ernstige schade treffen, onder andere door de instelling van een doeltreffend juridisch systeem voor opsporing, gerechtelijke vervolging en bestraffing van handelingen die vervolging of ernstige schade vormen, en wanneer de verzoeker toegang tot een dergelijke bescherming heeft.

Bij het beoordelen of een internationale organisatie een Staat of een aanzienlijk deel van zijn grondgebied beheerst en bescherming verleent, in de zin van de artikelen 48/3 en 48/4, wordt onder meer rekening gehouden met de richtsnoeren die worden gegeven in toepasselijke Europese regelgeving. § 3. Er is geen behoefte aan bescherming indien er in een deel van het land van herkomst geen gegronde vrees bestaat voor vervolging of geen reëel risico op ernstige schade, en indien van de verzoeker redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij in dat deel van het land blijft.

Er wordt rekening gehouden met de algemene omstandigheden in het land en met de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker op het tijdstip waarop een beslissing inzake het verzoek wordt genomen. »

Art. 28.Artikel 49 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 14 juli 1987 en gewijzigd bij de wet van 15 juli 1996, wordt vervangen als volgt : «

Art. 49.§ 1. Als vluchteling in de zin van deze wet wordt beschouwd en tot een verblijf in het Rijk toegelaten : 1° de vreemdeling die krachtens de internationale akkoorden van vóór het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchteling, en van de Bijlagen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, in België de hoedanigheid van vluchteling bezat vóór de inwerkingtreding van de wet van 26 juni 1953 houdende goedkeuring van genoemd verdrag;2° de vreemdeling die als vluchteling is erkend door de Minister van Buitenlandse Zaken of door de internationale overheid waaraan de minister zijn bevoegdheid heeft overgedragen;3° de vreemdeling die als vluchteling wordt erkend door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen;4° de vreemdeling die als vluchteling is erkend door de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen;5° de vreemdeling die als vluchteling wordt erkend door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.6° de vreemdeling die, nadat hij als vluchteling werd erkend terwijl hij zich op het grondgebied bevond van een andere Staat, verdragsluitende partij bij het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, door de minister of diens gemachtigde tot verblijf of vestiging in het Rijk is toegelaten, op voorwaarde dat zijn hoedanigheid van vluchteling bevestigd wordt door de overheid bedoeld in 2° of 3°. § 2. Tijdens de eerste tien jaar verblijf, te rekenen vanaf de datum van de indiening van de asielaanvraag, kan de minister of zijn gemachtigde ten allen tijde aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen vragen de vluchtelingenstatus die aan een vreemdeling werd erkend, in te trekken overeenkomstig artikel 57/6, eerste lid, 7°.

De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen neemt in dat geval binnen een termijn van zestig werkdagen een met redenen omklede beslissing. § 3. Tijdens de eerste tien jaar verblijf, te rekenen vanaf de datum van de indiening van de asielaanvraag, kan de minister of zijn gemachtigde een vreemdeling, wiens hoedanigheid van vluchteling door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen werd ingetrokken overeenkomstig artikel 57/6, 7°, het bevel geven om het grondgebied te verlaten. »

Art. 29.In dezelfde wet wordt een artikel 49/2 ingevoegd, luidende : «

Art. 49/2.§ 1. Als genieter van de subsidiaire beschermingsstatus wordt beschouwd en tot een verblijf van beperkte duur in het rijk toegelaten : de vreemdeling aan wie de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de status bepaald in artikel 48/4 toekent. § 2. De verblijfstitel die de toelating tot een verblijf van beperkte duur vaststelt, is geldig gedurende één jaar en hernieuwbaar. § 3. Na vijf jaar, te rekenen vanaf de indiening van de asielaanvraag wordt de vreemdeling aan wie de subsidiaire beschermingstatus is toegekend tot een verblijf van onbeperkte duur in het Rijk toegelaten. § 4. De minister of zijn gemachtigde kan, gedurende het verblijf van beperkte duur van de vreemdeling, te allen tijde aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen vragen de subsidiaire beschermingsstatus die aan een vreemdeling werd toegekend, op te heffen of in te trekken overeenkomstig artikel 57/6, 4° of 6°.

Tijdens de eerste tien jaar verblijf, te rekenen vanaf de datum van de indiening van de asielaanvraag, kan de minister of zijn gemachtigde tevens aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen vragen de subsidiaire beschermingstatus in te trekken overeenkomstig artikel 57/6, eerste lid, 7°.

De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen neemt in dat geval binnen een termijn van zestig werkdagen een met redenen omklede beslissing.

De toekenning van het onbeperkte verblijfsrecht zoals voorzien in § 3, wordt in voorkomend geval gedurende een jaar geschorst in afwachting van een definitieve beslissing. § 5. Tijdens het verblijf van beperkte duur, kan de minister of zijn gemachtigde, indien de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een beslissing tot opheffing of intrekking van de subsidiaire beschermingstatus overeenkomstig artikel 57/6, 4° of 6° heeft genomen, de vreemdeling het bevel geven om het grondgebied te verlaten. Wanneer de subsidiaire beschermingstatus wordt ingetrokken overeenkomstig artikel 57/6, 6°, verstrekt de Commissaris-generaal in zijn beslissing een advies over de vraag of een verwijderingmaatregel naar het land van herkomst van de betrokkene in overeenstemming is met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Tijdens de eerste tien jaar verblijf, te rekenen vanaf de datum van de indiening van de asielaanvraag, kan de minister of zijn gemachtigde een vreemdeling, wiens subsidiaire beschermingstatus door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen werd ingetrokken overeenkomstig artikel 57/6, 7°, het bevel geven om het grondgebied te verlaten. § 6. Indien ten aanzien van een vreemdeling die de subsidiaire beschermingstatus geniet, ernstige redenen bestaan hem te beschouwen als een gevaar voor de openbare of de nationale veiligheid, kan de minister, naar gelang van het geval, besluiten dat hij er niet of niet meer mag verblijven of er zich niet mag vestigen in die hoedanigheid.

De minister neemt dit besluit overeenkomstig de bepalingen van artikelen 20 en 21. »

Art. 30.In dezelfde wet wordt een artikel 49/3 ingevoegd, luidende : «

Art. 49/3.Een aanvraag om erkenning van de vluchtelingenstatus of de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus, neemt de vorm aan van een asielaanvraag.

Deze asielaanvraag wordt ambtshalve bij voorrang onderzocht in het kader van het Verdrag van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3, en vervolgens in het kader van artikel 48/4. »

Art. 31.In artikel 49bis, ingevoegd bij de wet van 15 juli 1996, dat artikel 49/4 wordt, worden de woorden "internationale overeenkomsten" vervangen door de woorden "Europese regelgeving" en wordt het woord "binden" vervangen door het woord "bindt".

Art. 32.In artikel 50 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 14 juli 1987 en gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1993 en 15 juli 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling : « De vreemdeling die het Rijk binnenkomt of binnengekomen is zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden en die de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus wenst te verkrijgen, moet op het ogenblik dat hij binnenkomt of, althans binnen acht werkdagen nadat hij is binnengekomen, een asielaanvraag indienen.De Koning wijst de overheden aan waarbij de vreemdeling een asielaanvraag kan indienen. »; 2° in het tweede lid wordt het woord "de verklaring" vervangen door het woord "aanvraag".

