Wet van 19 maart 2013
gepubliceerd op 12 april 2013

Wet betreffende de Belgische Ontwikkelingssamenwerking

bron
federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking
numac
2013015084
pub.
12/04/2013
prom.
19/03/2013
staatsblad
http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi/article_body.pl?language=nl&c(...)
Document Qrcode

19 MAART 2013. - Wet betreffende de Belgische Ontwikkelingssamenwerking (1)


ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtingen hetgeen volgt : HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen

Artikel 1.Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2.In deze wet wordt verstaan onder : 1° « de Belgische Ontwikkelingssamenwerking » : het federale beleid en de federale acties inzake ontwikkelingssamenwerking via gouvernementele, multilaterale en niet-gouvernementele kanalen en via de andere instrumenten die door het Comité voor Ontwikkelingshulp (Development Assistance Committee - DAC) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) aangerekend worden of werden als Officiële ontwikkelingshulp;2° « de minister » : het regeringslid dat bevoegd is voor de Belgische Ontwikkelingssamenwerking;3° « het partnerland » : het land dat door het DAC van de OESO wordt beschouwd als een ontwikkelingsland en dat als partner van de gouvernementele samenwerking wordt erkend;4° « de niet-gouvernementele organisaties » : de organisaties die de ontwikkelingssamenwerking als belangrijkste maatschappelijk doel hebben en door de minister kunnen erkend worden en in aanmerking kunnen komen voor subsidiëring door de Belgische Ontwikkelingssamenwerking voor hun activiteiten op het gebied van ontwikkelingssamenwerking;deze organisaties bepalen autonoom hun maatschappelijk doel, hun activiteiten en hun wijze van organisatie; 5° « de gouvernementele samenwerking » : de interventies van ontwikkelingssamenwerking in een partnerland, gefinancierd ten laste van de begroting van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking in het kader van een samenwerkingsprogramma tussen beide landen;6° « de niet-gouvernementele samenwerking » : de samenwerking, gefinancierd of medegefinancierd door de Belgische Ontwikkelingssamenwerking, waarbij een derde, die niet een vreemde Staat of een multilaterale organisatie is, instaat voor de uitvoering van de interventies van ontwikkelingssamenwerking, op basis van een reglementair stelsel van subsidiëring of van een overeenkomst;7° « de multilaterale samenwerking » : de bijdragen ten laste van de begroting van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking aan de multilaterale organisaties, bestemd voor hun interventies van ontwikkelingssamenwerking;8° « het programma » : een samenhangend geheel van interventies van ontwikkelingssamenwerking die desgevallend sectoren, thema's en/of regio's overschrijden;9° « het project » : een interventie van ontwikkelingssamenwerking, vaak binnen het kader van een breder programma, die, binnen een bepaalde termijn, een specifieke doelstelling wil bereiken via een logische, planmatige en resultaatgerichte aanpak;10° « de begrotingshulp » : een vorm van financiële steun aan de begroting van een partnerland, waarbij geldmiddelen worden overgemaakt naar de schatkist van het partnerland in het kader van een tussen donors en het partnerland afgesproken nationaal of sectoriaal samenwerkingprogramma;11° « de gedelegeerde samenwerking » : een modaliteit waarbij de Belgische Ontwikkelingssamenwerking een overeenkomst sluit met een andere openbare multilaterale of bilaterale donor.De gedelegeerde samenwerking wordt passief genoemd wanneer ze de middelen en de uitvoering van de interventie toevertrouwt aan de andere donor; ze wordt actief genoemd wanneer België de interventie uitvoert met geldmiddelen van andere donoren; 12° « de duurzame ontwikkeling » : de ontwikkeling die beantwoordt aan de behoeften van de huidige generaties zonder hierdoor voor toekomstige generaties de mogelijkheid in het gedrang te brengen om ook in hun behoeften te voorzien.De verwezenlijking ervan vergt een veranderingsproces waarin, gezien de uitputbaarheid en de noodzaak om de middelen te bewaren, de bestemming van investeringen, de gerichtheid van de technologische ontwikkeling en de institutionele structuren worden afgestemd op zowel toekomstige als huidige behoeften. Om duurzaam te zijn, dient ontwikkeling drie belangrijke elementen te verzoenen : sociale rechtvaardigheid, bescherming van het leefmilieu en economische doeltreffendheid;

Duurzame ontwikkeling verzekert ook een rechtvaardige overgang naar duurzame productie- en consumptiemethoden, bevordert de gelijkheid van vrouwen en mannen en garandeert een toegang van de bevolking tot publieke basisgoederen en -diensten, sociale bescherming, alsook respect voor haar rechten, inclusief seksuele rechten en toegang tot informatie en diensten inzake seksuele en reproductieve rechten en gezondheid; 13° « het partnerschap » : een actieve en participatieve wijze van samenwerking tussen partners in het kader van de ontwikkelingssamenwerking, met wederzijdse verantwoordelijkheden en met een bijzondere aandacht voor de institutionele responsabilisering van het partnerland, in het bijzonder van zijn overheidsdiensten, zijn middenveld en zijn economische privésector, voor de ontwikkeling van de lokale capaciteiten en voor de decentralisering van de interventies naar de doelgroepen;14° « het goed bestuur » : het bestuur dat de optimalisering beoogt van het beheer van de institutionele capaciteiten, de besluitvormingsprocessen van de overheden en het beheer van het overheidsgeld, met respect voor de democratie, de rechtsstaat alsmede de mensenrechten, de fundamentele vrijheden en de gelijkheid tussen mannen en vrouwen;15° « de humanitaire hulp » : de hulp die tot doel heeft levens te redden, lijden te verlichten en de menselijke waardigheid te behoeden gedurende en in de nasleep van natuurrampen en door de mens veroorzaakte crisissen, evenals dergelijke toestanden te voorkomen;16° « de beleidscoherentie ten gunste van ontwikkeling » : een proces om te verzekeren dat de doelstellingen en resultaten van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid van een regering niet tegengewerkt worden door het beleid van deze regering op andere domeinen die een impact hebben op de ontwikkelingslanden, en dat deze andere beleidsdomeinen waar mogelijk de ontwikkelingsdoelstellingen steunen;17° « het Samenwerkingsprogramma » (SP) : het meerjarig programma voor ontwikkelingssamenwerking waartoe de Belgische Staat zich verbindt met een partnerland van de gouvernementele samenwerking;18° « de mensenrechten » : de universele en onver-vreembare rechten zoals bepaald in het bijzonder in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens die is aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties (AVVN) van 10 december 1948, het Internationaal verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten aangenomen door de AVVN van 16 december 1966, het Internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten aangenomen door de AVVN van 19 december 1966, de Verklaring inzake het recht op ontwikkeling aangenomen door de AVVN op 4 december 1986 en de verklaring en het actieprogramma van Wenen aangenomen op 25 juni 1993 door de Wereldconferentie over de Rechten van de Mens;19° « de maatschappijopbouw » : de steun aan het ontstaan en/of de versterking van het middenveld en de versterking van de openbare instellingen van de partnerlanden in de sectoren en thema's die in aanmerking komen in het samenwerkingsprogramma bedoeld in 17° ;20° « de fragiliteit » : de toestand van een Staat waarin de regering en de overheidsinstellingen niet de middelen en/of de politieke wil hebben om de veiligheid en de bescherming van de burgers te verzekeren, om de publieke zaken efficiënt te beheren en om te strijden tegen armoede onder de bevolking;21° « het waardig werk » : de mogelijkheid voor elke vrouw en elke man om toegang te hebben tot productief werk in vrije, rechtvaardige, veilige en waardige omstandigheden.Dit omvat verschillende elementen : de mogelijkheid om een productief en behoorlijk vergoed werk uit te oefenen; de veiligheid op het werk en de sociale bescherming voor de werknemers en hun familie; de verbetering van de perspectieven op persoonlijke ontwikkeling en sociale integratie; de vrijheid voor de mensen om hun bezorgdheden te uiten, zich te organiseren en deel te nemen aan beslissingen die hun leven beïnvloeden; gelijke kansen voor en gelijke behandeling van alle mannen en vrouwen. De Waardig Werk Agenda zoals bepaald door de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) beoogt vier strategische doelstellingen, waarbij de gelijkheid tussen mannen en vrouwen een transversale doelstelling is : werkgelegenheid creëren, rechten op het werk garanderen, sociale bescherming uitbreiden en de sociale dialoog bevorderen; 22° « de nationale uitvoering » : de taken van openbare dienst inzake gouvernementele samenwerking die geheel of gedeeltelijk kunnen worden toevertrouwd aan het partnerland of aan de organen die optreden voor of in naam van het partnerland. HOOFDSTUK 2. - Doelstellingen