Art. 33.In artikel 50bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden "een verklaring afleggen of een aanvraag om erkenning van zijn hoedanigheid van vluchteling richten tot" vervangen door de woorden "een asielaanvraag indienen bij";2° in het tweede lid, worden de woorden "moet zijn verklaring afleggen of zijn aanvraag om erkenning van de hoedanigheid van vluchteling richten tot" vervangen door de woorden "of de subsidiaire beschermingsstatus wenst te verkrijgen, moet zijn asielaanvraag indienen bij";3° in het derde lid worden de woorden "De overheid waarvoor de in het eerste of tweede lid bedoelde vreemdeling zijn verklaring aflegt" vervangen door de woorden "De overheid waarbij de in het eerste of tweede lid bedoelde vreemdeling zijn asielaanvraag indient".

Art. 34.In dezelfde wet wordt een artikel 50ter ingevoegd, luidende : «

Art. 50ter.De vreemdeling die het Rijk tracht binnen te komen zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden, moet een asielaanvraag indienen bij de met de grenscontrole belaste overheden op het ogenblik dat deze nadere toelichting vragen over zijn motief om naar België te reizen. »

Art. 35.In artikel 51 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 14 juli 1987 en gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1993 en 15 juli 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste en het tweede lid worden vervangen door de volgende bepalingen : « De vreemdeling die regelmatig het Rijk binnengekomen is in het kader van een verblijf van maximaal drie maanden zonder de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus te bezitten en die deze wenst te verkrijgen, moet binnen acht werkdagen nadat hij het Rijk is binnengekomen, zijn asielaanvraag indienen bij één der door de Koning ter uitvoering van artikel 50, eerste lid, aangewezen overheden. De vreemdeling die gemachtigd of toegelaten is tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk of om er zich te vestigen, die de status van vluchteling of de subsidiaire beschermingsstatus wenst te verkrijgen, moet zijn asielaanvraag indienen bij een van de in het eerste lid bepaalde overheden, voordat er einde gesteld wordt aan deze machtiging of toelating tot verblijf. »; 2° in het derde lid worden de woorden "De overheid waarvoor de vreemdeling zijn verklaring aflegt" vervangen door de woorden "De overheid waarbij de vreemdeling zijn asielaanvraag indient".

Art. 36.In artikel 51/2 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 juli 1991 en gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1993, 15 juli 1996 en 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden "bij zijn verklaring als of bij zijn aanvraag tot erkenning van zijn status als vluchteling" vervangen door de woorden "bij zijn asielaanvraag";2° in het tweede lid worden de woorden "die zich in het Rijk vluchteling verklaart" vervangen door de woorden "die een asielaanvraag indient";3° in het derde lid worden de woorden "die zich vluchteling verklaart" vervangen door de woorden "die een asielaanvraag indient".

Art. 37.In artikel 51/3 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 juli 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 1, 1° tot 3°, wordt vervangen als volgt : « 1° de vreemdeling die aan de grens of in het Rijk een asielaanvraag indient;2° de vreemdeling die België verplicht is over te nemen of opnieuw over te nemen krachtens Europese regelgeving betreffende de vaststelling van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielaanvraag, die België bindt; 3° de vreemdeling voor wie er aanwijzingen bestaan dat hij reeds een asielaanvraag heeft ingediend;"; 2° in § 2, 2° worden de woorden "de internationale overeenkomsten die België binden" vervangen door de woorden "Europese regelgeving die België bindt";3° in § 3 worden de woorden "van een officier van gerechtelijke politie" vervangen door de woorden "van een officier van de bestuurlijke politie".4° § 5 wordt aangevuld met de volgende woorden : "of wanneer hem de subsidiaire beschermingsstatus werd toegekend overeenkomstig artikel 49/2.»

Art. 38.In artikel 51/4 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 10 juli 1996 en gewijzigd bij de wet van 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "Het onderzoek van de in de artikelen 50 en 51 bedoelde verklaring of aanvraag" vervangen door de woorden "Het onderzoek van de in de artikelen 50, 50bis, 50ter en 51 bedoelde asielaanvraag";2° in § 2 worden de woorden "bedoeld in de artikelen 50, 50bis of 51" vervangen door de woorden "bedoeld in de artikelen 50, 50bis, 50ter of 51";3° § 3 wordt vervangen als volgt : « § 3.Bij de procedures voor de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en voor de Raad van State alsmede indien de vreemdeling tijdens de behandeling van de asielaanvraag of binnen een termijn van zes maanden na afloop van de asielprocedure verzoekt om het toekennen van een machtiging tot verblijf op grond van de artikelen 9bis of 9ter, wordt de taal gebruikt die overeenkomstig paragraaf 2 is gekozen of bepaald.

Paragraaf 1, tweede lid, is van toepassing. »

Art. 39.In artikel 51/5 van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 15 juli 1996 en gewijzigd bij de wetten van 18 februari 2003 en 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in het eerste lid worden de woorden "Zodra de vreemdeling zich aan de grens of in het Rijk, overeenkomstig artikel 50, 50bis of 51 vluchteling verklaart" vervangen door de woorden "Zodra de vreemdeling aan de grens of in het Rijk, overeenkomstig artikel 50, 50bis, 50ter of 51, een asielaanvraag indient" en worden de woorden "de internationale overeenkomsten die België binden" vervangen door de woorden "Europese regelgeving die België bindt";b) het tweede lid wordt vervangen door de volgende leden : « Te dien einde kan in een welbepaalde plaats worden vastgehouden voor de tijd die hiervoor strikt noodzakelijk is, zonder dat de duur van de vasthouding of de opsluiting een maand te boven mag gaan : 1° de vreemdeling die beschikt over een verblijfsvergunning of een reisdocument houdende een visum of een visumverklaring, waarvan de geldigheidsduur verstreken is, uitgereikt door een Staat die gebonden is aan Europese regelgeving betreffende het vaststellen van de Staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, of 2° de vreemdeling die niet beschikt over de in artikel 2 bedoelde binnenkomstdocumenten en die volgens eigen verklaringen verbleven heeft in een dergelijke Staat, of;3° de vreemdeling die niet beschikt over de in artikel 2 bedoelde binnenkomstdocumenten en waarbij de afname van vingerafdrukken overeenkomstig artikel 51/3 erop wijzen dat hij in een dergelijke Staat verbleven heeft. Wanneer wordt aangetoond dat de behandeling van een verzoek tot overname of terugname van een asielzoeker buitengewoon complex is, kan de termijn van vasthouding of opsluiting door de minister of zijn gemachtigde verlengd worden met een periode van een maand. »; c) in het derde lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden "en het tweede" geschrapt en worden de woorden "de minister of zijn gemachtigde" vervangen door de woorden "de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen";d) een vijfde lid wordt toegevoegd, luidende : « Indien de vreemdeling binnen de vijftien dagen na verzending geen gevolg geeft aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen, wordt hij geacht afstand gedaan te hebben van zijn asielaanvraag.»; 2° In § 2 wordt voor de bestaande zin, de volgende zin toegevoegd : « Zelfs wanneer krachtens de criteria van Europese regelgeving die België bindt, België niet verplicht is het verzoek in behandeling te nemen, kan de minister of zijn gemachtigde op elk ogenblik beslissen dat België verantwoordelijk is om het verzoek te behandelen.»; 3° in § 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in het eerste lid worden de woorden "de internationale overeenkomsten die België binden" vervangen door de woorden "Europese regelgeving die België bindt";b) in het vierde lid worden de woorden "twee maanden" vervangen door de woorden "één maand";c) het vierde lid, wordt aangevuld als volgt : « Er wordt geen rekening gehouden met de duur van de in § 1, tweede lid, bedoelde vasthouding of opsluiting.»

Art. 40.In artikel 51/6, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 juli 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden "die zich aan de grens of in het Rijk vluchteling heeft verklaard" worden vervangen door de woorden "die aan de grens of in het Rijk een asielaanvraag heeft ingediend";2° de woorden "de internationale overeenkomsten die België binden" worden vervangen door de woorden "Europese regelgeving die België bindt";3° de woorden "de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen" worden vervangen door de woorden "de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen".

Art. 41.In artikel 51/7 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 juli 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden "de internationale overeenkomsten die België binden" vervangen door de woorden "Europese regelgeving die België bindt";2° in het vierde lid worden de woorden "het verzoek" vervangen door de woorden "de asielaanvraag".

Art. 42.De eerste zin van artikel 51/8, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1993 en 15 juli 1996, wordt vervangen door de volgende zin : « De minister of diens gemachtigde kan beslissen de asielaanvraag niet in aanmerking te nemen wanneer de vreemdeling voorheen reeds dezelfde aanvraag heeft ingediend bij een door de Koning aangeduide overheid in uitvoering van artikel 50, eerste lid, en hij geen nieuwe gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Verdrag van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3, of ernstige aanwijzingen bestaan van een reëel risico op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4. ».

Art. 43.In dezelfde wet wordt een artikel 51/10 ingevoegd, luidende : «

Art. 51/10.De minister of zijn gemachtigde neemt de asielaanvraag die ingediend werd bij de in artikel 50, eerste lid, bedoelde overheden in ontvangst en neemt een verklaring af van de vreemdeling met betrekking tot diens identiteit, herkomst en reisweg, en verstrekt de vreemdeling een vragenlijst waarin hij uitgenodigd wordt om de redenen uiteen te zetten die hem ertoe aanzetten om een asielaanvraag in te dienen en waarin de mogelijkheden tot terugkeer naar het land waaruit hij gevlucht is worden verduidelijkt.

Deze verklaring moet worden ondertekend door de vreemdeling. Indien deze dit weigert, wordt hiervan melding gemaakt op de verklaring evenals, in voorkomend geval, van de redenen waarom hij weigert om dit te ondertekenen. Deze verklaring wordt onmiddellijk overgemaakt aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen.

Tegelijkertijd stelt de minister of zijn gemachtigde vast of de vreemdeling regelmatig in het Rijk verblijft of niet. »

Art. 44.In artikel 52 van dezelfde wet, vervangen bij de wet 18 juli 1991 en gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1993, 15 juli 1996 en 18 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) de inleidende zin wordt vervangen als volgt : « De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen kan beslissen om de vluchtelingenstatus niet te erkennen of de subsidiaire beschermingsstatus niet toe te kennen aan de vreemdeling wanneer deze het Rijk probeert binnen te komen zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden, aan de grens een asielaanvraag indient en :";b) in punt 2° b), worden de woorden "van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen" vervangen door de woorden "van het Verdrag van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3, noch met de criteria vermeld in artikel 48/4 inzake subsidiaire bescherming";c) in de punten 4° en 5°, worden de woorden "van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951" vervangen door de woorden "van het Verdrag van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3, en zonder dat er zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat hij een reëel risico loopt op het lijden van ernstige schade, zoals bepaald in artikel 48/4";d) in punt 7° worden de woorden "van het voormelde Internationaal Verdrag" vervangen door de woorden "van het Verdrag van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3, of zwaarwegende gronden aanbrengt die wijzen op een reëel risico op het lijden van ernstige schade, zoals bepaald in artikel 48/4";2° in § 2 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) de inleidende zin wordt vervangen als volgt : « De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen kan beslissen om de vluchtelingenstatus niet te erkennen of de subsidiaire beschermingsstatus niet toe te kennen aan de vreemdeling wanneer deze het Rijk binnengekomen is zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden, een asielaanvraag indient en vraagt als dusdanig erkend te worden en :";b) in punt 1° wordt het woord "aanvraag" vervangen door het woord "asielaanvraag"; c) punt 4° wordt vervangen als volgt : « 4° wanneer de vreemdeling zich niet aanmeldt op de in de oproeping vastgestelde datum en hiervoor binnen de vijftien dagen na het verstrijken van deze datum geen geldige reden opgeeft of wanneer de vreemdeling geen gevolg geeft aan een verzoek om inlichtingen binnen de maand na de verzending van dit verzoek en hiervoor geen geldige reden opgeeft;"; d) in punt 5° worden de woorden "één maand" vervangen door de woorden "vijftien dagen";3° in § 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) de inleidende zin wordt vervangen als volgt : « De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen kan beslissen om de vluchtelingenstatus niet te erkennen of de subsidiaire beschermingsstatus niet toe te kennen aan de vreemdeling wanneer deze regelmatig het Rijk binnengekomen is, een asielaanvraag indient en vraagt als dusdanig erkend te worden en :";b) in punt 1° worden de woorden "zijn aanvraag zonder verantwoording ingediend heeft nadat het verblijf opgehouden heeft regelmatig te zijn" vervangen door de woorden "zijn asielaanvraag zonder verantwoording ingediend heeft na afloop van de termijn voorzien in artikel 51, eerste lid";4° in § 4 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) de inleidende zin wordt vervangen als volgt : « De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen kan beslissen om de vluchtelingenstatus niet te erkennen of de subsidiaire beschermingsstatus niet toe te kennen aan de vreemdeling wanneer deze gemachtigd of toegelaten is langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven of er zich te vestigen, die een asielaanvraag indient :";b) in punt 1° worden de woorden "zijn aanvraag heeft ingediend nadat het verblijf of de vestiging opgehouden heeft regelmatig te zijn" vervangen door de woorden "zijn asielaanvraag heeft ingediend na de afloop van de termijn vastgesteld bij artikel 50bis, tweede lid, en bij artikel 51, tweede lid";5° § 5 wordt vervangen als volgt : « In de in §§ 1 tot 4 bedoelde gevallen beslist de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen bij voorrang en binnen een termijn van twee maanden nadat de minister of zijn gemachtigde ter kennis gebracht heeft dat België verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag of de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus al dan niet moet toegekend worden aan de vreemdeling.»

Art. 45.In dezelfde wet wordt een artikel 52/2 ingevoegd, luidende : «

Art. 52/2.§ 1. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen beslist eveneens bij voorrang en binnen een termijn van twee maanden nadat de minister of zijn gemachtigde ter kennis gebracht heeft dat België verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek, of de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus al dan niet moet erkend of toegekend worden aan de vreemdeling, indien de vreemdeling zich bevindt in een in artikel 74/6, § 1bis, 8° tot 15°, bedoeld geval. § 2. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen beslist voor alle andere zaken en binnen de vijftien dagen nadat de minister of zijn gemachtigde ter kennis gebracht heeft dat België verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, of de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus al dan niet moet toegekend worden aan de vreemdeling indien : 1° de vreemdeling zich bevindt in een welbepaalde plaats zoals bedoeld in artikel 74/8, § 1, of het voorwerp uitmaakt van een veiligheidsmaatregel zoals bedoeld in artikel 68;2° de vreemdeling zich bevindt in een strafrechtelijke instelling;3° de minister of zijn gemachtigde de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen verzoekt om de aanvraag van de betrokken vreemdeling bij voorrang te behandelen;4° er aanwijzingen zijn dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.»