Art. 3.De Belgische Ontwikkelingssamenwerking heeft de duurzame menselijke ontwikkeling als algemene doelstelling en onderneemt daartoe acties die bijdragen tot duurzame en inclusieve economische groei voor een verbetering van de levensomstandigheden van de bevolking in de ontwikkelingslanden en tot hun sociaal-economische en sociaal-culturele ontwikkeling, teneinde de armoede, uitsluiting en ongelijkheid uit te bannen.

De Belgische Ontwikkelingssamenwerking beoogt in dit kader eveneens de capaciteit van de partners inzake ontwikkeling op alle niveaus te versterken. Zij schrijft zich in in het kader van de ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties.

Art. 4.De Belgische Ontwikkelingssamenwerking draagt in dit kader bij tot de algemene doelstelling van ontwikkeling en versterking van de democratie en van de rechtsstaat, met inbegrip van goed bestuur, alsook tot het respecteren van de menselijke waardigheid, van de rechten van de mens in al hun dimensies en van de fundamentele vrijheden, met een bijzondere aandacht voor het bestrijden van elke vorm van discriminatie.

Art. 5.Met het oog op het realiseren van haar algemene doelstellingen bevordert de Belgische Ontwikkelingssamenwerking ook de inclusieve, eerlijke en duurzame economische groei, waarbij voorrang wordt gegeven aan het lokale ondernemerschap, de sociale economie en de Waardig Werk Agenda van de IAO.

Art. 6.In de ontwikkelingslanden beoogt de Belgische ontwikkelingssamenwerking : 1° het financieren van sociaaleconomische programma's ter verbetering van het investeringsklimaat om de lokale productieve capaciteiten in de ontwikkelingslanden te versterken;2° het ondersteunen van de ontwikkeling van de lokale privésector, met name door het toekennen van kredieten, het versterken van de capaciteiten van de kleine en middelgrote ondernemingen en de micro-ondernemers, en door de participatie in lokale ondernemingen;3° het ondersteunen van de duurzame en eerlijke handel;4° het bevorderen van hun deelname aan de internationale handel in omstandigheden die gunstig zijn voor hun ontwikkeling.

Art. 7.De Belgische Ontwikkelingssamenwerking zorgt er eveneens voor dat de Belgische burger wordt gesensibiliseerd via informatie en educatie over de inzet, de problematiek en de verwezenlijking van de doelstellingen van de ontwikkelingssamenwerking en van de internationale betrekkingen.

Art. 8.Met het oog op de doeltreffendheid van de Belgische ontwikkelingssamenwerking en op het realiseren van haar algemene doelstellingen, wordt gestreefd naar maximale coherentie ten gunste van ontwikkeling tussen de verschillende domeinen van het Belgisch beleid.

Politieke acties van onderlinge versterking binnen de verschillende departementen van de overheid en van de openbare instellingen worden aangemoedigd met het oog op het creëren van synergie, opdat de door België goedgekeurde ontwikkelingsdoelstellingen worden gehaald. HOOFDSTUK 3. - Basisprincipes

Art. 9.De Belgische ontwikkelingssamenwerking schrijft zich in in de principes, verklaringen en verdragen van de Verenigde Naties betreffende ontwikkeling en leefmilieu, alsook mensenrechten in al hun dimensies.

Zij draagt bij aan het respect voor en de uitwerking van de internationale engagementen die België heeft aangegaan, met inbegrip van de kwantitatieve doelstelling om 0,7 % van het Bruto Nationaal Inkomen (BNI) te besteden aan Officiële ontwikkelingshulp.

Art. 10.Met het oog op doeltreffende hulp beoogt de Belgische ontwikkelingssamenwerking de versterking van het democratisch eigenaarschap van de partners, de afstemming op hun beleid, procedures en beheerssystemen, de harmonisatie met de andere donoren, het resultaatgericht beheer, de wederzijdse verantwoordelijkheid, een betere voorspelbaarheid van de middelen en concentreert ze zich op een beperkt aantal landen, thema's en sectoren.

Art. 11.§ 1. In overeenstemming met de artikelen 4 en 5 integreert de Belgische Ontwikkelingssamenwerking als prioritaire thema's : 1° de mensenrechten, met inbegrip van de rechten van het kind;2° waardig en duurzaam werk;3° maatschappijopbouw. § 2. De Belgische Ontwikkelingssamenwerking integreert op transversale wijze in al haar interventies : 1° de genderdimensie, die de empowerment van vrouwen en de gelijkheid tussen mannen en vrouwen in de samenleving beoogt;2° de bescherming van het leefmilieu en van de natuurlijke hulpbronnen, met inbegrip van de strijd tegen klimaatverandering, droogte en wereldwijde ontbossing. De bevoegde onafhankelijke overlegorganen en de betrokken stakeholders mogen terzake adviezen verlenen aan de minister.

Art. 12.Het realiseren van de doelstellingen vermeld in hoofdstuk 2 en de toepassing van de basisprincipes vermeld in hoofdstuk 3 gebeurt transparant en in overleg met de betrokken actoren bedoeld in artikel 2, 5°, 6° en 7°.

Art. 13.§ 1. De Belgische Ontwikkelingssamenwerking streeft naar synergie, coördinatie en complementariteit tussen de verschillende actoren bedoeld in artikel 2, 5°, 6° en 7°, om een maximale effectiviteit van de aangewende middelen te bereiken. § 2. De Belgische Ontwikkelingssamenwerking bevordert de harmonisering met de samenwerking van de Europese Unie en de multilaterale organisaties. § 3. De Belgische Ontwikkelingssamenwerking bevordert de coördinatie met de gewesten en de gemeenschappen van de Belgische Staat over de acties en programma's van samenwerking, binnen hun bevoegdheden, met het oog op meer synergie en complementariteit en op maximale beleidscoherentie ten gunste van ontwikkeling.

Art. 14.In overeenstemming met de DAC-aanbevelingen respecteert de Belgische Ontwikkelingssamenwerking de principes van ongebonden Officiële ontwikkelingshulp.

Art. 15.Met inachtneming van de doelstellingen bepaald in hoofdstuk 2 en de principes bepaald in hoofdstuk 3 engageert de Belgische Ontwikkelingssamenwerking zich op lange termijn en streeft ze naar continuïteit in haar partnerrelaties en in de sectoren en thema's waarin ze werkzaam is. HOOFDSTUK 4. - Gouvernementele samenwerking

Art. 16.§ 1. De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een lijst vast van maximaal achttien partnerlanden, waarmee een duurzame betrekking wordt nagestreefd, op basis van de volgende criteria : 1° de graad van armoede en ongelijkheden van het partnerland, gemeten op basis van het peil van de socio-economische ontwikkeling, van de menselijke ontwikkelingsindex aangepast aan de ongelijkheid (Inequality-adjusted Human Development Index - IHDI) en van de menselijke armoede-index (Human Poverty Index - HPI) en/of zijn mate van fragiliteit;2° het huidige comparatief voordeel van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking en de rol die zij kan spelen in het partnerland;3° de inspanningen die het partnerland levert tot zijn socio-economische ontwikkeling;4° de inspanningen van het partnerland inzake goed bestuur en mensenrechten, hierbij inbegrepen het wegwerken van discriminaties en het bevorderen van gelijke kansen;5° het relatief belang van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking in het partnerland in termen van volume en het bestaan van een taakverdeling tussen de donoren in het partnerland, met name met de andere lidstaten van de Europese unie.België streeft ernaar tot de belangrijkste donoren te behoren. § 2. De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een lijst vast van maximaal vijf regionale partnerorganisaties van de gouvernementele samenwerking, op basis van de volgende criteria : 1° minimaal één van de leden is een partnerland;2° interventie in verband met een prioritaire sector of een prioritair thema in minstens één lid-partnerland;3° of interventie in het kader van een exitstrategie zoals bepaald in artikel 17. § 3. De minister deelt de lijst van de partnerlanden en regionale partnerorganisaties mee aan het federale Parlement.