Art. 46.In dezelfde wet wordt een artikel 52/3 ingevoegd, luidende : «

Art. 52/3.§ 1. Indien de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen de vluchtelingenstatus weigert te erkennen of de subsidiaire beschermingsstatus weigert toe te kennen aan een vreemdeling en de vreemdeling onregelmatig in het Rijk verblijft, beslist de minister of zijn gemachtigde onverwijld dat de vreemdeling valt onder de in artikel 7, eerste lid, 1° tot 11° of de in artikel 27, § 1, eerste lid, en § 3, bedoelde gevallen. Deze beslissing wordt ter kennis gebracht van de betrokkene overeenkomstig het bepaalde in artikel 51/2. § 2. In de in artikel 74/6, § 1bis, bedoelde gevallen beslist de minister of zijn gemachtigde onmiddellijk bij het indienen van de asielaanvraag dat de vreemdeling valt onder de in artikel 7, eerste lid, 1° tot 11°, of de in artikel 27, § 1, eerste lid, en § 3, bedoelde gevallen. In het in artikel 50ter bedoelde geval beslist de minister of zijn gemachtigde eveneens onmiddellijk bij het indienen van de asielaanvraag dat de vreemdeling niet toegelaten wordt tot het grondgebied en dat hij wordt teruggedreven.

Deze beslissingen worden betekend op de plaats waar de vreemdeling wordt vastgehouden. ».

Art. 47.In artikel 52bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 6 mei 1993 en gewijzigd bij de wet van 15 juli 1996, dat artikel 52/4 wordt, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in het eerste lid worden de woorden "die vraagt of heeft gevraagd als vluchteling te worden erkend" vervangen door de woorden "die een asielaanvraag heeft ingediend overeenkomstig de artikelen 50, 50bis, 50ter of 51";2° in het tweede lid worden de woorden "over de vraag of de verklaring van betrokkene dat hij vluchteling is, zijn vraag om als dusdanig erkend te worden en de verwijderingsmaatregelen die ten aanzien van hem zijn genomen, in overeenstemming zijn met het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, en met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950" vervangen door de woorden "over de asielaanvraag en de verwijderingsmaatregelen die ten aanzien van hem zijn genomen, met de vraag of deze in overeenstemming zijn met het Verdrag van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3, en de subsidiaire bescherming, zoals bepaald in artikel 48/4".

Art. 48.In artikel 53 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 14 juli 1987 en gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1993 en 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° de woorden "die de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling vraagt of gevraagd heeft overeenkomstig artikel 50, 50bis of artikel 51" worden vervangen door de woorden "die een asielaanvraag heeft ingediend overeenkomstig de artikelen 50, 50bis, 50ter of 51";2° de woorden "artikel 52 of artikel 52bis" worden vervangen door de woorden "artikel 52/3, § 2, of artikel 52/4".

Art. 49.In artikel 53bis van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 14 juli 1987 en gewijzigd door het koninklijk besluit van 13 juli 1992 en door de wetten van 18 juli 1991, 6 mei 1993 en 15 juli 1996, worden de woorden "artikel 52bis" vervangen door de woorden "artikel 52/4".

Art. 50.In artikel 54 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 6 mei 1993 en gewijzigd bij de wetten van 24 mei 1994, van 15 juli 1996, van 9 maart 1998, van 7 mei 1999, van 18 februari 2003, van 22 december 2003 en van 27 december 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in punt 1° worden de woorden "die de hoedanigheid van vluchteling hebben aangevraagd" vervangen door de woorden "die een asielaanvraag hebben ingediend";b) in punt 2° worden de woorden "die zich vluchteling verklaard hebben" vervangen door de woorden "die een asielaanvraag hebben ingediend";c) in punt 3° worden de woorden "de hoedanigheid van vluchteling hebben aangevraagd" vervangen door de woorden "een asielaanvraag hebben ingediend";d) in punt 4° worden de woorden "zich vluchteling hebben verklaard" vervangen door de woorden "een asielaanvraag hebben ingediend";2° in § 1, tweede lid, worden de woorden "beslissing tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling" vervangen door de woorden "beslissing van erkenning van de vluchtelingenstatus of van toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus";3° in § 2, eerste lid, worden de woorden "die de hoedanigheid van vluchteling heeft aangevraagd" vervangen door de woorden "die een asielaanvraag heeft ingediend";4° in § 3, eerste lid, worden de woorden "die de verklaring of de aanvraag bedoeld in de artikelen 50, 50bis en 51 heeft afgelegd" vervangen door de woorden "die een asielaanvraag bedoeld in de artikelen 50, 50bis of 51 heeft ingediend";5° in § 3, tweede lid, worden de woorden "artikel 52" vervangen door de woorden "artikel 52/3", en worden de woorden "of wanneer de minister of diens gemachtigde of de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of een van zijn adjuncten hebben beslist dat een onderzoek ten gronde van de asielaanvraag noodzakelijk is" vervangen door de woorden "of wanneer de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of een van zijn adjuncten of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan de vreemdeling de vluchtelingenstatus in de zin van artikel 48/3 erkent of de subsidiaire beschermingsstatus, in de zin van artikel 48/4, toekent".

Art. 51.In artikel 55 van dezelfde wet, opgeheven bij de wet van 15 juli 1996, hersteld bij de wet van 22 december 2003 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In § 1, eerste lid, worden de woorden "De verklaring of de aanvraag bedoeld in de artikelen 50, 50bis en 51" vervangen door de woorden "De asielaanvraag bedoeld in de artikelen 50, 50bis en 51", en worden de woorden "zijn verklaring of aanvraag" vervangen door de woorden "zijn asielaanvraag".2° In § 2 worden de woorden "een verklaring of een aanvraag overeenkomstig de artikelen 50, 50bis of 51" vervangen door de woorden "een asielaanvraag overeenkomstig de artikelen 50, 50bis of 51".

Art. 52.In dezelfde wet wordt een artikel 55/2 ingevoegd, luidende : «

Art. 55/2.Een vreemdeling wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer hij valt onder artikel 1 D, E of F van het Verdrag van Genève. Dit is van ook toepassing op personen die wetens en willens aanzetten tot of anderszins deelnemen aan de in artikel 1 F van het Verdrag van Genève genoemde misdrijven of daden. ».

Art. 53.In dezelfde wet wordt een artikel 55/3 ingevoegd, luidende : «

Art. 55/3.Een vreemdeling houdt op vluchteling te zijn wanneer hij valt onder artikel 1 C van het Verdrag van Genève. Bij toepassing van artikel 1 C (5) en (6) van voormeld verdrag dient te worden nagegaan of de verandering van de omstandigheden een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om de gegronde vrees van de vluchteling voor vervolging weg te nemen. »

Art. 54.In dezelfde wet wordt een artikel 55/4 ingevoegd, luidende : «

Art. 55/4.Een vreemdeling wordt uitgesloten van de subsidiaire beschermingsstatus wanneer er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat : a) hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft gepleegd zoals gedefinieerd in de internationale instrumenten waarmee wordt beoogd regelingen te treffen ten aanzien van dergelijke misdrijven;b) hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties als vervat in de preambule en de artikelen 1 en 2 van het Handvest van de Verenigde Naties;c) hij een ernstig misdrijf heeft gepleegd; Het eerste lid is van toepassing op personen die aanzetten tot of anderszins deelnemen aan de hierboven genoemde misdrijven of daden. »

Art. 55.In dezelfde wet wordt een artikel 55/5 ingevoegd, luidende : «

Art. 55/5.De subsidiaire beschermingsstatus die werd toegekend aan een vreemdeling wordt opgeheven wanneer de omstandigheden op grond waarvan de subsidiaire beschermingsstatus werd verleend, niet langer bestaan of zodanig zijn gewijzigd dat deze bescherming niet langer nodig is. Er dient hierbij te worden nagegaan of de verandering van de omstandigheden die hebben geleid tot het toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus een voldoende ingrijpend en niet-voorbijgaand karakter heeft om het reële risico op ernstige schade weg te nemen. »

Art. 56.Artikel 56 van dezelfde wet, opgeheven door de wet van 26 mei 2005, wordt hersteld in de volgende lezing : «

Art. 56.De vreemdeling aan wie de subsidiaire beschermingsstatus is toegekend, kan slechts uit het Rijk verwijderd worden bij een na advies van de Commissie van advies voor vreemdelingen genomen terugwijzingsbesluit of bij een uitzettingsbesluit, beide genomen overeenkomstig de artikelen 20 tot 26 van deze wet.