Art. 17.In de partnerlanden waar beslist wordt de samenwerking af te bouwen, wordt in overleg met het betrokken land en de andere aanwezige donoren een exitstrategie uitgewerkt, die erop gericht is deze uitstap te organiseren over een periode van maximaal vier jaar.

Art. 18.De gouvernementele samenwerking wordt geconcentreerd op maximaal drie sectoren per partnerland. De sectorkeuze gebeurt conform de principes van afstemming en harmonisatie, op basis van de beleidsprioriteiten van het partnerland en in overleg met het partnerland en de andere donoren.

Art. 19.Bij de keuze van deze sectoren richt de gouvernementele samenwerking zich in hoofdzaak op de volgende vier sectoren of hun equivalent in de partnerlanden : 1° de gezondheidszorg, met inbegrip van de toegang tot gezondheid voor allen, de reproductieve gezondheid en de strijd tegen de grote endemieën, met inbegrip van een transversale aanpak van HIV/AIDS;2° het onderwijs en de vorming;3° de landbouw en de voedselzekerheid;4° de basisinfrastructuur. De in artikel 11, § 1, bedoelde thema's kunnen het voorwerp uitmaken van specifieke initiatieven. De in artikel 11, § 2, bedoelde thema's worden transversaal geïntegreerd in alle sectoren.

Art. 20.In elk partnerland streeft de gouvernementele samenwerking naar een gemeenschappelijke landenstrategie van de donoren, bij voorkeur op het niveau van de Europese Unie en met inachtneming van de afstemming en het democratisch eigenaarschap van het partnerland.

Deze gemeenschappelijke strategie vormt het kader voor het samenwerkingsprogramma met het partnerland. Dit programma bepaalt met name de sectorale keuzes en de in aanmerking te nemen uitvoeringsmodaliteiten. De strategie en het programma worden meegedeeld aan het Belgisch federaal parlement en het parlement van het partnerland.

Art. 21.Met het oog op een zo groot mogelijke verantwoordelijkheid van het partnerland, geeft de gouvernementele samenwerking voorrang aan de nationale uitvoering van haar interventies via de procedures, instrumenten en beheerssystemen van het partnerland en versterkt deze indien nodig. Een andere uitvoeringsmodaliteit kan worden gekozen indien de risicoanalyse aantoont dat niet kan worden geopteerd voor de nationale uitvoering.

Art. 22.Op vraag van het partnerland kan het samenwerkingsprogramma een beperkt percentage passieve gedelegeerde samenwerking omvatten, vastgelegd door de Gemengde Commissie. HOOFDSTUK 5. - Multilaterale samenwerking

Art. 23.De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, een lijst vast van maximaal twintig internationale partnerorganisaties van de multilaterale samenwerking waar vrijwillige bijdragen aan worden toegekend, op basis van de volgende criteria : 1° de algemene doelstellingen van de internationale organisatie zijn coherent met deze van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking bedoeld in hoofdstuk 2;2° de internationale organisatie heeft een logische, planmatige, resultaatgerichte aanpak, die voortvloeit uit ontwikkelingsprogramma's welke een evaluatie van de aanwending van de bijdragen van de multilaterale samenwerking toelaten volgens de nadere regels vastgesteld door de Koning;3° de bijdragen van de multilaterale samenwerking zijn coherent met de steun die eventueel door andere actoren van de ontwikkelingssamenwerking aan de internationale organisatie wordt gegeven, teneinde het geheel der financieringen van de ontwikkelingssamenwerking te harmoniseren en het effect ervan te maximaliseren.

Art. 24.De vrijwillige bijdragen in het kader van de multilaterale samenwerking zijn hoofdzakelijk bestemd voor de algemene en niet geoormerkte middelen van de betrokken partnerorganisaties.

De vrijwillige bijdragen worden vastgelegd in een meerjarenovereenkomst met de partnerorganisaties.

Art. 25.De Belgische Ontwikkelingssamenwerking stort ook verplichte bijdragen aan multilaterale organisaties waarvan de Belgische Staat lid is en waarvan de algemene doelstellingen coherent zijn met deze van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking bedoeld in hoofdstuk 2. Een verplichte bijdrage is gebaseerd op een door de bevoegde organen van deze internationale organisaties goedgekeurde verdeelsleutel. HOOFDSTUK 6. - Niet-gouvernementele samenwerking

Art. 26.De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministeraad, de procedure en nadere regels voor de erkenning van de niet-gouvernementele organisaties, alsook de regeling voor het subsidiëren van hun activiteiten, met inachtneming van hun autonomie en hun initiatiefrecht.

Art. 27.De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministeraad, de procedure en de nadere regels voor de selectie van de maatschappijen, groeperingen, verenigingen en instellingen van publiek of privaat recht, andere dan de organisaties bedoeld in artikel 26, als partners van de niet-gouvernementele samenwerking, alsook de regeling voor het subsidiëren van hun activiteiten.

Art. 28.In een beperkt aantal partnerlanden van de gouvernementele samenwerking waar dergelijke interventies relevant zijn, kunnen organisaties van het lokale middenveld die over voldoende beheerscapaciteit beschikken om hun eigen doelstellingen op eigen kracht te behalen, gefinancierd worden op voorstel van de Belgische ambassade en in overleg met de Belgische actoren die actief zijn op het terrein. De Koning bepaalt de criteria, de procedure en de nadere regels die van toepassing zijn op het programma voor rechtstreekse subsidiëring van deze organisaties. HOOFDSTUK 7. - Humanitaire hulp

Art. 29.§ 1. De humanitaire hulp bestaat uit : 1° de tijdelijke hulp die, in geval van natuurrampen en door de mens veroorzaakte crisissen, wordt verleend door de Belgische Ontwikkelingssamenwerking ten gunste van landen die door het DAC van de OESO worden beschouwd als ontwikkelingslanden en waarbij bijzondere aandacht wordt besteed aan de noden van de slachtoffers;2° de bijdragen aan internationale humanitaire organisaties. § 2. Bij het verlenen van humanitaire hulp worden de volgende principes in acht genomen : 1° menslievendheid : levens redden en lijden verlichten staan centraal;2° onpartijdigheid : hulp wordt zonder discriminatie en enkel op basis van behoeften verstrekt;3° neutraliteit : de ondernomen actie mag geen enkele partij in een gewapend conflict of ander geschil bevoordelen;4° onafhankelijkheid : de humanitaire doelstellingen staan autonoom ten opzichte van politieke, economische, militaire of andere doelstellingen die in het betrokken gebied worden nagestreefd. § 3. De humanitaire hulp wordt verleend volgens de nadere regels die door de Koning worden bepaald.

Art. 30.§ 1. Noodhulp en rehabilitatiehulp op korte termijn, met inbegrip van voedselhulp en voorbereiding op rampen, maken deel uit van de humanitaire hulp. Binnen de grenzen van de hiervoor ingeschreven begrotingskredieten en in overeenstemming met de voorwaarden bepaald door de Koning, kan de minister dit soort hulp toekennen. § 2. In post-conflictlanden die door het DAC van de OESO als ontwikkelingslanden worden beschouwd, draagt de Belgische Ontwikkelingssamenwerking, in overleg met de internationale gemeenschap en in het kader van multi-donor programma's, bij tot de meerjarige financiering van interventies voor rehabilitatie en wederopbouw. De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, elke bijdrage aan de financiering van interventies in een post-conflictland vast in functie van de budgettaire mogelijkheden en volgens de principes bedoeld in artikel 29, § 2. Hij bepaalt ook de duur van de bijdrage. HOOFDSTUK 8. - Coherentie van het beleid ten gunste van ontwikkeling