In geen geval mag de vreemdeling aan wie de subsidiaire beschermingsstatus werd toegekend, verwijderd worden naar het land dat hij ontvlucht is omdat zijn leven of zijn vrijheid er bedreigd was. »

Art. 57.Artikel 57 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 15 juli 1996, wordt opgeheven.

Art. 58.Artikel 57/6, ingevoegd bij de wet van 14 juli 1987 en gewijzigd bij de wet van 15 juli 1996, wordt vervangen als volgt : «

Art. 57/6.De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen is bevoegd : 1° om aan de vreemdeling bedoeld in artikel 53, de vluchtelingenstatus, in de zin van artikel 48/3, te erkennen of weigeren te erkennen of de subsidiaire beschermingsstatus, in de zin van artikel 48/4, toe te kennen of weigeren toe te kennen;2° om de aanvraag tot het bekomen van de vluchtelingenstatus in de zin van artikel 48/3 of de subsidiaire beschermingsstatus in de zin van artikel 48/4 die ingediend wordt door een onderdaan van een Lidstaat van de Europese Gemeenschappen of door een onderdaan van een Staat die partij is bij een Toetredingsverdrag tot de Europese Unie, dat nog niet in werking is getreden, niet in overweging te nemen wanneer uit zijn verklaring niet duidelijk blijkt dat er, wat hem betreft, een gegronde vrees voor vervolging bestaat in de zin van het internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, zoals bepaald in artikel 48/3 of dat er zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat hij een reëel risico loopt op het lijden van ernstige schade, zoals bepaald in artikel 48/4;3° om de vluchtelingenstatus in hoofde van de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 49, § 1, 6°, te bevestigen of weigeren te bevestigen;4° om de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus op basis van de artikelen 55/3, en 55/5, op te heffen;5° om de vreemdeling bedoeld in artikel 53 van de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus uit te sluiten op basis van de artikelen 55/2 en artikel 55/4;6° om de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus in te trekken ten aanzien van de vreemdeling die, op grond van de artikelen 55/2 en 55/4, uitgesloten had moeten zijn;7° om de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus in te trekken ten aanzien van de vreemdeling die als vluchteling is erkend of aan wie de subsidiaire beschermingsstatus werd toegekend op grond van feiten die hij verkeerd heeft weergegeven of achtergehouden, of van valse verklaringen, of van valse of vervalste documenten, die doorslaggevend zijn geweest voor de erkenning van de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus, alsmede ten aanzien van de vreemdeling wiens persoonlijk gedrag later erop wijst dat hij geen vervolging vreest;8° om aan de vreemdelingen en de staatlozen de documenten te verstrekken welke bedoeld zijn in artikel 25 van het internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève, op 28 juli 1951, en in artikel 25 van het Verdrag betreffende de status van staatlozen, ondertekend te New-York, op 28 september 1954. De in de punten 1° tot 7° bedoelde beslissingen worden met redenen omkleed met vermelding van de omstandigheden van de zaak.

De in het eerste lid, 2°, bedoelde beslissing moet getroffen worden binnen een termijn van vijf werkdagen. »

Art. 59.In artikel 57/8 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 14 juli 1987, gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1993 en 15 juli 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het eerste lid wordt vervangen als volgt : « Onverminderd een kennisgeving aan de persoon zelf, kunnen de oproepingen en de aanvragen om inlichtingen door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of zijn gemachtigde worden verstuurd naar de in artikel 51/2 bedoelde gekozen woonplaats bij een ter post aangetekende zending of per bode tegen ontvangstbewijs.Wanneer de vreemdeling woonplaats gekozen heeft bij zijn raadsman, kunnen de oproepingen en aanvragen om inlichtingen ook geldig worden verstuurd per faxpost. »; 2° het derde lid wordt vervangen als volgt : « De beslissingen worden door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid ter kennis gebracht van de belanghebbende.»; 3° het vierde lid wordt opgeheven.

Art. 60.In artikel 57/9 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 14 juli 1987, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° In het eerste lid worden de woorden "1° tot 3°" vervangen door de woorden "1° tot 7°".2° In het tweede lid worden de woorden "artikel 57/6, 4°" vervangen door de woorden "artikel 57/6, 8°".

Art. 61.Artikel 57/10 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 14 juli 1987, wordt vervangen als volgt : « De erkenning of de bevestiging van de vluchtelingenstatus of de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus kan worden geweigerd aan de vreemdeling die niet voldoet aan de verplichting om in België woonplaats te kiezen of wanneer de vreemdeling zich niet aanmeldt op de in de oproeping vastgestelde datum en hiervoor binnen de vijftien dagen na het verstrijken van deze datum geen geldige reden opgeeft of wanneer de vreemdeling geen gevolg geeft aan een verzoek om inlichtingen binnen de maand na de verzending van dit verzoek en hiervoor geen geldige reden opgeeft. »

Art. 62.Artikel 58, derde lid, van dezelfde wet wordt vervangen als volgt : « De machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven kan door de vreemdeling in het Rijk aangevraagd worden overeenkomstig de door de Koning bepaalde modaliteiten in uitvoering van artikel 9, tweede lid. »

Art. 63.In artikel 61, § 2, 3°, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 15 juli 1996, worden de woorden "artikel 10bis, eerste lid" vervangen door de woorden "artikel 10bis, § 1".

Art. 64.In Titel II van dezelfde wet wordt een Hoofdstuk IV ingevoegd die de artikelen 61/2 tot 61/5 omvat, met de volgende titel : « Hoofdstuk IV. - Vreemdelingen die het slachtoffer zijn van het misdrijf mensenhandel in de zin van artikel 433quinquies van het Strafwetboek, of die het slachtoffer zijn van het misdrijf mensensmokkel in de zin van artikel 77bis in de omstandigheden bedoeld in artikel 77quater, 1°, uitsluitend voor wat de niet begeleide minderjarigen betreft, tot en met 5°, en die met de autoriteiten samenwerken. »

Art. 65.In dezelfde wet wordt een artikel 61/2, ingevoegd, luidende : «

Art. 61/2.§ 1. Indien de politie- of de inspectiediensten over aanwijzingen beschikken dat een vreemdeling het slachtoffer is van het misdrijf bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of het misdrijf bedoeld in artikel 77bis onder de omstandigheden bepaald in artikel 77quater, 1°, uitsluitend voor wat de niet begeleide minderjarigen betreft, tot 5°, verwittigen zij onmiddellijk de minister of zijn gemachtigde, brengen zij de vreemdeling op de hoogte van de mogelijkheid om een verblijfstitel te verkrijgen in ruil voor samenwerking met de autoriteiten die belast zijn met het onderzoek naar of de vervolging van deze misdrijven en brengen zij hem in contact met een door de bevoegde overheid erkend centrum dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers van deze misdrijven. § 2. De minister of zijn gemachtigde stelt de in § 1 bedoelde vreemdeling, die niet beschikt over een verblijfstitel en die begeleid wordt door een door de overheid erkend centrum dat gespecialiseerd is in het onthaal van slachtoffers, in het bezit van een bevel om het grondgebied te verlaten met een termijn van 45 dagen ten einde hem de kans te geven een klacht in te dienen of verklaringen af te leggen met betrekking tot de personen of de netwerken die zich schuldig zouden gemaakt hebben aan het misdrijf bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of het misdrijf voorzien in artikel 77bis onder de omstandigheden bepaald in artikel 77quater, 1°, uitsluitend voor wat de niet begeleide minderjarigen betreft, tot 5°.