Art. 31.Om de coherentie te verzekeren van het Belgisch beleid ten gunste van ontwikkeling, in overeenstemming met de artikelen 2, 16°, en 8, worden onderworpen aan een voorafgaandelijk onderzoek aangaande hun impact op ontwikkeling : de voorontwerpen van wet, de ontwerpen van koninklijk besluit en de voorstellen van beslissingen voorgelegd aan de Ministerraad, die beantwoorden aan de criteria en volgens de uitvoeringsmodaliteiten vastgelegd in een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministeraad. HOOFDSTUK 9. - Evaluatie

Art. 32.Met het oog op het bereiken van de doelstellingen van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking zoals omschreven in hoofdstuk 2, worden de resultaten geëvalueerd in het licht van de principes bepaald in hoofdstuk 3 en op basis van de criteria vastgesteld door het DAC van de OESO, te weten de relevantie, de effectiviteit, de efficiëntie, de levensvatbaarheid en de impact, alsook op basis van de duurzaamheid.

Hiertoe zal een coherente aanpak worden uitgewerkt die resultatenrapportage en resultaatgericht beheer mogelijk maakt. Een geüniformeerd systeem van rapportage moet bovendien een systematische opvolging mogelijk maken van de behaalde en niet behaalde resultaten.

Met deze geëvalueerde resultaten zal bovendien rekening worden gehouden bij de beslissing omtrent het verdere verloop van de genomen acties.

Art. 33.De in artikel 2, 5°, 6° en 7°, bedoelde actoren van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking zijn verantwoordelijk voor de interne evaluatie en de opvolging van hun interventies. De Koning bepaalt de nadere regels die tot doel hebben deze evaluatiesystemen te harmoniseren en te certificeren.

Art. 34.De Koning legt de instrumenten vast die nodig zijn om de externe evaluatie te verzekeren van de in artikel 2, 5°, 6° en 7°, bedoelde actoren van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking in het licht van de doelstellingen bedoeld in hoofdstuk 2 en van de criteria bedoeld in artikel 32. HOOFDSTUK 1 0. - Verslaggeving aan het Federale Parlement

Art. 35.De minister legt uiterlijk op 15 mei van elk jaar het verslag van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking van het voorgaande jaar voor aan het Federale Parlement. Dit verslag vermeldt : 1° de resultaten van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking in het licht van de doelstellingen bepaald in hoofdstuk 2 en de principes bepaald in hoofdstuk 3;2° aanbevelingen in verband met de in de artikelen 2, 16°, 8 en 31 bedoelde coherentie van het beleid ten gunste van ontwikkeling. HOOFDSTUK 1 1. - Bescherming tegen beslag en overdracht

Art. 36.De bedragen en de goederen bestemd voor de Belgische Ontwikkelingssamenwerking zijn niet vatbaar voor beslag noch voor overdracht. HOOFDSTUK 1 2. - Slotbepalingen

Art. 37.De wet van 25 mei 1999 betreffende de Belgische internationale samenwerking wordt opgeheven.

De uitvoeringsbesluiten van de wet van 25 mei 1999 behouden hun uitwerking tot op het ogenblik waarop zij door de Koning worden opgeheven.

Art. 38.Deze wet treedt in werking de dag waarop ze in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 19 maart 2013.

ALBERT Van Koningswege : De Minister van Ontwikkelingssamenwerking, J.-P. LABILLE Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, Mevr. A. TURTELBBOM _______ Nota (1) Zitting 2012-2013. Kamer Stukken. - Wetsontwerp, 53 2465/001. - 002 tot 005 : Amendementen, 53 2465/002 tot 005. - Verslag, 53 2465/006. - Tekst aangenomen door de commissie, 53 2465/007.

Zie ook : Integraal verslag. - 19 en 20 december 2012.

Senaat Stukken. - Beslissing om niet te amenderen, 5-1908.

Etaamb biedt de inhoud van de Belgisch Staatsblad aan gesorteerd op afkondigings- en publicatiedatum, behandeld om gemakkelijk leesbaar en afprintbaar te zijn, en verrijkt met een relationele context.
^