De in het eerste lid bedoelde vreemdeling, die jonger is dan achttien jaar en het Rijk is binnengekomen zonder begeleiding van een krachtens de wet verantwoordelijke meerderjarige vreemdeling en vervolgens niet daadwerkelijk onder de hoede van een dergelijke persoon gestaan heeft, hetzij zonder begeleiding werd achtergelaten nadat hij het Rijk is binnengekomen, wordt dadelijk in het bezit gesteld van het in artikel 61/3, § 1, voorziene tijdelijk verblijfsdocument. Tijdens de hele procedure wordt naar behoren rekening gehouden met het hoger belang van het kind.

Indien de in eerste lid bedoelde vreemdeling onmiddellijk een klacht heeft ingediend of verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot de personen of de netwerken die zich schuldig zouden gemaakt hebben aan het misdrijf bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of het misdrijf bedoeld in artikel 77bis onder de omstandigheden bepaald in artikel 77quater, 1°, uitsluitend voor wat de niet begeleide minderjarigen betreft, tot 5°, kan het gespecialiseerd onthaalcentrum dat hem begeleidt aan de minister of zijn gemachtigde vragen om hem dadelijk in het bezit te stellen van het in artikel 61/3, § 1, voorziene tijdelijk verblijfsdocument. § 3. De minister of zijn gemachtigde kan op elk moment beslissen om de in § 2 voorziene termijn te beëindigen indien wordt vastgesteld dat de vreemdeling actief, vrijwillig en uit eigen beweging opnieuw contact heeft opgenomen met de vermoedelijke plegers van de misdrijven bedoeld in 433quinquies van het Strafwetboek of artikel 77bis alsmede indien hij wordt beschouwd als een mogelijk gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid. »

Art. 66.In dezelfde wet wordt een artikel 61/3 ingevoegd, luidende : «

Art. 61/3.§ 1. De minister of zijn gemachtigde stelt de in artikel 61/2, § 1, bedoelde vreemdeling die, tijdens de in artikel 61/2, § 2, eerste lid, bepaalde termijn, een klacht heeft ingediend of verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot de personen of de netwerken die zich schuldig zouden gemaakt hebben aan het misdrijf bedoeld in 433quinquies van het Strafwetboek of het misdrijf bedoeld in artikel 77bis onder de omstandigheden bepaald in artikel 77quater, 1°, uitsluitend voor wat de niet begeleide minderjarigen betreft, tot 5°, in het bezit van een verblijfsdocument met een geldigheidsduur van maximaal drie maanden.

De Koning bepaalt het model van het tijdelijk verblijfsdocument. § 2. De minister of zijn gemachtigde verzoekt de procureur des Konings of de arbeidsauditeur hem voor het verstrijken van de geldigheidsduur van het overeenkomstig § 1 afgegeven verblijfsdocument mee te delen of betrokken vreemdeling nog kan beschouwd worden als een slachtoffer van het misdrijf bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of het misdrijf bedoeld in artikel 77bis onder de omstandigheden bepaald in artikel 77quater, of het onderzoek of de gerechtelijke procedure nog loopt, hij blijk geeft van bereidheid tot medewerking en hij alle banden met de vermoedelijke daders van deze misdrijven heeft verbroken.

De in het eerste lid voorziene verblijfsdocument kan voor één enkele nieuwe periode van maximaal drie maanden worden verlengd indien dit nodig is voor het onderzoek of indien de minister of zijn gemachtigde, rekening houdend met de elementen van het dossier, van oordeel is dat dit opportuun is. § 3. De minister of zijn gemachtigde kan op elk moment beslissen om de machtiging tot verblijf te beëindigen indien wordt vastgesteld dat de vreemdeling actief, vrijwillig en uit eigen beweging opnieuw contact heeft opgenomen met de vermoedelijke plegers van de misdrijven bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of artikel 77bis alsmede indien hij wordt beschouwd als een mogelijk gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid. § 4. De vreemdeling moet proberen zijn identiteit te bewijzen door zijn paspoort of daarmee gelijkgestelde reistitel of door zijn nationale identiteitskaart over te leggen. »

Art. 67.In dezelfde wet wordt artikel 61/4 ingevoegd, luidende : «

Art. 61/4.§ 1. De minister of diens gemachtigde machtigt de in artikel 61/3, § 1, bedoelde vreemdeling tot een verblijf voor een periode van zes maanden indien de procureur des Konings of de arbeidsauditeur hem bevestigen dat het onderzoek of de gerechtelijke procedure nog loopt, dat de vreemdeling blijk geeft van zijn bereidheid tot medewerking en op voorwaarde dat de vreemdeling alle banden met de vermoedelijke plegers van de misdrijven voorzien in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of artikel 77bis heeft verbroken en hij geen gevaar uitmaakt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.

De inschrijving in het vreemdelingenregister en de afgifte van de verblijfstitel die dit bewijst gebeuren in overeenstemming met de bepalingen van artikel 12. De geldigheidsduur van de verblijfstitel en de verlenging of vernieuwing van de verblijfstitel worden vastgesteld door artikel 13, tweede lid. § 2. Tijdens de geldigheidsduur van de verblijfstitel of bij de verlenging of vernieuwing ervan kan de minister of zijn gemachtigde het verblijf van de vreemdeling beëindigen en hem, indien dat nodig is, het bevel geven om het grondgebied te verlaten indien hij vaststelt dat : 1° de vreemdeling actief, vrijwillig en uit eigen beweging opnieuw contact heeft opgenomen met de vermoedelijke plegers van het misdrijf bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of het misdrijf bedoeld in artikel 77bis;2° de vreemdeling niet meer meewerkt;3° de gerechtelijke autoriteiten besloten hebben om de procedure te beëindigen. Het eerste lid is eveneens van toepassing indien de minister of zijn gemachtigde de vreemdeling als een mogelijk gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid beschouwt of, in samenwerking met de gerechtelijke autoriteiten, van oordeel is dat de medewerking van de vreemdeling bedrieglijk is of dat zijn klacht bedrieglijk of ongegrond is. ».

Art. 68.In dezelfde wet wordt een artikel 61/5 ingevoegd, luidende : «

Art. 61/5.De minister of zijn gemachtigde kan de vreemdeling die het slachtoffer is van het misdrijf bedoeld in artikel 433quinquies van het Strafwetboek of het misdrijf bedoeld in artikel 77bis in de omstandigheden bepaald in artikel 77quater, 1°, uitsluitend voor wat de niet begeleide minderjarigen betreft, tot 5°, tot een verblijf van onbepaalde duur machtigen indien diens klacht of verklaring heeft geleid tot een veroordeling, of indien de procureur des Konings of de arbeidsauditeur in zijn vorderingen de tenlastelegging van mensenhandel of mensensmokkel onder de verzwarende omstandigheid voorzien in artikel 77quater heeft weerhouden. »

Art. 69.Hoofdstuk Ibis van dezelfde wet, houdende de artikelen 63/2 tot 63/5, wordt opgeheven.

Art. 70.De artikelen 64, 65, 66, eerste en tweede lid, en 67, van dezelfde wet, worden opgeheven.

Art. 71.In artikel 68, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1993, 15 juli 1996 en 18 februari 2003, worden de woorden "52bis, derde lid" vervangen door de woorden "52/4, derde lid" en wordt de verwijzing naar artikel 63/5, derde lid, en artikel 67 geschrapt.

Art. 72.Artikel 74/4bis, § 2, gewijzigd bij de wetten van 15 juli 1996 en 18 februari 2003, wordt vervangen als volgt : « § 2. Het bedrag van de administratieve geldboete wordt teruggegeven indien de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de hoedanigheid van vluchteling erkent of de subsidiaire beschermingsstatus toekent aan de vreemdeling die niet in het bezit is van de in artikel 2 voorziene documenten en die aan de grens een asielaanvraag heeft ingediend.

Het bedrag van de administratieve geldboete wordt eveneens teruggegeven indien de betrokken vreemdeling tijdelijke bescherming geniet overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk IIbis. »

Art. 73.In artikel 74/5 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 juli 1991 en gewijzigd bij de wetten van 15 juli 1996, 9 maart 1998 en 29 april 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1, 2°, worden de woorden "die zich vluchteling verklaart en aan de grens vraagt als dusdanig erkend te worden" vervangen door de woorden "en die aan de grens een asielaanvraag heeft ingediend".2° in § 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in het eerste lid worden in punt 1° de woorden ", een uitvoerbare beslissing tot weigering van toegang tot het grondgebied of een uitvoerbare bevestigende beslissing tot weigering van toegang tot het grondgebied" opgeheven;b) in het eerste lid worden in punt 2° de woorden "de beslissing of" opgeheven;c) een vijfde lid wordt toegevoegd, luidende : « De duur van de vasthouding wordt van rechtswege opgeschort gedurende de aangewende termijn om een verzoekschrift in te dienen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zoals bedoeld in artikel 39/57.Indien overeenkomstig artikel 39/76, § 1, voorlaatste lid, een onderzoekstermijn wordt verleend aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen om de nieuwe gegevens te onderzoeken, wordt de duur van de vasthouding eveneens van rechtswege opgeschort gedurende een termijn van maximaal een maand. » 3° in § 4 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in punt 1° worden de woorden "beslissing of" opgeheven;b) in punt 2° worden de woorden "beslissing of" opgeheven;c) een punt 4° wordt toegevoegd, luidend als volgt : « 4° de vreemdeling die als vluchteling erkend wordt of aan wie de subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend.»; 4° § 5, tweede lid, wordt vervangen als volgt : « De beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus overeenkomstig artikel 52, § 1, getroffen ten aanzien van de vreemdeling bedoeld in § 1, 2°, die toegelaten wordt het Rijk binnen te komen, wordt van rechtswege gelijkgesteld met een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus in de zin van artikel 52, § 2.»; 5° in § 5, derde lid, worden de woorden "of aan de beslissing tot weigering van verblijf" opgeheven;6° § 6 wordt vervangen als volgt : « § 6.Wanneer de vreemdeling bedoeld in § 1, 2°, de plaats waar hij wordt vastgehouden, zonder toestemming verlaat tijdens de termijn waarbinnen een beroep kan worden ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen of tijdens de duur van het onderzoek van dat beroep, wordt de beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus overeenkomstig artikel 52, § 1, van rechtswege gelijkgesteld met een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus in de zin van artikel 52, § 2.

In alle gevallen wordt de beslissing tot weigering van toegang tot het grondgebied van rechtswege gelijkgesteld met een beslissing tot weigering van verblijf. »

Art. 74.In artikel 74/6 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 6 mei 1993 en gewijzigd bij de wetten van 15 juli 1996 en 29 april 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 worden de woorden "en aan wie de toegang tot 's lands grondgebied of de toelating om in de hoedanigheid van kandidaat-vluchteling in het Rijk te verblijven werd ontzegd krachtens artikel 52" vervangen door de woorden "en aan wie de vluchtelingenstatus of subsidiaire beschermingsstatus geweigerd werd door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen krachtens artikel 52";2° er wordt een § 1bis ingevoegd, luidende : « § 1bis.De vreemdeling die het Rijk binnengekomen is zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden of wiens verblijf opgehouden heeft regelmatig te zijn en die een asielaanvraag indient, kan door de minister of zijn gemachtigde in een welbepaalde plaats worden vastgehouden teneinde de effectieve verwijdering van het grondgebied van de vreemdeling te waarborgen indien : 1° de vreemdeling sedert minder dan tien jaar uit het Rijk teruggewezen of uitgezet werd, zo de maatregel niet opgeschort of ingetrokken werd;of 2° de vreemdeling, na zijn land verlaten te hebben of na het feit dat hem ertoe gebracht heeft ervan verwijderd te blijven, langer dan drie maanden in een ander land verbleven heeft en dit heeft verlaten, zonder vrees in de zin van artikel 1, A (2), van het Verdrag van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3, en zonder dat er zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat hij een reëel risico loopt op het lijden van ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4;of 3° de vreemdeling, na zijn land verlaten te hebben of na het feit dat hem ertoe gebracht heeft ervan verwijderd te blijven, gedurende een totale duur van langer dan drie maanden in verschillende andere landen verbleven heeft, en het laatste van die landen verlaten heeft zonder vrees in de zin van artikel 1, A (2), van het Verdrag van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3, en zonder dat er zwaarwegende gronden zijn om aan te nemen dat hij een reëel risico loopt op het lijden van ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4;of 4° de vreemdeling in het bezit is van een geldig vervoerbewijs voor een ander land, op voorwaarde dat hij reisdocumenten bij zich heeft waarmee hij naar dat land kan doorreizen;of 5° de vreemdeling zijn aanvraag zonder verantwoording ingediend heeft na het verstrijken van de in artikel 50, eerste lid, 50bis, tweede lid of 51, eerste lid of tweede lid, bepaalde termijn of, zonder verantwoording overeenkomstig artikel 51/6, eerste lid, of artikel 51/7, tweede lid, niet aan de meldingsplicht voldaan heeft;of 6° de vreemdeling zich vrijwillig onttrokken heeft aan een bij de grens ingezette procedure;of 7° de vreemdeling bedoeld in artikel 54, § 1, eerste lid, zich gedurende minstens vijftien dagen onttrekt aan de meldingsplicht waarvan de nadere regels bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit worden bepaald;of 8° de vreemdeling zijn aanvraag niet ingediend heeft op het ogenblik dat de met grenscontrole belaste autoriteiten nadere toelichting vragen over zijn motief om naar België te reizen, en daarvoor geen verantwoording heeft verstrekt;of 9° de vreemdeling reeds een andere asielaanvraag ingediend heeft;of 10° de vreemdeling weigert zijn identiteit of nationaliteit mee te delen of valse informatie verstrekt met het oog op het vaststellen van zijn identiteit of nationaliteit of valse of vervalste identiteits- of reisdocumenten verstrekt;of 11° de vreemdeling een identiteits- of reisdocument dat ertoe kon bijdragen dat zijn identiteit of nationaliteit werd vastgesteld, heeft vernietigd of zich daarvan ontdaan heeft;of 12° de vreemdeling een asielaanvraag indient teneinde de uitvoering van een eerdere of van een op handen zijnde beslissing die tot zijn verwijdering zou leiden, uit te stellen of te verijdelen;of 13° de vreemdeling de in artikel 51/3 bedoelde afname van vingerafdrukken bemoeilijkt;of 14° de vreemdeling bij het indienen van zijn asielaanvraag niet aangegeven heeft dat hij reeds een asielaanvraag in een ander land heeft ingediend;of 15° de vreemdeling weigert de in artikel 51/10, eerste lid, bedoelde verklaring af te leggen.» 3° In § 2 worden de volgende wijzigingen aangebracht : a) in het eerste lid, wordt het woord "§ 1" vervangen door de woorden "§§ 1 en 1bis", worden de woorden "of van een uitvoerbare bevestigende beslissing tot weigering van verblijf" opgeheven en worden de woorden "nadat de beslissing tot weigering van verblijf uitvoerbaar is geworden" ingevoegd tussen de woorden "binnen zeven werkdagen" en ", wanneer zij worden voortgezet met de vereiste zorgvuldigheid";b) een vijfde lid wordt toegevoegd, luidende : « De duur van de vasthouding wordt van rechtswege opgeschort gedurende de aangewende termijn om een verzoekschrift in te dienen bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zoals bedoeld in artikel 39/57.Indien overeenkomstig artikel 39/76, § 1, laatste lid, een onderzoekstermijn wordt verleend aan de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen om de nieuwe gegevens te onderzoeken, wordt de duur van de vasthouding eveneens van rechtswege opgeschort gedurende een termijn van maximaal een maand. »

Art. 75.In artikel 74/8 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 juli 1996, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in § 1 worden de woorden "74/6, § 1" vervangen door de woorden "74/6, §§ 1 en 1bis";2° in § 4, tweede lid, worden de woorden "van het koninklijk besluit nr.34 van 20 juli 1967 betreffende de tewerkstelling van werknemers van vreemde nationaliteit" vervangen door de woorden "van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers". HOOFDSTUK III. - Overgangsbepalingen

Art. 76.§ 1. Vanaf haar inwerkingtreding is deze wet van toepassing op alle bij haar bepalingen bedoelde toestanden. § 2. In de hierna volgende gevallen wordt evenwel afgeweken van het principe vermeld onder § 1 : 1° De artikelen 9bis en 9ter van de wet van 15 december 1980 zijn van toepassing op de aanvragen die ingediend worden na de inwerkingtreding van de wet.2° Met uitzondering van zijn punt 4° is artikel 11, § 2, van de wet van 15 december 1980, ingevoegd door artikel 9 van deze wet, van toepassing op de vreemdelingen die na de datum van de inwerkingtreding van deze wet tot een verblijf worden toegelaten.3° De artikelen 13 en 14 van deze wet zijn van toepassing op de vreemdelingen die na de datum van de inwerkingtreding van deze wet een machtiging tot vestiging aanvragen.

Art. 77.§ 1. Vanaf de datum vast te leggen bij koninklijk besluit, zijn de bepalingen inzake de subsidiaire beschermingsstatus van toepassing op alle asielverzoeken die in behandeling zijn of die ingediend worden bij de minister of zijn gemachtigde en de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, met dien verstande dat deze asielverzoeken behandeld worden volgens de procedure die van toepassing is voor de inwerkingtreding van deze wet.

Indien de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen vaststelt dat de voorwaarden vervuld zijn aangaande de subsidiaire beschermingsstatus zoals bedoeld in artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980, kent hij deze status toe. § 2. Indien de asielprocedure van een vreemdeling afgesloten werd voor de in § 1 bepaalde datum, kan Richtlijn 2004/83/EG alsmede de omzetting van deze richtlijn naar Belgisch recht, niet als een nieuw element, in de zin van artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980, ingeroepen worden door de betrokken vreemdeling, tenzij de aanvraag gebaseerd is op elementen die aanleiding kunnen geven tot de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus zoals voorzien in artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980. § 3. De vreemdeling ten aanzien van wie de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, overeenkomstig artikel 63/5, vierde lid, van de wet van 15 december 1980 een advies heeft verstrekt voor de datum bepaald in § 1 waaruit blijkt dat de terugleiding naar de grens van het land dat de vreemdeling is ontvlucht een gevaar voor zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid oplevert of de vreemdeling ten aanzien van wie de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen in het kader van een beslissing tot weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling op grond van artikel 57/6, eerste lid, 1°, van de wet van 15 december 1980 een gelijkaardig advies heeft verstrekt, wordt vanaf de in § 1 bedoelde datum, na vaststelling van zijn identiteit en op zijn verzoek door de minister of zijn gemachtigde, in het bezit gesteld van een verblijfsdocument overeenkomstig artikel 49/2, § 2 van de wet van 15 december 1980, als genieter van de subsidiaire beschermingsstatus, op voorwaarde dat hij het Belgisch grondgebied niet verlaten heeft na het beëindigen van de asielprocedure, het gevaar bij een terugleiding nog actueel is en de vreemdeling geen gevaar oplevert voor de openbare orde of de nationale veiligheid.

De vreemdeling kan bij gebreke aan identiteitsstukken opteren voor een door de minister of zijn gemachtigde uit te voeren vergelijking van zijn vingerafdrukken met de vingerafdrukken die overeenkomstig artikel 51/3 van de wet van 15 december 1980 werden genomen.

Indien de minister of zijn gemachtigde twijfels heeft inzake de actualiteit van het overeenkomstig artikel 63/5, vierde lid, van de wet van 15 december 1980, verstrekte advies of van het gelijkaardig advies dat verstrekt werd in het kader van een beslissing tot weigering van erkenning van de hoedanigheid van vluchteling op grond van artikel 57/6, eerste lid, 1°, van de wet van 15 december 1980 moet hij de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen dienaangaande om een advies verzoeken.

Betrokken vreemdeling dient zijn verzoek te richten tot de burgemeester van de plaats waar hij verblijft, deze zendt de aanvraag over aan de minister of aan diens gemachtigde, die, nadat hij heeft vastgesteld dat de gestelde voorwaarden werden vervuld, opdracht geeft tot afgifte van het overeenkomstig artikel 49/2, § 2, van de wet van 15 december 1980 voorziene verblijfsdocument. HOOFDSTUK IV. - Inwerkingtreding

Art. 78.Met uitzondering van dit artikel, treden de overige bepalingen van deze wet in werking op de door de Koning te bepalen data en uiterlijk op de eerste dag van de dertiende maand na die waarin zij in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 15 september 2006.

ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en de Minister van Binnenlandse zaken, P. DEWAEL De Minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, C. DUPONT Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, Mevr. L. ONKELINX _______ Nota's (1) Nota : Stukken van de Kamer van volksvertegenwoordigers : DOC 51 2478 (2005/2006) Nr.1 : Wetsontwerp.

Nr. 2 : Bijlagen.

Nrs. 3 tot 7 : Amendementen.

Nr. 8 : Verslag.

Nr. 9 : Tekst verbeterd door de commissie.

Nr. 10 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat.

Integraal Verslag : 12 juli 2006. (2) Stukken van de Senaat : 3-1786 - 2005/2006 Nr.1 : Ontwerp geëvoceerd door de Senaat.

Nr. 2 : Amendementen.

Nr. 3 : Verslag.

Nr. 4 : Beslissing om niet te amenderen.

Handelingen van de Senaat : 14 juli 2006.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^